“Praktisch Verstand” of Moraal

Het wijze, verstandige

De begrepen methode van het weten, het begrip van de geest is bestemd de problemen van de godsdienst en de filosofie op te lossen. De grote of algemene onverklaarbaarheden grondig te verklaren en daarmee het onderzoek aan zijn beroep, aan de kennis der empirische detailverhoudingen geheel en onverdeeld terug te geven. Wanneer wij als wet van het verstand begrijpen dat het om te werken zinnelijk materiaal vooronderstelt, een oorzaak nodig heeft. Dan wordt hiermee de vraag naar de eerste of algemene oorzaak overbodig.

Het menselijke verstand wordt dan als eerste en laatste, als eindelijke oorzaak van alle bijzondere oorzaken erkend. Wanneer wij als wet begrijpen dat het verstand tot zijn werkzaamheid noodzakelijk iets gegevens, een begin nodig heeft, dan moet de vraag naar het eerste begin geesteloos worden. Wanneer wij begrijpen dat het verstand abstracte eenheden uit concrete menigvuldigheden ontwikkelt, dat het de waarheid uit verschijnselen, de substantie uit accidenten samenstelt, alles slechts als deel van een geheel, als individu van een soort, als eigenschap van een zaak, gewaar wordt, dan moet wel de vraag naar het “ding op zich zelf”, naar iets reëel, dat zelfstandig aan de verschijningen ten gronde ligt, een onverkwikkelijke vraag worden. Kortom, het begrip van de onzelfstandigheid van het verstand doet ons de begeerte naar zelfstandige kennis als onverstandig kennen.

Wanneer nu ook naar de hoofdaangelegenheden der metafysica, de oorzaak van alle oorzaken, de aanvang van alle aanvangen, het wezen der dingen, onze tegenwoordige wetenschap weinig vraagt, al zijn nu ook de behoeften van de tegenwoordige tijd over de speculatie machtig geworden, dan is toch deze praktische beslechting niet toereikend tot de oplossing van haar consequenties. Zolang het niet als een theoretische wet begrepen wordt, dat het verstand in iedere praktijk een zinnelijk gegeven object nodig heeft, zal men het objectloze denken, deze slechte gewoonte van de speculatieve filosofie, die kennis zonder paring met een zinnelijk object voortbrengen wil, nooit kunnen laten.

Onze natuuronderzoekers tonen ons dat zeer duidelijk, zodra zij van hun tastbare tot abstracte voorwerpen komen. De strijd in de vragen der levenswijsheid, der zedelijkheid, de strijd over het wijze, goede, rechte, slechte, toont dat men hier aan de grens der wetenschappelijke eenparigheid aangekomen is. De meest exacte navorsers verlaten in het sociale leven dagelijks hun inductieve methode en verdwalen in de filosofische speculatie.

Evenals in de fysica aan onzinnelijke fysische waarheden, aan “dingen op zich zelf”, zo gelooft men hier aan het verstandige, wijze, rechte, slechte “op zich zelf”, aan absolute levensverhoudingen, d.w.z. aan onbedwongen voorwaarden. Hier geldt het verkregen resultaat, de kritiek van het reine verstand aan te wenden.

Doordat wij het bewustzijn, het zijn van het weten, de geestelijke werkzaamheid (volgens haar algemene vorm) als ontwikkeling van het algemene uit het bijzondere erkend hebben, is de omschrijving, wanneer wij zeggen: het verstand ontwikkelt zijn kennis uit tegenstellingen. Onder gegeven verschijnselen van verschillenden omvang en verschillenden duur, het zijn aan de schijn en de schijn aan het zijn te kennen; onder behoeften van verschillende noodwendigheid, het wezenlijke, noodwendige door iets minder noodzakelijk, en omgekeerd het onwezenlijke door middel van het noodwendige te onderscheiden. Te midden van verschillende grootheden het grote aan het kleine en het kleine aan het grote, kortom, de tegenstellingen der wereld aan elkaar te nieten, door uiteenzetting te verenigen, is het wezen van de geest. Het spraakgebruik noemt instinctmatig kennen ook meten. Voor meten heeft men een gegeven maatstaf nodig. Evenmin als wij objecten kunnen kennen die “op zich zelf” groot of klein, hard of zacht, helder of troebel zijn, even zo waar als deze predikaten verhoudingen betekenen, even nodig als zij een maatstaf vooronderstellen op grond waarvan de bepaling plaats heeft, even nodig is voor het verstand een maatstaf tot opsporing van het verstandige.

Wanneer wij daden, inrichtingen, begrippen, beginselen van andere tijden, volken of personen onverstandig vinden, komt dat eenvoudig voort uit het aanleggen van een verkeerde maatstaf, omdat men van de vooronderstellingen, van de verhoudingen afziet, op grond waarvan de vreemde verstandigheid van het eigene verschilt. Daar waar de mensen in hun geestelijk meten, daar waar zij in hun kennis uit elkaar gaan, verhouden zij zich tot elkaar als de thermometers van Reaumur en Celsius, waarvan de ene het kookpunt met 80 aanduidt, terwijl de andere het 100 noemt. Een verschillende maatstaf is de oorzaak van een verschillend resultaat. Op zogenaamd moreel gebied ontbreekt die wetenschappelijke eenparigheid, waarin wij ons in fysieke zaken verheugen, omdat ons daar de eenparige maatstaf ontbreekt waarover de natuurwetenschap het al lang eens geworden is. Het verstandige, goede, rechte enz. wil men zonder ervaring, zonder hulp van de empirie, speculatief erkennen. De speculatie wil de oorzaak aller oorzaken, de mateloze oorzaak, de waarheid “op zich zelf,” de waarheid zonder vooronderstelling, de mateloze waarheid, het mateloos goede, mateloos verstandige enz. Mateloosheid is het principe van de speculatie, onbeperkt uiteengaan, d.w.z. onenigheid is haar praktijk. Wanneer de aanhangers van de een of anderen positieve godsdienst ten opzichte van hun moraal eensgezind zijn, dan hebben zij het aan de positieve maatstaf te danken die de dogma’s, leringen en geboden, hun verstand aan de hand geven.

Wanneer wij anderzijds met het reine verstand willen kennen, zal de afhankelijkheid daarvan van de een of anderen maatstaf door onreine, d.w.z. individuele kennis blijken.

Maat der waarheid of der wetenschap in het algemeen is de zinnelijkheid. De maat der fysieke waarheden zijn de verschijnselen van de buitenwereld, maat der morele waarheid is de mens, rijk aan behoeften.

De manier van handelen van de mens wordt hem door zijn behoeften gegeven. Dorst leert drinken, nood leert bidden. De behoefte leeft in het zuiden zuidelijk, in het noorden noordelijk, beheerst tijd en ruimte, volken en individuen. Gebiedt de wilde het jagen, en de gourmand het slempen. De menselijke behoefte geeft aan het verstand de maat tot het meten van het goede, rechte, slechte, verstandige enz. Wat met onze behoefte overeenkomt, is goed, het tegenstrijdige slecht. Het lichamelijke gevoel van de mens is het object van de moraalbepaling, het object van het “praktische verstand”. Op de tegenstrijdige verscheidenheid der menselijke behoeften wordt de tegenstrijdige verscheidenheid van de morele bepalingen gegrond. Omdat de feodale gildenbroeder in de beperkte, en de moderne industrieridder in de vrije concurrentie prospereert, omdat de belangen tegenstrijdig zijn, zijn de beschouwingen tegenstrijdig. En de een vindt met recht dezelfde instelling verstandig, die voor de ander onverstandig is. Wanneer het verstand van een persoon tracht rein uit zichzelf het absoluut verstandige te bepalen, kan hij niet anders dan zijn persoon tot de maat der algemene mensheid maken. Wanneer men de rede het vermogen toekent, in zich zelf de bron der morele waarheid te bezitten, vervalt men in de speculatieve dwaling, zonder zinnelijkheid, zonder object kennis te willen produceren. Uit dezelfde dwaling komt de beschouwing voort die de rede boven de mens stelt als autoriteit. Die verlangt dat de mens zich onderwerpt aan de eisen der rede. Zij maakt de mens tot een attribuut der rede, terwijl inderdaad de rede omgekeerd attribuut van de mens is.

De vraag of de mens van het verstand, of het verstand van de mens afhangt, staat gelijk met de vraag, of de burger er voor de staat of de staat er voor de burger is. In laatste instantie heeft de burger het primaatschap, wijzigt zich de staat naar behoefte van de burger. Zijn echter eenmaal de hoogste dominerende belangen tot statelijke autoriteit geraakt, dan zeker wordt daarna de burger van de staat afhankelijk. Met andere woorden betekent dit: de mens laat zich in bijzaken door de hoofdzaak beheersen. Hij brengt aan het grote, gehele, algemene het minder betekenende, kleine, particuliere ten offer. Hij onderschikt aan de wezenlijke noodzakelijke behoefte de weelderige lust. Het is niet het verstand in het algemeen, maar het verstand van een gebrekkig lichaam of van een beperkte beurs, dat de genoegens der uitspatting leert ontberen ten gunste van het algemene heil. Zinnelijke behoeften zijn het materiaal waaruit het verstand morele waarheden maakt. Onder zinnelijk gegeven behoeften van verschillende drang of van verschillende omvang het wezenlijke, ware van het individuele te scheiden, ontwikkeling; van het algemene is de taak van het verstand. Het onderscheid tussen het schijnbaar en waarachtig verstandige reduceert zich tot het onderscheid tussen het bijzondere en het algemene.

Wij herinneren ons, dat het verstand, om te bestaan, om te werken, om in het algemeen te kunnen kennen, zinnelijkheid vooronderstelt, een gegeven voorwerp nodig heeft, dat gekend wordt. Zijn is voorwaarde of vooronderstelling van de kennis in het algemeen. Evenals de taak der natuurkunde de kennis van het ware, is de taak der wijsheid de kennis van het verstandige zijn. In het algemeen moet het verstand kennen wat is, als natuurkunde wat waar, als wijsheid wat verstandig is. Evenals waar door algemeen, wordt verstandig door doelmatig vertaald. Zodat waarachtig verstandig zoveel als algemeen doelmatig heet. Wij zagen al, dat een verschijning der zinnelijkheid niet waar “op zich zelf”, maar slechts relatief waar, slechts waar of algemeen genoemd wordt, in betrekking tot andere verschijnselen van mindere algemeenheid. Zo kan ook in het menselijke leven een handelwijze niet verstandig of doelmatig “op zich zelf” zijn. Zij kan slechts doelmatig heetten in betrekking tot een andere handelswijze, die naar hetzelfde doel op een minder doelmatige, d.w.z. ondoelmatige manier streeft. Evenals het ware, het algemene, de betrekking tot een bijzonder object, tot een gegeven kwantum van de verschijning, bepaalde grenzen veronderstelt waarbinnen het waar of algemeen is, zo veronderstelt het verstandige of doelmatige gegeven omstandigheden, waarbinnen het verstandig of doelmatig kan zijn.

Het woord verklaart zich zelf: het doel is de maat van het doelmatige. Slechts op grond van een gegeven doel kan het doelmatige bepaald worden. Is eerst het doel gegeven, dan heet de handelwijze, die het op het verst, breedst, algemeenst verwezenlijkt, de verstandige handelswijze, tegenover welke iedere minder doelmatige manier onverstandig wordt.

Op grond van de door analyse van het reine verstand ontwikkelde wet dat ieder kennen, ieder denken, betrekking heeft op een zinnelijk object, op een kwantum der zinnelijkheid is het duidelijk, dat alles, wat ons onderscheidingsvermogen onderscheidt, een kwantum is. Dat dus alle verschillen slechts kwantitatief, niet absoluut, slechts gradueel, niet wezenlijk zijn. Ook het onderscheid tussen onverstand en verstand, d.w.z. tussen het momentaan of individueel verstandige en het verstandige kortweg, is, als ieder onderscheid, rein kwantitatief, dus zo dat iedere onverstandigheid voorwaardelijk verstandig en slechts het onvoorwaardelijk verstandige onverstandig is.

Wanneer wij begrijpen dat kennen in het algemeen een uiterlijk object, een uiterlijke maat nodig heeft, dan zullen wij er van afzien, het mateloos verstandige of het kortweg verstandige te willen kennen. Wij zullen moeten berusten, als overal, ook het verstandige in het bijzondere te zoeken.

Van de bepaalde formulering der taak, van de juiste afbakening van het zinnelijke kwantum, dat gekend moet worden, hangt het bepaalde, juiste, zekere, eenparige resultaat der kennis af. Is het ogenblik, de persoonlijkheid, de klasse, het volk gegeven en daarmee tegelijk de wezenlijke behoefte, het algemene, dominerende doel, dan kan het verstandige of doelmatige niet meer twijfelachtig zijn. Wel kunnen wij ook geheel algemeen menselijke verstandigheden kennen. Maar onder de veronderstelling dat ons ook de algemene mensheid en geen bijzonder deel als maatstaf dient. De wetenschap kan niet slechts de lichamelijke bouw van een bijzonder individu, maar ook het algemene type van het menselijke lichaam kennen, maar dat ook slechts onder voorwaarde, dat zij aan het kenvermogen geen individueel, maar een algemeen materiaal aanbiedt. Wanneer de natuurwetenschap de gezamenlijke mensheid in 4 of 5 rassen indeelt, als het ware haar fysionomische wet opstelt, in de werkelijkheid dan later nog personen of volksstammen tegenkomt die zich door hun vreemde eigenschappen in geen bepaalde fractie laten onderbrengen, dan is toch het bestaan van deze uitzondering geen misdaad tegen de fysieke wereldorde, maar slechts een bewijs van de gebrekkigheid van onze wetenschappelijke indeling. Wanneer echter de heersende mening de een of andere handelswijze algemeen verstandig of onverstandig heet, en dan in het leven op tegenspraak stoot, gelooft zij zich de arbeid der kennis te kunnen besparen doordat zij de tegenstander het burgerrecht in de zedelijke wereldorde ontzegt.

Inplaats van zich door het bestaan van tegenstrijdige feiten van de beperkte geldigheid van de regel te overtuigen, koopt deze door terzijdestelling der tegenstrijdigheid, een goedkoop absolutisme. Dat is een dogmatisch ontzeggen, een negatieve praktijk die het object als onbehoorlijk ignoreert, maar geen positief kennen. Geen scherpzinnig weten dat juist door opsporing der tegenstrijdigheden zich zelf documenteert.

Verlangt daarom onze taak de opsporing van het menselijk redelijke kortweg, zo verdienen een zodanig predikaat slechts handelswijzen, die zonder uitzondering voor alle mensen, in alle tijden en onder alle omstandigheden doelmatig zijn — dus onbetwistbare en in zoverre nietszeggende onbepaalde algemeenheden.

Dat fysiek het geheel groter is dan het deel, dat moreel het goede voor te trekken is boven het slechte, is een dergelijk algemeen, daarom onbetekenend, onpraktisch kennen. Het voorwerp van het verstand is het algemene, maar — het algemene van een bijzonder voorwerp. Het praktiserende verstand heeft te doen met het enkele, bijzondere, met de tegenstelling van het algemene, met bepaalde bijzondere kennis. Om in de fysica te kennen, wat geheel en wat deel is, vooronderstelt gegeven verschijnselen of objecten. Wat moreel het voor te trekken goede, en wat het slechte is, vooronderstelt tot de opsporing van een bepaald gegeven, speciaal kwantum, van menselijke behoeften. Het algemene verstand met zijn algemene eeuwige waarheden is een hersenschim der onwetendheid, die het recht der individualiteit in heilloze banden knevelt. Het werkelijke, ware, verstand is individueel, kan slechts individuele kennis voortbrengen die niet verder algemeen is, dan haar een algemeen materiaal te gronde ligt. Verstandig in het algemeen is slechts dat wat ieder verstand erkent.

Wanneer het verstand van een tijd, klasse of persoon verstandig heet, waarvan ergens anders het tegendeel erkend wordt, wanneer de Russische edelman de lijfeigenschap en de Engelse bourgeois de vrijheid van zijn arbeider, een verstandige instelling noemt, dan is geen van beiden kortweg, maar ieder slechts relatief, slechts in zijn meer of minder beperkte kring verstandig.

Dat hierdoor aan de hoge betekenis van ons verstand niets ontzegd wordt kan een overbodige verzekering zijn. Wanneer het verstand ook de voorwerpen van het speculatieve onderzoek, de objecten der morele wereld, het ware, schone, rechte, slechte, verstandige enz., niet absoluut, niet zelfstandig ontdekken kan, dan kan het toch met behulp van de zinnelijk gegeven verhoudingen relatief, het algemene en het bijzondere, zijn en schijn, noodzakelijke behoeften en weelderige lusten wel weten te onderscheiden. Ook dan wanneer wij het geloof aan het verstandige-op-zich-zelf afleggen, en als gevolg daarvan geen absolute vrienden van de vrede zijn, kunnen wij toch de oorlog met betrekking tot de vredelievende belangen van onze tijd of burgerij een heilloos kwaad noemen.

Eerst dan wanneer wij de vergeefse ontdekkingsreis naar de waarheid in het algemeen staken, zullen wij het ruimtelijk en tijdelijk ware weten te vinden. Juist het bewustzijn van de slechts relatieve geldigheid van onze kennis is de krachtigste hefboom van de vooruitgang. De gelovigen aan de absolute waarheid bezitten in hun beschouwing het eentonige schema van fatsoenlijke mensen en verstandige instellingen. Zij verzette zich daarom tegen alle menselijke en geschiedkundige vormen die niet bij hun regel passen en die toch de werkelijkheid zonder consideratie voor hun hersens te voorschijn brengt. De absolute waarheid is de eerste grond voor alle onverdraagzaamheid. Omgekeerd wordt de verdraagzaamheid geschapen uit het bewustzijn van de beperkte geldigheid der “eeuwige waarheden”. Het begrip van het reine, d.w.z. het inzicht in de algemene afhankelijkheid van de geest is de ware weg tot het praktische verstand.

Het zedelijk goede

Naar het wezen beperkt zich onze taak tot het bewijs dat rein verstand een onding is, dat het verstand het inbegrip der enkele kennisdaden is, dat slechts gewaande reine, d.w.z. algemene, feitelijk echter en noodzakelijk altijd slechts praktische, d.w.z. bijzondere kennis in zich sluit.

Wij beschouwden de filosofie, de voorgewende wetenschap van reine of absolute kennis. Haar doel blijkt ijdel te zijn, in zoverre de filosofische ontwikkeling een voortdurende teleurstelling is, daar waar de onvoorwaardelijke of absolute systemen plaatselijk en tijdelijk en voorwaardelijke blijken te zijn. Onze beschouwing heeft de relatieve betekenis van eeuwige waarheden aangetoond. Wij hebben het verstand als afhankelijk van de zinnelijkheid erkend. Erkenden bepaalde grenzen als noodzakelijke levensvoorwaarden van de waarheid in het algemeen. Met speciale betrekking tot levenswijsheid zagen wij de verkregen wetenschap van het “reine” kenvermogen praktisch bevestigd, door de afhankelijkheid van het wijze of verstandige van zinnelijk gegeven verhoudingen.

Brengen wij deze theorie in toepassing met de moraal, in enge zin, waar over het goede en kwade getwist wordt, dan moet ook hier door de wetenschappelijke methode een wetenschappelijke eenparigheid bereikt kunnen worden.

De heidense moraal is een andere dan de christelijke. De feodale moraal onderscheidt zich van de modern burgerlijke, als dapperheid van betaalkracht. Kortom, dat de verschillende tijden en verschillende volken een verschillende moraal hebben behoefd geen bewijs en détail. Het geldt deze wisseling als noodzakelijk te begrijpen, als voorrecht der mensheid, als geschiedkundige ontwikkeling, en daarmee het geloof aan de “eeuwige waarheid”, waarvoor ieder keer de heersende klasse haar zelfzuchtige geboden uitgeeft, te verruilen tegen de wetenschap, dat het recht in het algemeen een puur begrip is, dat wij met behulp van de denkkracht aan de verschillende enkele rechten ontnemen. Het recht, algemeen, betekent niet meer en niet minder dan iedere soortnaam, dan bv. het hoofd in het algemeen. Ieder werkelijk hoofd is een apart, of een mensen- of een dierenhoofd, breed of lang, smal of dik, d.w.z. eigenaardig of individueel gevormd. Maar ieder apart hoofd heeft toch neer algemene eigenschappen. Eigenschappen die aan alle hoofden overeenstemmend behoren. bv. het opperhoofd van het lichaam te zijn. Ja, ieder hoofd heeft evenveel algemeens als aparts, niet meer eigen dan gemeen. Het denkvermogen neemt uit de enkele werkelijke hoofden het algemene en verschaft zich zo het begrip van het hoofd, dat is het hoofd in het algemeen.

Evenals het hoofd in het algemeen het gemeenschappelijke van alle hoofden is, zo betekent het recht in het algemeen het gemeenschappelijke aller rechten. Beide zijn het begrippen en geen dingen.

Ieder wezenlijk recht is een bijzonder, slechts recht onder zekere omstandigheden, voor zekere tijden, voor dit of dat volk. “U zult niet doden,” is recht in vredestijd, onrecht in de oorlog. Recht voor de meerderheid van onze maatschappij die aan hun dominerende behoefte de grillen van de hartstocht opgeofferd wil, maar onrecht voor de wilde die niet zou ver is gekomen om een vredig gezellig leven te waarderen, en daardoor het genoemde recht als onrechtvaardige beperking van zijn vrijheid voelt.

Voor de liefde tot het leven is de moord een schandelijke gruwel, voor de wraak een kostelijke lafenis. Zo is de roof de rover recht en beroofde onrecht. Van een onrecht in het algemeen kan daarbij slechts in relatieve zin sprake zijn. De handeling is slechts in zover algemeen onrechtvaardig, als zij algemeen ongeliefd is. Zij is voor de grote meerderheid onrecht, omdat onze generatie meer belang bij de burgerlijke handel en wandel heeft dan bij de avonturen van de grote weg.

Wanneer een wet, een leer, een handeling, absoluut recht, recht in het algemeen zou willen zijn, dan moest zij aan het heil van alle mensen, onder alle omstandigheden, in alle tijden beantwoorden. Dit heil is echter zo verschillend als de mensen, hun omstandigheden en de tijd. Wat mij goed is, is voor een ander slecht, wat in de regel wel doet, doet bij uitzondering kwaad, wat voor één tijd baat, belemmert een andere.

De wet, die aanspraak zou willen maken, recht in het algemeen te zijn, zou nooit en niemand mogen tegenspreken. Geen moraal, geen plicht, geen categorische imperatief, geen idee van het goede kan de mens leren wat goed, wat kwaad, wat recht, wat onrecht is. Goed is, wat aan onze behoefte beantwoordt, slecht wat er aan tegenstrijdig is.

Maar wat is wel goed in het algemeen? Alles en niets! Niet het rechte hout is goed, niet het kromme. Geen is goed, en ieder is goed — daar waar ik het nodig heb. En wij hebben alles nodig, kunnen van ieder ding een goede kant verkrijgen. Wij zijn niet beperkt tot dit of dat. Wij zijn onbeperkt, universeel, alles nodig hebbend. Daarom zijn onze belangen ontelbaar, niet op te noemen, daarom is iedere wet ontoereikend, omdat zij altijd slechts een bijzonder heil, een enkel belang in de zin heeft. Daarom is geen recht recht, of ook ieder recht: u zult doden en u zult niet doden.

Het onderscheid tussen kwade en goede, rechtvaardige en slechte behoeften vindt, als waarheid en dwaling, als verstand en onverstand, zijn oplossing in het onderscheid tussen het bijzondere en algemene. De rede kan uit zich zelf zo min positieve rechten, absoluut morele grondstellingen, ontdekken als een of andere andere speculatieve waarheid. Eerst dan wanneer men haar zinnelijk materiaal gegeven heeft zal zij volgens het aantal het algemene en bijzondere, volgens de graad het wezenlijke en onwezenlijke kunnen meten. De kennis van de rechte of morele wil, evenals de kennis in het algemeen, het algemene. Maar het algemene is slechts mogelijk binnen bepaalde grenzen, als het algemene van een bijzonder, gegeven, zinnelijk object. Wanneer men de een of andere stelling, de een of andere wet of recht tot recht “op zich zelf”, tot recht in het algemeen maakt, dan vergeet men deze noodzakelijke beperking. Het recht in het algemeen is voorlopig een leeg begrip dat pas een vage inhoud krijgt wanneer het als recht van mensen in het algemeen opgevat wordt. De moraal, de bepaling van het goede, heeft echter een praktisch doel. Laten wij nu het algemeen menselijke, het ontegenstrijdige recht voor moreel recht gelden, dan wordt noodzakelijk het praktische doel gemist. Een daad of handelswijze, die algemeen, d.w.z. overal rechtvaardig is, beveelt zich zelf aan, heeft daarom geen wettelijk voorschrift nodig. Slechts de gedetermineerde, voor bepaalde personen, klassen, volken, bepaalde tijden en omstandigheden pasklaar gemaakte wet heeft praktische waarde en is des te praktischer hoe beperkter, bepaalder, preciezer, hoe minder algemeen zij is.

Het algemeenste, ruimst erkende recht of behoefte is volgens zijn kwaliteit niet rechtvaardiger, niet beter of meer waard dan het kleinste recht van een ogenblik, dan de momentane behoefte van een persoon. Al weten wij ook, dat de zon honderden of duizenden mijlen groot is, zo zijn wil toch vrij om haar zo groot als een bord te zien.

Al erkennen wij ook een gebod van de moraal theoretisch of in het algemeen als goed en heilig, dan zijn wij toch in de praktijk vrij het momentaan, hier of daar, individueel slecht en onnuttig te verwerpen. Ook het verhevenste, heiligste, algemeenste recht geldt slechts binnen bepaalde perken. En binnenbepaalde perken is ook het ijselijkste onrecht geldig recht. Wel bestaat er een eeuwig onderscheid tussen vermeend en waar belang. Tussen passion en raison, tussen wezenlijke, dominerende, algemene te erkennen behoeften en neigingen en toevallig ondergeschikte bijzondere lusten.

Maar dit onderscheid grondvest geen twee gescheiden werelden, een wereld van het goede en een wereld van het kwade. Het onderscheid is niet positief, algemeen, bestendig, absoluut, maar geldt slechts relatief. Het richt zich evenals het onderscheid tussen schoon en lelijk, naar de individualiteit — van degene die het onderscheid maakt. Wat hier een ware, voorgeschreven behoefte is, is daar een secundaire, ondergeschikte, te verwerpen neiging.

De moraal is het summiere inbegrip van de meest verschillende elkaar tegensprekende zedelijke wetten, die het gemeenschappelijke doel hebben de handelswijze van de mens tegen zichzelf en anderen op zodanige manier te regelen, dat bij het tegenwoordige ook de toekomst naast het ene het andere, naast het individu ook de soort bedacht wordt. De enkele mens vindt zichzelf gebrekkig, ontoereikend, begrensd. Hij heeft voor zijn aanvulling de ander, de maatschappij nodig en moet dus, om te leven, laten leven. De consideraties die uit deze wederzijdse behoefte voortkomen zijn datgene wat het een woord moraal genoemd wordt.

Het ontoereikende van de enkeling, de behoefte aan de genootschap is grond of oorzaak van de inachtneming van de naaste, van de moraal. Even noodzakelijk nu als de drager van deze behoefte, even noodzakelijk als de mens altijd individueel is, even zo noodzakelijk is ook de behoefte een individuele, nu eens meer en dan minder intense. Even zo noodzakelijk als de naaste verschillend is, even zo noodzakelijk zijn de vereiste consideraties verschillend.

Bij de concrete mens past een concrete moraal. Even zo abstract en zonder inhoud als de algemene mensheid. Zo abstract en zonder inhoud is ook de algemene zedelijkheid, even zo onpraktisch en zonder resultaat zijn ook de ethische wetten die men uit deze vage idee tracht af te leiden. De mens is een levende persoonlijkheid die haar heil en haar doel in zichzelf, tussen zich en de wereld, de behoefte, het belang als middelaar heeft. Die aan geen wet, zonder uitzondering, langer en verder gehoorzaamheid verschuldigd is dan zij aan dit belang onderdanig is. De morele plicht en verplichting van een individu gaat nooit verder dan zijn belang. Wat echter wel verder gaat, dat is de materiële macht van het algemene over het bijzondere.

Wanneer wij als taak van het verstand de opsporing van het moreel rechtvaardige bepalen, dan kan een eenparig, wetenschappelijk, resultaat verkregen worden onder voorwaarde dat wij van tevoren over de personen of verhoudingen, over de grenzen het eens zijn binnen welke het algemene recht te bepalen is. Daardoor dus dat wij geen rechten op zichzelf, maar bepaalde rechten voor bepaalde vooronderstellingen zoeken. Daardoor dat wij de taak preciseren. De tegenstrijdige bepaling der moraal, de niet eenparige oplossing, berust op het misverstand van de taak.

Zonder een gegeven kwantum van zinnelijkheid, zonder beperkt materiaal het rechtvaardige te zoeken, is een daad van de speculatie, die in het algemeen de natuur zonder zintuigen gelooft te kunnen onderzoeken. In de begeerte om uit pure kennisdaden, of puur uit het verstand, een positieve bepaling der moraal te verkrijgen manifesteert zich het filosofische geloof aan kennis a priori.

“Het is waar,” zegt Macaulay in zijn geschiedenis van Engeland, wanneer hij van de opstand tegen de wetteloze en wrede regering van Jakob II spreekt, “de grens tussen het rechtvaardige en onrechtvaardige verzet is onmogelijk te bepalen. Deze onmogelijkheid stamt uit de natuur van het onderscheid tussen recht en onrecht en wordt in alle delen der ethiek teruggevonden. De goede daad is van de slechte niet zo juist te onderscheiden als de cirkel van het vierkant. Er is een grens waar deugd en ondeugd in elkaar overgaan. Wie zou wel het onderscheid tussen moed en vermetelheid, tussen voorzichtigheid en lafheid, tussen vrijgevigheid en verkwisting kunnen aangeven? Wie is in staat te bepalen hoe ver de genade voor de misdaad uit te strekken is, waar zij ophoudt de naam van genade te verdienen en tot verderfelijke zwakheid wordt?”

De onmogelijkheid van de juiste bepaling van deze grens wordt niet in de zin van Macaulay door de natuur van het onderscheid tussen recht en onrecht veroorzaakt, maar door de bevangen beschouwing, die aan een onbegrensd recht, aan positieve deugden en ondeugden gelooft. Die zich niet tot het inzicht verheven heeft dat goed en braaf, recht en slecht altijd slechts een relatie van het subject, dat oordeelt, geldt. En niet het object op zich zelf. Moed is in de ogen van de voorzichtige vermetelheid en voorzichtigheid in de ogen van de moedige lafheid. De opstand tegen een bestaande regering is altijd slechts voor de opstandelingen rechtvaardig, voor de aangevallenen altijd onrechtvaardig. Geen daad kan algemeen rechtvaardig, absoluut rechtvaardig of onrechtvaardig zijn.

Dezelfde hoedanigheden van de mens zijn al naar behoefte en gebruik, al naar tijd en plaats, dan goed, dan slecht. Hier geldt uitvlucht, list en doortraptheid, daar trouw, rechtgeaardheid en openhartigheid. Hier voert barmhartigheid en zachtheid, daar meedogenloze, bloedige strengheid tot het doel en tot welvaart. De kwantiteit, het meer of minder heilzame van een menselijke eigenschap bepaalt het onderscheid tussen deugd en ondeugd.

Slechts in zover het verstand het kwantitatieve rechtvaardige van een hoedanigheid, voorschrift of handeling, kan meten, kan het recht en onrecht, deugd en ondeugd scheiden. Geen categorische imperatief. Geen ethisch moeten grondvest het werkelijke praktische recht. Omgekeerd vindt de ethiek haar grond in het werkelijke zinnelijke recht zijn. Voor het verstand in het algemeen is vrijmoedigheid geen betere karaktereigenschap dan doortraptheid. Slechts in zover als de vrijmoedigheid kwantitatief, d.w.z. vaker, meermalen, algemener beter bekomt dan doortraptheid, is de eerste te verkiezen. Daaruit blijkt dat een wetenschap van het goede slechts in zover de praktijk tot richtsnoer kan dienen, als anderzijds de praktijk de wetenschap tot vooronderstelling gediend heeft. De wetenschap kan de praktijk niet verder leren, dan zij eerst door de praktijk geleerd is geworden.

Het verstand kan de handelwijzen van de mens niet van te voren bepalen. Omdat het de werkelijkheid slechts ervaren, niet anticiperen kan. Omdat ieder mens, iedere situatie, nieuw, oorspronkelijk, origineel, nog nooit geweest is. Omdat de mogelijkheid van het verstand tot het oordeel a posteriori is beperkt.

Het recht in het algemeen of het recht op zich zelf is een recht in’s blaue hinein, is een speculatieve wens. Het wetenschappelijk algemene recht heeft gegevens nodig, zinnelijke vooronderstellingen, op grond waarvan de bepaling van het algemene plaats heeft. De wetenschap is geen dogmatische zekerheid die zou kunnen zeggen, dit of dat is rechtvaardig; omdat het als rechtvaardig erkend wordt. De wetenschap heeft voor haar kennis uiterlijke grond nodig. Zij kan het rechtvaardige slechts kennen in zover het rechtvaardig is. Zijn is materiaal, vooronderstelling, voorwaarde, grond der wetenschap.

Uit het gezegde volgt de eis om de moraal, in plaats van speculatief of filosofisch, inductief of wetenschappelijk te onderzoeken. Wij mogen geen absoluut maar slechts relatief algemene rechten begeren te kennen. Steeds slechts rechten van vooruitbepaalde vooronderstellingen als morele taak van het verstand bestemmen.

Zo lost zich het geloof aan een zedelijke wereldorde in het bewustzijn van de menselijke vrijheid op. De kennis van het verstand, van het weten of van de wetenschap, sluit de kennis in van de beperkte rechtsgeldigheid van alle ethische stellingen.

Wat op mensen de indruk van het heilvolle, waardevolle, goddelijke maakte, stelde hij in het tabernakel des geloof als het hoogste goed ten toon. De Egyptenaar de kat, en de christen de vaderlijke voorzienigheid. Zo, nadat zijn behoefte hem in het begin tot orde en tucht leidde, bezielde de weldaad der wet hem tot een zodanige hoge mening van haar adellijke afkomst, dat hij het eigen maakwerk als goddelijk geschenk aannam. De uitvinding van de muizenval of andere weldadige nieuwigheden verdrongen de kat van haar verheven plaats. Daar waar de mens zijn eigen baas wordt, zichzelf tot toevlucht en bescherming, waar hij zelf vooruitziet, wordt iedere andere voorzienigheid onnodig, en met zijn mondigheid een hogere voogdij lastig. De mens is een naijverig mens! Meedogenloos onderschikt hij alles aan zijn belangen: God en gebod! Moge een bepaling door haar trouwe diensten zich ook nog zo een oude of gewichtige autoriteit verworven hebben, nieuwe, tegenstrijdige, behoeften degraderen de goddelijke instructie tot menselijke instelling. Het oude recht tot nieuw onrecht.

De bangmaking door afschrikkende straf: oog om oog, tand om tand, die de Hebreeër als de schutspatroon van morele wandel gezalfd en geëerd had, en hem zegde de christen lichtzinnig het respect op. Hij had de zegen der vredelievendheid leren kennen, bracht het ootmoedige dulden in het heilige land, bezette het lege tabernakel met de zachtmoedige raad, om ook de linkerwang nog aan te bieden wanneer de rechter genoeg oorvijgen heeft. En in onze, in naam nog slechts christelijke, maar onchristelijke tijd, is het vereerde dulden al lang buiten praktijk geraakt.

Evenals ieder geloof zijn bijzondere God, heeft iedere tijd zijn bijzonder recht. In zover blijven godsdienst en moraal met de verering van hun heiligdom in orde. Maar arrogant worden de gezellen, omdat zij zich breder maken dan zij zijn, omdat zij, wat tijdelijk, wat onder bepaalde omstandigheden goddelijk en goed was, nu ook aan al de verdere verhoudingen als iets onovertreffelijks, absoluut, permanent zouden willen opleggen. Omdat zij met de heilzame remedie van hun individuele ziekte de kwakzalverij van een universeel geneesmiddel bedrijven, omdat zij overmoedig hun afkomst vergeten. Oorspronkelijk schrijft een bijzondere behoefte de wet voor, en dan moet de aan alles behoeftige mens op het smalle koord van deze orde dansen. Oorspronkelijk is het werkelijk goede rechtvaardig, en dan moet slechts het geboden recht werkelijk goed zijn. Dat is het onverdraaglijke: het is voor de vastgestelde wet niet genoeg, om voor deze tijd, voor dit volk of land, deze klasse of kaste rechtvaardig te zijn. Zij wil de hele wereld domineren, wil recht in het algemeen zijn. Zoals wanneer een pil medicament in het algemene zou willen zijn, goed voor alles, goed voor diarree en voor hardlijvigheid. Deze laatdunkende aanmatiging af te weren, de haan de pauwenveren uit te trekken, is de zaak van de vooruitgang, die een mens over de veroorloofde grens heen brengt, hem de wereld wijder maakt. Voor zijn verdrukte belangen de onthouden vrijheid weer verovert. De verhuizing van Palestina naar Europa, waar het verboden genot van varkensvlees de kwade gevolgen van klieren en schurft niet meer na zich sleept, verlost onze natuurlijke vrijheid van een nu onzinnige, hoewel eens goddelijke beperking. Maar de vooruitgang trekt een God of recht niet het galon af, om er anderen mee te behangen: dat zou ruil zijn en geen aanwinst. De ontwikkeling verbant de overgeleverde heiligen niet uit het land. Zij dringt ze slechts terug van de geüsurpeerde grond van het algemene in hun bijzonder veld. Zij neemt het kind op en giet dan het bad weg. Omdat de kat de heiligen schijn verloren heeft, omdat zij ophoudt God te zijn, houdt zij nog niet op met muizen vangen.

En hoewel de joodse geboden van wassing op bepaalde tijden al lang verdwenen zijn, bleef toch de reinheid altijd nog in verdiende eer. Slechts aan een zuinig beheer van de oude verdienste danken wij de tegenwoordige rijkdom der beschaving. De ontwikkeling is evenzo conservatief als revolutionair en vindt in iedere wet evenveel onrecht als recht.

Weliswaar bespeuren de aan de plicht gelovenden verschil tussen moreel en wettelijk recht. Maar hun geïnteresseerde vooringenomenheid laat hen niet tot het inzicht komen dat iedere wet oorspronkelijk moreel was en iedere bepaalde moraal in de loop der ontwikkeling tot blote wet afdaalt. Hun begrip bereikt andere tijden en andere klassen, alleen niet de eigen. In de wetten der Chinezen en Laplanders erkent men Chinese en Laplandse behoeften. Maar veel verhevener is het reglement van het burgerlijke leven!

Onze tegenwoordige inrichtingen en moraalbegrippen zijn of eeuwige natuur- en verstandwaarheden of permanente orakelspreuken van een rein geweten. Alsof niet de barbaar ook een barbaars verstand, alsof niet de Turk een Turks, de Hebreeër een Hebreeuws geweten zou hebben. Alsof zich de mens naar het geweten zou kunnen richten, terwijl toch omgekeerd het geweten zich naar de mens richt!

Wie de bestemming van de mens beperkt tot het liefhebben en dienen van God, om naderhand eeuwig zalig te worden, mag de overgeleverde voorschriften van zijn moraal als autoriteit erkennen en daarnaar handelen. Voor wie echter de ontwikkeling, de vorming, de aardse zaligheid van de mens doel is, hij zal de vraag naar het bewijsstuk van deze superioriteit in het geheel niet ijdel vinden. Het bewustzijn van individuele vrijheid verschaft ons eerst de tot de onversaagde vooruitgang nodige meedogenloosheid tegenover andermans regel. Verlost ons van het streven naar een denkbeeldig ideaal, naar een betere wereld in het algemeen en geeft ons aan de bepaalde praktische belangen van onze tijd of individualiteit terug. Tegelijk echter verzoent het ons met de bestaande werkelijke wereld die wij niet meer beschouwen als een mislukte realisatie van dat, wat zijn moest, maar als regeling van wat zijn kan. De wereld is altijd goed. Wat is, moet zijn en moet niet eerder anders zijn voor het anders wordt. Waar de werkelijkheid de macht is, is per se ook het recht, d.w.z. de formulering van het rechtvaardige. Voor de machteloosheid blijft in werkelijkheid geen ander recht dan eerst naar de overmacht te streven, en dan aan haar behoefte de geweigerde erkenning te verschaffen. Evenals ons het begrip der geschiedenis de godsdiensten, zeden, instellingen en beschouwingen van het verleden niet slechts van de negatieve, belachelijke, verbruikte, maar ook van de positieve, verstandige, noodzakelijke zijde toont, wat ons bv. de vergoding der dieren als bezielde erkenning van hun nuttigheid leert begrijpen, zo toont ons het begrip van de tegenwoordige tijd de bestaande orde der dingen niet alleen in haar ontoereikendheid, maar ook als verstandige, noodzakelijke conclusie van voorafgegane premissen.

Het Heilige

In de bekende zin: het doel heiligt het middel, vindt de ontvouwen theorie der moraal haar praktische formulering. Deze stelling dient, dubbelzinnig gesproken, ons en de Jezuïeten tot gemeenschappelijk verwijt. De verdedigers der orde van Jezus streven er naar om haar als kwaadwillige belastering van hun cliënt voor te stellen.

Wij zullen tussen de partijen niet voor, noch tegenspreken. Maar ons woord aan de zaak zelf lenen. De leerstelling als waar en verstandig vaststellen, haar in de openbare mening trachten te rehabiliteren.

Tot het doen bedaren van de meest algemene tegenspraak zou het begrip genoeg moeten zijn dat middel en doel zeer relatieve begrippen zijn. Dat alle bijzondere doeleinden middelen en alle middelen doeleinden zijn. Evenmin als een positief onderscheid tussen groot en klein, tussen recht en onrecht, tussen deugd en ondeugd plaats vindt, evenmin kunnen wij tussen middel en doel positief onderscheiden.

Apart, voor zich zelf, als geheel beschouwd, is iedere handeling eigen doel en de verschillende momenten, waarin ook de kortste handeling gedeeld wordt, zijn haar middelen. In gemeenschap met andere handelingen is iedere bijzondere handeling middel, dat met zijnsgelijken een algemeen doel nastreeft. Handelingen zijn op zich zelf noch middelen, noch doeleinden. Op en voor zichzelf is niets.

Al het zijn is relatief. De dingen zijn dat wat zij zijn, slechts in en door hun betrekkingen. Omstandigheden veranderen de zaak. In zoverre iedere handeling andere handelingen naast zich heeft is zij middel, heeft zij haar doel buiten zich, in de gemeenschap. In zoverre echter iedere handeling afgesloten voor zichzelf is, is zij doel, dat zijn middelen in zich sluit.

Wij eten om te leven, in zover wij echter gedurende het eten leven, leven wij om te eten. Zoals het leven zich tot zijn functies verhoudt, zo verhoudt het zich tot zijn middelen. Evenals het leven slechts het inbegrip der levensfuncties is, zo is het doel inbegrip van zijn middelen. Het onderscheid tussen middel en doet reduceert zich tot het onderscheid tussen het bijzondere en algemene. En alle abstracte verschillen reduceren zich tot dit ene onderscheid, omdat de abstractie- of onderscheidingskracht zelf zich reduceert tot het vermogen tussen het bijzondere en het algemene te onderscheiden.

Deze onderscheiding echter vooronderstelt materiaal, iets gegevens, een kring van zinnelijke verschijnselen, iets waardoor zij werkzaam wordt. Is deze kring op het gebied der handelingen of functies gegeven, met andere woorden is een vooruit beperkt aantal verschillende handelingen het voorwerp, zo noemen wij dat algemene: doel. En ieder meer of minder groot deel van de kring, iedere bijzondere functie, middel. Of de een of andere bepaalde handeling doel of wel middel is hangt daarvan af, of wij haar beschouwen als geheel in betrekking tot haar eigen momenten waaruit zij samengesteld is, of als deel, in betrekking van haar gemeenschap met andere handelwijzen. Algemeen: van een standpunt dat alle menselijke handelingen totaliter overziet, dat de totaliteit der menselijke handelingen tot voorwerp heeft, is er slechts een doel: het menselijke heil. Dit heil is het doel aller doeleinden, doel in laatste instantie, is het eigenlijke, ware, algemene doel, waartegenover alle bijzondere doeleinden slechts middelen zijn.

Nu kan onze bewering, dat het doel het middel heiligt, ook slechts voor een onbepaald doel onbepaald geldig zijn. Alle bijzondere doeleinden echter zijn eindig, bepaald. Absoluut onbepaald doel is slechts het menselijke heil, een doel dat alle voorschriften en handelingen, alle middelen heiligt, zolang zij daaraan onderdanig zijn, dat hen ontheiligt, zodra zij aan zichzelf overgelaten, het niet meer dienstbaar zijn.

Het heil is, evenals letterlijk, ook feitelijk de oorsprong en grond van het heilige. Heilig is overal het heilzame. Daarbij is het algemene heil, dat heil dat alle middelen heiligt, niet als abstractie te miskennen, waarvan de werkelijke inhoud even verschillend is, als de tijden, volken of personen die naar hun heil zoeken. Men moet niet miskennen dat er tot de bepaling van het heilige of heilzame bepaalde omstandigheden nodig zijn, dat geen middel, geen handeling op zichzelf heilig is, maar eerst door gegeven betrekkingen heilig wordt. Niet het algemene doel, maar het heilige doel heiligt de middelen. Omdat echter ieder werkelijk, bijzonder doel slechts relatief heilig is, kan het zijn middelen slechts relatief heilig maken.

De oppositie, die men tegen onze stelling in het veld brengt is niet zozeer tegen haar zelf, als tegen een verkeerd gebruik van haar gericht. Men weigert de erkenning, men staat de zogenaamde heilige doeleinden slechts beperkte middelen toe omdat op de achtergrond het bewustzijn verborgen is dat aan deze doeleinden slechts een beperkte heiligheid toekomt.

Aan de anderen kant willen wij met deze bewering slechts zeggen, dat de verschillende zogenaamd heilige middelen en doeleinden niet heilig zijn omdat de een of andere autoriteit, de een of andere uitspraak van een geschrift, van een geweten of van een verstand, ze heilig noemt. Maar slechts dan en daarom, slechts in zover als zij aan het gemeenschappelijke doel aller doeleinden en middelen, als zij aan het menselijke heil beantwoorden. Onze leer van het doel zegt in het geheel niet dat wij aan het heilige geloof liefde en trouw moeten opofferen, maar ook niet omgekeerd. Zij spreekt slechts het feit uit, dat daar waar het opperste doel door zinnelijke disposities of omstandigheden gegeven is, alle tegenstrijdige middelen slecht zijn, en omgekeerd, algemeen slechte middelen door betrekking op een momentaan of individueel heil momentane of individuele heiliging vinden. Waar vredelievendheid feitelijk als een heilzaam doel geliefd is, is de oorlog een slecht middel. Waar omgekeerd de mens zijn heil in de oorlog zoekt, is moorden en verbranden een heilig middel.

Met andere woorden, ons verstand heeft nodig voor de eindelijke bepaling van het heilige, gegeven zinnelijke verhoudingen, of feiten als vooronderstelling; het kan het heilige niet in het algemeen, niet a priori, niet filosofisch, maar slechts in het speciale, a posteriori, slechts empirisch bepalen.

Te erkennen dat het heil van de mens doel aller doeleinden, heiligmaker aller middelen is, verder af te zien van alle bijzondere bepalingen, van alle persoonlijke ideeën van dit heil en de feitelijke verscheidenheid daarvan te erkennen, is tegelijk begrijpen dat de middelen in het algemeen niet verder heilig zijn dan het doel heilig is. Geen middel, geen handeling, is positief heilig of heilzaam. Naar de omstandigheden en de relatie is een en hetzelfde middel nu goed en dan slecht. Een zaak is slechts daar goed waar haar gevolgen goed zijn, slechts daarom omdat het goede haar resultaat, haar doel is. Leugen en bedrog zijn slechts daarom slecht, omdat hun gevolgen ons slecht bekomen, omdat wij niet belogen en bedrogen willen worden. Waar het echter een heilig doel geldt wordt de op leugen en bedrog gebaseerde schijnmanoeuvre krijgslist genoemd. Wie vast in het geloof de kuisheid goed noemt omdat God haar bevolen heeft, met hem willen wij verder niet strijden; wie echter de deugd eert ter wille van de deugd, en de ondeugd ter wille van de ondeugd, d.w.z. om de gevolgen, die geeft tegelijk toe dat hij de begeerte van het vlees aan het doel van de gezondheid ten offer brengt, met andere woorden: dat eerst het doel het middel heiligt.

Voor de christelijke wereldbeschouwing zijn de geboden van haar godsdienst onbepaald absoluut goed, goed voor tijd en eeuwigheid, goed omdat de christelijke openbaring ze goed noemt. Zij weet niet dat bv. haar deugd par excellence, de specifiek christelijke deugd der onthouding haar waarde eerst tegenover de bedorven heidense weelderigheid verkregen heeft, tegenover het verstandige, bedachtzame genot echter geen deugd meer is. Zij heeft bepaalde middelen, die voor haar zonder betrekking tot hun doel goed zijn, en andere die voor haar zonder betrekking tot hun doel, slecht zijn. Zij komt in zoverre met recht tegen de hier besproken stelling op.

Het moderne christendorp, de tegenwoordige wereld, heeft echter dit geloof praktisch al lang afgelegd. Met de mond weliswaar noemt het de ziel het evenbeeld Gods en het lijf een stinkende zak maden. Met de daad echter bewijst het hoe weinig ernstig de godsdienstige frases gemeend zijn. Het bekommert zich weinig om dat betere deel en geeft aan het verachte lichaam geheel zijn denken en trachten.

Wetenschap en kunst, de producten van alle windstreken, gebruikt men tot zijn verheerlijking, om het kostbaar te kleden, te voeden, zorgzaam te onderhouden en zacht neer te vleien. Of men al in vergelijking tot dat eeuwige leven verachtelijk van dit aardse leven spreekt, toch hangt men in de praktijk zes lange weekdagen onvermoeid aan zijn genot, terwijl men de hemel ternauwernood op zondag een kort uur onoplettende oplettendheid waardig keurt. Met dezelfde hersenloze voortvarendheid komt dan de zogenaamd christelijke wereld ook mondeling tegen ons thema op, terwijl zij werkelijk de meest gesmaalde middelen met het doel der eigen welvaart heiligt, als argumentum ad hominem zelfs de prostitutie met staatsmiddelen gedoogt.

Wanneer de Kamers van onze representatieve staten de vijanden van hun burgerlijke orde met standrecht en deportatie bedwingen en deze misdaad tegen de veel geprezen spreuk “wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan een ander niet” met het openbare heil, of hun echtscheidingswetten niet de burgerlijke welvaart motiveren, dan wordt hiermee feitelijk erkend, dat het doel het middel heiligt. En wanneer ook de burgers aan den staat rechtten veroorloven, die zij zelf zich niet veroorloven, dan zijn het toch ook in de zin van onze tegenstanders slechts de afgestane eigen rechten van zijn onderdanen.

Weliswaar, wie in de burgerlijke wereld leugen en bedrog als middel van verrijking, zij het dan ook met het doel van weldadigheid ergens anders, gebruikt, of als de heilige Krispinus, leer steelt om voor arme mensen schoenen te maken, die heiligt zijn middel met zijn doel, omdat voor haar (nl. voor de burgerlijke orde) het doel niet, of slechts nominaal, wel in het algemeen, maar niet in het bijzondere, niet in het aangehaalde geval heilig is: omdat de weldadigheid slechts een doel van ondergeschikte heiligheid is, die tegenover haar hoofddoel, de burgerlijke orde, slechts een middel mag zijn. Dat waar het zich tegen deze zijn bestemming verzet, daardoor ook de naam van een goed doel verliest, en zoals gezegd, kan het doel dat slechts onder voorwaarden heilig is, ook slechts onder dezelfde voorwaarden zijn middelen heilig maken. De niet kwijt te schelden voorwaarde van alle goede doeleinden is het heilzame, dat, mag men het op christelijke of heidense, op feodale of burgerlijke manier zoeken, altijd de eis stelt dat aan het als wezenlijk en noodzakelijk beschouwde het onwezenlijke en minder noodzakelijke ondergeschikt moet worden. Terwijl echter in het aangehaalde geval de hoger geschatte eerlijkheid en burgerlijke rechtschapenheid aan de minder hoog geschatte weldadigheid opgeofferd zou worden. “Het doel heiligt het middel” is met andere woorden, de winst moet als in de economie, ook in de ethiek het kapitaal rendabel maken.

Zo ook wanneer men de bekering van het ongeloof een goed doel en de geweldmaatregelen der politie een slecht middel noemt, bewijst dat niet tegen de waarheid van de stelling, maar voor een verkeerd gebruik.

Het middel is niet-heilig, omdat het doel niet goed is, omdat de gewelddadige bekering geen heilzaam, veeleer een doel des onheil, der huichelarij is. Omdat dat een bekering is, die niet de naam van bekering verdient of het geweld een middel is, waar niet de naam van middel bij past. Wanneer voor ons een gewelddadige bekering en houten ijzer even gekke dingen zijn, hoe kunnen wij dan niet zulke gedachteloosheden, zulke onzinnige woordverdraaiingen, zulke dialectische streken en sofisterijen, tegen een feitelijk algemeen erkende waarheid ingaan!

Ook de jezuïtische middelen, streken en intriges, vergift en moord zijn voor ons slechts daarom onheilig, omdat voor ons het jezuïtische doel, bv. de uitbreiding, verrijking en verheerlijking van de orde wel een nevendoel is dat de onschuldige preken gebruiken mag, maar geen onbepaald heilig doel, geen doel tout prix is, waaraan wij middelen zouden toestaan die ons een meer wezenlijk doel, bv. de openbare of lichamelijke veiligheid, zouden doen missen.

Moord en doodslag zijn voor ons als individuele handelingen onzedelijk, omdat zij geen middelen van ons doel zijn, omdat wij niet voor de wraak of roofzucht, niet voor willekeur en eigenmachtige handhaving van het rechterambt, maar veeleer voor wettigheid en de meer onpartijdige beslissing van de staat gedisponeerd zijn. Wanneer wij ons echter als jury constitueren en de gevaarlijke misdadigers met strop en bijl onschadelijk maken, is dat dan niet uitdrukkelijk: het doel heiligt het middel?

Dezelfde mensen die er zich op beroemen al eeuwenlang met Aristoteles, d.w.z. met het autoriteitsgeloof gebroken te hebben en als gevolg daarvan in de plaats van de dode, overgeleverde, — de levende, zelferkende waarheid zetten, vinden wij in het behandelde voorbeeld in volle tegenspraak met hun tendens. Bij een kluchtige gebeurtenis, al wordt zij ook door een geloofwaardig getuige verteld blijft men toch getrouw aan de grondstelling der gewetensvrijheid. Wat de verteller potsierlijk en kluchtig noemt mag de toehoorder ernstig en fataal vinden. Men weet tussen de gebeurtenis en haar subjectieve indruk te onderscheiden, welke laatste meer de verteller dan zijn onderwerp karakteriseert. Bij goede doeleinden en slechte middelen echter wil men het verschil tussen het object en de subjectieve bepaling daarvan, die overal anders het oogmerk is van alle kritiek, buiten beschouwing laten. Doeleinden, als de weldadigheid, de bekering van ongelovigen enz. noemt men zonder meer a priori, gedachteloos goed en heilig, omdat zij dat ergens anders geweest zijn, ofschoon hun levende indruk in de aangehaalde gevallen het juiste tegendeel bewijst en men verwondert zich achteraf dat de onrechtmatige titel de onrechtmatigheden der privilegies achter zich aan sleept.

Het predikaat goed of heilig verdient in de praktijk slechts dat doel, dat zelf een middel, een onderdaan van het doel aller doeleinden, van het heil is. Daar waar de mens zijn heil in het burgerlijke leven, in productie en handel, in het ongestoorde bezit van goederen zoekt, snijdt hij zich in de lange vingers met het gebod

“U zult niet stelen”, waar echter, als bij de Spartanen, strijd het hoogste goed is en doortraptheid de noodzakelijke eigenschap van een goede strijder, gebruikt men de spitsboeverij tot het verkrijgen van slimheid, sanctioneert de diefstal als middel tot het doel. Om nu de Spartaan uit te schelden dat hij een strijder en geen kleinburger was, is de werkelijkheid ontkennen, is ontkennen dat ons hoofd niet geroepen is om de feitelijke toestanden van de wereld te remplaceren, maar om te begrijpen dat een tijd, een volk, een individu, altijd dat is wat het onder de gegeven omstandigheden zijn kan en daarom ook zijn moet.

Wanneer wij met de zin “het doel heiligt het middel” de heersende beschouwing op haar kop zetten, dan is dat geen te berispen individuele liefhebberij voor paradoxen, maar het consequente gebruik van de filosofische wetenschap. De filosofie is te voorschijn gekomen uit het geloof aan een dualistische tegenstelling tussen God en wereld, tussen lichaam en ziel, tussen geest en vlees, tussen hoofd en zin, tussen denken en zijn, tussen het algemene en het bijzondere.

De opsporing van deze tegenstelling vertoont zich als haar doel of als geheel resultaat van het filosofische navorsen. De filosofie vond haar einde in de kennis dat het goddelijke werelds en het wereldse goddelijk is. Dat de ziel tot het lichaam, de geest tot het vlees, het denken tot het zijn, het verstand tot de zintuigen, geheel zo staat als de eenheid tot de menigvuldigheid of als het algemene tot het bijzondere. De filosofie is met de dwalende vooronderstelling begonnen, dat uit de een, als de eerste, de twee, drie, vier, het veelvuldige als iets opeenvolgends te voorschijn gekomen zou zijn. Zij eindigde met de kennis, dat de waarheid of werkelijkheid deze vooronderstelling op haar kop zet, dat de veelvormige werkelijkheid, de zinnelijke veelvuldigheid, het bijzondere het eerste is, waaruit naderhand de menselijke hersenfunctie het begrip der eenheid of algemeenheid afleidt.

Geen uitkomst der wetenschap staat in vergelijking tot de uitgave van genie en scherpzinnigheid die deze ene kleine speculatieve vrucht gekost heeft. Maar ook geen wetenschappelijke nieuwigheid vindt zulke oude diepwortelende hindernissen voor haar erkenning. Alle met het resultaat der filosofie onbekende hoofden worden beheerst door het oude geloof aan de werkelijkheid van een echt waar, algemeen heil, waarvan de ontdekking alle onechte, schijnbare, bijzondere heiligdommen te schande zou maken, terwijl ons de kennis van het denkproces het gezochte heil als een product van de hersens leert kennen, dat juist, omdat het een algemeen abstract heil zijn moet, geen zinnelijk of werkelijk, dus bijzonder heil zijn kan. In het geloof aan een totaal onderscheid tussen echt en onecht heil wordt de onwetendheid gemanifesteerd over- de gang geestelijke operaties. Pythagoras nam het getal als het wezen der dingen. Had de Griek dit wezen der dingen als hoofd of verstandsding kunnen kennen en het getal dan als het wezen van het verstand, als de gemeenschappelijke of abstracte inhoud van al het geestelijke bepaald, dan zou al de strijd gespaard zijn geworden die men sinds die tijd over de verschillende vormen der absolute waarheid, over de “dingen op zich zelf” gevoerd heeft.

Ruimte en tijd zijn de algemene vormen der werkelijkheid, of de werkelijkheid bestaat zoals bekend is in de ruimte en in de tijd. Als gevolg daarvan is ieder werkelijk heil plaatselijk en tijdelijk en ieder plaatselijk en tijdelijk heil werkelijk. Verschillende heilzaamheden zijn, in zover zij heilzaam zijn, slechts volgens hun wijdte en breedte, volgens het kwantum van hun uitbreiding, volgens het aantal verschillend. Ieder heil, zowel het ware als het vermeende, is aan ons door het zinnelijke gevoel, door de praktijk, niet door het verstand gegeven.

De praktijk echter geeft aan verschillende mensen en verschillende tijden de tegenstrijdigste dingen als heilzaam. Wat hier heil is, is daar onheil en omgekeerd. Voor de kennis of het verstand blijft daarbij geen andere taak over dan deze door zinnelijke aandoening gegeven heilzaamheden, al naar de verschillende personen en tijden, aan wie, of volgens de verschillende graden van intensiteit, waarin zij verschijnen, te tellen en dus het kleine van het grote, het onwezenlijke van het wezenlijke, het bijzondere van het algemene te onderscheiden.

De rede kan ons het ware heil niet autocratisch voorschrijven, maar slechts uit een zinnelijk gegeven kwantum heilzaamheden het volgens het aantal meeste, grootste of algemeenste optellen. Maar er moet niet vergeten worden dat de waarheid van een zodanige kennis of optelling, op bepaalde gegeven vooronderstellingen berust. Dus, tevergeefs is het trachten om het ware heil in het algemeen te willen zoeken!

Praktisch, succesvol, wordt het onderzoek pas wanneer het er in berust het bepaalde heil van een bepaalde particulariteit te kennen. Het algemene is slechts mogelijk binnen gezette grenzen. Daarin echter stemmen de verschillende bepalingen van het heil overeen, dat het overal heilzaam is om het kleine aan het grote, het onwezenlijke aan het wezenlijke op te offeren, en niet omgekeerd in zover als deze stelling goed is, is het verder ook goed dat wij voor het goede doel van het grote heil het slechte middel van een klein onheil gebruiken of verdragen; dat het doel de middelen heiligt.

Wanneer men liberaal genoeg was om ieder op zijn manier zalig te laten worden, dan zouden de tegenstanders van onze beschouwing zich gemakkelijk van haar waarheid overtuigen. Maar inplaats hiervan volgt men de gewone weg der kortzichtigheid en maakt zijn privaat standpunt tot het universele. Het eigen heil noemt men het ware en het heil van andere volken, tijden en omstandigheden een misverstand. Zoals iedere kunstrichting haar subjectieve smaak voor objectieve schoonheid uitgeeft. Miskennend, dat de eenheid slechts een zaak van de idee is, van de gedachte, maar de zaak der werkelijkheid veelvuldigheid is. Het werkelijke heil is veelvuldig en het ware heil slechts een subjectieve keus, dat, evenals de grappige geschiedenis ergens anders ook een anderen indruk maakt en een onwaar heil zijn kan.

Wanneer Kant of Fichte, of een andere filosofische particulier, lang en breed de bestemming van de mens behandelt en het vraagstuk dan tot volste tevredenheid van hem zelf en zijn auditorium oplost, dan zijn wij tegenwoordig toch bedreven genoeg om te weten, dat men op de weg van het speculatieve onderzoek wel zijn eigen begrip van de bestemming van de mens kan definiëren, maar geen onbekend verborgen object ontdekken. Aan de gedachte, aan het verstand, moet het object gegeven zijn, zijn arbeid is het oordeel, de kritiek. Het mag onderscheiden tussen het ware en onware heil, maar moet zich ook zijn grenzen herinneren. Zich herinneren dat evenals het zelf, ook deze onderscheiding persoonlijk is, die niet langer en verder geldt, dan anderen van hetzelfde voorwerp dezelfde indruk ontvangen.

De mensheid is een idee. De mens echter is telkens een bijzondere persoonlijkheid die haar eigenaardig leven slechts in haar eigenaardig element vindt en daarom slechts uit persoonlijke motieven zich aan de algemene wet onderwerpt. Het offer der ethiek is als het offer van de godsdienst. Slechts een schijnbare zelfverloochening met het doel van verstandige zelfzucht, een uitgave met het plan tot grotere winst. De zedelijkheid, die haar naam verdient en niet beter gehoorzaamheid genoemd zou worden, kan slechts door het kennen van haar waarde, van haar heilzaamheid, van haar nuttigheid, tot beoefening komen. Uit de verscheidenheid der belangen volgt de verscheidenheid der partijen, uit de verscheidenheid van het doel de verscheidenheid der middelen. Bij minder gewichtige vraagstukken betogen dit ook de vertegenwoordigers der absolute moraal.

Thiers vertelt in zijn geschiedenis van de Franse Revolutie van een bijzondere situatie uit het jaar 1796, waar de Patriotten tot de openbare macht en de Royalisten tot de revolutionaire agitatie behoorden. Dat daar de partijgangers der revolutie, die voorstanders van de onbeperkte vrijheid moesten zijn, repressieve middelen verlangden, en de oppositie, die in het geheim meer naar de monarchie dan naar de republiek neigde, voor onbeperkte vrijheid stemde. “Zozeer worden de partijen door hun belangen geregeerd”, is zijn laatste opmerking daarover, als ware dat een anomalie en niet de natuurlijk noodzakelijke, niet te ontgane loop der wereld. Wanneer het echter gaat om de fundamentele wetten der burgerlijke orde, dan zijn de morele vertegenwoordigers der heersende klasse zelfzuchtig genoeg om haar afhankelijkheid van hun belangen te loochenen en ze voor eeuwige metafysische wereldwetten, de steunpilaren van hun bijzondere heerschappij voor eeuwige steunpilaren der mensheid, hun middelen voor de alleen heilige en hun doel als het enig geldige voor te stellen.

Het is een onheilige bedriegerij, een diefstal aan de menselijke vrijheid, een poging tot stilzetten der geschiedkundige ontwikkeling, wanneer een tijd of een klasse zo haar aparte doeleinden en middelen voor het absolute heil der mensheid uitgeeft.

In de zedelijkheid documenteert men oorspronkelijk de belangen, als in de moderne smaak, om dan naderhand, evenals hier het kleed, daar de handeling aan het voorgeschreven voorbeeld aan te passen. De macht oefent hierbij noodzakelijk, ter wille van het eigen leven, dwang uit en dwingt de wederspannigen tot onderwerping. Belang en plicht zijn, hoewel niet juist synoniem, dan toch nauw verwante uitdrukkingen. Beide gaan zij op in het begrip van het heil. Het belang is met het concrete, ogenblikkelijke, tastbare heil, de plicht echter het verdere, ook op de toekomst bedachte, algemene heil. Wanneer het belang naar de naaste, grijpbare, klinkende welvaart van de geldbuidel vraagt, verlangt de plicht echter dat wij niet slechts een deel, ook het geheel, niet slechts het tegenwoordige, naaste ook het verre, toekomstige, niet slechts het lichamelijke, ook het geestelijke welzijn in het oog houden. De plicht bekommert zich ook om het hart, om de sociale behoeften, de toekomst, het zielenheil, kortom om de belangen in het geheel en prent ons in ons van het overtollige te onthouden om het noodzakelijke te verkrijgen en te behouden. Zo is uw plicht uw belang en uw belang uw plicht.

Wanneer zich onze ideeën aan de waarheid of werkelijkheid, en niet omgekeerd, de waarheid zich aan onze ideeën moet aanpassen dan moeten wij de veranderlijkheid van dat wat rechtvaardig, heilig en zedelijk is als natuurlijk, noodzakelijk en waar erkennen. En de persoonlijkheid, ook theoretisch, de vrijheid laten die zij zich praktisch niet ontnemen laat, te erkennen dat zij evenals tot nu toe zo ook verder vrij is, de wet volgens haar behoefte en niet volgens vage, onreële en onmogelijke abstracties, als rechtvaardigheid of zedelijkheid, te vormen.

Wat is rechtvaardigheid?

Dat is het begrip van wat men voor rechtvaardig houdt, een individueel begrip dus. Dat bij verschillende personen een verschillende gestalte aanneemt. In werkelijkheid zijn er slechts enkele bepaalde, bijzondere rechten, en dan komt de mens en trekt daaruit het begrip der rechtvaardigheid.

Zoals hij uit de verschillende houtsoorten het algemene begrip van hout genomen heeft of uit de materiële dingen de idee der materie. Even onwaar, ofschoon zeer verspreid, als de beschouwing is dat de materiële dingen uit of door middel van de materie bestaan, even onwaar is het geloof als zouden de morele of burgerlijke wetten uit de idee der rechtvaardigheid voortgekomen zijn.

Het zedelijke verlies, dat onze realistische of, zo men wil, materialistische beschouwing met zich brengt, is zo groot niet als het lijkt. Wij hoeven niet te vrezen dat daarom sociale mensen, wetteloze kannibalen of kluizenaars gaan worden. Vrijheid en wettelijkheid zijn nauw verbonden door de behoefte der kameraadschappelijkheid, ter wille waarvan wij genoodzaakt zijn naast ons ook anderen te laten leven. Wie zich door zijn geweten of andere spiritueel-zedelijke motieven van onwettige daden — onwettig in de ruimste zin van het woord — laat afhouden, is of slechts aan zeer zwakke verzoekingen blootgesteld, of een zo tam karakter dat de natuurlijke en wettelijke straffen meer dan toereikend zijn om hem in de voorgeschreven grenzen te houden. Waar zij hun dienst weigeren, is ook de moraal een middel zonder kracht. Anders zou zij in het geheim op de gelovige dezelfde beperking uitoefenen, waarmee de openbaarheid de ongelovige terughoudt, terwijl wij inderdaad meer gelovige spitsboeven dan ongelovige rovers vinden.

Dat de wereld, die in woorden zoveel sociale waarde aan de zedelijkheid hecht, feitelijk van onze mening doordrongen is, bewijst de grotere oplettendheid die zij aan het strafwetboek en aan de politie schenkt.

Ook geldt onze strijd niet de zedelijkheid, zelfs niet eens een bepaalden vorm van haar, maar slechts de arrogantie, die haar bepaalde vorm tot de absolute. Tot algemene zedelijkheid maakt. Wij erkennen de zedelijkheid als eeuwig heilig, in zover daaronder consideraties te verstaan zijn, die de mens aan zichzelf en aan zijn medemensen tot het doel van het wederzijdse heil verschuldigd is. Maar de manier, de graad van deze consideraties te bepalen, behoort tot de vrijheid van het individu.

Dat daarbij de macht, de heersende klasse of meerderheid haar speciale behoeften als voorgeschreven recht doet gelden, is even noodzakelijk, als de mens het hemd nader is dan de rok. Dat echter daarom het voorgeschreven recht voor absoluut recht, voor een onoverkomelijke grens der mensheid gehouden wordt, dunkt ons hoogst overbodig en zelfs schadelijk voor de der toekomst zo noodzakelijke energie van de vooruitgang.