Michael Bakoenin


De klassenstrijd



Geschreven: 1870
Vertaling: Uit het Engels (‘The Class War’), mei 2004
HTML: Maarten Vanheuverswyn, voor het Marxists Internet Archive, mei 2004



Behalve Proudhon en M. Louis Blanc hebben bijna alle geschiedschrijvers van de revolutie van 1848 en van de staatsgreep van december 1851, net als de grootste schrijvers van de radicale burgerij (de Victor Hugo’s, de Quinots, enz.) uitvoerige commentaren geschreven ten opzichte van de misdaad en de misdadigers van ‘december’. Ze achtten zichzelf echter te goed om de misdaad en de misdadigers van juni ook maar zijdelings te behandelen. En toch is het overduidelijk dat december niets anders was dan het noodlottige gevolg van juni en de grootschalige herhaling ervan.

Waarom deze stilte over juni? Is het omdat de misdadigers van juni burgerlijke republikeinen zijn, waarvan de hierboven genoemde schrijvers, moreel gezien, min of meer medeplichtigen zijn? Medeplichtig in hun principes en daarom indirect medeplichtig aan hun daden? Dat is een waarschijnlijke reden, maar er is nog een reden inbegrepen. De misdaad van juni heeft alleen de arbeiders geraakt, de revolutionaire socialisten, per definitie vreemdelingen voor de klasse en natuurlijke vijanden van het principe dat al deze eerbare schrijvers vertegenwoordigen. De misdaad van december belaagde en deporteerde duizenden burgerlijke republikeinen, afkomstig uit dezelfde klasse als die eerbare schrijvers en hun politieke medegelovigen. Trouwens, ze zijn er zelf de slachtoffers van geworden. Vandaar hun extreme gevoeligheid ten aanzien van de misdaden in december en hun onverschilligheid ten opzichte van die in juni.

Een algemeen geldende regel: een burgerman, hoe rood en republikeins hij ook is, zal veel eerder hevig aangetrokken, opgewonden en geraakt zijn door een tegenvaller van een andere bourgeois (ook al is dat een kwaadaardige imperialist), dan door het ongeluk van een arbeider, van een man van het volk. Er zit ongetwijfeld een grote onrechtvaardigheid in dit verschil, maar deze onrechtvaardigheid is niet van tevoren beraamd. Het is instinctief. Het ontstaat doordat omstandigheden en leefgewoonten een veel grotere invloed uitoefenen op de mens dan hun ideeën en politieke overtuigingen. Omstandigheden en leefgewoonten, hun specifieke manier van bestaan, ontwikkelen, denken en doen; al hun sociale contacten zijn zo verscheiden en variabel, en toch komen ze regelmatig samen met hetzelfde doel; al deze diversiteit van belangen uitgedrukt in een gemeenschappelijk sociaal doel en het vormen van het leven in de bourgeoiswereld, vestigt tussen deze aardbewoners een solidariteitsbesef dat oneindig echter, dieper en per definitie meer oprecht is dan iets dat kan ontstaan tussen een gedeelte van de burgerij en de arbeiders. Geen politiek meningsverschil is in staat om de gemeenschappelijke belangen van de bourgeoisie te ontstijgen. Geen schijnbaar politiek compromis is in staat om het antagonisme van belangen dat de burgerij van het proletariaat scheidt, te ontstijgen. Gemeenschappelijkheid van overtuigingen en ideeën zijn ondergeschikt aan een gemeenschappelijkheid van klassenbelangen en vooroordelen, en moeten dat ook altijd zijn.

Leven beheerst gedachten en bepaalt de wil. Dit is een waarheid die nooit uit het oog verloren zou moeten worden wanneer we ook maar iets van sociale en politieke fenomenen willen begrijpen. Als we een oprechte en complete gemeenschappelijkheid van gedachten en wil tussen mensen willen vestigen, moeten we het funderen op soortgelijke voorwaarden voor het leven, of op een gemeenschappelijkheid van belangen. En omdat er, door verschillende soorten van bestaan, een afgrond is tussen de wereld van de bourgeois en de wereld van de arbeider (de een is de uitbuitende wereld, de ander is de uitgebuite wereld van de slachtoffers), concludeer ik dat als iemand, geboren en opgegroeid in de klasse van de bourgeois, oprecht en openhartig de vriend en broeder wil worden van het proletariaat, hij afstand moet doen van alle omstandigheden van zijn voormalige bestaan, en al zijn burgerlijke gewoonten moet afleren. Hij moet al zijn gevoelsmatige banden met de wereld van de bourgeois afsnijden, zijn ijdelheid en zijn ambitie. Hij moet deze wereld zijn rug toekeren en er de vijand van worden; de onverzoenlijke oorlog uitroepen, en zich met heel zijn hart in de wereld en het belang van de arbeider storten.

Als zijn passie voor gerechtigheid te zwak is om hem te kunnen inspireren tot een dergelijke beslissing en dapperheid, laat hem dan niet zichzelf bedriegen, en laat hem het proletariaat niet bedriegen. Hij kan nooit hun vriend worden, en hij zal bewijzen bij elke crisis hun vijand te zijn. Zijn abstracte gedachten, zijn dromen van rechtvaardigheid zullen hem gemakkelijk beïnvloeden, in uren van rustige reflectie als er geen beroering is in de uitgebuite wereld. Maar als het moment van de Strijd daar is, als de tijdelijke wapenstilstand plaatsmaakt voor het onverzoenlijke conflict, dan zullen zijn belangen hem dwingen te dienen in het kamp van de uitbuiters. Dit overkwam onze eenmalige vrienden in het verleden al. Het zal opnieuw gebeuren met vele goede republikeinen en socialisten die hun verbintenis met de wereld van de bourgeois niet verloren zijn.

Sociale conflicten zijn net religieuze conflicten. Ze zijn intens en diep. Ze zijn niet oppervlakkig zoals politieke conflicten. Dit feit verklaart de toegeeflijkheid die de bourgeoisdemocraten toonden ten aanzien van de bonapartisten. Het verklaart ook hun excessieve hardheid ten opzichte van de socialistische revolutionairen. Ze haten de bonapartisten veel minder dan de socialistische revolutionairen vanwege de druk van economische belangen. Ten gevolge daarvan verenigen zij zich met de bonapartisten en vormen zij een gemeenschappelijke reactie tegen de onderdrukte massa.