Max Beer
Algemene geschiedenis van het socialisme
Hoofdstuk 6


Romeinse kritiek van de maatschappij

Klachten van de onteigenden

De maatschappelijke ontwikkelingsvormen die hierboven reeds aangeduid zijn, traden tegen het einde van het tijdperk der republiek steeds meer op de voorgrond. In de oorlogen die de Romeinse legioenen van de Rijn tot de Eufraat, van de Donau tot de Sahara voerden, waren het grootgrondbezit en het met de oorlogvoering zo innig verknochte grootkapitaal de overwinnende machten.

Julius Caesar, voorheen in het geheim de vriend van Catilina, later de zegevierende veldheer die zich als maatschappelijk hervormer onsterfelijk wilde maken, beproefde de Romeinse en Italiaanse volksmassa’s op een hoger peil te brengen, het regeerstelsel van de wingewesten te veranderen en — in het kort — de wonden te helen die door het grootgrondbezit en het grootkapitaal aan de samenleving werden toegebracht. Evenwel werd deze hervorming ondersteld door een dictatoriale macht te worden ingevoerd. De 15de maart van het jaar 44 v.Chr. werd hij vermoord en nauwelijks dertien jaar later was het Romeinse rijk bereids een monarchie. Augustus was de eerste Romeinse keizer. (31 v.Chr.-14 n.Chr.) Het tijdperk van deze staatkundige verandering kenmerkt zich tevens door een hoge geestesbeschaving, — in zover daarvan bij de Romeinen sprake kan wezen. De Latijnse dichters, Virgilius (70-19 v.Chr.), Ovidius (43 v.Chr. -9 n.Chr.), Horatius (65-8 v.Chr.) zijn de letterkundige sieraden van die tijd geweest. Reeds vroeger hebben wij de geschiedschrijvers Sallustius en Livius herdacht die gelijkelijk tot dit tijdperk behoren. Zij vertegenwoordigen de hoogste ontwikkelingsvorm van de Latijnse geestesbeschaving. Het was tevens de tijd die zich in de onderste lagen van het volk en in de cel van de geleerde in Palestina, de elementen van een nieuwe wereldgodsdienst verzamelen zag.

Voor het oog van de beoefenaar der wetenschap van de maatschappij was generlei verandering zichtbaar. Italië was overdekt met landbouwondernemingen die in het uitsluitend belang van hun eigenaar en met behulp van slaven en kleine pachters gedreven werden. Volkplantingen van boeren en oudgedienden, toe-eigening van staatsdomeinen, waren de middelen die door de stichters van die ondernemingen in ruime mate werden toegepast. In de wingewesten voerden de belastingpachters een onbeperkte heerschappij: zij wisten zich in Azië en Afrika het bezit van uitgestrekte landerijen te verzekeren en verstonden de kunst de bewerkers van die gronden meedogenloos uit te buiten. De bevolking ging in aantal achteruit, in de plaats van de algemenen dienstplicht kwam het stelsel van de huursoldaten en toen de grote oorlogen tot het verleden behoorden, nam ook het aantal slaven af. De Italiaanse volkskracht begon op te drogen. De bekende uitspraak van Plinius de Oudere (geboren 23, gestorven 79 n.Chr.): “Het grootgrondbezit is de ondergang van Italië en reeds begint het ook de wingewesten ten ondergang te voeren”, kenmerkt de toestanden die in de laatste eeuw vóór Christus een aanvang genomen hadden en zich nu verder ontwikkelden. Het aangehaalde woord van Plinius dagtekent uit de eerste eeuw, maar reeds langen tijd daarvóór luidde een Romeins spreekwoord, dat een mens juist zoveel betekent, als hij bezit.

De Romeinse dichter Horatius, die het zeker niemand zal invallen een volksmenner te noemen, klaagt (Oden II, 18):

“De nooit verzadigde hebzucht verzet de grenspaal van de aangrenzende akker en alom wordt des landman greppel verlegd. Verjaagd van huis en hof, zwerven man en vrouw rond, torsende het huisraad der vaderen en de deerniswaardige kinderen.”

Seneta, de Oude (54 v.Chr.-38 n.Chr.) vertolkt de klacht van een landbouwer, die een rijke buurman de bomen geveld en de hut in brand gestoken heeft:

“Gij, rijkaards, zijn de eigenaren van het platteland en tegelijk verdringen uw paleizen zich in de steden en in de omtrek daarvan. Opdat het uitzicht van uw landhuizen zo onbelemmerd mogelijk zij, en in de winter de luwte van de zomer en in de zomer de koelte van het frisse jaargetijde onverkort uw deel mogen zijn, zodat de wisseling der seizoenen nauwelijks door u wordt opgemerkt, — opdat gij op uw hoogste daken landouwen en bevaarbare vijvers zoude kunnen napen, — ziet men thans niet meer dan een eenzaam hutje op de vlakte waar vroeger heel een volk de nijvere handen repte en strekt het machtgebied van uw rentmeester zich verder dan menig koninkrijk uit.”

In een andere klacht die door een arme man tot een rijke gericht wordt, verhaalt de boer zijn lijdensgeschiedenis.

“Niet altijd ben ik de buurman van een rijkaard geweest. Mij heugt een tijd, toen ik hier, rondom mij, talloze hofsteden zag, bewoond door de bezitters, die, zoals goede buren betaamt, in vrede en eendracht hun plekje bebouwden. Hoe geheel anders is het thans! Het land dat eens hen allen gevoed heeft, is nu één enkele onderneming en van één enkele rijkaard het eigendom. Zijn landgoed heeft naar alle zijden de grenzen uitgezet. De boerenhuizen die het heeft opgeslokt, zijn met de grond gelijk gemaakt. De voorvaderlijke heiligdommen zijn verdwenen. De voormalige eigenaars hebben van de beschermgoden van het ouderlijk huis moeten scheiden en zijn met vrouw en kind een lange zwerftocht begonnen.. Een ondragelijke eentonigheid ligt over de vlakte uitgespreid. Als door een muur voel ik mij aan alle zijden door de rijkdom ingesloten... Hier is de lusttuin van de rijken man, daar zijn akkers, ginds zijn wijnbergen en in de verte zijn bossen... En deze overweldiging wordt door niets in bedwang gehouden, totdat het bezit van de rijkaard dat van anderen raakt.” (Pöhlmann, Geschiedenis van de Sociale Quaestie, 553-4).

Deze klachten zijn de doodssnik van de ondergaande Romeinse boerenstand. En het proletariaat van de stad ging het niet beter. De overzeese veroveringen van Rome bleken in hoge mate nadelig voor de ambachten en bedrijven in het moederland.

Landbouwondernemingen en overzeese veroveringen kenmerken ook de West-Europese-christelijke periode. Waarom is dan het verloop van die beide ontwikkelingsprocessen onderling zo verschillend geweest? In het ene geval de ondergang van Rome, — in het andere de economische en staatkundige bloei?

De zaak is dat in West-Europa de onteigende boer zich naar de stad begaf en daar in de ambachten en de werkplaatsen aan de arbeid werd gezet. De veroverde landen leverden grondstoffen en de goederen die daaruit vervaardigd werden, vonden geredelijk afzet in een steeds toenemende vraag en op een markt die voortdurend in betekenis won. Wanneer — in het geval van Rome — de onteigende boer naar de stad trok, vond hij daar óf een ambacht dat nog in het tijdperk van zijn kindsheid verkeerde, — óf in de slaaf een mededinger met wie hij niet in staat was zich te meten. De overzeese wingewesten stonden in beschaving boven Rome. Klein-Azië en Egypte beschikten over een vakbekwaamheid die de vrije Romeinen niet bezaten. Evenals de Grieken in verstandelijk opzicht, hemelhoog boven hun overwinnaars uitstaken, was het voortbrengend vermogen van Klein-Azië en Egypte hoger ontwikkeld dan dat van Rome, dat het afzetgebied van de wingewesten werd. De verarmde massa was voor haar levensonderhoud hetzij op de staatskas, hetzij op de hulp van particulieren aangewezen, — althans wanneer zij er niet de voorkeur aan gaf een klein stuk grond te pachten evenwel op de voorwaarde die het de eigenaar goed zou dunken hun op te leggen.

Het christelijk Europa is op de ingeslagen weg voortgegaan en heeft inmiddels zijn technische ontwikkeling hoger opgevoerd, zijn stoffelijke hulpbronnen vermeerderd en zijn economische omwenteling tot stand gebracht. Daarentegen is Rome uit zijn nieuwe tijd naar zijn middeleeuwen teruggekeerd en heeft zich daarbij een leenstelsel eigen gemaakt, waarbij de kleine pachters tot de rang van lijfeigenen zijn afgedaald. Wij bedoelen het zogenaamde Kolonaat dat sinds de eerste eeuw van de keizertijd overal wortel geschoten heeft.

Het spreekt vanzelf dat deze averechtse ontwikkeling van Rome het steedse proletariaat aan nood en ellende en verdierlijking heeft prijsgegeven. De ontevredenheid en de opstandige stemming die in de dagen van Spartacus en Catilina allen vervulden die niets bezaten en veelal onder schulden gebukt gingen, — die gezindheid moet door de bestaande omstandigheden niet weinig bevorderd zijn.

Hoe komt het dat wij nooit horen gewagen van communistische bewegingen in de boezem van het Romeinse proletariaat?

Alvorens deze hoogst belangrijke vraag te beantwoorden, wensen wij een ogenblik te verwijlen bij de Romeinse schrijvers die — ondanks zichzelf — nu en dan een weerklank hebben laten horen van de maatschappelijke crisis hunner dagen.

Verlangen naar eenvoud, vrijheid en harmonie

Evenals wij dat in Hellas in tijden van rusteloze maatschappelijke scheuring hebben opgemerkt, zo richtten ook de Latijnse dichters en denkers hun blikken naar die communistische begintijd, toen de mensen in eenvoud en vrijheid en harmonie hun dagen sleten. De gouden eeuw werd verheerlijkt en op haar terugkeer was de hoop van velen gevestigd, — hetgeen gelijkstond met een veroordeling van het tijdsperk van het privaateigendom, van het geweld, van de handelsspeculatie en van de oorlogen binnen en buiten de grenzen.

In zijn “Catilina” wijdt Sallustius een weemoedige herinnering aan de tijd toen het menselijk leven nog vrij was van de begeerlijkheid en eenieder met het zijne tevreden was.

Duidelijker is Virgilius in zijn gedichten op de landbouw (Georgica, I, 1’5-128) waar hij de lof zingt van de tijd, toen Saturnus nog regeerde, — en niet Jupiter, de god van de ijzeren eeuw die zoveel kommer en ellende gebracht heeft.

“Vóór de dagen van Jupiter hadden de akkers de arbeid van de landman niet nodig. Geen verdelingslijn doorsneed de meent. De opbrengst was voor allen bestemd en het was alsof de aarde niets liever verlangde dan een rijken oogst te dragen.”

Virgilius vertolkt hier de in zijn dagen gangbare mening dat de aarde in de tijd van het vroegste communisme aanmerkelijk vruchtbaarder was en minder inspanning van de mensen eiste. Deze voorstelling is min of meer verwant met het Bijbels Paradijsverhaal dat ons weet te berichten hoe de aarde eerst na de zondeval is begonnen doornen en distels te dragen.

Onverzettelijk heeft Virgilius vastgehouden aan de overtuiging dat de gouden eeuw, de heerschappij van Saturnus[1] weldra terugkeren en de mensheid de zegeningen van die schone dagen brengen zou. (Bucolica, 4 Ecloog).

“Opnieuw begint de oorspronkelijke volgorde der tijden. Reeds naderen de jonkvrouw[2] en de heerschappij van Saturnus. Een nieuw geslacht daalt uit de hogen hemel. Wees de knaap[3] die verwacht wordt wélgezind. Hij brengt het einde van het IJzertijdperk en alom bloeit in het heelal een gouden geslacht op.”

Ten slotte vermelden wij Horatius die de lof zingt van de eenvoud der barbaren en hun communisme en de rijkdom vervloekt. (Odeon, III, 24).

“Gelukkiger leeft in het vrije veld de Scyth wiens zwervend huis op de wagen voortrolt. Gelukkiger ook de ruwe Geet wie de onbegrensde vlakte vruchten en granen opbrengt. Draagt de edelstenen, draagt het onnutte goud, die oorzaak van alle rampen, naar het Kapitool... Neen, draagt ze naar de zee die het naastbij ligt.”

Dit verlangen naar een eenvoudig en ongekunsteld leven, deze afkeer van de weelde en van de verwikkelingen en zorgen en botsingen der beschaving was in de eerste eeuw van de keizertijd in de beschaafde kringen zeer algemeen. De invloed van de stoïci treed hier zeer duidelijk aan de dag. Het duidelijkst wellicht bij Seneca de Wijsgeer, — geboren in het jaar 4 v.Chr. en gestorven in het jaar 65 n.Chr. door zelfmoord, als gevolg van het doodvonnis dat Nero over hem geveld had. In zijn “Brieven” schildert hij de bekoring van het eenvoudige natuurleven en van het oudste communisme, en verzucht:

“Is ooit groter geluk aanschouwd dan aan dat mensengeslacht ten deel gevallen is? Gemeenschappelijk genoten zij van de goede gaven der natuur die als een moeder hen allen beschermde en verzorgde. Wat was ooit veiliger dan het gemeenschappelijk bezit van deze rijkdom? Dit mensengeslacht dat de armoede niet kende, verdiende inderdaad zeer rijk te heten. Zo voortreffelijk was alles besteld, toen de hebzucht het hoofd opstak en in haar verlangen iets op zijde te leggen, en als bezit te verwerven, alles verloor. Al tracht de mens het ongeluk te verhelpen en zijn verlies goed te maken, al trekt hij akker aan akker, al verjaagt hij zijn buurman door macht van geld en geweld, al verwerft hij landgoederen die de omvang van provinciën hebben en wier grenzen vele dagreizen uiteen liggen... Al worden de grenzen steeds weer uitgezet, toch zullen wij het geluk van vroeger dagen niet bereiken...

“Toen was er geen overvloed, maar ook geen gebrek, alles werd in vrede verdeeld. Toen had de sterke man zich nog niet aan zijn zwakken broeder vergrepen. Toen had de begerige mens zijn naaste nog niet het onmisbare ontzegd. Een ieder zorgde met gelijke ijver voor anderen en voor zichzelf.”

Men mag van Seneca getuigen dat hij een van de merkwaardigste denkers van Rome geweest is. Hij heeft de dag van zijn dood als de geboortedag tot het eeuwige leven geprezen. Met geestdrift sprak hij van de ongestoorde zaligheid aan gene zijde van het graf. Met aandrang vermaande hij tot menslievendheid jegens de slaven, ja, zelfs jegens de vijand. Hij meende dat de mens zijn medemens heilig behoorde te zijn. Zijn gemoedsleven is in menig opzicht van zo nabij aan het christendom verwant dat sommige kerkvaders hem voor een vriend van de apostel Paulus gehouden hebben. Van deze gissing werd intussen de ongegrondheid aangetoond. (Aangaande de verhouding tussen Senecta en Paulus, zie F. Ch. Baur, Drie Verhandelingen, — blz. 377-473). De figuur van Seneca bewijst ten overvloede dat de latere stoïsche zedenleer zich in dezelfde richting ontwikkeld heeft, als de Joodse in Palestina en de Grieks-Joodse in Alexandrië. Zij waren, elk op hun wijze, de vrucht van de geestelijke, maatschappelijke en staatkundige ontwikkeling van het Romeinse rijk, in de laatste eeuw van de republiek en de eerste van de keizertijd.

Het heimwee naar een harmonische en natuurlijke orde die aan de persoonlijkheid de grootst mogelijke vrijheid liet, bewoog zich evenwijdig met het zoeken en tasten der geesten naar hoger zedelijkheid en godsdienst. En overal waar een gelovige wereld zich uitstrekt naar een edele menslievende zedenleer die reinheid van persoonlijk leven najaagt, vergeestelijkt zich het geloof en het godsbegrip. Wij hebben dit bij de Joodse Profeten waargenomen. Zodra zich bij hen de overtuiging van een zedelijke wereldorde baangebroken had, verloor Jahwe zijn plaatselijk en grofzinnelijk karakter en verhief hij zich tot de wereldgod der rechtvaardigheid. De Jahwe gedachte werd een afgetrokken begrip. En zo geschiedde het ook ditmaal op het schouwtoneel van het Romeinse rijk: het aanzien van de oude goden taande zienderogen. Beschaafde Romeinse vrouwen en mannen zochten steun bij de stoïsche wijsbegeerte, ook bij Oosterse erediensten. Egyptische en Aziatische mysteriën oefenden een onweerstaanbare bekoring op de Romeinse gemoederen uit. Ook het Jodendom won vele aanhangers onder de Romeinen. Bij de Hellenen had dit verschijnsel zich reeds vroeger geopenbaard. De vijf boeken van Mozes, (Pentateuch) waren reeds in de derde eeuw vóór Christus in het Grieks vertaald en onder de titel “Septuaginta” bekend. In de diep schokkende beroering van het onmetelijk Romeins-Helleense gebied die door de wereldoorlogen van Pompejus en Caesar teweeg werd gebracht, ook door de maatschappelijke verspintering van het Romeinse rijk, waren de verontruste gemoederen slechts al te ontvankelijk voor de nieuwe gedachten en gevoelens die deels door de gisting in de volksmassa, deels door het samentreffen van de Griekse en de Oosterse gedachtewereld in het leven werden geroepen. Een nieuw tijdperk der geesten zou weldra zijn intrede doen... Wij hebben het christendom genoemd.

Het spreekt vanzelf dat de onderscheiden lagen en rangen van de volkeren die onder de Romeinse heerschappij leefden, niet allen op dezelfde wijze door die nieuwe geestelijke dampkring werden aangedaan. Stoffelijke omstandigheden, opvoeding, overlevering, staatkundige en geografische bijzonderheden liepen bij deze talrijke mensengroepen te zeer uiteen, dan dat hier een gelijke werking verwacht kon worden. In het groot genomen, kan men die invloeden in twee helften splitsen. Allen die niets bezaten, die een kommervol leven leidden, joegen vóór alles naar een rechtvaardige verdeling van de wereldse goederen, naar de bevrijding van alle afhankelijkheid en zorgen om het dagelijks brood. Hun diepste gedachte was sociale rechtvaardigheid, breideling van alle hoogmoedigen en rijken, verheffing van wie arm en nederig waren. Hun doel was een omwenteling in communistische zin.

Geheel anders was het met de aanzienlijken en de geleerden gesteld die, onder de drang van hun begrippen, godsdienstige troost, een nieuw geloof en betrouwbare bovenzinnelijke waarheden zochten, om aldus de onrust van hun ziel te bedwingen en het ledig te vullen dat door de verdwijning van de oude goden ontstaan was, — anders gezegd, wie het er om te doen was zich een nieuwe wereldbeschouwing te veroveren.

Er zijn hier dus twee stromingen aanwijsbaar: communisme en geloofswaarheid. Eerstgenoemde maakte zich alengs van de grote massa meester, de laatste richtte zich tot de aanzienlijken en beschaafden. De ene ontwikkelde krachten die zich in de richting van het communisme bewogen, — de andere gaf het aanzijn aan de christelijke godgeleerdheid, aan de strijdvragen van leerstuk en rechtzinnigheid. Bij vele godgeleerde leiders van de massa werden elementen van beide stromingen aangetroffen.

Wij hebben hier met godsdienstige noch met zedelijke leerstukken te doen, aangezien wij hier niet de geschiedenis van de oorsprong van het christendom schrijven, maar een geschiedenis van het Socialisme. Het kan daarom slechts onze taak zijn de communistische bestanddelen van het christendom aan te wijzen. Want aan deze bestanddelen is het in de eerste plaats toe te schrijven dat het christendom aan het Romeinse proletariaat de taal verschaft heeft die het voor de uiting van zijn begrippen behoefde. Tevens zijn wij in staat de vraag te beantwoorden die wij in een vorig hoofdstuk hebben opgeworpen, — de vraag waarom het proletariaat van Rome, ondanks zijn velerlei strijd en zijn veelvuldig gebleken vatbaarheid voor gisting en opwinding, nochtans in gebreke gebleven is een communistisch gedachtestelsel te scheppen. Dit antwoord kan slechts dit zijn: het christendom is het communisme van het Romeinse proletariaat geweest.

Evenals de toongevende kringen van Rome onbekwaam gebleken zijn zich een eigen wijsbegeerte en godsdienst te scheppen, maar deze van de overwonnen Grieken in ontvangst hebben genomen, — zijn ook de Romeinse en Italiaanse niet-bezitters onmachtig geweest een eigen proletarisch begrippenstelsel voort te brengen: de afgezanten van de Joods-Helleense beschavingskring hebben het hun geschonken.

_______________
[1] De betekenis voor de Romeinen van dit geloof in de Eeuw van Saturnus blijkt onder meer uit de Saturnaliën die elk jaar in de maand december gevierd werden en tot een feest gegroeid waren dat aan de vrijheid, gelijkheid en broederschap gewijd was. De slaven zaten daarbij met hun meesters aan dezelfde dis, de rechtsbedeling was opgeschort, de arbeid stond stil en vrede en vreugde heersten overal.
[2] Met de “jonkvrouw” wordt door Virgilius Astrea bedoeld, de godin van de gerechtigheid die, naar de Romeinse voorstelling, bij den aanvang van de IJzeren eeuw de aarde verlaten had. Sedert die tijd schittert zij als jonkvrouw aan de sterrenhemel. Haar terugkeer wordt derhalve geacht de nadering van de Eeuw der Rechtvaardigheid aan te kondigen.
[3] Met die “knaap” wordt door Virgilius het kind aangeduid van zijn beschermer en weldoener Pollio die Romeins consul geweest is. Het gedicht werd omstreeks het jaar 42 v.Chr. geschreven ter ere van die Pollio, wiens gemalin een bezoek van de ooievaar verwachtte.
Katholieke uitleggers zien hier een zinspeling op Maria en Jezus. In elk geval is dit vers hoogst merkwaardig. Het wijst op een stellige bekendheid met de Joodse Messiasverwachtingen, zoals die door Jesaja te boek zijn gesteld.