Hal Draper

De mythe van Lenins ‘partijconcept’

of

Wat ze gedaan hebben met Wat te doen



Bron: The Myth of Lenins “Concept of The Party” or What They Did to What Is To Be Done?, 1990
Vertaling: Koenraad Depauw
Eerste Nederlandstalige on line publicatie: Marxisme.net
Deze versie: Taalkundig aangepast door Maarten Vanheuverswyn.
Omzetting naar HTML: Maarten Vanheuverswyn, voor het Marxists Internet Archive, augustus 2004


Inhoud



Afbeelding van Hitler Inleiding

1. Socialistisch bewustzijn en intellectuelen

2. “Beroepsrevolutionairen” en spontaniteit

3. Lenins partijconcept

4. Lenin na Wat te doen (WTD)

5. Naar partijdemocratisering

6. Laatste woorden over WTD

Aanhangsel: Utechins uitgave van Lenins WTD

 

 



Inleiding door Hal Draper

De mythe die ik vandaag beschrijf, is de grondgedachte van wat wij als leninologie kunnen bestempelen: een tak van de Kremlinologie die snel is gegroeid binnen diverse universitaire Russische instituten, doctoraatsprogramma’s, onder de politieke journalisten, etc. Volgens deze stelling vertegenwoordigt Lenins boek van 1902 ‘Wat te doen?’ (afgekort WTD) de essentiële inhoud van zijn “operationele code” of “partijconcept”; de essentie van het bolsjewisme en uiteindelijk het stalinisme liggen zogenaamd op de loer in de pagina’s van dit boek. Het boek is het meest bekende werk over partijorganisatie van het “leninisme”, dat op zijn beurt de oorspronkelijke zonde van het latere totalitarisme in zich zou dragen. Het richt het “leninistische partijtype” op als autoritaire structuur die van bovenaf gecontroleerd wordt door “professionele revolutionairen” van een hogere klasse, heersend over de proletarische massa.

Mijn nadruk zal hier op WTD zelf liggen, en op de meningen en handelingen van Lenin tijdens de periode tussen WTD en de Russische Revolutie. Kwesties die verder opduiken in de onvermijdelijke hoeveelheid vragen zullen niet tot in de puntjes behandeld worden.

Het leninologische basisprincipe wordt tijdens discussies meestal versterkt vanuit twee richtingen. Zoals aangehaald wordt door de prominente (westerse) leninoloog Utechin (zie de toegevoegde nota achteraan dit document), aan WTD een verheven positie gegeven, net zoals in de partijscholen van het stalinistische regime. In feite toont Utechin het basisbelang van WTD aan door de Kremlins officiële “Geschiedenis van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie” op dit punt te citeren. Het werk, zegt Utechin (zoals vele andere leninologen), “werd een handleiding voor zijn aanhangers in zaken zoals organisatie, strategie en tactiek en (...) wordt sindsdien aangehangen door communisten. Lenin zelf paste constant deze opvattingen toe (...) In WTD (...) heeft zijn argument een algemene geldigheid en wordt in feite algemeen toegepast door communisten (...)” [1] Kortom, zowel de westerse leninologen als stalinisten zijn het ermee eens dat het boek van Lenin een totalitaire bijbel was. Wat niet verrassend is, maar dit lost de kwestie niet op.

“Lenin paste zelf constant deze meningen toe”: wij zullen zien hoe ver dit van de waarheid ligt. Mijn onderwerp is niet mijn eigen interpretatie van WTD, maar een overzicht van Lenins eigen visies, vaak als antwoord op de vraag welk belang hij zelf hechtte aan WTD.

Waaruit bestond die mythe van Lenins “partijconcept”, eindeloos herhaald van boek tot boek?

1. Hij zag de partij als hoofdzakelijk bestaande uit “intellectuelen”, gebaseerd op een theorie volgens welke de arbeiders zelf geen socialistisch bewustzijn kunnen ontwikkelen; het socialistische idee wordt altijd en onvermijdelijk ingevoerd in de beweging door burgerlijke intellectuelen;

2. Hij poneerde dat de partij gewoonweg een groep is van “professionele revolutionairen” in tegenstelling tot een brede arbeiderspartij;

3. Hij wees om het even welk element van spontaniteit of spontane beweging af, dit ten gunste van een puur gestuurde revolutie;

4. De mythe stelt ook dat de partij niet democratisch maar als een bureaucratische of semi-militaire hiërarchie werd georganiseerd.

In feite zullen wij zien dat deze beweringen strijdig zijn met de meningen van Lenin zelf, zo vaak door hem herhaald en verklaard, te beginnen met die in WTD. Wij zullen inderdaad met WTD beginnen, waar we iets totaal verschillend van de mythe zullen vinden. Maar belangrijker dan dat, moet men begrijpen dat WTD niet het laatste woord van Lenin was — het was meer zijn eerste woord. Het zijn slechts de leninologen die schrijven alsof WTD het einde van Lenins schrijven over de kwestie was.

Wij zullen bijvoorbeeld zien dat Lenin meer dan eens protesteerde dat zijn aanvankelijke formuleringen in WTD vervormd werden en door tegenstanders verkeerd werden geïnterpreteerd, waarna hij verderging met te verduidelijken en te wijzigen. Als wij Lenins “partijconcept “ willen kennen, moeten wij de formuleringen bekijken waar hij, na discussies en aanvallen, toe kwam. Er is geen enkele prominente leninoloog die ook maar iets van dit materiaal in zijn stelling over WTD als oorsprong van alle kwaad heeft vermeld.

1. Socialistisch bewustzijn en intellectuelen

Laat ons beginnen met de mythe die beweert dat, volgens de mening van Lenin in 1902 en daarna, de arbeiders niet uit zichzelf tot socialistische ideeën kunnen komen, dat slechts burgerlijke intellectuelen de dragers zijn van socialistische ideeën.

We zijn nieuwsgierig om te zien wat WTD eigenlijk op dit punt zei; maar we moeten eerst een inleidend punt maken.

1. Het is een merkwaardig feit dat niemand ooit deze zogenaamde theorie ergens anders in het omvangrijke geschrift van Lenin heeft gevonden, niet vóór en niet na WTD. Het verscheen nooit opnieuw in Lenins schrijven. Geen enkele leninoloog heeft ooit zo’n theorie vanuit een andere plaats in zijn schrijven geciteerd.

Dit zou toch tot nadenken moeten stemmen. Bij een gewoon onderzoek zou een geleerde geneigd zijn om te besluiten dat, zelfs indien Lenin misschien vasthield aan deze theorie in 1902, hij het spoedig verlaten had. De geleerde zou minstens dit interessante feit melden, en misschien zelfs proberen om het te verklaren. Leninologen gedragen zich niet op deze manier. Integendeel, zij herhalen eindeloos dat deze vrijwel onbestaande theorie (onbestaand na WTD) de essentie is van het leninisme voor eens en altijd — hoewel zij nooit iets anders dan WTD citeren. (De verklaring voor dit merkwaardige feit zelf zal naar voren komen in de volgende punten.)

2. Bracht Lenin deze theorie naar voor in WTD? Niet echt!

Het is namelijk zo dat Lenin net deze theorie gelezen had in het meest prestigieuze theoretische marxistische orgaan van de gehele internationale socialistische beweging, de Neue Zeit. Het was naar voren gebracht in een belangrijk artikel door een van de leidende marxistische autoriteiten van de Internationale, Karl Kautsky. Dit is waarom en hoe het in WTD kwam. In WTD parafraseerde Lenin eerst Kautsky [2]

Dan citeerde hij een lange passage van het artikel van Kautsky, bijna een pagina lang. Hier is Kautsky iemand naar wie Lenin toen nog opkeek als naar de meester (sommigen zeiden de “paus”) van socialistische theorie:

Natuurlijk heeft het socialisme, als doctrine, zijn wortels in moderne economische verhoudingen (...) Maar het socialisme en de klassenstrijd ontwikkelen zij aan zij en niet de één uit de andere; elk vindt plaats onder verschillende condities. Modern socialistisch bewustzijn kan zich slechts op basis van diepgaande wetenschappelijke kennis voordoen. Inderdaad, moderne economische wetenschap is evenzeer een voorwaarde voor socialistische productie als moderne technologie, en het proletariaat kan noch het één noch het andere creëren, hoe hard ze het ook wenst te doen; allebei komen uit het moderne sociale proces voort. Het medium voor wetenschap is niet het proletariaat, maar de burgerlijke intelligentsia [nadruk door Kautsky]: het was in hoofden van de individuele leden van deze laag dat het moderne socialisme ontstond, en het waren zij die het aan de meer intellectueel ontwikkelde proletariërs (...) meedeelden. Bijgevolg is het socialistisch bewustzijn iets dat van buitenuit in de proletarische klassenstrijd wordt geïntroduceerd en niet iets dat zich spontaan van binnenin voordeed. [3]

Daar is het — de hele theorie uitgespreid, de duivelse essentie van het “leninisme”; en het blijkt het product van de pen van Kautsky! Toen Lenin het een paar pagina’s voordien parafraseerde, begon hij, “Wij hebben gezegd dat (...)” — hij verbond het namelijk onmiddellijk als de algemeen aanvaarde mening van de beweging (of dat scheen hij te denken). Zijn samenvatting was in geen geval zo onbezonnen zoals de formulering van Kautsky. Maar wij zullen op de formulering van Lenin terugkomen.

Waarom benadrukte Kautsky op dat moment deze mening van de socialistische geschiedenis? De reden is volkomen duidelijk: de nieuwe hervormingsvleugel van de beweging, de revisionisten zoals Bernstein, argumenteerden dat het enige wat nodig was, de aan de gang zijnde beweging van de arbeiders was, en niet theorie; dat de spontane klassenactiviteit van de vakbondsbeweging en andere klassenbewegingen genoeg was. De “beweging is alles, het einddoel is niets” was de uitspraak van Bernstein, daarbij theoretische overwegingen opzijschuivend ten gunste van een kortzichtige concentratie op de dagdagelijkse problemen. De hervorming was de zorg van vandaag (de beweging); de revolutie moest zich tevreden stellen met morgen (theorie). Kautsky’s veralgemening van de rol van de “burgerlijke intelligentsia” in het invoeren van socialistische ideeën in de ruwe klassenbeweging was één manier, in zijn ogen, om de revisionistische benadering te ondergraven. En natuurlijk oefende dit een aantrekkingskracht uit op andere tegenstanders van de nieuwe rechtse vleugel, zoals Lenin.

Het maakt geen deel uit van mijn onderwerp om te verklaren waarom Kautsky in deze redenering werd misleid, en waarom zijn theorie gebaseerd was op een historische halfwaarheid. Maar het is in elk geval merkwaardig dat niemand heeft willen bewijzen dat door deze theorie te lanceren (die hij nooit erkende, voor zover ik weet) Kautsky de basis voor de duivel van het totalitarisme legde.

3. Zo blijkt het dat de essentiële “leninistische” theorie in realiteit een theorie van Kautsky was, en dat is duidelijk genoeg voor iedereen die werkelijk WTD leest in plaats van zich enkel te baseren op de leninologische samenvattingen. Nam Lenin, in WTD, de theorie van Kautsky aan?

Opnieuw, niet echt. Hij probeerde er zeker zoveel mogelijk uit te krijgen om te reageren tegen de rechtse vleugel; dit was de bedoeling van zijn citeren. Als het effectief was voor de polemiek van Kautsky, redeneerde hij zonder twijfel, zou het ook effectief zijn voor hem. Natuurlijk was deze jonge Lenin (nog) niet zo onbezonnen om zijn “paus” aan te vallen of hem openlijk te verbeteren. Maar er was duidelijk een gevoel van ongemak. Terwijl hij een zekere bescheidenheid toonde en probeerde te vermijden dat het leek op een frontale kritiek, nam Lenin twee vrij lange voetnoten op om te verwerpen (of, als u dit wenst, te corrigeren) wat slecht was aan de theorie van Kautsky over de rol van het proletariaat.

De eerste voetnoot werd toegevoegd net na de hierboven geciteerde passage van Kautsky. Het werd specifiek geformuleerd om de theoretische inhoud van Kautsky’s positie te ondermijnen en te verzwakken. Het begon met: “Dit betekent natuurlijk niet dat de arbeiders geen deel hebben in de creatie van een dergelijke ideologie.” Maar dit was precies wat Kautsky bedoelde en zei. Onder het mom van het aanbieden van een voorzichtigheid, stelde Lenin een gematigde mening voor. “Zij [de arbeiders] nemen nochtans deel”, vervolgde Lenins voetnoot, “niet als arbeiders, maar als socialistische theoretici, als Proudhons en Weitlings; met andere woorden, zij nemen deel slechts wanneer zij daartoe in staat zijn (...)“. Kortom, Lenin herinnerde de lezer eraan dat de radicale verklaringen van Kautsky niet honderd procent historisch juist waren; hij verwees naar uitzonderingen. Maar hij ging verder op een belangrijker punt: zodra u voorbij de originele oorsprong van socialistische ideeën gaat, wat is dan de rol van intellectuelen en arbeiders? (Meer hierover in het volgende punt.)

Lenins tweede voetnoot was niet direct gebonden aan het artikel van Kautsky, maar bediscussieerde de “spontaniteit” van het socialistische idee.

“Het wordt vaak gezegd”, begon Lenin, “dat de arbeidersklasse spontaan naar socialisme evolueert. Dit is volkomen waar in de zin dat de socialistische theorie de oorzaken van de ellende van de werkende klasse openbaart (...) en om die reden kunnen de arbeiders het zo gemakkelijk in zich opnemen,”

Maar hij herinnerde eraan dat dit proces zelf niet enkel aan zuivere spontaniteit onderhevig was.

“De arbeidersklasse evolueert spontaan naar socialisme; niettemin, (...) de burgerlijke ideologie legt zich in een nog grotere mate spontaan op aan de arbeidersklasse.” [4]

Deze tweede voetnoot werd duidelijk geschreven om de theorie van Kautsky te wijzigen en te herzien, zonder naar buiten te komen en te zeggen dat de meester verkeerd was. Er zijn verscheidene zaken die “spontaan gebeuren”, maar wat eruit zal worden gewonnen, zal niet enkel beslist worden door spontaniteit! — zo ging de wijziging. Het kan niet sterk genoeg benadrukt worden dat wie de ontwikkeling van de meningen van Lenin over “spontaniteit” analyseert, niet mag blijven steken bij dit stukje in WTD. Men moet eerder gaan onderzoeken hoe precies zijn visies verder ontwikkelen. Wat duidelijk was op dit punt, was dat Lenin gerechtvaardigd ontevreden was met de formulering van de theorie van Kautsky, hoe gemakkelijk deze theorie ook was tegenover de opvattingen van Bernstein. Wij zullen hierna verder ingaan op deze ontevredenheid.

4. Zelfs Kautsky’s theorie, zoals geciteerd in WTD, was niet zo bot als leninologen het willen doen lijken (terwijl ze dit Lenins theorie noemen). Leninologen stellen twee verschillende vragen samen: (a) Wat was, historisch gezien, de rol van intellectuelen in het begin van de socialistische beweging, en (b) wat is, en vooral wat zou de rol van burgerlijke intellectuelen in een arbeiderspartij vandaag moeten zijn?

Kautsky was niet zo onwetend of stompzinnig te geloven (zoals zoveel leninologen wel blijkbaar) dat als men kan aantonen dat de intellectuelen historisch een bepaalde initiërende rol speelden, zij dezelfde rol steeds zullen moeten blijven spelen. Daaruit volgt niet dat als de werkende klasse rijpt, het neigt om haar leidinggevende banden weg te werpen. Leninologen debatteren niet over dit punt omdat zij niet zien dat het daar is. In feite had niemand in de Internationale van 1902 echt twijfels over de historische feiten betreffende het begin van de beweging. Maar wat volgde op die feiten? Marx bijvoorbeeld (of Marx en Engels) concludeerde, vanuit dezelfde feiten en verdere ervaringen, dat de beweging streng voor de invloed van burgerlijke intellectuelen binnen de partij moest worden gewaarschuwd [5] “Precies in Duitsland zijn dit de gevaarlijkste mensen”, stelden zij. De historische feiten waren een van de vele redenen om de gevaren ernstig te nemen, om de overheersing van intellectuelen als sociale laag in de beweging te bestrijden.

5. Niemand in de internationale beweging was krachtiger of frequenter dan Lenin in het bekritiseren van en in het bestrijden van de verspreiding van de invloed van intellectuelen in de beweging. Dit is gemakkelijk aan te tonen, maar ik zal niet de ruimte nemen om dit hier te doen. In elk geval zou een aantal welgekozen voorbeelden niet genoeg zijn. Enkel de meest rancuneuze passages selecteren, zou een boek vullen. Tegenover dit onbetwistbare feit moeten we een vraag stellen: kan iemand om het even welke passage aanhalen waarin Lenin ooit verhoogde invloed, of overheersende invloed, van intellectuelen in de partij bepleitte?

Er is werkelijk geen dergelijke passage. Niets hierover wordt geciteerd door leninologen. Hun hele argumentatie rond dit punt is gebaseerd op een conclusie (van hen) van een theorie in WTD die hoofdzakelijk van Kautsky is, zo blijkt. Wij weten inderdaad dat de typische sociaaldemocratische reformistische partij sterk van bovenaf gedomineerd wordt door burgerlijke intellectuelen. Wij zien de leiders van deze partijen niet deze situatie aan de kaak stellen. Enerzijds zitten Lenins verzamelde werken propvol van veroordelingen van verhoogde invloed van intellectuelen. Het is duidelijk dat dit niet de kwestie regelt, maar nog minder is het redelijk om de hele kwestie tegen Lenin, rond dit punt, vrijwel volledig te baseren op wat niet in Lenins boek van 1902 staat.

In de Russische beweging begonnen de veroordelingen van intellectuelen in de beweging, door de marxistische linkerzijde, met het oprichtingscongres van de Russische Sociaal-Democratische Partij van de Arbeid zelf (het congres waar WTD zich naar richtte). Sterker nog, de splitsing tussen bolsjewieken en mensjewieken over de bekende lidmaatschapsregel (wie kon partijlid worden) werd direct verbonden aan de bezorgdheid van de mensjewieken om het voor onafhankelijke intellectuelen gemakkelijker te maken om als leden worden aanschouwd, terwijl Lenin vocht om dit moeilijker te maken. (Dit wordt nauwelijks betwist.) De leninologische mythe die, volgens Lenins “partijconcept”, zegt dat de organisatie enkel of hoofdzakelijk of grotendeels uit burgerlijke intellectuelen moet bestaan, is in strijd met de feiten.

6. Ten slotte, aangezien men beweert dat deze kwestie van “partijconcept” kenmerkend is voor Lenin en het leninisme, zouden wij dus moeten vinden dat dit niet waar is voor andere Russische socialistische partijen — de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen. Maar juist het omgekeerde is waar. Dit is het duidelijkst met betrekking tot de sociaal-revolutionairen. Deze partij streefde ernaar om de belangen en mentaliteit van de boeren te vertegenwoordigen, maar het was verre van een partij van boeren. Het was onmiskenbaar een partij die overwegend uit burgerlijke intelligentsia was samengesteld. (Je hoeft enkel het belangrijkste geleerde werk over de sociaal-revolutionairen van O.H. Radkey maar te lezen.) Het aandeel van burgerlijke intellectuelen bij de mensjewieken of de steun aan de mensjewieken was groter dan in het geval van de bolsjewieken, en niet minder.

2. “Beroepsrevolutionairen” en spontaniteit

Laat ons eens kijken naar de tweede stelling: dat het leninistische “partijconcept” vereist dat de partij uitsluitend zou bestaan uit zogenaamde beroepsrevolutionairen. Deze stelling werd door tegenstanders “afgeleid” uit WTD. Van zodra deze conclusie getrokken werd, ontkende Lenin onmiddellijk dat hij een partij van uitsluitend beroepsrevolutionairen wou. De leninologen herhalen echter eindeloos deze verkeerde conclusie en ze zijn er zich blijkbaar niet van bewust dat Lenin zich daar consistent tegen heeft verzet.

Een van de moeilijkheden (niet van Lenin) is dat er, zoals gewoonlijk, in zijn naam verschillende vragen verward worden. In de eerste plaats de context waarin gewerkt moest worden, namelijk het illegale karakter van alle revolutionaire partijen in Rusland. Het ging er niet om een algemeen ahistorisch partijconcept te bieden met een formule voor eender welk land op om het even welk moment. WTD vroeg gewoon wat er gedaan moest worden in dit autocratisch tsarisme in het jaar 1902. Welke visies je daarover ook kan bespeuren in WTD, het is gewoon verkeerd ze te beschouwen als een algemeen geldend organisatieprogramma, los van land of tijdspanne.

In WTD bediscussieerde Lenin de nood aan een “kern” van beroepsrevolutionairen in de partij om efficiënt te functioneren — om te vermijden dat de geschiedenis van de partij louter de ene verbanning van revolutionairen naar Siberië na de andere zou worden. Een groot deel van de leninologische mythe berust op een verkeerd begrepen definitie van het woord beroepsrevolutionair. De leninologen blijken aan te nemen dat een beroepsrevolutionair voor Lenin een fulltimer is die al zijn tijd wijdt aan partijactiviteiten. Dit is vanuit Lenins standpunt absurd, het zou inderdaad arbeiders uitsluiten, zoals de leninologen er zelf uit afleiden.

Het is gemakkelijk via latere discussies van Lenin aan te tonen, dat hij met de term beroepsrevolutionair bedoelde: “een partijactivist die het meeste van (liefst volledig) zijn vrije tijd besteed aan revolutionair werk.” De beroepsrevolutionair beschouwt zijn revolutionaire activiteiten als de kern van zijn leven (of levensstijl, als je wil). Hij moet werken om zijn boterham te verdienen, natuurlijk, maar dit is niet de kern van zijn bestaan. Zo iemand is een beroepsrevolutionair.

Ik ben gaan geloven dat de verwarring daarover voortkomt uit het belangrijke verschil in betekenis van “professioneel” in het Engels en die in de meeste continentale talen. In het Frans (en ik denk dat het Duits etc. daar direct van afstamt) verwijst “professioneel” eenvoudig naar bezigheid (occupatie). Terwijl in het Engels alleen advocaten, dokters en andere erkende “professies” kunnen zeggen dat ze een “professionele” activiteit hebben, kan je dit in het Frans zeggen over om het even welke bezigheid, het verwijst eenvoudig naar een occupationele activiteit. In het Engels moet een beroepsrevolutionair even fulltime daar mee bezig zijn als een dokter of een advocaat. (Natuurlijk geldt dit niet voor niet-Engelse leninologen en is het slechts één factor in de verwarring.)

Het volgt uit Lenins visie dat zelfs de kern van beroepsrevolutionairen niet noodzakelijk verondersteld werden voltijdse partijactivisten te zijn, wat meestal functionarissen betekent. (Het aantal functionarissen in een revolutionaire groep is een kwestie van haar eigen geschiedenis, maar dit is niet het onderwerp van deze tekst.) De reden waarom beroepsrevolutionairen gedefinieerd worden als fulltimers, functionarissen, is om de conclusie te kunnen vervalsen en af te leiden dat alleen niet-arbeiders tot de partij-elite kunnen behoren, alleen intellectuelen dus. Deze conclusie is een uitvinding van leninologen, en geenszins gebaseerd op Lenin zelf.

Lenins standpunt is dat beroepsrevolutionaire arbeiders belangrijk waren voor de beweging om twee redenen. Eén is duidelijk: de grote hoeveelheid tijd en activiteit die ze kunnen wijden aan het werk van de beweging. Een professionele revolutionair bekijkt zelfs zijn job in functie van de mogelijkheden die er zijn om aan socialistische en syndicale propaganda en activiteiten te doen. Het tweede aspect, sterk benadrukt door Lenin, was dat een arbeider getraind kan worden in revolutionair werk, meerbepaald vorming, cursussen in zelfontwikkeling, hoe te opereren als revolutionair. De professionele revolutionaire arbeider was een gevormde revolutionaire arbeider.

Lenin begreep heel goed dat enkel een kern van de partij kon bestaan uit zulke elementen. Het enige wat hij stelde was dat, hoe meer zulke lieden een partij had, hoe efficiënter ze werkte. Dit staat ver van de leninologische mythe.

Zo ook zijn de mythen over de tegenstelling tussen de “theorie van de spontaniteit” en “bewuste organisatie” het resultaat van eenvoudigweg niet begrijpen wat eigenlijk het probleem was. Niemand in de beweging, zeker Lenin niet, had enige twijfel over de positieve rol die spontaniteit, spontane revoltes, gevechten etc. speelden. (Als we over een revolte zeggen dat deze spontaan was, bedoelen we meestal dat we eigenlijk niet weten hoe ze georganiseerd werd en door wie.)

Waartegen Lenin ageerde in WTD was de verheerlijking van spontaniteit omwille van de spontaniteit; omdat deze verheerlijking georganiseerde activiteiten of partijwerk en leiderschap verwierp. Deze houding was eigen aan anarchisten, maar werd ook gretig overgenomen door extreme reformisten als een rookgordijn voor hun afkeer tegen onafhankelijke organisaties van de arbeidersklasse. Volgens de Russische “Economisten” (die enkel economische actie verdedigden) was er geen revolutionaire partij nodig en moest deze partij geliquideerd worden; in deze context was de verheerlijking van “spontaniteit” eenvoudigweg een manier om iets tegenover de politiek georganiseerde strijd van de arbeidersklasse te stellen.

De stelling dat Lenin vijandig was tegenover spontaniteit is pure nonsens. Telkens een leninoloog probeert om Lenin op dat punt vast te pinnen, baseert hij zich in werkelijkheid op Lenins argumenten tegen het louter overlaten aan de spontaniteit om ooit eens het socialisme te bereiken. Lenin verdedigde het standpunt dat de spontane actie van het volk geïntegreerd moet worden met de politieke leiding door gevormde socialistische arbeiders, en een deel van die vorming was juist de capaciteit om van de spontane strijd gebruik te maken om een stap voorwaarts te zetten wanneer ze zich voordeed. De overgrote meerderheid van de Internationale zou het daarmee roerend eens zijn. Daar was dus niets specifiek leninistisch aan, tenzij Lenins duidelijkheid over dat punt in vergelijking met het wazige denken van de reformisten.

3. Lenins partijconcept

We zullen nog Lenins latere commentaar op ‘Wat te doen’ behandelen, maar eerst is een historische inleiding noodzakelijk.

De lezer van ‘Wat te doen’ moet begrijpen dat als de tekst een typische leninistische visie van het partijconcept omschrijft, Lenin zich daar niet van bewust was op dat ogenblik. Hij dacht dat hij een visie op partij en beweging gaf die in overeenstemming was met sommige van de beste partijen van de Internationale, vooral de Duitse partij onder leiding van August Bebel. Uiteraard moet rekening gehouden worden met het verschil dat de Russische beweging illegaal moest werken onder een autocratisch systeem.

De naïeve leninoloog zou er kunnen van uitgaan dat Lenin sprak over een supergecentraliseerde organisatie wanneer hij het had over “centralisatie” of “centralisme”. Maar eigenlijk bedoelden de Russen (en de anderen) hiermee niets anders dan wat de Duitsers ooit bedoelden toen “Duitsland” een louter geografische omschrijving was, verdeeld in een dertigtal staten en staatjes. Wanneer er totaal geen centrum was, was de vraag naar “centralisme” een oproep om een centrum te bepalen. In 1902 was er geen sprake van een partij die alle Russen verenigde. Een eerste congres had plaatsgevonden in 1898 maar had tot niets geleid. De Russische beweging bestond uit geïsoleerde kringen, regionale conglomeraten, fabrieksgroepen die onderling niet verbonden waren, enz. Er was geen centrum en eigenlijk was er ook geen echte “partij”. Het tweede congres, voorzien voor 1903, zou hopelijk voor het eerst een georganiseerde partij voor alle Russen tot stand brengen. Dit was de situatie toen Lenin in 1902 zijn boek schreef.

Het doel van het congres was om eindelijk een “centrum” te realiseren. Een centrale organisatie bestond nog niet. Iedereen die het congres voorbereidde was voorstander van een centralisatie van de bestaande gedecentraliseerde kringen binnen Rusland. Dit was wat “centralisatie” betekende in die omstandigheden. Maar zowel toen als nu was het nogal ambigu.

De Duitse partij was ook een tijdje illegaal geweest, van 1878 tot 1890 en gedurende deze periode waren haar democratische praktijken verre van ideaal. Een van de belangrijkste kenmerken in Duitsland was de dominantie van praktisch partijwerk, voor zover het mogelijk was, maar niet door het verkozen Nationaal Uitvoerend Bestuur maar door de fractie van verkozenen in de Reichstag die legaal gebleven waren. Maar deze fractie was nooit democratisch verkozen door de partij; de verkozenen waren verkozen door lokale kiezers. Marx en Engels stonden wantrouwig tegenover wat zij de “dictatuur” van de Reichstagmandatarissen noemden; maar deze situatie werd algemeen aanvaard wegens de praktische werkbaarheid.

De evolutie van Rusland tussen 1902 en 1914 maakte — achteraf bekeken — duidelijk dat er iets specifiek was aan de Lenins partijconcept, ook al was hij er zich niet bewust van. Er zijn daarbij twee belangrijke elementen waarop hieronder zal worden ingegaan.

3.1 Sektarisme of massapartij

Doorheen de evolutie van de socialistische beweging, is er een tendens geweest van socialistische bewegingen die zichzelf onderscheiden hadden en zich organiseerden als een “sekte”. Het alternatief hierop is om te werken als een stroming binnen een klassenbeweging.

Het onderscheid tussen deze organisatorische vormen moet heel duidelijk zijn. De klassenbeweging baseert zich op haar rol in de klassenstrijd; de sekte baseert zich op, en wordt bijeengehouden door, haar specifieke ideeën of programma. Bij het begin van de geschiedenis van de socialistische beweging waren er vooral sekten (voortzetting van de traditie van religieuze bewegingen). Het was enkel de verdere ontwikkeling van de arbeidersklasse die leidde tot het ontstaan van massapartijen die zich wilden vertegenwoordigen binnen de klasse zelf.

Een goed voorbeeld van de klassenbeweging (als tegengesteld aan de sekte) werd gegeven door de Eerste Internationale die de sektelijnen doorbrak (bij het ontstaan stond socialisme zelfs niet in het programma). In de vorm die Marx tot stand bracht, werd gezocht om de volledige arbeidersklasse in al haar vormen, bijeen te brengen. Dit kenmerk werd ook overgenomen door de Tweede Internationale, behalve dat vakbonden niet aangesloten waren.

In Frankrijk duurde de fragmentering via sekten nog tot 1905, totdat een eengemaakte Socialistische Partij werd opgericht. In Duitsland verdween de lassaleaanse sekte snel van het toneel, in 1875. Er bleven echter sekten actief in verschillende landen, zoals de Sociaal-Democratische Federatie in Engeland, die beweerde het “revolutionair socialisme” te verdedigen.

In 1902, toen Lenin ‘Wat te doen’ schreef, was er een groot verschil tussen Duitsland en Rusland: in Duitsland domineerde de revolutionaire vleugel (zoals die door Lenin gezien werd) de partij, in tegenstelling tot Rusland waar de rechtervleugel de dominante factor was.

Lenins antwoord hierop was NIET om de revolutionaire vleugel te organiseren buiten de algemene beweging. Als we de volledige periode tot 1914 bekijken, heeft Lenin er eigenlijk nooit voor gepleit om een leninistische sekte op te richten. (De theorie van ‘revolutionair’ sektarisme was een gevolg van de degeneratie van de Comintern waarbij er een “leninistisch” principe van gemaakt werd; voor 1917 werd de theorie levend gehouden in de marges van de tweede internationale en binnen de anarchistische beweging.)

De koers die de jonge Lenin voorstelde was de normale koers binnen de Internationale: hij wou de revolutionaire stroming organiseren als het politieke centrum binnen de massapartij (of wat de massapartij zou kunnen worden wanneer het tweede congres succesvol zou zijn). De meeste politieke centra in de socialistische beweging (sekten buiten beschouwing gelaten) waren stromingen rond periodieke organen. Dit was bijvoorbeeld het geval in Duitsland. Wanneer Lenin in ballingschap ging, heeft hij geen leninistische sekte opgericht; hij ging naar de redactieraad van Iskra die geen lidmaatschapsbeweging was. Zelfs na de splitsing tussen mensjewieken en bolsjewieken, en nog vele jaren daarna (zeker tot kort voor WO I) wezen de termen mensjewieken en bolsjewieken op een politiek centrum binnen de massapartij RSDLP, en niet op een lidmaatschapsorganisatie.

3.2 Splitsing en eenheid

Dit is het tweede belangrijke aspect van Lenins partijconcept. Ten aanzien hiervan zijn er drie verschillende benaderingen:

1. Sommigen vinden dat een splitsing absoluut noodzakelijk is; in die zin dat de revolutionaire vleugel zich moet afscheuren van de reformistische partij op het meest opportune moment, en haar eigen sekte moet organiseren. Dit is de karakteristieke theorie eigen aan het sektarisme.

2. Anderen (en die waren veel talrijker) geloofden in eenheid tegen elke kostprijs. De eenheid van de sociaaldemocratische partij mocht nooit gebroken worden en een breuk betekende volgens hen een absolute ramp. Dit is het tegenovergestelde van de eerste benadering: de fetisj van de eenheid.

Deze benadering was prominent aanwezig binnen de Eerste Internationale, de Duitse partij inbegrepen. In de praktijk betekende het een aanpassing aan de rechtervleugel; zelfs door een linkse meerderheid. Als de rechtervleugel overtuigd moest worden van het vermijden van een splitsing, dan moest de linkervleugel toegevingen doen; om zo de rechtervleugel binnen de partij te houden. Eén van de meest duidelijke voorbeelden hiervan speelde zich af binnen de Russische partij kort na het Congres van 1903 waar de linkse meerderheid van Lenin de meerderheid won met de steun van Plechanov. De mensjewistische minderheid splitste zich af als gevolg hiervan. Onder druk veranderde Plechanov van mening en vroeg dat de meerderheid van de redactieraad van Iskra terug overgedragen werd aan de mensjewieken, in het belang van de “eenheid”. Samengevat: hadden de mensjewieken de meerderheid gewonnen, dan zou Lenin wellicht als een minderheid verder blijven werken hebben binnen de partij; maar als links wint, staat de rechtervleugel op haar achterste poten en moet links in naam van de eenheid de controle terug overgevenů

3. De aanpak van Lenin was verschillend: hij stelde dat waar links de meerderheid behaalde, zij het recht hadden om haar eigen beleid te blijven voeren net zoals de rechtervleugel dit deed. De tegenstellingen tussen mensjewieken en bolsjewieken werden nog scherper wanneer Lenin de vraag van Plechanov om de uitkomst van het congres terug om te keren, verwierp.

Deze aanpak was dus: eenheid, ja, maar niet om de overwinning van de meerderheid te verijdelen. Eenheid ja, maar op dezelfde democratische basis als altijd: de rechterzijde kon steeds proberen om tegen het volgende congres opnieuw een meerderheid te bekomen; maar ze kunnen niet zomaar politieke toegevingen eisen om een splitsing te voorkomen.

Een van de belangrijkste periodes in Lenins leven, die door de leninologen nogal verbloemd wordt, is de periode na het tweede congres en Plechanovs ommezwaai. Men zou eigenlijk deel 6 en 7 van Lenins verzamelde werken moeten lezen om te weten hoe hij de breuk met pijn in het hart zag aankomen en hoe hij alles in het werk stelde om de splitsing met de mensjewieken te voorkomen door zich te baseren op volledige democratische rechten voor iedereen. Iedere keer opnieuw waren het de mensjewieken die eenheid op deze basis of elke andere basis die hen de partijcontrole zou doen verliezen op het tweede congres, verwierpen. De eerste test kwam er uiteraard op het congres zelf toen de mensjewieken zich afsplitsten toen Lenin de meerderheid van de stemmen haalde. Dit gebeurde nadat rechtse elementen het congres verlieten omwille van hun eigen politieke redenen. De bewering dat het de bolsjewieken waren die zich afsplitsten is een van de mythes van de leninologie.

Dit alles werd getest tijdens de periode na de revolutie van 1905 die het politieke leven in Rusland voor een tijdje openbrak. Legale organisaties en open verkiezingen waren tijdelijk mogelijk. In deze situatie kwam de kwestie van eenheid tussen mensjewieken en bolsjewieken terug op de voorgrond. Hierover meer in hoofdstuk 5.

4. Lenin na WTD

In de eerste twee delen bespraken we wat in WTD staat en wat er niet staat; maar, zoals vermeld werd, is daarmee de kwestie van Lenins houding tegenover WTD niet afgehandeld. Een deel van de leninologische mythe is het idee dat het ‘partijconcept’ in WTD (wat dit ook moge zijn) het permanent en blijvend standpunt is van Lenin, dat hij van toen af aan consistent toepaste. Het is daarom nuttig om eens te kijken wat Lenin in de daaropvolgende jaren dacht over WTD.

Eén ding is zeker, we zullen zien dat vanaf de publicatie van WTD tot ten minste de Russische Revolutie van 1917 Lenin erop aandrong dat zijn werk van 1902 geen bijbelse uiteenzetting was van een modelvorm voor een partijorganisatie, maar eenvoudig een organisatorisch plan voor die tijd en die plaats. Het was bedoeld voor (a) een ondergrondse beweging die in het geheim functioneerde in de omstandigheden van een autocratie, en (b) een beweging die nog niet geslaagd was in het vormen van een nationaal organiserend centrum in haar eigen land, in tegenstelling tot de meeste sociaaldemocratische partijen in Europa. Dit plan van 1902 was daarom niet automatisch toepasbaar in andere situaties — voor andere plaatsen in Europa, of voor andere periodes in Rusland, waar meer ruimte was voor politieke vrijheid. Dit plan was tijdsgebonden en plaatsbepaald.

In zijn “Brief aan een kameraad over onze organisatorische taken”, in september 1902, hetzij een aantal maanden na de publicatie van WTD, verklaarde Lenin meer dan eens dat de nodige organisatievormen bepaald worden door de belangen van geheimhouding en begrensd door het bestaan van de autocratie [6] Maar op dat moment waren zijn latere tegenstanders, zoals Martov en Plechanov, het met hem eens in het bekijken van de ideeën van WTD als de onvermijdelijke conclusies voor de strijd van een ernstige revolutionaire ondergrondse beweging. Het was enkel door een meningsverschil op andere gronden dat deze tegenstanders, en hun volgelingen, begonnen in WTD te lezen en alles zochten wat ze dachten dat sinister was in Lenins gedachtegoed, met inbegrip van zijn onverklaarbare weigering om de meerderheid van het congres over te geven aan de minderheid van het congres.

Reeds op het tweede congres zelf, voor de uiteindelijke splitsing, had Lenin kritisch gepleit om de WTD-passages niet los te rukken van de context. Hierdoor benadrukte hij het eerste punt dat hierboven werd aangehaald, namelijk dat WTD niet bedoeld was om principes van partijorganisatie voor te stellen. De discussie over WTD, zei hij optimistisch, had alle vragen verduidelijkt:

“Het is duidelijk dat hier een episode in de strijd tegen het ‘economisme’ verward wordt met een discussie over de principes van een belangrijke theoretische kwestie (de vorming van een ideologie). Verder is deze episode voorgesteld tegen een volledig vals licht. [7]

Hij confronteerde onmiddellijk de eis over het ondergeschikt maken van de arbeidersklasse aan de burgerlijke intellectuelen:

“Men beweert dat Lenin niets zegt over om het even welke conflicterende tendensen, maar wel categorisch bevestigt dat de arbeidersbeweging onveranderlijk neigt te bezwijken aan burgerlijke ideologie. Is dit zo? Heb ik niet gezegd dat de arbeidersbeweging naar de burgerlijke vooruitzichten wordt getrokken met de welwillende hulp van de Schulze-Delitzches en anderen zoals hen? En wie wordt bedoeld met ‘anderen zoals hen’? Niemand anders dan de “economisten”...

Dit was een verdere stap in het toevoegen van kwalificaties aan de theorie van Kautsky, zonder te breken met Kautsky. Hij voegde zelfs een ernstiger kwalificatie toe:

“Lenin [“zo wordt beweerd”, zegt Lenin] houdt helemaal geen rekening met het feit dat ook arbeiders een aandeel hebben in de vorming van een ideologie. Is dat zo? Heb ik niet telkens opnieuw gezegd dat het tekort aan volledig klassenbewuste arbeiders, arbeiderleiders, en arbeiders-revolutionairen, in feite de grootste tekortkoming is van onze beweging? Heb ik niet gezegd dat de opleiding van zulke arbeidersrevolutionairen onze meest directe taak moet zijn? Is er geen vermelding van het belang van de ontwikkeling van een vakbondsbeweging en de creatie van een specifieke vakbondsliteratuur? [8]

En om deze zelfde toespraak te beëindigen, maakt Lenin een punt dat erg belangrijk is:

Om te besluiten. We weten allen dat de ‘economisten’ naar één uiterste zijn gegaan. Om dit recht te trekken, moet er iemand naar de andere richting trekken, en dat is wat ik gedaan heb.” [9]

Dit is het belangrijkste wat Lenin deed in WTD. Gedurende zijn leven was het een constant patroon om de boog in een andere richting te buigen om onmiddellijk gevaarlijke druk terug te duwen. Zijn metafoor in deze situaties was vaak ‘het roer in de andere richting te draaien’ om de gevaarlijke druk te compenseren. Persoonlijk ben ik geen voorstander van deze methode, hoewel ik toegeef dat het een logische methode is. Ik denk dat een boog die in verschillende richtingen wordt gebogen, aangewezen is om uit vorm te worden gebogen. Maar het is een vaak gebruikte toevlucht voor mensen van alle politieke kleuren, en vraagt slechts om begrip. In Lenins geval is het een feit dat begrip vraagt, vooral wanneer hij specifiek het patroon in vele woorden verklaart, wat hij vaak genoeg deed. En om het even welke leninoloog die dit weigert te begrijpen, is op weg naar het schrijven van een heleboel onzin.

We zijn nog steeds op het tweede congres. Op 15 augustus werd Lenins eerste toespraak in de discussie over de statuten samengevat in 9 lijnen. Het grootste deel werd gewijd aan het volgende:

“Men moet niet veronderstellen dat partijorganisaties enkel moeten bestaan uit professionele revolutionairen. We hebben nood aan de meest diverse organisaties van alle types, rangen en schakeringen, beginnend met uiterste beperkte en geheime en eindigend met zeer brede, vrije, losse organisaties.” [10]

Hij kon niet explicieter geweest zijn in het verbeteren van elke valse indruk die zou kunnen voortgekomen zijn uit zijn ‘boog-buigen’ in WTD. Lenin herhaalde deze verduidelijking in zijn tweede toespraak die dag:

“Kameraad Trotski begreep het voornaamste idee van mijn boek ‘Wat te Doen’ compleet verkeerd toen hij sprak over de partij die geen samenzweringsorganisatie is (zoals velen die ook dit bezwaar maakten). Hij vergat dat ik in mijn boek een aantal verschillende partijorganisaties voorstel, van de meest geheime en meest exclusieve tot betrekkelijk brede en losse organisaties.” [11]

Als er wordt beweerd dat dit niet duidelijk was in WTD, dan is dat op zich geen probleem. Het is net de bedoeling van discussie om te verduidelijken en standpunten aan te passen. Lenin verduidelijkt en wijzigt, niet enkel later maar juist ook in de congresdiscussie.

Er kan gezegd worden dat als WTD door zo velen misbegrepen werd, dat daar een reden voor moet zijn. Dat is correct. Er was meer dan één reden, en de eerste is reeds vermeld: Lenins “boog-buigen”. Daarnaast is er een wil om verkeerd te begrijpen, zoals dit er vandaag nog is. Van een objectieve wetenschapper, die vandaag schrijft met het voordeel van een breder perspectief en volledigere documentatie, zou echter verwacht moeten worden dat hij Lenins herhaalde pogingen om zijn standpunten te verduidelijken en te wijzigen (kwalificeren en herzien), uiteenzet en afweegt. Wat typisch is aan de eigentijdse leninologie is dat het Lenins verduidelijkingen negeert ten gunste van een zuivere achtervolging van “de duivel”.

Lenin, zeiden we, was niet aan het denken in termen van een algemeen ‘concept van een partijorganisatie’. Toen Rosa Luxemburg in een artikel van 1904 in de Neue Zeit zijn ideeën aanviel, zoals uiteengezet in zijn brochure ‘Eén stap voorwaarts, twee stappen terug’ handelend over het tweede congres, schreef Lenin een antwoord dat eerder mild protesteerde — wablief? Hij schreef niet dat hij gelijk had, maar dat hij niet de standpunten had die Luxemburg aan hem toeschreef. [12] Dit is wat Lenin schreef:

“Kameraad Luxemburg zegt, bijvoorbeeld, dat mijn boek een duidelijke en gedetailleerde uitdrukking is van het standpunt van ‘onverzettelijk centralisme’. Kameraad Luxemburg veronderstelt zo dat ik één systeem van organisatie verdedig tegenover een ander. Maar eigenlijk is dat niet zo. Van de eerste tot de laatste pagina van mijn boek verdedig ik de elementaire principes van om het even welk denkbaar systeem van partijorganisatie.” [13]

Lenin dacht namelijk dat hij enkel de vormen aan het uitdenken was van om het even welke partij die kon bestaan onder de gegeven omstandigheden in Rusland.

Rosa Luxemburg zegt verder dat: “volgens zijn (Lenins) voorstelling, heeft het Centraal Comité het recht om alle lokale partijcomités te organiseren”. In feite is dat niet zo (...) Kameraad Luxemburg zegt dat volgens mijn mening “het Centraal Comité de enige actieve kern van de partij is”. In feite is dat niet zo. Ik heb nooit zo’n mening bepleit (...) Kameraad Rosa Luxemburg zegt (...) dat de hele controverse gaat over het niveau van centralisatie. In feite is dat niet zo (...) onze controverse handelde hoofdzakelijk over de vraag of het Centraal Comité en het Centraal Orgaan de tendens van de meerderheid van het partijcongres moeten vertegenwoordigen, of dat ze dit niet moeten doen. Over deze ‘ultracentralistische’ en ‘zuivere blanquistische’ eis zegt de geachte kameraad niets, zij verkiest om te declameren tegen mechanische ondergeschiktheid van het deel aan het geheel, tegen slaafse onderwerping, blinde gehoorzaamheid, en andere dergelijke schrikbeelden (...) Kameraad Luxemburg legt mij het idee in de mond dat alle omstandigheden in Rusland al aanwezig zijn om een grote en uiterst gecentraliseerde arbeiderspartij te vormen. Opnieuw een feitelijke fout (...)” [14]

En zo verder. A propos, iedereen die denkt dat Rosa Luxemburg een heilige engel was in interne partijschermutselingen is naïef. Hier verkocht ze ofwel wrede laster, van het soort waar ze vertrouwd genoeg mee was in de Poolse beweging, of anders moet aangetoond worden dat Lenin die meningen bepleitte, waarvan zij hem beschuldigde. Dit laatste werd niet gedaan.

5. Naar partijdemocratisering

Laat ons de demonologie (duivelsleer) ter zijde schuiven. We moeten vaststellen dat, in de periode vanaf de opstand in 1905, wanneer de situatie in Rusland verandert en de druk van de autocratie lichter wordt, Lenins “partijconcept” drastisch verandert, aangepast wordt aan de nieuwe condities — zoals we zouden verwachten wanneer we zijn protesten serieus nemen.

Reeds in februari 1905 schrijft Lenin in een ontwerpresolutie voor het derde partijcongres: “Onder de condities van politieke vrijheid, kan en zal onze partij volledig gebaseerd zijn op het verkiezingsprincipe. Onder de autocratie is dit onwerkbaar voor de collectieve duizenden die deel uitmaken van de partij”. [15] In september 1905 prijst hij de Duitse partij als “de beste wat organisatie, volledigheid en coherentie betreft” en verwijst hij naar haar beslissingsmethodes als “hoogst voorbeeldig voor ons Russen”:

“Niet zolang geleden eisten organisatorische vraagstukken een disproportioneel groot deel van de partijaandacht op, en in zekere mate is dit nu nog steeds zo. Sinds het derde congres hebben zich twee organisatorische tendensen van elkaar onderscheiden. De ene gaat in de richting van consistent centralisme en consistente uitbreiding van het democratisch principe qua partijorganisatie, niet uit demagogie of omdat het goed klinkt, maar om het effectief in de praktijk te brengen naarmate er meer ruimte komt voor sociaaldemocratische activiteiten in Rusland. De andere tendens gaat in de richting van versplintering van organisatie, “vaagheid van organisatie” (...) [16]

In november 1905 stelde hij in een artikel dat de socialistische arbeider “weet dat er geen andere weg naar het socialisme is dan de weg van de democratie, de politieke vrijheden. Daarom streeft hij naar de complete democratisering consistent met het uiteindelijke doel — socialisme.” [17] Dezelfde maand publiceert hij een belangrijk essay, getiteld “De reorganisatie van de partij”. Daarin verwijst hij naar een nieuw partijcongres om de partij “op een nieuwe basis” te organiseren.

Dit artikel ging onmiddellijk naar haar hoofdpunt: “De condities waaronder onze partij functioneert veranderen radicaal. Vrijheid van vereniging en persvrijheid zijn afgedwongen.” [18] Wat volgt daaruit? Lenin antwoordde: “een nieuwe manier van organiseren” (...) “nieuwe methodes” (...) “een nieuwe lijn.”

Wij, de vertegenwoordigers van de revolutionaire sociaaldemocratie, de aanhangers van de meerderheid (bolsjewieken), hebben herhaaldelijk gezegd dat volledige democratisering van de partij onmogelijk was ten tijde van ondergronds werk, en dat in die condities het “verkiezingsprincipe” louter een holle frase was. De ervaring heeft onze woorden bevestigd. (...) Maar wij bolsjewieken hebben altijd erkend dat onder nieuwe condities, waarin politieke vrijheden verworven worden, het essentieel is het “verkiezingsprincipe” aan te nemen. [19]

Men moet goed weten dat de onwerkbaarheid van open verkiezingen van de lokale leidinggevende comités in de clandestiniteit geen bijzonderheid was van de bolsjewieken; de geheime politie maakte het evenzeer moeilijk voor de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen.

Onze partij [schreef Lenin] is gestagneerd toen we ondergronds werkten (...) De “ondergrond” breekt open. Vooruit dan, (...) verbreed je basis, verzamel al de sociaaldemocratische arbeiders rond je, lijf hen met honderden en duizenden in de rangen van de partijorganisaties in. [20]

Dit waren natuurlijk “nieuwe methoden” in Rusland, maar onder de burgerlijke democratische regimes van West Europa was dit al veel vroeger mogelijk. Lenin zag altijd al de Duitse sociaaldemocratie als een organisatorisch model; nu kon de Russische sociaaldemocratie dit overnemen.

De beslissing van het Centraal Comité (...) is een beslissende stap in de richting van de volledige toepassing het democratisch principe in de partijorganisatie. [21]

Alle kameraden, voegde hij eraan toe, moeten “nieuwe vormen van organisatie bedenken” om een nieuwe instroom van arbeiders toe te laten, nieuwe vormen die breder zijn dan de oude, “minder rigide, meer vrij, losser”.

“Met complete vrijheid van vereniging en burgerrechten moeten we uiteraard ook sociaaldemocratische vakbonden oprichten.” [22] “Elke vakbond, organisatie of groep zal onmiddellijk zijn bureau of raad of uitvoerend comité verkiezen (...)” [23]

Verder suggereerde hij ook dat het nu mogelijk was de eenheid in de partij tussen mensjewieken en bolsjewieken te herstellen, op basis van een brede democratische stemming in alle rangen en geledingen, omdat het nu onder de nieuwe condities mogelijk was dit te organiseren. [24]

Al deze veranderingen moesten uitgelegd worden aan de Russische arbeiders die nog nooit tevoren onder zulke condities hadden geleefd. “We moeten geen schrik hebben”, stelde Lenin, “van een plotse instroom van niet-sociaaldemocraten in de partij.” [25]

“De arbeidersklasse is instinctief, spontaan sociaaldemocratisch, en meer dan tien jaar werk van de sociaaldemocratie heeft er voor een groot stuk voor gezorgd dat de spontaniteit is getransformeerd in bewustzijn.” [26] Het lijkt wel of Lenin hier het bestaan van Kautsky’s theorie had vergeten die hij in 1902 had overgenomen en geciteerd!

Het initiatief van de arbeiders zal zich nu tentoonspreiden op een schaal waarvan de clandestiene kringen van gisteren niet eens durfden te dromen. [27]

Hij greep de nieuwe condities aan om er voor te zorgen dat massale rekrutering van arbeiders (mogelijk voor de eerste keer) de invloed van intellectuelen in het partijwerk zou overspoelen.

“Op het derde congres suggereerde ik dat er toch acht arbeiders per twee intellectuelen in de partij zouden zijn. Hoe achterhaald blijkt deze suggestie nu! Nu moeten we hopen dat er in de organisatie nog één sociaaldemocratisch intellectueel is voor verschillende honderden sociaaldemocratische arbeiders.” [28]

Het artikel concludeert met een typische reactie voor Lenin:

“We hebben zo lang getheoretiseerd (soms — waarom zouden we het niet toegeven — compleet nutteloos) in de ongezonde atmosfeer van de politieke ballingschap, dat het niet verkeerd zou zijn “de boog lichtjes, een heel klein beetje naar de andere kant te buigen” en de praktijk wat meer op de voorgrond te brengen.” [29]

Welnu, de boog werd naar de andere kant gebogen — “lichtjes.”

De situatie zou nu zeer duidelijk zijn, zelfs al had Lenin het niet meer over WTD. Maar in feite kunnen we ons nu richten naar opmerkingen van Lenin waarin hij WTD herbekeek, specifiek in het licht van de nieuwe condities en de nieuwe concepten van partijorganisatie (nieuw voor Rusland).

In november 1907 publiceerde Lenin een verzameling oude artikels onder de titel “Twaalf jaren”. De bedoeling was een overzicht te geven van de acties en ideeën van de beweging in die tijdspanne, om historische redenen. In zijn voorwoord richt hij zich volledig tot het nieuwe publiek dat er gekomen was door de revolutionaire opstanden die aan de gang waren sinds 1905, een publiek voor wie de oude disputen verleden tijd waren. Hier legt hij uit waarom WTD opgenomen is in de collectie. Merk vooral op dat er een uitleg vereist was! WTD werd in de collectie opgenomen, legt Lenin uit, omdat “de mensjewieken en de bourgeois-liberale schrijvers er regelmatig naar verwijzen; daarvoor wil hij “de aandacht vestigen van de moderne lezer” op de “essentiële inhoud” van de tekst. Zijn uitleg begon met een statement dat evengoed zou kunnen gericht zijn aan de hedendaagse leninologen:

“De fundamentele vergissing die de huidige criticasters van WTD maken, is het pamflet te behandelen los van de concrete historische context van een in tijd beperkte en nu lang geleden periode in de ontwikkeling van onze partij.”

“Het is gericht”, zegt hij, aan zij die “vele jaren nadat het pamflet verscheen, schreven over haar onjuistheid, of over overdreven standpunten inzake een organisatie van beroepsrevolutionairen”. Dergelijke kritieken waren verkeerd omdat ze “streefdoelen verwerpen waarvoor in die tijd moest gevochten worden, maar die lang geleden verworven zijn en hun diensten bewezen hebben.” [30]

Het is duidelijk dat de verwijzing naar “overdreven standpunten” een erkenning is van een zekere graad van incorrectheid, zelfs al houdt die toegeving tegelijk ook in dat de incorrectheid vergeeflijk was. Maar dit was ook de betekenis van zijn “buig de boog” opmerkingen, het was niet echt nieuw.

WTD had in 1902 zijn werk gedaan, en mocht niet meer beschouwd worden alsof het een actueel voorstel was; het was voorbijgestreefd. Lenin verontschuldigde zich er niet voor, of verwierp het niet, het was iets anders. Hij koesterde het omwille van zijn historisch belang. Socialisten zouden de Eerste Internationale toch ook niet verwerpen, maar niemand zou er van dromen om ze terug tot leven te roepen.

Het was absoluut geen permanent “partijconcept”.

6. Laatste woorden over WTD

Lenin argumenteerde op zijn typische manier dat de overdrijvingen in WTD noodzakelijk waren geweest om vooruitgang te boeken in de gewenste richting, zelfs als de overdrijvingen zelf niet houdbaar waren. Om vandaag te handhaven dat Iskra overdreef (in 1901 en 1902!) toen ze het idee van een organisatie van professionele revolutionairen naar voor bracht, is hetzelfde als de Japanners na de Russisch-Japanse oorlog verwijten dat ze de sterkte van Russische strijdkrachten hebben overdreven om de voorbereiding van het gevecht degelijk te organiseren. [31] Om te winnen moesten de Japanners al hun troepen bij dit conflict inzetten tegen het waarschijnlijke maximum van Russische krachten. Vandaag heeft het idee van een organisatie van professionele revolutionairen reeds een overwinning geboekt. Die overwinning zou onmogelijk geweest zijn als we dit idee niet op de voorgrond hadden geplaatst, we niet ‘overdreven’ hadden om het duidelijk te maken aan die mensen die probeerden om de realisatie ervan te verhinderen. [32]

De bewering dat het idee van professionele revolutionairen reeds een volledige overwinning had behaald, toont weer eens aan hoe weinig de gebruikelijke versie van het zogenaamd leninistische idee overeenkwam met dat van Lenin. Deze overwinning omvatte het openen van de partij voor een toevloed van ‘ruwe’ arbeiders die, hopelijk niet alleen de partij-intellectuelen maar ook oude ervaren kaders van gevormde activisten (professionele revolutionairen) zou overspoelen. Het idee dat zijn macht had getoond (een volledige overwinning scoorde) was: de behoefte aan een kern van gevormde activisten in de organisatie. Het had niets te doen met de hersenschim van een partij die slechts of hoofdzakelijk uit volledige vrijgestelde functionarissen zou worden samengesteld. Deze hersenschim was vooral grotesk in het licht van Lenins nadruk op massarekrutering.

WTD, ging Lenin verder, was slechts een samenvatting van het organisatorische beleid van de groep Iskra van 1901-1902, “niet meer en niet minder”. Het was het gezamenlijke beleid van zij (de groep Iskra) die later in mensjewieken en bolsjewieken op andere gronden zouden verdeeld raken. Met andere woorden, Lenin drong opnieuw aan, op nog een andere manier, dat hij de ideeën van WTD niet als iets uniek van zichzelf of zijn organisatie beschouwde. [33]

In de nieuwe omstandigheden van wettigheid stelde Lenin:

“Ondanks de splitsing was de Sociaal-Democratische Partij vroeger dan om het even welke andere partijen in staat voordeel te halen uit de tijdelijke realiteit van vrijheden door een wettelijke organisatie met een ideale democratische structuur op te bouwen, een kiessysteem, en vertegenwoordiging bij congressen volgens het aantal leden te organiseren. U zult dit niet vinden, zelfs vandaag niet, bij de sociaal-revolutionairen of de partijen van de Kadetten (...)” [34]

Hier sprak hij over de partij (RSDAP) als geheel, niet alleen de bolsjewieken; er was een eenheidscongres in mei geweest. Wie bouwde de partij in zijn huidige doeltreffendheid als democratische structuur? “Dit werd verwezenlijkt door de organisatie van professionele revolutionairen (...) kijk maar naar de lijst van afgevaardigden van om het even welke groep op bvb. het congres van Londen, om hier van overtuigd te worden (...)” [35] Merk op dat hij naar de lijst van gedelegeerden verwees of, aangezien hij het in dezelfde zin zette, “de centrale kern die het hardst van allen had gewerkt om de partij op te bouwen en het te maken tot wat het nu is.” Het houdt nauwelijks steek om te geloven dat naar Lenins mening het partijlidmaatschap (veel breder dan de lijst van gedelegeerden of de kern) slechts uit professionele revolutionairen moest bestaan, zelfs als wij bij de redelijke definitie van Lenin blijven. Tegen die tijd was de theorie van Kautsky van 1902 reeds lang verdwenen uit Lenins gezichtsveld; er was geen aanwijzing dat hij zelfs het bestaan ervan herinnerde. Op dit punt stelde hij trots: de organisatorische successen van de partij waren toe te schrijven aan de inherente organisatorische capaciteiten van de werkende klasse.

Zonder deze voorwaarde zou een organisatie van professionele revolutionairen niets meer zijn dan een stuk speelgoed zijn, een avontuur, een zuiver uithangbord. WTD benadrukt dit herhaaldelijk, erop wijzend dat de organisatievorm dat het verdedigt geen betekenis heeft, behalve zijn verbinding met “de onvervalste revolutionaire klasse die spontaan tot strijd overgaat”. De professionele revolutionair heeft zijn rol gespeeld in de geschiedenis van het Russische proletarische socialisme. Geen macht ter wereld kan dit werk nu ongedaan maken (...) [36]

Doorheen deze pagina’s, en meer dan hetgeen we hier kunnen aanhalen, herhaalde Lenin dat de dagen van WTD in het verleden lagen. “Tijdens de historische voorwaarden die in Rusland in 1900-1905 heersten, was er geen organisatie buiten Iskra die de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij die we nu hebben, kon creëren. Dit ging de verklaring vooraf dat “de professionele revolutionair zijn rol heeft gespeeld (...)” De “bittere geschillen binnen de migrantenkringen kenmerkte een beweging van jonge en onrijpe arbeiders “; “slechts het verbreden van de partij door proletarische elementen aan te werven kan helpen om de “kring” geest uit te roeien.” “En de overgang naar een democratisch georganiseerde partij van arbeiders, afgekondigd door de bolsjewieken... in november 1905, dit is van zodra de voorwaarden voor wettelijke activiteit er waren — deze “overgang” was een breuk met de “oude kringmanieren die hun tijd hebben gehad.” [37] “Ja, ze hebben hun tijd gehad,” herhaalde Lenin, “omdat het niet genoeg is om de oude kringgeest te veroordelen. Je moet de betekenis van de speciale omstandigheden van de afgelopen periode begrijpen (...)” — enz. De “verschillen onder de kringen waren over de richting die het werk moest nemen (...) De kringen speelden hun rol en zijn nu, natuurlijk, verouderd.” [38]

Daarna becommentarieerde Lenin de verklaring van Plechanov dat “hij in principe met me verschilde over de kwestie van spontaniteit en politiek bewustzijn.” [39] Nogmaals drong Lenin erop aan dat er geen echt verschil was: “De kritiek van Plechanov”, zei hij, was “gebaseerd op uitdrukkingen die uit hun context worden gerukt,” en voegde hij eraan toe, “op bijzondere uitdrukkingen die ik helemaal niet zo precies had geformuleerd.” De “bewuste kritieken van Plechanov waarnaar Lenin hier verwees waren gebaseerd op het pamflet ‘Eén stap voorwaarts, twee stappen terug’. Maar tegenover deze kritieken deed Lenin een beroep op de “algemene inhoud en de gehele geest van mijn brochure WTD. ”Wij waren allemaal akkoord [zo zei hij] met de “formulering van de relatie tussen spontaniteit en politiek bewustzijn” in het ontwerpprogramma van de partij dat door de groep Iskra naar voren werd gebracht.

En toen legde Lenin een verklaring af die het gehele probleem blootlegde:

“Noch op het tweede congres had ik de bedoeling mijn eigen formuleringen, zoals weergegeven in WTD, tot op “programmatorisch” niveau te brengen, waarbij het bijzondere principes zou vormen. Integendeel, de uitdrukking die ik heb gebruikt — en het is sindsdien vaak geciteerd — was dat de economen naar één uiterste gegaan waren. WTD, zei ik, zet recht wat door de economisten was verdraaid.” [40]

De betekenis van deze woorden is duidelijk genoeg: WTD is een controversiële correctie van de vervormingen van de economisten en het zou verkeerd zijn om de brochure in een ander licht te beschouwen.

Het zou moeilijk zijn om een meerzeggende weerlegging van de mythe van WTD te verkrijgen, tenzij Lenin een vuur met alle bestaande exemplaren van WTD had aangestoken. Er is geen enkel verslag dat er op wijst dat Lenin ooit op de hierboven geciteerde verklaringen over WTD terugkwam. In feite is er geen enkele aanwijzing dat hij zich bewust was van een mogelijk probleem. [41]

Wat is nu de benadering van Lenin met betrekking tot het “leninistische concept van partijorganisatie”? Is de benadering van Lenin die van 1905-1907, of zijn het de formuleringen van 1902 in WTD? Het antwoord dat de “geest” van Lenin zou geven is duidelijk: geen van beiden — er is geen “concept van de partij” die als “principe wordt genomen” dat van tijd en plaats is gescheiden. De ideeën van Lenin met betrekking tot de partijorganisatie, net als die van de meeste anderen, verschilden naargelang de specifieke condities, en vooral naargelang de immense verschillen in voorwaarden tussen de ondergrondse condities tijdens de autocratie en de condities van relatieve politieke vrijheid en open organisatorische kansen die Rusland tijdens de periode van 1905-1907 kenmerkten.

Minstens één leninoloog kon dit elementaire idee erkennen, en haalde daardoor de gegramde hitte van het leninistische gezag op zijn hoofd. Afwijkend van de consensus schreef John Plamenatz dit:

“Er is niets specifiek ondemocratisch in de opinies die zo krachtig in WTD worden gegeven (...) Hij had zich nooit voorgenomen, toen hij WTD schreef, dat de “partij van het proletariaat” de arbeiders zou moeten drijven en intimideren, of zelfs dat de partij de revolutie voor hen zou moeten maken, en dan Rusland in hun naam zou regeren, zonder hen te raadplegen.”

“Als het niet was voor wat na de bolsjewistische revolutie gebeurde”, zegt Plamenatz, “zouden we het niet moeten wagen om ze [de ideeën van WTD] ondemocratisch te noemen, maar gewoon te stellen dat zij slechts raadgevend waren om aangepast te zijn aan de behoeften van een revolutionaire partij actief in Rusland in het eerste decennium van de twintigste eeuw” [42]

De voorstellen van Lenin in 1902 kunnen voor de Russische beweging van dat moment goede of slechte voorstellen geweest zijn — deze bespreking is overbodig geworden door de leninistische mythe. Erkennen dat WTD niet antidemocratisch was, laat de vraag open of het “leninisme” een antidemocratische draai nam in “de periode na de bolsjewistische revolutie” (een standpunt dat Plamenatz verdedigt). Het probleem met deze leninologische mythe is dat het een discussie over deze ontwikkelingen onmogelijk maakt: politiek historische analyse wordt vervangen door demonologie.

Aanhangsel: Utechins uitgave van Lenins Wat te doen

Het voorgaande stuk was deels in 1963 geschreven voor gebruik in een boekoverzicht. Het jaar 1963 was een groot jaar voor leninologen, met de publicatie van drie biografieën van Lenin, plus een relevant deel van gedenkschriften door Angelica Balabanoff. Een andere gebeurtenis van het jaar was de publicatie van een nieuwe Engelse vertaling van “Wat te doen”

Wat te doen?” Vertaald door S.V. en P. Utechin. Uitgegeven met een inleiding en nota’s door S.V. Utechin. Oxford, Clarendon Press. 213p.

Deze uitgave was vooral opmerkelijk omdat het, denk ik, het eerste voorbeeld van erkenning door een belangrijke westerse uitgever was dat het geschrift van Lenin minstens even belangrijk was voor de geschiedenis van de sociaal-politieke wetenschappen als de werken van Lactantius, Leibniz, Lilburne of Luther. Het was de eerste uitgave door de meer “geleerden”, van een kritische uitgave met academische opmerkingen, annotaties, enz.

Het was een belangrijke mijlpaal dat deze vertaling gepubliceerd werd. De aard van de uitgave zelf was van geen belang. Het werk werd gedaan door S.V. Utechin, auteur van “Russische politieke gedachte” en “Beknopte Encyclopedie over Rusland”. Deze nota zal niet de meningen bespreken die in de inleiding van Utechin worden uitgedrukt; deze meningen waren eerder standaardvoorbeelden van de leninologische consensus inzake het originele “kwaad"’ van WTD als belichaming van de bolsjewistische duivelarij. Wij zullen ons enkel buigen over wat de redacteur Utechin met de tekst van het werk van Lenin deed.

In de eerste plaats legt de uitgave Utechin niet de volledige tekst voor. Dit zorgt voor extra verwarring, omdat (1) de brochure van Lenin op zich een vrij klein boekje is, en (2) de hoeveelheid dat door Utechin wordt verwijderd niet zeer groot is. De reden kon niet financieel geweest zijn voor Oxfords Clarendon Press. (De uitgever kon meer plaats bespaard hebben door de voetnoten van Utechin te knippen die stelden dat de voorwaarden onder het tsarisme beter waren dan die onder Lenin.) Er is natuurlijk een reden voor ingekorte versies van opmerkelijke boeken, maar dit is meestal gericht op het verwerken ervan in dikke inzamelingen. Dit is een dun boek dat dunner werd gemaakt.

Om het publiceren van een onvolledige versie als dit te rechtvaardigen, verwijst Utechin naar de “lichtjes verkorte” versie die Lenin zelf in 1907 publiceerde, als deel van een verzameling onder de titel “Twaalf jaar”. Vergeleken met de originele uitgave van 1902, maakte Lenin hier een twaalftal onbelangrijke inkortingen, voornamelijk in deel A van het 5de hoofdstuk. (Wij moeten er trouwens aan herinneren dat bij deze publicatie in 1907 Lenin aan de lezer verklaarde dat “Wat te doen” nu hoofdzakelijk van historisch belang was.)

Utechin beweert in zijn voorwoord dat de “versie van 1907 [namelijk de verkorte] die tot toen voor de enige Engelse vertaling werd gebruikt, door J. Fineberg werd vertaald. Dit verscheen als afzonderlijk pamflet en in diverse selecties en verzamelingen van de werken van Lenin, gepubliceerd door Communistische uitgevers in Moskou en ook buiten de Sovjet-Unie.” Dit is niet waar. De vertaling Fineberg was een vertaling van de volledige tekst van 1902. Het verscheen in de oude (onvolledige) “Verzamelde werken, Deel 4, Boek II”, dat door Internationale uitgevers van New York in 1929 wordt gepubliceerd; en ook in de wijd gelezen pocketuitgave, namelijk, Nr.4 van de “Kleine Bibliotheek van Lenin”. Voorts werd een andere volledige vertaling van de uitgave van 1902 later beschikbaar gemaakt in het Engels in een pocketuitgave gepubliceerd door de “Uitgeverij Buitenlandse talen Moskou”. Tot slot (zoals Utechin wat later vermeldt) was er later een een Engelse publicatie in een nieuwe editie van de “verzamelde werken” van Lenin, meer bepaald in het 5de deel van deze uitgave. Deze vertalingen waren niet identiek; en zo hadden wij drie verschillende Engelse versies van de onverkorte tekst vóór Utechin. De verkorte versie van 1907 verscheen enkel in het Engels in de diverse reeksen onder de titel “Geselecteerde werken”.

Alleszins zouden de inkortingspraktijken van de Communistische uitgeverijen niet bepaald een voorbeeld mogen zijn voor de eerste westelijke wetenschappelijke uitgave van het werk van Lenin...

Het tweede vreemde element aan de uitgave van Utechin is dat hij zelfs niet de verkorte versie van 1907 voorstelt. Zijn chirurgische operatie op het lichaam van WTD begint slechts met de verkorting van 1907, die hij behalve een paar inkortingen volledig overneemt. In de tekst die overblijft maakt hij nog eens tweeëndertig inkortingen, over een lengte van een pagina tot hier en daar een regel. Van de tekst die dan nog overblijft, schrapt hij vierentwintig voetnoten van Lenin — waaronder bepaalde redelijk lange en verschillende belangrijke en interessante voetnoten.

De lezer kan benieuwd zijn waarom de eerste westelijke ‘geleerde’ redacteur van Lenins werk zijn scharen in het werk zet; en kan veronderstellen dat dit telkens onbelangrijke passages zijn. In een aantal gevallen kan het nog begrepen worden als een beperkte zin weggelaten wordt. Maar het wordt vreemd — en nu komen we tot het meest bizarre — als passages van groot belang worden weggesneden om drastisch beperkt te worden. Een aantal weggesneden passages zijn van de belangrijkste onderdelen van het boek!

We hebben al gezien dat een van de meest besproken secties van WTD over de rol van burgerlijke intellectuelen in de socialistische beweging handelt, en de theorie dat de werkende klasse alléén tot een vakbondsbewustzijn kan komen. Ik heb erop gewezen dat in werkelijkheid Lenin deze theorie presenteerde door Kautsky te citeren, en dat zijn eigen parafrase gebaseerd was op Kautsky. Ik heb vermeld dat leninologische discussies over WTD zelden of nooit het ongelegen feit vermelden dat de duivelse theorie eigenlijk die van Kautsky was. Hoe behandelt Utechin dit probleem?

Simpel: hij zet er zijn redactieschaar in en knipt het gehele citaat van Kautsky uit de tekst van het boek.

De lezer van deze gezuiverde uitgave zal nooit weten dat de essentie van de leninistische duivelarij dus eigenlijk begon met Kautsky en niet met Lenin.

Ten vierde: het verwijderen van deze passage is al bizar, maar er zijn nog heel wat inkortingen die niet minder vreemd zijn. Een verduidelijkend voorbeeld.

Eén van de betwiste punten in polemieken over WTD is de kwestie van de oorsprong van de gedachte van Lenin: stamt deze hoofdzakelijk uit de Europese marxistische traditie of uit het Russisch revolutionaire verleden? Utechin is een verdediger van laatstgenoemde stelling: zijn inleiding argumenteert dat de geestelijke voorvaderen van Lenin Tkachev en in het bijzonder Ogarev waren. De geest van Tkachev bengelt de lezers voor ogen, want Tkachev was een blanquist, een negentiende-eeuwse revolutionair van de meest vulgaire soort.

Utechin schrijft in dit verband: “De tekst van WTD verheldert deze vraag niet.” Het was niet raadzaam voor hem om naar de tekst te verwijzen. Hij heeft zorgvuldig elke passage in WTD geschrapt die niet met zijn standpunt in overeenstemming was, en die hij kon schrappen zonder de samenhang te vernietigen.

Neem het specifieke geval van Tkachev, de “echte voorvader” van Lenin volgens Utechin en de leninologen. Het zou voor Utechin een geschenk geweest zijn als Lenin in zijn geschrift een paar enthousiaste verwijzingen naar Tkachev had gemaakt — a ratio van ongeveer één procent van het aantal Europese marxistische modellen waarnaar hij constant heeft verwezen. Het zou een zegen voor de leninologen zijn geweest indien hij ook maar één vriendelijk woord over zijn “echte voorvader” had gepubliceerd. Maar in elk van vijfenveertig volumes van de “Verzamelde werken” van Lenin zijn er in totaal slechts vijf verwijzingen naar de Tkachev, en slechts één hiervan is een aanzienlijke passage die een mening uitdrukt. Deze passage die de mening van Lenin over Tkachev naar voor brengt, staat toevallig in WTD. En het is een duidelijk vijandige verwijzing naar Tkachev als voorvechter van “opwekkende verschrikking.” [43]

Wat doet een geleerde redacteur wanneer de tekst er niet in slaagt in overeenstemming te zijn met de consensus van de leninologen? Utechin schrapt de hele passage over Tkachev uit de tekst van Lenin!

Deze ene en enige passage waarin Lenin een houding ten opzichte van zijn “echte voorvader” uitdrukte (als we niet vertrouwen op bronnen uit tweede hand) mag de onschuldige lezer niet in verwarring brengen. Daarnaast verwijdert Utechin op een aantal andere plaatsen stukken waarin Lenin het terrorisme en de ideeën van het terrorisme aanvalt.

Dit handelt slechts over één kant van de ‘voorvaderen’ van Lenin. Zoals aangehaald wil Utechin de invloed van de Europese marxistische traditie op Lenin minimaliseren. De tekst van WTD (zoals door Lenin geschreven) geeft daar nochtans belangrijke argumenten voor. In feite bevat WTD een deel van het interessantste materiaal om de impact van de Europese marxistische partijen op Lenin aan te tonen, ook op vlak van model voor partijorganisatie. Het is dit soort materiaal dat Utechin eerst zal schrappen, wellicht omdat het te “omvangrijk” zou zijn...

Het voorwoord van Utechin verwijst vrij bewust naar deze praktijk: “weggelaten... zijn voornamelijk details van een polemiek die van geen relevantie zijn voor de hoofdlijnen van het document, en voorbeelden die door Lenin worden gegeven over de praktijk van de Duitse sociaaldemocratie om zijn punten te illustreren, voorbeelden die nu eerder zijn gedachten zouden verduisteren dan zouden verlichten.” Deze passages verduisteren niet alleen Lenins gedachten, zij vormen een bedreiging voor de standpunten van Utechin: weg moeten ze — uit de tekst.

Bijvoorbeeld is er de passage waar Utechin Hoofdstuk 3, Sectie F, schrapt: een lofzang over de werking van de Duitse Social-democratische partij. Het is niet waar dat dit slechts een “illustratie” is zoals Utechin beweert — hoewel hij nooit verklaart waarom de informerende “illustraties” uit zijn tekst worden geschrapt. Deze passage is een argument dat Lenin ten gunste van zijn standpunten gebruikt. Lenin haalt de meest bewonderde socialistische partij als zijn model aan. Voorts geeft Lenin in zijn stuk over de bewonderenswaardige Duitsers ook impliciet zijn mening weer over hoe een partij zou moeten werken in een legale situatie, zoals die nadien afgedwongen werd in Rusland. Als iemand Lenins organisatorische concepten “wil te weten komen,” is het belangrijk (dit is een eufemisme) om zijn mening te weten te komen over de organisatorische concepten en de praktijken van de belangrijke Europese socialistische partijen.

Wat Utechin uit de tekst gooit, zijn heel interessante verwijzingen naar de Europese beweging. Het is niet echt nodig om hier alle rariteiten van deze uitgave naar voor te brengen.

Dit is dus de eerste “wetenschappelijke” uitgave van Lenin door een belangrijke uitgever, onder toezicht van een eminente westerse onderwijsinstelling, om de verschrikkelijke originele zonden van het bolsjewisme te openbaren. Als een dergelijke amateuristische aanpak gedaan was bij pakweg John Stuart Mill door een uitgever in Moskou, zou ons snel duidelijk gemaakt worden wat we daarover moeten denken en zou Utechin wellicht op de voorste rijen staan om kritiek te leveren. Het werk zou een “vervalsing” genoemd worden. Maar we mogen niet onbeleefd zijn.

Er zijn immers weinig leninologen die in staat zijn om hun interpretatie van een werk weer te geven door te prutsen aan een tekst zodat deze zou kloppen met hun interpretatie. Dit betekent niet noodzakelijk dat Utechin opzettelijk “Wat te doen” op een oneerlijke wijze heeft gebracht. Het is veel waarschijnlijker dat hij slechts één wijze kent om Lenin te lezen, en dat is door zijn eigen speciaal daartoe gemaakte brilglazen. De belangrijkste vertegenwoordigers van de leninologie in de westerse wetenschappelijke instellingen verschillen daarbij amper van hun bloedbroeders, de stalinistische professoren.


Voetnoten

[1] Over Utechins boek lees je meer in het aanhangsel bij dit werk

[2] Lenin: Collected Works (Moskou: FLPH, Progress Uitg., 1960-70), 5:375. (Hierna afgekort als CW.)

[3] CW 5:383f.

[4] CW 5:386

[5] Ik heb dit onderwerp uitgebreid bestudeerd in: Karl Marx’s Theory of Revolution (New York: Monthly Rev. Press, 1978), Vol.2, Chaps.17-18.

[6] CW 6:235

[7] CW 6:490

[8] CW 6:490f

[9] CW 6:491

[10] CW 6:500

[11] CW 6:502

[12] Het artikel van Luxemburg wordt meestal heruitgegeven onder de verkeerde titel: “leninisme of marxisme"? — een titel die niet enkel een leninologisch uitvinding is, maar ook de mening van Luxemburg vervormt. Zij die zo gevoelig zijn voor vragen rond democratie binnen de partij, heel populair bij leninologen, noteren best dat hoewel Luxemburg haar artikel een giftige aanval was op Lenin, de democratische uitgevers van de Neue Zeit weigerden Lenins milde antwoord te drukken.

[13] CW 7:474

[14] CW 7:474-76

[15] CW 8:196.

[16] CW 9:291.

[17] CW 9:442.

[18] CW 10:29.

[19] CW 10:30.

[20] CW 10:32.

[21] CW 10:33.

[22] CW 10:34.

[23] CW 10:35.

[24] CW 10:37f.

[25] CW 10:31

[26] CW 10:32.

[27] CW 10:36.

[28] CW 10:36 fn.

[29] CW 10:38f.

[30] CW 13:101.

[31] We moeten eraan herinneren dat Lenin (samen met bijna de hele Internationale) een voorkeur had voor een overwinning van Japan op Rusland.

[32] CW 13:102

[33] Enkele vorige verklaringen moeten ook worden vermeld. In augustus 1903 had Lenin een paar lijnen voor zichzelf neergekrabbeld, als nota bij het boek “Martovs Tegenspraak en Gezigzag”. Het tweede van vier punten was dat “Hij [Martov] altijd de ideeën van een organisatie in de Iskra verdedigde (Wat Te Doen), maar de integratie van een Jauresist [hervormingsgezinde] als eeste clausule had beveiligd in de regels”. In januari 1904 publiceerde Lenin een pamfletvoorwoord waarin hij de mensjewieken uitdaagde hun nieuwe concepten van organisatie te verklaren: zij hebben “het bestaan van verschillen over kwesties van organisatie aangekondigd. Jammer genoeg, hebben de redacteurs geen haast om te specificeren wat deze verschillen zijn, grotendeels zichzelf beperkend tot het laten doorschemeren van onbekendheden. De man die deze woorden schreef was ronduit van mening dat tot dit punt de mensjewieken geen onderscheiden visie hadden over het concept van organisatie. In maart 1905, in een antwoord op Plechanov, drong Lenin erop aan dat Plechanovs bewering, “dat onze relaties wegens WTD waren afgekoeld”, absoluut niet waar was. Dit zijn slechts enkele van de vele aanwijzingen van dit gegeven: zeker toen hij WTD publiceerde, en tot de later ontwikkelde controverse, dacht Lenin dat de meningen in het boek het gemeenschappelijke bezit waren van de hele Iskragroep.

[34] CW 13:103.

[35] CW 13:103.

[36] CW 13:104.

[37] CW 13:104f.

[38] CW 13:106.

[39] CW 13:106.

[40] CW 13:107f.

[41] Zover we weten is de enige keer dat Lenin op dit onderwerp terugkwam een artikel dat we moeten aanbrengen omdat er vaak uit wordt geciteerd. Dit artikel, gepubliceerd in 1938 door Max Shachtman in het theoretische orgaan van de Amerikaanse trotskisten, weet WTD aan de de specifieke Russische condities van die tijd en ging verder met te stellen: “Dit is waarom Lenin, in zijn antwoord op het voorstel de brochure te vertalen voor de niet Russische Partijen aan Max Levien in 1921 vertelde: “Dat is niet gewenst; de vertaling moet op z’n minst gestoffeerd worden met goede commentaren, die zouden moeten geschreven worden door een Russische kameraad die welbekend is met de geschiedenis van de communistische partij, om zo een verkeerde toepassing te vermijden.” Het artikel was jammer genoeg niet voorzien van een bron. Het gaf wel een lijst van bronnen voor het artikel in zijn geheel. Ik ben echter niet in staat geweest deze episode in een van de werken te vinden.

[42] John Plamenatz, German Marxism and Russian Communism (London: Longmans, Green, 1954), p.225f.

[43] CW 5:510f.