Cajo Brendel
Revolutie en contrarevolutie in Spanje
Hoofdstuk 1


I. De sociale achtergrond

Wat er in de jaren dertig in Spanje is geschied, is niet uit de hemel komen vallen. Wat zich daar in juli 1936 begon te voltrekken, was niets anders dan een voortzetting van hetgeen er in 1931 aan was voorafgegaan. De dreigende onweerswolken van de revolutie, die zich tijdens de dictaturen van Primo de Rivera en Damasco Berenguer boven Spanje samentrokken, waren na de vestiging van de republiek niet weggedreven, aangezien de taak waarvoor de revolutie zich gesteld zag met de val van de monarchie nog allerminst was volbracht. Vergelijkt men het oude regime van Alfonso XIII met een gebouw, dan zou men kunnen zeggen dat hiervan in 1931 slechts de façade werd vernietigd. Het complex zélf bleef overeind staan.

Bij de grote Franse Revolutie liggen er meer dan twintig jaar tussen de historische bijeenkomst van de Staten-Generaal op 5 mei 1789 en de Volkerenslag bij Leipzig. Dertien jaar verlopen er van de ‘Verklaring van de rechten van de mens en de burger’ van 1791 tot aan de afkondiging van het moderne wetboek, dat de resultaten van de omwenteling juridisch samenvat: de Code Napoléon van 1804. De tijdperken die daartussen liggen — de Constituante, de Législative, de Conventie, de ene en ondeelbare republiek van 1792, de heerschappij der Montagne, het Directoire, het Consulaat en het keizerrijk — zijn niets anders dan fasen van de revolutie zelf. De Lafayettes, de Brissots, de Desmoulins, de Dantons, de Robespierres en de Saint Justs volgen elkaar op, omdat de historische ontwikkeling het noodzakelijk maakt dat de scheppingen van de eersten beveiligd worden door de dictatuur van de laatsten.

Geen historicus denkt eraan de revolutie als geëindigd te beschouwen bij de afkondiging van de eerste constitutie in 1791 of de proclamatie van de republiek in 1792. Zij eindigde echter evenmin op de 9de Thermidor.[1] Aan de Thermidoristen, aan de Barras, de Carnots en aan Napoleon viel het ten deel de erfenis van het schrikbewind de klassieke gestalte te geven van de moderne burgerlijke maatschappij. Pas na de afkondiging van de Code Pénal, die met pijnbank, galg en rad zo menig ander attribuut van het feodalisme ten grave droeg en niet aleer hij bij Jena, Austerlitz en Marengo de feodale bodem van het reactionaire Europa grondig heeft omgeploegd, verdwijnt ook Bonaparte, drieëntwintig jaar nadat Lodewijk XVI is geguillotineerd.

Het voorbeeld toont aan, dat een revolutie géén regeringswisseling is, noch een staatsgreep die ’s nachts wordt voltrokken om de volgende morgen door het verraste publiek te worden aangegaapt. Een revolutie is een proces, een heftige worsteling tussen twee maatschappelijke systemen, die zich over jaren uitstrekt en de hele samenleving in heftige beroering brengt. Hoogte- en dieptepunten wisselen elkaar af en pas wanneer de historische en sociale taak van de revolutie ten einde is gebracht, wordt de woelige periode afgesloten.

In Spanje had de 14de april 1931 — de dag waarop de monarchie ten val werd gebracht — geen directe sociale resultaten. Daarom waren alle gebeurtenissen van de volgende jaren niets anders dan onderdelen van de omwenteling en kunnen zij alleen als zodanig worden verstaan. Dat voert regelrecht tot de vraag, wat voor soort revolutie zich in Spanje voltrok, wat haar historische en sociale taak was en welke maatschappelijke systemen hier met elkaar in botsing kwamen. Zij kan slechts worden beantwoord door een blik te slaan op de kenmerken van de Spaanse ontwikkeling.

Wat daaraan het eerst opvalt, is haar gebrek aan tempo en haar voortdurende stagnatie. De revoluties, die in de 17de, de 18de en de 19de eeuw Europa een ander aanzien gaven, vonden in Spanje slechts een zwakke weerklank in de verschillende constituties van 1812 tot en met 1869 en in de eerste Spaanse ‘republiek’ van 1873. West-Europa beleefde de opkomst en triomf van de burgerij. In Spanje bleef deze zwak en zij vocht met tussenpozen vijf eeuwen lang tevergeefs voor haar economische en politieke emancipatie. De industriële revolutie, die haar bakermat in Engeland had en van daar uit zegevierend door een groot deel van de wereld trok, bracht weinig of geen verandering in Spanjes sociale structuur.

Ongetwijfeld waren voor de ontwikkeling van de industriële productie gunstige voorwaarden aanwezig. De rijke bodemschatten, zoals kolen, ijzer, koper, kwik en mangaan, alsmede diverse grondstoffen voor landbouw en veeteelt, vormden waardevolle objecten voor industriële bedrijvigheid. Van sommige van deze grondstoffen nam de productie toe, maar zij was nochtans zwak ontwikkeld.

In 1927 had Spanje een invoeroverschot aan grondstoffen van 461 miljoen peseta’s, een invoeroverschot aan eindproducten van 809 miljoen peseta’s, maar daarentegen een uitvoeroverschot aan voedingsmiddelen van 602 miljoen peseta. Voor het jaar 1930 was dat respectievelijk 475 en 682 miljoen peseta, met daartegenover een uitvoeroverschot aan voedingsmiddelen van 1066 miljoen peseta[2] De landbouw was toen derhalve nog verreweg de belangrijkste productietak van Spanje, dat op de drempel van de jaren dertig tot de achterlijkste landen van Europa kon worden gerekend.

Tot zeer kort voor dat tijdstip was het grootgrondbezit vrijwel onaangetast. In het zuiden van het land bevonden zich latifundieën van een enorme uitgestrektheid in één hand. Zo was bijvoorbeeld de hertog van Medinaceli in het bezit van 95.000 hectare oftewel tweederde van de oppervlakte van de Nederlandse provincie Utrecht. Volgens de statistiek van 1928 waren de grondbezitters voor 91 pct. kleine eigenaartjes. Zij bezaten minder dan 10 hectare, de meesten van hen zelfs minder dan 5 hectare. Zij allen tezamen, dat wil zeggen 1.173.000 mensen, bezaten ongeveer 6 miljoen hectare. Daarentegen bezaten 103.000 grote landlords samen 12 miljoen hectare. Op deze overheersende positie van het grootgrondbezit berustte de macht van kerk en adel.

In zijn in 1910 verschenen boek La question sociale en Espagne (‘Het sociale vraagstuk in Spanje’) brengt de Fransman Angel Marvaud tal van gegevens betreffende de verhoudingen op het Spaanse platteland vóór 1931. Hij schrijft:

‘De oude toestanden zijn nooit geheel verdwenen (p. 146) [...] Het komt waarlijk zelden voor ... dat de landbouwer werkelijk eigenaar is van het perceel of de percelen waaraan hij zijn werkzaamheid besteedt. In de meeste gevallen is hij slechts een colon (horige), die in deze hoedanigheid gehouden is aan de werkelijke eigenaar een jaarlijkse cijns te betalen (p. 160) [...] De pachten hebben zich in vrij groot aantal ten zuiden van de Pyreneeën gehandhaafd met kenmerken die bij ons (in Frankrijk dus — C.B.) vóór de revolutie bestonden (p. 170) [...] In zijn opmerkelijk onderzoek in naam van het instituut voor sociale hervorming in de Castilliën heeft prof. Buylla de hardheid aangetoond van de contracten die de colon aan de bodem binden. Het is daarmee eender gesteld in La Mancha, in Aragon en zelfs in de Levantestreek. In de provincie Valencia — buiten La Vega — treft men talrijke gevallen aan van pachtcontracten die slechts voor een jaar worden gesloten. De prijs ervan is verhoogd, de belastingvoorwaarden zijn zeer zwaar en ... de boer is volledig afhankelijk van de eigenaar, hetgeen hem noodzaakt af te zien van zijn overtuiging, zijn mening en zijn persoonlijkheid (p. 176) [...] De eigenaars zijn niet de enige verantwoordelijken. Soms ook hangt de hardheid van de voorwaarden die aan de colon worden opgelegd, samen met de eisen van majordomussen (meiers), administrators en andere tussenpersonen die zijn ingeschakeld tussen de eigenaar en de ongelukkige boer. In de provincie Murcia roept de administrateur, als hij meent te bemerken dat de colon met een zeker gemak rondkomt, deze apart en eist hij van hem het storten van “premies” onder de bedreiging hem bij de eigenaar te zullen aangeven om de cijns te doen verhogen (p. 179) [...] Om een volledig beeld te krijgen van de toestand van de Spaanse boer, zou men moeten laten zien tot hoever de tirannie der heren en van deze dorps-"casiques"[3] kan gaan. Er zijn er, die hun colons verplichten tot het vragen van hun toestemming inzake het huwelijk van hun kinderen.’ (p. 182).

Edward Conze schreef in 1936 in zijn boekje Spain today (‘Spanje heden’)[4]:

‘Zelfs boeren die hun land in eigendom hebben, staan niet buiten de invloedssfeer van de grote landeigenaar en zijn casique. Zij moeten een aantal feodale schattingen betalen, die berusten op gewoonterechten.’ (p. 12).

Deze persoonlijke verhoudingen van knechtschap vormen het kenmerk van de feodale maatschappij.[5] Vandaar dat in de Spaanse grondwet van 1931 onder de afdeling ‘De rechten der Spanjaarden’ een artikel werd opgenomen over de afschaffing van de feodale rechten. Ten zuiden van de Pyreneeën waren tot aan de jaren dertig toe de toestanden van het oude Europa van Lodewijk XVI, van von Metternich en van tsaar Nicolaas II blijven bestaan. Dienovereenkomstig vertoonde de Spaanse monarchie alle kenmerken van de staatsorganisatie van het feodalisme. Daarom kon de Spaanse republikein Vicente Blasco-Ibafiez in 1924 verklaren:

‘Het leger is in Spanje een aparte kaste, een klasse in de maatschappij, gelijk aan die welke in de 18de eeuw onder de eerste koningen van Pruisen bestond. Het is niet het Spaanse leger, maar het leger van de koning.’

Nog in de 20ste eeuw wordt Spanje begerig uitgeplunderd door een absolute monarchie, met adel en geestelijkheid als oppermachtig heersende standen en Alfons XIII als politiek hoofd.

Vanzelfsprekend was deze feodale maatschappij onderworpen aan een veranderingsproces. In de loop van het eerste kwart van deze eeuw namen haar tegenstrijdigheden een catastrofaal karakter aan. Het in weinige handen geconcentreerde grootgrondbezit had ertoe geleid dat de landaristocratie een groot deel van haar goederen onbebouwd liet. De Spaanse bodem werd slechts op extensieve wijze bewerkt. De uitmergeling van de boeren was zo groot, dat zelfs bij het bestaan van deze toestand de adel meer inkomsten genoot dan hij in Madrid, aan de speeltafels van Deauville of bij de roulette en trente et quarante in San Sebastian kon verteren.

De toenemende concentratie van het grondbezit leidde tot een grootscheepse onteigening van de kleine bezitters, die zich niet staande konden houden. Zij waren gedwongen hun land aan de adel te verkopen, waardoor het grootgrondbezit weer werd vermeerderd. De gehele beweging werd aldus versneld en de opbrengst van de bodem daalde. Het gevolg was dat er een klasse van landarbeiders werd geschapen, die in het algemeen als oorspronkelijke accumulatie beschreven en erover lijks voldoende was voor hun gezin.

Deze ontwikkeling is karakteristiek voor de maatschappelijke overgang van feodalisme naar kapitalisme. Marx heeft destijds het proces in het algemeen als oorspronkelijke accumulatie beschreven en erover opgemerkt dat de economische structuur van de kapitalistische maatschappij zich uit de economische structuur van de feodale maatschappij ontwikkeld, waarbij de ontbinding van de ene samenleving de elementen voor de andere samenleving vrijmaakte. De directe producent, de arbeider, kon pas dan over zijn persoon — en dus over zijn arbeidskracht — beschikken nadat hij had opgehouden aan de bodem gebonden te zijn en niet meer aan een ander lijfeigen of horig was. Een massa vogelvrije proletariërs werd op de arbeidsmarkt geslingerd door de oplossing van de feodale verhoudingen en daarbij vormde de onteigening van de landelijke producent, van de boer die van zijn grond werd beroofd, de basis van het gehele proces.[6]

In Spanje ging het niet anders. Grote massa’s werden daar van hun oorspronkelijk bestaansmiddel losgerukt. Hun levensomstandigheden verslechterden zo, dat de Engelsman M. Malhall kon verklaren dat er op hele wereld geen slechter denkbare toestand was dan die van de Spaanse landarbeider. Die ellendige toestand verklaart ook de herhaaldelijke emigraties. De situatie in Spanje geleek wat dat betreft op die in 18de eeuwse Engeland, waar, zoals bekend, de mensen werden verdreven door de schapen. Bij de val van de Spaanse monarchie was dat alles een nog maar zeer recent verleden. Nog in 1920 verlieten 150.000 Spanjaarden hun land.

De conclusie is, dat de toestand waarin Spanje verkeerde aan de vooravond van de revolutie van 1931 overeenstemt met de toestand waarin Frankrijk verkeerde aan de vooravond van de omwenteling van 1789. In zijn reeds genoemde boek La question sociale en Espagne merkt Marvaud dan ook nadrukkelijk op, dat ‘... de analogieën, ja zelfs de gelijkenissen ten spijt die de agrarische kwestie ten zuiden van de Pyreneeën met die van andere landen vertoont, zij niettemin kenmerken heeft, die háár slechts eigen zijn en dat zij evenzeer de voetsporen drukt van het “ancien régime” als van de feodaliteit’ (p. 2).

De sociale taak van de Spaanse revolutie bestond hierin, dat zij een einde maken moest aan de heerschappij van het grootgrondbezit en de steeds luider om een oplossing schreeuwende tegenstellingen van de feodale productiewijze moest overwinnen. De politieke taak van de Spaanse revolutie was het de absolute monarchie ten val te brengen, de standenbevoorrechting en de standen als zodanig op te heffen. Derhalve was de sociaal-politieke taak van de Spaanse revolutie dezelfde als die van de Franse anderhalve eeuw geleden. Naar elkeen weet, was dat een burgerlijke revolutie die de burgerij aan de macht hielp en de feodale eigendom verving door de burgerlijke vorm van eigendom.

Inderdaad berustte voor 1931 de macht in Spanje nog niet bij de burgerij. Daar tot aan dat tijdstip alle voorwaarden ervoor ontbraken, was de Spaanse bourgeoisie ondanks manhaftige pogingen er nog niet in geslaagd over de feodale monarchie te triomferen. De successen die zij behaalde waren ofwel schijnsuccessen die de macht der heersende klassen volstrekt niet aantastten, ofwel zij waren kort van duur en werden spoedig weer te niet gedaan door een krachtig inzettende reactie.

Reeds in de 16de eeuw kwam het onder leiding van Toledo tot een opstand van de Communeros (gemeenten). De Junta de Avila, een bond van vijftien steden, verlangde dat de koning de Cortes (Staten-Generaal) regelmatig bijeen zou roepen of hun toestaan ook zonder oproep eens in de drie jaar te vergaderen. De Cortes eisten dat zonder hun toestemming geen oorlog zou worden gevoerd en dat de vertegenwoordigers van de steden door deze steden zelf zouden worden gekozen in plaats van door de koning te worden benoemd. Ten slotte werd geëist, dat bij de bijeenkomst van de Cortes alle drie de standen gemeenschappelijk zouden vergaderen, waarbij echter uitdrukkelijk de hoge adel en de kerkvorsten ten gunste van lagere adel en lagere geestelijkheid zouden moeten worden uitgesloten. De eisen werpen een helder licht op het karakter van deze beweging en laten er geen twijfel over bestaan dat zij een strijd was voor de gelijkberechtiging van de derde stand.

Maar de Spaanse burgerij, die vier eeuwen lang te zwak en te weinig ontwikkeld zou zijn om een vooraanstaande plaats in het sociale leven in te nemen, was zeker toentertijd niet bij machte zich te doen gelden. In de slag bij Villadar in 1521 werd het pleit beslecht ten gunste van het absolutisme. Katholieke koningen, een katholieke adel en een apostolische geestelijkheid zouden regeren over een land van boeren en soldaten.

Na 1800 begon de door de Franse Revolutie uit haar sluimer gewekte Spaanse bourgeoisie opnieuw te worstelen voor haar belangen. Alsnog bleven koning, kerk en adel het politieke toneel hoofdzakelijk beheersen, maar niettemin werd het land vervuld van klassenstrijd. Het was een wanhopig gevecht, dat de hele 19de eeuw in beslag nam en waarbij de burgerij na elke schrede voorwaarts het veroverde terrein weer prijs moest geven aan haar nog sterkere tegenstanders.

De grondwet van Cadiz, die in 1812 als echo van de Franse gebeurtenissen tot stand kwam, kwam tegemoet aan een groot aantal burgerlijke eisen zoals vrijheid van meningsuiting, afschaffing van de foltering en opheffing van de nog bestaande feodale rechten. Maar deze voor de derde stand zo belangrijke besluiten werden te niet gedaan door het feit dat Ferdinand VII deze grondwet niet erkende en het oplaaiende verzet met buitenlandse hulp wist te onderdrukken.[7]

In 1834 kwam een nieuwe grondwet tot stand, het zogenaamde Enstatuto Real, die vergeleken met de grondwet van Cadiz een flinke stap achteruit was. In plaats van één, waren er twee Kamers, die van Próceres en die van de Procuradores. In de eerste zaten aartsbisschoppen, bisschoppen, Grandes en Titulus, die door de koning werden benoemd. Hun aantal was niet beperkt. Het aantal Procuradores dat gekozen kon worden, was vastgesteld op 188. Zij moesten een inkomen hebben van minstens 12.000 Reales. De monarch zelf had de wetgevende macht en hij kon de vergadering naar believen opheffen.

Natuurlijk schonk dit product van de reactie geen voldoening aan de burgerij. Deze kwam opnieuw in beweging, met als gevolg dat in 1837 een nieuwe grondwet werd afgekondigd, die een compromis was tussen die van 1834 en die van Cadiz. Maar compromissen hebben nog nooit de maatschappelijke kloven kunnen overbruggen. Reeds in 1840 barstte de strijd opnieuw los, nu naar aanleiding van een reactionaire gemeentewet. De koningin-regentes moest aftreden. De vooruitstrevende generaal Espartero nam de regering in handen. Reeds in 1843 moest hij echter voor de conservatieve invloeden wijken. De grondwet van 1845 gaf de koning weer grotere bevoegdheden.

De revolutie van 1868 en de daaropvolgende republiek van 1873-1874 brachten de Spanjaarden andermaal de burgerlijke vrijheden. Maar nog was de bourgeoisie te zwak, de reactie te sterk. Weldra besteeg de Bourbon Alfons XII de troon. Daarop vernietigde de grondwet van 1876, die van kracht bleef tot aan de dictatuur van Primo de Rivera, alle behaalde voordelen.

In 1913 schrijft Angel Marvaud in zijn boek L’Espagne au XXième siècle (‘Spanje in de 20ste eeuw’):

‘Heden nog geeft Spanje, ondanks zoveel jaren praktijk van het constitutionele regime, ons de indruk van een land, waar moderne ideeën worstelen met de krachten van het verleden. Uiterlijk mag er iets veranderd zijn, de oude toestand is in veel opzichten hetzelfde gebleven. Het parlementaire systeem functioneert slechts schijnbaar. De werkelijke macht berust niet bij de afgevaardigden, die in geen enkel opzicht zouden kunnen beweren de natie te vertegenwoordigen, maar bij de ministers. Zij evenwel zijn op hun beurt afhankelijk, niet van het parlement, dat slechts aan hen zijn bestaan dankt, maar enkel en alleen van het vertrouwen van de koning, dat wil zeggen in laatste instantie van de oude, min of meer gewijzigde camarilla en van de enige twee grote, traditionele, georganiseerde en krachtige machten: de clerus en het leger.’

Maar zijn diepgaand onderzoek brengt Marvaud tezelfdertijd ook tot de overtuiging dat het schijnbaar zo kalme en ingeslapen Spanje onder de voortdurende dreiging van de revolutie leeft. Volkomen begrijpelijk. Al in zijn dagen schreeuwden de tegenstellingen van het oude systeem als het ware om een oplossing. De verhoudingen zijn geschapen, waarbij elke terugkeer onmogelijk is. De ster van de Bourbons begint te verbleken.

Als ieder stelsel dat zijn ondergang tegemoet snelt, tracht de Spaanse monarchie haar tanende macht met alle mogelijke middelen te handhaven. De militaire dictatuur van generaal Miguel Primo de Rivera, die op 13 september 1923 aan de macht komt, is niets anders dan de doodsstrijd der monarchie. Enerzijds tracht Primo haar te redden door aan de onvermijdelijke loop van de ontwikkeling enigszins tegemoet te komen met een gewijzigde economische politiek. Er worden grote programma’s van openbare werken opgesteld en tot verbazing van iedereen, niet in het minst die van Primo de Rivera zelf, begonnen. In 1925 wordt een tienjarenplan ontwikkeld met een uitgave van 3500 miljoen peseta’s voor openbare werken. In aansluiting daarop worden er dan tussen 1925 en 1930 2600 miljoen peseta’s uitgetrokken voor spoorwegen. Het mag niet baten. Het absolutisme is niet meer in staat zichzelf op een dergelijke manier te redden.

Anderzijds vertoont de dictatuur al de corruptie en al de verrotting die kenmerkend zijn voor een stervende maatschappelijke orde. Voor de laatste maal in een achtjarige ondergangsperiode vertoont het innerlijk voze absolutisme cynisch zijn werkelijk gelaat. Tijdens een reis in Italië leest Alfons XIII de paus een rede voor, die zelfs deze verontrust vanwege haar mateloze godsdienstige onverdraagzaamheid en haar ouderwets-katholieke geest.

Als Primo de Rivera aan de macht komt, verklaart Alfons: ‘Al mijn vorige ministers waren dieven en idioten.’ Het is de waarheid, maar het militaire directorium van Primo de Rivera stelt al zijn voorgangers in de schaduw. De aan het licht komende schandalen worden in de doofpot gestopt. Inmiddels neemt de vlottende schuld in één jaar directoraal bewind met ongeveer een miljoen peseta’s toe. De regering van Primo de Rivera betekent het faillissement van de monarchie der Bourbons. Meer en meer stijgt de vloed en nadert de revolutie.

Op 13 augustus 1929 verspreidt het sociaaldemocratische vakverbond UGT (Union General de Trabajos) een clandestien manifest. Daarin wordt gepleit voor een ‘vrije, democratische, republikeinse staat’. Een maand later wordt te Santander in het openbaar voor de republiek gedemonstreerd.

Eind 1929 vraagt een verslaggever van het Spaanse blad Estampa aan Primo de Rivera diens opinie over het ten einde lopende jaar. De geïnterviewde antwoordt: ‘Het kan voor mijn part naar de hel gaan. Het was een heel onsympathiek jaar. Ik hoop dat 1930 mij de rust zal brengen die ik verlang.’ Zijn wens gaat op onverwacht snelle wijze in vervulling. Eind januari 1930 wordt Primo de Rivera opgevolgd door generaal Berenguer. Deze begint met het toepassen van wat zachtere regeermethoden. Maar het is te laat. Het vermag de monarchie niet meer te redden. Hand over hand neemt het aantal oproerige vergaderingen toe. In juli 1930 sluiten de republikeinse fracties zich nauw aaneen. Met het ‘Pact van San Sebastian’ scheppen zij zich een gemeenschappelijk program.

In december 1930 komt in de stad Jaca het garnizoen in opstand. Daarmee wordt de doodsklok van de monarchie geluid. Hoewel de opstand snel wordt onderdrukt — door niemand anders dan door de toen nog jonge generaal Francisco Franco y Bahamonde — is het verzet der militairen onder aanvoering van de kapiteins Galan en Garcia Hernandez[8] een symptoom van de algemene gisting. In het achterlijke Spanje nemen ten slotte de gebeurtenissen hun onafwendbare loop. Op 15 december 1930 verkondigt een ‘Manifest aan de Spanjaarden’, ondertekend door Zamorra, Azaña, Lerroux, Prieto, Caballero, Quiroga, Barrios en anderen, openlijk aan de gehate Alfons:

Alles wat bestaat,
is waard, dat het te gronde gaat!

In het begin van 1931 zijn er verkiezingen. De republikeinen verwerven in de Cortez een overweldigende meerderheid. Op 14 april van dat jaar wordt dan de monarchie ten val gebracht. De opstand treedt openlijk aan de dag. Met de vlucht van Alfons is de republiek een feit.

_______________
[1] 27 juli 1794: de dag van de val van Robespierre.
[2] Handbuch der Spanienkunde, p. 80.
[3] Het regime der ‘casiques’ wil zeggen: de macht van de plaatselijke chefs, die onder het oude regime het plaatselijke leven dirigeerden, de stemmingen vervalsten en op feodale wijze in hun dorpen heersten. Germaine Picard-Moch en Jules Moch, L’Espagne républicaine, Parijs 1933, p. 24.
[4] Gerald Brenan heeft er in zijn boek Het Spaanse labyrint voor gewaarschuwd, dat het boekje van Conze niet altijd even betrouwbaar is. Dat moge waar zijn, maar het geldt niet waar de agrarische verhoudingen vóór 1931 worden geschilderd.
[5] ‘De economische basis waarop het feodale systeem ontstaat, is het grote grondeigendom’. Maxime Kowalewski, Die ökonomische Entwicklung Europas bis zum Beginn der kapitalistischen Wirtschaftsform, Berlijn 1902, Band II, p. 43. — ‘De klassenverhoudingen die berusten op het vóórkapitalistische grondeigendom, onverschillig in welke vorm het optreedt — vormen het wezen der feodale maatschappijorde.’ M. N. Roy, Revolution und Konterrevolution in China, Berlijn 1930, p. 13.
[6] Das Kapital I, MEW, Bd. 23, p.743v.
[7] Deze vorst was van een zodanige reactionaire gezindheid, dat zij spreekwoordelijk werd. Zo zei men later bijvoorbeeld van Alfonso: ‘Hij is een echte Ferdinand VII’ of wel: ‘Hij is een Ferdinand VII in het kwadraat’.
[8] Beiden gefusilleerd.