Christiaan Cornelissen

Kritiek van een radicaal op Karl Marx

Een antwoord op Mr. Treub’s brochure De Radicalen tegenover de Sociaal-Democratische Partij in Nederland

[Onder pseudoniem Clemens]


Geschreven: 1891
Bron: brochure B. Liebers & Co., ’s-Gravenhage 1891 - Als pdf bezorgd door Bert Altena
Deze versie: spelling, en min of meer omgezet naar hedendaags Nederlands
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, januari 2008


Zie ook:
Marx,
Het kapitaal
De armoede van de filosofie
18e Brumaire
Gotha programma

De Amsterdamse radicaal, Mr. M. W. F. Treub, hield op maandag 26 januari 1891 een voordracht voor de afdeling Amsterdam van de Sociaal-Democratische Bond. Hij heeft gemeend deze gelegenheid te moeten aangrijpen, om in de eerste plaats het socialisme van Karl Marx te bestrijden en in de tweede plaats de wijze van optreden van de Nederlandse sociaaldemocraten aan een scherpe kritiek te onderwerpen.

Op deze in het openbaar uitgesproken voordracht, grotendeels van wetenschappelijk karakter, moest het debat vrijwel onvruchtbaar zijn, daar de discussie evenals de redevoering zelf door de toehoorders niet algemeen en niet in voldoende mate gevolgd kon worden.

Echter heeft de sociaaldemocratische partij in Nederland het geluk gehad, dat Mr. Treub besloot zijn redevoering in druk te geven. Wij zijn daardoor in staat gesteld haar op onze manier toe te lichten, wat ook elders dan te Amsterdam voor de propaganda van onze beginselen nuttig kan zijn.

Wie kritiek uitoefent, moet ook kritiek verwachten, en mijns inziens is een bespreking onzerzijds van Mr. Treubs brochure reeds daarom ten zeerste gewenst, wijl de schrijver ervan vrij algemeen beschouwd wordt als de hoofdman van zijn partij, voor zover men althans van de Nederlandse radicalen zeggen kan dat ze een partij vormen.

Ik richt mij naar de voordracht van Mr. Treub, zoals ze gedrukt vóór mij ligt en zal haar zoveel mogelijk op de voet volgen. Bespreking van het wetenschappelijk gedeelte van Mr. Treubs brochure zal bij mijn beschouwingen uit de aard der zaak hoofddoel zijn.

I

Het viel mij op dat ik reeds uit het verslag van de pers kon opmaken hoe de redevoering van radicale zijde tegenover de sociaaldemocraten gehouden, hoofdzakelijk was van economische (staathuishoudkundige) aard. De radicale partij toch, zo meende ik, is geen economische, maar een politieke partij, wier leden het alleen daarover eens schijnen te zijn, dat een verbond met de kerkelijke partijen in het belang is van het volk, maar die op het punt van economische vraagstukken van links naar rechts dobberen en ternauwernood in de grondverf staan.

Dat de radicalen een politieke partij vormen, geeft Mr. Treub toe, als hij zegt:

“Wanneer ik spreek van radicalen, bedoel ik natuurlijk de politieke groep hier ter stede, aan welke men die naam heeft gegeven, en denk ik niet aan de Friese volkspartij.”
Treubs redevoering, pag. 4.

Wel is één van de beide grieven die de radicalen koesteren tegenover de liberalen, deze, dat zij, de liberalen, “te angstvallig vasthielden aan hun verouderde theorie, welke in beginsel is gekant tegen het ingrijpen van de staat in sociale verhoudingen” (t.a.p. blz. 5 en 6) en Mr. Treub, als een meisje, dat verwijtend haar minnaar aanziet, die haar ontrouw is geworden, maar die ze niet vergeten kan, verklaart, dat de scheuring “aan de ouderen te wijten was” (t.a.p. blz. 6). Treub pruttelt dat de liberalen “blind zijn voor de tekenen des tijds” (t.a.p. blz. 6) en niet begrijpen, “dat de tijd is gekomen om minder op partijkwesties en meer op de belangen van de zo talrijke arbeidende klasse te letten” (t.a.p. blz. 6).

De liberalen hebben Mr. Treubs ontboezeming begrepen, want toen onze Amsterdamse radicaal enige dagen na zijn optreden in Constantia bij de sociaaldemocraten te Delft voor een vergadering van liberale heren sprak, werd hem de raad gegeven dat hij en de zijnen maar spoedig weer moesten terugkeren in de schoot der liberale partij. Het was alleen te bejammeren dat men Treub toen van liberale zijde zo stuurs behandelde en men hem niet eens een kushandje toewierp.

Uit een en ander is voor de werklieden te leren dat de radicalen zijn en blijven een burgerpartij, die misschien “letten” wil op de belangen der “talrijke(!) arbeidende klasse,” maar die niets uitvoert, om deze klasse te bewegen zelf haar belangen te bevorderen. Alles voor het volk, niets door het volk! Dat dit inderdaad de leus is, waarin men het streven der radicalen zou kunnen samenvatten blijkt helder op blz. 26 van de brochure, waar Mr. Treub ons zegt dat het staatssocialisme, de arbeidersbescherming van bovenaf, hier te lande “door geen enkele partij, door geen enkele groep, zo sterk wordt voorgestaan, als door de radicalen.”

Tegen zulk een streven moet zich elke democratische partij kanten en in het bijzonder de sociaaldemocratische. Voor ons blijven de radicalen, wat ze ook beweren te willen doen, om het lot “der talrijke arbeidende klasse” te verzachten, een herenpartij, die misschien wat beter oog heeft voor het lijden van het volk, ofwel voor eigen belang, dan de liberale partij dit heeft, maar wier leden toch in de grond van de zaak burgermannetjes blijven.

Het moet ons dan ook volstrekt niet verwonderen dat de kritiek, die Mr. Treub geleverd heeft op het socialisme, een bourgeois (burgermans) kritiek is, noch liberaal, noch radicaal.

Hoe stevig en vast overigens de grondslagen zijn, waarop de zogenaamde radicale partij steunt, komt duidelijk aan het licht in de omschrijving, die Mr. Treub geeft van wat de radicalen willen.

“Waarlijk, geen radicaal-liberalisme, neen een vooruitstrevend, of — zo ge wilt — sociaal opportunisme[1]; een landsbestuur, niet volgens een of ander alleenzaligmakend leerstuk, volgens het liberale evenmin als volgens het sociaaldemocratische, maar volgens regels die er op gericht zijn, aan het ideale waarnaar de staat heeft te streven, zoveel mogelijk geluk voor een zo groot mogelijk aantal van zijn ingezetenen, zo nabij te komen, als onder de gegeven omstandigheden bereikbaar is: ziedaar wat de zogenaamde radicalen willen.”
t.a.p. blz. 7.

Maar immers, Mr. Treub, in zulke vage, onbestemde bewoordingen drukt men toch niet uit wat een partij wil, die zich van haar doel en haar streven ten volle bewust is. Dat men een landsbestuur verlangt, volgens regels, die er op gericht zijn zoveel mogelijk geluk te verwerven voor een zo groot mogelijk aantal ingezetenen, zo iets kan elkeen van zijn partij verklaren.

Vraag het de liberaal, de conservatief, de antirevolutionair, of dezen niet hetzelfde voorstaan.

Koddig is dan ook de gevolgtrekking die Mr. Treub aan bovenstaande zinsnede vasthaakt:

“Daardoor staan zij (de radicalen) tussen de oud-liberalen en de sociaaldemocraten in.”

Wie zó de grondslagen van zijn partij uiteenzet, moet wel bij tegenstanders het vermoeden opwekken, dat hij zelf niet weet wat hij of zijn partij eigenlijk wil.

II

Na de korte inleiding over het streven van de radicalen ontvangen de lezers van mr. Treubs brochure de hoofdschotel van de dis. Treub doet zijn eerste aanval op de sociaaldemocraten:

“Het communisme van u, sociaaldemocraten, achten zij (radicalen) even weinig houdbaar als het individualisme, het elk voor zich, van de onvervalste liberalen, die ten aanzien van sociale vraagstukken de leer van de Manchesterschool, de leer van het “laat-maar-begaan” nog maar niet kunnen vergeten. Zolang de menselijke handelingen zowel door eigenliefde als door gemeenschapszin worden beheerst, zolang zal elke theorie falen die een van deze beide menselijke eigenschappen over het hoofd ziet of onderschat. En aan deze fout gaan de orthodox-liberalen mank. Beiden gaat gij uit van die menselijke eigenschap, welke u de gewichtigste schijnt, en bouwt daarop voort, als ware die in uw oog gewichtigste, de enige menselijke eigenschap, waarmee men heeft rekening te houden. Voor de orthodoxe-economist, de oud-liberaal, is dit het egoïsme, de eigenliefde, voor u, sociaaldemocraten, is het, of zal het althans zijn in de toekomststaat die gij u droomt, het altruïsme, de liefde tot anderen, het gemeenschapsgevoel.”
t.a.p. blz. 1.

Dat deze ontboezeming van Mr. Treub gemeend was, blijkt hieruit, dat hij op hetzelfde denkbeeld later terugkomt:

“Gemeenschapsgevoel, wederkerige toewijding, ziedaar de kurk waarop volgens u, sociaaldemocraten, de maatschappij van de toekomst zal hebben te drijven. En opdat dit mogelijk zij, moeten de productiemiddelen aan da handen van enkelen worden onttrokken en aan allen, dat wil zeggen aan de gemeenschap, aan de staat, in handen worden gesteld.”
t.a.p. blz. 24.

“Maar ... vrome wensen vormen geen fundament waarop een maatschappij is te bouwen. Men moet de mensen nemen gelijk ze zijn.” ... enz. enz. met een predicatie over de ‘zelfzucht’.”
t.a.p. blz. 25.

Had Mr. Treub beter Marx gelezen, wiens leer hij heet te bestrijden, dan zou hij geweten hebben dat Marx nimmer, om de toekomstige socialistische maatschappij in haar wording te verklaren, het “gemeenschapsgevoel”, de “liefde” tussen de mensen heeft te hulp geroepen.

Slechts een enkele maal in zijn brochure laat Mr. Treub het wetenschappelijke socialisme van Marx recht wedervaren. Voor het verband is het nodig, dat wij thans deze plaats weergeven. Zij komt voor aan het slot van de voordracht, waar Treub zegt:

“Wanneer men u vraagt, hoe uw maatschappij van de toekomst er zal uitzien, dan beroept gij u er op, dat gij de materialistische opvatting der geschiedenis belijdt, die door Marx en Engels wordt geleerd, dan geeft gij ten antwoord: de maatschappelijke toestanden hangen niet af van het willen en handelen der leden van de maatschappij, maar hun willen en handelen hangt af van de sociale toestanden waaronder zij leven; niet de mensen maken de maatschappij tot wat zij is, maar de maatschappij maakt de mensen tot wat zij zijn; de maatschappij wordt niet gemaakt, zij ontwikkelt zich, zij wordt, en het is ijdel zich te verdiepen in de vraag hoe de maatschappij in de toekomst er zal uitzien; zij zal er uitzien gelijk zij onder de dan aanwezige omstandigheden er uitzien moet, zó en niet anders; geen mens die daarop invloed kan oefenen; ieder tijdperk van ontwikkeling dat de maatschappij doorloopt, hoe ellendig het op zichzelf genomen ook zij, is een noodzakelijke schakel in de ontwikkelingsgang tot een betere toestand.”
t.a.p. blz. 45.

Zoals ze hier staat, is deze uiteenzetting niet zuiver geformuleerd. Marx beweert niet dat de enkeling hoegenaamd geen invloed kan uitoefenen op de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid; hij beschouwt de mensen niet als marionetten, die slechts door de draden van de maatschappelijke verhoudingen in beweging kunnen worden gebracht. Hoe Marx zich de ontwikkelingsgeschiedenis van het menselijk geslacht voorstelt, spreekt hij beknopt uit in de volgende woorden, ontleend aan het eerste hoofdstuk van zijn werkje: De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte, nl.: “De mensen maken hun eigen geschiedenis, maar zij maken haar niet uit vrije stukken, niet onder zelfgekozene, maar onder onmiddellijk gereed gevondene, gegevene en overgeleverde omstandigheden.”

Toch was deze laatste zinsnede van Mr. Treub over Marx en het wetenschappelijke socialisme dichter bij de waarheid, dan de mening als zouden onze hedendaagse socialisten zich een toekomststaat “dromen” op “liefde”, “gemeenschapsgevoel” en “vrome wensen” gegrondvest, een toekomststaat, bestaande uit mensen, zoals er in het algemeen geen gevonden worden.

De materialistische opvatting van de geschiedenis, door Marx gegrondvest, en uitgaande van de materie (de stof), komt eenvoudig uitgedrukt hierop neer, dat de wijze waarop de mensen voorzien in hun eerste levensbehoeften de grondslag vormt, waarop de maatschappelijke bouw is opgetrokken; dat de wijze van productie in het algemeen de maatschappelijke, politieke en geestelijke levensverhoudingen bepalen. De graad van ontwikkeling, waarop in een bepaald tijdvak de productie staat bij een volk, bepaalt de vormen waaronder de maatschappij zich voordoet, staatkundig, godsdienstig, enz.

In een maatschappij waar de productie berust op handarbeid, is volgens Marx het bijzonder bezit aan arbeidsmiddelen in het algemeen het enig mogelijke en het is daardoor gewettigd, zo goed als het kapitalistische eigendom gewettigd is in een maatschappij waar de productie berusten moet op het kapitalisme. Wanneer de tegenwoordige kapitalistische vorm van productie gekomen is tot dat punt van haar ontwikkeling, waarin het voor het bestaan van de maatschappij noodzakelijk is dat ze zich allengs wijzigt in een sociale productiewijze — dan zal ook vanzelf het kapitalistische eigendom veranderen in maatschappelijk eigendom en het zal insgelijks gewettigd zijn als het enig mogelijke.

Dat wij, sociaaldemocraten, wijzen op het eeuwenlange gepleegde onrecht en recht eisen voor hen die de voortbrengers van alle materiële rijkdom zijn, dat ligt voor de hand. Wij mogen en moeten dit doen, want het geldt het belang van de sinds eeuwen onderdrukte meerderheid van het volk.

Tevens vertrouwen wij er op dat tengevolge van meerdere materiële welvaart in de loop des tijds het menselijke geslacht ook zedelijk hoger zal komen te staan, zodat wat heden een utopie (hersenschim) heet, wellicht in de toekomst nog voor verwezenlijking kan blijken vatbaar te zijn. Maar wij weten niettemin, dat niet de gerechtigheid, maar het eigenbelang de geschiedenis van het volk maakt, en daarom zoeken wij onze kracht in de ontwikkeling van het proletariaat, en gronden wij onze eisen op de economische veranderingen, die zich voor onze ogen in de maatschappij voltrekken. Wij zijn overtuigd dat de arbeiders zegevieren zullen, niet omdat hun eisen rechtvaardig zijn, maar omdat deze eisen, wortelend in de ontwikkeling der maatschappij zelf — zich met onweerstaanbare kracht op de voorgrond zullen doordringen.

De ontdekking van de stoommachine, de ontwikkeling van de grootindustrie, hebben de grondslag gelegd voor de kapitalistische productiewijze. Maar de centralisatie (samentrekking) van de productiemiddelen en de vermaatschappelijking van de arbeid, bereiken ten laatste een punt waar zij niet meer verenigbaar zijn met haar kapitalistisch omhulsel. Steeds meer worden de arbeiders veranderd in proletariërs (niet-bezitters) wier belangen strijden met die van de weinige kapitalisten. Tevens ontstaat er een strijd tussen de kapitalisten onderling, onder wie de grote de kleine dooddrukken. Ten slotte moet de kapitalistische productie, tot een bepaalde graad van ontwikkeling gekomen, overgaan in een socialistische.

Het is juist de verdienste van Marx de ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij zo duidelijk uiteengezet te hebben.

Mr. Treub leze hierover in het bijzonder eens na het meesterlijk geschreven hoofdstuk aan het slot van Marx’ werk: Het Kapitaal (eerste deel), getiteld: “Geschichtliche Tendenz der Kapitalistische Akkumulation”.

De fout van Mr. Treub, wanneer hij spreekt over “gemeenschapsgevoel” en “vrome wensen”, zit hierin, dat hij het wetenschappelijke socialisme (van Marx) verwart met de leer van de zgn. “utopisten” (scheppers van nieuwe werelden naar eigen inbeelding) die hem voorafgingen met de leerstellingen van de Franse socialisten à la Proudhon, waartegen juist Marx en Engels met zoveel kracht gestreden hebben. Het ene ogenblik richt onze Amsterdammer zich tegen de socialisten van gisteren, het volgende ogenblik tegen de socialisten van vandaag.

Aan moedwil van Treubs zijde geloof ik in deze niet. Ik veronderstel veeleer dat hij met de oppervlakkigheid — die wij in de heren radicalen wel meer opmerken — te hooi en te gras een en ander over socialisme heeft ter hand genomen en nagezien, menende dat dit wel voldoende zou wezen om met de sociaaldemocraten in Nederland af te rekenen.

Hoe weinig Marx zich met vrome wensen ophield, moge Treub ten slotte leren uit hetgeen hij in zijn Kapitaal zegt tegen Proudhon:

“Weet men iets meer over de ‘woeker’, wanneer men zegt, dat hij strijdt tegen de ‘eeuwige gerechtigheid’, de ‘eeuwige rechtvaardigheid’ en de ‘eeuwige mutualiteit’ en andere ‘eeuwige waarheden’, dan de kerkvaders wisten, wanneer zij zeiden dat hij in strijd is met de ‘eeuwige genade’, de ‘eeuwige trouw’, de ‘eeuwige wil van God’?”
Het Kapitaal I, derde druk, noot op blz. 55.

Ook in het vervolg zullen wij nog meer dan eens gelegenheid hebben, om op te merken hoe Mr. Treub aan Marx en de hedendaagse socialisten meningen toeschrijft, die juist door hem met alle kracht bestreden worden.

Volgen wij opnieuw Mr. Treub na zijn uitval over het “gemeenschapsgevoel”.

“Aan eentonigheid laat deze methode (om een maatschappij te bouwen op ‘liefde’ en ‘gemeenschapsgevoel’) niets te wensen over. Eenmaal het uitgangspunt toegegeven volgt al het verdere uit de onverbiddelijke regelen der logica. (Jawel, waarde Treub, en — nietwaar eenmaal het uitgangspunt door u gezocht, waar het niet te vinden is, volgt ook uit de onverbiddelijke wetten der logica dat ge in het honderd gaat redeneren). En juist dit eenvoudige maakt haar zo verleidelijk voor hen, die niet in staat zijn op de zaak dieper in te gaan. Vandaar de grote opgang die onder de vorige generatie de leer van het laat-maar-begaan, vandaar ook de grote opgang die thans da sociaaldemocratische leer maakt.”
t.a.p. blz. 8.

Bravo, Mr. Treub! Het liberale “laisser faire” (laat-maar-begaan) stelsel, waarbij aan de kapitalisten de hoogst mogelijke vrijheid werd gelaten om de arbeiders te exploiteren, is dus volgens u te verklaren uit de “eenvoudigheid” van de leer. Onze negentiende-eeuwse anarchie (verwarring) in de productie berust op de eenvoud. En op dezelfde wijze verklaart ge, nietwaar, de opgang van het socialisme, de onmiskenbare zucht naar maatschappelijke regeling van de arbeid.

Nog eens, bravo, Mr. Treub! De thans bestaande maatschappij is er geen gegrondvest op “vrome wensen”, op “gemeenschapsgevoel”, zoals de toekomstmaatschappij, die volgens Treub, de socialisten zich “dromen”, maar dat is een maatschappij gegrondvest op het “eenvoudige” van de “methode”.

Wat ‘n kennis van de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid in zo’n man! — En die bekrompen denker heeft volgens de Nederlandse dagbladpers (liberale en kerkelijke) het socialisme in Nederland, “wetenschappelijk bestreden” en vernietigd!

Geen wonder dat hij voor de maatschappij naar eigen (radicale) opvatting tot grondslag aannam ... zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk ingezetenen — ook als een frase.

III

De radicalen willen wel, zo zegt Mr. Treub (t.a.p. blz. 9) evenals de sociaaldemocraten “verbetering brengen in de toestand van de arbeidende klasse”. Maar wat zij in de socialisten “een onmogelijke eis achten”, dat is: “nationalisering van de productiemiddelen.”

“In tegenstelling met u, zweren wij niet de dood aan het kapitalisme, en dat wel, omdat wij de grondslag van uw kritiek op de kapitalistische productiewijze, de meerwaardetheorie van Marx, onjuist en de communistische of de collectivistische productiewijze, die gij(?) voor de kapitalistische in de plaats wenst te stellen, onmogelijk achten.”
t.a.p. blz. 9.

Mr. Treub richt zich thans met al de wetenschappelijkheid, die in hem is, tegen de “theorie van de meerwaarde.” Wat is eigenlijk die theorie der meerwaarde?

“De meerwaardetheorie is een uitvloeisel van Marx’s beschouwingen over de waarde. Hij onderscheidt in de kapitalistische maatschappij, zoals hij de bestaande maatschappij noemt, gebruikswaarde en ruilwaarde.”
t.a.p. blz. 10.

Mr. Treub bestrijdt daarom in de eerste plaats de theorie van de ruilwaarde, waarop dàn ook Marx’s leer van de meerwaarde steunt. Marx meet nl. de waarde van de goederen eenvoudig af naar de hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd, welke hun reproductie (herstelling) kost. Op de wetenschappelijke formule van de ruilwaarde kom ik later terug.

De ruilwaardetheorie nu wordt door Mr. Treub bestreden als niet met de werkelijkheid te rijmen, daar hij op de vraag of de ruilwaarde alleen en in de eerste plaats afhangt van de in de waar opgezogen noodzakelijke arbeid “ontkennenderwijze antwoordt.”

Alvorens we Mr. Treubs beschouwingen daaromtrent nagaan, hebben we een opmerking te maken omtrent een omstandigheid, waarvan we niet weten of ze aan Mr. Treub bekend is, maar welke hij toch in elk geval weten moet.

“Marx’s beschouwingen over de waarde” (Treub t.a.p. blz. 10) zijn niet een vinding van Marx. Marx is niet de eerste geweest die aantoonde dat de arbeid de enige bron der waarde is, en heeft dit ook nimmer beweerd te zijn. Men vindt zijn denkbeeld reeds terug in de tijd toen de staathuishoudkunde ternauwernood een wetenschap mocht heten.

Marx zelf herinnert in zijn Kapitaal (dl. I derde druk, noot op blz. 18) aan een uitspraak van de beroemde Benjamin Franklin [2]: “Daar de handel in het algemeen niets is, dan de ruil van de ene arbeid tegen de andere, wordt de waarde van alle dingen het best geschat in arbeid” (The Works of B. Franklin etc., edited by Sparks Boston, 1836, v. II, p. 267).

In het bijzonder echter ontleende Marx zijn waardeleer aan de bourgeois economen, de staathuishoudkundigen van de burgerlijke school, juist de apostelen die aan Mr. Treub en zijn medegeleerden (!) het evangelie verkondigd hebben en ... niet aan de minsten onder deze apostelen. Hij vond haar bij Adam Smith, de vader van de liberale staathuishoudkunde, aan wiens laat-maar-begaan-theorie door de liberalen slechts “te angstvallig werd vastgehouden” (Treub) en bovenal bij Ricardo.

In het vijfde hoofdstuk, 1ste boek, van Adam Smiths hoofdwerk over de “rijkdom der volken” kan Mr. Treub reeds menig hartelijk woordje lezen over de arbeid als “the real measure” (de werkelijke maat) van de waarde der goederen. De waren bevatten volgens Smith “de waarde van een zekere hoeveelheid arbeid, die wij ruilen voor hetgeen ondersteld wordt de waarde van een gelijke hoeveelheid te bevatten.

Er wordt volgens Ricardo bij Adam Smith een en ander nog verward. Hij (Ricardo) zelf is duidelijker en ontwikkelt reeds zo helder mogelijk de waardegrootte van de goederen. Wat hij over de arbeid als factor van de ruilwaarde zegt, is voor Mr. Treub bijzonder leerzaam. Ik geef daarom de plaatsen uit Ricardo weer die zijn waardetheorie samenvatten. Mr. Treub kan ze behalve op de aangehaalde plaatsen ook vinden in Marx’s werkje: La misère de la Philosophie (De ellende der filosofie) blz. 19 en volgende:

“Niet de nuttigheid is de maat van de ruilwaarde, ofschoon ze een noodzakelijk element ervan is,” (blz. 3, B I, van Beginselen der staathuishoudkunde” enz. Uit het Engels vertaald door J. S. Constancio, Paris 1835).

“De dingen, zodra ze eenmaal op zichzelf als nuttig erkend zijn, trekken hun ruilwaarde uit twee bronnen: uit hun zeldzaamheid en de hoeveelheid tot hun verkrijging noodwendige arbeid. Er zijn dingen, wier waarde slechts afhangt van hun zeldzaamheid. Daar hun aantal door geen arbeid vermeerderd kan worden, kan hun waarde slechts zinken, tengevolge van hun grotere overvloed. Hiertoe behoren standbeelden, kostbare schilderijen, enz. De waarde van deze dingen hangt enkel en alleen af van het vermogen, de smaak en de luim van diegenen, die lust gevoelen, deze voorwerpen te bezitten.” (I B I, blz. 4 en 5, t.a.p.) Zij vormen echter slechts een zeer geringe hoeveelheid van de waren, die dagelijks tegen elkaar geruild worden. Daar het merendeel van de voorwerpen, die men wenst te bezitten, voortbrengselen van de industrie zijn, kan men ze, zodra men de tot hun herstelling noodzakelijke arbeid aannemen wil, niet slechts in een enkel land, maar in verschillende landen in bijna onbegrensde menigte vermenigvuldigen” (Bd. I, blz. 5 t.a.p.) “Wanneer wij alzo spreken van waren, haar ruilwaarde en de beginselen naar welke zich haar prijs regelt, dan hebben wij slechts die waren op het oog, wier hoeveelheid door menselijke arbeid naar believen vermeerderd kan worden, wier productie door de concurrentie bevorderd wordt en op geen belemmeringen stoot.” (I Bd. blz. 3).

Ricardo haalt dan Adam Smith aan en voegt aan het geciteerde toe:

“Dat deze (de arbeidstijd namelijk) in waarheid de grondslag van de ruilwaarde van alle dingen is, dezulken uitgezonderd, die door menselijke arbeid niet naar goedvinden vermeerderd kunnen worden, is een hoogst gewichtig leerstuk der volkshuishoudkunde: want uit geen bron zijn zoveel dwalingen voortgevloeid, is zoveel verschil van mening in deze wetenschap voortgekomen als uit de oppervlakkige en weinig nauwkeurige uitleg van het woord waarde.” (B 1 blz. 8). Wanneer het de in een voorwerp vastgelegde hoeveelheid arbeid is, die zijn ruilwaarde bepaalt, dan volgt daaruit, dat elke vermeerdering der hoeveelheid arbeid noodzakelijkerwijze de waarde van het voorwerp vermeerderen moet, waarop hij werd aangewend, en dat evenzo elke vermindering van de arbeid de prijs van het voorwerp verminderen moet.” (Bd. 1, blz. 9).

Dit alles geldt, let op Mr, Treub, voor de tegenwoordige maatschappij! Wat is nu het werk geweest van Karl Marx?

Marx nam enkel van Ricardo over de waardegrootte. Hij is de eerste geweest die de waarde heeft gaan ontleden en aantoonde dat zij een dubbele natuur vertoont, dat de waarde van de goederen voor zover deze een bepaalde menselijke behoefte bevredigen (gebruikswaarde) een ander karakter bezit, dan de waarde die zij hebben als goederen, als handelswaren (ruilwaarde). De laatste waarde betreft de tegenwoordige maatschappelijke regeling van de productie en de verdeling der goederen.

Wanneer op de warenmarkt een hoeveelheid X van de waar zilver, gelijk gesteld wordt met een hoeveelheid Y van de waar boter, op een hoeveelheid Z van de waar linnen, dan kan de grond waarop deze waren tegen elkaar worden uitgeruild als gelijke waarde bezittende, niet daarin gelegen zijn dat zij meetkundig, natuurkundig of scheikundig geacht worden aan elkaar gelijk te wezen. Deze hoeveelheden van waren worden geacht aan elkaar gelijk te zijn om hoedanigheden buiten haar natuurlijke gesteldheid, om de eigenschap die ze met elkaar gemeen hebben, dat ze producten zijn van menselijke arbeid, dat ze enkel verkregen kunnen worden door een zekere hoeveelheid arbeid, geestelijke of lichamelijke. Op de handelsmarkt wordt niet gevraagd welke behoeften de waren bevredigen, niet, of ze in een bepaalde hoeveelheid voldoende zijn om een mens één dan wel twee dagen, bv. in het leven te houden. Ook niet of de arbeid, die vereist wordt om de waren te verkrijgen in de toestand waarin ze ter markt komen, bestaat in karnen, dan bv. in het graven onder de grond. Op de handelsmarkt wordt afgezien zowel van de gebruikswaarde van de goederen, als van de geaardheid van de arbeid, waardoor ze worden gewonnen. De waren komen op de handelsmarkt tegenover elkaar te staan als producten van menselijke arbeid in het algemeen.

En thans de bestrijding van Mr. Treub.

Daar ik onze Nederlandse radicaal verdenk niet genoeg met Marx’ leer bekend te wezen, geef ik de stellingen, die in het bijzonder door hem bestreden worden, woordelijk weer, zoals ze geformuleerd zijn in Marx’ werk: Het Kapitaal.

“Het is alzo slechts het kwantum (hoeveelheid) maatschappelijk noodzakelijke arbeid of de ter opnieuw voortbrenging van een gebruikswaarde maatschappelijke noodzakelijke arbeidstijd, welke de waardegrootte ervan bepaalt.”
Het Kapitaal, I. Derde druk, blz. 6.

Thans de formulering voor de waarde van de arbeidskracht.

“De waarde van de arbeidskracht, evenals die van elke andere waar, wordt bepaald door de ter productie, dus ook ter reproductie (opnieuw voortbrenging, herstelling) van dit specifieke artikel noodzakelijke arbeidstijd.)
t.a.p. blz. 147.

“Tot zijn onderhoud heeft het levende individu behoefte aan een zekere som levensmiddelen. De ter productie van de arbeidskracht noodzakelijke arbeidstijd lost zich alzo op in de ter productie van deze levensmiddelen noodzakelijke arbeidstijd.”
t.a.p. blz. 148.

Na enige aanhalingen uit het werkje van F. Domela Nieuwenhuis: Kapitaal en Arbeid, bewerkt naar Marx, schrijft Mr. Treub het volgende:

“Met de gebruikswaarde gaat het in hoofdzaak goed.
. . . . . . . . . . . .
“Maar nu de ruilwaarde. Deze wordt bepaald door, de algemeen menselijke arbeid, gemeten naar de tijd, die in doorsnee voor het maken van het voorwerp nodig is. Nu valt het al aanstonds op hoe vaag, hoe totaal onbruikbaar het afgetrokken begrip van ‘algemeen menselijke arbeid’ is. Maar ik laat het rusten, om terstond in het hart van de zaak te kunnen ingrijpen.
En dan stel ik de vraag: zou het werkelijk waar zijn dat de ruilwaarde alleen afhangt van de in de waar opgezogen noodzakelijke arbeid? Zelfs de voorstanders van de meerwaardetheorie beantwoorden deze vraag niet bevestigend; alleen hebben zij hun antwoord, wanneer zij aan de bespreking van de waarde der arbeidskracht zijn gekomen, reeds glad vergeten.
“ “Ruilwaarde — zo erkennen zij — onderstelt gebruikswaarde, anders wordt er niet naar gevraagd.” “ (D. N. 2.)
“De ruilwaarde wordt dan niet alleen, ja zelfs niet in de eerste plaats bepaald door de in een voorwerp vast gelegde doorsnee arbeid. De allereerste voorwaarde — ook voor de ruilwaarde — is, dat het voorwerp in staat is een menselijke behoefte te bevredigen, dat er naar gevraagd wordt; is deze voorwaarde niet vervuld, dan heeft het voorwerp geen ruilwaarde, al ware er honderd jaren algemeen menselijke arbeid in opgezogen.
De algemeen menselijke arbeid is dus niet het enige, en zelfs niet het hoofdbestanddeel van de ruilwaarde; mist het product van de arbeid bruikbaarheid, dan mist het ook ruilwaarde zowel als gebruikswaarde; dat leert reeds de meest eenvoudige ontleding van het ruilwaardebegrip.”
t.a.p. blz. 14 en 15.

Wel zeker Mr. Treub, mist het voorwerp bruikbaarheid, dan mist het ook ruilwaarde, zowel als gebruikswaarde. Dat leert de meest eenvoudige ontleding van het ruilwaardebegrip, maar ... dat leert ook Marx. Dat leerde zelfs Ricardo al, Mr. Treub! Alle waren zijn, natuurvoortbrengselen, die door de arbeid slechts voor het menselijk gebruik geschikt gemaakt en de mens toegevoerd worden.

Bevredigen de natuurvoortbrengselen geen menselijke behoeften, dan hebben ze geen gebruikswaarde en daardoor ook geen ruilwaarde.

Spinnen en krekels worden niet naar de markt gebracht, maar oesters wel. Marx zegt dan ook evenals Treub (maar hij zei het 30 jaar vroeger):

“Eindelijk kan geen ding een waarde zijn zonder een gebruiksvoorwerp te wezen. Is het nutteloos, dan is ook de in het voorwerp gelegen arbeid nutteloos, telt niet mee als arbeid en vormt dus ook geen waarde.”
Marx, t.a.p. bl. 8.

De fout die gij Mr. Treub begaat, is deze: Gij maakt uit de omstandigheid dat een ding nuttigheid moet hebben wil het als handelswaar herkend worden, de gevolgtrekking dat nu ook de ruilwaarde door de nuttigheid bepaald, dat is gemeten wordt. Uw definitie over de ruilwaarde, waarover aanstonds, is daardoor foutief. Gij zou dit zelf hebben kunnen vinden, had gij u de zaak helder voorgesteld. Hoe komt het bv. dat diamanten zulk een fabelachtige waarde bezitten? Omdat ze nuttiger zijn dan koren of ijzer, Mr. Treub? Och kom, dat weet ge beter! Bij Marx heet het terecht:

“Gelukt het door een geringe arbeid kolen in diamanten te veranderen, dan kan de waarde hiervan (van diamant) tot beneden die van tichelstenen vallen.”
Marx t.a.p. blz. 7.

Ik wil u nog een voorbeeld geven, Mr. Treub, om u de dubbele natuur van de waarde duidelijk te maken, want ook gij houdt veel van voorbeelden ter opheldering.

Mr. Treub spreekt over de leer en het optreden van de Nederlandse sociaaldemocraten. Maar andere personen kunnen ook spreken over ditzelfde onderwerp. Nu hangt de waarde van Mr. Treub als spreker over socialisme ten opzichte van andere personen die ook over socialisme spreken af van zijn vermogen om helder te denken, van de omstandigheid of hij het socialisme kent, enz., alles natuurlijk in verhouding tot de andere sprekers, met wie Mr. Treub vergeleken wordt.

Neen, kan nu Treub, zeggen, wacht eens even, dat is het niet alleen en niet in de eerste plaats, waarnaar gevraagd moet worden.

In de eerste plaats moet men vragen of ik wel een levend mens ben. Want ben ik geen levend mens, dan kan ik ook onmogelijk wezen een spreker over socialisme. Zodra ik ophoud een levend mens te zijn, kan ik ook niet langer een spreker wezen, er is geen vraag meer naar mij.

Inderdaad, dat klinkt heel fraai, heer Treub, maar toch nietwaar, blijven uw waarde als mens en uw waarde als spreker twee. Gij kunt bv. als mens springlevend, gezond als een vis enz. zijn, en toch van de sociaaldemocratie zoveel weten als een koe van saffraan.

Welnu, eveneens is het gesteld met de waren. Zijn ze niet geschikt voor het menselijk gebruik, als levensmiddelen, sieraden, enz. in welke vorm dan ook, met andere woorden er is geen vraag naar, dan kunnen ze, op de handelsmarkt geworpen, ook onmogelijk ruilwaarde bezitten, al waren er zoals Treub zegt honderd jaren algemeen menselijke arbeid in opgezogen. Maar niettemin blijven gebruikswaarde en ruilwaarde der dingen twee verschillende zaken. “Niet de nuttigheid is de maat der ruilwaarde”, zou Ricardo zeggen, “ofschoon ze een noodzakelijk element ervan is.”

Volgen we weer de brochure:

“Maar we gaan verder en vragen ons af: wordt de ruilwaarde van een voorwerp in het geheel wel door de daaraan bestede gemiddeld noodzakelijke arbeid bepaald? En ziet: niet alleen dat deze vraag even stellig ontkennend moet worden beantwoord als de eerste, maar wat meer is, de aanhangers van de meerwaardetheorie zelf zien zich verplicht met deze ontkennende beantwoording onbewust in te stemmen.”

(Dat zou natuurlijk iets fraais zijn.)

“Als een waar wordt gemaakt in 6 uren — zo schrijft de heer Domela Nieuwenhuis (blz. 53) in navolging van Marx — en er wordt een uitvinding gedaan waardoor zij geproduceerd kan worden in 3 uren, dan daalt de waarde ook van de reeds geproduceerde waar de helft. Van nu aan vertegenwoordigt zij 3 in plaats van 6 uren noodzakelijke arbeid, nodig ter productie, de grootte van de waarde.”
Wat ligt nu in deze schijnbaar onschuldige opmerking opgesloten? Dat de ruilwaarde van een voorwerp geen verband, houdt met de hoeveelheid arbeid, die voor zijn productie, ten tijde dat het werd geproduceerd, nodig is, maar met de hoeveelheid arbeid, die nodig geweest zou zijn, indien het ware gemaakt geworden met de verbeterde hulpmiddelen, die er zijn, ten tijde dat het product ter markt komt ... ”
Hiermee zijn wij een flinke stap verder. Maar hoe staat het nu met de ten tijde van het ter markt brengen noodzakelijke arbeid? Bepaalt deze werkelijk de ruilwaarde? Door een tweetal voorbeelden zal het antwoord dat op deze vraag moet worden gegeven u duidelijk worden. Gesteld de noodzakelijke arbeid ter vervaardiging van het voorwerp is, tenzij dat het ter markt komt, wel aanzienlijk verminderd, maar deze vermindering is nog een geheim van één of van enkele fabrikanten, wier productie in verhouding tot de algemene productie van de waar gering is. Zal nu de ruilwaarde van het voorwerp door de nieuwe uitvinding zijn verminderd? Ieder van u zal toestemmen met een neen. En dat wel om de eenvoudige reden, dat in dit geval de vermindering van de voortbrengingsarbeid op de aangeboden hoeveelheid geen of geen merkbare invloed zou hebben. Stellen wij nu in de tweede plaats het geval, dat in het tijdsverloop tussen de productie en het naar de markt brengen van de waar, een ander voorwerp wordt uitgevonden en voortgebracht, dat met veel minder kosten kan worden vervaardigd dan de oude waar en dat de enige behoefte aan welke deze voldoet, veel vollediger bevredigt. Het gevolg zal dan natuurlijk zijn, dat de oude waar haar vroegere ruilwaarde geheel zal hebben verloren, omdat zij niet meer wordt begeerd. En toch was voor haar productie wel degelijk een zekere hoeveelheid algemeen menselijke arbeid nodig.”
Treub t.a.p. blz. 15, 16 en 17.

In de eerste plaats krijgen we de “onbewuste” instemming van de aanhangers van de meerwaardetheorie.

Wanneer tengevolge van een uitvinding, een verbetering aan de machine enz., een waar in de helft van de tijd geproduceerd kan worden, die daarvoor vroeger maatschappelijk noodzakelijk was, dan daalt de waarde, ook van de reeds geproduceerde waar, de helft. “Vermindert de herstellingskosten der hoeden”, zegt reeds Ricardo (B. 2 blz. 253) “en hun prijs zal ten slotte dalen tot hun nieuwe natuurlijke prijs, de vraag moge zich dan verdubbelen, verdrievoudigen of verviervoudigen.”

De heer Treub ziet daarin een “onbewuste” toestemming van onze zijde, dat de ruilwaarde van een voorwerp geen verband houdt met de hoeveelheid arbeid voor de productie nodig ten tijde dat het werd geproduceerd, maar met de hoeveelheid arbeid nodig, ten tijde dat het product ter markt komt. Deze zienswijze is weer een gevolg van de oppervlakkigheid waarmee Treub met Marx kennis maakte. Marx leert juist zeer bewust dat de ruilwaarde van een waar bepaald wordt door de hoeveelheid arbeid, die nodig is voor het “opnieuw voortbrengen” (Herstellung) van de waar, niet door de arbeidstijd die nodig was toen de waar werd voortgebracht. Marx houdt dit voortdurend zijn lezers onder het oog en wij zijn juist, omdat Mr. Treub zich blijkbaar zo weinig “bewust” was van hetgeen hij schreef, zo vrij geweest de stelling van Marx woordelijk weer te geven. (Zie enige bladzijden tevoren).

Even ongelukkig is Mr. Treub met zijn beide voorbeelden. Wat in het eerste voorbeeld ieder zal toestemmen, stemde Marx 30 jaar geleden, toen hij zijn Kapitaal schreef, ook reeds toe. In de formule voor de ruilwaarde van de goederen, die ik u nogmaals onder de ogen moet houden, Mr. Treub, spreekt Marx immers van de “maatschappelijk noodzakelijke” arbeidstijd, niet van de “individueel (persoonlijk) noodzakelijke” arbeidstijd, die tot “Herstellung” van een gebruikswaarde nodig is. Als de vermindering van de noodzakelijke arbeidstijd ter productie van een waar nog een geheim blijft van één of van weinige kapitalisten, dan ligt het voor de hand dat de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd nog onveranderd blijft en slechts geleidelijk vermindert, al naarmate meerdere kapitalisten achter het geheim van de nieuwe methode komen. Uw voorbeeld heeft Marx 30 jaar geleden ook behandeld, hij komt er enkele malen op terug (zie o.a. Marx t.a.p. blz. 314 en 315) en hij zegt bv. dat in een “overgangsperiode, waarin het machinebedrijf een soort monopolie blijft”, de winst van de kapitalist buitengewoon is, zodat hij deze “eerste tijd van de jonge liefde” zo goed hij kan, tracht vruchtbaar te maken, door zoveel mogelijk de arbeidsdag van de werklieden te verlengen. (t.a.p. blz. 414).

Dat in de waarde van de goederen slechts de maatschappelijk noodzakelijke arbeid wordt teruggegeven, niet de persoonlijke noodzakelijke, dat behoort de kapitalist ook in het oog te houden bij het gebruik van de arbeidsmiddelen.

“Mocht er alzo slechts 1 pond katoen nodig zijn, om 1 pond garen te spinnen, dan mag slechts, 1 pond katoen verteerd zijn in de vorming van 1 pond garen. Evenzo staat het met de spillen. Heeft de kapitalist de fantasie gehad, gouden in plaats van ijzeren spillen aan te wenden, dan telt in de waarde van het garen toch slechts de maatschappelijk noodzakelijke arbeid mee, d.w.z. de arbeidstijd die nodig is ter productie van ijzeren spillen.”
t.a.p. blz. 168.

Wat het tweede voorbeeld betreft spreekt het eveneens vanzelf, dat wanneer een waar verdrongen wordt door een andere, die beter in dezelfde menselijke behoefte voorziet en met minder arbeid kan worden voortgebracht, de eerste waar, zo er in het geheel geen vraag meer naar is, geheel waardeloos wordt, en zo ze nog wordt begeerd slechts nog de waarde kan hebben van de waar, die haar verdrong en minder maatschappelijk noodzakelijke arbeid vertegenwoordigt. Insgelijks vermindert de waarde van een waar, wanneer er van haar soort een grotere hoeveelheid op de handelsmarkt geworpen wordt, dan maatschappelijk noodzakelijk is. Treub had dit laatste “voorbeeld” ook nog over kunnen nemen van Marx die de verschillende gevallen welke zich op de warenmarkt kunnen voordoen zo uitmuntend opgespoord heeft. Lees, Mr. Treub, eens de duidelijke uiteenzetting na die over een en ander voorkomt bij Marx (t.a.p. blz. 77 en 78) en waaronder meer staat:

... “Het product bevredigt heden een maatschappelijke behoefte. Morgen wordt het wellicht geheel of gedeeltelijk door een overeenkomstige warensoort van zijn plaats verdrongen ... Wanneer de maatschappelijke behoefte aan linnen, en ze heeft haar maat, reeds door concurrerende linnenwevers verzadigd is, dan wordt het product van onze vriend overtollig, overvloedig en daarmee nutteloos...” Alle linnen op de markt geldt slechts als een enkel handelsartikel, elk stuk slechts als een matig deel”.

Mr. Treub komt na zijn besprekingen over de ruilwaarde tot de volgende conclusie, die hij cursief gedrukt onder de aandacht van zijn lezers brengt, dat namelijk:

“niet de aan het voorwerp noodzakelijk bestede arbeid, maar iets anders de ruilwaarde ervan bepaalt, en dit andere is de bruikbaarheid van het voorwerp in verband met de daaraan bestaande behoefte en de daarvan aangeboden hoeveelheid. “
Treub, t.a.p. blz., 17.

Er volgt na deze gevolgtrekking van Mr. Treubs zijde nog een enkel voorbeeld, handelende over een schuit grachtijs tegenover een schuit grachtwater. Het grachtijs behoort tot die soort van dingen, die slechts onder bepaalde omstandigheden in zulk een voorraad in de natuur voorkomen, dat ze met geringe arbeid naar believen kunnen vermeerderd worden. We gaan er niet verder op in, daar hetgeen Mr. Treub er bij aanmerkt reeds lang te voren, veel beter gezegd is door Ricardo. (Zie de vroeger aangehaalde plaatsen uit Ricardo.)

Na een en ander komen wij tot de volgende slotsom:

Waar Mr. Treub betreffende de ruilwaardetheorie Marx aanhaalt, geeft hij het onmiskenbare blijken, diens werken niet gelezen te hebben zomin als hij acht geslagen heeft op hetgeen over de ruilwaarde gezegd is door mannen als Ricardo uit de burgerlijke economische school.
En waar Mr. Treub in plaats van Marx’s theorie van de ruilwaarde een andere, de zijne, stelt, heeft hij over hetgeen hij sprak en schreef niet helder genoeg nagedacht en gebruikswaarde en ruilwaarde met elkaar verward
.

Inderdaad, over het optreden van die tegenstander hebben wij ons vooralsnog niet te beklagen!

IV

De toepassing van Marx’s opvatting van de ruilwaarde op de arbeidskracht (zie daaromtrent vooraf de aangehaalde plaatsen uit Marx) wordt door Mr. Treub “evenzeer onhoudbaar” geacht. Hij beroept zich daartoe niet op “afgeleidde redeneringen” maar op een nauwkeurig onderzochte gebeurtenis, op de pest in de 14de eeuw, die in Engeland in het jaar 1358 haar intrede deed en ongeveer een derde deel van de bevolking naar het graf sleepte. Het onmiddellijke gevolg was:

“een duurte van de arbeid, een buitengewone verhoging van de lonen en een grote moeilijkheid om de oogst binnen te krijgen voor die landeigenaars die daarvoor gehuurde arbeid nodig hadden.”
Treub, t.a.p. blz. 18.

De oogst verrotte op het veld, koeien en schapen doolden rond. Vooral de vrije arbeider trok van deze toestand het voordeel. Deze feiten geven ons te zien:

“een sterke vooruitgang in de ruilwaarde van de arbeid, gepaard niet een onveranderlijke waarde van de levensmiddelen van de arbeider; een toestand dus die, indien Marx’s theorie van de ruilwaarde der arbeidskracht opging, onmogelijk zijn zou. Een toestand bovendien die niet enig is in zijn soort, maar die zich in de jaren na de door de pest aangerichte verwoesting alleen met scherpere lijnen aftekende, dan bij minder plotselinge wijzigingen in behoefte of hoeveelheid op de arbeidsmarkt het geval is.”
t.a.p. blz. 19.

De onmogelijkheid, waarvan gij in deze regels spreekt, heer Treub, zie ik niet in. Omgekeerd ben ik van mening dat ertussen de werkelijkheid en de theorie in het minst geen strijd bestaat en niet zoals gij later zegt, de laatste de eerste “in het aangezicht” slaat.

Het feit dat in buitengewone tijde, bij gebrek aan arbeidskracht naast overvloed van levensmiddelen, de arbeidskracht aanmerkelijk hoger betaald wordt dan haar waarde bedraagt, kan in haar waarde evenmin veranderen, als het feit dat in de laatste tientallen jaren de kapitalisten er in geslaagd zijn het arbeidsloon tot ver beneden de waarde van de arbeidskracht te doen zinken, dankzij de aangroeiende massa van de overtollige arbeiders, die allengs door de invoering van nieuwe machinerie op straat gezet worden. Marx heeft in het 28ste hoofdstuk van zijn werk Het Kapitaal (getiteld De algemene wet van de kapitalistische accumulatie (opeenhoping)), de omstandigheden uiteengezet welke bij de tegenwoordige productiewijze de kapitaalbezitter de gelegenheid gaf de arbeidskracht meer en meer onder haar waarde te drukken. Heeft daardoor Marx zijn eigen leer afgebroken, Mr. Treub?

Bovendien, Mr. Treub, veronderstel dat inderdaad de “vrije arbeider” in Engeland, na de pest van 1348 een gulden tijd tegemoet ging, dan zult ge toch tegelijk wel willen toegeven dat de wetten, die thans het arbeidsloon beheersen, geheel andere zijn dan die vóór 100 jaren, laat staan die van de 14de eeuw. Wat in 1348 gebeurde zou thans een onmogelijkheid zijn, dankzij weer in de eerste plaats de door Marx zogenoemde “industriële reservearmee” , de steeds, vermeerderende massa van op straat geworpen arbeiders, voorts de verbeterde middelen van vervoer, enz. Ziehier, hoe Marx zelf een soortgelijk geval behandelt als het uwe, dat echter uit het midden van de eeuw dagtekent en daardoor beter aan zijn doel beantwoordt:

“Tussen 1849 en 1859 viel er in de Engelse landverhuizers districten tegelijk met dalende graanprijzen, een praktisch beschouwd slechts nominale loonsverhoging in, bv. in Wilshire steeg het weekloon van 7 op 8 sh., in Dorsetshire van 7 of 8 op 9 sh. (de sh. = 60 ct.) enz. Dit was een gevolg van het buitengewone wegstromen van de landelijke overbevolking, veroorzaakt door oproeping ten oorlog, uitbreiding op grootse schaal van het spoorwegnet, fabrieken, bergwerken, enz. In elk geval huilden de pachters en bazelde zelfs de London Economist in alle ernst van “a general and substantial advance” [3] met betrekking op deze hongerlonen. Wat deden nu de pachters? Wachtten zij tot de landarbeiders zich tengevolge van deze briljante betaling zó vermeerderd hadden dat hun loon weer vallen moest, zoals de zaak zich in de dogmatisch economische hersens toedraagt ? Zij voerden weer machinerie in, en in een ommezien waren de arbeiders weer “overtalrijk” in een mate, waarover zelfs de pachters tevreden waren. Er was thans “meer kapitaal” in de landbouw gestoken dan voorheen en in een meer productieve vorm. Daarmee viel de vraag naar arbeid niet slechts betrekkelijk maar ook absoluut.” (volstrekt).
Marx, t.a.p. blz. 655 en 656.

Zie Mr. Treub, met dergelijke feiten had gij u ter onderrichting van ons (en bovenal van uzelf) moeten bezighouden, niet echter met uw “nauwkeurig onderzochte gebeurtenis” uit de jaren 1348!

Dat geheel uw bestrijding van de ruilwaarde van de arbeidskracht zich bepaalt tot de veertiende eeuwse pestvertelling toont, dunkt mij, van welk een armzalig gehalte uw radicale burgerlijke wetenschap is, verondersteld namelijk dat het met uw bestrijding ernstig gemeend was.

Gaan we voort:

“De ruilwaardetheorie van Marx slaat de werkelijkheid zozeer in het aangezicht, dat men geen profeet behoeft te wezen om te voorspellen dat binnen weinige jaren aan deze theorie hetzelfde lot zal worden beschoren als in het afgelopen jaar te Halle aan Lassalle’s ijzeren loonwet ten deel viel. En valt de ruilwaardetheorie weg, dan blijft van de meerwaardetheorie geen schaduw over.”
Treub, t.a.p. blz. 19.

“... de meerwaardetheorie en Marx’s ontleding van het productieproces — hoe geleerd deze ook moge zijn — kan men gerust in een museum van uitgediende wapens opbergen.”
t.a.p. blz. 23.

We zouden de voorspelling van Mr. Treub, na al hetgeen wij van hem gehoord hebben misschien met stilzwijgendheid mogen voorbijgaan. Hij kent blijkbaar de zaak niet, waarover hij spreekt. Echter heeft hij hier licht, profeteren gehad!

De ruilwaarde is niet een natuurlijke, maar een zuiver maatschappelijke eigenschap van de dingen, welke, willen ze ruilwaarde bezitten, eerst handelswaren moeten zijn.

Marx’s ruilwaardetheorie geldt voor de bestaande kapitalistische maatschappij, en in zijn kritiek op de hedendaagse productiewijze heeft Marx uiteengezet, hoe de bestaande maatschappij aan haar eigen zonden zal ten gronde gaan. Mocht nu (en hopen wij “binnen weinige jaren”) het kapitalistische staatsgebouw ineenstorten, dan verliezen èn de ruilwaardetheorie van Marx èn diens kritiek op de kapitalistische productie haar belang voor de tijd zelf, en behouden zij alleen geschiedkundige waarde.

Marx zelf beschouwde een en ander in zijn leer niet als onsterfelijk.

In zijn kritiek op het sociaaldemocratische program, eerst kortelings publiek gemaakt[4] heet het:

“Binnen de genootschappelijke, op gemeenschappelijk bezit der productiemiddelen gegrondveste maatschappij ruilen de producenten hun producten niet meer; evenmin verschijnt daar de op de producten aangewende arbeid als waarde van deze producten, als een door hen bezeten zakelijke eigenschap, daar dan in tegenstelling met de kapitalistische maatschappij de persoonlijke arbeid niet meer langs een omweg, maar onmiddellijk als bestanddelen van de gezamenlijke arbeid bestaan” ...
Marx: Tot kritiek op het sociaaldemocratische program. Die Neue Zeit, 1890-1891, No.18, blz.566.

Stellig heeft Mr. Treub met zijn voorspelling iets anders bedoeld. Hij zal gemeend hebben dat “binnen weinige jaren”, terwijl de kapitalistische maatschappij nog zal bestaan, toch Marx’s theorie van de waarde en zijn kritiek op de tegenwoordige productiewijze in een museum zal zijn geplaatst. Echter is het ieders baantje niet profeteren, en wie het lot voorspelt van een wetenschappelijke leer, die hij zelf niet kent, heeft zeker al luttel kans dat zijn woorden in de toekomst bewaarheid worden.

Nog een opmerking over de “ijzeren loonwet” van Lassalle en het congres te Halle:

Toen Liebknecht het vorige jaar te Halle had voor gesteld dat de zinsnede betreffende de “ijzeren loonwet” door een meer nauwkeurige vervangen zou worden, duurde het niet lang of de bourgeoispers in Duitsland trachtte er munt uit te slaan. Zou dus de “ijzeren loonwet” afgezworen worden, zo heette het, waarmee de sociaaldemocratie in Duitsland begonnen was? Hadden dan de burgergeleerden gelijk gehad, die deze wet nimmer erkenden, en zou dus vallen wat deze bourgeois in hun onwetendheid noemden de “hoeksteen van de sociaal-revolutionaire leer”? De Duitse ridders van de grote pers moeten wel bitter teleurgesteld zijn geweest, toen in de sociaaldemocratische bladen de verklaring volgde waarom de “ijzeren loonwet” behoorde te worden losgelaten.

Deze loonwet, die volgens Lassalle, bij de tegenwoordige omstandigheden, onder de heerschappij van aanbod en vraag naar arbeid, het arbeidsloon bepaalt, leert: dat het gemiddelde arbeidsloon steeds bepaald blijft tot het noodzakelijke levensonderhoud, dat bij een volk in overeenkomst met het gevestigde gebruik tot onderhoud en voortplanting van de arbeiders noodzakelijk is. Hoger dan het noodzakelijke levensonderhoud kan het loon niet duurzaam stijgen want dan zou door vermeerdering van het aantal huwelijken onder de arbeiders en van hun voortplanting een vermeerdering van de arbeidersklasse ontstaan, en dit zou het aanbod van arbeidskrachten doen stijgen, waardoor het loon ten slotte weer dalen moest. Het omgekeerde (minder huwelijken met minder voortbrenging van kinderen, bovendien landverhuizing) zou plaats grijpen bij loonsverlaging; het aanbod van arbeidskracht zou verminderen en het loon weer vanzelf worden teruggebracht tot zijn vroegere stand.

Deze wet, die eigenlijk steunt op de bevolkingstheorie en de loonfondstheorie van de burgerlijke school, is door Marx niet aanvaard. Hij kwam, doordat hij de werkelijke bewegingen der arbeidsmarkt nauwkeurig volgde, tot een geheel andere theorie. Toen Marx zijn werk Het Kapitaal schreef,[5] wisselden de verschillende perioden in de industrie — matige gang van zaken, snelle vooruitgang en bloei, crisis en daarop volgende stilstand elkaar binnen de tien jaren ongeveer af. Sindsdien zijn deze perioden steeds korter geworden, en sedert behalve Engeland ook andere landen in het bijzonder Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten op de wereldmarkt met hun waren verschijnen, wil het bloeitijdperk in de industrie maar niet meer terugkomen. Steeds meer wordt de uitspraak van Marx bewaarheid:

“Alvorens ten gevolge van loonsverhoging een positieve wasdom der werkelijk tot de arbeid geschikte bevolking zou kunnen intreden, zou meer dan eenmaal de termijn verlopen zijn, binnen welke de industriële veldtocht gevoerd, de slag geslagen en beslist moet zijn.”
Marx, t.a.p. blz. 655.

Bovendien heeft Lassalle gerekend buiten het zo straks reeds genoemde industriële reserveleger, de massa van de werkloze armen, waaraan het kapitaal behoefte heeft om de lonen naar beneden te kunnen drukken.

In het tijdschrift Die Neue Zeit (De nieuwe tijd) zegt Ed. Bernstein, na aan de bovenstaande plaats van Marx herinnerd te hebben.

“De industriële reservearmee ... is de levende weerlegging van de ‘ijzeren’ loonwet ...
Aan de andere kant dwingt zelfs de kapitalistische leiding van de maatschappelijke productie de arbeiders, om hun behoeften, op de gewoonte gegrond, aan veranderingen te onderwerpen, ... evenals de kapitalist steeds opnieuw ontdekt dat het arbeidsloon nog lager zijn kan, zonder dat de arbeider absoluut en noodzakelijkerwijze van honger sterft ...
... Zij (de loonwet) is de druk van de macht des kapitaals in het algemeen, de afhankelijkheid van de arbeider van de kapitaalbezittende ondernemer, in één woord het gehele heersen van het kapitalistische stelsel. Dit moet ‘gebroken’ worden en geen ‘loonwet’, hoe men ze dan ook noemen wil” ...
Die Neue Zeit, jrg. 1890-1891, No. 17, blz. 534 en 535.

Ik heb gemeend een en ander over de “ijzeren loonwet” te moeten vermelden, omdat het mij voorkwam dat er in de bovengenoemde woorden van Mr. Treub daaromtrent zo iets verdachts doorschemerde.

Nadat onze Amsterdamse radicaal zijn voorspelling op blz. 19 heeft uitgesproken, raakt hij een wijl helder bij zijn verstand:

“Toegegeven voor een ogenblik — zo hoor ik mij tegemoet voeren — maar dit neemt toch de eenvoudige waarheid niet weg dat de ruilwaarde van het product de ruilwaarde van de bij de productie verbruikte arbeidsmiddelen en grondstoffen overtreft en dat dit verschil voor een deel aan de arbeider ten goede komt. Aangezien nu noch de arbeidsmiddelen noch de grondstof, maar alleen de menselijke arbeid waarde voortbrengt, komt het per slot van rekening dan toch hierop neer dat de eigenaar van de productiemiddelen, de kapitalist, een deel van het door de arbeider vervaardigd product aan deze onttrekt.”
Treub, t.a.p. blz. 19.

Wie echter hoop gaat koesteren na deze verklaring zal zich in Mr. Treub bedrogen vinden. Deze opmerking klinkt wel “verleidelijk” maar kan er ook niet tegen “dat men haar te veel op de keper bekijkt”.

De op-de-keper-bekijkerij, die thans volgt, draagt een eigenaardig karakter. Zij is een kunststukje van Mr. Treub, minder als radicaal, dan als advocaat.

Ziet hier wat hij doet.

Volgens de sociaaldemocraten zelf, is kapitaal niet anders dan “opgehoopte arbeid van gisteren”. Nu kiest Mr. Treub twee arbeiders, arbeider A en B; hij trekt met een effen gezicht, zoals het een burgerman betaamt, partij voor de ene arbeider tegen de andere, misschien wel indachtig aan de leer: “Verdeel en heers!” Van achteraf echter zal het ons blijken dat het Mr. Treub niet te doen is om het belang te behartigen van arbeider A, zoals hij voorgeeft, maar om een derde persoon binnen te smokkelen en wel kapitalist (niet-arbeider) C, die hij zich aanvankelijk wel wacht te noemen. Ten slotte echter moet zijn kapitalist toch te voorschijn komen en vervangt dan, ja raad eens, lezer, wie ... “de arbeider van gisteren”. (Kapitaal is immers opgehoopte arbeid van gisteren). De “arbeider van gisteren” zelf moffelt Mr. Treub weg, of liever hij doet alsof deze en de kapitalist-niet-arbeider eigenlijk een en dezelfde persoon zijn. Nu is het wel heel mooi van een kapitalist om broederlijk in de plaats van een arbeider te treden, maar wij zien zo iets toch liever niet. We geven daarom de op-de-keper-bekijkerij van Mr. Treub letterlijk weer, al is ze ook een weinig gerekt, maar nemen ons tevens voor de lezer te waarschuwen, zodra onze radicaal aan het goochelen gaat:

“Dat alle productie van de nijverheid in de laatste ontleding zijn terug te brengen tot producten van arbeid aangewend op stoffen, welke de natuur biedt, niemand zal, niemand kan het ontkennen. Maar wanneer arbeider A een gedeelte van zijn arbeid besteedt, niet tot verkrijging van levensmiddelen, maar ter vervaardiging van een voorwerp, dat de productiviteit van zijn latere arbeid zal verhogen — een spade bijvoorbeeld[6] — zal arbeider B hem dan naar recht en billijkheid kunnen toevoegen: het voorwerp, het productiemiddel dat gij hebt vervaardigd, is een opbrengst van arbeid; ik verricht arbeid even goed als gij en ik heb dus op uw arbeidsproduct ook evenveel recht als gij zelf? Immers neen. Geen uwer, die dit zou willen beweren. Maar geeft gij dit toe, dan is ook de kracht van uw stelling gebroken. Want zij zegt met andere woorden hetzelfde wat ik arbeider B tot arbeider A liet zeggen[7]. Omdat alleen menselijke arbeid aan een stof hogere waarde kan geven en de hogere productiviteit van de arbeidsmiddelen dus is te danken aan de arbeid van hen die het arbeidsmiddel vervaardigen, daarom moet de gehele waarde die met behulp van het arbeidsmiddel meer wordt verkregen, dan zonder dit middel verkregen zijn zou, komen aan hen die het arbeidsmiddel vervaardigen — zo zou je menen — neen, zeggen de sociaaldemocraten[8], aan hen die het arbeidsmiddel gebruiken. En waarin ligt nu de fout? Hierin dat bij alle formules van deze kracht wordt gesproken van de arbeid, als ware de arbeid een zelfstandig wezen, een persoon, terwijl men geen ogenblik mocht vergeten, dat wanneer men spreekt van de arbeid in het algemeen, men niets anders doet dan het samenvatten van de arbeid van A, B, C, enz. onder één woord. De arbeid bestaat evenmin als de arbeider.
En al galmt men het ook honderd keren uit, dat alleen menselijke arbeid waarde voortbrengt, daarmee levert men nog geen zweem van bewijs voor de stelling dat de arbeider van heden, wanneer hij gebruik maakt van het door de arbeider van gisteren[9] vervaardigd hulpmiddel, recht heeft op het gehele met behulp hiervan verkregen product, en dat hij naar recht en billijkheid, aan die arbeider van gisteren voor de dienst, welke deze hem verleent, niets heeft uit te keren. Aangezien nu het kapitaal — zoals gij sociaaldemocraten telkens uitroept — (D. N. 13), kunt gij met uw formule dus evenmin het beweerde onrecht bewijzen van het feit dat de kapitalist[10], de bezitter van het arbeidsmiddel, een gedeelte van de opbrengst van de daarmee verrichte arbeid toevloeit.
t.a.p. blz. 19, 20 en 21.

Wij zouden thans van dit betoog kunnen afstappen, maar willen nog eerst aan Mr. Treub duidelijk maken, waarom wij in onze formules spreken van de Arbeid en de Arbeider.

Wat wij hier te bespreken hebben, Mr. Treub, is volkshuishoudkunde, geen privaathuishoudkunde (bijzondere huishoudkunde van Jan of Piet, van arbeider A, of arbeider B). Het is juist uw fout, dat gij dit zo licht vergeet. De kennis van de enkele mens in zijn leven behoort thuis in andere vakken van wetenschap dan volkshuishoudkunde. Deze heeft zich slechts bezig te houden met de maatschappij in haar geheel, die als zodanig haar eigen wetten heeft, en die wij in haar eigenaardige groei en haar bijzondere ontwikkeling hebben na te gaan. Arbeiders A, B en C mogen slechts in beschouwing komen voor zover zij leden zijn van dat grote lichaam, de samenleving en hun persoonlijke arbeid geldt slechts als evenmatig deel van de totaalarbeid. Wanneer gij dus uw beschuldiging op blz. 22 neerschrijft:

“De fout van zulke frasen komt per slot van rekening telkens op hetzelfde neer. Men doet de arbeider, die de machine bedient, onbewust verdampen in het afgeleidde begrip arbeid. Zeker, de machine ontleent haar bestaan aan mensenhanden, maar niet — en in elk geval nooit alleen — aan de handen van hem die haar bedient of zich van haar bedient.”
t.a.p. blz. 22.

Dan handelt gij weer als straks, gij houdt geen rekening met de tegenwoordige kapitalistische productie.

Op de arbeidsmarkt geldt de arbeid van de machinesmid, die de machine helpt vervaardigen en de arbeid van de machinist, die haar bedient, beide als menselijke arbeid in het algemeen. Voor zover de arbeid van de machinesmid waardevormend is, verschilt ze niet met de arbeid van de machinist. Er kan op de arbeidsmarkt zodra de een of andere arbeid nuttig is, d.w.z. gebruikswaarde voortbrengt, alleen nog maar kwestie zijn van de hoeveelheid, niet van de hoedanigheid van de arbeid, de vorm waarin hij zich voordoet. Niet “men” dus, doch de arbeider, die de machine bedient, verdampt onbewust in het afgeleidde begrip arbeid,” zoals gij meent Mr. Treub, maar de kapitalistische productie behandelt de arbeid van de machinist, die de machine bedient, als menselijke arbeid, zonder meer en handelt eveneens met de arbeid van de machinesmid, de wever enz.

Overigens moest gij zeker verstandig genoeg zijn, Mr. Treub, om in te zien dat een machine toch in geen geval “haar bestaan” “ontleent” aan de arbeid van de kapitaalbezitter (niet-arbeider). Maar, het is weer de tactiek van straks die gij toepast, gij wilt de kapitaalbezitter tot een arbeider maken, niet goedschiks, dan kwaadschiks. En met uw conclusie:

“Hoe men de zaak ook wendt of keert, het productieproces kan niet aantonen dat de bezitter van het productiemiddel geen deel van de opbrengst toekomt.”
t.a.p. blz. 22 en 23.

kunt ge misschien nog instemming vinden bij de heren in uw radicale kiesvereniging, maar — de denkende arbeiders, door de sociaaldemocratische leer wakker geschud, aanvaarden haar niet meer.

Ook volgens ons, het is waar, is Kapitaal niet anders dan “opgehoopte arbeid”, “arbeid van gisteren” maar — en dat had ge niet moeten vergeten Mr. Treub — wij voegen er aan toe, dat het niet de arbeid is van hem of hen, aan wie het opgehoopte behoort.

De kapitalist hoopt in het algemeen arbeid op van anderen.

Dat nu is inderdaad geen groot kunststuk!

V

“Of het privaateigendom van productiemiddelen in het belang van de maatschappij is, daarover kan men verschillend denken, en het antwoord hangt nauw samen met het oordeel dat men zich vormt van het menselijk karakter.”
Treub, t.a.p. blz. 23.

Wij hebben er Mr. Treub reeds op gewezen dat het antwoord op de vraag, “of het privaateigendom van productiemiddelen in het belang der maatschappij” is, of beter gezegd, nog langer noodzakelijk zal zijn — want dat is de zaak — dat het antwoord op deze vraag met het oordeel dat “men” zich vormt over het “menselijk karakter” ten enenmale niets te maken heeft. Welke vorm van bezit van de productiemiddelen, de private of de maatschappelijke vorm, de heersende zal worden, kan enkel afhangen van de trap van ontwikkeling waarop thans de productiewijze staat. Bij de productiewijze van de middeleeuwen moest bv. het bijzonder bezit aan productiemiddelen heersend zijn. In de toekomst zal bij de steeds sneller zich voltrekkende concentratie (samentrekking) van het kapitaal, bij de planmatige bewerking van de aarde naar de uitkomsten der wetenschap, het maatschappelijk bezit van productiemiddelen tot de algemene vorm moeten worden.

Wij hoeven daarom niet terug te komen op de enige bladzijden langgerekte uitwijdingen over het “gemeenschapsgevoel”, “wederkerige toewijding”, “particulier initiatief” en dergelijke dingen meer.

Onvruchtbare beschouwingen van deze soort laten wij liefst over aan de mannen van de Kerk, en aan hun politieke vriendjes bij ons — de Radicalen!

Ik wil evenmin langer stilstaan bij het vroeger reeds genoemde staatssocialisme, socialisme van boven af, het gevaarlijkste stelsel dat ik ken en dat oorzaak zou kunnen worden dat weer het volk in de toekomst, en wie weet hoe lang, onderworpen wordt aan een troepje regeerders, dat aan het volk wordt opgedrongen en op wier benoeming of ontslag de arbeiders geen invloed hebben.

Neen Mr. Treub, wanneer nu toch eenmaal de maatschappij moet veranderen, laat ze dan ineens goed veranderen!

Daarom kan ik volkomen instemmen met de woorden van F. Domela Nieuwenhuis, op blz. 28 van uw werkje aangehaald. Onze partij moet revolutionair blijven, al behoeft, voeg ik er bij, de revolutie die volgt, geen revolutie te wezen van vuur en bloed.

Wij zullen ons dan niet laten afschrikken door beschuldigingen, zoals gij er een neerschrijft aan het adres van revolutionaire socialisten.

“Geen hervorming dus, geen geleidelijke ontwikkeling, geen verbetering op de grondslag van de hedendaagse maatschappij, geen verzachting van het lot der arbeiders. Integendeel, laat de ellende maar hoe langer hoe verder om zich grijpen, laat de toestand van de werklieden maar gerust verergeren; er is toch maar één middel tot genezing, en hoe rotter de boel wordt, hoe eerder de tijd voor de toepassing van dat middel zal komen. Daarom geen verbetering! Wat dweepzucht de gevoeligste mensen toch ongevoelig maken kan. Waarlijk!
Het gruwzaamste van alle gruwzaamheden.
Dat is de mens in dolle waan!”
t.a.p. blz. 28.

Zie, Mr. Treub, bij het lezen van deze woorden wist ik niet wat mij eigenlijk het meest moest tegenstaan, de brutaliteit, waarmee gij beweert dat wij “geen geleidelijke ontwikkeling”, “geen verzachting van het lot der arbeiders” willen — omdat wij verlangen dat de arbeiders zelf die verbeteringen doorvoeren, dan wel de aanmatiging die er in uw woorden doorschemerde, alsof gij heren radicalen misschien de mannen zou zijn van de “geleidelijke ontwikkeling”, de mannen die “verbetering” zullen brengen voor de werklieden.

O, indien de toestanden van het volks verbeterd moeten worden door gehandschoende advocaten, die de arbeiders eenvoudig niet kennen, zeggen we dan gerust:

Arm, arm volk!

Wat het wetenschappelijke gedeelte van de brochure betreft hebben wij slechts één zaak met Mr. Treub nog in het reine te brengen, het is zijn vraag:

“Hoe stelt gij u voor, dat het er in uwe toekomststaat wel zal uitzien?”
t.a.p. blz. 29.

Na deze vraag gesteld te hebben, voegt Mr. Treub er aan toe:

“Deze vraag is u reeds vaak gesteld en bijna even vaak is daarop van uw zijde geantwoord dat het een ijdel fantaseren zou zijn, hierop vooruit te lopen. Dat de reorganisatie van de maatschappij niet zal worden gemaakt, maar zal worden. Voor een belangrijk deel is dit antwoord, al getuigt het niet van evenveel zelfvertrouwen in uw opbouwende als in uw afbrekende kracht — voor een belangrijk deel is dit antwoord te billijken.
Men mag van u niet verlangen dat gij in alle onderdelen zult gaan beschrijven hoe de maatschappij waarin uw beginselen zullen gelden, er zal uitzien. Maar wat men wel van u mag verlangen — en dit erkent gij blijkens uw geschriften zelf — is, dat gij aangeeft welke de beginselen of althans de hoofdbeginselen zullen zijn, welke in die maatschappij zullen gelden. Naar welke maatstaf in het bijzonder het maatschappelijke inkomen zal worden verdeeld. Zal ieder een gelijk deel daarvan bekomen? Zal ieder krijgen volgens zijn behoeften? Zal ieder naar de opbrengst van zijn arbeid worden beloond? Of zal ieders aandeel afhangen van zijn arbeidsinspanning?
t.a.p. blz. 29.

Mr. Treub behandelt hierna, enigszins uitgebreid, verschillende stelsels voor de verdeling van de rijkdom, eerstens dat hetwelk uitgaat van het beginsel: Elk geeft naar zijn krachten en ontvangt naar zijn behoeften (t.a.p. blz. 29, 30 en 31), voorts de “verdeling overeenkomstig de waarde van het arbeidsproduct” (t.a.p. blz. 31), ten slotte de “verdeling ... naar de arbeidsinspanning” , (t.a.p. blz. 32, 33 en 34).

Laten wij de heer Treub niet lastig vallen over de wijze, waarop hij zijn vraag formuleerde en sprak over “uwe toekomststaat”.

Het ligt dan in de eerste plaats voor de hand, dat de beschouwingen, die men leveren kan over de wijze waarop in een socialistisch georganiseerde maatschappij de rijkdom verdeeld moest, of zou behoren te worden — al kunnen ze wellicht waarde hebben als wijsgerige overpeinzingen — voor de maatschappij, zoals ze zich ontwikkelt, van geen nut zijn. Vraagt men zich af: hoe zal de verdeling van de rijkdom in de maatschappij geregeld wezen na haar overgang uit de kapitalistische in de socialistische productiewijze, dan staat het vast dat in de maatschappij van de toekomst, slechts de graad van ontwikkeling waarop het mensdom staat ook in dit opzicht beslissen kan. Of volgens het inzicht van ons sociaaldemocraten of van Mr. Treub de communistische verdeling de voorkeur verdient, dan wel een andere, doet ten slotte niets ter zake. Evenmin rekent de werkelijkheid met de fouten die een bepaald verdelingsstelsel aankleven.

Alle beschouwingen van deze aard kunnen dan ook slechts voor zover wetenschappelijke waarde hebben, als de verdeling van de rijkdom in de naaste toekomst af te leiden is uit de ontwikkelingsgang van de hedendaagse maatschappij. Voor het overige kan men praten over “rechtvaardigheid”, over de “aard van uw behoefte” (Mr. Treub t.a.p. blz. 29 en 30), over de betekenis van het woord “inspanning” (Mr. Treub, t.a.p. blz. 32) enz. enz. Dit alles kan uitmuntend dienst doen als onderwerp ter bespreking in een debatclub, maar is verder waardeloos. De nuchtere man van de wetenschap haalt er de schouders over op. Marx vraagt in zijn bovengenoemde kritiek op het sociaaldemocratisch program:

“Wat is ‘rechtvaardige verdeling’?

Beweren de bourgeois niet, dat de tegenwoordige verdeling ‘rechtvaardig’ is? En ze is inderdaad niet de enige ‘rechtvaardige’ verdeling op de grondslag van de hedendaagse productiewijze? Worden de economische verhoudingen door rechtsbegrippen geregeld of ontspringen niet omgekeerd de rechtsverhoudingen uit de economische? Hebben ook de aanhangers van de socialistische sekten niet de meest verschillende voorstellingen over ‘rechtvaardige’ verdeling?”
Zie Neue Zeit, jrg. 1890-91. Nr. 18 blz. 566.

Met wetenschappelijke juistheid kan men slechts enkele karaktertrekken aangeven die de verdeling van de rijkdom in de socialistisch georganiseerde maatschappij dragen zal. Daar Mr. Treub in het bijzonder het socialisme van Karl Marx heeft aangevallen en — het moet er worden bijgevoegd — daar de nuchtere wetenschappelijke opvatting van zaken ook Marx omtrent dit punt kenmerkt, geef ik nog enkele aanhalingen uit de reeds genoemde kritiek op het partijprogram van de sociaaldemocraten. Luister, Mr. Treub, want gij kunt van die Marx nog veel leren:

“Dat, waarmee wij hier te doen hebben, is een communistische maatschappij, niet zoals zij zich op haar eigen grondslagen ontwikkeld heeft, maar omgekeerd, zoals ze juist uit de kapitalistische maatschappij voortkomt, aan welke alzo in elke betrekking, economisch, zedelijk, geestelijk nog de moedervlekken kleven van de oude maatschappij, uit wier schoot zij komt. Dienovereenkomstig ontvangt de afzonderlijke producent[11] — na de aftrekkingen[12] — nauwkeurig terug wat hij haar geeft. Wat hij haar gegeven heeft, is de hoeveelheid van zijn persoonlijke arbeid. Bv.: De maatschappelijke arbeidsdag bestaat uit de som van de individuele[13] arbeidsuren; het door hem geleverde deel van de maatschappelijke arbeidsdag, zijn aandeel daaraan. Hij ontvangt van de maatschappij een bewijs[14], dat hij zó en zóveel arbeid geleverd heeft (na aftrek van zijn arbeid voor het gemeenschappelijke fonds) en ontvangt met dit bewijs zoveel uit de gemeenschappelijke voorraad van verbruiksmiddelen, als gelijke arbeid kost. Dezelfde hoeveelheid arbeid, die hij de maatschappij in de ene vorm gegeven heeft, ontvangt hij in de andere terug.

Hier heerst blijkbaar hetzelfde beginsel, dat de ruil der waren regelt, voor zover het een ruil van gelijkwaardige dingen is. Inhoud en vorm zijn veranderd, omdat onder de veranderde omstandigheden niemand iets geven kan, behalve zijn arbeid, en omdat aan de andere kant niets in eigendom der afzonderlijke personen kan overgaan, behalve individuele verbruiksmiddelen. Wat echter de verdeling der laatsten onder de afzonderlijke producenten betreft, heerst hetzelfde beginsel als bij de ruil van waren equivalenten[15], er wordt evenveel arbeid in de ene vorm tegen evenveel arbeid in een andere vorm geruild.

Het gelijke recht is hier dus in beginsel nog — het burgerlijke recht, ofschoon beginsel en praktijk elkaar niet meer in de haren zitten, terwijl de ruil van equivalenten bij de warenruil slechts in doorsnee, niet voor een bijzonder geval bestaat.

Trots deze vooruitgang is dit gelijke recht steeds nog binnen burgerlijke boeien gesloten. Het recht van de producenten is evenredig aan de door hen geleverde arbeid, de gelijkheid bestaat daarin, dat met een gelijke maatstaf, de arbeid, gemeten wordt.

De ene staat echter lichamelijk of geestelijk boven de andere, levert dus in dezelfde tijd meer arbeid of kan gedurende langere tijd arbeiden; en de arbeid moet, zal hij als maatstaf kunnen dienen, naar de omvang of de intensiviteit[16] bepaald worden, anders zou hij ophouden een maatstaf te zijn. Dit gelijke recht is ongelijk recht voor ongelijke arbeid. Het erkent geen onderscheid van klassen, wijl de een slechts arbeider is evenals de andere; maar het erkent stilzwijgend de ongelijke individuele begaafdheid en daarmee de ongelijke geschiktheid om arbeid te leveren als natuurlijke voorrechten. Het is daarom overeenkomstig zijn inhoud een recht der ongelijkheid, evenals alle recht. Het recht kan van nature slechts bestaan in het gebruik van een gelijke maatstaf; maar de ongelijke individuen (en zij zouden geen verschillende individuen zijn, als zij geen ongelijke waren) zijn slechts in zover met een gelijke maatstaf te meten, als men hen onder een gelijk gezichtspunt brengt, hen slechts van een bepaalde zijde opvat, bv. in het gegeven geval hen slechts als arbeiders beschouwt; en verder niets in hen ziet, van al het andere de blikken afwendt. Verder. De ene arbeider is gehuwd, de andere niet; de ene heeft meer kinderen dan de andere enz. enz. Bij gelijke hoeveelheid geleverde arbeid en daarmede gelijk aandeel in het maatschappelijke verbruiksfonds ontvangt dus de een feitelijk meer dan de andere, is de een rijker dan de andere, enz. Om al deze verkeerdheden te vermijden, behoorde het recht, in plaats van gelijk, ongelijk te zijn.

Maar deze verkeerdheden zijn niet te vermijden in de eerste fase van de communistische maatschappij, zoals zij uit de kapitalistische maatschappij na langdurige barensweeën voortgekomen is. Het recht kan nooit hoger staan dan de economische gestalte en de daarvan afhankelijke ontwikkeling der beschaving in de maatschappij.

In een hogere fase van de communistische maatschappij, nadat de slaafse ondergeschiktheid van de individuen onder de deling van de arbeid en daarmee ook de tegenstelling van geestelijke en lichamelijke arbeid verdwenen is; nadat de arbeid niet slechts een middel om te leven, maar zelf de eerste levensbehoefte geworden is; nadat met de alzijdige ontwikkeling der individuen ook de productiekrachten gewassen zijn en alle bronnen van de gemeenschappelijke rijkdom overvloedig vloeien — eerst dan kan de enge burgerlijke rechtshorizon geheel overschreden worden en de maatschappij op haar vaandel schrijven: “Door ieder naar zijn bekwaamheden, aan ieder naar zijn behoeften!”

“De verdeling van de verbruiksmiddelen in elk bijzonder geval is slechts een gevolg van de verdeling der productie vereisten zelf. De laatste verdeling echter is een karakter van de productiewijze zelf. De kapitalistische productiewijze bv. berust daarop, dat de zakelijke productievereisten aan niet-arbeiders zijn gegeven in de vorm van kapitaaleigendom en grondeigendom, terwijl de massa slechts bezitster is van de persoonlijke productievereisten, van de arbeidskracht. Zijn de elementen der productie op die wijze verdeeld, dan volgt daaruit vanzelf de tegenwoordige verdeling van de verbruiksmiddelen. Zijn de zakelijke productievereisten gemeenschappelijk eigendom van de arbeiders zelf, dan volgt evenzeer een verdeling van de verbruiksmiddelen, van de tegenwoordige afwijkend.”
Die Neue Zeit, t.a.p. blz. 566, 567 en 568.

De beschouwingen van Mr. Treub over de verdeling van de rijkdom kunnen voor de sociaaldemocraten in zover nuttig geweest zijn, dat ze wellicht ook aan sommigen van hun zullen hebben geleerd, niet te veel waarde te hechten aan bespiegelingen, uitgaande van het denkbeeld, wat op aarde wel het allerbeste, het allerschoonste, het allerrechtvaardigste mag zijn.

Hiermee wordt niet bedoeld dat de wijze waarop Mr. Treub de genoemde stelsels van verdeling heeft besproken, bijzondere verdienste bezit.

Deze besprekingen in onderdelen na te gaan, zou een tamelijk nutteloos werk zijn. Slechts een enkel iets wil ik ter sprake brengen.

Er kan uit blijken, hoop ik, dat daar waar Mr. Treub zelf aan het filosoferen gaat, hij een erbarmelijk figuur maakt.

Mr. Treub dan bespreekt de “verdeling ... naar de arbeidsinspanning.”

“Doch, indien er één maatstaf van verdeling is, die de productie in minder dan geen tijd tot niets zou terugbrengen, dan is het zeker wel deze. Hoe? Degene die met een zekere mate van inspanning voor de gemeenschap tienmaal nuttiger werk levert dan een ander, die zich een gelijke inspanning getroost, zal niettemin voor zijn arbeid niets meer ontvangen. Maar is het dan voor de gemeenschap onverschillig, wie zich het meeste inspant, de bekwame of de onbekwame, is het voor de maatschappij hetzelfde, of een grote dan wel een zwakke kracht ongebruikt blijft? Of zullen we in de socialistische maatschappij allemaal engelen worden, en zal het niet dodend werken op mijn energie, wanneer ik zie dat een ander, die niet half zo goed of niet half zoveel werk levert als ik, toch even goed beloond wordt? Zal het door velen niet eerder als een vloek dan als een zegen worden beschouwd om begaafder te zijn dan een ander.”
t.a.p. blz. 33.

Het is zeker moeilijk zich een opvatting omtrent “energie”, “beloning” enz. uit te denken die meer bekrompen en kleinburgerlijk is dan deze.

Inderdaad, zolang het aantal mensen velen blijft bij wie, gelijk bij Mr. Treub, er zo gemakkelijk “dodend” gewerkt wordt op hun energie — zolang de mensen het geen recht noemen dat ze bij meerarbeid slechts evenveel ontvangen als een ander, die zich gelijkermate inspande — zolang zullen we met Marx moeten instemmen dat zeker de tijd nog ver ligt, waarin ieder zal kunnen gebruiken naar zijn behoeften, omdat hij gaf naar zijn krachten.

Jammer is het slechts, dat lieden, toegerust met een dergelijke persoonlijke opvatting van hun plicht als mensen en burger, zich toch nog goed genoeg zouden rekenen om het lot van de arbeiders te “verbeteren”.

Maar bovendien geldt Mr. Treubs filosofie slechts voor een zeker soort van “begaafden”. Van de hoogst begaafden, van lieden als Pasteur, Edison, enz. zou de maatschappij waarschijnlijk zoveel last niet hebben, al ontvingen ze ook niet meer verbruiksartikelen, klederen, meubelen, enz., dan een ander. De lieden die zich het meest zouden aanmatigen om hun “energie” zouden waarschijnlijk zijn de halfgebakken geleerden, de zogenaamde mislukte genieën.

Wie weet, of zelfs deze zich niet beteren zouden te midden van een meer gezonde omgeving, in een maatschappij waarin lichaams- en geestesarbeid bij de mens samengaan.

En dan Mr. Treub, wat is beloning? Op uw energie werkt het, vreest ge, dodend, wanneer ge ziet, dat een ander, die niet half zo goed, of half zoveel werk levert als gij, toch even goed beloond wordt. Bestaat de beloning dan enkel in stoffelijke rijkdom, in verbruiksartikelen? Is de roem, die Edison, Pasteur, Dr. Koch, enz. oogsten ook geen beloning? Is de “derdehands-dagbladredacteur” niet bekend tot buiten zijn woonplaats? Kan zinsgenot, de omstandigheid, dat de meer begaafde man de opmerkzaamheid van vrouwen tot zich trekt, de meer begaafde vrouw die van de mannen, geen vergoeding zijn voor meerdere arbeid? Wat beloning of vergoeding is voor de een, dat is geen beloning of vergoeding voor de ander, en gij behoeft waarlijk niet, Mr. Treub, de partij van de meest begaafden op te nemen, want zij zijn niet degenen die zich het meest te beklagen hebben en zij zullen het ook nimmer worden.

Laten wij echter niet te lang stilstaan bij dergelijke wijsgerige bespiegelingen, want ze betreffen zaken waarop geen invloed wordt uitgeoefend door de spitsvondige redeneringen van de ene of andere mens.

Wanneer Mr. Treub ons zegt:

“Een bruikbare maatstaf voor de verdeling van de arbeidsopbrengst in de socialistische staat — deze conclusie is onvermijdelijk — heeft nog geen enkele sociaaldemocraat aan de hand gedaan. ”
t.a.p. blz. 34.

Geven wij Mr. Treub dan ten antwoord, dat de maatschappij zorgt voor haar eigen maatstaf bij de verdeling van de arbeidsopbrengst, en zich deze niet “aan de hand” laat doen.

“Doch niet alleen hetgeen gij ons omtrent de verdeling van het maatschappelijk inkomen in uw toekomststaat[17] mededeelt, is tegen geen kritiek bestand, ook de wijze waarop in de collectivistische maatschappij het geld zal worden vervangen, is maar al te duister. Toch betreft ook dit geen ondergeschikt punt; de vervanginig van het geld door arbeidscertificaten — naar welke maatstaf deze dan ook onder de gezamenlijke arbeiders zullen worden verdeeld — is een der hoofdbeginselen, ik zou haast zeggen — één van de geloofsartikelen, van uw leer.”

(Zie zo, dat is dan toch wel het sterkste dat we tot nu toe gelezen hebben).

“Zonder het geld zou, volgens de grondvester van uw school het kapitalisme niet zijn ontstaan.”

(Wat betekent deze zin? Marx overigens, indien hij ten minste is bedoeld, leert juist dat de kapitalistische regeling van de maatschappij de enig mogelijke was en ontstaan moest bij de trap van ontwikkeling, waarop thans nog de productie staat).

“en het is dus consequent, dat in de staat van de toekomst deze kapitalistische woekerplant niet zal worden verbouwd.

De rol van het geld zal, voor zover er in de socialistische maatschappij aan een algemeen ruilmiddel nog behoefte zal zijn, door het arbeidscertificaat worden vervuld. Van het gezamenlijk arbeidsproduct zal eerst worden afgenomen hetgeen de gemeenschap voor haar behoeften nodig heeft. Wanneer men bedenkt hoe uitgebreid de werkkring van de staat in de socialistische maatschappij zal zijn, welk een groot aantal ambtenaren de staat in zijn dienst zal hebben en uit het gezamenlijk product zal moeten belonen, wanneer men nagaat dat de staat van het gezamenlijk arbeidsproduct niet alleen zoveel zal moeten afhouden als nodig is tot herstel van het bij de productie teloor gegaan of afgesleten kapitaal, maar bovendien nog een gedeelte zal hebben terug te houden ter omzetting in nieuw kapitaal, een omzetting die allernoodzakelijkst is, zal de productie met de consumptie gelijke tred kunnen houden — wanneer men dit alles in het oog houdt, dan is het duidelijk dat het deel hetwelk de staat voor zich zal hebben af te zonderen, niet gering zal zijn. Men zal dus ook in de socialistische maatschappij nog al tamelijk ver verwijderd blijven van de ideaaltoestand, waarin de arbeiders het volle product van hun arbeid zou ten deel vallen.

Dat gedeelte van de collectieve opbrengst, dat de staat niet voor zich terughoudt, zal onder de arbeiders worden verdeeld, en hun zullen daarvoor arbeidsbons worden uitgereikt, in die voege dat de in arbeidsbons uitgedrukte waarde van het door de staatsburgers te verbruiken product gelijk zal staan met het aantal onder hen verdeelde bons.
t.a.p. blz. 34 en 35.

Er volgen thans bij Mr. Treub nog een paar bladzijden over “arbeidsbons”, “arbeidsdwang” enz.

Is het mogelijk op al zulke uiteenzettingen te antwoorden?

Hoe kan men wetenschappelijk tot in bijzonderheden vaststellen op welke wijze de verbruiksartikelen in de toekomst in handen van de consumenten (verbruikers) zullen geraken?

Wat is de toekomst? Zal de regeling die geldt voor de maatschappij van 1950, ook ten grondslag liggen aan die van het jaar 2000 of 2100?

Kan men meer aangeven dan het algemene karakter, dat de verdeling van de rijkdom in de naaste toekomst dragen zal, voor zover het kan afgeleid worden uit het karakter dat in onze burgerlijke maatschappij de verdeling van de rijkdom draagt?

Over het aantal ambtenaren der toekomst en dergelijke vraagstukken kan men twisten tot in het oneindige.

Thans worden geneesheren, onderwijzers, per kwartaal bezoldigd met 100, 200-1000 enz. gulden Ze kunnen zeker evengoed betaald worden met een bewijs dat zij aanspraak hebben op een hoeveelheid verbruiksartikelen, enz. uit de staatsmagazijnen, die dezelfde waarde vertegenwoordigen als het goud of zilver dat zij anders zouden ontvangen.

Wat mogelijk is voor geneesheren, onderwijzers enz. zou dat niet mogelijk wezen voor machinesmeden en dokwerkers?

Echter laat de maatschappij zich niet de kaart leggen en al kan men het algemene karakter weergeven van het verdelingssysteem van de naaste toekomst, men kan niet op al de spitsvondige nietigheden antwoorden die Mr. Treub en anderen ons reeds gevraagd hebben en nog kunnen vragen.

De betekenis van Marx is hierin gelegen dat zijn stelselmatige en wetenschappelijke ontleding van de kapitalistische productie haar noodzakelijke overgang tot de socialistische productie heeft aangetoond en bewezen. Door zijn arbeid heeft Marx juist het socialisme uit de sfeer van de onvruchtbare utopieën, van de hersenschimmen geleid en vaste voet doen vatten op de bodem van de nuchtere wetenschap.

Mr. Treub heeft bij zijn opmerkingen omtrent de arbeidsbons, het hedendaagse socialisme verward met de leer van de utopisten, die nieuwe toestanden op aarde uitdachten en zich uitsloofden om de wereld naar nieuwe formulieren in te richten.

VI

Het laatste punt, waarbij Mr. Treub stilstaat, is de wijze van optreden van de sociaaldemocraten.

... “uw wijze van optreden, waardoor gij — men zou haast zeggen, willens en wetens — ieder van u vervreemdt, die niet door dik en dun met meegaat.”
t.a.p. blz. 38.

Hieromtrent is bij het gevoerde debat reeds menig hartig woordje tot Mr. Treub gericht; de keerzijde van de medaille werd vertoond — de brutale handelwijze van de regerende klasse tegenover de arbeiders.

Slechts enkele opmerkingen nog:

Ik ben van oordeel dat de wijze van optreden van een staatkundige partij een afspiegeling is van die partij zelf, dat de wijze waarop de werklieden spreken en schrijven, niet anders kan zijn dan ze is, en beantwoordt aan de geaardheid van de partij in een bepaald tijdperk van haar ontwikkeling.

Komt het thans de regerende klassen voor, dat de arbeiders te ruw, te ongemanierd, veelal onbillijk zijn in hun optreden, laten ze dan begrijpen dat ze oogsten wat ze gezaaid hebben, dat ze zich de ontwikkeling van de arbeidende klasse, door welke ze gevoerd werden, nooit bijzonder hebben aangetrokken en dat de natuur straft aan het lid, waarmede men misdreven heeft.

Wanneer gij, heren beschaafden, gij lieden van de fijne toon, de arbeiders nog dieper had getrapt, wanneer gij de geestelijke ontwikkeling van het arbeidende volk nog meer schromelijk had verwaarloosd dan thans, dan zou je wellicht in de toekomst moeten afrekenen met een geheel verdierlijkte massa, met wilden.

Ik zou de meer ontwikkelden hebben toegejuicht, die zelfs tot zulk een volk afdaalden, die mee dier werden en hun invloed gebruikten om de laag gezonken wezens aan te voeren tegen uw mensonterende beschaving.

Gij lieden der ontwikkeling en van de fijne toon, gij hebt het recht niet een woord van verwijt over uw lippen te doen gaan over het ruwe optreden van de arbeiderspartij:

“Volk van Kaïn, wat hebt gij gedaan met uw broeders?”

Maar Mr. Treub is listig, hij richt zich niet tot de arbeiders zelf — en waarlijk hij heeft er alle reden toe — hij kiest de “leiders”, zoals hij ze noemt, van de sociaaldemocraten tot mikpunt.

Aan deze verwijt hij dat zij tegen beter weten in speculeren op de hartstochten van het volk, en uit partijbelang hun overtuiging verzaken.

Leiders, Mr. Treub, kennen wij niet. Wanneer gij met de “leiders” de meest ontwikkelden onder de sociaaldemocraten bedoelt, naar wier oordeel de anderen luisteren, omdat ze hen vertrouwen,

dan kan ook hun optreden in het algemeen niet anders zijn, dan het is.

De kloof tussen de meest begaafden en de diepst gezonkenen onder het menselijke geslacht, gaapte wellicht nooit zo wijd als thans. Echter moeten de hoogst ontwikkelden broederlijk de hand reiken aan allen die verbetering willen en zich naast de minst bedeelden makker scharen. Zij moeten ook hem leren verstaan en omgekeerd zorgen door hem verstaan te worden. Zij zullen tot op zekere hoogte de taal, de gebruiken, de “hartstochten” van de meerderheid overnemen, maar omgekeerd zal met de zekerheid van een natuurwet, de begaafdheid van de meer ontwikkelde invloed uitoefenen op het denken, gevoelen en handelen, op geheel het wezen van de geestelijk minder bedeelde.

Als twee vloeistoffen, die zich met elkaar kunnen verbinden, verenigd worden, Mr. Treub, dan krijgt gij een mengsel dat nooit zuiver de natuur kan vertonen van slechts één der bestanddelen die gij hebt samengevoegd.

Juist omdat wij geen leiders willen en mogen aanvaarden, geen wezens van zogenaamd hoger natuur, als regeerders boven de massa gezeten, daarom zullen wij moeten blijven vormen een massa uit verschillende elementen samengesteld, de één meer begaafd naar hart en geest, dan de andere, maar allen te samen verbonden en één van ziel in de strijd tegen de onderdrukking, het knechtschap op aarde.

Eerst na vele jaren zullen de verschillende naturen der mensen, de ene op de andere dermate hebben kunnen inwerken dat zoveel verschil in gaven als thans in de burgerlijke maatschappij in het algemeen heerst, niet meer bestaan zal onder mensen van een zelfde volk.

De aanhalingen van Mr. Treub uit het partijorgaan Recht voor Allen, wil ik niet bespreken. Met het oordeel omtrent sommigen ben ik het eens, met dat omtrent andere niet.

Maar — en dit maakt de zaak tienmaal erger — dat de maatschappelijke noden het werk zijn van de bezittende klassen, dat meent gij — leiders van de sociaaldemocraten — niet.
Treub, t.a.p. blz. 44.

Ook hier weer, Mr. Treub, vervalt gij in uw geloof aan “leiders”. De meest ontwikkelden onder de sociaaldemocraten zien inderdaad reeds in, of gaan langzamerhand inzien dat de kapitalistische productie en verdeling van de rijkdom in een bepaald tijdperk van de geschiedenis noodzakelijk is geweest.

Hun inzicht zal door verloop van tijd gedeeld worden door de massa van de partijgenoten, maar hun oordeel kan niet bindend wezen voor de partij, die geen leiders erkent. Vergeten wij echter tevens niet, dat er veel verwaarloosd is in de bestaande samenleving, wat niet verwaarloosd behoefde te worden.

Wanneer nu aan de ene kant de arbeidersbeweging in de toekomst meer nog een koel wetenschappelijk karakter zal aannemen, wanneer de partijgenoten woorden als: “schurken”, “dievenbende” enz. meer op de rechte waarde zullen gaan schatten; toch zal aan de andere kant de frisse geest, die onder de massa der handarbeiders schuilt, er de partij voor bewaren dat ze haar revolutionair standpunt verlaat. De sociaaldemocratische partij mag en zal niet gaan koketteren met de burgerpartijen, zoals gij, Mr. Treub, schijnt te willen.

De arbeiderspartij behoeft dit niet te doen. Wanneer de werklieden met de tegenwoordige energie en opoffering blijven verder werken, dan behoort aan hen de wereld, trots alles!

Wat het samengaan met de radicale partij betreft, wij veronderstellen dat binnen weinige jaren deze politieke uitwas te Amsterdam voor haar vergaderingen wel genoeg zal hebben aan een hoenderhok met toebehoren.

In ernstige tijden is aan politieke partijen van zulk een tweeslachtige natuur als de radicale geen lang leven beschoren.

Gij zegt, Mr. Treub, aan het slot van uw brochure:

Is het u ernst verbetering te brengen in de toestand van de arbeidende klasse — en dat dit zo is, mag men niet betwijfelen — leidt dan uw beweging langs ordelijke banen en gij zult, niettegenstaande het grote principiële verschil tussen u en ons, de radicalen en allen die het wel menen met het volk bereid vinden om telkens, zonder achterdocht, zo krachtig mogelijk met u te strijden tot verwezenlijking van al datgene wat zowel aan ons als aan u een eis des tijds toescheen.”

Dan, maar ook eerst dan!
t.a.p. blz. 48.

Dat zijn woorden, Mr. Treub, en niets meer dan woorden. Van een strijd zonder achterdocht en zo krachtig mogelijk gevoerd, kan bij de tegenwoordige stand van zaken geen sprake zijn en wij geloven niet dat de toestand in dit opzicht veranderen zal. In hoofdzaak zal de strijd, die de arbeiders te voeren hebben, een klassenstrijd zijn, die zij zelf zullen moeten uitvechten en waarbij het slechts zelden in hun belang kan wezen dat ze zich met één der burgerpartijen verbinden.

Wanneer gij heren u aan de verbetering van de toestand van de arbeidende klasse wilt zetten, daalt dan tot de arbeiders af, mengt u in hun vergaderingen, staat hen bij met woord en daad, stelt u beschikbaar voor hun cursusvergaderingen, om door uw meerdere kennis hun gezichtskring te verruimen; helpt met uw geld geschikte vergaderlokalen, bibliotheken enz. tot stand brengen, waar de arbeiders er naar vragen.
Zie, dan zult gij hen tevens op hun fouten kunnen wijzen en gij zult gelegenheid vinden hen door uw beter voorgaan tot lering te strekken, al zult gij omgekeerd moeten erkennen dat er in de boezem van de arbeidende bevolking, ook voor u, veel te leren is.
Als gij zó handelen wilt, dan zult gij aan de verbetering van het lot der arbeiders op de krachtdadigste wijze kunnen medewerken.
Dan, maar ook eerst dan
!


_______________
[1] Leer, dat men handelen moet al naar gelang de omstandigheden het vereisen.
[2] Benjamin Franklin, 1706-1790. Adam Smith, 1723-1790. David Ricardo, 1772-1823.
[3] Een algemene en krachtdadige vooruitgang.
[4] Het tegenwoordige programma van de Duitse sociaaldemocraten, dat ook aan het programma van de partij in Nederland ten grondslag ligt, kwam tot stand in 1875 op het verenigingscongres te Gotha. Het is te beschouwen als een verdrag tussen de aanhangers van Lassalle en de Duitse tak van de internationale werkmansbond (partij Marx-Engels). De theorieën van Lassalle drijven in het program op menig punt boven. Het ontwerp voor het program werd kort vóór het congres gezonden naar Marx, die er een scherpe kritiek op leverde en deze verzond aan Bracke, en voorts ter inzage aan Geib, Auer, Bebel en Liebknecht. Dezer dagen is het door Friedrich Engels uit de nalatenschap van Marx uitgegeven. Er bestond tegen het publiek maken geen bezwaar meer, daar de invloed van zuivere aanhangers van Lassalle thans na 15 jaar de invloed van niets meer te vrezen is. Tevens mocht het publiek maken gewenst heten, met het oog op de aanstaande samenstelling van het nieuwe partijprogramma in Duitsland.
[5] De eerste druk van het eerste deel verscheen in 1867.
[6] Deze arbeider dagtekent uit vroegere eeuwen, toen elke arbeider zijn eigen schopje had. De tegenwoordige maatschappij berust op loonarbeid, Mr. Treub!
[7] Neen, Mr. Treub. In de tegenwoordige maatschappij zegt niet arbeider B tot arbeider A: Ik heb recht op uw arbeidsproduct, maar kapitalist (niet-arbeider) C, — die wij natuurlijk hier niet beschouwen als privaatpersoon, maar als vertegenwoordiger van zijn klasse — heeft èn arbeider A èn arbeider B aan zich onderworpen en maakt aanspraak op een deel van hun beider arbeid. Dàt is onze stelling. Gij kent niet alleen de sociaaldemocratische leer slecht, Mr. Trenb, maar gij houdt ook geen rekening met de bestaande samenleving. Gij voert twee arbeiders op uit een maatschappij, waarin de productie nog op lager trap staat, dan in die der middeleeuwen, en waarin een arbeider alvorens hij het land kan bebouwen, eerst zijn eigen spade moet vervaardigen. Daarna spreekt gij recht in een denkbeeldig geschil.
[8] Ja, zeggen de sociaaldemocraten, want de arbeidersklasse in haar geheel beschouwd, vervaardigt en gebruikt de arbeidsmiddelen.
[9] Pas op, lezer!
[10] Hier begint de goocheltoer; de “arbeider van gisteren” wordt stilzwijgend vervangen door de “niet-arbeider”, de kapitalist van heden. De twistende arbeiders A en B uit de goede oude tijd, of liever uit de boekjes van mannen als Mr. Treub zijn verdwenen. Waarschijnlijk hebben de stakkers alleen moeten dienen om de lezer de kluts te doen kwijtraken.
[11] Voortbrenger.
[12] Voor inrichtingen van algemeen nut, enz.
[13] Van ieder arbeider afzonderlijk.
[14] Door dit als voorbeeld te stellen verklaart Marx nog niet, dat er in de toekomst stellig arbeidscertificaten zullen worden uitgereikt.
[15] Waren die gelijke waarde vertegenwoordigen.
[16] Innerlijke kracht.
[17] Het is bij de oppervlakkige denker Treub weer “uw toekomststaat” met “uwe maatstaf”, door u “aan de hand gedaan”. O, die man van praatjes!