Michael Bakoenin

Brief aan een Fransman



Geschreven: 1870
Bron: Het Wereldvenster 1979
Vertaling: Drs M.W. Blok
Deze versie: Spelling aangepast
Transcriptie: Rick Denkers. HTML: Adrien Verlee voor het Marxists Internet Archive, april 2006


Inhoud


II

III


I [1]

Er zijn op dit moment in Parijs twee dingen die de revolutie belemmeren: aan de ene kant, bij de bonapartisten, het patriottisme dat de reactie verhult en tot voorwendsel dient voor de meest despotische maatregelen; aan de andere kant, bij de revolutionairen, de volgens mij kinderlijke wens dat de opstand de buitenlandse inval zou steunen. De radicale afgevaardigden hebben zich getoond als wat ze zijn, praatjesmakers, mislukte bastaards van de jakobijnen van 1793. Ze hebben zich niet kunnen, niet durven meester maken van de macht. Het heeft hun evenzeer ontbroken aan durf als aan inzicht in de situatie. Ze hebben wel onwettig durven kletsen, maar geen onwettige daden voor het algemeen welzijn durven verrichten. Wat hadden ze moeten doen? Absolute voorwaarden stellen, zoals eerst hun bedoeling leek te zijn; vervolgens, indien de meerderheid zou weigeren, zich gezamenlijk terugtrekken, om niet solidair te zijn met dit reactionaire parlement dat niets kan redden dan Napoleon, en dat Frankrijk te gronde zal richten. Door dat gezamenlijke vertrek zouden ze, ook al waren ze maar met hun twintigen geweest, de Kamer in de ogen van heel Frankrijk aan de kaak gesteld hebben en op dat moment had heel Frankrijk achter hen gestaan. Wat hebben ze in plaats daarvan gedaan?

Ze zijn uit vaderlandsliefde gebleven en de keizersgezinde meerderheid heeft zich van elk van hun voorstellen meester gemaakt en ze in reactionaire maatregelen veranderd: in plaats van hun Comité de Salut Public, een ministerie van de daad, het ministerie Palikao; en in plaats van de onmiddellijke, algemene bewapening van het volk, de inlijving van alle weerbare Fransen bij het leger, een enorm krediet, ter beschikking gesteld van de keizerlijke staat, en een gedwongen koers voor de bank — kortom, de redding van Frankrijk niet door een algemene opstand van het volk, maar door het versterken van het reeds zo monsterachtige staatsapparaat. Ziedaar het resultaat van het politieke radicalisme van de Franse jakobijnen. Daarom — ik weet niet of u mijn gevoelen daarover zult delen — daarom verlang ik, ondanks al mijn haat tegen de Pruisische Junkers, tegen het onuitstaanbare gepoch en het unitaristische patriottisme van de Duitsers, tegen Bismarck en tegen zijn koning, met kracht dat de Fransen nogmaals verslagen worden.

Maar al is het aan de ene kant zeker dat een nieuwe nederlaag van de Fransen de val van Bonaparte zal betekenen, het lijkt me even zeker dat de Parijzenaars geen radicale revolutie zullen beginnen, zelfs niet in politiek opzicht. Er zal een voorlopige, op verzoening gerichte regering komen, waarin Thiers de hand zal reiken aan Gambetta en generaal Trochu aan Pelletan of Jules Simon of Kératry, en die regering zal maar één programma hebben, de orde handhaven. Niet Parijs zal dit keer het initiatief kunnen nemen voor de echte revolutie, het initiatief zal bij de provincies liggen.



[1] De redactie van la Solidarité, waarin dit eerste fragment gepubliceerd werd, liet het voorafgaan door de aantekening: ‘Een van onze vrienden zendt ons de volgende beoordeling van de situatie in Frankrijk, die ons volkomen juist lijkt.'