Evald Iljenkov

De dialectiek van het abstracte en het concrete in Het Kapitaal van Marx



Geschreven: 1969
Bron: Marxistische kennistheorie (opstellen), werkuitgave SUN, 1973, samengesteld door de werkgroep filosofie, centrale interfaculteit Nijmegen
Oorspronkelijke versie: Beiträge zur marxistischen Erkenntnistheorie, Suhrkamp 349, Frankfurt am Main 1969, pp. 87-127.
Vertaling: onbekend
Deze versie: Spelling en punctuatie
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee voor het Marxists Internet Archive, november 2005


Het opstijgen van het abstracte naar het concrete

Bij zijn onderzoek van de methode van de politieke economie ontvouwt Marx een aantal gedachten die van groot filosofisch belang zijn. Dat geldt met name voor de stelling dat de enig mogelijke en juiste weg voor het denken om het specifieke probleem van de theoretische kennis van de ons omringende wereld op te lossen, er in bestaat om “van het abstracte op te stijgen naar het concrete”.

Volgens Marx is het concrete de “eenheid van het veelvoudige”.

“In het denken manifesteert het zich dus als een proces van samenvatting, als resultaat, niet als uitgangspunt, hoewel het het werkelijke uitgangspunt is en dus ook het uitgangspunt van de aanschouwing en de voorstelling. (...) Het geheel, zoals het in het hoofd als gedachtegeheel verschijnt, is een product van het denkende hoofd, dat zich de wereld op de voor hem enig mogelijke manier eigen maakt; een manier die verschilt van de artistieke, religieuze, praktisch-geestelijke manier om zich deze wereld eigen te maken”. [1]

De methode die zich van het abstracte verheft tot het concrete, waarbij “de abstracte bepalingen langs de weg van het denken leiden tot de reproductie van het concrete [2] wordt door Marx gekenschetst als de “wetenschappelijk juiste methode”. Het is een speciale methode die

“alleen maar de manier is waarop het denken zich het concrete eigen kan maken, als een mentaal concretum kan reproduceren”. [3]

Alleen met behulp van deze methode kan de theoreticus zijn speciale probleem oplossen: de omzetting van de aanschouwings- en voorstellingsgegevens in begrippen. Omdat deze stellingen van bijzonder groot belang zijn om de methode van Het Kapitaal te begrijpen zullen we er uitvoeriger bij stilstaan. Niet in de laatste plaats omdat die stellingen, wat betreft Marx’ economische en filosofische gedachten, vaak het voorwerp van vervalsingen zijn geweest.

We moeten er eerst aan herinneren dat Marx in geen geval het concrete opvat als simpele afbeelding van de levende aanschouwing, als zintuiglijke vorm waarin het object in het bewustzijn weerspiegeld wordt; en dat hij het abstracte niet opvat als een loutere “abstractie van de geest”. Als iemand de aangehaalde passages leest en daarbij vasthoudt aan zo’n opvatting van het abstracte en het concrete, die de opvattingen zijn van het strenge empirisme en het neokantianisme, dan vervalt hij in absurditeiten en dan ontgaat de weerspiegelingstheorie hem volledig. Men krijgt dan de bedrieglijke indruk als zou Marx aanbevelen om uit te gaan van de abstractie van de geest als van een onmiddellijke gegevenheid, om uiteindelijk terecht te komen bij de afbeelding van de levende aanschouwing die dan iets secundair zou zijn, van het denken afgeleid. Daarom is het een eerste vereiste, als men Marx leest, erop te letten dat men zich niet op een dwaalspoor laat brengen door opvattingen, die op onkritische wijze zijn ontleend aan sommige voor-marxistische en neokantiaanse kennistheoretische verhandelingen.

Vanuit het oogpunt van de bepalingen die Marx zelf gegeven heeft van het abstracte en het concrete, zijn de aangehaalde citaten precies kenmerkend voor de dialectiek van de overgang van de levende aanschouwing naar het abstracte denken, van de aanschouwing en de voorstelling naar het begrip, van het concrete, zoals dat bij de aanschouwing en de voorstelling blijkt, naar het concrete zoals dat zich manifesteert in het theoretisch denken. Marx is vóór alles materialist. Anders gezegd, hij gaat uit van het feit dat alle abstracties met behulp waarvan, met de synthese waarvan, de theoreticus de wereld denkend reconstrueert, dat al die abstracties dus mentale kopieën zijn van bijzondere momenten van de objectieve werkelijkheid zelf, momenten, die door de analyse aan het licht gebracht worden. Anders gezegd, het spreekt hier vanzelf dat iedere op zichzelf genomen bepaaldheid het product is van de veralgemening en de analyse van onmiddellijke gegevenheden uit de aanschouwing. In deze zin (en alléén in deze) is zij het product van het feit dat het concrete in de werkelijkheid “gereduceerd” wordt tot een synthetiserende en abstracte uitdrukking in het bewustzijn. Wat betreft de bepalingen, die de voor-marxistische politieke economie gebruikte, verklaart Marx dat zij allemaal producten zijn van de beweging die het concrete op het niveau van de voorstelling doormaakt tot steeds schralere abstracties. Daarom duidt hij de weg die door de politieke economie historisch is afgelegd aan als een weg die uitgaat van het werkelijke en concrete, eerst leidt tot “dunne algemeenheden” en pas van daaruit tot een systeem, tot een synthese, een samenstel van abstracties die bij elkaar een theorie vormen. Het spreekt vanzelf dat het “reduceren” van de concrete volheid van de werkelijkheid tot de abstracte uitdrukking daarvan in het bewustzijn de voorwaarde is, zonder welke geen enkel gespecialiseerd theoretisch onderzoek ontwikkelt of zelfs maar begonnen kan worden. Meer nog, die “reductie” is niet slechts een “premisse”, een voorhistorische voorwaarde om zich de wereld theoretisch eigen te kunnen maken, maar zij is ook een organisch moment juist van het proces, waarin een systeem van wetenschappelijke bepalingen wordt geconstrueerd, d.w.z. een moment van de synthetiserende werkzaamheid van de geest.

Opgemerkt moet worden dat de theoreticus de bepalingen, waaruit hij een systeem vormt, niet kant-en-klaar aantreft in het stadium (de “trap”) van kennis. Zijn taak bestaat er bepaald niet alleen uit om magere abstracties op formele wijze samen te voegen en de daartoe bekende regels toe te passen. Als hij de aanwezige reeds verworven abstracties tot een systeem samenvoegt, onderwerpt hij ze steeds aan een kritische analyse; hij verifieert ze doordat hij ze confronteert met de feiten en zo in zekere zin zelfs het proces herhaalt dat zich van het concrete in de werkelijkheid verheft naar het abstracte in het denken. Daarom is dit “opstijgen” niet alleen maar zoiets als een “premisse” voor de constructie van een wetenschappelijk systeem, als wel veeleer een organisch moment van deze constructie zelf.

De afzonderlijke abstracte bepalingen, waarvan de synthese, het “gedachtenconcretum” oplevert, ontwikkelen zich juist pas in de loop van dit proces. Daarom ook is het theoretische proces dat tot concrete kennis leidt, zowel in zijn afzonderlijke fasen als in zijn geheel een proces waarbij het concrete gereduceerd wordt tot het abstracte. Het opstijgen van het concrete naar het abstracte enerzijds, en van het abstracte naar het concrete anderzijds, zijn twee verschillende vormen, zo kan men ook zeggen, die in het proces waarbij men zich de wereld theoretisch eigen maakt, elkaar in het “abstracte denken” wederzijds impliceren. Elk van beiden realiseert zich pas door zijn tegendeel, in de eenheid daarmee. Het opstijgen van het abstracte naar het concrete zou, zonder zijn tegendeel het opstijgen van het concrete naar het abstracte, veranderen in een puur scholastiek samenvoegen van magere abstracties die, kant-en-klaar aanwezig, overal en nergens vandaan gehaald worden. Het omgekeerde is ook waar: als het concrete op goed geluk gereduceerd wordt tot het abstracte, zonder dat er een algemeen idee bestaat over een duidelijk geconcipieerd onderzoek, zonder dat er een hypothese is, kan dat net zo min een theorie opleveren, en zal dat ook niet doen. Er kan op zijn hoogst een ratjetoe van kale abstracties uitkomen.

Maar waarom verklaart Marx, die dat alles in aanmerking neemt, juist die methode tot de enige wetenschappelijk mogelijke en juiste methode om zich de wereld theoretisch (weerspiegelend) eigen te maken, die “van het abstracte opstijgt naar het concrete"? Wel, omdat de dialectiek (i.t.t. het eclecticisme) niet redeneert volgens het principe “enerzijds-anderzijds”, maar steeds het bepalende, overheersende aspect aanduidt, het moment van de eenheid der tegenstellingen, dat telkens de doorslag geeft. Dat is een axioma van de dialectiek.

Inderdaad bestaat de bijzonderheid van het proces van theoretische toe-eigening juist hierin (in tegenstelling tot het eenvoudigweg empirisch kennisnemen van de feiten), dat iedere op zichzelf genomen “abstractie” zich in de loop van de algemene beweging van het onderzoek ontwikkelt, in een beweging die leidt tot een steeds rijkere, vollediger, d.w.z. concretere opvatting van het object. Iedere geïsoleerde veralgemening (waarvoor de formule luidt: “van het concrete naar het abstracte”) heeft daarom alleen de zin een stap te zijn naar een concreet begrijpen van de werkelijkheid. Een weg die van het abstracte spiegelbeeld van het object in het denken, naar een steeds concreter wordende uitdrukking daarvan in het begrip gaat.

Als een bepaalde act van veralgemening niet tegelijk een stap vooruit is bij de ontwikkeling van de theorie, op een weg die van een al bereikte kennis leidt naar een nieuwe, vollediger kennis; als die daad niet de theorie in haar geheel vooruitbrengt, als zij de theorie niet verrijkt met een nieuwe, algemene bepaling, (maar weer alleen oude koek herhaalt) dan is die akt, vanuit het standpunt van de ontwikkeling van de theorie bezien, doodgewoon zinloos. Met andere woorden: het “concrete” (d.i. de ononderbroken beweging in de richting van een steeds concreter begrijpen) vormt hier het specifieke doel van het theoretisch denken. In zoverre wordt de handelwijze van de theoreticus (let wel, het gaat hier om geestelijk handelen) in ieder afzonderlijk geval, bij elke veralgemening, wetmatig bepaald door het “concrete”.

Van die zijde bezien is het “abstracte” niet het doel, maar alleen het middel van het theoretische proces, en iedere act van veralgemening (d.w.z. waarbij het concrete wordt gereduceerd tot het abstracte) verschijnt als een “verdwijnend moment” in de algemene beweging. In de dialectiek is een “verdwijnend moment”, een moment dat, los van andere momenten, geen eigen betekenis heeft, maar alleen in samenhang met die andere momenten, in een levende wisselwerking daarmee, in de overgang. Zo zit dat. Als dialecticus stelt Marx er zich niet mee tevreden eenvoudig het feit te constateren dat het proces van het theoretisch denken zowel de beweging van het concrete naar het abstracte omvat, als die van het abstracte naar het concrete; maar hij legt speciaal de nadruk op de vorm van de denkbeweging, die in het onderhavig geval domineert en die het belang van de daaraan tegengestelde vorm bepaalt. In het gespecialiseerde theoretische onderzoek overheerst de vorm die zich van het abstracte verheft naar het concrete. Dat is dus de specifieke vorm van theoretisch denken.

Dat wil natuurlijk helemaal niet zeggen dat de andere vorm geheel ontbreekt, maar alleen dat het reduceren van de concrete volheid der feiten tot de abstracte uitdrukking daarvan in het bewustzijn, noch de specifieke, noch de bepalende vorm is waarin de wereld theoretisch weerspiegeld wordt. De mens eet om te leven, en leeft niet om te eten. Maar het zou dwaas zijn om daaruit te concluderen dat de mens niet meer moet eten; en het zou net zo dwaas zijn om dit spreekwoord ervan te beschuldigen dat het de rol van het voedsel “degradeert”. In ons geval is het net zo. Wie het feit dat de concreet-zintuiglijke volheid der feiten geabsorbeerd wordt in de schoot der abstractie, beschouwt als de voornaamste en bepalende vorm van intellectuele werkzaamheid van de theoreticus, geeft er blijk van dat hij van wetenschap geen kaas heeft gegeten. Het is hier alleen maar een middel dat noodzakelijk is om zich aan een ernstiger, meer specifieke taak te kunnen wijden: namelijk aan de theoretische toe-eigening van de wereld, het werkelijke doel van de activiteit van de geleerde. Het concrete in het denken reproduceren, dat is het doel waardoor het specifieke belang en de betekenis van iedere aparte act van veralgemening bepaald wordt.

Maar het concrete in het denken is geen doel in zichzelf, geen einddoel. De theorie in haar geheel is ook slechts een “verdwijnend moment” in het praktische proces van de stofwisseling tussen mens en natuur. Van de theorie gaat men over op de praktijk, en ook die overgang kan gekenmerkt worden als een overgang “van het abstracte naar het concrete”. De praktijk heeft geen hoger doel meer buiten zichzelf; zij is haar eigen doel, zij is doel op zichzelf. Daarom juist wordt, bij het uitwerken van de theorie, iedere stap, elke veralgemening voortdurend geconfronteerd met de gegevens van de praktijk, en wordt aan die praktijk als hoogste doel van de theoretische activiteit gerelateerd. Als Lenin spreekt over de methode van Das Kapital noteert hij dan ook als één van de meest karakteristieke trekken: “Hier wordt elke fase van de analyse getoetst aan de feiten resp. aan de praktijk”. [4]

“Iedere fase” van de analyse wordt voortdurend gerelateerd aan en georiënteerd op de totale ontwikkeling van het wetenschappelijk onderzoek, in laatste instantie op de praktijk; dat komt voort uit het meest innerlijke wezen van de marxistische opvatting over de karakteristieke aard van de theoretische toe-eigening van de wereld. Iedere fase van de analyse, iedere act waarbij het concrete tot het abstracte gereduceerd wordt, moet van het begin af aan het “geheel” in het oog houden, dat door de voorstelling, door de levende aanschouwing verborgen wordt; de afspiegeling van dat geheel is het hoogste doel van de theoretische arbeid (let wel, alleen voorzover het om theoretische arbeid gaat, voorzover de mens zich slechts op theoretisch niveau met de wereld bezighoudt). Dat is de diepe, dialectische betekenis van Marx’ stelling over de methode van het opstijgen van het abstracte naar het concrete. Dat betekent dat alle abstracte, werkelijk wetenschappelijke bepalingen in het brein van de mens, die niet illusionair en leeg zijn, zich bepaald niet manifesteren als het resultaat van het feit dat het concrete toevallig en zonder nadenken is gereduceerd tot het abstracte; maar als resultaat van een systematische vooruitgang van het bewustzijn in de loop van het regelmatige algemene proces van ontwikkeling van de wetenschap, van de concretisering van het bestaande weten en de kritische verandering daarvan. Men moet het niet zo zien, alsof iedere wetenschap eerst door het stadium heen moet waarin de wereld uitsluitend analytisch benaderd wordt - wat een stadium zou zijn waarin het concrete zuiver inductief wordt gereduceerd tot het abstracte - om zich vervolgens, als dat werk volledig is afgehandeld, op te kunnen maken om de verworven abstracties tot een systeem samen te binden”, om “van het abstracte op te stijgen naar het concrete”.

Marx gaat in op de geschiedenis van de burgerlijke politieke economie en legt er dan de nadruk op, dat zij bij haar ontstaan in feite de weg van een eenzijdige analyse heeft ingeslagen, en dat zij pas later in het “wetenschappelijk juiste” spoor is getreden. Maar daarmee wil hij natuurlijk niet zeggen dat iedere huidige wetenschap dit voorbeeld moet volgen en eerst een zuiver analytisch stadium moet doorlopen, voordat zij zich van het abstracte verheft naar het concrete.

De uitsluitend analytische methode is geen model dat navolging verdient. Zij was veeleer de uitdrukking van de onvermijdelijke historische beperkingen van de burgerlijke politieke economie, beperkingen die vooral berustten op het feit dat een uitgewerkte methode van dialectisch denken ontbrak. De dialectische logica raadt de moderne wetenschap echt niet aan om te beginnen met alleen maar analyseren en reduceren van het concrete tot het abstracte, om daarna over te gaan tot louter een synthese, tot alleen maar het opstijgen van het abstracte naar het concrete, en verder niets. Zo’n weg zou niet tot concrete kennis kunnen leiden, of als dat wel het geval was, dan alleen via de omweg, die de politieke economie vóór Marx gemaakt heeft.

Het voorbeeld dat Marx aangehaald heeft pleit er veeleer voor dat de wetenschap thans van het begin af aan een juiste richting moet inslaan, zonder weer de omweg te herhalen die men in de 17e eeuw gemaakt heeft. De wetenschap moet gebruik maken van de dialectische methode van het opstijgen van het abstracte naar het concrete, waarbij analyse en synthese organisch met elkaar verbonden zijn. Het voorbeeld van Marx pleit ervoor dat de wetenschap als haar taak ziet om haar abstracte bepalingen bij voorbaat al zó uit te werken, dat elk van die bepalingen een stap vooruit wordt, zodat men langzaam in de richting van de concrete waarheid gaat, naar de kennis van de werkelijkheid als een zich ontwikkelend geheel. Als de wetenschap werkelijk wetenschap is, en niet alleen maar een opeenstapeling van feiten en informatie, dan moet zij van het begin af aan haar object reflecteren en haar bepalingen ontwikkelen op de manier, die Marx heeft gekenschetst als de enig mogelijke en enig juiste; zij mag die methode niet bewaren “als nagerecht”, als literaire expressie van resultaten die al bewezen zijn, zoals neokantiaanse revisionisten als Cunow, Renner en meer van dat soort lieden geadviseerd hebben.

De methode van het opstijgen van het abstracte naar het concrete is wel het meest zuiver weergegeven in die werken van Marx, waarin een systematische uiteenzetting van de theorie gegeven wordt, nl. in: Zur Kritik der politischen ökonomie, Grundrisse der Kritik der politischen ökonomie en Das Kapital. Maar dat wil beslist niet zeggen dat de “uiteenzetting” op een fundamenteel andere methode gebaseerd is dan het “onderzoek”, en dat Marx’ wijze om onderzoek te verrichten in directe tegenstelling zou staan tot de wijzen waarvan hij zich bedient om zijn “onderzoeksresultaten” uiteen te zetten. Als dat zo was dan zou de analyse van de “logica van Das Kapital” strikt genomen niets bijdragen tot het begrijpen van de methode die Marx bij zijn onderzoekingen heeft toegepast; en dan zou die analyse ook niets bijdragen tot de behandeling van de aanschouwings- en voorstellingsgegevens. Dan zou Das Kapital alleen instructief zijn vanwege de literaire vorm waarin de resultaten zijn gegoten, en helemaal niet vanwege de methode waardoor die resultaten verkregen zijn. Dan zou het beter zijn om de onderzoeksmethode van Marx niet aan de hand van de analyse van bv. Das Kapital te onderzoeken, maar door een onderzoek te doen naar de ontwerpen, aantekeningen, schetsen en overwegingen die bij zijn eerste directe kennismaking met de economische feiten in Marx’ hoofd zijn opgekomen. Dan zou men het eens kunnen zijn met de platvloerse bewering van de schrijver van één van de talloze anti-marxistische brochures, de politicoloog I. Fetscher, die het volgende verkondigt:

“De methode die Marx in Das Kapital hanteert, is in wezen dezelfde die ook door de burgerlijke wetenschapsmensen wordt toegepast. De dialectiek diende hem daarbij, zoals hij zelf zegt in zijn nawoord bij de tweede druk van Das Kapital, alleen als “beschrijvingswijze”; een beschrijvingswijze die evenwel een aantal belangrijke voordelen heeft, waarop wij hier niet nader kunnen ingaan.” [5]

Want dat heeft niets te maken met het probleem van de kennismethode.

Fetscher verdraait hier de betekenis van Marx’ bekende formulering, dat de uitdrukking van een theorie in haar ontwikkelde vorm noodzakelijkerwijs moet afwijken van de ontwikkeling van al het onderzoek, dat tot die theorie geleid heeft; maar het “formele” verschil tussen deze theorie en die waarover Marx spreekt, betreft geenszins het principe van de denkmethode, de manier om gegevens uit de aanschouwing en de voorstelling om te zetten in begrippen. Deze analysemethode is dezelfde, en wel dialectisch, gebleven bij de voorlopige behandeling van de gegevens als bij de definitieve verwerking daarvan, zij het ook natuurlijk dat die methode zich heeft geperfectioneerd naarmate Marx voortgang maakte met Das Kapital.

Het belangrijkste voordeel van deze “beschrijvingswijze”, die allerminst een louter literair en stilistisch karakter draagt, is juist dat de schrijver van Das Kapital helemaal niet op dogmatische en schoolmeesterachtige wijze kant-en-klare resultaten aanvoert, waarvan men niet weet hoe hij ze verkregen heeft, maar dat hij de lezer het hele onderzoeksproces voorschotelt, dat tot die resultaten leidt. “De lezer die mij überhaupt wil volgen moet besluiten om van het enkele naar het algemene op te stijgen” [6], zo stelde Marx met nadruk in zijn voorwoord bij Zur Kritik der politischen ökonomie. Deze methode van de “uiteenzetting” leert de lezer het bijzondere detail begrijpen, brengt hem van het abstracte naar een steeds concreter, meer ontwikkeld en algemener inzicht, van de economische werkelijkheid naar het algemene, als resultaat van de wederkerige doordringing van de bijzondere momenten. Weliswaar wordt daarbij het onderzoeksproces niet gereproduceerd met al zijn details en omwegen in het onderzoek, die meer dan 25 jaar duurden, maar de wezenlijke knooppunten worden weergegeven, waarvan het onderzoek zelf heeft aangetoond dat zij het denken op het gebied van de concrete kennis effectief hebben vooruitgebracht. Bij de definitieve correctie van de feiten voor de druk van het boek heeft Marx niet weer de talloze omwegen en zijpaden van het hoofdthema herhaald, die nu eenmaal bij het werk van iedere geleerde onvermijdelijk zijn. In de loop van werkelijk onderzoek worden dikwijls feiten getoetst die geen directe relatie hebben met het onderwerp: uiteindelijk kan alleen uit hun analyse blijken, of ze al dan niet op het onderwerp betrekking hebben. Bovendien moet de theoreticus elk ogenblik terugkeren tot het bestuderen van feiten, die al grondig bestudeerd leken te zijn. Dit onderzoek verloopt niet systematisch. Het maakt een gecompliceerde beweging, die moeilijk te overzien is en het schrijdt voort, doordat het terugkeert tot zichzelf, waarbij vaak doodlopende wegen worden ingeslagen.

De definitieve uiteenzetting geeft niet al die etappes weer op grond waarvan het onderzoeksproces in zijn ware gedaante verschijnt, ontdaan van toevalligheden en afdwalingen. Die uiteenzetting is als het ware “gecorrigeerd” en geeft het karakter aan van de beweging van stelselmatige voortgang, in overeenstemming met het wezen en de beweging van de feiten zelf. Het denken gaat niet meer over van de analyse van het éne feit naar die van het andere, voordat het eerste werkelijk uitputtend behandeld is. Het denken behoeft daarom niet meer steeds opnieuw op dezelfde zaak terug te komen, om te voltooien wat was blijven liggen.

Daarom is de “beschrijvingswijze” van Das Kapital niets anders dan de onderzoeksvorm ervan - gecorrigeerd maar niet willekeurig, maar precies volgens wetten die door het onderzoeksproces zelf zijn voorgeschreven. Met andere woorden, de beschrijvingswijze is in dit geval ontdaan van alle momenten die slechts van secundair belang zijn. Zij voldoet precies aan de objectieve wetten van het onderzoek. De “formele” verschillen, waarover Marx het heeft in het nawoord bij de tweede druk van Das Kapital hebben betrekking op heel andere omstandigheden; zij slaan speciaal op het feit dat Marx persoonlijk de verschillende sferen van de kapitalistische warenhel heeft leren kennen in een volgorde die niet in overeenstemming was met hun ontwikkelingswet, zoals die in Das Kapital uit de doeken wordt gedaan.

De volgorde waarin het een of ander aspect van een te bestuderen object zich om een of andere reden aan een theoreticus of aan een hele wetenschap voordoet is niet in overeenstemming met het opstijgen van het abstracte naar het concrete. Dat is namelijk alleen gericht op de volgorde die in overeenstemming is met de onderlinge objectieve betrekkingen van de verschillende momenten van de te bestuderen “totaliteit”. Deze werkelijke volgorde bereikt men niet met één slag. Daarom is het onjuist als men de methode van het opstijgen van het abstracte naar het concrete wil rechtvaardigen d.m.v. de wetenschappelijke biografie van de theoreticus in kwestie, of zelfs d.m.v. het historische ontwikkelingsproces van de wetenschap. Ook de wetenschap, als geheel genomen, bereikt haar werkelijke uitgangspunt pas na lang en moeizaam onderzoek. Zo is Marx bv. ertoe gekomen om de economische relaties te gaan analyseren en begrijpen doordat hij uitging van de juridische en politieke verhoudingen tussen de mensen. De sfeer van recht en politiek vormde zijn uitgangspunt om de structuur van het maatschappelijk organisme te bestuderen. Maar bij de “uiteenzetting” van de theorie van het historisch materialisme eist Marx toch dat men uitgaat van de conceptie van de economisch-materiele verhoudingen, om van daaruit te komen tot de conceptie van recht en politiek.

Theoretici als Fetscher zouden dus kunnen verklaren dat Marx’ stelling volgens welke het uitgangspunt tot het begrijpen van alle sociale verschijnselen de economie moet zijn, en niet het recht en de politiek, alleen betrekking heeft op de literaire uiteenzettingswijze van de theorie, terwijl Marx en de marxisten bij hun onderzoek op precies dezelfde wijze te werk gaan als onverschillig welke burgerlijke geleerde...

Het is wel juist dat Marx vóór hij zijn economische studies begon recht en politiek heeft gestudeerd. Maar het blijft evenzeer een feit dat hij die gebieden pas wetenschappelijk (in materialistische zin) juist heeft begrepen, nadat hij de economie had geanalyseerd, zij het ook aanvankelijk slechts in haar meest algemene kenmerken. Hetzelfde geldt voor Marx’ inzicht in de politieke economie. Van de bewegingswetten van geld, winst en grondrente was hij al wel op de hoogte, voordat hij het dubbelkarakter van de waar en van de arbeid, die de waar produceert, kon begrijpen. Maar toen hij het werkelijke wezen van de waarde nog niet begrepen had, slaagde hij er evenmin in een juist inzicht te krijgen in het geld en de rente.

In Elend der Philosophie zit hij nog vast aan de illusies van Ricardo’s geld- en rentetheorie. Pas toen hij in de 50er jaren een duidelijk inzicht kreeg in de aard van de waarde, kon hij geld en rente in hun juiste licht zien. Daarvóór was het fundamenteel onmogelijk om het geld te begrijpen. In het begin van de jaren 50 heeft Marx er veel tijd aan besteed om een inzicht te krijgen in de botsingen die gepaard gaan met de geldcirculatie in tijden van crisis en “voorspoed”. Die pogingen deden hem concluderen dat hij de wetten van de geldcirculatie niet kon begrijpen als hij niet eerst het waardebegrip zeer gedetailleerd had uitgewerkt. Pas nadat hij dat gedaan had werd het hem duidelijk dat hij voordien dezelfde illusies had gekoesterd als Ricardo.

Daarom bestaat er geen rechtvaardiging voor de werkwijze, waarbij de feiten zó bestudeerd worden, dat men van het abstracte opstijgt naar het concrete en waarbij men zich houdt aan de volgorde waarin het bestuderen van het materiaal zich historisch ontwikkeld heeft. Deze methode drukt de volgorde uit, waarin zich in het bewustzijn van de theoreticus het objectieve inzicht vastzet, dat overeenkomt met het beoogde object; maar die methode drukt niet de volgorde uit, waarin het een of andere aspect van de werkelijkheid om een of andere reden de aandacht van de theoreticus trekt en binnen het operatieveld van de wetenschap komt te liggen. Deze methode drukt een innerlijke ontwikkelingswet van de wetenschappelijke conceptie uit, die zich in de loop van de geschiedenis doorzet temidden van een grote hoeveelheid toevalligheden, afwijkingen en vaak omwegen die als zodanig aan de theoretici zelf verborgen blijven. Het is daarom niet zo eenvoudig om die wetmatigheid aan de oppervlakte van de wetenschappelijke ontwikkeling (d.w.z. in het bewustzijn van de theoretici) te ontdekken. Onder bepaalde omstandigheden is het mogelijk dat die wet zich lange tijd niet kan vastzetten in het bewustzijn van de theoretici, ofwel dat zij zich manifesteert in een vorm waarin zij niet herkend wordt. Het gebeurt vaak, zoals Marx opmerkte, dat een wetenschapsman een volslagen foutieve opvatting heeft over datgene, wat hij doet of over de manier waarop hij te werk gaat. Daarom kan men een filosoof niet beoordelen naar de voorstelling die hij zich van zichzelf maakt. Het is veel belangrijker (en lastiger) om de objectieve betekenis van zijn inzichten en van de rol daarvan in het ontwikkelingsproces van de wetenschap aan het licht te brengen.

Daarom kunnen de werkelijke betekenis van de elementen van een wetenschappelijke biografie, de werkelijke volgorde van de wetenschappelijke bepalingen niet belicht worden door simpel biografisch onderzoek. Maar al te dikwijls wijkt de werkelijke vooruitgang van de wetenschappelijke kennis (d.w.z. de systematische ontwikkeling van het denken tot de concrete waarheid) sterk af van de chronologische volgorde. In zijn onafgemaakte werk Zur Frage der Dialektik wijst Lenin erop, dat “chronologie m.b.t. personen” niet nodig is, als het erom gaat de ontwikkelingslogica van de kennis te analyseren; dat deze chronologie niet altijd in overeenstemming is met de werkelijke wijze waarop het object geleidelijk aan theoretisch wordt doordrongen.

Uit dit alles volgt dat de karakteristieke trekken van Marx’ onderzoeksmethode in Das Kapital zelf in hun meest duidelijke en zuivere vorm naar voren komen, en niet in de plannen, aantekeningen en schetsen die direct in Marx’ brein ontstonden tijdens zijn studie van de economische feiten. Hier in Das Kapital blijkt de werkelijke volgorde van de wetenschappelijke bepalingen, die slechts langzamerhand, in de loop van het voorafgaande onderzoek, aan het licht gekomen is en waarvan Marx zelf zich niet altijd duidelijk bewust was. Hij heeft steeds op zeer besliste wijze zelfkritiek uitgeoefend: heel vaak heeft hij vergissingen en lacunes uit een vroeger stadium van zijn werk “achteraf’ resoluut verbeterd. De kiemen objectieve waarheid kunnen pas later streng-objectief onderscheiden worden van de vorm die zij oorspronkelijk in het bewustzijn hadden; de aanduidingen in de richting van iets hogers kunnen pas juist begrepen worden als dit hogere reeds bekend is.

Wie dus probeert om de onderzoeksmethode van Marx niet volgens Das Kapital te reconstrueren, maar volgens de verzameling van plannen en schetsen die in zijn archieven bewaard zijn gebleven, die maakt het werk alleen maar ingewikkelder. Om die methode juist te begrijpen moet eerst Das Kapital geanalyseerd worden. Anders ontdekt men niet eens de “aanduidingen in de richting van iets hogers”. Verder begrijpt men dan absoluut niet waarom het nodig is om aan de vroegere en voorlopige uitdrukkingsvorm van een gedachte de voorkeur te geven boven een latere, meer gepolijste en rijpere vorm. Dat zou er alleen maar toe leiden dat die vroegere uitdrukkingsvorm als ideaal werd beschouwd, en de latere als een vervalsing. Dat zou feitelijk betekenen dat men de formuleringen van Das Kapital en zijn ontwikkelingsmethode zou toeschrijven aan een literaire uiteenzetting, en niet aan de verdieping van het denken, van het inzicht in de onderzoeksmethode.

(Die klungelige werkwijze wordt hardnekkig beoefend door de moderne revisionisten, voor wie het “authentieke marxisme” gezocht moet worden in de manuscripten van de jonge Marx en niet in zijn latere werken. In hun ogen is Das Kapital een “vervalsende uitdrukkingsvorm” van de concepties van het “werkelijke humanisme” zoals Marx en Engels dat volgens hen in de jaren 1843-1844 ontwikkeld hebben.) Juist daarom heeft Lenin aangegeven dat, om de “grote logica” van het marxisme uit te werken, het vooral belangrijk is om Das Kapital te bestuderen. En dat de “beschrijvingswijze” die hier door Marx is toegepast, als voorbeeld moet dienen hoe de werkelijkheid dialectisch door het denken begrepen wordt, als voorbeeld voor de bestudering en het uitwerken van de dialectiek in het algemeen.

Na deze voorlopige overwegingen kunnen we overgaan op een meer diepgaande studie van de methode van het opstijgen van het abstracte naar het concrete als een juiste methode, om wetenschappelijke bepalingen te ontwikkelen en om de gegevens uit de levende waarneming en voorstelling theoretisch te verwerken.

Hierbij moeten we ons nogmaals in herinnering brengen dat bij Marx onder deze gegevens niet alleen datgene verstaan wordt, wat het individu zich in de vorm van een zintuiglijke afbeelding voorstelt. Dat zou een uiterst beperkte en volledig onjuiste interpretatie zijn: namelijk die uit de voor-marxistische filosofie en uit de antropologische conceptie van het subject van de kennis. Marx verstond onder die gegevens steeds de grote massa van maatschappelijk opgestapelde empirische ervaring, de hele ontzaglijke menigte van empirische gegevens, waarover de theoretici d.m.v. boeken, statistieken, kranten en getuigenissen kunnen beschikken. Maar al die empirische gegevens worden in een verkorte vorm, die al een abstracte uitdrukking heeft gekregen, in de opslagplaatsen van het maatschappelijk geheugen bewaard. Die gegevens zijn taalkundig, terminologisch, numeriek, in tabellen en in andere “abstracte” vormen uitgedrukt. Natuurlijk is het niet de specifieke taak van de theoreticus, die uitgaat van al die informatie over de werkelijkheid, om deze “abstracte” uitdrukking een nog abstractere vorm te geven. Integendeel, hij begint steeds met een kritische analyse van de abstracties op het empirische niveau van de kennis en het opnieuw doordenken daarvan; de volgende stap is dat hij de beperktheid van het subjectivisme van die abstracties bekritiseert; de daarin vervatte illusies vernietigt hij uitgaande van de werkelijkheid in haar concrete totaliteit. In die zin (en alleen in die zin) blijkt de overgang van het empirische naar het rationele stadium van de kennis ook een overgang te zijn “van het abstracte naar het concrete”. Het opstijgen van de kennis van de eenvoudige warenvorm naar het inzicht in zulke ontwikkelde vormen van de burgerlijke “rijkdom” als bv. de rente is natuurlijk, onder een bepaalde hoek gezien, tegelijkertijd een beweging van het “concrete” naar abstracte vormen waarin dit concrete aan de oppervlakte van de verschijnselen blootgelegd wordt. Zo is de kwantitatieve, onpersoonlijke taal van de rente de uitdrukking van de meest complexe, heel diep in het inwendige zich afspelende processen van de kapitalistische productie. De meerwaarde krijgt in de rente haar “meest abstracte” vorm. Maar die kan zelf weer alleen vanuit zijn concrete inhoud verklaard worden. Maar dat betekent meteen dat ieder abstract moment van de werkelijkheid zich alleen werkelijk ontwikkelt in het concrete systeem van de voorwaarden die dat moment hebben veroorzaakt. Dientengevolge wordt de rente concreet (wetenschappelijk) pas aan het eind begrepen, terwijl zij zich aan de oppervlakte van de verschijnselen manifesteert als een vorm van de meest grote abstractie. (...)

Marx’ opvattingen over het ontwikkelen van wetenschappelijke kennis

De vraag naar de relaties tussen het abstracte en het concrete in het denken heeft Marx gesteld in het licht van een andere, meer algemene, vraag: “Hoe moet de wetenschap ontwikkeld worden?” [7]

De formulering van de vraag veronderstelt al dat de wetenschappelijke ontwikkeling wordt beschouwd als een natuurhistorisch proces. Marx stond bepaald veraf van de links-sektarische opvatting van het culturele leven die alle vroegere verworvenheden van het menselijk denken negeert. Net als op andere gebieden van de geestelijke cultuur, is ook in de wetenschap de werkelijke beweging vooruit steeds een gevolg van de ontwikkeling van wat de hele voorafgaande geschiedenis aan waardevols heeft voortgebracht. Die beweging gaat niet uit van Locke’s tabula rasa, maar van een theoretisch gevormd brein.

Het zich eigen maken van resultaten van de vroegere ontwikkeling wil vanzelfsprekend niet zeggen, dat kant-en-klare formules eenvoudig worden overgenomen, maar wel dat het hier gaat om een complex proces, waarbij het oude kritisch opnieuw wordt hergewaardeerd, en waarbij het aankomt op de overeenstemming van deze resultaten met de feiten, het leven, de praktijk. Hoe revolutionair een nieuwe theorie naar inhoud en draagwijdte misschien ook is, zij ontstaat volledig uit de kritische toetsing van voorafgaande theorieën. Lenin heeft indertijd de nadruk gelegd op dit feit in zijn strijd tegen het links-sektarisme van de lieden van de Proletkult, die een proletarische cultuur wilden scheppen “direct uit het leven”, nadat zij eerst alle verworvenheden van het menselijk denken als nutteloze rommel hadden verworpen.

Hoe revolutionairder een theorie is, des te meer aanvaardt zij de waarachtige erfenis van het theoretisch verleden, des te meer maakt zij zich de “rationele kern” eigen die in de wetenschap vóór haar ligt opgeslagen. De taak om met de vroegere theorieën “kritisch in het reine te komen” is zeker niet een ondergeschikte aangelegenheid van bijkomstig belang, maar een noodzakelijk moment in de ontwikkeling van de theorie zelf. Het is geen toeval dat Das Kapital als ondertitel, of liever gezegd als tweede titel, heeft: Kritik der politischen ökonomie.

De analyse van de begrippen die door de hele voorafgaande geschiedenis van de politieke economie ontwikkeld waren valt hier organisch samen met de analyse van de harde feiten van de economische werkelijkheid. Die twee aspecten van het wetenschappelijk-theoretisch onderzoek versmelten tot één enkel proces. Geen van de twee is denkbaar of mogelijk zonder de ander. De kritische analyse van de begrippen is onmogelijk als ze losgemaakt wordt van de analyse van de feiten. Evenzo is de theoretische analyse van de feiten onmogelijk als men niet beschikt over begrippen, waarin die feiten uitgedrukt kunnen worden. De dialectische logica van Marx houdt volledig rekening met het belang van dit gegeven. Om diezelfde reden volvoert de dialectiek de bewuste en gewilde coïncidentie van het moment van inductie en van deductie: het zijn twee niet te scheiden momenten van het onderzoek, die elkaar impliceren.

Onder “inductie” verstond de oude logica, min of meer terecht, de analyse van de empirische feiten, het proces waarbij analytische bepalingen van een feit tot stand komen. Daarom leek de inductie zo al niet het enige, dan toch het fundamentele middel, om door te stoten naar nieuwe kennis. Wat de deductie betreft, die werd in wezen beschouwd als een proces van begripsanalyse, waarvan de immanente onderscheidingen uiteengelegd worden. In zoverre scheen de deductie vooral als proces en vorm van de explicatie, weergave van een reeds voltooide, in het brein aanwezige kennis, maar geenszins als een manier om nieuwe kennis of nieuwe begrippen voort te brengen. De mens (voorzover hij de feiten werkelijk doordenkt) analyseert de empirische feiten niet met een “leeg” bewustzijn, maar met een bewustzijn dat door zijn opvoeding ontwikkeld is. D.w.z. hij benadert de feiten vanuit de gezichtshoek van een of ander begrip. Of hij dat nu wil of niet, alleen zó kan hij actief denken, de feiten begrijpen; anders zou hij ze hoogstens actief kunnen constateren.

Al bij de meest eenvoudige veralgemening zijn inductie en deductie onlosmakelijk met elkaar verbonden. De mens drukt de feiten uit in begrippen. Dat betekent dat iedere nieuwe analytische definitie van de feiten tegelijk een nieuwe, concretere bepaling wordt van het begrip, van waaruit de mens de feiten denkt. In het omgekeerde geval wordt er geen enkele analytische bepaling van het feit ontwikkeld.

Wie gelooft dat hij de feiten uitdrukt “volkomen zonder een vooropgezet idee”, zonder een of ander “bij voorbaat geaccepteerd” begrip, is daar bepaald niet vrij van. Integendeel, hij is, dat kan niet anders, de slaaf van de meest absurde en vulgaire begrippen. Ook hier bestaat de vrijheid er niet uit dat men de noodzaak ontloopt, maar dat men zich bewust aan haar aanpast. Een werkelijke afwezigheid van vooroordelen wil nog niet zeggen dat men de feiten uitdrukt zonder het minste “bij voorbaat geaccepteerde” begrip, maar dat men ze uitdrukt d.m.v. juiste, bewust gehanteerde begrippen.

Dat heeft Engels m.b.t. de filosofische categorieën op grootse wijze aangetoond in zijn kritiek op het empirisme. De wetenschapsman die zich beroemt op zijn “vrijheid” t.o.v. iedere logische categorie is in de regel de gevangene van de meest banale voorstellingen over het object ervan. Hij is niet in staat om ze vanuit zichzelf voort te brengen “door van de feiten uit te gaan”. Dat zou namelijk betekenen dat hij helemaal op eigen houtje wilde realiseren wat de mensheid alleen in haar hele evolutie kan volbrengen. Daarom ontleent hij in feite de logische categorieën steeds aan een filosofie; aan een slecht modesysteem of aan een systeem dat werkelijk het meest recente ontwikkelingsniveau vertegenwoordigt en dat berust op de hele geschiedenis van onderzoek en verworvenheden van het menselijk denken.

Dat geldt natuurlijk niet alleen voor de filosofische begrippen, maarvoor de categorieën van iedere wetenschap. De mens begint nooit te denken, doordat hij “van de grond af aan” direct uitgaat van de feiten. Zonder gedachten in het hoofd neemt de mens geen feiten waar, zei Pavlov al. De “aanschouwing” zonder betekenis en de “inductie” zonder idee zijn even fictief als het “zuivere denken”. De empiristen die beweren dat zij alleen met de feiten denken, zijn in werkelijkheid steeds bezig “bij voorkeur met traditionele voorstellingen, met voor het merendeel verouderde producten van het denken van hun voorgangers” (...). [8] Daarom verwisselen zij heel gemakkelijk abstractie met werkelijkheid, objectieve feiten met subjectieve illusies, de begrippen die zij uitdrukken met abstracties. Wat zij in de regel in de vorm van feitelijke bepalingen concretiseren, zijn gangbare abstracties.

De “empirische inductie” vindt dientengevolge plaats als een proces van concretisering, van de voorstelling van de begrippen, waarmee men de feiten gaat onderzoeken, d.w.z. als deductie, als een proces waarbij de uitgangsbegrippen inhoud krijgen door nadere bepalingen die op basis van feiten worden verkregen d.m.v. abstracties.

De materialistische dialectiek heeft de oude tegenstelling van inductie en deductie “opgeheven”. De deductie is niet langer een proces waarbij op formele wijze bepalingen geëxtraheerd worden die a priori in een begrip zijn vervat. Zij wordt een proces van de werkelijke ontwikkeling van kennis over de feiten in hun beweging en onderlinge wisselwerking. Deze deductie heeft het empirische moment in zich. Zij vindt juist plaats door een zeer strenge analyse van de empirische feiten, door inductie. De aanduidingen “inductie” en “deductie” drukken een zuiver formele gelijkenis uit tussen de methode van de materialistische dialectiek en de overeenkomstige methoden van de traditionele logica. Dat is noch inductie, noch deductie, maar iets anders, dat beide begrippen als “opgeheven moment” in zich bevat. Zij blijken tegelijk tegenstellingen te zijn, die elkaar impliceren en juist daardoor een hogere vorm van logische ontwikkeling tot gevolg hebben. Die hogere vorm, die de analyse van de feiten organisch verbindt met de analyse van de begrippen, is de overgang van het abstracte naar het concrete, waarover Marx spreekt. Dat is de enige logische ontwikkelingsvorm van de kennis, die afgestemd is op het werkelijke wezen van het object. Alleen daarmee kan het concreet-objectieve in het denken als historisch ontwikkelde werkelijkheid gereproduceerd worden, en op geen enkele andere manier.

De methode die zich van het abstracte verheft naar het concrete kan er zich als zodanig niet toe beperken de uitdrukkingswijze te zijn van een kant en klare kennis die men tevoren op een andere manier heeft verkregen, zoals soms beweerd is door marxistische revisionisten, die de methode van Das Kapital op neokantiaanse wijze verdraaiden. (...) Die methode kan niet meer omschreven worden als een zuiver logische procedure om kant en klare abstracties, die tevoren louter analytisch zijn verkregen, tot één samenhangend systeem te synthetiseren. De mening volgens welke de eerste trap van kennis bestaat uit een “zuivere” analyse, in de loop waarvan een veelheid van abstracties wordt ontwikkeld, en de tweede trap uit een even “zuivere” synthese, die mening hoort tot dezelfde waanideeën van de metafysische (dat wil hier zeggen ondialectische) kennistheorie, als het idee van inductie zonder deductie.

Om die mening kracht bij te zetten komt men soms aan met het argument van de ontwikkeling van de wetenschap in de 17e en 18e eeuw. Maar dat betekent dat men ondanks zichzelf de feiten geweld aandoet. Zelfs als men toegeeft dat de analytische benadering van de feiten kenmerkend is voor die periode (ook al wijdde men zich, ondanks de illusies van de theoretici, aan de synthese), dan moeten we toch niet vergeten dat het hier niet gaat om de eerste stap van de wetenschappelijke ontwikkeling van de mensheid, en dat de uitsluitende analyse die kenmerkend is voor die periode, gebaseerd is op de oude Griekse wetenschap. Voor deze wetenschap, d.w.z. voor het werkelijke beginstadium van de wetenschappelijke ontwikkeling van Europa is veeleer het “veralgemeend synthetische” gezichtspunt kenmerkend. Als men zich beroept op de geschiedenis van de metafysica in de 17e en 18e eeuw, dan moet men niet vergeten dat het hierbij niet gaat om het eerste, maar om het tweede grote tijdperk in de geschiedenis van het denken. Dus blijkt de synthese en niet de analyse historisch de eerste fase te zijn, waarin de feiten door het denken worden behandeld. Dit voorbeeld bewijst daarom het tegendeel van wat het moet bewijzen.

Analyse en synthese zijn (en waren steeds) aan het denkproces immanente tegenstellingen, even onlosmakelijk met elkaar verbonden als inductie en deductie. Een bepaald tijdperk heeft misschien de een overgewaardeerd ten koste van de ander, maar daaruit valt geen wet af te leiden waaraan het denken voortaan moet gehoorzamen, een logische wet volgens welke iedere wetenschap eerst een “zuiver analytisch” stadium moet doorlopen om, daarop gebaseerd, over te gaan naar een synthetisch stadium. En toch is op zo’n opvatting de gedachte gebaseerd, dat de methode van het opstijgen van het abstracte naar het concrete pas kan worden toegepast, als het proces van het “reduceren” van het concrete tot het abstracte is afgesloten.

Omdat die methode speciaal de analyse van werkelijke, empirische feiten dient, impliceert zij de “omgekeerde” beweging als een noodzakelijke innerlijke tegenstelling. Iedere stap is daarbij niets anders dan een act die zich van het zintuiglijke gegeven concretum verheft naar de abstract-theoretische uitdrukking daarvan. Daarom is het proces van het opstijgen van het abstracte naar het concrete in het denken, tegelijk een zich voortdurend vernieuwende beweging van het concrete in de aanschouwing en de voorstelling naar het concrete in het begrip. De abstracte bepalingen van de zintuiglijk gegeven feiten die tot een systeem worden gesynthetiseerd, als men opstijgt tot de concrete waarheid, ontwikkelen zich tijdens de beweging zelf. Men vindt ze in geen geval als kant en klare producten van een vroeger, om zo te zeggen zuiver analytisch stadium van de logische kennis.

Men kan stellen dat men, om zich van het abstracte naar het concrete te verheffen, op zuiver analytische wijze het empirisch-zintuiglijke concrete tot een wezenlijk abstracte uitdrukking moet brengen, een uitdrukking die moet gelden als de voorafgaande, bijzondere fase van de logische activiteit in de tijd; maar die bewering kan slechts enigszins steekhoudend zijn voorzover het theoretisch onderzoek van de realiteit het bestaan van een ontwikkeld vocabulaire veronderstelt, van een spontaan gevormde terminologie, van een systeem van abstract-algemene voorstellingen. Het “zuiver analytische stadium” van de reflectie van de objectieve werkelijkheid in het bewustzijn is alleen maar de premisse voor de theoretisch-logische activiteit - niet de eerste fase daarvan.

Samenvattend kunnen we dus zeggen: de methode van het opstijgen van het abstracte naar het concrete is een specifieke vorm van de denkactiviteit en van de logische verwerking van de aanschouwing en voorstelling tot begrippen. Het is beslist geen kunstmatig procédé, een uitdrukkingswijze van kant-en-klare kennis, of een formeel middel om al bestaande abstracties te systematiseren. Het is veeleer de “natuurlijke” wet van de theoretische ontwikkeling van de mensheid, een wet die door de filosofen wordt ontdekt en omgevormd tot een bewust toegepaste ontwikkelingsmethode van de theorie.

Iedere op zichzelf genomen “inductieve” veralgemening (waarvan de formule luidt: van het concrete in de aanschouwing naar het abstracte in het denken) realiseert zich steeds in de context van de algemene beweging van de kennis, en is in zoverre slechts een “verdwijnend moment” in de ontwikkeling van de algemene beweging, die leidt tot de concrete waarheid. Zo is dit opstijgen van het abstracte naar het concrete onlosmakelijk verbonden met de dialectiek van het denken. Het is niet toevallig dat Lenin, nadat hij zorgvuldig de moeilijke ontwikkeling van het abstracte naar het concrete heeft geëxcerpeerd, die Hegel laat zien in het laatste hoofdstuk van de Grote Logika, daarvan de volgende karakteristiek geeft: “Dit uittreksel geeft een heel redelijke samenvatting van wat dialectiek is”. [9]

Het door Lenin aangehaalde hoofdstuk karakteriseert het denkproces juist als een proces dat zich van het abstracte verheft naar het concrete:

“(...) zo rolt het kennen voort van inhoud tot inhoud. Die voortgang wordt allereerst bepaald door het feit dat begonnen wordt met eenvoudige bepaaldheden en dat de volgende steeds rijker en concreter worden. Want in het eindresultaat ligt het begin vervat en het ontwikkelingsverloop heeft het met een nieuwe bepaaldheid verrijkt. Het algemene vormt het fundament: daarom moet de voortgang niet worden opgevat als een stromen van het ene andere naar het andere andere. Het begrip in de absolute methode blijft bewaard in zijn anders zijn, het algemene blijft bewaard in zijn verbijzondering, in het oordeel en in de realiteit; het neemt de hele massa van zijn voorafgaande inhoud mee naar elk volgend niveau van bepaling; door het dialectisch voortgaan verliest het niet alleen niets, en laat ook niets achter, maar het draagt alles wat verworven is met zich mee en verrijkt en verdicht zich in zichzelf (...)”

Lenin legt in zijn resumés juist de nadruk op deze gedeelten van Hegels Logika, omdat ze volgens hem het minst doordrenkt zijn met idealisme en omdat zij vooral de dialectische methode behandelen.

“Het is opvallend dat in het hele hoofdstuk over het “absolute idee” er nauwelijks met een woord over God gerept wordt (op zijn hoogst ontsnapt er eens toevallig een “goddelijk begrip”), en bovendien - let daar goed op - is de specifieke inhoud van het hoofdstuk nauwelijks het idealisme, maar het belangrijkste onderwerp is de dialectische methode. Slotsom en resumé, het laatste woord en de kern van Hegels Logika is de dialectische methode - dat is uiterst opmerkelijk. En nogmaals: in dit meest idealistische werk van Hegel is een minimum aan idealisme, een maximum aan materialisme te vinden. ‘Paradoxaal’, maar een feit!” [10]

Als men het kennisproces dialectisch beschouwt, dan blijkt de methode die zich verheft van het abstracte naar het concrete, van de theoretisch-algemene bepaaldheid van het in de aanschouwing en voorstelling gegeven object, naar steeds concreter wordende bepalingen, de theoretisch juiste vorm te zijn, om empirische feiten in begrippen over te zetten. Dat is de opvatting van Marx in zijn Einleitung zur Kritik der politischen ökonomie, en van Lenin in zijn opmerkingen bij de laatste hoofdstukken van Hegels Logika.

De materialistische grondslag van de overgang van het abstracte naar het concrete bij Marx

Marx heeft zich er niet toe beperkt de wet van het opstijgen van het abstracte naar het concrete algemeen-theoretisch te funderen; hij heeft die wet ook toegepast bij het uitwerken van een concrete wetenschap: de politieke economie. Das Kapital bevat het praktische, concrete en ontwikkelde bewijs van de noodzaak van deze methode. Het boek toont de werkelijke, materialistische basis aan als de basis van een methode die beantwoordt aan de dialectiek van de ontwikkeling van de objectieve werkelijkheid.

De analyse van Das Kapital vanuit het oogpunt van de daarin gebruikte onderzoeksmethode moet het concrete wezen aan het licht brengen van de hier uiteengezette methode. Die zal de enige methode blijken te zijn, die in staat is om de centrale taak van wetenschappelijk onderzoek te vervullen, waarvoor de materialistische dialectiek zich gesteld ziet: de taak namelijk om de concrete, wederzijdse bepaaldheid na te gaan van de verschijnselen die d.m.v. hun interactie een systeem voortbrengen, dat historisch ontstaat en zich in steeds nieuwe bestaansvormen en inwendige wisselwerkingen ontwikkelt en manifesteert.

Het zou volledig onjuist zijn om de noodzaak van deze methode alleen hierin te zien dat het menselijk bewustzijn niet in staat is de hele complexiteit van een object met één slag te vatten, en dat het bewustzijn zich daarom van een onvolledige, eenzijdige (abstracte) voorstelling van het object moet “verheffen” naar een meer volmaakte kennis. Dat zou geen verklaring zijn, maar domweg de herhaling van een triviaal feit. Het spreekt vanzelf dat het bewustzijn inderdaad op die manier gevormd is. Maar juist de eigenschappen van dat bewustzijn moeten materialistisch verklaard worden. Bovendien leert, strikt genomen, deze simpele verwijzing naar de aard van het bewustzijn ons niet zozeer iets over de specifieke aard van de methode, om zich van het abstracte naar het concrete te verheffen, als wel over de methode van wetenschappelijk-theoretisch onderzoek. Alleen maar kennis nemen van een object, van een verschijnsel of van een systeem van verschijnselen blijkt ook een proces te zijn waarbij men zich geleidelijk aan steeds meer bijzonderheden eigen maakt. Dan gaat men van een eenzijdige en arme voorstelling over op een vollediger (maar bovendien zuiver empirische) voorstelling. Het proces van de opeenstapeling van empirische gegevens, met behulp waarvan de werkelijkheid waargenomen, maar nog niet gekend wordt, verloopt eveneens als een ontwikkeling van eenzijdige naar veelzijdige kennis.

De methode van het opstijgen van het abstracte naar het concrete is alleen maar een methode om de concrete werkelijkheid in het denken te reflecteren, maar geenszins een methode om deze werkelijkheid, zoals bij Hegel, krachtens het denken voort te brengen. Daarom zijn het uitgangspunt en de ontwikkeling van de logische gang van de begrippen niet afhankelijk van het denken, maar, zoals Marx heeft aangetoond, alleen van de onderlinge relaties tussen de verschillende aspecten van een concreet geheel. De methode van de logische ontwikkeling moet dus beantwoorden aan de wijze waarop dat geheel inwendig is geleed, aan de dialectiek van het verschijnen van een concretum buiten het denken. Uiteindelijk dus aan de historische ontwikkeling van dit geheel, en dat ook als, zoals we nog zullen laten zien, deze overeenkomst niet eenvoudig en star is, en alleen opgaat voor de algemene momenten van de ontwikkeling.

De formule van het materialisme in de kennistheorie en de logica is precies het tegenovergestelde van de hierboven geciteerde formule: het object is zó gemaakt, dat alleen een dergelijke vorm van activiteit van het bewustzijn daarmee overeenkomt, en niet enige andere vorm; het is zó gemaakt, dat het alleen volgens dit proces in het bewustzijn gereflecteerd kan worden. Met andere woorden, het probleem van de methode van logische activiteit verandert in een onderzoek naar het objectieve wezen van de werkelijkheid der objecten en in uitdiepingen van de categorie van het “concrete” als een categorie, die betrekking heeft op het object en die de universele bestaansvorm van de werkelijkheid uitdrukt. Ook hier geldt het principe van het samenvallen van logica, kennistheorie en dialectiek: een vraag die in het begin zuiver logisch leek, blijkt uiteindelijk de vraag te zijn naar de universele vormen waarin het concreet-objectieve ontstaat en zich ontwikkelt.

Men kan de juistheid en de noodzaak van de methode van het opstijgen van het abstracte naar het concrete alleen materialistisch funderen als men de werkelijk algemene wetten laat zien, waaraan ieder concreet systeem van verschijnselen die met elkaar interageren, gehoorzaamt (het kapitalistische warensysteem van maatschappelijke verhoudingen, het zonnestelsel, de chemische of biologische vorm van de wisselwerkingen enz.). Maar hier stuiten we opnieuw op een al bekende dialectische moeilijkheid: de dialectiek zelf komt in het geding op de wijze waarop de vraag naar de dialectiek gesteld wordt. Het is evident onmogelijk om de algemene wetten van het ontstaan van welk concretum dan ook theoretisch te verhelderen en uit te drukken als men zich daarbij bedient van een inductieve veralgemening, van de abstractie uit hetgeen het kapitalistische warensysteem, het zonnestelsel, de biologische vorm van natuurlijke wisselwerkingen en de elektromagnetische, chemische of andere vormen daarvan, aan gemeenschappelijke trekken en overeenkomsten vertonen.

Als men de vraag zó stelt, betekent dat dat men begint aan een taak die op grond van heel haar wezen volstrekt onoplosbaar is. Nu gaat natuurlijk de kennis van alle gevallen van concrete wisselwerkingen in de oneindige natuur niet alleen de mogelijkheden die een auteur in zijn geschriften heeft te boven, maar ook de mogelijkheden van de mensheid in haar geheel. Niettemin staan wij voor de taak om de universele ontwikkelingswetten van ieder concreet-objectief systeem van wisselwerkingen exact te onthullen. Anders gezegd, we staan weer voor een van de “eeuwige problemen” van de filosofie: is het mogelijk - en zo ja, hoe - om op basis van de studie van een beperkt, noodzakelijkerwijs eindig areaal van feiten een werkelijk omvattende en oneindige veralgemening uit te werken?

Gelukkig heeft de filosofie zich er nooit werkelijk mee bezig gehouden om op inductieve wijze tot zo’n conceptie te geraken. De werkelijke ontwikkeling van wetenschap en filosofie heeft deze “antinomie” allang praktisch opgelost. Die antinomie lijkt alleen principieel onoplosbaar als men haar metafysisch formuleert. In feite heeft de mensheid ofwel in de filosofie, ofwel op een ander kennisgebied, “oneindige” universele veralgemeningen en gevolgtrekkingen tot stand gebracht. En dat niet door abstractie uit datgene wat alle mogelijke gevallen aan overeenkomst vertonen, maar door analyse, al is het ook maar van één typisch geval. Het is voldoende hier te herinneren aan wat Engels schrijft in zijn Dialektik der Natur:

“Een treffend voorbeeld van hoe weinig de inductie er aanspraak op maakt, de enige of in ieder geval de belangrijkste vorm van wetenschappelijke ontdekking te zijn, vinden we in de thermodynamica: de stoommachine leverde het doorslaggevende bewijs dat men warmte kan toepassen en mechanische bewegingen kan bewerkstelligen. 100.000 stoommachines hebben dat niet overtuigender bewezen dan één enkele, maar zij maakten het alleen steeds meer tot een noodzaak voor de natuurkundigen om dit te verklaren. Sadi Carnot was de eerste, die zich er ernstig mee bezighield, niet echter met behulp van de inductie. Hij bestudeerde de stoommachine, analyseerde haar, en vond dat daarbij het proces waarop het aankwam zich niet zuiver manifesteert, maar door allerlei bijprocessen verborgen wordt; hij elimineerde deze bijkomstigheden, die voor het wezenlijke proces van geen belang waren en construeerde een ideale stoommachine (of gasmachine), die weliswaar net zomin te construeren valt als bv. een geometrische lijn of vlak, maar die op haar manier dezelfde functie heeft als deze wiskundige abstracties: zij beeldt het proces zuiver, onafhankelijk, onvervalst uit.” [11]

Overal en steeds waar de filosofie tot objectieve ontdekkingen geleid heeft gebeurde dat niet langs de weg van de inductie, die gericht is op een abstractie waarin uitgedrukt wordt wat alle afzonderlijke gevallen met elkaar gemeen hebben, maar door een verdiepte analyse van een bijzonder geval, die erop gericht is het onderzoeksproces in “zuivere toestand” duidelijk te maken. Slechts lieden als Comte en Spencer probeerden om de weg van de inductie en de abstractie in te slaan. De resultaten van hun inspanningen waren dan ook navenant.

De filosofie hield zich steeds bezig met het oplossen van haar eigen specifieke problemen; die problemen zijn zeer verschillend van de inspanningen die men zich kan getroosten om te ontdekken wat een krokodil en Jupiter of wat het zonnestelsel en de rijkdom abstract met elkaar gemeen hebben. De filosofie stelde steeds ernstige vragen bij de oplossing waarvan zij beoogde universele wetten te ontdekken van al het bestaande; ook wilde zij de inhoud van de categorieën aan het licht brengen. Zoals bekend heeft Marx Hegels systeem van universele categorieën niet op zo een manier kritisch geanalyseerd dat hij die categorieën vergeleek met datgene, wat de mensheid verbindt met de atoomkern, of wat beide verbindt met de structuur van het heelal. Het Hegelse systeem van categorieën werd in wezen opgeheven door de kritische confrontatie met een - weliswaar typisch - geval van dialectische ontwikkeling; de dialectiek van de maatschappelijke productieverhoudingen in één van haar ontwikkelingsfasen. Dat is de werkelijke weg, die steeds de opvatting over de inhoud van de algemene categorieën verder gebracht heeft.

Het probleem van de theoretische analyse van het algemene loopt in werkelijkheid altijd uit op de analyse van het unieke, in het licht van het algemene. Wat men bij het unieke alleen in het oog moet weten te houden, is niet de uniciteit en het bijzondere, maar de algemeenheid ervan. Juist op dit punt is het van belang om te beschikken over de meest bewuste benadering van het abstracte en over de middelen om die te bereiken. De meest gangbare vergissing in het theoretisch onderzoek bestaat hieruit dat men als de algemene vorm van een afzonderlijk feit datgene beschouwt, wat in werkelijkheid betrekking heeft op een bepaald samenvallen van voorbijgaande omstandigheden; deze werkelijk algemene vorm bestaat uit het begrepen wezen van de aanschouwing van die omstandigheden.

Hoezeer men er ook in geslaagd mag zijn om de inhoud van een zo omvattende categorie als het concrete vollediger aan het licht te brengen - het probleem kan en moet opgelost worden door de bestudering van een geval, dat typisch is voor het zich dialectisch ontwikkelende systeem van objectieve verschijnselen, die een wisselwerking met elkaar hebben. Een geval dat typisch is voor het systeem van deze aard is dat van de kapitalistische, en warenverhoudingen, tussen de mensen. We zullen daarvan uitgaan als van een bijzonder, onmiddellijk geval van het concrete in het algemene - een geval aan de hand waarvan de algemene omtrekken van het concrete geheel opgehelderd kunnen en moeten worden. We zullen ons alleen dan op andere gebieden beroepen als we daar stuiten op materiaal dat voor zich zelf spreekt. Onze keus is niet bepaald door subjectieve willekeur of persoonlijke voorkeuren. Een veel doorslaggevender omstandigheid waardoor die keus de voorkeur verdient is, dat tot nu toe nog geen ander concretum op even grondige wijze door het denken is aangevat.

Toen Marx zich voornam om de algemene wet van het kapitalisme als zodanig te onthullen, nl. als historisch bepaald systeem van maatschappelijke productie, is hij bepaald niet zó tewerk gegaan dat hij zonder uitzondering alle gevallen van de kapitalistische ontwikkeling, die in zijn tijd op de aardbol bestonden, op inductieve wijze met elkaar vergeleken heeft. Als dialecticus ging hij anders te werk: hij heeft het meest karakteristieke en ontwikkeldste geval aangepakt, namelijk de Engelse kapitalistische warenwerkelijkheid, met de theoretische afspiegeling daarvan in de Engelse economische literatuur. Hij heeft een algemene economische theorie ontwikkeld, door zich hoofdzakelijk te baseren op de grondige studie van het feitenmateriaal van dit individuele complex.

Daarbij liet hij zich leiden door het feit dat de algemene wetten van de kapitalistische ontwikkeling voor alle landen dezelfde zijn en dat Engeland, dat het verst gevorderd was op de weg van de kapitalistische ontwikkeling, alle verschijnselen in hun meest zuivere vorm vertoonde. Wat in andere landen bestond als een zwakke tendens, die moeilijk onder woorden te brengen is, hetzij als een tendens die zich nog niet volledig had gemanifesteerd, hetzij dat ze door uiterlijke, toevallige omstandigheden verborgen bleef en gecompliceerd werd, was in Engeland in ronduit klassieke zuiverheid ontwikkeld. Marx is slechts in heel bepaalde gevallen ingegaan op bepaalde trekken van de kapitalistische ontwikkeling (zo beroept hij zich bij zijn analyse van de grondrente op talrijke aspecten van de economische ontwikkeling van de Russische landbouw).

Wie het vraagstuk naar de categorieën van de dialectiek opwerpt, moet ongetwijfeld van dezelfde overwegingen uitgaan. Het is inderdaad de kapitalistische warenwereld die zich in de theoretische ontwikkeling van Das Kapital en in andere werken die ook op dat gebied liggen (werken van Marx zelf en van zijn beste leerlingen en navolgers, vooral Engels en Lenin) als het meest ontwikkelde beeld van het historisch concretum aan ons voordoet. Bovendien blijft Das Kapital een onovertroffen voorbeeld van een bewuste toepassing van de dialectische methode, van de dialectische logica in heel de rijkdom van haar inhoud. Het werk laat talrijke wetenschappen hun eigen dageraad zien en bevat alle methodische gezichtspunten die in andere wetenschappen nog niet even consequent gerealiseerd zijn. Verder moet opgemerkt worden dat de constructieve kritiek op vroegere theorieën, een noodzakelijk moment van de abstracte verwerking van de wetenschappelijke problemen van een tijdperk, uitgaat van de vooronderstelling dat de kritische inventarisering zich bezighoudt met theoretisch materiaal van goede kwaliteit en met representanten die inderdaad de bestaande concepties van de werkelijkheid, waarnaar de belangstelling van de onderzoeker op dat moment uitgaat, werkelijk beheersen.

In het geval van de economische theorie waren de belangrijkste opponenten tegen wie Marx zijn conceptie van de werkelijkheid uitwerkte, de klassieken van de politieke economie, niet de vulgaire economen van zijn tijd, of de representanten van de “vervalsvorm” zoals die aan de universiteiten werd gedoceerd. Deze laatste waren alleen in de tijd gezien tijdgenoten van Marx, maar bepaald niet vanuit het standpunt van theoretische scherpzinnigheid. In dat opzicht stonden ze op een veel lager niveau dan de klassieken en vormden geen theoretische oppositie die een serieuze strijd waard was. Bij de uiteenzetting van zijn conceptie van de werkelijkheid, een uiteenzetting in de vorm van een serieus debat met de klassieken, beperkt Marx zich ertoe zich spottend af te wenden van “theoretici” als Senior, Bastiat, McGulloch, Roscher e.a.

Voorzover het om filosofische categorieën gaat blijft ook nu nog de klassieke burgerlijke filosofie de enige belangrijke tegenstander van de filosofie van het dialectisch materialisme. Dat betekent natuurlijk niet dat de nietsontziende strijd tegen de reactionaire hedendaagse systemen van de agenda geschrapt wordt, maar het draagt ertoe bij dat de leegte van de systemen aan het licht wordt gebracht, en ook hun neiging om de belangrijke filosofische vragen angstvallig te vermijden.

Marx, Engels en Lenin namen tegenover Hegel en Feuerbach een volledig andere houding aan dan tegenover Schopenhauer of Comte, Mach of Bogdanow. Bij hun scherpe kritiek op de speculaties van kleine idealisten probeerden zij bij die mensen nooit een “rationele kern” te vinden. Om de sofistische bewijstrant van Machs volgelingen te ontkrachten voert Lenin deze vooral terug op de klassieke, duidelijke en fundamentele formulering die de door hem bestreden positie bij Berkeley en Fichte bereikt had. Dat is geen polemische werkwijze, maar het zekerste middel om theoretisch het wezen van een standpunt bloot te leggen. Als Lenin anderzijds voor het probleem staat, het dialectisch materialisme zo exact mogelijk uit te werken, laat hij de machisten, deze theoretische tijdgenoten van Berkeley, links liggen en begint weer met de kritische analyse van Hegels Wissenschaft der Logik, omdat dat voor hem het werkelijke hoogtepunt is van het burgerlijk denken op het gebied van een conceptie van de algemene bewegingswetten van de natuur, de maatschappij en het menselijk denken.

Samenvattend kunnen we dus zeggen: in Das Kapital van Marx en d.m.v. de analyse van de logische structuur daarvan, gaat het erom de werkelijk concrete basis van de methode te zoeken die zich verheft van het abstracte naar het concrete, als de enige logische ontwikkelingsmethode die wetenschappelijk juist is en voldoet aan de objectieve dialectiek.

In Das Kapital wordt systematisch het samenvallen van logica, kennistheorie en dialectiek gerealiseerd, dat een wezenlijk kenmerk is van Marx’ onderzoeksmethode; hier vallen ook inductie en deductie samen, analyse en synthese; dat is karakteristiek voor de methode die van het abstracte opstijgt naar het concrete. We zullen het probleem eerst op zijn concreet-economische uitdrukkingsvorm onderzoeken, om vervolgens over te gaan tot slotconclusies van algemeen methodologische aard.

Laten we de volgende vraag stellen: is het mogelijk het objectieve wezen van verschijnselen als meerwaarde en winst theoretisch te begrijpen (in een begrip te reproduceren) als men niet tevoren, onafhankelijk daarvan, de categorie van de waarde geanalyseerd heeft? Kan men het geld begrijpen als men niet de wetten kent waaraan de eenvoudige marktbeweging gehoorzaamt? Iedereen die Das Kapital gelezen heeft en de problemen van de politieke economie kent, weet dat dat een onmogelijke opgaaf is.

Kan men het begrip (de concrete abstractie) van het kapitaal ontwikkelen via een zuiver inductieve veralgemening van abstracte kenmerken, die men beschouwt onder al de verschillende aspecten van het kapitaal? Zal deze abstractie wetenschappelijk bevredigend zijn? Zal zij de innerlijke structuur van het kapitaal in het algemeen uitdrukken, als een specifieke vorm van de economische werkelijkheid? Alleen al door de vraag zo te stellen ziet men wel in dat het antwoord negatief moet uitvallen. Een dergelijke abstractie drukt wel uit in hoeverre industrie-, bank-, handels- en woekerkapitaal identiek zijn. Zeker bespaart zij ons herhalingen. Maar daarmee houdt haar werkelijk wetenschappelijke waarde op. Van geen enkele van die kapitaalvormen drukt zij het concrete wezen uit, en al evenmin reproduceert zij het concrete wezen van hun wederkerige verbondenheid en wisselwerking. Juist daarom is zij abstract. Maar het is juist de concrete wisselwerking tussen concrete verschijnselen die het onderwerp en het doel van het theoretisch denken vormen voor de dialectiek. De betekenis van het algemene is vol tegenstrijdigheden, heeft Lenin met nadruk gezegd. Het maakt de levende werkelijkheid tot een dood ding, maar tegelijk is het het enige niveau waarop de werkelijkheid benaderd kan worden. Maar het is maar al te duidelijk dat het algemene in het hier aangehaalde geval de dood van het concrete betekent, zich van het concrete verwijdert en niet tegelijk een stap in de richting ervan is. Dit algemene ziet van het concrete af, als van iets “onwezenlijks”. Een dergelijke abstractie drukt niet meer het concreet-algemene wezen uit van het industrie-, bank- of handelskapitaal (en dus van ieder kapitaal).

In Das Kapital toont Marx op zeer verhelderende wijze aan dat de concreet-economische aard van het handelskapitaal - als een concreet aspect van de kapitalistische, op warenproductie berustende totaliteit - principieel niet kan worden begrepen en in een theoretische abstractie kan worden uitgedrukt, als men niet eerst het industriekapitaal in zijn innerlijke structuur heeft begrepen.

Het onderzoek naar de immanente bepalingen van het industriekapitaal brengt met zich mee dat het wezen van het kapitaal in het algemeen wordt blootgelegd. Daarbij spreekt het vanzelf dat men eerst de waarde moet begrijpen, voor men het industriekapitaal kan begrijpen.

“De winstvoet is eenvoudig te begrijpen, zodra men de wetten van de meerwaarde kent. In de omgekeerde volgorde begrijpt men ni l'un, ni l'autre.” [12]

Wij wijzen er met nadruk op dat het erom gaat te begrijpen (in begrippen uit te drukken). Want men kan natuurlijk ook een abstractie creëren van de winst in het algemeen. Daarvoor is het voldoende om de empirisch waargenomen verschijnselen abstract uit te drukken. Die uitdrukking zal ruim voldoen om de winstverschijnselen op betrouwbare wijze te kunnen onderscheiden van andere verschijnselen, om de winst “te herkennen”. Daartoe is de kleinste ondernemer in staat; want hij ziet meteen het verschil tussen winst en loon, tussen winst en geld enz.

Maar daarmee begrijpt de ondernemer niet, wat winst is. Dat hoeft hij trouwens ook niet. In de praktijk gaat hij te werk als een instinctieve aanhanger van de positivistische filosofie en empirische logica. Hij bepaalt zich ertoe, de verschijnselen die vanuit zijn standpunt bezien belangrijk zijn, vanuit zijn subjectieve doeleinden in veralgemeende vorm uit te drukken; en die veralgemeende vorm waarin hij de verschijnselen uitdrukt is voor hem in de praktijk voldoende als begrip, waarmee hij winst van niet-winst kan onderscheiden. Als een echte positivist beschouwt hij, subjectief eerlijk, alle uiteenzettingen over de innerlijke aard van de winst, over het wezen van dat verschijnsel, dat hem zo na aan het hart ligt, als metafysische scholastiek die niets te maken heeft met de wijsheid van het leven zelf. Iedereen kan geld als zodanig gebruiken, zonder te weten wat geld is.

Het praktische, op nut bedachte verstand is, zoals Marx opmerkte tegen F. List in een voetnoot bij het eerste hoofdstuk van Zur Kritik der politischen ökonomie, vijandig en vreemd aan het begrijpen. Het is zelfs nadelig voor een ondernemer al te veel na te denken over de kwestie van de aard van de winst. Terwijl hij probeert om de samenhangen te begrijpen, zijn meer inventieve en praktische ondernemers bezig zich meester te maken van zijn portie. En een zakenman zal nooit een werkelijke winst inruilen tegen het inzicht in wat die winst eigenlijk is.

Maar in de wetenschap, in het denken, komt het juist aan op het begrijpen, op de conceptie. De wetenschap, d.w.z. het denken in begrippen, begint pas daar waar het bewustzijn ophoudt de voorstellingen van de dingen die het spontaan waarneemt, alleen maar uit te drukken en te herhalen; daar, waar het bewustzijn zich inspant om gericht en kritisch de dingen zelf evenzeer te analyseren als de voorstellingen die het van die dingen heeft. Een verschijnsel begrijpen, d.i. duidelijk maken wat de plaats en de rol daarvan is binnen het systeem van wederzijds op elkaar inwerkende verschijnselen, waarin dat éne verschijnsel zich noodzakelijkerwijs realiseert; dat wil zeggen dat men juist die bijzonderheden duidelijk maakt, waardoor dit verschijnsel nu juist die bepaalde rol in een geheel kan spelen. Een verschijnsel begrijpen wil zeggen, de wijze verklaren waarop het zich voordoet, de “regels” volgens welke het verschijnsel zich voordoet met een noodzaak, die door een combinatie van omstandigheden aan het oog wordt onttrokken. Het betekent tenslotte, dat men juist de voorwaarden analyseert waaronder het verschijnsel zich voordoet. Dat is de algemene formule voor het ontwikkelen van begrippen (de conceptie).

De winst begrijpen wil zeggen, het algemene en noodzakelijke karakter aan het licht brengen van het feit dat zij voorkomt en zich beweegt binnen het systeem van de kapitalistische warenproductie; het betekent dat men haar specifieke rol in de hele beweging van het systeem in zijn geheel aan het licht brengt. Daarom kan men een concreet begrip alleen verwezenlijken d.m.v. een complex systeem van abstracties, die een verschijnsel uitdrukken in het totaal van de voorwaarden waaronder het zich voordoet. De politieke economie als wetenschap begint pas op het moment waarop de steeds terugkerende verschijnselen (“winst”, “loon”, “interest” etc.) niet alleen met behulp van algemene en geaccepteerde aanduidingen worden vastgesteld, (dat gebeurt al vóór de wetenschap en buiten haar om in het bewustzijn van diegenen, die in de praktijk deelnemen aan de productie), maar als die verschijnselen concreet worden begrepen d.m.v. de analyse van hun plaats en hun rol in een bepaald systeem.

Het is dus fundamenteel onmogelijk om de winst te begrijpen (in een begrip uit te drukken), als men niet daarvoor en onafhankelijk daarvan de meerwaarde en de verschijningsvormen daarvan heeft begrepen. Waarom is dat onmogelijk? Als we een algemeen-theoretisch antwoord geven op deze vraag, tonen we meteen de werkelijke noodzaak aan van de methode, die zich van het abstracte verheft naar het concrete; wij bewijzen dan meteen de geldigheid daarvan op alle gebieden van de kennis. (...)

De deductie en het probleem van het historisme

Hoewel Ricardo het object van zijn onderzoek, de kapitalistische wareneconomie, beschouwde als een geheel dat een eenheid vormde en dat in al zijn uitingsvormen coherent was, en als een systeem van productie- en distributieverhoudingen die elkaar conditioneren, begreep hij dat systeem niet in zijn historische ontstaan, als een organisch geheel van verhoudingen tussen mensen en dingen die in het productieproces zijn ingezet. Hij begreep het niet als een geheel dat een historisch verleden heeft en zich steeds verder ontwikkelt. Alle verdienstelijke kanten van Ricardo’s onderzoeksmethode hangen innerlijk samen met zijn opvatting van de substantie, d.w.z. met het feit dat hij zijn object opvatte als een uniform coherent geheel. Omgekeerd berusten alle gebreken van zijn methode op een volledig onbegrip voor het feit dat dit geheel historisch gegroeid is.

De kapitalistische warenvorm van de productie scheen hem de “natuurlijke” en eeuwige vorm van alle productie te zijn. Daaruit komt het onhistorische (en zelfs anti-historische) karakter van zijn abstractie voort. Als de deductie van de categorieën gepaard gaat met een onhistorische opvatting van het object, dat ze theoretisch wil reproduceren, dan valt die deductie onvermijdelijk zuiver formeel uit.

Het is niet moeilijk in te zien dat de deductie op grond van heel haar vorm overeenkomt met een voorstelling van de ontwikkeling, d.w.z. met de beweging van het enkelvoudige, ongedeelde en algemene, naar het complexe, gedeelde en bijzondere. Maar als de deductief in begrippen gereproduceerde objectieve werkelijkheid zelf wordt opgevat als iets, dat zich niet ontwikkelt, als een eeuwig en natuurlijk systeem van verschijnselen die in een wisselwerking tot elkaar staan, dan kan het niet anders of de deductie wordt slechts beschouwd als een kunstmatig proces van de gedachtenontwikkeling. In dat geval keert de logica noodzakelijkerwijs terug tot het standpunt dat Descartes t.a.v. het wezen van de deductie formuleerde.

Als Descartes zijn wereldsysteem begint op te bouwen en alle complexe vormen van wisselwerking in de natuur gaat afleiden uit de beweging van enkelvoudige materiele deeltjes, geeft hij de volgende rechtvaardiging voor deze manier om een theorie op te bouwen: de natuur van de dingen

“(...) kan veel beter begrepen worden, als men haar langzamerhand op die manier ziet ontstaan, dan als men haar alleen maar beschouwt als iets dat zonder meer af is.” [13]

Maar teneinde niet in een openlijk conflict te raken met de leer der schepping van de wereld, maakt hij meteen het volgende karakteristieke voorbehoud:

“Niettemin is het niet mijn bedoeling om uit dat alles de conclusie te trekken dat deze wereld is geschapen op de door mij aangegeven manier; want het is veel waarschijnlijker dat God haar van het begin af aan zó gemaakt heeft, als zij moest zijn.” [14]

Het is Descartes duidelijk dat de door hem bewust toegepaste deductievorm in laatste instantie gaat in de richting van een ontwikkelingsconceptie, van een leer van noodzakelijk ontstaan en oorsprong van de dingen. Zo stond hij voor een netelig probleem: hoe valt de deductie te rijmen met de opvatting volgens welke het object eeuwig met zichzelf identiek blijft en - daar het eens door God geschapen werd - uit het niets te voorschijn komt?

Ricardo bevond zich in een zelfde parket. Hij zag heel goed in dat alleen de beweging van het deductieve denken de innerlijke samenhang van de problemen kon uitdrukken; maar dat men die samenhang alleen kon leren kennen, doordat men de geleidelijke opkomst van de verschillende vormen van rijkdom mat aan een substantie die ze alle gemeen hadden, aan de warenproducerende arbeid. Maar hoe viel dat te rijmen met de opvatting dat het burgerlijk systeem natuurlijk en eeuwig is, en in wezen niet uit iets kan ontstaan, noch zich kan ontwikkelen? Ricardo verzoent deze twee volkomen onverenigbare opvattingen met elkaar, wat zich moet weerspiegelen in zijn denkmethode, en in de manier waarop hij abstracties vormt. Als de opbouw van een theorie begint met de categorie van de waarde, om vervolgens over te gaan tot het onderzoek naar andere categorieën, dan kan dat worden gerechtvaardigd door het feit dat de categorie van de waarde het meest algemene begrip is, dat winst, rente, grondrente, kapitaal en al het overige impliceert; die categorie is een abstractum, een algemene soort van al die werkelijke, bijzondere en individuele fenomenen.

De denkbeweging die leidt van een abstract-algemene categorie naar de uitdrukking van de bijzonderheden van werkelijke verschijnselen blijkt dus een beweging te zijn, die zich uitsluitend in het denken voltrekt, en niet in de werkelijkheid. Hierin bestaan alle categorieën - winst, kapitaal, rente, loon, geld enz. - gelijktijdig naast elkaar, en de categorie van de waarde drukt uit wat ze gemeen hebben. Waarde bestaat in werkelijkheid alleen in het abstraherende brein, als een weerspiegeling van datgene, wat de waar gemeen heeft met geld, winst, rente, loon, kapitaal enz. De waarde is het soortbegrip dat alle bijzondere categorieën omvat.

Zo dacht Ricardo, in de geest van de nominalistische logica van zijn tijd, die zich verzette tegen het middeleeuwse realisme en tegen de creationistische voorstellingen van bv. een dier in het algemeen, dat pre-existeert vóór het paard, de vos, de koe of de haas, vóór de bijzondere diersoorten; vervolgens verandert dit dier in het algemeen door “disjunctie” in een paard, een vos, een koe of een haas. Volgens Ricardo kan de waarde als zodanig slechts post rem bestaan, als intellectuele abstractie uit de verschillende aspecten van de waarde; maar geenszins ante rem, in de vorm van een onafhankelijke realiteit, die temporeel gezien voorafgaat aan zijn bijzondere aspecten, die zich manifesteren. Deze bijzondere aspecten van de waarde bestaan eeuwig naast elkaar en komen net zomin voort uit de waarde, als een paard voortkomt uit het dier in het algemeen.

Hoewel de nominalistische opvatting van het universale terecht de belangrijkste stelling van het middeleeuwse realisme aanvalt, elimineert zij helaas precies als het realisme de singuliere dingen, en het idee van hun werkelijke ontwikkeling uit de werkelijke wereld. Ricardo heeft in zekere mate de zienswijze van de bourgeoisie overgenomen bij zijn conceptie over de aard van de burgerlijke economie; en in zoverre leek de eenzijdige en uiterst metafysische opvatting van het nominalisme in de logica hem de meest natuurlijke en geschikte opvatting. Maar de afzonderlijke verschijnselen, die de bijzondere aspecten van de waarde bezitten, hebben van oudsher bestaan en zullen ook in de toekomst bestaan: waar, geld, kapitaal, winst, grondrente, enz. Wat betreft de waarde, die is een abstractie uit deze afzonderlijke en bijzondere verschijnselen; het is: universalia post rem, en niet universalia ante rem. Daarom heeft Ricardo niet de waarde als zodanig bestudeerd, de waarde op zichzelf, die meest strikte abstractie van loon, winst, rente en concurrentie.

Nadat hij het waardebegrip had geformuleerd, ging hij meteen over tot het onderzoek naar de ontwikkelde bijzondere categorieën; ook paste hij het waardebegrip toe op de verschijnselen van de winst, het loon, de rente, het geld enz. Dat is de meest logische gang als men, zoals Ricardo deed nadat hij de werkelijkheid had gereproduceerd, deze opvat als een eeuwig systeem van wisselwerkingen tussen de bijzondere vormen van waarde. Het is duidelijk dat als men de inhoud van het universale, waarop ieder theoretisch systeem berust, opvat als een som van kenmerken die abstract gemeenschappelijk zijn aan alle bijzondere en afzonderlijke fenomenen, dat men dan te werk moet gaan op dezelfde manier als Ricardo. Als men het algemene opvat als een abstracte eigenschap, die alle afzonderlijke en bijzondere verschijnselen zonder uitzondering met elkaar gemeen hebben, dan moet in het geval van de waarde, gesteld dat men die theoretisch wil bepalen, vooral de winst en de rente in ogenschouw worden genomen, en dan moet dat wat zij met elkaar gemeen hebben, eruit geabstraheerd worden. Dat is precies de werkwijze van Ricardo. En daarom bekritiseert Marx hem bijzonder fel. Want daaruit blijkt de anti-historische instelling van Ricardo t.o.v. het probleem van de waarde, en de verschillende aspecten ervan.

Volgens Marx was het essentiële gebrek van Ricardo’s onderzoeksmethode gelegen in het feit dat hij de theoretische bepaling van de waarde als zodanig niet heeft onderzocht in haar strikte afhankelijkheid van het productieproces van de meerwaarde, van de concurrentie, de winst, het loon en alle andere verschijnselen. In het eerste hoofdstuk van Ricardo’s hoofdwerk gaat het niet alleen om de ruil van waren tegen waren (d.w.z. om de eenvoudige waardevorm), maar ook om de winst, het loon, het kapitaal, de gemiddelde winstvoet e.d.

“Zoals we zien, zouden we, in plaats van Ricardo een te grote abstractie te verwijten, hem met meer recht het omgekeerde verwijt kunnen maken: een gebrek aan abstractievermogen, een onvermogen om bij de waarde van de waren de winst te vergeten, een feit waarmee de concurrentie hem confronteert.” [15]

Aan dit verlangen naar een objectieve voltooiing van de abstractie kan echter niet voldaan worden, tenzij men ten eerste afziet van de formele en metafysische opvatting van het universale (als een simpele abstractie uit de bijzondere en afzonderlijke fenomenen, waarop het betrekking heeft); en tenzij men ten tweede, bij de vorming van begrippen (in dit geval bij de ontwikkeling die van de waarde leidt tot de winst), overgaat tot het historisme [a]. Marx eist van de wetenschap dat zij het economisch systeem begrijpt als een zich ontwikkelend systeem, en dat zij in de logische ontwikkeling van de categorieën de werkelijke geschiedenis van het ontstaan en de ontplooiing van het systeem reproduceert.

Maar als dat zo is, dan moet de waarde begrepen worden als uitgangspunt voor de theoretische conceptie als een objectief-economische werkelijkheid, die ontstaat en bestaat, nog voordat fenomenen als winst, kapitaal, loon, rente enz. kunnen ontstaan en bestaan. Daarom behoeven de theoretische bepalingen van de waarde niet langs de weg der abstractie gehaald te worden uit datgene wat waar, geld, kapitaal, winst, loon en rente met elkaar gemeen hebben, maar moeten ze heel anders ontdekt worden. Veronderstel, dat al die zaken niet bestaan. Ze bestonden niet van eeuwigheid af, maar zijn op een bepaald punt opgedoken, en juist de noodzakelijkheid van dat opduiken moet de wetenschap aan het licht brengen.

De waarde is de reële en objectieve voorwaarde zonder dewelke kapitaal noch geld noch al het andere mogelijk is. De waarde als zodanig kan men theoretisch slechts dan bepalen als men een objectieve economische werkelijkheid onderzoekt die kan pre-existeren onafhankelijk van en buiten en vóór alle fenomenen, die uit haar ontstaan zijn. Deze elementaire objectieve economische werkelijkheid bestond lang voor het kapitalisme ontstond met alle categorieën die zijn structuren uitdrukken. Deze werkelijkheid is de directe ruil van een waar tegen een andere waar.

We hebben gezien dat de klassieken van de politieke economie het algemene waardebegrip als volgt uitwerkten: ze onderzochten die werkelijkheid, zelfs al gaven ze zich geen rekenschap van de werkelijke filosofische en theoretische betekenis van wat ze deden. Ricardo zou wel vreselijk in de war gebracht zijn, als iemand hem erop had geattendeerd, dat zijn voorgangers evenals hijzelf een algemene categorie van hun wetenschap hebben uitgewerkt - niet door de abstract-algemene regels te onderzoeken, waaraan alle dingen, die een bepaalde waarde hebben, zonder uitzondering gehoorzamen, maar integendeel juist door de meest zeldzame uitzondering op de regel te onderzoeken: de directe ruil van een waar tegen een waar, zonder dat er geld aan te pas komt. Voorzover ze op die manier te werk gingen, kwamen ze tot een werkelijk objectieve conceptie van de waarde. Maar als ze zich niet geheel precies hielden aan de beperkingen van het onderzoek naar deze zeer speciale en uiterst zeldzame vorm van wederkerige economische betrekking, konden ze de waarde niet helemaal begrijpen.

Dat is echter juist het dialectisch karakter van de opvatting van het algemene bij Marx. Dat is de dialectiek van de conceptie volgens welke er een algemene categorie voor het wetenschappelijk systeem moet worden uitgewerkt. Men kan zich er gemakkelijk van overtuigen dat zo’n conceptie alleen mogelijk is, als men zich, bij het bestuderen van de objectieve werkelijkheid, baseert op een fundamenteel historisch uitgangspunt.

De deductie, die zich baseert op een bewust historisme, wordt tot de enige logische vorm die beantwoordt aan het gezichtspunt, waarvoor het object niet kant en klaar gegeven is, maar historisch ontstaan is en zich historisch ontwikkelt.

“(...) heel de classificatie van de organismen is door de evolutietheorie ontnomen aan de inductie, en herleid tot een “deductie”, de afstamming - één soort is letterlijk door afstamming “gededuceerd” uit de ander - en het is onmogelijk de evolutietheorie louter door inductie te bewijzen, want de theorie is volledig anti-inductief.” [16]

Het paard en de koe komen natuurlijk niet voort uit een “dier in het algemeen”, precies zoals de peer en de appel geen producten zijn van de zelfveruitwendiging van het algemene begrip vrucht. Maar het is ongetwijfeld waar dat de koe en het paard ergens in de grijze oudheid een gemeenschappelijke voorvader hebben bezeten. En evenzo zijn de appel en de peer producten van één gemeenschappelijke vruchtvorm, die zich op verschillende manieren is gaan differentieren. Deze werkelijk gemeenschappelijke voorvader van de koe, de vos, het paard en de haas, en van alle andere thans levende diersoorten bestond niet in de schoot van de goddelijke rede of als een idee van het dier in het algemeen, maar bestond in de natuur zelf als een zeer reële en bijzondere soort, waaruit de andere soorten, door differentiatie, moesten voortkomen. Deze algemene vorm van het dier of, zo men wil, dit dier als zodanig, is bepaald geen abstractie die alleen datgene omvat wat de nu levende diersoorten met elkaar verbindt. Dit algemene is tegelijk een bijzondere soort die niet alleen op dezelfde wijze de kenmerken vertoont die bij alle nakomelingen hebben standgehouden en die zij met elkaar gemeen hebben; maar die heel eigen, specifieke kenmerken heeft, die voor een deel zijn overgeërfd door het nageslacht, en voor een ander deel verloren zijn gegaan en door andere kenmerken vervangen. Het is absoluut onmogelijk om een concreet model van de gemeenschappelijke voorvader te construeren, van wie dan alle nu levende soorten zouden moeten afstammen, als men daarbij uitgaat van kenmerken die al deze soorten direct met elkaar gemeen hebben.

Als men zo te werk gaat in de biologie, zou men de verkeerde richting inslaan waar Ricardo de bepalingen van de waarde als zodanig zocht, de algemene waardevorm, door ervan uit te gaan dat die bepalingen geabstraheerd moesten worden uit de winst, de rente en het kapitaal, en uit alle andere waardevormen, die hij voor ogen had.

Met het concept van de ontwikkeling als een reeks van fenomenen, die uit elkaar voortkomen, gaat de materialistisch-dialectische opvatting van het proces van de deductie der categorieën gepaard, een proces dat zich van het abstracte verheft naar het concrete, van het algemene ( dat op zichzelf een volledig bepaald bijzonder iets is) naar het bijzondere (dat ook een algemene en noodzakelijke bepaling van het object uitdrukt). De algemene grondslag van een uitgangspunt voor een systeem van theoretische bepalingen (het begrip, waarmee een wetenschap begint), drukt vanuit het standpunt van de dialectiek de concrete (theoretische) bepalingen van een typisch fenomeen uit, dat volledig bijzonder en gedetermineerd is, dat aan de empirische aanschouwing volledig gegeven is in de zintuiglijke, maatschappelijke praktijk en in het experiment. De bijzonderheid van dit fenomeen is, dat het werkelijk (ook buiten het theoretiserende brein) het uitgangspunt is voor de ontwikkeling van het totaal van de bestudeerde fenomenen, die in een wisselwerking tot elkaar staan: een concreet geheel, dat telkens weer het object is van de logische reproductie.

De wetenschap moet beginnen met datgene waarmee de werkelijke geschiedenis begint. De logische ontwikkeling van de theoretische bepalingen moet dus het concreet-historische proces uitdrukken van het ontstaan en de ontwikkeling van het object. De logische deductie is niets anders dan de theoretische uitdrukking van het historische wordingsproces van het bestudeerde concretum.

Een juist begrip van dit principe veronderstelt een voldoende concrete, wezenlijk dialectische kijk op de aard van de historische ontwikkeling. Dit uiterst belangrijke punt van Marx’ logica - de oplossing van het probleem van de verhouding van de wetenschappelijke ontwikkeling tot de historische ontwikkeling (de verhouding van het logische tot het historische) - moet meer in het bijzonder onderzocht worden.


[1] Marx, Zur Kritik der politischen ökonomie, Berlijn 1951, pp. 257, 258.
[2] Ibid., p. 257.
[3] Ibid.
[4] Lenin, Philosophische Hefte, in: Werke, dl. 38, Berlijn 1964, p. 319.
[5] In: Christen oder Bolschewisten, Stuttgart 1957, p. 89.
[6] Marx, Zur Kritik der politischen ökonomie, ibid., p. 11.
[7] Vgl. Zur Kritik der politischen ökonomie, ibid., pp. 256 e.v.
[8] Engels, Dialektik der Natur, Berlijn 1952, p. 142.
[9] Lenin, Philosophische Hefte, in: ibid., p. 223. - Het volgende Hegel citaat staat op dezelfde pagina.
[10] Ibid., p. 227.
[11] Engels, Dialektik der Natur, l.c., p. 243.
[12] Marx, Das Kapital, dl. 1, Berlijn 1959, p. 224, voetnoot.
[13] Descartes, Discours de la Méthode, in: Oeuvres et lettres, Parijs 1953, p. 157.
[14] Ibid., p. 156.
[15] Theorien über den Mehrwert, in: Marx/Engels, Werke, dl. 26.2, Berlijn 1967, p. 188.
[16] Engels, Dialektik der Natur, ibid., p. 242.
[a] ‘Historisme’ betekent in het sovjetmarxistische spraakgebruik, anders dan gewoonlijk, niet een puur relativisme, maar een historische beschouwingswijze, gericht op de dialectiek van het relatieve en absolute.