Rudolf Boehm
Aan het einde van een tijdperk
Hoofdstuk 13


Is er een dialectiek van de vooruitgang?

Ik stel de vraag: is er een dialectiek van de vooruitgang? – om ze ontkennend te beantwoorden.

‘Vooruitgang’ is, op zichzelf genomen, een gemakkelijk misleidend begrip. Vaak wordt het gebruikt in een betekenis die veronderstelt dat allerlei vooruitgang, in welke richting ook, als een vooruitgang naar het betere toe te beschouwen is; ja het eenvoudige feit wordt genegeerd dat elke vooruitgang in een bepaalde richting toch wel een achteruitgang in de tegenovergestelde richting is. Het begrip van een ‘dialectiek van de vooruitgang’ schept afstand ten overstaan van dergelijke naïviteiten. Ik denk er niet aan de vraag of er geen onderscheid moet worden gemaakt tussen vooruitgang zonder meer en vooruitgang naar het betere toe en of niet elke vooruitgang in een ander opzicht een achteruitgang is, ontkennend te beantwoorden.

Veeleer beroep ik me onmiddellijk op ‘de’ vooruitgang, waaraan we allemaal direct bij het thema van de ‘dialectiek van de vooruitgang’ denken, namelijk de voortschrijdende ontwikkeling van onze moderne wetenschappelijk-technologisch-kapitalistische beschaving; en ik wil bestrijden dat zich in die ontwikkeling een omslag van een aanvankelijke vooruitgang in het belang van de mensheid in een achteruitgang in de zin van een voortschrijdende afbraak van de belangen van de mensheid heeft voorgedaan. Jürgen Habermas kenmerkte het kernstuk van zijn duidelijkste bijdrage tot de discussie over de vraag van de ‘dialectiek van de vooruitgang’ – het opstel ‘Techniek en Wetenschap als “Ideologie”’ (1968) in zijn gelijknamige boek – als ‘een discussie met de door Herbert Marcuse ontwikkelde stelling: “De bevrijdende kracht van de technologie – de instrumentalisering van de dingen – slaat om in een boei van de bevrijding, ze wordt tot instrumentalisering van de mens.”’[18] Ik zou deze stelling, die Habermas alleen een nieuwe fundering heeft gegeven, willen tegenspreken, en wel op dubbele wijze:
1. Onder ‘technologie’ verstaat Marcuse zoals bekend de moderne wetenschap zelf, ja op de eerste plaats. Ik betwist de ‘bevrijdende kracht’ van de moderne wetenschap en technologie.
2. Onder de ‘instrumentalisering’ van de mens verstaat Marcuse zoals bekend het kapitalisme. Ik betwist dat met de ontwikkeling van het moderne kapitalisme op de grondslag van de moderne wetenschap en technologie een ‘verdraaiing’ van de wetenschappelijk-technologische vooruitgang in zijn tegendeel is begonnen; ik beweer veeleer dat het kapitalisme niets anders is dan een ‘boei van de bevrijding’, die wetenschap en technologie zelf hebben gesmeed – of ik bevestig de rechtlijnige vooruitgang van de moderne wetenschap en technologie naar de ontwikkeling van een op haar weten gefundeerd maatschappelijk systeem.[19]

De vooruitgang van de wetenschap

Want: Waarin bestaat, in welke richting ging de vooruitgang, die – onbetwistbaar – de moderne wetenschap vanaf de zeventiende eeuw tot in onze tijd heeft gemaakt? Ik bekijk eerst de vooruitgang van de wetenschap zelf, en zie af van de recentere voortschrijdende uitbreiding en vervolmaking van haar technologische toepassingen. Volgens haar eigen begrip van weten zou de vooruitgang van de wetenschap bestaan moeten hebben in de voortschrijdende realisatie van het ideaal van objectieve kennis. Deze vooruitgang moet dan in de voortschrijdende toenadering tot, assimilatie en overeenstemming met ‘natuurwetten’ bestaan, die steeds en overal en volledig onafhankelijk van de perspectieven van de mensen, van hun behoeften, belangen en doelstellingen bepalen wat is en wat gebeurt. Het lijkt me volstrekt onbetwistbaar dat de moderne wetenschap sedert haar ontstaan tot op heden in dit opzicht geweldige en voortdurende vooruitgang heeft geboekt – ondanks alle twijfels die de recente ‘wetenschapsfilosofie’ aangaande de objectiviteit van de wetenschappelijke kennis heeft laten horen; ik neem me voor in een afsluitende stellingname even op de fundering van deze twijfels in te gaan. In het bijzonder heeft de moderne wetenschap ondertussen ook in die zin vooruitgang geboekt dat ze in de gestalte van de wetenschappen ‘van de mens’ wegen heeft gevonden van toenadering van de objectieve kennis tot de wetmatigheden die – eveneens geheel onafhankelijk van ‘onze’ menselijke gezichtspunten, behoeften, belangen en doelstellingen – het individuele en maatschappelijke gedrag van de mensen zelf, hun spreken en handelen, de ontwikkeling van menselijke cultuurvormen met inbegrip van de ontwikkeling van de wetenschappen zelf overal en steeds – zoals ‘natuurwetten’ – beheersen. De realisatie van het objectiviteitprincipe heeft zich uitgebreid tot de ontwikkeling van de ‘objectieve wetenschappen van het subjectieve’ (Husserl) zelf. Maar in welke richting beweegt zich deze vooruitgang van de moderne objectieve wetenschap?

1. Naarmate de ontwikkeling van deze wetenschap ieder ander soort weten verdringt – door de overmacht van haar resultaten, die ik helemaal niet betwist, maar ook reeds door de verdringing van ieder begrip van een ander dan een objectief weten – reduceert haar vooruitgang al ons weten tot louter weten van datgene wat zich aan elke medebepaling door menselijke gezichtspunten, behoeften, belangen en doelstellingen principieel onttrekt. De mensen leren nog slechts meer te weten van datgene, en bijgevolg nog slechts datgene te vertrouwen en op datgene te rekenen, waaraan ze principieel niets kunnen veranderen: het gaat óf om onveranderlijke wetmatige verhoudingen, óf om wetten van een onveranderlijke ontwikkeling. Praktisch weten dat beantwoordt aan menselijke gezichtspunten, behoeften, belangen en doelstellingen, vervalt en verdwijnt. Men weet hoe langer hoe minder op welke wijze men humane belangen kan dienen.

2. Waar alleen objectiviteit als rationaliteit geldig is, is als rationeel gedrag aan de mensen een zo groot mogelijke objectieve houding opgelegd. Deze verlangt van ons de vastberaden distantiëring van onze eigen gezichtspunten, behoeften, belangen en doelstellingen, zowel individuele als collectieve. Juist hierdoor echter onttrekken zich deze ‘subjectieve’ gegevenheden van hun kant aan onze eigen medebepaling en komen ze eveneens als ‘objectief’ tegenover ons te staan, alsof ze zelf bepaald zouden zijn door volledig van onszelf onafhankelijke wetmatigheden van volstrekt dezelfde aard als de ‘natuurwetten’; ja, doordat we ons terugtrekken in de objectieve houding worden ze werkelijk zelf van nu af objectieve gegevens naast andere. Door de ter wille van het weten als objectief weten vereiste objectieve houding van de mens breidt zich het heerschappijgebied van de volledig van ons mensen onafhankelijk heersende natuurwetten uit, breidt zich de omvang van wat door de natuurwetten wordt beheerst en wat aan menselijke medebepaling wordt onttrokken tot in het onmetelijke uit. Voor de mens die niets meer – volgens zelf, in zijn eigen belang geponeerde doeleinden, die met de eigen behoeften overeenstemmen en aan zijn eigen gezichtspunt beantwoorden – wil veranderen, wordt inderdaad alles onveranderlijk en onveranderbaar.

De vooruitgang van de moderne objectieve wetenschap is de achteruitgang van elke vorm van menselijke zelfbepaling en van menselijke medebepaling in zijn leefwereld, die zich op een weten zou kunnen funderen (waarvan zelf haar humaan niveau zou afhangen). Deze vooruitgang smeedt een – uiteindelijk – onverbrekelijke ‘boei van de bevrijding’.

De vooruitgang van de technologie

Maar de vooruitgang van de moderne wetenschap heeft de geweldige vooruitgang van de moderne technologie met zich mee gebracht of althans mogelijk gemaakt. En vooral haar – de ‘instrumentalisering van de dingen’ – schrijft Marcuse, en met hem Habermas, ‘de bevrijdende kracht’ toe.

In de eerste plaats moeten we hier de vraag stellen welke vooruitgang op het gebied van de techniek mogelijk is geworden, en van welke aard de technologische vooruitgang is, die deze wetenschap inderdaad heeft mogelijk gemaakt. Want tegenwoordig heeft men al te snel de neiging om elke technische vooruitgang voetstoots als gevolg van een of andere wetenschappelijke vooruitgang te beschouwen. Daartegen merkt Jürgen Habermas terecht op: ‘Een interdependentie van wetenschap en techniek bestond tot op het einde van de negentiende eeuw niet. De moderne wetenschap heeft tot dan toe niet tot de versnelling van de technische ontwikkeling... bijgedragen.’[20] We spreken tegenwoordig meestal terecht niet meer van ‘techniek’, maar van ‘technologie’. De betekenis van het onderscheid dat haast tot op heden bewaard is gebleven, was de volgende: techniek is het weten van de geschikte middelen om bepaalde – gegeven – doeleinden te bereiken, te realiseren. Technologie integendeel is het weten van de mogelijke toepassingen van bepaalde – gegeven – middelen. Zo bepaald lijkt het woord ‘technologie’ mij inderdaad geschikt om de ‘techniek’ nauwkeurig te bepalen die als ‘toegepaste wetenschap’ moet worden begrepen en erkend. Want kenmerkend voor objectieve wetenschap is de principiële uitschakeling van alle menselijke gezichtspunten, behoeften, belangen en eraan beantwoordende doelstellingen. Zo kan ook de ‘toepassing’ van zulk weten misschien wel gekenmerkt worden door efficiëntie, maar niet door doelmatigheid, door ‘waarde’-vrije, zeg doelongebonden oriëntering naar zuiver succes, maar niet door ‘doelrationaliteit’. Inderdaad leert technisch weten: ‘Wanneer je dit wilt, moet je dat doen’; technologisch weten echter leert slechts: ‘Wanneer je dit benut, kun je dat en dat maken’. Juist aan deze oriëntering naar het ‘maakbare’, naar de ‘faciliteit’, en niet naar het doelmatige, dankt de moderne technologie haar efficiëntie en de superioriteit van haar resultaten. Het enige ‘doel’ van de technologische toepassing van de wetenschap is deze toepassing zelf, de ontwikkeling van de technologie is ‘doel op zichzelf’; het ‘einddoel’ van de toepassing van het technologische potentieel is dus geen ander dan de verdere ontwikkeling van dit potentieel zelf. Niet vooraf bepaalde doeleinden bepalen de keuze en de toepassing van bepaalde middelen, maar het ontwikkelde instrumentarium zelf bepaalt de ‘doelbepalingen’.

Zienderogen wordt in onze eeuw de klassieke techniek verdrongen door de ontwikkeling van de technologie. Wel speelt de techniek nog steeds een niet onbeduidende, zelfs in het kader van de technologie misschien een onmisbare rol, maar dan een ondergeschikte rol. De uitvinding van de auto en die van het vliegtuig waren nog zuiver technische prestaties, zonder noemenswaardige bijdrage van de wetenschap. Ten dele was zelfs nog de constructie van de atoomreactor een technische prestatie. Een typisch technologische gedachtegang is het daarentegen wanneer bijvoorbeeld tegenwoordig in West-Duitsland ten voordele van de constructie van nog meer kernreactoren wordt geargumenteerd met het feit dat ze in het belang van de ontwikkeling van de reactorindustrie als ‘toekomsttechnologie’ noodzakelijk is; wanneer de overproductie van vliegtuigen, waaraan geen enkele werkelijke behoefte bestaat, in het belang van het behoud en van de ontwikkeling van de luchtvaartindustrie wordt gemotiveerd; en wanneer zelfs het Volkswagenconcern reclame maakt met het feit dat zijn autoproductie de ‘volledige tewerkstelling’ dient. Het grootste en grofste voorbeeld van technologische vooruitgang is de ruimtevaart, die uitsluitend door middel van het belang van de wetenschap en van de technological fall-out wordt gerechtvaardigd.

Een totaalbeeld van de tendens van de moderne technologische vooruitgang biedt het onderzoek dat Barry Commoner heeft ingesteld naar de samenstelling van de stijging van het bruto nationaal product van de Verenigde Staten in de jaren 1946 tot 1966.[21] De stijging bedroeg ongeveer 50 % per hoofd van de bevolking, bij een gelijktijdige groei van de bevolking van de Verenigde Staten met een bijna even hoog percentage. Commoner komt tot de volgende conclusies:
1. Op het gebied van de elementaire behoeften van de mensen – voedingsmiddelen, kleding, bouwmaterialen, maar ook bijvoorbeeld staal – is de productie – of toch het verbruik – per hoofd van de bevolking überhaupt niet gestegen, gedeeltelijk zelfs achteruitgegaan.
2. Wel is op dit gebied de aard van de producten veelal gewijzigd, en wel ten gevolge van de wijziging van de productiemethoden. Zo wordt tarwe op een kleiner oppervlak, maar met intensiever gebruik van kunstmest en landbouwmachines geproduceerd, worden textiel, wol en katoen grotendeels vervangen door synthetische vezels, zeep door scheikundige wasmiddelen, staal veelal door aluminium, kunststoffen en beton.
3. De gezamenlijke productie is dan ook voornamelijk gestegen op de gebieden van de energievoortbrenging (elektriciteit), van de scheikunde en van de machineconstructie.
4. De grootste absolute – maar niet evenredige – groeivoeten bereiken luxeconsumptiegoederen, zoals auto’s, televisies, huishoudelijke toestellen, airconditioning enzovoort. Recordhouder is de wegwerpfles (productiestijging van meer dan 53.000 %).

Als we het geheel bekijken, vertoont zich het beeld van een geweldige groei van kosten aan middelen – nog geweldiger wanneer aan het bovenstaande de kosten van de sedert 1946 eveneens met meer dan 40 % toegenomen milieuvervuiling worden toegevoegd – in verhouding tot de totale opbrengst, die op het gebied van de elementaire levensbehoeften niet gestegen is en slechts een noemenswaardige toename vertoont voor eindproducten die niet aan primair vooraf gegeven behoeften beantwoorden, maar geproduceerd worden omdat de ontwikkelde technologieën ze nu eenmaal kunnen leveren.[22]

Zo heeft ten slotte de technologische vooruitgang die op grond van toegepaste wetenschap mogelijk werd, voor het wezenlijke ertoe geleid dat zich tussen de behoeften van de mensen en hun min of meer onveranderd toereikende of ontoereikende bevrediging (althans in de ‘ontwikkelde’ landen) een in principe totaal doelloos technologisch apparaat heeft geschoven dat voortwoekert als een kankergezwel, zinloos menselijke arbeids- en levenskracht en natuurlijke hulpbronnen verterend.

De vooruitgang van het kapitalisme

Bij deze weergave van de vooruitgang van de technologie als de vooruitgang van de toegepaste objectieve wetenschap ben ik onverhoeds reeds naar het gebied van de economie overgestapt, zonder eigenlijk het gebied van de technologie te verlaten. De voortschrijdende toepassing van de objectieve wetenschap – van het weten dat ze alleen bevordert – in de vorm van de vooruitgang van de technologie, is inderdaad niet te scheiden van de vooruitgang van het kapitalisme als het economische systeem van de moderne tijd, dat is van het tijdperk van de wetenschap. Van elkaar onafscheidbaar vormen de vooruitgang van de wetenschap, die van de technologie en die van het kapitalisme één rechtlijnige vooruitgang – als tenminste ‘de productiemethoden die het kapitaal voor zijn doel moet toepassen’ volgens Marx juist ‘afstevenen op onbeperkte vermeerdering van de productie, op de productie als doel op zichzelf, op de onvoorwaardelijke ontwikkeling van de maatschappelijke productieve krachten van de arbeid’.[23]

Drie opmerkingen aangaande de implicaties van deze uitspraak van Marx:
1. De ‘onvoorwaardelijke ontwikkeling’ van de ‘productie als doel op zichzelf, dat is van de productie ter wille van de productie’, loopt inderdaad uit op die van de ‘productiekrachten’, dat is echter op het primaat van de ontwikkeling van de productiemiddelen en dus op het primaat van de productie van productiemiddelen die van hun kant voornamelijk middelen voor de productie van productiemiddelen leveren; waarbij deze ‘onvoorwaardelijke ontwikkeling’ in het bijzonder de systematische geringschatting van alle menselijke perspectieven, behoeften, belangen en doelstellingen insluit, voor zover hun behartiging niet van haar kant in het belang van de ontwikkeling van de productie vereist is.
2. Het kapitalisme is niet slechts volgens Marx’ inzicht noodzakelijk aangewezen op de ‘productiemethoden’ van de technologie – als toegepaste objectieve wetenschap – maar ook omgekeerd kan volgens haar hierboven opgestelde begrip de vooruitgang van de technologie geen andere betekenis en inhoud hebben dan het productief maken (Verwertung) voor de onvoorwaardelijke – dat is doelongebonden – ontwikkeling van de productie ter wille van de productie door middel van een kapitalistisch economisch systeem.
3. Marx’ formulering bevat ongetwijfeld, doordat Marx van een ‘ontwikkeling van de maatschappelijke productieve krachten’ van de arbeid spreekt, een aanduiding van de zin die hij zelf ten slotte nog aan het kapitalisme – als zijn ‘historische taak’ – toeschrijft, en daarmee tegelijk aan de moderne technologie en wetenschap.[24]

Marx heeft inderdaad de enige mogelijkheid erkend om aan deze wetenschappelijk-technologisch-kapitalistische ontwikkeling van de voortschrijdende afbraak van alle menselijke perspectieven, behoeften, belangen en doelstellingen toch nog een ‘vooruitgangs’-zin en doel toe te schrijven, namelijk deze dat ze uiteindelijk – ‘dialectisch’ – in haar tegendeel moet en zal omslaan. Marx heeft deze uitweg het onverbiddelijkst op de volgende wijze verwoord: ‘[Ricardo] wil de productie ter wille van de productie, en hij heeft gelijk. Als men zou beweren, zoals sentimentele tegenstanders van Ricardo hebben gedaan, dat de productie niet als zodanig het doel is, dan vergeet men dat productie ter wille van de productie niets anders betekent dan ontwikkeling der menselijke productieve krachten, dus ontwikkeling van de rijkdom van de menselijke natuur als doel op zichzelf. Plaatst men, zoals Sismondi, tegenover dit doel het welzijn van de individuen, dan beweert men dat de ontwikkeling van de soort moet worden tegengehouden, om het welzijn van de enkelingen te verzekeren, dat dus bijvoorbeeld geen oorlog zou mogen worden gevoerd waarin enkelingen in ieder geval doodgaan. (Sismondi heeft slechts gelijk ten aanzien van de economen die deze tegenstelling in de doofpot stoppen, loochenen.) Dat deze ontwikkeling van de capaciteiten van de soort mens, hoewel ze zich vooreerst doorzet op kosten van de meerderheid van de individuen en van gehele mensenklassen, ten slotte dit antagonisme doorbreekt en samenvalt met de ontwikkeling van het afzonderlijke individu, dat dus de hogere ontwikkeling van de individualiteit slechts door een historisch proces kan worden gekocht, waarin de individuen opgeofferd worden, wordt niet begrepen, afgezien van de onvruchtbaarheid van zulke stichtelijke beschouwingen, daar de voordelen van de soort in het mensenrijk zich evenals in het dieren- en plantenrijk steeds doorzetten ten koste van de voordelen der individuen, daar deze soortvoordelen samenvallen met de voordelen van bijzondere individuen, die tegelijk de kracht van deze bevoordeelden vormen.’[25]

Deze woorden drukken, hoe verschrikkelijk ze ook klinken, raak het inzicht van Marx in de enig mogelijke – menselijke – zin van de voortschrijdende ontwikkeling van de moderne wetenschap en technologie en van het kapitalisme uit. Daarmee is echter niet gezegd dat de vooruitgang werkelijk deze betekenis heeft, tenzij men vooropstelt dat de ontwikkeling van de westerse beschaving noodzakelijk een zin moet hebben. En deze vooropstelling heeft Marx vanaf zijn eerste geschriften gemaakt. Het boven geciteerde is slechts een van de laatste formuleringen die hij als antwoord gaf op de vraag die hij zichzelf reeds in de Parijse manuscripten van 1844 stelde: ‘Welke zin, in de ontwikkeling van de mensheid, heeft deze reductie van het grootste deel van de mensheid tot de abstracte arbeid?’[26] Dat ze een zin moet hebben, is in deze vraagstelling onuitgesproken dogmatisch vooropgesteld.

Eigenlijk heeft Marx slechts in moderne formulering herhaald (en gepoogd te redden) wat als grondmotief reeds in de klassieke Griekse filosofie van Plato en Aristoteles de idee van de voorrang van het theoretisch weten, die ook aan het objectiviteitideaal van de moderne wetenschap ten grondslag ligt, fundeerde: dat namelijk het streven naar weten ter wille van het weten, onder abstractie van alle menselijke perspectieven, behoeften, belangen en doelstellingen, zelf de beste weg is (ook voor het verkrijgen van een praktisch weten) om rekening te houden met deze gezichtspunten, behoeften, belangen en doelstellingen.[27]

Wat de nieuwe onderstellingen aangaande een ‘dialectiek van de vooruitgang’ betreft, schijnt het mij dat ze hun onmiddellijke reden vinden in de behoefte om de hoop op een toekomstige omslag van de tendens van onze tegenwoordige maatschappelijke ontwikkeling, zoals Marx hem voorspelde, te rechtvaardigen door te verwijzen naar een reeds voorafgegane eerste omslag, de omslag namelijk van de vooruitgang van de moderne wetenschap en technologie in die van het kapitalisme; en dus om aan het geloof in ‘de bevrijdende kracht’ van de moderne wetenschap en technologie te mogen vasthouden. Ook deze ‘kritische theorie’ bewijst slechts het doorwerken van de antieke filosofische motieven tot op heden, terwijl we meer dan aanleiding hadden om eraan te twijfelen. Ze is veel meer nog steeds antieke theorie dan dat ze kritisch is.

Afsluitende stellingname

Ik sluit af met een korte stellingname (die wat dieper op de zaak ingaat) tegen sommige tendensen van de moderne wetenschapsfilosofie, zoals ze een extreme expressie gevonden hebben in de stellingen van Paul Feyerabend, en tegen de thans dominerende tendens van het neomarxisme zoals ze vertegenwoordigd wordt door Jürgen Habermas.

Deze beide invloedrijke richtingen van de huidige filosofie bieden, aan elkaar tegengesteld, een merkwaardig beeld: het is de van het neopositivisme uitgegane wetenschapsfilosofie die een toenemende scepsis tegen de prestaties van de moderne wetenschap verspreidt, en het is de antipositivistische neodialectiek die zich haar geloof in de prestaties van de moderne wetenschap niet uit het hoofd laat praten. Mijn stellingname is misschien ter verduidelijking nodig, daar mijn twijfel aan de zin van de wetenschap van een volledig andere aard is dan deze wetenschapsfilosofische scepsis, en mijn erkenning van de prestaties van de wetenschap me tot geheel andere conclusies voert dan die van het neomarxistische wetenschapsgeloof.

Met betrekking tot de wetenschapsfilosofie zou ik graag stelling nemen tegen de groeiende tendens de objectiviteit van het methodisch optreden en van de kennis van onze wetenschap ter discussie te stellen. Tot het uiterste toegespitst zou deze tendens naar de bewering van Feyerabend leiden: ‘Voor wie naar het rijke materiaal dat door de geschiedenis is geleverd, kijkt en niet uit is op de verarming ervan om zijn lagere instincten te behagen, of zijn verlangen naar intellectuele zekerheid in de vorm van helderheid, precisie, “objectiviteit”, “waarheid”, zal het duidelijk worden dat er slechts één principe is dat verdedigd kan worden onder alle omstandigheden en in alle stadia van de menselijke ontwikkeling. Het is het principe: anything goes’.[28] In een recente publicatie heeft Feyerabend deze stelling als volgt gepreciseerd, of veeleer gecorrigeerd: ‘Voor [traditionele rationalisten] is het beeld van de wetenschappen, dat uit het historisch onderzoek te voorschijn treedt..., inderdaad zonder regel, zonder rede, en alles wat ze ten aanzien van dit beeld kunnen zeggen, is: anything goes.’[29] Het is juist dat dit het uiterste is wat Feyerabend zelf kan zeggen: wanneer hij gelijk heeft, heeft de wetenschapsfilosofie, Feyerabends bijdrage inbegrepen, misschien niet de aanspraak van de wetenschap op (benaderende) objectieve kennis ondergraven, maar alleen haar eigen onbekwaamheid bewezen om de fenomenale objectiviteit van de wetenschap te begrijpen. Bijgevolg raakt ze in grote verlegenheid om de onbetwistbare vooruitgang van de wetenschap, om de fenomenale resultaten van haar technologische toepassingen en hun superioriteit te begrijpen, ja zelfs maar te erkennen. Waarschijnlijk is de tijd rijp om uit de mislukking om de drie genoemde fenomenen alleen uit de context of justification te begrijpen, de conclusie te trekken dat ze primair uit de context of discovery zijn te begrijpen, die de wetenschapsfilosofie – totaal zonder grond? – sedert lang aan het irrationalisme heeft prijsgegeven.

Betreffende het neomarxisme zou ik graag stelling nemen tegen zijn in aansluiting bij Max Weber (en niet zonder overeenstemming met Marx en Engels) vastgehouden geloof aan de Zweckrationalität van de moderne wetenschap en technologie – en zelfs van het kapitalisme. Wanneer Habermas, aan dit geloof vasthoudend, de eigenlijke ‘moeilijkheid’ zo formuleert: ze zou erin bestaan ‘categoriaal precies te bepalen, wat het betekent dat de rationele vorm van wetenschap en techniek, dus de in systemen van “zweckrational”(!) handelen geïncarneerde rationaliteit, zich tot de leefvorm, tot de “historische totaliteit” van een leefwereld uitbreidt’,[30] dan berooft hij zich van elke mogelijkheid om de moeilijkheid op te lossen. Want ‘wat het betekent’, spreekt hij zelf onder andere als volgt uit: ‘... de staatsactiviteit... is... niet aan de verwerkelijking van praktische doeleinden (!), maar slechts aan de oplossing van technische vragen georiënteerd’.[31] Waarom zouden de ‘systemen van zweckrational handelen’ in een tegenstelling of zelfs maar een onderscheid tot ‘de verwerkelijking van praktische vragen’ geraken? Wanneer men met Habermas vooropzet – hij zelf zegt: ‘zich voorstelt’ (sich vergegenwärtigt) – dat de technische ontwikkeling een logica volgt die beantwoordt aan de structuur van het zweckrational en door het resultaat gecontroleerd handelen, en dat betekent: aan de structuur van de arbeid, dan inderdaad ‘is niet in te zien hoe we ooit, zolang de organisatie van de menselijke natuur zich niet wijzigt..., van techniek, en wel van onze techniek, ten gunste van een kwalitatief andere, zouden kunnen afzien’.[32] Habermas baseert deze vooropstelling op het niet onderscheiden van klassieke techniek en moderne technologie (‘onze techniek’) als toegepaste objectieve wetenschap (ondanks enkele scherpe, haar tegensprekende opmerkingen).[33] Maar de technologie, evenals de haar ten grondslag liggende wetenschap, is naar ik meen, of minstens toch ter overweging heb gegeven, niet doelrationeel (zweckrational), maar hoogstens ‘middelrationeel’ (zoals dit overigens ook in vele formuleringen van Habermas, van Marcuse en hun voorgangers, ja zelfs van Weber wordt aangeduid). Daarmee is Habermas’ ‘moeilijkheid’ opgelost: een wetenschappelijk-technologisch-kapitalistische beschaving vervalt blindelings tot een zin- en doelloze ontwikkeling.

(Uit het Duits vertaald door Willy Coolsaet)

_______________
[18] Jürgen Habermas, Technik und Wissenschaft als ‘Ideologie’, Frankfort 1968, blz. 7.
[19] Met deze laatste formulering bevind ik me zeker in overeenstemming met Max Weber; niet met mijn voorgaande formuleringen, en zeker niet, zoals het volgende zal aantonen, met zijn overtuiging van de ‘Zweckrationalität’ van de moderne wetenschap, technologie en kapitalistische economie, waaraan Marcuse en Habermas principieel vasthouden.
[20] Technik und Wissenschaft als ‘Ideologie’, blz. 73. Een onder mijn leiding door Guy Quintelier ingesteld, nog niet gepubliceerd onderzoek heeft Habermas’ vaststelling volledig bevestigd.
[21] Barry Commoner, The Closing Circle, New York 1971. Ik baseer me voornamelijk op de weergave van Willy Coolsaet, ‘Barry Commoner over de krisis van de samenleving’, Tijdschrift voor Diplomatie, oktober 1978. Men merke op dat de door Commoner onderzochte periode van 1946 tot 1966 de tijd is tegen het einde waarvan de slogan van de affluent society opkwam; het boek van John K. Galbraith, The Affluent Society, verscheen in 1958.
[22] De exactheid van deze gegevens kan misschien te wensen overlaten. Maar het is zeer te wensen dat de economiewetenschap statistieken zou opstellen en berekeningen zou maken die op vragen zoals de hier gestelde een nauwkeuriger antwoord kunnen geven. Dat zou echter doelmatig zijn, en objectieve criteria zouden moeilijk te vinden zijn.
[23] Das Kapital, Drittes Buch, MEW, XXIV, blz. 260.
[24] T.a.p.
[25] Das Kapital, Vierter Teil, MEW, XXVI-2, blz. 111. Hier moet worden vermeld dat Marx in de context van het voordien uit het derde boek van Das Kapital geciteerde als de ‘grens van de kapitalistische productie’ aanduidt: ‘Het middel – onvoorwaardelijke ontwikkeling van de maatschappelijke productieve krachten – geraakt in voortdurend conflict met het beperkte doel, met de Verwertung van het voorhanden zijnde kapitaal,’ t.a.p., blz. 260. Marx’ eigen analyses bieden een voldoende houvast om dit te betwijfelen. Zou hij echter gelijk hebben, dan zou de waarachtig ‘onvoorwaardelijke ontwikkeling’ van ‘de productie als doel op zichzelf’ het toekomstperspectief van het socialisme zijn, en zou hiervoor gelden wat hij in het vierde deel van Das Kapital heeft gezegd. Aan het principiële van mijn uiteenzetting zou dat niets veranderen. Toch zou dan de ‘doorbreking’ van het door Marx benadrukte antagonisme geenszins aan de aanvang, maar hoogstens aan het einde van de opbouw van het socialisme staan.
[26] MEW, Erg. Bd. I, blz. 477; vgl. blz. 521: ‘Hoe is deze vervreemding in het wezen van de menselijke ontwikkeling gefundeerd?’ De oude Marx heeft zich noch tot zijn geluk (Althusser), noch tot zijn ongeluk (Marcuse) van de grondbegrippen van de ‘jonge Marx’ van de Parijse manuscripten verwijderd, noch heeft hij tot zijn geluk er steeds aan vastgehouden (Bloch), maar zich tot zijn ongeluk er nooit helemaal van losgemaakt.
[27] Vgl. hiertoe, zoals überhaupt voor een diepere fundering van het hier beweerde, mijn Kritiek der Grondslagen van onze Tijd, Baarn 1977.
[28] Against Method (1975), Verso Edition, Londen 1978, blz. 27.
[29] Erkenntnis für freie Menschen, Frankfort 1979, blz. 83.
[30] Technik und Wissenschaft als ‘Ideologie’, blz. 59 e.v.
[31] T.a.p., blz. 77.
[32] T.a.p., blz. 56 e.v.
[33] T.a.p., blz. 73 en 74; vgl. de boven bij opmerking 3 geciteerde zin.