Michel Foucault

Twee typen macht

College van 14 januari 1976 [1]



Geschreven: 1976
Bron: Te Elfder Ure, nr. 29
Vertaling: Hugues C. Boekraad
Deze versie: Spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, maart 2006


Het probleem dat ik nu ongeveer vanaf 1970-1971 heb getracht te verkennen, was het hoe van de macht. Dat wil zeggen, ik heb geprobeerd haar mechanismen te doorgronden tussen twee referentiepunten, twee grenzen: enerzijds de rechtsregels die de macht formeel begrenzen, anderzijds de waarheidseffecten die deze macht produceert en overdraagt en die op hun beurt deze macht reproduceren. Een driehoek dus: macht, recht, waarheid.

Schematisch kunnen we zeggen dat de traditionele vraagstelling van de politieke filosofie als volgt geformuleerd kan worden: hoe kunnen de rechtsgrenzen van de macht vastgelegd worden door het waarheidsvertoog of eenvoudig door de filosofie, opgevat als het waarheidsvertoog bij uitstek? Dat is de traditionele vraagstelling. Ik zou liever een andere vraag stellen, van onderop, een vraag die in vergelijking met deze traditionele, verheven en filosofische vraag veel concreter is. Mijn probleem is eerder het volgende: welke rechtsregels worden door de machtsverhoudingen aangewend om waarheidsvertogen te produceren? Of ook: welk type macht is in staat waarheidsvertogen te produceren, die in een maatschappij als de onze zulke machtige effecten hebben? Daarmee bedoel ik dit: in een maatschappij als de onze - maar in wezen in elke maatschappij - wordt het maatschappelijke lichaam door veelvuldige machtsverhoudingen doortrokken, gekenmerkt en tot stand gebracht; en deze machtsverhoudingen kunnen noch ontbonden worden noch geconsolideerd worden of functioneren zonder productie, accumulatie, circulatie en functioneren van het vertoog. Geen machtsuitoefening kan het stellen zonder een bepaalde economie van de waarheidsvertogen, een economie die in en uitgaande van deze verbinding functioneert. Wij zijn door de macht onderworpen aan de productie van de waarheid en kunnen de macht slechts uitoefenen langs de weg van de waarheidsproductie.

Dit geldt voor elke maatschappij, maar ik meen dat de verhouding tussen macht, recht en waarheid in de onze op een heel specifieke manier is georganiseerd. Om de intensiteit en constantie - niet het mechanisme - van die verhouding te karakteriseren, zou ik kunnen zeggen dat wij door de macht worden gedwongen de waarheid te produceren: zij vereist het, de macht heeft de waarheid nodig om te functioneren: wij moeten de waarheid spreken, wij zijn ertoe gedwongen of veroordeeld de waarheid te bekennen of haar te vinden. De macht houdt niet op vragen tot ons te richten, houdt niet op te onderzoeken, te registreren, zij institutionaliseert en professionaliseert het zoeken naar de waarheid en beloont dit. Goed beschouwd moeten wij de waarheid produceren zoals wij rijkdommen moeten produceren, ja we moeten zelfs de waarheid produceren om rijkdommen te kunnen produceren. Anderzijds zijn wij aan de waarheid onderworpen, ook in die zin dat de waarheid de wet stelt, het ware vertoog produceert, dat - althans ten dele - zelf machtseffecten bepaalt, overdraagt en voortstuwt. Tenslotte worden wij beoordeeld, veroordeeld, geklasseerd, worden ons taken opgelegd, wordt ons een bepaalde manier van leven of sterven toegewezen in functie van ware vertogen die specifieke machtseffecten met zich brengen.

Rechtsregels, machtsmechanismen en waarheidseffecten of ook machtsregels en macht van de ware vertogen, dat is dus ongeveer het zeer algemene veld dat ik heb willen doorkruisen, zij het ook - daarvan ben ik mij terdege bewust - partieel en met vele zigzagbewegingen. Over dit traject zou ik iets willen zeggen, over het algemene beginsel en de imperatieven waardoor ik mij heb laten leiden en over de methodische voorzorgsmaatregelen die ik heb getroffen. Voor de verhoudingen tussen macht en recht geldt een algemeen beginsel: mijns inziens is de rechtstheorie in de westerse maatschappijen vanaf de middeleeuwen wezenlijk geformeerd rondom de koninklijke macht. Het rechtsgebouw van onze maatschappijen werd opgetrokken op verlangen van de koninklijke macht, ten dienste van haar en om haar als werktuig of rechtvaardiging te dienen. Het recht in het Westen is een recht dat door de koning is bevolen. Bekend is uiteraard de befaamde en beroemde, telkens terugkerende rol van de rechtsgeleerden bij de organisatie van de koninklijke macht. Men mag niet vergeten dat de herleving van het Romeinse recht in de twaalfde eeuw het fundamentele verschijnsel was rondom hetwelk en uitgaande waarvan de wederopbouw plaatsvond van het rechtsgebouw dat na de val van het Romeinse Rijk ineengestort was; deze wederopstanding van het Romeinse recht was daadwerkelijk een van de technische en constituerende werktuigen van de autoritaire, administratieve en tenslotte absolute monarchale macht. En wanneer dit rechtsgebouw zich in de daarop volgende eeuwen aan de koninklijke controle heeft onttrokken of, nauwkeuriger gezegd, zich daartegen heeft gekeerd, dan zullen daarbij steeds de grenzen van die macht ter discussie staan, zullen steeds haar prerogatieven in het geding zijn. Met andere woorden, ik geloof dat de centrale figuur in heel het westerse rechtsgebouw de koning is. Bij de algemene inrichting van het westerse rechtsstelsel gaat het in wezen om de koning, om zijn rechten, om zijn macht en haar eventuele grenzen. Of de rechtsgeleerden nu dienaren van de koning of zijn tegenstanders waren, steeds is in deze grote constructies van de rechtstheorie en de rechtswetenschap sprake van de koninklijke macht.

Dat gebeurt op tweeërlei wijze. Ofwel om het juridische pantser te laten zien waarmee de koninklijke macht was bekleed, om te laten zien dat de monarch inderdaad het levende lichaam van de soevereiniteit was, dat zijn macht, hoe absoluut zij ook mocht zijn, precies adequaat was aan zijn fundamentele recht. Ofwel daarentegen om te bewijzen dat het nodig was deze macht van de vorst in te perken, om aan te tonen aan welke rechtsregels hij zich moest onderwerpen, binnen welke grenzen hij deze macht mocht uitoefenen, opdat zij haar legitimiteit behield. Sedert de middeleeuwen heeft de rechtstheorie in wezen de functie de legitimiteit van de macht vast te leggen, dat wil zeggen de fundamentele vraagstelling waaromheen heel de rechtstheorie is georganiseerd, is het probleem van de soevereiniteit.

Als men zegt dat de centrale vraag van het recht in de westerse maatschappijen de soevereiniteit is, dan betekent dit in de grond van de zaak, dat het vertoog en de techniek van het recht in wezen de functie hebben gehad binnen de macht het feit van de heerschappij te elimineren en in plaats daarvan twee dingen naar voren te brengen: enerzijds de legitieme rechten van de soevereiniteit en anderzijds de wettelijke plicht tot gehoorzaamheid. Het rechtsstelsel is geheel en al gericht op de koning en aldus op de eliminatie van de heerschappij en haar gevolgen.

Mijn algemene onderneming in de afgelopen jaren was in de grond van de zaak, de richting om te keren van de analyse van het gehele rechtsvertoog sedert de middeleeuwen. Ik heb dus gepoogd het omgekeerde te doen, dat wil zeggen het feit van de heerschappij zijn volle gewicht te geven, zowel in haar verborgen als in haar gewelddadige vorm; en uitgaande daarvan heb ik gepoogd aan te tonen, niet alleen dat het recht - heel in het algemeen - het werktuig van deze heerschappij is, wat vanzelf spreekt, maar ook hoe, in hoeverre en in welke vorm het recht (en als ik recht zeg, dan bedoel ik niet enkel de wet, maar het geheel van apparaten, instellingen en reglementen die het recht effectueren) verhoudingen overdraagt en instelt die geen soevereiniteit- maar heerschappijverhoudingen zijn. En onder heerschappij versta ik niet het massieve feit van een omvattende heerschappij van een enkeling over anderen of van een groep over een andere groep, maar de vele vormen van heerschappij die binnen de maatschappij kunnen worden uitgeoefend. Ik bedoel dus niet de koning in zijn centrale positie, maar de onderdanen in hun wederkerige betrekkingen; niet de soevereiniteit in haar ene gebouw, maar de vele subjectiverende onderwerpingen, die binnen het maatschappelijke lichaam plaatsvinden en werkzaam zijn.

Rechtsstelsel en rechtspraak zijn de permanente schakels van heerschappijverhoudingen en veelvormige onderwerpingstechnieken. Het recht moet mijns inziens niet worden gezien vanuit een te vestigen legitimiteit, maar vanuit de onderwerpingsprocedures die het in gang zet.

Het probleem voor mij is deze voor het recht centrale vraag van de soevereiniteit en de gehoorzaamheid van de eraan onderworpen individuen te omzeilen en in de plaats van de soevereiniteit en de gehoorzaamheid het vraagstuk van heerschappij en onderwerping te stellen. Dit was de algemene analyselijn - en om haar te kunnen volgen was een aantal methodische voorzorgsmaatregelen geboden. Allereerst de volgende: het gaat er niet om de gereguleerde en legitieme vormen van de macht te analyseren in hun kern, in hun mogelijke algemene mechanismen en hun constante effecten, maar het gaat erom de macht te vatten in haar uiterste punten, in haar laatste vertakkingen, daar waar haar kanalen haarfijn worden; het gaat er dus om de macht in haar meest regionale, meest lokale vormen en instellingen aan te vatten, in het bijzonder daar waar zij de rechtsregels die haar organiseren en begrenzen van zich afschudt en te buiten gaat, waar zij de vorm van instellingen aanneemt, zich belichaamt in technieken en zich - desnoods ook gewelddadige - instrumenten verschaft voor een materieel ingrijpen. Een voorbeeld: in plaats van na te speuren waar en hoe het recht om te straffen zich op de soevereiniteit fundeert, zoals die in de theorie van het monarchale of van het democratische recht figureert, heb ik gepoogd te onderzoeken, hoe in werkelijkheid de bestraffing en de macht om te straffen vorm kregen in een bepaald aantal lokale en regionale materiële instellingen, of het nu gaat om foltering of om gevangenzetting, en wel op het tegelijk institutionele en fysieke, reglementaire en gewelddadige terrein van de concrete strafapparaten. Met andere woorden, ik heb gepoogd de macht te vatten in de steeds minder juridische pool van de wijze waarop zij wordt uitgeoefend.

De tweede methodische voorzorgsmaatregel bestond erin de macht te analyseren niet op het niveau van de intentie of van de beslissing, niet te pogen haar van binnenuit te benaderen, niet de labyrintische en onbeantwoordbare vraag te stellen: ‘Wie heeft de macht en wat beoogt hij, of waarnaar streeft hij die macht heeft?’ Het ging er veeleer om de macht daar te analyseren waar haar intentie - zo er al een intentie is - volledig opgaat in reële en concrete praktijken. Ik wilde de macht analyseren in haar buitenkant, daar waar zij in een directe, onmiddellijke samenhang staat met wat wij voorlopig haar object, haar doelwit, het terrein van haar effectuering kunnen noemen, dus daar waar zij zich verankert en haar reële effecten produceert.

Men stelle dus niet de vraag waarom bepaalde mensen willen heersen, waarnaar zij streven, wat hun globale strategie is, maar hoe de dingen functioneren op het niveau van het onderwerpingsproces of in die continue, ononderbroken processen die de lichamen onderwerpen, de gebaren sturen, het gedrag beheersen, enz. Met andere woorden, in plaats van de vraag te stellen hoe de soeverein verschijnt aan de top, zou men te weten moeten komen hoe de onderdanen zich geleidelijk, stap voor stap, daadwerkelijk en materieel hebben geconstitueerd, uitgaande van de veelheid der lichamen, krachten, energieën, materies, begeerten, gedachten, enz. Men moet de materiële instantie van de onderwerping in haar subject-constituerende functie doorgronden. Dat is nu precies het tegendeel van wat Hobbes in Leviathan heeft willen doen en in wezen naar mijn mening ook het tegendeel van wat alle rechtsgeleerden doen, voor wie het probleem is uit te vinden, hoe uitgaande van de veelheid van de individuen en de willen een enkele wil of liever een enkel lichaam tot stand kan komen, waarin een ziel huist, de soevereiniteit. Denkt u aan het schema van de Leviathan. Als kunstmatige mens is de Leviathan niets anders dan de stolling van een bepaald aantal afzonderlijke individualiteiten, die verenigd zijn door een geheel van staatsvormende elementen. Maar in het hart of liever in het hoofd van de staat bestaat iets dat hem als zodanig constitueert, en dit iets is de soevereiniteit, waarvan Hobbes zegt dat zij juist de ziel van de Leviathan is. In plaats nu van deze vraag naar de centrale ziel te stellen ben ik van mening dat men moet proberen de perifere en vele lichamen te onderzoeken, dat wil zeggen de lichamen die door de machtseffecten tot subjecten/onderdanen worden geconstitueerd.

Derde methodische voorzorgsmaatregel: de macht moet niet worden opgevat als een massief en homogeen verschijnsel van de heerschappij van een individu over andere, van een groep over andere, van een klasse over andere, maar men moet beseffen dat de macht - van niet te grote afstand beschouwd - niet iets is dat verdeeld is tussen hen die erover beschikken en haar uitsluitend bezitten, en hen die de macht niet hebben en eraan zijn overgeleverd. De macht moet worden geanalyseerd als iets dat circuleert of liever als iets dat slechts op de wijze van een keten functioneert. Zij is nooit hier of daar, nooit in de handen van enkelen, zij wordt nooit toegeëigend als een rijkdom of een goed. De macht functioneert en wordt uitgeoefend via een organisatie die de vorm van een netwerk heeft. En in de mazen ervan circuleren de individuen niet alleen, maar zijn zij ook steeds in een positie dat zij deze macht tegelijk ondergaan en uitoefenen; zij zijn nooit het onbeweeglijke en gewillige doelwit van de macht, maar steeds haar verbindingselementen. Met andere woorden, de macht wordt niet uitgeoefend op de individuen, zij doortrekt hen.

Het gaat er dus niet om het individu op te vatten als een soort elementaire kern, een oorspronkelijk atoom, als veelvoudige en trage materie waarop de macht wordt uitgeoefend of waarop de macht stuit, een macht die de individuen zou onderwerpen of breken. Dat een lichaam, gebaren, vertogen, begeerten tot individuen worden geïdentificeerd en geconstitueerd, is in werkelijkheid al een eerste effect van de macht. Het individu is dus niet dat wat tegenover de macht staat; het individu is naar mijn mening een van de eerste effecten van de macht. Het individu is een effect van de macht en tevens - of juist voor zover het een effect van haar is - het verbindende element van de macht. De macht doortrekt het individu dat zij heeft geconstitueerd.

Vierde consequentie wat betreft de methodische voorzorgsmaatregelen: Als ik zeg dat de macht niet gebonden is, circuleert, netwerken vormt, dan is dat slechts tot op zekere hoogte waar. Evengoed zou men kunnen zeggen dat wij allen fascisme in ons hoofd hebben en meer nog dat wij allen macht in ons lichaam hebben. Maar ik geloof niet dat men daaruit mag concluderen dat de macht op de wereld het best verdeeld is van alles, hoewel zij dat in zekere zin inderdaad is. Het gaat niet om een soort democratische of anarchistische verdeling van de macht over de lichamen. Belangrijk is dus niet dunkt mij - en dit zou dan de vierde methodische voorzorgsmaatregel zijn - de macht als het ware vanuit een centrum af te leiden en pogen uit te vinden tot waar zij zich naar onderen voortzet, in hoeverre zij zich reproduceert, tot in de meest moleculaire elementen van de maatschappij. Veeleer moet de macht worden geanalyseerd langs opklimmende lijnen, dat wil zeggen men moet uitgaan van de oneindig kleine mechanismen die hun eigen geschiedenis, hun eigen traject, hun techniek en tactiek hebben, en vervolgens nagaan hoe deze machtsmechanismen werden en worden bezet, gekoloniseerd, gebruikt, omgebogen, omgevormd, verplaatst, uitgebreid, enzovoort, door steeds algemenere machtsmechanismen en door omvattende heerschappijvormen. Niet de omvattende heerschappij vermenigvuldigt zich en werkt uit naar beneden; ik ben van mening dat geanalyseerd moet worden, hoe de verschijnselen, technieken en procedures van de macht werkzaam zijn op de laagste niveaus. Natuurlijk moet worden getoond hoe deze procedures zich verplaatsen, zich verbreden, hoe zij veranderen, maar in de eerste plaats hoe zij worden bezet en ingelijfd door meer omvattende verschijnselen en hoe meer algemene machtsvormen of economische voordelen zich kunnen invoegen in het spel van deze tegelijk relatief autonome en oneindig kleine machtstechnologieën. Om dit te verduidelijken zal ik een voorbeeld geven betreffende de waanzin. Een analyse die van boven naar beneden gaat, een neergaande analyse die men mijns inziens moet wantrouwen, zou tot de uitspraak kunnen voeren, dat de bourgeoisie sedert het einde van de zestiende-zeventiende eeuw de heersende klasse is geworden. Hoe kan men vervolgens uit dit postulaat de internering van de gekken afleiden? Deze deductie is altijd mogelijk, valt nooit moeilijk, en dat is nu juist het bezwaar dat ik tegen haar heb; daar juist de krankzinnige degene is die in de industriële productie nutteloos is, is het immers gemakkelijk aan te tonen waarom men genoopt was zich van hem te ontdoen. Hetzelfde zou men ten aanzien van de kinderlijke seksualiteit kunnen doen en sommigen - bijvoorbeeld W. Reich - hebben dit trouwens tot op zekere hoogte ook gedaan: hoe kan men uitgaande van de heerschappij van de burgerlijke klasse de onderdrukking van de kinderlijke seksualiteit begrijpen? Welnu, heel eenvoudig: daar het menselijk lichaam vanaf de zeventiende-achttiende eeuw in wezen een productiekracht was geworden, werden alle vormen van energiebesteding die niet aan de vorming van de productiekrachten bijdroegen en waarvan dus de nutteloosheid was gebleken, uitgebannen, uitgesloten en onderdrukt. Dergelijke deducties zijn altijd mogelijk, ze zijn tegelijk waar en niet waar, bovenal echter zijn ze te gemakkelijk, want men kan ook precies het tegendeel doen en bewijzen dat - juist uitgaande van het gegeven dat de bourgeoisie heersende klasse was geworden - de vormen van controle op de kinderlijke seksualiteit geenszins voorspelbaar waren. Integendeel, seksuele instructie en vroegrijpheid zouden nodig geweest zijn, daar het er immers in wezen om ging een arbeidskracht te herstellen waarvan de optimale status zoals wij heel goed weten, althans aan het begin van de negentiende eeuw erin bestond dat zij onbegrensd was: hoe meer arbeidskrachten er geweest zouden zijn, hoe beter en vollediger het kapitalistische productiesysteem zou hebben kunnen functioneren.

Ik geloof dat uit het algemene verschijnsel van de heerschappij van de bourgeoisie om het even wat kan worden afgeleid. Mij lijkt dat het omgekeerde moet worden gedaan, dat wil zeggen men moet uitvinden hoe de controlemechanisme historisch, van onderen uitgaande, hebben kunnen functioneren; bijvoorbeeld wat de uitsluiting van de waanzin of de onderdrukking van en het verbod op de seksualiteit betreft, dient nagegaan te worden hoe op het concrete niveau van het gezin, van de directe omgeving, van de cellen of laagste niveaus van de maatschappij deze onderdrukkings- of uitsluitingsverschijnselen hun werktuigen en hun eigen logica hadden, hoe zij aan een zeker aantal behoeften beantwoordden; men moet laten zien door wie zij werden gedragen en deze dragers niet in de bourgeoisie in het algemeen zoeken, maar ze concreet benoemen (hoe was het gesteld met de directe omgeving, met het gezin, met de ouders, met de artsen, enz.) en nagaan hoe deze machtsmechanismen op een bepaald moment, in een welbepaalde situatie en via een aantal transformaties economisch voordelig en politiek nuttig begonnen te worden. Ik geloof dat men op deze wijze gemakkelijk zal kunnen aantonen, dat wat de bourgeoisie nodig had of wat het systeem als zijn eigen belang zag, in wezen niet de uitsluiting van de gekken of het toezicht en verbod op kinderlijke masturbatie was (nogmaals: het burgerlijke stelsel is zeer wel bestand tegen het tegendeel), maar veeleer de techniek en procedure zelf van de uitsluiting. De uitsluitingsmechanismen, de toezicht houdende apparaten, de medicalisering van de seksualiteit, van de waanzin, van de delinquentie - heel deze micromechanica van de macht was vanaf een bepaald moment een belang voor de bourgeoisie. Beter nog zouden we kunnen zeggen dat, voor zover dit begrip bourgeoisie en burgerlijk belang - althans voor de vragen die wij ons thans stellen - waarschijnlijk geen reële inhoud heeft, het niet de bourgeoisie is geweest die van mening was dat de waanzin moest worden uitgesloten of de kinderlijke seksualiteit onderdrukt; veeleer zijn de uitsluitingsmechanismen van de waanzin en de mechanismen van toezicht op de kinderlijke seksualiteit vanaf een bepaald moment en om redenen die nog te onderzoeken zijn, economisch voordelig en politiek nuttig gebleken, wat natuurlijk tot gevolg had dat zij plotsklaps werden gekoloniseerd en geschraagd door omvattende mechanismen en door het gehele staatssysteem; en als men greep op deze machtstechnieken krijgt en laat zien hoe daaruit in een bepaalde context en om bepaalde redenen economische en politieke voordelen voortvloeien, dan kan men begrijpen, hoe deze mechanismen tenslotte inderdaad deel gaan uitmaken van het geheel.

Met andere woorden, de bourgeoisie bekommert zich niet in het minst om de gekken. Toch hebben de procedures om de gekken uit te sluiten sedert de negentiende eeuw, wederom op basis van bepaalde transformaties, een politiek voordeel, mogelijk ook een zeker economisch nut opgeleverd en vrijgemaakt, die het systeem hebben gestabiliseerd en het als geheel deden functioneren. De bourgeoisie is niet geïnteresseerd in de gekken maar in de macht, niet in de seksualiteit van het kind maar in het machtssysteem waardoor deze wordt gecontroleerd; de bourgeoisie bekommert zich niet in het minst om de delinquenten, om hun bestraffing of reïntegratie die economisch gezien niet erg belangrijk is, maar is geïnteresseerd in het geheel van de mechanismen waarmee de delinquent wordt gecontroleerd, vervolgd, bestraft, gecorrigeerd enzovoort.

Vijfde voorzorgsmaatregel: het is heel wel mogelijk dat de grote machtsmachinerieën gepaard zijn gegaan met ideologische producties. Zo was er bijvoorbeeld waarschijnlijk een ideologie van de opvoeding, een ideologie van de monarchale macht, een ideologie van de parlementaire democratie, enz. Maar ik geloof niet dat wat aan de basis ontstaat, ideologieën zijn: wat daar ontstaat is tegelijk veel minder en veel meer. Het zijn concrete instrumenten om weten te vormen en te accumuleren, het zijn observatiemethoden, registratietechnieken, onderzoeksprocedures, toetsingsapparaten. Dit alles betekent, dat de macht via deze subtiele mechanismen slechts kan worden uitgeoefend, als zij weten of liever apparaten van weten tot ontwikkeling brengt, organiseert en in circulatie brengt, die geen ideologische bouwsels zijn.

Om deze vijf methodische voorzorgsmaatregelen samen te vatten zou ik zeggen: in plaats van het onderzoek van de macht te richten op het juridische gebouw van de soevereiniteit, op de staatsapparaten en de daarmee verbonden ideologieën moet men het richten op de heerschappij, op de materiële bewerkers en vormen van onderwerping, op de vervlechtingen van de lokale onderwerpingssystemen en de manier waarop daarvan gebruik wordt gemaakt, op de strategische dispositieven. Men moet de macht onderzoeken buiten het model van de Leviathan, buiten het veld dat wordt afgebakend door de juridische soevereiniteit en door de institutie van de staat. Men moet de macht analyseren uitgaande van de technieken en de tactieken van de heerschappij.

Dit is ruw geschetst de te volgen methodologische lijn die ik heb geprobeerd te volgen in de verschillende onderzoeken die wij de afgelopen jaren hebben verricht in verband met de macht van de psychiatrie, de seksualiteit van het kind, de politieke stelsels, enz. Welnu, als men deze gebieden verkent en daarbij deze methodische voorzorgsmaatregelen neemt, stuit men, meen ik, op een histories feit van geweldige betekenis, dat ons tenslotte binnenvoert in de problemen waarover ik dit jaar zou willen spreken.

Dit geweldige historische feit is de juridisch-politieke soevereiniteitstheorie, waarover ik zo-even sprak en die vier functies heeft gehad. Ten eerste had ze betrekking op een concreet machtsmechanisme, namelijk de macht van de feodale monarchie. Ten tweede heeft ze als instrument en ook ter rechtvaardiging gediend voor de totstandkoming van de grote administratieve monarchieën. Bovendien was de soevereiniteitstheorie vanaf de zestiende, en met name vanaf de zeventiende eeuw, maar ook al ten tijde van de godsdienstoorlogen, een wapen dat zowel in het ene als in het andere kamp de ronde deed, dat zowel in de ene als in de andere richting werd gehanteerd hetzij om de koninklijke macht in te perken, hetzij om haar te versterken: we vinden haar bij de anti-monarchistische katholieken maar evengoed bij de anti-monarchistische protestanten, bij de monarchistische en min of meer liberale protestanten maar ook bij de katholieken die de koningsmoord en de aflossing van de dynastie verdedigden; ze functioneert in de handen van de aristocraten evengoed als in de handen van de leden van de parlementen, bij de vertegenwoordigers van de koninklijke macht evengoed als bij de laatste feodale heren. Kortom, zij is het grote werktuig geweest van de politieke en theoretische strijd om de machtssystemen in de zestiende en zeventiende eeuw. En tenslotte in de achttiende eeuw is het, door het Romeinse recht weer tot leven gewekt, opnieuw de soevereiniteitstheorie die wij grosso modo bij Rousseau en zijn tijdgenoten aantreffen en hier heeft zij haar vierde functie: nu gaat het erom tegenover de administratieve, autoritaire of absolute monarchieën een alternatief model op te stellen, namelijk dat van de parlementaire democratieën. En precies deze rol speelt ze nog ten tijde van de Revolutie.

Ik geloof nu dat, als wij deze vier functies nalopen, ons een ding duidelijk wordt: zolang de feodale maatschappij duurde, vielen de problemen waarop de soevereiniteitstheorie betrekking had inderdaad samen met de algemene mechanica van de macht, met de wijze waarop zij tot in de onderste lagen van de maatschappij, uitgaande van de hoogste, werd uitgeoefend. Met andere woorden, de soevereiniteitsverhouding - of men die nu in brede of in enge zin opvat - dekte de totaliteit van het maatschappelijke lichaam. Inderdaad kon de wijze waarop de macht werd uitgeoefend - althans voor het wezenlijke - worden uitgedrukt in termen van de verhouding soeverein-onderdaan. In de zeventiende-achttiende eeuw evenwel ontstond een belangrijk verschijnsel: het ontstaan of liever gezegd de uitvinding van een nieuwe mechanica van de macht met zeer specifieke procédés, volstrekt nieuwe instrumenten en geheel andere apparaten, een mechanica van de macht die naar mijn mening volstrekt onverenigbaar is met de soevereiniteitsverhoudingen.

Deze nieuwe mechanica van de macht baseert zich meer op de lichamen en op wat zij doen dan op de grond en zijn producten. Deze mechanica van de macht maakt het mogelijk aan de lichamen tijd en arbeid te onttrekken, meer dan goederen en rijkdom. Het is een type macht dat onafgebroken wordt uitgeoefend via toezicht en bewaking, en niet discontinu door middel van stelsels van heffingen en van in de tijd gespreide verplichtingen; een type macht dat een nauwsluitend raster (quadrillage) van materiële dwangmiddelen veronderstelt en niet zozeer het lijfelijke bestaan van een vorst; en dat uiteindelijk berust op het beginsel dat er een werkelijk nieuwe machtseconomie is, zodanig dat men tegelijk de onderworpen krachten èn de kracht en doeltreffendheid van degene die hen onderwerpt kan doen toenemen.

Dit type macht is op elk punt tegengesteld aan de mechanica van de macht die de soevereiniteitstheorie beschreef of trachtte te omschrijven. De soevereiniteitstheorie is verbonden met een vorm van macht die veel meer op de grond en haar producten wordt uitgeoefend dan op de lichamen en wat zij doen. De soevereiniteitstheorie heeft betrekking op de plaatsverandering en toe-eigening door de macht, niet van tijd en arbeid, maar van goederen en rijkdom. Zij maakt het mogelijk discontinue en in de tijd gespreide verplichtingen in juridische termen te vertalen: het is niet mogelijk om met haar een continu toezicht te codificeren. Zij maakt het mogelijk de macht te funderen rondom het lijfelijke bestaan van de vorst, maar niet uitgaande van continue en permanente systemen van toezicht. De soevereiniteitstheorie maakt het mogelijk een absolute macht op een absolute machtsaanwending te funderen, maar niet om de macht met een minimum aan bestedingen en een maximum aan doeltreffendheid te berekenen.

Dit nieuwe type macht, dat niet meer in termen van de soevereiniteit kan worden beschreven, is naar mijn mening een van de grote uitvindingen van de burgerlijke maatschappij. Het was een fundamenteel instrument van het ontstaan van het industriële kapitalisme en van het maatschappijtype dat daaraan beantwoordt; deze niet-soevereine, aan de vorm van de soevereiniteit vreemde macht is de disciplinaire macht. Deze disciplinaire macht, die niet in termen van de soevereiniteitstheorie kan worden beschreven en radiaal heterogeen is, zou normaal gesproken hebben moeten leiden tot het verdwijnen van het grote rechtsgebouw dat deze theorie is. In werkelijkheid evenwel heeft de soevereiniteitstheorie niet alleen voortbestaan als een ideologie van het recht, maar ook heeft zij vorm gegeven aan de wetboeken die in Europa in de loop van de negentiende eeuw op basis van de Code Napoleon zijn opgesteld.

Waarom is de soevereiniteitstheorie blijven bestaan als ideologie en vormgevend beginsel van de grote wetboeken? Ik geloof dat daarvoor twee redenen zijn. Enerzijds was zij in de achttiende en ook nog in de negentiende eeuw een permanent kritisch werktuig tegen de monarchie en tegen alle hindernissen die de ontwikkeling van de disciplinaire maatschappij in de weg konden staan. Anderzijds evenwel maakten de soevereiniteitstheorie en de inrichting van een wetboek waarin zij centraal stond het mogelijk de disciplinaire mechanismen onder een rechtsstelsel te stellen dat de procédés en heerschappijtechnieken van de discipline aan het oog onttrok en een ieder de uitoefening van zijn eigen soevereine rechten waarborgde via de soevereiniteit van de staat. Dat wil zeggen, de rechtssystemen - of het nu om theorieën of wetboeken gaat - maakten het mogelijk met het instellen van een publiek recht dat op de collectieve soevereiniteit was geënt, de soevereiniteit te democratiseren, op hetzelfde moment dat deze democratisering van de soevereiniteit op een dieper niveau door de mechanismen van de disciplinaire dwang werd vastgelegd.

Stringenter gesteld: zodra de disciplinaire dwangvormen als heerschappijmechanismen ingezet moesten worden, maar tegelijk als daadwerkelijke machtsuitoefening aan het oog moesten worden onttrokken, was het tevens nodig dat de soevereiniteitstheorie in het juridische apparaat aanwezig was en door de wetboeken weer tot leven werd gewekt. In de moderne maatschappijen hebben wij sedert de negentiende eeuw en tot op heden dus enerzijds een wetgeving, een vertoog, een inrichting van het publieke recht rondom het beginsel van het maatschappelijke lichaam en van de mandatering door elk individu, en anderzijds een nauwsluitend raster van disciplinaire dwangvormen dat de cohesie van ditzelfde maatschappelijke lichaam daadwerkelijk waarborgt. Welnu, dit raster kan geenszins binnen dit recht worden vertaald, hoewel het daarvan het noodzakelijke begeleidende verschijnsel is. Een recht van de soevereiniteit en een mechanica van de discipline: tussen deze twee grenzen meen ik dat de uitoefening van de macht zich voltrekt. Deze twee grenzen zijn evenwel zo heterogeen, dat de ene nooit tot de andere kan worden herleid. In de moderne maatschappijen wordt de macht via, uitgaande van en in het spel zelf van deze heterogeniteit tussen een publiek recht van de soevereiniteit en een veelvormige mechanica van de disciplines uitgeoefend. Hetgeen niet betekent dat er enerzijds een geleerd en uitgesproken rechtsstelsel is dat het rechtsstelsel van de soevereiniteit zou zijn, en anderzijds de duistere en sprakeloze disciplines die in de diepte, in de schaduw werkzaam zouden zijn en de ondergrond van de grote mechanica van de macht zouden vormen. In werkelijkheid hebben de disciplines hun eigen vertoog. Om redenen die ik u al genoemd heb, creëren zij apparaten van weten en vele kennisgebieden. Zij zijn buitengewoon vindingrijk binnen de orde van deze weten- en kennis-producerende apparaten. De disciplines zijn dragers van een vertoog, maar dit kan niet het vertoog van het recht zijn; het vertoog van de discipline heeft niets gemeen met het vertoog van de wet, van de rechtsregel als uitvloeisel van de soevereine wil. De disciplines zullen dragers zijn van een vertoog, dat een vertoog van de regel zal zijn, niet van de rechtsregel die uit de soevereiniteit is afgeleid, maar van de natuurlijke regel, dat wil zeggen het vertoog van de norm. Zij zullen een code definiëren, die niet de code van de wet zal zijn, maar van de normalisering; zij zullen verwijzen naar een theoretische horizon die noodzakelijkerwijs niet het gebouw van het recht zal zijn, maar het domein van de menswetenschappen, en hun rechtspraak zal die van een klinisch weten zijn.

Kortom: wat ik in de loop van de afgelopen jaren heb willen laten zien is niet hoe het onzekere, moeilijke en verwarde terrein van het menselijk gedrag geleidelijk is ingelijfd in de wetenschap, met het oprukken van de exacte wetenschappen; de menswetenschappen hebben zich niet geleidelijk geconstitueerd door een voortschrijdende rationaliteit van de exacte wetenschappen. Ik meen dat het proces waardoor het vertoog van de menswetenschappen fundamenteel mogelijk is geworden, de nevenschikking, het raken van twee lijnen, van twee mechanismen en van twee volledig heterogene vertoogtypen is: enerzijds de inrichting van het recht rondom de soevereiniteit, en anderzijds de mechanica van de vormen van dwang die door de disciplines uitgeoefend worden. En dat in onze dagen de macht tegelijk via dit recht en via deze technieken wordt uitgeoefend, dat deze technieken en deze uit de disciplines ontstane vertogen binnendringen in het recht, dat de procedures van de normalisering de procedures van de wet steeds meer koloniseren, dit alles kan mijns inziens het omvattende functioneren verklaren van wat ik een maatschappij van de normalisering zou willen noemen. Nauwkeuriger gezegd: ik ben van mening dat de normalisaties door de disciplines steeds meer botsen met de rechtsstelsels van de soevereiniteit: hoe duidelijker de onverenigbaarheid van beide zich manifesteert, hoe noodzakelijker een soort arbitrerend vertoog wordt, een type macht en weten dat een neutraal aanzien ontleent aan de wetenschappelijke sacralisering. Met name in de uitbreiding van de geneeskunde zien wij, hoe de mechanica van de disciplines en het beginsel van het recht zich op een of andere manier, ik wil niet zeggen verbinden, maar elkaar voortdurend afwisselen of op elkaar botsen. De ontwikkeling van de geneeskunde, de algemene medicalisering van het gedrag, van de gedragingen, de vertogen, de begeerten enzovoort vinden plaats op het front waarop de twee heterogene niveaus, discipline en soevereiniteit, elkaar treffen. Geconfronteerd met de usurpatie van de disciplinaire mechanica en met de opkomst van een macht die met het wetenschappelijke weten is verbonden, bevinden wij ons derhalve thans in een situatie, waarin de enige ogenschijnlijk veilige uitweg die ons rest, uitgerekend de toevlucht of terugkeer tot een recht is dat gecentreerd is rondom de soevereiniteit en op dit oude principe stoelt. Als men tegenover de disciplines en tegenover alle machts- en kenniseffecten die daarmee verbonden zijn iets wil stellen, wat doet men dan in concreto, in de praktijk van het leven? Wat doen het Syndicat de la Magistrature of vergelijkbare instellingen anders dan zich juist op dit recht beroepen, dit befaamde formele zogeheten burgerlijke recht dat in werkelijkheid het recht van de soevereiniteit is? Ik geloof evenwel dat wij ons hier in een soort impasse bevinden: de effecten van de disciplinaire macht kunnen niet worden ingeperkt doordat men zijn toevlucht zoekt bij de soevereiniteit tegenover de discipline. Soevereiniteit en discipline, recht van de soevereiniteit en disciplinaire mechanismen zijn immers twee absoluut constituerende bestanddelen van de algemene machtsmechanismen in onze maatschappij.

Dus om de waarheid te zeggen: om bij het zoeken naar een niet-disciplinaire macht of liever, in de strijd tegen de disciplinaire macht te kunnen optreden tegen de disciplines zal men niet de richting van het oude recht van de soevereiniteit moeten inslaan, maar in de richting van een nieuw recht moeten gaan, dat niet alleen anti-disciplinair zou zijn maar ook van het beginsel van de soevereiniteit bevrijd. En hier stoten wij opnieuw op het begrip onderdrukking, aan het gebruik waarvan mijns inziens tweeërlei bezwaren kleven. Enerzijds verwijst het vaag naar een bepaalde soevereiniteitstheorie, te weten de theorie van de soevereine rechten van het individu, en anderzijds brengt het, als men het gebruikt, een stelsel van psychologische verwijzingen in het spel die ontleend zijn aan de menswetenschappen, dat wil zeggen aan vertogen en praktijken die tot het disciplinaire terrein behoren. Ik ben van mening dat het begrip onderdrukking altijd nog een juridisch-disciplinair begrip is, hoe kritisch men het ook gebruiken wil. En in zoverre is het kritische gebruik van het begrip onderdrukking als gevolg van de tweeledige, juridische en disciplinaire, verwijzing die dit begrip impliceert naar de soevereiniteit en de normalisering gecorrumpeerd en onbruikbaar.

_______________
[1] Michel Foucault, ‘Corso del 14 gennaio 1976’, in: M. Foucault, Microfisica del potere. pp. 179-194.