Karl Kautsky

Klassenbelang, Bijzonderbelang, Gemeenschapsbelang



Geschreven: 1903
Bron: Tierie & Kruyt Uitgevers Amsterdam, 1903
Vertaling: Uit het Duits vertaald door J. F. Ankersmit
Deze versie: Spelling, punctuatie en soms zinsbouw
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, november 2006


I
Partij en klasse

De sociaaldemocratie treedt op als vertegenwoordigster van de klassenbelangen van het proletariaat — de andere partijen doen zich voor als vertegenwoordigsters der belangen van alle, of in ieder van alle belangrijke klassen. Zij verwijten onze partij dat deze slechts de belangen van een deel van de bevolking, dat zij slechts de bijzondere belangen, vertegenwoordigt, terwijl de burgerlijke partijen er in roemen dat zij er naar streven het gemeenschapsbelang, het belang van staat en maatschappij, het belang van de gehele bevolking ijverig en alzijdig te bevorderen.

Ware het verwijt gerechtvaardigd, dan zou daaruit een belangrijke superioriteit van de burgerlijke partijen voortvloeien. Gelukkig berust het slechts op een begripsverwarring, juist het tegendeel van dit verwijt is juist. Maar het is niet zo heel gemakkelijk de vergissing waaruit het voorkomt te ontwarren.

In de eerste plaats, voordat wij van klassenbelangen spreken, moeten wij nauwkeurig weten wat een klasse is. Marx heeft in het derde deel van zijn Kapitaal een onderzoek over het begrip ‘klasse’ aangevangen, doch ongelukkig niet voltooid. Juist op het beslissend ogenblik eindigt het.

Wij hebben in de moderne maatschappij drie grote economische groepen: loonarbeiders, kapitalisten, grondbezitters. Wat maakt hen tot de vormers van de drie grote maatschappelijke klassen? Vraagt Marx en hij antwoordt:

“Op de eerste blik de eenzelfdigheid van de inkomens en inkomensbronnen. Er zijn drie grote maatschappelijke groepen, wier bestanddelen, de haar vormende individuen, onderscheiden zijn naar arbeidsloon, winst en grondrente. Van het benuttigen van hun arbeidskracht, van hun kapitaal en van hun grondbezit leven.”

“Intussen zouden van dit standpunt uit bijvoorbeeld artsen en ambtenaren ook twee klassen vormen, want zij behoren tot twee verschillende maatschappelijke groepen, bij welke de inkomens van de leden van elk van beide uit dezelfde bron vloeien. Hetzelfde zou gelden voor de eindeloze verbrokkeling van belangen en posities, waarin de verdeling van de maatschappelijke arbeid de arbeiders zowel als de kapitalisten en grondbezitters splitst — de laatste bijv. in wijnbergbezitters, akkerbezitters, bosbezitters, mijnbezitters, visserijbezitters.”

Hier eindigt ongelukkig het handschrift. Het is natuurlijk onmogelijk met zekerheid vast te stellen wat Marx verder zou hebben betoogd. Maar wij kunnen de vraag voor ons zelf beantwoorden, wanneer wij de feiten zelfstandig onderzoeken.

Wat kenmerkt de verhouding enerzijds bijvoorbeeld van de grondbezitter tegenover de loonarbeider en de kapitalist, anderzijds bijvoorbeeld van de akkerbezitter tegenover de bos- of de bouwterreinbezitter?

De grondrente van de grondbezitter kan bij een gegeven grootte van het nationaal inkomen slechts vergroot worden hetzij ten koste van het arbeidsloon, hetzij ten koste van de kapitaalwinst — de belangen van de grondbezitter zijn dus in strijd met die van de loonarbeider en van de kapitalist. Daarentegen stijgt de grondrente van de akkerbezitter niet ten koste van de grondrente van de andere grondbezitters. Integendeel, het toenemen van de grondrente of van de daarmee samenhangende grondprijs van de ene grondsoort heeft ook een toenemen van de grondrente en grondprijzen van de andere grondsoorten tengevolge. Maar elke stijging van deze grondrente en grondprijzen betekent een overeenkomstige benadeling van het arbeidsloon of de kapitaalwinst.

Zien wij anderzijds naar de klasse van de loonarbeiders. Zij vervalt in letterzetters, metaalbewerkers, textielarbeiders, landarbeiders enz. Maar deze onderafdelingen vormen geen klasse. Zij alle hebben gemeenschappelijk de tegenstelling tegenover kapitaal en grondbezit, want het arbeidsloon kan bij een gegeven nationaal inkomen slechts stijgen ten koste van deze beide bronnen van inkomen; daarentegen stijgt niet binnen het raam van de arbeidersklasse het loon van een van deze arbeidersgroepen ten. koste van dat van de andere, doch veeleer versterkt iedere loonsverhoging van de ene arbeidersgroep ook de neiging tot loonsverhoging bij de andere; zij versterkt het streven van de arbeiders om hogere lonen te eisen en vermindert het weerstandsvermogen van de ondernemers tegen het toegeven aan die eis.

Thans zien wij reeds wat de afzonderlijke klassen vormt. Het is niet louter de gemeenschappelijkheid van de inkomensbronnen, doch ook de daaruit voortvloeiende gemeenschappelijkheid van de belangen en de gemeenschappelijkheid van de tegenstelling tegenover de andere klassen, die elk voor zich ernaar streven de inkomensbronnen van de andere te beperken, om het eigene ruimer te doen vloeien.

De afzonderlijke beroepen binnen het raam van de verschillende grote inkomensgroepen vormen dus geen afzonderlijke klassen. Wel echter zal men bij nadere beschouwing tot de bevinding komen, dat zich tussen en naast de drie grote klassen verbindingsgeledingen en uitspruitsels bevinden, die eveneens het karakter van afzonderlijke klassen verwerven.

Zo kunnen wij bijvoorbeeld binnen het raam van de kapitalistenklasse onderscheiden het industriële kapitaal, het handelskapitaal, het geldkapitaal. Beschouwen wij alleen het laatste. Iedere kapitalist moet geld hebben om een onderneming in het leven te kunnen. roepen en drijven; maar onder de kapitalisten is er een bijzondere soort, die zich met het leiden van ondernemingen niet bemoeit en er de voorkeur aan geeft hun geld aan industriële of commerciële ondernemers tegen rente uit te lenen. De inkomensbron van deze geldkapitalisten verschaft hun een gemeenschappelijkheid van belangen, de rentevoet van de ene stijgt niet ten koste van de rentevoet van de anderen, integendeel, ieder stijgen van de rentevoet hier bevordert de stijging ginds. Deze inkomensbron brengt hen echter ook in gemeenschappelijke tegenstelling tot de andere kapitalisten, want de rentevoet stijgt ten koste van de winst.

Om misverstand uit te sluiten zij er hier op gewezen dat hiermee niet bedoeld is dat, als de rentevoet stijgt, de winstvoet moet dalen. Dat zou even onjuist zijn als wanneer men wilde zeggen dat als het arbeidsloon rijst, de winst moet zinken. In tijden van voorspoed kunnen gelijktijdig winsten, renten en arbeidslonen omhoog gaan, in tijden van crisis gaan zij gelijktijdig omlaag. Maar dat verandert niets aan het feit dat op een gegeven tijdstip alles wat de kapitalist onder overigens gelijke omstandigheden aan loon of kapitaalrente bespaart, zijn winst verhoogt, en omgekeerd. Wanneer het totaalproduct van de maatschappij stijgt, kan de hoeveelheid producten die het aandeel van iedere afzonderlijke klasse uitmaakt stijgen, maar het percentage van elke klasse in het totaalproduct kan niet gelijktijdig stijgen, het percentage van de ene klasse moet dalen, als dat van de andere stijgt, en bovenal: hoe groot ook het totaalproduct zijn mag, het aandeel van elke afzonderlijke klasse wordt in de huidige maatschappij niet volgens een vast plan geregeld, maar door economische en politieke worstelingen van de meest verscheiden aard bepaald, waarbij elke klasse al haar machtsmiddelen aanwendt om een zo groot mogelijk aandeel te verwerven.

Op deze wijze van verdelen van de producten berusten de klassenverschillen, klassentegenstellingen, klassenworstelingen. Zij moeten bestendig voortduren, zolang de kapitalistische maatschappij bestaat; deze tegenstellingen worden niet opgeheven, vaak niet eens getemperd in tijden dat lonen, winsten en renten gelijktijdig stijgen — wat overigens, zoals bekend is, altijd slechts een voorbijgaande roes is, onvermijdelijk gevolgd door een katterige ontnuchtering met gelijktijdig dalen van lonen, winsten en renten, waarbij de kamp om het aandeel in het nationaal product heftiger ontbrandt en daarmee de klassentegenstellingen zich verscherpen.

Het begrip ‘klasse’ sluit noodwendig het begrip ‘klassentegenstelling’ in. Indien dat echter zo is, dan wordt de verzekering van een partij, dat zij de belangen van alle klassen zal dienen, een hol woord, ja erger dan dat, demagogisch bedrog. Het is van zulk een partij de verzekering dat zij gelijktijdig de belangen van de huurders zal dienen en dus naar verlaging van de huren streven, en ook de belangen van de verhuurders dienen en dus naar verhoging van de huren streven zal; dat zij de arbeiders hoge lonen en de kapitalisten goedkope arbeidskrachten verschaffen wil; dat zij streeft naar lage prijzen van de levensmiddelen voor de verbruikers en naar hoge prijzen van de levensmiddelen voor de producenten van de levensmiddelen, enz.

In werkelijkheid beantwoorden aan de drie grote klassen der maatschappij ook de drie grote partijen, die in de politiek van de moderne staten op de voorgrond treden: de liberalen, de conservatieven en de socialisten.

Hiermee is echter niet gezegd dat in de politieke werkelijkheid de partijen even scherp gescheiden zijn als de klassen volgens de economische theorie. Vooreerst hebben wij tussen- en nevenklassen, wier klassenbelangen niet geheel met een van de drie grote klassen samenvallen. Het geldkapitaal bijvoorbeeld staat als tussengeleding tussen het industriële kapitaal en het grondbezit, die het beide evenzeer uitbuit; het neemt ook in politiek opzicht een tussenpositie in tussen het liberalisme en het feodaal-agrarisch conservatisme, stelt zich nu eens op de kant van de eerste, dan weer op de kant van de laatste partij, zoals in Duitsland bijv. de nationaal-liberalen en de vrijconservatieven [En in Nederland de groep Mees-Tydeman - Vert.].

Anderzijds neemt de kleine burgerij een tussenpositie in tussen het proletariaat en de kapitalistenklasse, de kleine boeren tussen het proletariaat en het grondbezit.

Dan echter ook sluit het bestaan van klassentegenstellingen niet uit dat bestanddelen van verschillende klassen in één partij verenigd worden. In het democratische staatswezen, onder de heerschappij van het algemeen kiesrecht, kunnen kapitalisten zowel als grootgrondbezitters hun politieke heerschappij niet zelfstandig handhaven, daartoe zijn zij te gering in aantal. In 1895 telde men in Duitsland onder de zelfstandigen (afgezien dus van de loonarbeiders) in industrie en handel:

Aantal zelfstandigen

Wij zien dat het aantal grote kapitalisten in de groep van de industriële en commerciële ondernemers niet eens 50.000 bedroeg. Het aantal feitelijke proletariërs was zelfs onder de zogenaamde ‘zelfstandigen’ nog veel groter dan het aantal kleine kapitalisten vermeerderd met hen die tussen proletariaat en kapitalist stonden.

Niet steeds zal de indeling in deze rubrieken een juist beeld van de werkelijkheid geven. Een handelszaak met vijf arbeiders kan reeds een zeer groot kapitaal omvatten. Anderzijds zal menig bedrijf met twee arbeiders, bijvoorbeeld een baas en een leerling, tot de proletarische gerekend moeten worden. De enkele fouten zullen ongeveer tegen elkaar opwegen, overigens verschillen de getallen zo sterk, dat het op nauwkeurigheid in ieder bijzonder geval volstrekt niet aankomt.

Iets beter voor de bezittende staat de zaak in de landbouw. Van de zelfstandige landbouwers telde men tot de klasse der

Aantal zelfstandige landbouwers

Hier is het aantal proletarische schijnbezitters kleiner in verhouding tot de bezitters, maar het aantal grotere grondbezitters altijd nog minimaal.

Voegen wij er echter nog de cijfers van de loonarbeiders bij, dan zien wij eerst goed hoe verdwijnend klein het aantal is van hen die uitsluitend uit hun grondbezit of uit een kapitalistische onderneming hun inkomen trekken.

Wij hebben dan in de landbouw:

Aantallen

Rekent men ook de overige bedrijfstakken nog mee, benevens in iedere klasse de gezinsleden, dan verkrijgen wij het volgend resultaat voor de totale bevolking:

Verhoudingen bevolking

Hier schijnt het overwicht van het proletariaat geringer, daar het aantal niet-werkende gezinsleden bij het proletariaat tot een minimum beperkt is. Intussen is ook in deze tabel het overwicht geweldig. Het proletariaat omvat 68 procent, d.i. meer dan twee derden van de bevolking, het grootbezit slechts iets meer dan 1 percent.

Men ziet hoe erbarmelijk het met de uit kapitaalbezit of grondbezit hun inkomen trekkende klassen gaan zou als zij in de politieke strijd tot hun eigen leden beperkt bleven. Zij moeten trachten in de massa van de bevolking hulptroepen te winnen die hun de nodige stemmen leveren. Voornamelijk de beide tussenklassen van de kleine burgerij en de boerenstand met hun tweeledige klassenbelangen schijnen hun voortreffelijk daartoe geschikt. Maar ook uit het proletariaat trachten de partijen van de bezittende klassen zich stemmen te halen. Ledige beloften die vaak rechtstreeks bedrog zijn, bedreiging met eeuwige en tijdelijke straffen, ten slotte, als niets meer helpt, rechtstreekse dwang, de benuttiging van alle economische, politieke en geestelijke machtsmiddelen — dat zijn de methoden van ‘verkiezingactie’ van deze partijen, d.w.z. van hun streven om zo en zoveel stemmen aan de belangen van het kapitaal of van het grondbezit dienstbaar te maken.

Het is duidelijk dat bij zulk een verkiezingsstrijd de partijen van de bezittende klassen niet kunnen of mogen toegeven, dat er klassenbelangen en klassentegenstellingen bestaan; zij moeten de klassentegenstellingen verhullen, ja loochenen. Ieder die de klassentegenstellingen aan het licht brengt is hun gezworen vijand. Maar zij loochenen deze tegenstellingen slechts om bijzondere klassenbelangen te dienen.

Anders de sociaaldemocratie, de partij van het proletariaat. De kapitalisten en het grootgrondbezit maken slechts een kleine minderheid der bevolking uit. Zij zouden bij algemeen kiesrecht in politiek opzicht geheel verdwijnen, zo het hun niet lukte aan hun partijen de stemmen van andere klassen toe te voeren. Het proletariaat daarentegen is de sterkste klasse van de bevolking. Van de overwinning is het in een industrieel democratisch land zeker op het ogenblik dat het er in slaagt alle klassengenoten tot het bewustzijn van hun klassenbelangen te brengen en hen aan de staart der burgerlijke partijen te onttrekken.

Hebben de andere partijen dus tot taak de massa der bevolking ten opzichte van hun klassenbelangen te misleiden, ten einde hen aan zich dienstbaar te maken — de sociaaldemocratie heeft alle reden hun ten opzichte van hun klassenbelangen helderheid bij te brengen, opdat zij zich niet langer als stemvee voor vreemde en vijandelijke klassenbelangen laten gebruiken.

Maar niets ware meer onjuist dan daaruit te besluiten dat slechts zij bepaalde klassenbelangen dient. Dat doet elke andere partij ook. Nog meer: wijl zij de vertegenwoordigster der klassenbelangen van het proletariaat is, vertegenwoordigt zij in veel hoger mate het gemeenschappelijk belang, het belang van de massa van de bevolking, dan elke andere partij. En zij vertegenwoordigt dit belang niet slechts wijl het proletariaat de meerderheid in het volk uitmaakt, maar ook wijl de proletarische belangen heden ten dage samenvallen met de belangen van de natie.

II
Vrijheid en gerechtigheid

Wanneer wij zeggen dat de klassen in een noodzakelijke tegenstelling tot elkaar staan, dat het derhalve voor een partij onmogelijk is de belangen van meer dan een, of sterker nog, van alle grote klassen consequent te behartigen, dan wil dat niet zeggen dat een partij zich noodzakelijkerwijs tot de behartiging van een bepaald klassenbelang beperken moet. Zij kan niet duurzaam verschillende klassen vertegenwoordigen, maar zij kan en moet nog andere belangen vertegenwoordigen dan klassenbelangen. Natuurlijk is hier slechts sprake van maatschappelijke belangen, niet van persoonlijke, die in de politiek niets te maken hebben en die dan ook, waar zij zich willen doen gelden, steeds in de vermomming van maatschappelijke belangen optreden. Tot de maatschappelijke belangen echter behoren ook nog andere dan klassenbelangen. Het totaal van de in een maatschappij aanwezige klassenbelangen vormt nog niet het totaal van alle in haar levende maatschappelijke belangen. Kunstbelangen, wetenschappelijke belangen, de belangen van de geslachten en dergelijke zijn vaak geen klassenbelangen.

Evenwel staan alle maatschappelijke belangen onderling in de engste organische samenhang, en de klassenbelangen geven per slot van rekening de doorslag. Aan de eigenaardige positie van een bepaalde klasse in de maatschappij beantwoordt derhalve ook een bepaalde houding tegenover die maatschappelijke belangen, die niet rechtstreekse klassenbelangen zijn en daarmee ook een bepaalde houding van de partij, die de belangen van deze klasse behartigt, tegenover de verschillende maatschappelijke vraagstukken.

Zo moet ook de sociaaldemocratie zich met alle maatschappelijke kwesties bemoeien, zelfs wanneer zij met de proletarische klassenbelangen rechtstreeks volstrekt niets te maken hebben, maar hare houding tegenover elk van deze kwesties is niet willekeurig, doch wordt bepaald door de positie van het proletariaat in de maatschappij.

Het proletariaat is echter een klasse van zeer bijzondere aard. Het vormt niet alleen, zoals wij gezien hebben, in een moderne industriestaat de grote meerderheid van de bevolking — twee derden tot drie vierden — het is ook de enige klasse die louter van haar arbeid en niet, ook van de uitbuiting van anderen leeft.

Wel is tegen het lot van uitgebuit te worden, in de huidige maatschappij schier niemand beveiligd. Wij hebben reeds gezien, hoe industriële kapitalisten en grondbezitters uitgebuit worden door de geldkapitalist, wanneer zij genoodzaakt zijn geld van hem te borgen. Maar de geldkapitalist zelf wordt weer, zoals iedere andere staatsburger evenzeer, uitgebuit door de staatsmacht, waaraan hij zijn belasting te betalen heeft. Slechts ten dele wordt voor deze belastingen maatschappelijk noodwendige arbeid verricht; voor een ander deel dienen zij tot het mesten van parasieten die in geen enkel staatswezen ontbreken, die soms, zoals in Frankrijk voor de omwenteling, door hun bloedzuigerswerk de natie kunnen ruïneren.

Maar ook de vorsten kunnen wederom uitgebuit worden. Zij geraken zeer vaak in schulden en moeten dan aan het geldkapitaal hun schatting brengen.

De uitbuiters buiten elkaar dus onderling uit, waarbij zich echter als degene die het laatst lacht, in de regel de geldkapitalist ontpopt.

Iedereen klaagt derhalve in de burgerlijke maatschappij over uitbuiting en onderdrukking, er is nauwelijks een enkele klasse die niet voor de een of andere vrijheid en het een of ander recht te strijden heeft.

Maar tegelijkertijd is er geen enkele klasse, behalve het proletariaat — de loonarbeiders, benevens de kleinste boeren, de alleen werkende bazen en kleine huisindustriëlen — die niet uit de uitbuiting van anderen minstens een deel van haar inkomen trekt, die niet bij de een of andere soort van uitbuiting en onderdrukking belang heeft. Met uitzondering van het proletariaat kan derhalve geen enkele klasse de strijd voor vrijheid en recht die zij voert consequent voeren, iedere klasse moet aan anderen weigeren, wat zij voor zich zelf eist. Deze inconsequentie neemt soms dwaze vormen aan.

De Duitse vorsten van de zestiende en zeventiende eeuw verklaarden voor de ‘Duitse vrijheid’ te strijden wanneer zij hun despotisme ten koste van het keizerlijk gezag wilden versterken. Ditzelfde verkondigde echter tegenover deze vorsten de lagere adel. Beiden te samen evenwel vielen vol woede op de boeren aan, toen dezen voor zich ook op een beetje vrijheid aanspraak maakten.

In de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten van 4 juli 1776 heet het, “dat alle mensen, in gelijkheid geboren, door hun Schepper met zekere onvervreemdbare rechten begiftigd zijn, dat hiertoe leven, vrijheid en het streven naar gelukzaligheid behoren.” Maar met deze onvervreemdbare mensenrechten gingen, naar de opvatting van de opstellers, zeer wel samen de politieke rechteloosheid van de vrouw, het vogelvrij zijn van de Indianen, de slavernij van de negers.

Er is slechts één klasse, die de strijd tegen elke soort van uitbuiting en onderdrukking voeren kan, dat is het proletariaat. En het kan die niet alleen voeren, het moet die voeren, daar zijn eigen uitbuiting en onderdrukking eerst een einde kan nemen wanneer iedere mogelijkheid tot uitbuiting en onderdrukking verdwenen is.

De sociaaldemocratie, als de enige bewuste vertegenwoordigster van de klassenbelangen van het proletariaat, is derhalve ook de enige partij die voor gelijke vrijheid en gelijk recht voor allen, tegen iedere uitbuiting en onderdrukking opkomt.

Zij alleen eist volkomen vrijheid van wetenschap. Zelfs voor de meest democratische van onze burgerlijke democraten blijft het onderwijzen van de wetenschap aan de universiteiten een monopolie voor de aanhangers der huidige maatschappelijke orde. Zij eisen de ‘aan geen vooropgesteld beginsel gebonden’ wetenschap, maar onder het stilzwijgend vooropgesteld beginsel, dat voor iedere vorser de deuren van de ‘tempel der wetenschap’ gesloten worden wanneer hij tot resultaten komt die voor de heersende orde in staat en maatschappij lastig zijn.

Intussen zou men van de volkomen vrijheid van wetenschap kunnen aannemen dat de sociaaldemocratie die eist in haar eigen belang. Want juist die wetenschappelijke richting, waarop zij steunt, is buiten de universiteiten gebannen.

Maar de sociaaldemocratie komt ook voor elke onderdrukte natie op, zij het de eigene, dan wel een vreemde. Geen enkele Duitse partij heeft de onderdrukkingsmaatregelen tegenover de Pruisische Polen en Denen krachtiger veroordeeld dan de sociaaldemocratie, geen enkele partij heeft zich beslister aan de zijde van de Ieren geschaard dan de socialisten.

Op dezelfde grond bestrijdt de sociaaldemocratie alle koloniale veroveringspolitiek, niet alleen in Duitsland, Frankrijk, Italië, waar de uitbuiting van de koloniën een zeer onvoordelige onderneming is, maar ook in Nederland en Engeland, waar een groot deel van de nationale rijkdom erop berust.

Aan de klassenpositie van het proletariaat, die het doet front maken tegen elke uitbuiting en onderdrukking, beantwoordt ook de houding van de sociaaldemocratie in het vrouwenvraagstuk.

Langzaam en aarzelend, van de nood een deugd makend, vangen thans ook enige burgerlijke partijen aan, een aantal van de juridische en politieke voorrechten weg te nemen die de mannen hebben boven de vrouwen. De enige partij die deze voorrechten alle tezamen bestrijdt en immer bestreden heeft, is de sociaaldemocratie.

Zelfs de tegenstanders verdedigt zij, waar deze tot de onderdrukten behoren. Dat geldt niet alleen van de Polen en Ieren, die voor de grote meerderheid tot de meest reactionaire elementen behoren, — van de burgerlijke vrouwen, die thans reeds hun politieke invloed maar al te gaarne aanwenden om het proletariaat omlaag te drukken, — het geldt ook van de kerk, in het bijzonder de katholieke. De geestelijkheid betoont zich een machtige uitbuitings- en onderdrukkingsorganisatie, die met de uiterste vijandschap tegen alle bevrijdingsstreven van het proletariaat optreedt. Volgens haar beginselen moet de sociaaldemocratie de geestelijkheid hardnekkig bestrijden, waar zij als bolwerk van onderdrukking en uitbuiting optreedt, en zij moet trachten haar alle voorrechten te ontnemen, die haar tot een zo gevaarlijke tegenstandster van het omhoog strevende proletariaat maakt. Maar de sociaaldemocratie komt voor de rechten van die zelfde geestelijkheid op, waar zij onderdrukt en onder uitzonderingswetten gesteld wordt. [In Duitsland bijv. stemmen de sociaaldemocraten steeds voor opheffing van het verbod om jezuïeten in het land toe te laten. Vert.]

Dezelfde beginselen gelden voor de houding der sociaaldemocratie tegenover de middenklassen tussen het proletariaat en de klassen van de uitbuiters. Waar deze middenklassen — kleine burgers en boeren — hun toestand door vermeerdering van onderdrukking en uitbuiting van zwakkeren, bijv. van loonarbeiders of eigen kinderen, willen verbeteren, daar kan de sociaaldemocratie hun niet helpend ter zijde staan, daar moet zij hen bestrijden. Maar deze zelfde klassen bezitten geen krachtiger pleitbezorger waar zij tegen onderdrukking en uitbuiting strijden. Wanneer de sociaaldemocratie in Duitsland thans in het eerste gelid staat in de strijd tegen de invoerrechten op levensmiddelen, dan behartigt zij niet alleen de belangen van de proletariërs, maar ook van de kleine burgers en kleine boeren. Deze belangen dient zij ook bij de bestrijding van het militarisme, bij het bepleiten van een vervanging van de directe belastingen door een progressieve inkomsten en vermogensbelasting, door haar streven naar naasting van de grote monopolies en dergelijke. Voor zover echter de kleine burgers en kleine boeren in enig opzicht te helpen zijn in de huidige maatschappij, kan het slechts door de laatstgenoemde middelen geschieden.

Niets onjuister dan de bewering dat de sociaaldemocratie de kleine luiden het leven zoveel mogelijk wil verzuren. Zij helpt hen, waar het redelijkerwijze mogelijk is, d.w.z. waar het in overeenstemming is met de behoeften van de economische ontwikkeling van de gehele samenleving, doch verzet zich krachtig tegen pogingen om hun de hulp te verschaffen door vermeerdering van uitbuiting.

Zo ontspruit juist uit het proletarische klassenkarakter voor de sociaaldemocratie een reeks hoogst gewichtige politieke bemoeienissen, die verre buiten het raam van het engere klassenbelang van het proletariaat reiken.

Niet in de laatste plaats heeft zij het daaraan te danken, wanneer zij een aantrekkingspunt ook voor niet-proletarische elementen wordt.

Wij hebben gezien dat er tal van tussengeledingen tussen het proletariaat en de beide andere grote inkomensklassen liggen. Naast de handwerksbazen, kleinhandelaars, kleine boeren, komen hier in het bijzonder de zogenaamde intellectuelen in aanmerking, die volgens hun levensstandaard, hun persoonlijke betrekkingen, vaak ook door de werkzaamheden die zij te verrichten hebben (bijvoorbeeld als vertegenwoordigers van kapitalisten), dicht bij de kapitalistenklasse staan, maar die even goed als het proletariaat van hun arbeid leven, hoewel van een arbeid die onder de verschillende soorten van arbeid een aristocratische rang inneemt. Van de andere kant echter hebben wij ook gezien, dat er onder de uitbuiters zelf nauwelijks een enkele groep is, die niet harerzijds wederom op de een of andere wijze uitgebuit wordt. Eindelijk weten wij ook dat de uitgebuite uitbuiters wel een scherpe blik hebben voor elke uitbuiting en onderdrukking die zij ervaren, dat ze echter blind zijn voor elke uitbuiting en onderdrukking die zij zelf uitoefenen. Al te licht menen zij dat de bijzondere soort van uitbuiting en onderdrukking waaronder zij lijden, de enige is die terecht bestreden wordt en zij proclameren dan de strijd tegen alle uitbuiting en onderdrukking. Naast zelfmisleiding is daarbij vaak ook een demagogische bedoeling in het spel: terwijl zij hun strijd tegen een bijzondere soort van uitbuiting en onderdrukking tot een strijd voor algemene vrijheid en gelijkheid, of, zoals men ook wel zegt, gerechtigheid stempelen, hopen zij daarmee de steun van de lagere volksklassen te winnen, die door hun klassenpositie geneigd zijn elke dergelijke strijd tot de hunne te maken.

Maar in elk van deze schijnbaar voor vrijheid en recht strijdende uitbuitersklassen en nog meer in de tussen haar en .het proletariaat staande middengroepen, in het bijzonder het intellect, bevinden zich elementen die deels door de hitte van de strijd, deels door de logica van hun denken ertoe gebracht worden ernst te gaan maken met de vrijheids- en gelijkheidsstellingen van hun politiek program. Daarbij vinden zij echter dove oren wanneer zij zich tot hun klassengenoten wenden, voor wie deels door overleg, deels door instinct duidelijk de grenzen getrokken worden, welke zij bij hun opkomen voor vrijheid en gerechtigheid niet mogen overschrijden willen zij de grondslagen voor het gedijen van hun eigen klasse niet in gevaar brengen. Beperken zich de onbuigzame ‘beginselmannen’ bij hun propaganda tot de bezittende klassen, dan lijden zij schipbreuk; slechts door aansluiting bij de onderste klassen kunnen zij een krachtige werkzaamheid ontwikkelen. Zo is een ganse reeks van burgerlijke elementen langs de omweg van liberalisme en burgerlijke democratie, dat wil zeggen door de strijd tegen feodaal-aristocratische uitbuiting, tot de sociaaldemocratie gekomen.

Maar dit is niet de enige weg waarlangs men uit de bourgeoisie tot het socialisme komt.

Iedere mens is, gelijk andere karaktereigenschappen, ook de aanleg tot sociale neigingen — medelijden, hulpvaardigheid, opoffering voor de gemeenschap — aangeboren. Sedert honderdduizenden jaren leven de mensen in maatschappelijke groepen en zij kunnen zich slechts in stand houden door de kracht van hun maatschappelijke samenhang, van hun sociale neigingen. Zo groeiden deze aan tot een geweldige macht die de mens evenzo beheerst als de reiszucht de trekvogel. De zedenwijsgeer schijnen zij onverklaarbaar, hij ziet in de sociale instincten, die de grondslagen van de zedelijkheid vormen, iets bovennatuurlijks, goddelijks, producten van een andere wereld. Zij zijn echter louter producten van de maatschappij. Van de maatschappelijke verhoudingen hangt het ook af tot welke kracht zij zich in de verschillende klassen ontwikkelen en op welke wijze zij in iedere klasse werken. Het ligt voor de hand dat zij thans het krachtigst tot uiting komen in het proletariaat, welks sterkste wapen in de klassenstrijd de innige aaneensluiting van zijn leden is. Zij kunnen zich in de regel slechts zwak ontplooien bij een lid van de bezittende klasse, daar diens maatschappelijke macht in de eerste plaats van de grootte van zijn bezit afhangt. Hij vergroot zijn bezit echter niet alleen door uitbuiting van de leden van andere klassen, maar ook door verdringing van leden van zijn eigen klasse uit hun bezit. Het particulier bezit van de productiemiddelen en de concurrentiestrijd om deze productiemiddelen zijn machtige oorzaken van verzwakking van de sociale instincten; des te sterker worden zij door het ontbreken van dit particulier bezit in de klasse van de bezitlozen. Juist krachtens hun klassenstrijd is hun gemeenschapszin veel groter, vinden bijzondere belangen in het proletariaat en daarmee ook in de sociaaldemocratie veel minder plaats dan in de burgerlijke partijen.

Maar dat alles geldt slechts van klassen, niet van individuen. Ook het proletariaat telt individuen wier sociale neigingen slechts zwak ontwikkeld zijn, en in de bezittende klassen vindt men individuen met sterke sociale instincten. Maar het verschil is, dat in het proletariaat iemand des te minder geacht wordt naarmate zijn sociale instincten zwakker zijn, naarmate hij zijn persoonlijk voordeel boven dat van zijn medemensen stelt. In de bezittende klassen daarentegen wordt daarop minder gelet, geldt zelfs iemand die zijn persoonlijk voordeel ondergeschikt houdt aan de belangen van anderen, in het bijzonder van zwakkeren, voor een dwaas. Wie een sterk sociaal gevoel heeft en daarbij een strijdnatuur, wie zich met enkel weldoen niet tevreden stelt, maar de strijd wil aanvaarden tegen de bronnen van armoede en gebrek, van mishandeling en vernedering van zijn medemensen, voor die is geen plaats in de rijen van de partijen der uitbuiters. Wil hij politiek werkzaam zijn dan rest hem slechts de aansluiting bij de partij van de proletarische klassenstrijd, bij de sociaaldemocratie.

Wordt het proletariaat door zijn klassentoestand ertoe genoodzaakt de strijd tegen zijn uitbuiting en onderdrukking uit te breiden tot een strijd tegen elke soort van uitbuiting en onderdrukking, de strijd voor zijn klassenbelangen tot een strijd om vrijheid en gerechtigheid voor allen te maken, zo worden anderzijds door de eigenaardigheid van de verschillende klassen alle strijders om vrijheid en gerechtigheid voor allen, uit welke klasse zij ook mogen voorkomen, ertoe gedreven zich bij het proletariaat aan te sluiten en zijn klassenworstelingen mee te strijden.

III
Klasse en maatschappij

A. De feodale ideale maatschappij

Het geheel is meer dan een deel. Zo staat ook boven het klassenbelang het gemeenschapsbelang, het maatschappelijk belang. Evenwel mag men het zich niet zo voorstellen alsof het maatschappelijk belang van het klassenbelang derwijze onderscheiden ware, dat het laatstgenoemde de aan elke bijzondere klasse eigenaardige belangen uitmaakte, het eerste daarentegen de aan alle klassen gemeenschappelijke belangen, alsof dus alle klassen van een bepaalde maatschappij een maatschappelijk belang gemeen hadden, zodat men niet slechts van een tegenstelling doch ook van een solidariteit van de klassen zou kunnen spreken.

Niets ware meer onjuist dan deze opvatting. De algemeen maatschappelijke belangen zijn te eng met de bijzondere klassenbelangen verbonden, dan dat zij voor iedere klasse dezelfde zouden kunnen zijn. Wij zien veeleer dat de houding van de afzonderlijke klassen tegenover die belangen verschillend en tegengesteld is, als de belangen van die klassen zelf. Dat treedt het duidelijkst aan de dag in het maatschappelijk ideaal dat de verder kijkende denkers van elke klasse opstellen en dat geen louter verbeeldingsspel is, maar zich in de praktijk doet gelden, doordat het de mogelijkheid biedt om de menigvuldige maatschappelijke oogmerken van de onderhavige klasse samen te vatten tot een eensgezinde beweging die in een bepaalde richting streeft. Iedere klasse heeft haar bijzonder type van een maatschappelijk ideaal, dat trots alle wijzigingen, die plaats en tijd aanbrengen, steeds weer tot uiting komt, en zoals de talrijke klassen van de huidige maatschappij in de grond tot drie grote klassen te herleiden zijn, waarvan de andere slechts tussen- en nevengeledingen uitmaken, zo valt ook de overvloed van huidige maatschappelijke idealen tot drie grote typen te herleiden: het feodale of reactionaire, het liberale of feitelijk conservatieve, en het socialistische of feitelijk vooruitstrevende. Deze idealen staan even vijandig tegenover elkaar en zijn evenmin met elkaar te verenigen als de praktische belangen van de drie grote klassen in het heden.

Het eerstgenoemde ideaal wortelt in de belangen van het grondbezit, voornamelijk van het grootgrondbezit; de kleine grondeigenaar trekt zijn inkomen minder uit zijn grondbezit dan uit zijn arbeid, vormt dus een tussengeleding, die het type niet zuiver tot uiting brengt.

Het grondbezit heeft zich in de kapitalistische maatschappij zeer goed weten te installeren. Het bezit er ook een bevoorrechte positie. Het trekt zijn inkomen zonder enige tegenprestatie of moeite — d.w.z. het inkomen uit het enkele grondbezit, niet uit het landbouwbedrijf — de grondrente, zoals zij het zuiverst aan de dag treedt in het pachtstelsel, waarbij grondbezitter en landbouwer twee verschillende personen zijn. En de grondrente is in het algemeen in de loop van de laatste eeuwen steeds gestegen, afgezien van enige tijdelijke, plaatselijke storingen. Niettemin voelt zich het grondbezit in de huidige maatschappij niet behaaglijk. Al is zijn toestand ook, volstrekt genomen, belangrijk verbeterd, in het betrekkelijke is hij toch zeer achteruitgegaan; de positie van een klasse in de maatschappij hangt echter niet af van haar volstrekte, maar van haar betrekkelijke vooruitgang, d.w.z. van haar vooruitgang gemeten naar die van andere klassen. En uit dat oogpunt heeft het grondbezit het bitter gevoel dat het, in de feodale tijd almachtig, thans steeds meer door het kapitaal overvleugeld wordt. Wel stijgt de grondrente, terwijl de kapitaalwinst daalt, maar dit verschijnsel is misleidend. De grondrente stijgt in verhouding tot een bepaalde grondoppervlakte, bijv. per hectare, maar de bebouwde oppervlakte breidt zich in de oude beschaafde landen nog maar weinig uit. De kapitaalwinst daalt in verhouding tot een bepaalde kapitaalhoeveelheid, maar de kapitaalmassa stijgt ontzaglijk. Daardoor neemt de hoeveelheid kapitaalwinst die aan de kapitalistenklasse toevalt, veel sneller toe dan de hoeveelheid grondrente die de grondbezitters opsteken.

Een voorbeeld zal dit duidelijk maken. Nemen wij aan dat in de loop van de negentiende eeuw de grondrente in een gegeven land verdubbeld is, terwijl de grondoppervlakte dezelfde gebleven is. Dan heeft zich ook het gezamenlijke inkomen van de grondbezittersklasse uit hun grondbezit verdubbeld. Dit is bijvoorbeeld van 500 op 1000 miljoen gestegen. Intussen is de winstvoet met de helft gedaald, bijvoorbeeld van 20 op 10 percent, maar de hoeveelheid kapitaal is vertwintigvoudigd, dan is het gezamenlijk inkomen van de kapitalistische klasse tot het tienvoudige aangegroeid, bijvoorbeeld van 200 op 2000 miljoen. Haar rijkdom en haar economische macht in verhouding tot het grondbezit zijn op het einde van de eeuw vijfmaal zo groot, of de rijkdom en economische macht van het grondbezit in verhouding tot het kapitaal vijfmaal. zo klein als in de aanvang van de eeuw.

Deze cijfers zijn willekeurig ondersteld, maar feitelijk beweegt zich de economische ontwikkeling in deze richting.

Intussen, niet alleen in economisch opzicht wordt het grondbezit door de industriële ontwikkeling steeds meer op de achtergrond gedrongen, maar ook in politiek opzicht. In de feodale tijd was de voornaamste bedrijfstak de landbouw van de zelf bouwende kleine boer. Dat is echter een arbeid die de producent zo volkomen in beslag neemt en zozeer van de buiten zijn dorp gelegen wereld afsnijdt, dat hij de mogelijkheid verliest zich om de politieke en andere grote maatschappelijke belangen voortdurend te bekommeren en in de daardoor ontbrandende strijd in te grijpen. Hij laat de zorg daarvoor aan anderen over, aan ridders, geestelijken, soldeniers, bureaucraten en hun meesters, de vorsten, die dan de macht, welke zij aldus verwerven, benuttigen om de boeren onder het juk te brengen en meer te plunderen dan te beschermen. Waar het kleine boerenbedrijf de grondslag van de staat is, daar brengt het noodzakelijk de heerschappij van een feodale aristocratie of van een despotisme naar oosters model mede. Slechts bij een bijzonder gunstige bodemvorm, zoals in de oude Zwitserse kantons of in Friesland, kunnen de boeren dit juk van zich afweren. De instandhouding van de democratische vrijheid in die streken is echter wellicht nog meer toe te schrijven aan het overwegen van weiland boven akkerland, dan aan natuurlijke beschermingsmiddelen. Herdersvolken zijn altijd vrijheidlievend en weerbaar. Waar daarentegen de akkerbouw de overhand heeft, vloeit daaruit de knechtschap van de zelfbouwende boer voort.

Dit eldorado van de feodale aristocratie neemt een einde zodra zich een krachtige stedelijke industrie ontwikkelt. Daaruit komen klassen voort die steeds vijandiger gaan staan tegenover de feodale aristocratie en die ten slotte haar opperheerschappij breken, niet alleen in de steden, maar ook op het platteland. Het waren de proletariërs en kleine burgers van de steden die ook aan de boeren de bevrijding van het aristocratische juk brachten. De bestormers van de Bastille haalden de grondslagen van de knechtschap van de boer niet alleen voor Frankrijk, maar voor half Europa omver. De Franse omwentelingslegers hebben voor de bevrijding van de boeren van Zwitserland bijvoorbeeld meer verricht dan de zo vaak verheerlijkte oorspronkelijke kantons, het vaderland van Tell en Winkelried, die wel de vrijheid voor zichzelf wisten te veroveren, maar om hun buren een des te harder juk op te leggen. Hoe meer de stedelijke industrie toeneemt, des te meer wordt daardoor de politieke macht van het grootgrondbezit bedreigt. Geen wonder dat deze klasse zich niet behaaglijk voelt in de kapitalistische maatschappij, waarin weliswaar de grondrenten aangroeien, maar die haar betrekkelijke economische en politieke positie steeds dieper omlaag drukt. Wel kan door een samentreffen van bijzondere omstandigheden de politieke macht van de grondbezitters ook in de huidige maatschappij toenemen; politieke en economische macht behoeven niet streng evenwijdig zich te ontwikkelen. Maar op de duur kunnen zij niet verschillende richtingen volgen en de economische grondslag blijkt ten slotte steeds de doorslag te geven. Waar de politieke macht van een klasse in een wanverhouding geraakt is ten opzichte van haar economische macht, moet zij ten slotte ineenstorten, en hoe groter deze wanverhouding geworden is, des te meer moet de ineenstorting ten slotte de vorm van een catastrofe aannemen.

Geen wonder dat de grondbezitters, in weerwil van hun bevoorrechte positie, naar een bredere economische grondslag verlangen dan de kapitalistische maatschappij hun geven kan, naar een grondslag zoals de feodale maatschappij hun leverde. Deze maatschappij is hun ideaal, haar weer in het leven te roepen hun hoogste wens. Natuurlijk moet het een ideale feodale maatschappij zijn, zonder schaduwzijden, enkel met haar lichtzijden, een maatschappij die alle heerlijkheden van de romantiek met alle genoegens van onze tijd verenigt. Zulk een maatschappij is echter onmogelijk; licht en schaduwzijden van een maatschappij zijn ten nauwste met elkaar verbonden en niet naar willekeur te scheiden. Wie de moderne genoegens hebben wil, moet ook de technische en sociale instellingen, die aan haar productie verbonden zijn, op de koop toe nemen; wie de middeleeuwen hebben wil, moet ook tot hun barbaarsheid terugkeren.

Is het feodale maatschappij ideaal ook al onmogelijk geworden, niettemin maakt het toch een zeer reële factor uit in het hedendaags maatschappelijk leven. Want het geeft de richting aan van alle praktisch maatschappelijke oogmerken van de partijen die het grondbezit dienen. Alle maatschappelijke vooruitgang is hun een gruwel, elk achterwaarts schrijden wordt door hen bevorderd, al heeft het ook met hun klassenbelangen rechtstreeks volstrekt niets te maken, ten opzichte van wetenschap, kunst, kerk, de industriële organisatie (bijvoorbeeld het gildewezen enz.), voor zover niet hun grondrente bij een economische vooruitgang rechtstreeks belang heeft. Dan blijkt zeer zeker het klassenbelang, vaak ook het persoonlijk belang, machtiger dan het ideaal.

In het algemeen kan men zeggen dat de maatschappelijke belangen van het grootgrondbezit iets geheel anders zijn dan de belangen van de huidige maatschappij. Het is onmogelijk ze met deze te verzoenen, zij staan er zo scherp mogelijk tegenover. Zij zijn een voor de maatschappij schadelijk element geworden.

B. De liberale ideale maatschappij

Niet veel beter staat het met de maatschappelijke belangen van de kapitalistische klasse. Deze heeft het grootste belang bij de instandhouding van de huidige maatschappelijke orde, die bovenal haar ten goede komt. De bezitters van de productiemiddelen zijn de beheersers van de productie en daarmee van de gehele maatschappij. De technische ontwikkeling maakt echter vandaag de productiemiddelen (machines, gebouwen, grondstoffen, vervoermiddelen) steeds massaler en kostbaarder in verhouding tot aantal en beloning van de tewerkgestelde arbeiders. Dat alleen reeds moet onder de heerschappij van het privaat bezit van de productiemiddelen deze steeds meer tot een privilege van de kapitalistenklasse maken en haar macht en uitbuitingsvermogen doen stijgen. In dezelfde richting als de technische werkt echter ook de economische ontwikkeling, die steeds meer de productiemiddelen in weinige handen samentrekt. De kartels en trusts bevorderen de snelheid van deze ontwikkeling ten zeerste.

Nu heeft men wel de tegenwerping gemaakt, dat deze ontwikkeling samengaat met een andere, sterkere, die tot decentralisatie van de vermogens zou leiden. Dank zij het aandelenwezen zou het aantal bezitters, het aantal deelhebbers in de productiemiddelen niet af, doch toenemen. Het statistisch bewijs voor deze bewering is men ons schuldig gebleven, de feiten weerspreken haar veeleer. Maar nemen wij aan dat zij juist ware, dan zou zij toch niets tegen de samentrekking van het kapitaal bewijzen. Deze is een verschijnsel van het productieproces, dat onafhankelijk blijft van de tot het verdelingsproces behorende omstandigheid, dat het aantal deelhebbers in het product toeneemt. Het productieproces echter, niet het verdelingsproces, geeft de doorslag in maatschappelijk opzicht.

Een voorbeeld zal dat duidelijk maken. Nemen wij aan dat in enig land een tak van industrie uit honderd fabrieken bestaat, elk van een miljoen waarde en elk met een afzonderlijke eigenaar. Een trust brengt ze nu uit afzonderlijk bezit in aandelenbezit over, maar verenigt ze tegelijkertijd alle onder één gemeenschappelijke leiding. De aandelen worden verdeeld onder duizend eigenaars. Het aantal eigenaars van de honderd fabrieken heeft zich dus vertienvoudigd. Maar niettemin wordt thans deze tak van industrie door één enkele onderneming gemonopoliseerd en zijn heerschappij over de arbeids- en warenmarkt, zijn schadelijkheid en onverdraaglijkheid blijven dezelfde, of de opbrengst van het monopolie in een enkele zak dan wel in duizend zakken verdwijnt.

Het is de kapitalistenklasse wier rijkdom door de economische ontwikkeling op de grondslag van de huidige maatschappelijke orde het meest vergroot wordt.

Verschillende verdedigers van deze maatschappelijke orde willen dat niet toegeven; zij willen ons wijsmaken dat het aandeel van de kapitalisten in het nationaal product steeds meer daalt, aangezien de winsten afnemen terwijl de lonen stijgen. Deze bewijsvoering berust echter slechts op een goochelaarskunstje. Wij hebben boven gezien dat in weerwil van het dalen van de winstvoet, de totale hoeveelheid winst van de kapitalistenklasse stijgt en wel sneller dan de totale hoeveelheid grondrente. Zij neemt ook sneller toe dan de totale hoeveelheid arbeidsloon. Maar deze snelle aangroei wordt verborgen door de omstandigheid dat de hoeveelheid kapitaal per arbeider, dank zij de technische ontwikkeling, nog sneller toeneemt, zodat de winst, hoewel zij per arbeider toeneemt, toch vergeleken met een bepaalde kapitaalshoeveelheid kleiner wordt.

Een voorbeeld verduidelijkt dit.

Wij hebben in bovenstaand voorbeeld aangenomen dat de hoeveelheid kapitaal in een bepaald land in de loop van de laatste eeuw vertwintigvoudigd is, terwijl de winstvoet tot op de helft gedaald is. Nemen wij nog aan dat het aantal loonarbeiders verdrievoudigd is en hun loon met 50 percent gestegen. Dan is de totale hoeveelheid arbeidsloon met 450 percent gestegen, terwijl de totale hoeveelheid winst tegelijkertijd met 1000 percent steeg, hoewel tevens de winstvoet van 20 tot 10 percent daalde.

Dit zijn natuurlijk willekeurig gekozen cijfers, maar zij duiden de richting van de ontwikkeling aan. Volgens de door Bowley geleverde cijfers, die niet geheel onaantastbaar zijn, maar van alle op dit stuk aanwezige cijfers de betrouwbaarste, en die meer rooskleurig dan te donker gekleurd zijn, bedroeg in Engeland gemiddeld per arbeider:

arbeidsloon en meerwaarde

De totale hoeveelheid meerwaarde is dus sneller gestegen dan die van het arbeidsloon. Zou echter gelijktijdig de hoeveelheid kapitaal per arbeider bij voorbeeld van 5000 op 10.000 gulden gestegen zijn, dan zou de winstvoet (in de ruimste zin genomen) van 14 op 12 percent gedaald zijn. Men ziet dat het dalen van de winstvoet volstrekt niets beduidt tegenover de vermeerdering van de uitbuiting.

De kapitalistenklasse voelt zich dan ook, in weerwil van deze daling bij gelijktijdige stijging van grondrenten en lonen, niet als een stiefkind in de tegenwoordige maatschappij. Integendeel, zij verzet zich ten sterkste tegen het denkbeeld dat die maatschappij door een andere vervangen zou moeten worden. De maatschappelijke orde, gelijk zij is, beantwoordt aan haar behoeften en anders wil zij haar niet hebben. Het maatschappelijk ideaal van onze liberale denkers en staatslieden grondt zich derhalve geheel op deze maatschappelijke orde, het is niets dan een geïdealiseerd beeld van de tegenwoordige maatschappij, d.w.z. een beeld van haar lichtzijden zonder haar schaduwzijden.

Er is natuurlijk niemand die behagen schept in armoede en gebrek, onwetendheid en dierlijkheid, crisissen en catastrofen. De ideale liberale maatschappij is dus de maatschappij van heden zonder haar ‘uitwassen’, die men als kinderziekten beschouwt en die men hoopt dat de ‘organische’ ontwikkeling zal verwijderen. Onder ‘organische’ ontwikkeling echter verstaan onze burgerlijke sociale hervormers een prutsen tegen de maatschappelijke kwalen, die zich zorgvuldig hoedt voor aantasting van de fundamenten van de bestaande maatschappij. Deze fundamenten zijn het privaat bezit van de productiemiddelen en de winst. Voor iedere inperking van de heerlijke rechten van de kapitalist in zijn ‘eigen huis’, d.w.z. in de werkplaats waar de arbeider voor hem moet voortbrengen, evenals voor iedere inperking van de winst, deinst de ‘organische’ ontwikkeling vreesachtig terug. Ieder overschrijden van deze grenzen wordt met de diepste verontwaardiging als revolutie en confiscatie afgewezen.

De zucht naar winst is de machtigste drijfveer, maar ook de grootste slagboom van de kapitalistische maatschappij. Aan deze zucht dankt zij in haar jeugd haar grootste vooruitgang; dezelfde zucht wordt de grootste hinderpaal voor de maatschappelijke vooruitgang bij het stijgen van haar jaren.

Hardnekkig verzet zich het kapitaal zelfs tegen zulke vooruitgang die zijn winst niet rechtstreeks bedreigt, zoals bijvoorbeeld tegen de achturige normale arbeidsdag, die bij de huidige stand van de techniek zonder schade voor het voortbrengingsvermogen van de nationale arbeid doorgevoerd zou kunnen worden. Maar het kapitaal is bang voor de vrije tijd die de arbeider daardoor zou krijgen. Hij zou die kunnen benuttigen om zich te ontwikkelen, om zijn organisaties uit te breiden en te versterken, om aan zijn politieke strijd en zijn vakstrijd meer aandacht te schenken, en dat zou gevaarlijk zijn.

Hoe meer de kapitalistische productiewijze de heersende wordt, des te conservatiever wordt de kapitalistenklasse, des te meer wantrouwend wordt zij tegenover elke vooruitgang, des te minder bedenkingen heeft zij tegen een verbond met die machten welke zich tegen iedere vooruitgang verzetten en welke hun diepste economische wortels in de belangen van het grondbezit hebben. Vandaar de politieke opkomst van de agrarische macht, die met haar economische zwakte zo zonderling in strijd is, vandaar de zwakheid en het verval van het kapitalistisch idealisme, het liberalisme.

De klassenbelangen van het kapitaal leiden tot een maatschappelijke opvatting die met verdere vooruitgang en gedijen van de gezamenlijke maatschappij niet minder onverenigbaar is dan het feodale ideaal.

C. Het socialistisch ideaal

Anders staat het met het klassenbelang van het proletariaat. Zijn maatschappelijk ideaal kan zich noch op de juridische grondslag van het privaat bezit van de productiemiddelen gronden, noch op de economische grondslag van het winstbedrijf. Het heeft niet slechts als klasse van de bezitlozen geen belang bij het privaat bezit van de productiemiddelen, het heeft het grootste belang bij de opheffing van deze soort bezit. Want, zoals gezegd, de meesters van de productiemiddelen beheersen de productiemiddelen en daarmee de maatschappij. De proletariër, die genoodzaakt is met andermans productiemiddelen te werken, is daarmee veroordeeld tot knechtschap in de productie, tot ondergeschiktheid in de maatschappij; en steeds geringer worden zijn kansen om, binnen het raam van de bestaande rechtsorde op de grondslag van het privaat bezit van de productiemiddelen aan zijn knechtschap te ontkomen, met het oog op de toenemende samentrekking van de productiemiddelen in enige weinige ondernemingen. Het klassenbelang drijft er derhalve de proletariër toe het maatschappelijk eigendom van de productiemiddelen tot zijn ideaal te maken.

Even vijandig als tegenover het privaat bezit der productiemiddelen moet hij staan tegenover het winstbedrijf, dat onder de huidige economische verhoudingen noodzakelijkerwijs daaruit voortkomt. De winst is de drijfkracht van de huidige productie; zoveel mogelijk winst te maken. is de levenstaak van de kapitalist. Dit ontwikkelt in hem het streven om de lonen te verlagen, de arbeidstijd te verlengen, vrouwen en kinderen uit te buiten, arbeiders op straat te werpen ten einde hen door machines te vervangen, enz., kortom het streven naar toepassing van al die middelen die bevorderlijk zijn aan de tendens tot verslechtering van de toestand van de arbeiders. Het streven naar winst betekent streven naar degradatie, naar vermeerderde knechting en uitbuiting van de arbeider.

Uit het privaat bezit der productiemiddelen vloeit echter ook de regelloosheid van de productie voort. Uit het streven naar winst vloeit enerzijds voort de opeenhoping of ‘besparing’ van steeds grotere kapitaalmassa’s die naar productieve belegging zoeken, anderzijds de aangroei van het overschot van producten boven het verbruik van de arbeidersklasse: de gezamenlijke werking van al deze factoren leidt dan tot de noodwendig zich herhalende crisissen, welke bij de ellende van knechting en uitbuiting die de proletariër met de slaven en lijfeigenen van vroeger tijden deelt, de ellende voegt van voortdurende onzekerheid van bestaan, gestadige bedreiging met werkeloosheid, met rechtstreekse hongerdood.

Zo ontspruit uit de klassentoestand van het proletariaat niet slechts het ideaal van de maatschappelijke eigendom van de productiemiddelen, maar ook het ideaal van een daarmee samenhangende maatschappelijke regeling van de productie en van de vervanging van de winst, als drijfveer van de productie, door de behoefte van de maatschappij.

Dit maatschappelijk ideaal is niet het toevallig bedenksel van een dromer. Het vormt zich met noodwendigheid overal waar het proletariaat tot het bewustzijn van zijn klassentoestand komt en een zelfstandig denkleven ontwikkelt, ja, het vormt zich tevoren reeds bij enkele denkers die de klassentoestand van het proletariaat inzien en de proletarische belangen tot de hunne maken. De gedaante die dit ideaal in de verschillende landen en perioden, ja in de verschillende hoofden aanneemt, vertoont talloze variaties in onderdelen. Maar het type is sedert een eeuw steeds en overal hetzelfde, een teken dat het voortvloeit uit de diepste behoeften van een grote klasse en niet uit de grillen of dromen van enkele individuen.

Daarom echter ook is dit maatschappelijk ideaal geen loutere utopie, maar thans reeds een reële maatschappelijke macht, wier kracht in dezelfde mate toeneemt als de kracht van de klasse die het voortbrengt, het proletariaat. De kracht van het proletariaat echter neemt bestendig toe, hoewel zijn aandeel in het maatschappelijk product daalt. Zijn economische macht berust niet op zijn rijkdom, maar op zijn aantal, zijn organisatie, zijn geestelijke ontwikkeling, zijn economische onontbeerlijkheid, en niet in de laatste plaats uiteindelijk op de omstandigheid dat, zoals wij nog zullen aantonen, zijn klassenbelangen samenvallen met die van de maatschappelijke vooruitgang, zodat alles wat het proletariaat in zijn welbegrepen klassenbelang nastreeft, ook maatschappelijk noodzakelijk wordt. De uiteindelijke overwinning van het proletariaat in de maatschappij is dus zeker. In een hoe verre toekomst men echter die overwinning ook leggen moge — en het is onmogelijk daaromtrent meer dan vage vermoedens te uiten — zijn maatschappelijk ideaal oefent reeds thans een geweldige invloed uit op de maatschappelijke ontwikkeling.

Het is het enige maatschappelijke ideaal dat naast het feodaal-agrarische en het liberaal-kapitalistische nog denkbaar is — zoals het duidelijkst blijkt uit de omstandigheid dat een ander ideaal naast deze beide nog niet aan de dag getreden is. Het is echter ook het enig ideaal, dat voorbij het kapitalistische nog mogelijk is — het vormt de enige mogelijkheid van verdere maatschappelijke ontwikkeling voorbij het punt waarop het kapitalistisch stelsel conservatief wordt en zich tegen de maatschappelijke vooruitgang verzet. Het wijst de productievorm aan die overal noodzakelijk wordt waar de samentrekking van de kapitalen particuliere monopolies schept, wier overgang in maatschappelijk bezit onvermijdelijk wordt, wil niet de gehele maatschappij de willoze speelbal van enkele kapitalistengroepen worden.

Anderzijds echter heeft het socialistisch ideaal tot voorwaarde de kapitalistische maatschappij wier voortzetting het is. Het zou onmogelijk zijn uit de toestanden van de feodale tijd rechtstreeks tot het socialisme te komen. Tegenover het feodalisme ondersteunen de socialistische partijen derhalve steeds de kapitalistisch-liberale overal waar deze een maatschappelijke vooruitgang vertegenwoordigen.

Zo wordt het socialistisch ideaal, evenals de klassenstrijd van het proletariaat, een machtige drijfveer van elke maatschappelijke vooruitgang lang voordat het bereiken van dit ideaal tot op tastbaren afstand is gebracht, sedert de aanvang van de socialistische en proletarische bewegingen. En van de beginne aan werkt het in veel groter mate vooruitstuwend dan het liberalisme, daar het niet belemmerd wordt door overwegingen die uit vrees voor de winst voortkomen, en daar zijn doel verder ligt, zijn maatschappelijke gezichtseinder derhalve ruimer is.

Thans echter zijn wij reeds zover dat socialisme en proletarische klassenstrijd niet alleen de machtigste, maar de enige bewustwerkende factoren van de maatschappelijke vooruitgang geworden zijn. De verkiezingsstrijd die op dit ogenblik in Duitsland woedt [Kautsky schreef deze opstellen vóór 16 Juni 1903. Vert.] toont ten duidelijkste, dat de bezittende klassen, hoe groot ook de klassentegenstellingen onder hen zijn mogen, in één opzicht eensgezind zijn: in hun afschuw van iedere aanmerkelijke verdere ontwikkeling van de maatschappij. En daarom zijn zij ook eensgezind hierin, dat zij zich haast uitsluitend tegen de sociaaldemocratie wenden, de enige partij die een groot ideaal van verdere maatschappelijke ontwikkeling heeft en daarvoor opkomt.

Is echter de sociaaldemocratie thans de enige partij geworden die nog de maatschappelijke vooruitgang dient, dan moet zij daarmee ook de partij van allen zijn, die naar een verdere ontwikkeling van de maatschappij streven.

Wij hebben in het tweede hoofdstuk gezien hoe het proletariaat door zijn klassenbelangen tot strijder tegen alle onderdrukking en uitbuiting gemaakt wordt. Hoe het daardoor het terrein vormt waarop het de uit andere klassen stammende eerlijke en consequente bestrijders van alle uitbuiting en laagheid ontmoet. Zo zien wij thans hoe het proletariaat door zijn klassenbelangen tot de meest beslisten en thans reeds enige strijder voor de maatschappelijke vooruitgang gemaakt wordt. Daarmee wordt elke uit andere klassen stammende vertegenwoordiger van deze vooruitgang ertoe gedreven, wanneer hij de nodige moed en klaarheid bezit, zich bij de partij van het strijdende proletariaat, de sociaaldemocratie, aan te sluiten. Niet minder dan democratisch radicalisme en humanitaire drang kan ook economisch inzicht — zij het door wetenschappelijke studiën of door praktische ervaringen gewonnen — burgerlijke elementen tot het socialisme brengen. In vele gevallen zullen deze factoren alle drie daarbij in het spel zijn. Bij het begin van het optreden van de sociaaldemocratie zullen echter de beide eerste factoren wel het overwicht gehad hebben. Toenmaals was in de burgerij de politieke hartstocht nog sterker, anderzijds waren ook de arbeiders veel hulpelozer, was hun ellende meer klaarblijkelijk dan thans. In de laatste tijd daarentegen zal wel de derde factor meer de doorslag geven voor het tot de sociaaldemocratie komen van burgerlijke elementen: het inzicht in het feit dat de kapitalistische orde voor de gemeenschap schadelijk en onverdraaglijk is, waarbij in de tachtiger jaren de crisis, sindsdien de ontwikkeling van het kartelwezen, in de jongste tijd de invoerrechten waanzin en het wederoptreden van de crisis in het bijzonder hun invloed hebben mogen doen gelden, om ook lieden, die geen belang hebben bij de klassenstrijd van het proletariaat, de ogen te openen voor het feit dat tegenwoordig nog slechts het proletariaat en zijn partij de belangen van de maatschappelijke vooruitgang vertegenwoordigen, daardoor echter ook zij alleen het levensbelang van de gehele maatschappij, want slechts ontwikkeling is leven en stilstand is de dood.

Wanneer velen van onze tegenstanders dus beweren dat klassenbelang en maatschappelijk belang noodzakelijkerwijs tegenover elkaar zouden staan, dan is dat tegenwoordig waar voor de burgerlijke klassen en partijen. Het geldt niet voor het proletariaat en niet voor de sociaaldemocratie.

Wanneer anderzijds velen van onze tegenstanders een tegenstrijdigheid zien willen in de omstandigheid dat de sociaaldemocratie een partij van de proletarische klassenstrijd is en toch een ganse reeks burgerlijke elementen in haar midden telt, dan bewijst dit alleen dat deze heren tegenstanders geen begrip hebben van het wezen van het proletarische klassenbelang en evenmin van de invloed van wetenschappelijk inzicht, sociaal gevoel en democratische consequentie. Zij vergeten dat men een solidariteit der klassen kan loochenen en niettemin een solidariteit der mensen erkennen kan. Grote maatschappelijke rampen die de klassenverschillen tijdelijk onderdrukken, zoals bijvoorbeeld epidemieën, brengen ook de meest verharde bourgeois de solidariteit van de mensen, de innige samenhang van het gedijen van het ene menselijke individu met het gedijen van alle anderen, tot bewustzijn. Maar in de gewone loop van de dingen wordt dit bewustzijn van de solidariteit verstikt door het bewustzijn van de klassentegenstelling, van de drang naar uitbuiting van de medemensen. Het proletariaat eerst schept een ideaal, dat slechts een enkele grote bron van inkomen wil laten gelden, de arbeid, dat winst en rente opheft, daarmee aan de klassen en haar tegenstellingen een einde maakt, en in de plaats van de klassenstrijd de solidariteit van de mensen stelt.

Dat is het einddoel van de klassenstrijd die de sociaaldemocratie voert. Zo wordt zij als vertegenwoordigster van de klassenbelangen van het proletariaat vertegenwoordigster van de hoogste en algemene belangen van de mensheid.