Peter Kropotkin

De Franse Revolutie

Met een inleiding van Clara Meijer Wichmann



Geschreven: 1889
Bron: Socialistisch Anarchistisch Verbond, 1923, Brochure-depothouder: K. Wouda Jr. Noorder Vaartdijk 19, Krommenie
Vertaling: A. Bakels
Deze versie: Spelling en punctuatie. De woorden bij de titels tussen [] zijn van het MIA.
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, maart 2006


Inhoud

Voorwoord
I [De gestolen revolutie]
II [Geen programma van het volk]
III [Het volk]
IV [De burgerij]
V [Jacquerie]
VI [De orde hersteld]

Voorwoord

Voor de vele buitenstaanders of bestrijders, die menen dat het anarchisme in het algemeen gekenmerkt wordt door het op de voorgrond stellen van de vrije persoonlijkheid (hetgeen in werkelijkheid slechts geldt voor één richting daarvan, nl. het individueel anarchisme), zou het goed zijn zich in Kropotkins levensopvattingen in te werken. Want bij hem betekent anarchisme vooral: het vertrouwen in de zelfordenende krachten van een gemeenschap. De persoonlijkheid is hierbij dus niet hoofdzaak, noch uitgangspunt, maar zijn gehele wereldbeschouwing is gedragen door de overtuiging dat in gemeenschappen zich, door de noodzakelijkheden van het leven zelf, organisaties vormen voor de instandhouding van de gemeenschap, en dat die organisaties vanzelf een regelmatig en geordend karakter aannemen.

Zijn gehele wereldbeschouwing. Want het anarchisme is voor hem - hij schreef dit herhaaldelijk en uitdrukkelijk - méér dan een gedragslijn op economisch en politiek gebied, laat staan dat het voor hem alleen de negatieve betekenis zou hebben van ‘afwezigheid van regering’; het is voor hem een levensbeschouwing en een wijsbegeerte.

En aangezien Kropotkins geest geheel natuurwetenschappelijk gericht was (hij zelf was een bekend natuuronderzoeker) zijn al zijn theorieën opgebouwd op het waarnemen van feiten uit de werkelijkheid.

Zo kunnen wij als een rode draad door al zijn veelzijdige en veelsoortige werk dit deze zien lopen: een onderzoek naar de plaats van het gezag in de werkelijke geschiedenis van de mensheid. Hij spreekt dus niet in het afgetrokkene over ‘het’ gezag, maar hij onderzoekt de menigvuldige vormen die het in de werkelijkheid gehad heeft. En daarnaast onderzoekt hij die andere factor, in de officiële geschiedschrijving over het algemeen zo weinig tot zijn recht gekomen: de ‘orde’ die zich vormt op andere wijze dan door van boven opgelegd gezag.

Daar Kropotkin hierbij een tot nog toe in het middelpunt geplaatste en als ‘brenger van de orde’ verheerlijkte macht ontmaskert, en daartegenover de lang verzwegen en verwaarloosde zelfordenende krachten van de gemeenschap naar voren brengt, moet hij als het ware de geschiedenis opnieuw schrijven.

Dit begint al bij de dierenwereld. Vele zich darwinisten noemende (niet te verwarren met Darwin zelf) hadden de ‘strijd om het bestaan’ voorgesteld als een strijd van soortgenoot tegen soortgenoot, van dier tegen dier, van mens tegen mens, en waren deze strijd waarin ‘de sterke overwint, de zwakke ondergaat’, gaan verheerlijken als ware de vooruitgang daarvan afhankelijk. Men voelt hoezeer deze opvatting in het belang was van een kapitalistisch-liberale politiek: bescherm de zwakken niet, laat ook het economisch leven maar een strijdperk van allen tegen allen zijn, dat is ‘overeenkomstige natuur’. Kropotkin nu heeft - gelijk vóór hem al Kessler en enkele anderen — aangetoond dat dit gans-en-al niet overeenkomstig de natuur was. Hij bracht het wederkerig dienstbetoon als factor in de evolutie naar voren. Hij wees erop hoe de levenswijze van alle in groepen of kudden levende dieren — en die vormen de overgrote meerderheid — geheel gebaseerd is op onderlinge hulp, wederkerige aanvulling in die groep, op bescherming van de zwakken door de sterken. Bij de lagere dieren, de hogere dieren, de primitieve mensen, de verder ontwikkelde mensen overal ziet hij de werking van de sociale instincten. Hij behoort tot de vele moderne sociologen, die aannemen dat de mens als kuddedier begonnen is.

En dan, in de geschiedenis van de mensheid wijst hij achtereenvolgens op de stamgemeenschap, en de dorpsgemeenschap, en de vrije gemeenten van de middeleeuwen, allemaal organisaties die van binnenuit organisch, werden bijeengehouden, en die alle veel ouder zijn dan de staat.

Als de staat opkomt (in West-Europa in de loop van de middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd, het eerst in Frankrijk en Engeland en Spanje, pas veel later in Italië en Duitsland) dan is dat voor hem niet een vooruitgang, maar een inzinking.

We zien dan het cultuurleven van de vrije steden en dorpen verschrompelen en afsterven. Er komt één ‘hoofdstad’ in de plaats van de veelkleurige rijkdom van tal van kleine cultuurcentra. Een organische, levende cultuur is er in de Griekse stadstaatjes van de oudheid méér dan in het ‘prachtig geadministreerde’ Romeinse rijk, en in de middeleeuwse- en renaissance steden méér dan in de 17e eeuwse staten geweest. En de ‘nieuwe geschiedenis’ is allerminst een hoogtepunt.

Wat is hiervan de algemene betekenis?

Alle ‘gezag’ van welke aard ook wordt gedragen en gewettigd door deze gedachte: dat de in niet-geleide mensengroepen wonende krachten nagenoeg uitsluitend chaotisch, wanordelijk zouden zijn, d.w.z.:

le. een oorlog van allen tegen allen zouden meebrengen;

2e. geen richting zouden hebben, geen ordenend vermogen.

Zo zegt bv. Hobbes, dat weliswaar de staat een monster is, dat hij Leviathan noemt (in deze erkenning van de staat als monster is Hobbes eerlijker dan de latere burgerlijke filosofen), maar dat deze een ‘noodzakelijk kwaad’ is, om een nog erger monster, Behemoth, de algemene wanorde, verre te houden.

We weten nu wel beter. We weten dat de staat niet ontstaan is als ordenende factor. Dat duizenden jaren vóór het ontstaan van de staat de mensen in behoorlijk geordende gemeenschappen leefden. We weten tegenwoordig dat de ontstaansgeschiedenis van de staten een geschiedenis van verovering eerst, van onderdrukt-houden daarna, is geweest.

En ten tweede weten we dat er naast de chaotische conflicten veroorzakende krachten in de mensen en in hun gemeenschappen, ook zijn de regenerende en ordenende krachten, die bij vrije ontwikkeling uit hen voortkomen. De krachten die mieren en bijen en buffels, die primitieve vissers en akkerbouwers al tot een goed geregelde en ineensluitende samenwerking hebben gebracht.

Voor de tijden, die dichter bij ons staan, is er eenzelfde tegenstelling. In zijn geschiedenis van de Franse Revolutie brengt Kropotkin twee kanten daarvan naar voren: de strijd van de grote bourgeoisie met haar schrijvers en sprekers tegen het feodalisme, waar tegenover zij eiste een moderne centrale staatsadministratie, een goed functionerende rechtspraak enz., èn de wanhoopsopstanden van de uitgezogen kleine boeren en kleinburgers. Hij laat uitkomen hoe groot de invloed van deze laatste was, en hoe dikwijls de grote politici van de revolutie zijn opgestuwd door het volk uit de voorsteden van Parijs. Deze tegenstelling ziet hij tot in onze dagen voortduren. Ook in de komende revoluties, zegt hij in een beeldspraak, zullen er zijn die allereerst naar het stadhuis snellen om dat te bezetten, en anderen die rechtstreeks zullen trachten de tekort gekomen massa’s betere arbeidsvoorwaarden en betere levensomstandigheden te laten verkrijgen. In zijn ‘Verovering van het brood’, dat al tientallen jaren geleden verschenen is, vinden wij de gedachte van de socialisering door de arbeiders zelf, door hun drvoor ontstane organisaties, zonder tussenkomst van staatsgezag, uitgewerkt.

Hij had in de geschiedenis voldoende gezien hoe zich dergelijke organisaties van onderop vormen, om er ook voor de toekomst vertrouwen in te hebben.

Kropotkin behoorde tot die oorspronkelijke geesten, die nieuwe kiemen vroeg zien. Zo heeft hij ook, in een tijd dat iedereen nog vol was van concentratie en centralisatie als de verschijnselen van de technische ontwikkeling, al de kiemen gezien van een nieuwe betrekkelijke decentralisatie van de industrie; de stoommachine vereiste centralisatie, de elektriciteit zou een gedeeltelijke decentralisatie met zich brengen.

Het ligt voor de hand dat wie zo de geschiedenis van de gemeenschappen zag, ook voor het individuele leven zijn vertrouwen niet in beloning, bedreiging en straf zou stellen. En hij heeft dan ook niet alleen herhaaldelijk tegen het huidige strafrecht en het huidige gevangeniswezen gestreden, hij heeft ook Guyau’s schets van een moraal, die op andere krachten dan beloning of straf steunen zou, als de anarchistische moraal aanvaard.

Uit de brieven, die geleidelijk de laatste jaren tot ons gekomen zijn, is het nu al wel vrij duidelijk geworden hoe hij de tegenwoordige Russische revolutie zag, hoe voor hem een grote vreugde was het ontwaken dat er één van de verschijnselen van vormde, maar dat het in zijn ogen een droevige vergissing was deze revolutie in staats-, dictatuur- en centralistische banen te zien leiden. Hij kende de verstikkende invloed van de dictatuur op de Franse Revolutie, hij heeft in Rusland de mening aangehangen dat de revolutie zich alleen kon ontwikkelen wanneer aan de organen van de revolutie, de raden, vrijheid van ontwikkeling werd gelaten.

Is de geschiedenis- en maatschappijbeschouwing van Kropotkin volledig? We geloven het niet. Te zeer heeft hij alle ethiek uit de sociale noodzakelijkheden van het kuddeleven verklaard, te optimistisch is hij waar hij tussen chaotische en ordenende krachten niet onderscheidt.

Maar al heeft hij hier en daar z zeer de nadruk gelegd op het door hem gevonden nieuwe-overoude, dat hij dit wel eens heeft overschat - dit alles vermindert dit ene niet in waarde: dat er in de tweede helft van de 19e eeuw, in tegenstelling tot een wetenschap waaruit het geloof in het sociale leven verdwenen was, en tot een socialisme waarin het accent op het politieke gebeuren gelegd werd, een geniaal en edel denker de bijna vergeten ordenende kracht van het sociale leven zelf weer heeft naar voren gebracht.

C.M.W.

I [De gestolen revolutie]

Frankrijk heeft de honderdste verjaardag van de revolutie feestelijk gevierd.

Na gedurende lange tijd deze revolutie met een sluier omhuld, en hen, die aan de grote zaak van de mensheid hun enthousiasme, onstuimige energie en leven gaven, gehoond te hebben, maakt nu de bourgeoisie zich van de revolutie meester, alsof het hr werk was. De dag van de val van de Bastille is een nationaal feest geworden, de honderdste verjaardag van het jaar 1781 is met een tentoonstelling gevierd, die met glorie in de annalen van de geschiedenis zal worden vermeld.

De arbeiders hebben de stroom gevolgd. In grote feesten zit iets besmettelijk: ‘de levensvreugde’ maakt zich van de massa meester, de meest onverschilligen voelen zich zelfs meeslepen, en de 14e juli viert het Frankrijk van de boeren en arbeiders evenals het Frankrijk van de officiële persoonlijkheden.

De 14e juli is dan ook werkelijk in de geschiedenis van de mensheid een grote revolutionaire datum. In die dagen stond het Parijs van de landlopers op. Het begreep zijn kracht en het toonde aan de komende geslachten dat de meest hechtte regeringen door de drang van de onderste lagen van het volk moesten vallen. Wat waren de grote dagen van ‘48 en ‘71 anders dan herhalingen van de 14e juli? Kloppen onze harten niet weer bij het verhaal van de voorbereidingen van de staatsgreep van het hof; van het ontwaken van de voorsteden, die hun pieken smeedden, de octrooien verbrandden en tot de aanval overgingen van dat sombere bolwerk, dat Parijs met zijn kanonnen bedreigde, en in wier torens de slachtoffers van het oude regime zuchtten! Hoeveel jongeren van iedere nationaliteit hebben het revolutionaire vuur in hun aderen voelen ontbranden bij de herinnering aan deze gebeurtenissen.

Maar al viert men de revolutie, men heeft de waarheid nog niet gezegd over deze opstand, die in de wereldgeschiedenis belangrijker is dan de eeuwen van evolutie die haar vooraf gegaan waren.

Laten wij de feiten vermelden, die meer en meer vertroebeld zijn onder de stroom van officiële leugens en burgerlijke legenden, uitgedacht om voor het volk de revolutionaire les, die het uit dit grote epos had kunnen trekken, verborgen te houden.

De leugen van de bourgeoisie, de leugen van het jakobinisme, verdraait het aandeel van het volk in de revolutie. Laten we trachten de ware betekenis voor het volk weer te herstellen.

Twee grote stromingen bereidden de revolutie voor en brachten haar tot stand. De ene is in de officiële redevoeringen verheerlijkt.

Onze taak is het de andere naar voren te brengen - degene waarover men het liefst zwijgt, omdat zij anarchistisch was.

De een, geheel ideëel, wordt uit de bourgeoisie geboren, de andere, werkelijk en vol van actief handelen, groeide op in het hart van de volksmassa’s, van de boeren op het land, van de proletariërs in de grote steden. En wanneer deze stromingen elkaar ontmoetten op de weg - in het begin naar een gemeenschappelijk doel, en elkaar wederkerig steun verleenden - dan was de revolutie daar.

Dat betekende de omverwerping van de instellingen, die zich sinds eeuwen in de grond hadden vastgeworteld, en die zo hecht schenen, zo onwankelbaar, dat zelfs de meest onstuimige hervormers ze niet hadden durven aanraken. Dat was de val, de verbrokkeling van alles, dat het wezen van het sociale, religieuze, politieke en economische leven van Frankrijk sinds eeuwen uitmaakte, van de verworven denkbeelden, van de heersende opvattingen over elk van de manifestaties en zo ingewikkelde verhoudingen van het geheel van de menselijke kudde.

En het was de ontluiking van nieuwe opvattingen over de veelvuldige betrekkingen tussen alle burgers - van nieuwe ideeën, die zich door Europa verspreidden, die de beschaafde wereld omverwierpen en aan de komende eeuw haar wachtwoord gaf, haar problemen, haar wetenschap, haar economische, politieke en morele ontwikkeling.

Maar wat was dan die gedachte, ontsproten uit de schoot van de bourgeoisie? Laten wij om over haar onbelangrijkheid, haar waarde en wezen te oordelen, de resultaten ervan nagaan.

De gecentraliseerde, beschaafde en georganiseerde staten, die Europa uitmaken en de mensheid in hun gebied omsluiten, zijn het werk van de revolutionaire bourgeoisie van 1789. Dat geweldige mechanisme, dat op een bevel afgekondigd in een of andere hoofdstad, duizenden mensen in beweging zet, uitgerust tot oorlog, en nog eens duizenden vuurmonden, die dood en verderfenis gaan braken, slagvelden met bloed gaan besproeien, verwoesting op de akkers brengt, en rouw in de gezinnen. Die uitgestrekte gebieden, bedekt met een netwerk van ambtenaren, die de bevelen van een centrale macht, benoemd door de kamers van afgevaardigden, opvolgen. Die gehoorzaamheid van de burgers aan de wet. Die verheerlijking van de wetten, het parlement van de rechters en hun agenten. Dat netwerk van scholen, onderhouden of bestuurd door de staat om de verering van de macht en passieve gehoorzaamheid te versterken. Die geldkoningen, die in hun beurzen het lot van de volkeren hebben, en waarmee ze de oorlogsijver van de regeerders aanvuren of in toom houden, die industrie, die de arbeider, die de natie haar naar believen levert, onder zijn raderen verbrijzelt. Die handel, welke de rijkdommen ophoopt in de handen van de opkopers van de bodem, de mijnen en de fabriek. Tenslotte die wetenschap, die, hoewel ze de gedachte vrijmaakt, de productiekrachten van de mensheid verhonderdvoudigt, maar ze tegelijkertijd aan het meest krachtige recht wil onderwerpen, dit alles bestond niet vóór de revolutie, en was de droom geweest van de Engelse en Franse bourgeoisie lang voor 1789.

Deze gehele politieke en economische organisatie was lang voordat de revolutie zich door haar gerommel deed aankondigen, ontworpen en bestudeerd. In zijn geheel vindt men haar terug in duizenden geschriften, boeken en brochures, waaruit de mensen van de daad van de revolutie later hun inspiratie, hun beredeneerde energie zouden putten.

De Franse bourgeoisie wist wat zij wilde: haar ideaal was een staatsregeling te vormen naar het model van die van Engeland. De koning terugbrengen tot de eenvoudige rol van een registrerende magistraat. De macht in de handen van het burgerlijk parlement brengen, op de manier van het oude Rome de regering concentreren en de belasting, rechtspraak, militaire macht, de school, de handel van het gehele landsgebied er in op nemen. Vrijheid van handelsondernemingen afkondigen. De vrije loop laten aan de uitbuiting van de arbeider, zonder verdediging tegen de uitbuiter, en dan het geheel onder de bescherming van de staat, die de verrijking van de particulieren en de opeenhoping van grote fortuinen begunstigt in naam van de gelijkheid van onderwerping en van de vrijheid van opkopen en inbezitneming.

Toen de gelegenheid zich voordeed om haar droom te verwerkelijken, arbeidde de bourgeoisie, sterk in haar kennis en in haar politiek ideaal, zonder aarzeling wat geheel en details betrof, met een onafgebroken en bewuste energie, die het volk nooit heeft gehad, bij gebrek aan een ontworpen en uitgewerkt ideaal, dat het tegenover het ideaal van de bourgeoisie kon stellen, voort om deze te realiseren.

Maar om haar doel te bereiken, had zij kracht, fysieke kracht - toewijding, doodsverachting in het gezicht van de vijand - nodig. Men moest de massa’s in beweging brengen om de aanval tegen de oude instellingen te richten, om het sloopwerk te doen.

Naast de stroming van de ideeën, had men een van actief handelen nodig.

Deze werd uit het volk zelf geboren. De bourgeoisie hielp in het begin en deed beroep op de kracht van het volk om de monarchie aan te vallen, onder beding haar later weer te overmeesteren, toen het volk de rechten van de derde stand aanviel.

Welnu, deze machtige medewerking van het volk veinst men in de officiële redevoeringen niet te kennen. Deze opstand, die vier jaren duurde en die de bourgeoisie in de gelegenheid stelde het koningschap te bestrijden en te overwinnen, vermeldt men nauwelijks, met spijt op de lippen, men betitelt hem als ‘betreurenswaardige uitspattingen, uitspattingen van bandieten.'

Het werk van hen, die onze grootvaders behandelden als anarchisten, het werk, dat inderdaad anarchistisch was, in zijn wezen en handelingen, en dat de burgerlijke geschiedschrijvers onder stilzwijgen voorbijgaan, willen wij trachten aan de anarchisten van heden te leren kennen terwijl we het betreuren niet in alle details te kunnen treden, waarvan ieder zijn eigen belangrijkheid heeft, want de studie van voorbijgegane kampen is de beste lering voor de strijders van morgen.

II [Geen programma van het volk]

In politieke zin was de idee van de bourgeoisie een representatieve regering in een almachtige staat, die het gehele leven van de burger bestuurde, een staat, zoals de rechtsgeleerden van het oude Rome die opvatten.

In economische zin was de idee nog niet erg duidelijk. De Franse bourgeoisie had Turgot en Adam Smith gelezen en bestudeerd - de grondleggers van de staathuishoudkunde. Zij wist dat in Engeland hun theorieën reeds waren toegepast, en zij benijdde haar buren aan de overkant van het kanaal hun machtige economische organisatie evenals hun politieke staatsregeling. Zij droomde van de exploitatie van de rijkdommen van de bodem, die nu onproductief in de handen van de landheren was en had daarin als bondgenoot de kleine burgers van het platteland, die de macht in de dorpen hadden, zelfs voordat de revolutie hun aantal vermeerderde. Ze zag reeds de ontwikkeling van de industrie vooruit, en de productie in het groot met behulp van de machine, de handel en de uitvoer naar de koloniën aan de andere zijde van de oceaan, de markten van Amerika, de grote ondernemingen en de grote fortuinen.

Maar vóór alles moest men de banden verbreken die de boer aan de grond bonden. Hij moest vrij zijn om het dorp te verlaten en naar de stad te gaan, opdat hij, door van meester te veranderen, goud aan de industrieel zou opbrengen, in plaats van de geringe pacht die hij aan de landheer betaalde, al zou hem zelf ook het brood ontbreken.

Er moest orde zijn in de financiën van de staat, belastingen, die gemakkelijker te betalen waren en meer aan de schatkist opbrachten. Men had nodig, wat men huichelachtig noemde, ‘vrijheid van industrie en handel’. Geen klein ambacht meer of gezellentijd, of gildenraden, noch een gildemeesterschap, dat de exploitatie belemmerde. Geen studiemeesters meer, die de opkomende industrie in de weg stonden. Noch binnenlandse douanen of belemmerende wetten. Algehele vrijheid van overeenkomsten wilde men.

En om dat te bereiken moest de bourgeoisie de macht van het hof, de aristocratie en de geestelijkheid breken, de staat organiseren en het bestuur ervan in handen nemen.

Ziedaar het programma dat de bourgeoisie bij het naderen van de revolutie bezat. Een wel afgebakend programma zoals men ziet, waarin alles verband met elkaar houdt, overeenkomt en alles wordt aangevuld.

Het zou zeker onrechtvaardig zijn te zeggen dat zij uitsluitend door eng egoïstische gezichtspunten werd geleid.

De beste vertegenwoordigers van de derde stand hadden van deze verheven bron gedronken - de filosofie van de achttiende eeuw, die reeds het zaad in zich droeg van al de grote ideeën, die sindsdien opkomen. De eminent grote wetenschappelijke geest van deze filosofie, haar diep zedelijk karakter, ook al bespotte zij de conventionele zedenleer. Haar vertrouwen in de intelligentie, de kracht en de grootheid van de vrije mens, levend temidden van zijn gelijken, haar haat tegen despotische instellingen, dat alles vindt men bij de revolutionairen terug. Waar hadden zij anders de overtuigingskracht vandaan gehaald, waarvan zij in de strijd het bewijs aflegden? Men moet ook erkennen dat dezelfden, die het meest werkten tot verwerkelijking van het programma van de verrijking, oprecht van mening waren dat de verrijking van de particulieren ook het beste middel zou zijn om de natie in ‘t algemeen te verrijken.

Maar hoe groot ook de abstracte ideeën van vrijheid, gelijkheid en vrije vooruitgang waren, die de meest oprechten van de vertegenwoordigers van de bourgeoisie van 1789-1793 inspireerden, wij moeten hen beoordelen naar hun praktisch programma, naar de toepassingen van de theorie in de praktijk.

De abstracte idee blijft vaag - waardoor vertolkt zij zich in de feiten van het werkelijke leven? Zie de socialisten van onze tijd, die hun inspiratie, hun enthousiasme in de grootheid van de gemeenschappelijke idee, het geluk van de massa’s putten; maar wat al verscheidenheid van opvattingen in hun theorieën voor het in praktijk brengen van dit ideaal! Voor sommigen is het socialisme de vrijmaking van het menselijke geslacht, terwijl het voor anderen nauwelijks meer betekent dan de hervorming van de lonen. Alle mogelijke schakeringen bevinden zich tussen deze twee uitersten. De abstracte idee geeft de mogelijkheid tot heel wat verschillende programma’s. Het is dus niet naar zijn ideeën maar naar zijn programma, dat men iemand moet beoordelen.

Welnu, indien het dan rechtvaardig is te erkennen dat de bourgeoisie van 1789 geïnspireerd werd door ideeën van vrijheid en gelijkheid, economische, politieke en religieuze vrijmaking - dan moeten wij ook toegeven dat deze ideeën, zodra zij vorm gingen aannemen, zich juist vertolkten door het dubbele programma, wat wij zo-even geschets hebben: onbegrensde vrijheid om de rijkdommen van elke soort te benutten en de menselijke arbeid uit te buiten, zonder enige waarborg voor de slachtoffers van deze uitbuiting, en centralisatie van de machten om de vrijheid van de uitbuiting te garanderen en te verzekeren, d.w.z.: de jakobijnse staat, gekopieerd naar het model van de Romeinse staat.

En het volk? Wat was zijn idee?

Ook het volk had uit de filosofie van die tijd geput. De ideeën van de grote Schotse denkers, gesystematiseerd, ontwikkeld en gepopulariseerd in Frankrijk, drongen, nauwelijks merkbaar, in de hersenen van hen die zich afsloofden aan de ploeg, het aambeeld of de vijl. Zij werden bezield door de grote beginselen van vrijheid, haakten naar een toekomst van geluk voor allen. En wanneer men de literatuur van die tijd herleest, wordt men getroffen door de grote menigte zuiver socialistische ideeën - zuiver communistisch, bij het volk gebracht door bourgeois als een Sieyès, of een Brissot die vóór Proudhon reeds het: “Eigendom is diefstal” had gesproken.

Een vage bezieling van communisme en anarchisme bewerkte de volksmassa’s. Men behoeft slechts Rousseau na te slaan - de filosofische geschriften en de roman, die in dit tijdperk gelezen werden — om zich er van te overtuigen.

Maar terwijl bij de bourgeoisie de ideeën van vrijmaking vertolkt worden door een uitgewerkt programma van politieke en economische organisatie, gaf men dezelfde ideeën aan het volk slechts als een aantal ontkenningen, zonder zich ooit te bekommeren wat in de plaats van de afgeschafte instellingen zou komen. Men zou zelfs zeggen dat zij die tot het volk spraken - evenals vele socialisten van onze tijd - vermeden zich duidelijk uit te drukken. Bewust of niet scheen men te zeggen: “Waarvoor is het goed tot het volk te spreken over de wijze waarop het zich later zal organiseren! Als het alleen maar sterk genoeg is voor de aanval, en de energie heeft de oude instellingen omver te werpen. Dat is al, wat men van het volk verlangt, later zullen ze wel zien hoe men alles in orde zal brengen.”

Men sprak niet tot het volk over de toekomst. Men scheen te geloven hierdoor zijn revolutionaire energie te bekoelen, men raakte alleen zijn gevoelens aan. Men onthulde de misbruiken en zei: “Sta op! Alles zal zich dan ten beste keren!” Hoeveel socialisten en anarchisten handelen nog op dezelfde manier! Ongeduldig om de dag van de opstand te verhaasten, behandelen zij iedere poging van toekomstige organisatie als slaapmakende theorieën.

Ook drukt zich de idee van het volk uit in negaties als: ‘Verbrandt de pachtersboeken! Weg met de tienden! Weg met Madame Veto! Aan de lantaarn met de aristocraten!’ - Maar, aan wie de vrije grond? Voor wie de erfenissen van de geguillotineerde aristocraten? Aan wie de staatsmacht (die uit de handen van Madame Veto viel en die in de handen van de jacobijnen opnieuw een geweldige macht werd)? - Het is zelfs te betwijfelen of men deze vragen heeft gesteld. En als men er later over sprak, gedurende de revolutie, dan was het slechts om het volk te bekeren - te bederven zou juister zijn - tot het ideaal van de bourgeoisie.

Maar, hoe krachtig ook het idee was, een afgrond scheidde haar nog van het handelend optreden. Ook de bourgeoisie bleef onmachtig, zolang het volk ook haar nog niet zijn krachten, zijn revolutionaire onstuimigheid, zijn opstanden, zijn jacquerie verleende, die de bourgeoisie mogelijk maakten het oude regime omver te werpen.

De geschiedschrijvers spreken ons met nadruk over 14 juli, over de revolutionaire stoot van de bourgeois bij het naderen van de revolutie. Dat is niets anders dan een legende, die naderhand is gefabriceerd. Wat ons in al onze studiën van de revolutie integendeel getroffen heeft, is de lafheid van de bourgeoisie tegenover de macht van de koning, haar lafheid voor 1789, haar lafheid na 1789 en tot in juni 1792. Tegenover één Epremesnil, hoeveel duizenden lakeien! Zelfs toen de revolutie rommelde, toen het oosten van Frankrijk in vuur stond, toen overal het volk zich node kon bedwingen, was de houding van de bourgeoisie tegenover de koning walgelijk.

Laat men alleen maar in La Révolution van Edgar Quinet (Hoofdstuk I, pag. 342) de volgende regels lezen:

“In 1792 is de club van de jakobijnen nog geheel royalistisch; men wil Billaud-Varennes, die zich vermeten had het koningschap als punt van bespreking te stellen, verjagen. Tezelfdertijd vraagt Robespierre in alle ernst, iets minder dan drie maanden voor de val van de monarchie: ‘Wat is de republiek?’. Gedurende heel de tussentijd van de Wetgevende Vergadering, toen hij van het spreekgestoelte zich had teruggetrokken en in zijn blad het volk wilde opvoeden, verdedigt hij tot het uiterste de koninklijke staatsregeling. Geen woord dat het volk kan voorbereiden op de omverwerping die gaat volgen. 7 juli 1792, d.w.z. twee en een halve maand voor de uitroeping van de republiek, leggen de republikeinen in de Wetgevende Vergadering de eed af de republiek te verafschuwen [1]

Dit was in 1792, hoe stond het dan in 1789?

Voor ons staat het vast, dat de kracht van de aanval uitging van het opstandige volk. Zonder het volk was er geen sprake van revolutie geweest.

III [Het volk]

Als wij beweren dat de boeren en arbeiders uit de steden alleen de revolutie maakten, zijn we in tegenspraak met de geschiedschrijvers. Als men hen wil geloven, dan zou de bourgeoisie vanaf het begin blijk gegeven hebben van revolutionair temperament. Zij zou het volk hebben meegesleept. Maar laat men dezelfde geschiedschrijvers nalezen, zonder bij hun boutades te verwijlen, en de feiten opzoeken, liever dan de conclusies, en men zal integendeel getroffen zijn door de lafhartigheid van de bourgeoisie.

Als de vrijheid geen andere verdedigers had gehad, zouden we nu nog onder het oude regime leven. Niet alleen voor 1789 verdroeg de bourgeoisie de willekeur en de aanmatiging van het hof, maar zelfs in 1789 en 1790, midden in de revolutie, komt haar houding slaafsheid nabij. De taal in de vergadering is alleen opstandig; haar adressen aan de koning zijn in de stijl van een lakei geschreven. Zij wordt slechts stoutmoediger naarmate de macht van de koning verzwakt en in puin valt onder de slagen van het volk.

Gedurende vier jaren heeft de bourgeoisie niets anders gedaan, dan het volk, goed of kwaadschiks, in zijn revolutionaire onstuimigheid te volgen. En terwijl het in 1793 reeds de commune wil, min of meer communistisch, zien we dan Robespierre en anderen niet de Engelse staatsregeling voorstellen?

Maar laten we niet vooruitlopen en terugkeren tot 1789.

De legende die men voor ons gemaakt heeft van de 14e juli is genoeg bekend.

De zitting van de Nationale Vergadering had plaats.

Na twee maanden van draaierijen hadden de drie groepen: geestelijkheid, adel en derde stand - zich eindelijk verenigd. De macht ontglipte uit de handen van het hof.

Toen werd de staatsgreep voorbereid. De troepen, die in grootte massa’s om Parijs lagen, joegen de Vergadering uit elkaar. De 11e juli besloot het hof te handelen: Necker, de hervormingsgezinde minister, werd weggestuurd uit het ministerie, en verbannen. Parijs verneemt dit de 12e. De burgers gaan de straat op, terwijl ze het beeld van Necker dragen. In het Palais Royal houdt Camille Desmoulins zijn redevoering: men plukt de bladeren van de bomen om groene kokardes van te maken. Men zet de voorsteden tot opstand aan, die 50.000 pieken smeden in 36 uur; men trekt naar de Bastille, die weldra haar bruggen neerlaat ...

De revolutie heft haar eerste overwinning bevochten.

“Het nieuws verspreidt zich in de provincie, en overal brengt dit gelijksoortige opstanden teweeg. Het dringt door tot de dorpen, en de kastelen worden verbrand. Dan doen de geestelijkheid en de adel in de nacht van 4 augustus afstand van hun feodale rechten. De feodaliteit heeft opgehouden te bestaan.

Wanneer de boeren nog opstandig doorgaan op het platteland, dan zijn dit niet anders dan bandieten, die door het hof en door de Engelsen, die er belang bij hebben de wanorde te doen voortduren, betaald worden. Ook de patriotten en de gemeentebesturen willen een eind maken aan de anarchie door de rovers terecht te stellen. En als de revolutie voortduurt, dan is dat de schuld van het hof en de aristocraten, die zich niet buigen voor de grote beginselen van 1789. Al is de republiek ook afgekondigd, toch gaan de revolutionaire partijen door elkaar te vermoorden, totdat de Thermidor de reactie brengt.”

Ziedaar de legende van de bourgeoisie.

Welnu, van het begin tot het eind is deze legende vals, vals in de opsomming van de feiten, dubbel vals in hun vertolking.

De revolutie begint niet met de 14e juli. Zij was reeds begonnen sinds januari 1789 - zelfs al in de winter van 1788.

Als de protesten van de parlementen in 1788 enig gewicht hebben gehad, dan kwam dat niet door de lanterfanters, die elkaar pleegden te ontmoeten hij deze plaatsen van gerechtigheid. Het was de tussenkomst van het volk, die hen soms een indrukwekkend karakter gaf, een revolutionair karakter. Op verscheiden plaatsen stonden de arbeiders van de steden op, profiterend van de onderlinge strijd van de regeerders, met de bedoeling af te rekenen met de aristocratische uitbuiters.

Het koningschap had de Generale Staten niet bij elkaar geroepen, als het slechts rekening had moeten houden met de platonische protesten van de heren parlementairen.

Maar het volk stond ook op. ‘Het wilde beest’, ‘De razende olifant’ (zo kwalificeert de heer Taine het volk - in de academische taal ongetwijfeld) liet zijn stem horen. Men moest het overmeesteren, waartoe het hof zich zonder de hulp van de bourgeoisie onmachtig voelde. Het hof besloot dus de vertegenwoordigers van de bourgeoisie bijeen te roepen.

Overigens betaalde het volk sinds 1788 zijn belastingen niet meer aan de landheren. Niets is meer waar, dan dat het door de bourgeoisie daartoe was aangemoedigd. Dat de bourgeoisie van 1789 zo verstandig was geweest te begrijpen dat zij zonder een opstand van het volk nooit de absolute macht had gekregen, dat is ook waar. Dat het volk tot de opstand werd aangezet door sommige besprekingen in de vergaderingen van de notabelen, die reeds over de afschaffing van de feodale rechten spraken, is vrij natuurlijk. Revoluties zijn geen resultaten van de wanhoop, zoals de blanquisten beweren, die geloven, dat uit het buitensporig kwade het goede voort kan komen. Integendeel het volk had in 1789 het lichtschijnsel van de naderende bevrijding gezien en met des te meer vreugde ging het slechts tot de opstand over.

Maar het is niet voldoende te hopen: men moet handelen, met zijn leven de eerste opstanden betalen, de opstanden die de revoluties voorbereiden. Dat kon niet van de bourgeoisie komen, maar kwam van het volk.

Dus toen opstand nog werd gestraft met ophanging, schandpaal en marteling stonden de boeren reeds op.

Vanaf november 1788 worden deze opstanden algemeen, nu eens individueel, dan weer collectief — hoe langer hoe meer collectief naarmate het volk stoutmoediger werd, en de intendanten schreven aan de minister dat men alle opstanden moest onderdrukken, indien dit even mogelijk was. Ze werden gemaakt zonder redevoeringen, maar met goede knuppels. Afzonderlijk genomen heeft geen van hen enige waarde, tezamen ondermijnen ze de grondvesten van de staat.

In januari hadden de verkiezingen plaats. Maar de boer bekommerde er zich niet om. Praktisch mens voor alles, rekende hij niet op zijn vertegenwoordigers, hij stond op. Hij weigert de herendiensten aan de staat en aan de landheer. Hier en daar wordt een landheer terechtgesteld door de Jacques - geheime verbonden worden spontaan uit het midden van de massa’s opgericht, zonder reglement of gecentraliseerde organisatie, bestaande uit enige vrienden, die elkaar kennen, en in gezamenlijk overleg handelen, in geheime comités. De ontvangers van de belastingen worden met knuppelslagen ontvangen. De velden en gronden van de landheren worden in beslag genomen en bewerkt.

En deze opstanden, zoveel te verschrikkelijker, daar ze geheel onverwacht zijn, vermenigvuldigen zich door geheel Frankrijk, vooral in ‘t Oosten, het Noord- en Zuidoosten. Taine rekent dat er meer dan 300 waren vóór de 14e, waarvan hij de sporen in de nationale archieven terug heeft gevonden. Het cijfer drieduizend zou waarschijnlijk niet overdreven zijn, als men zich herinnert dat de archieven in 1793 op order van de Conventie zijn verbrand.

Chassin heeft duizendmaal gelijk met te zeggen dat indien Parijs de 14e juli overwonnen was, de feodale rechten toch hadden moeten verdwijnen. De boeren erkenden ze niet meer, en een regelmatige oorlog was nodig geweest tegen ieder dorp om ze te herstellen.

De feodaliteit had de doodslag al ontvangen, lang voordat het theater van Versailles weerklonk van die redevoeringen - uitstekend zonder twijfel, maar onmachtig - die de geschiedschrijvers voor ons met zorg hebben bewaard.

Kon Parijs kalm blijven toen het Frankrijk van de boeren reeds was opgestaan? Zeker het werd goed bewaakt door de troepen, maar toch waren er kleine opstanden. In april stond men op tegen de uithongeraar Réveillon, en iedere week had haar schermutselingen. De bourgeoisie moedigde het volk aan, blij steun voor haar eisen er in te vinden.

Dan komt de maand juli. De drie groepen zijn verenigd - de bourgeoisie heeft haar eerste parlementaire overwinning behaald. Maar het hof bereidt zijn staatsgreep voor. De troepen staan in de kazernes gereed. De huzaren onderbreken de Vergadering en slaan de vertegenwoordigers uiteen.

Wij, die de 18e brumaire en de 2e december hebben gehad, weten wat er gebeurd zou zijn. De vertegenwoordigers zouden geprotesteerd - en gehoorzaamd hebben, terwijl de leiders naar de Bastille gesleept zouden worden. De bourgeoisie maakte zich eveneens geen illusies over de moed van haar vertegenwoordigers, en zij begreep de noodzakelijkheid het volk van Parijs aan te moeten zetten om deze staatsgreep te beletten.

Het stuit de heren republikeinen heden tegen de borst dit te bekennen. Het stuit hun tegen de borst de oorsprong van hun macht te erkennen; maar men moet zich er wel in schikken. Het was echter in de kleine kroegjes van de voorsteden, dat hun grootvaders hun steun zijn gaan zoeken. Door de arbeiders te vleien, ze beloften van vrijheid, gelijkheid - en socialisme, want dat was het: ‘brood voor allen, welzijn voor allen’ - voor te spiegelen. Door hen die ze nu verachten, te liefkozen, door te drinken met hen, die ze op ‘t ogenblik het uitvaagsel van het volk noemen, hebben zij de macht verkregen die alleen de koning, het hof en de aristocratie kon overwinnen.

En het Parijse volk vroeg niets meer. Het voelde zich sidderen bij de dromen van vrijheid. Maar het had ook brood nodig, want de kinderen gingen met lege magen naar bed. Neerschieten de aristocraten - alle rijken - dat wilde men wel in de voorsteden, maar men wilde ook de octrooien verbranden en de zolders van de graankooplieden plunderen, evenals de kelders van de wijnhandelaren. En lang voordat de bourgeoisie een Camille Desmoulins vond om ‘te wapen!’ te roepen, stond het volk te Parijs al op.

Necker werd de 11e heengezonden. Parijs vernam het eerst de 12e. Maar reeds de 8e juli (raadpleeg de Moniteur, maar niet de herdrukken!) had er een opstand plaats onder de werkeloze arbeiders belast met de aanaarding op Montmartre. De 10e had er bloed gevloeid, en die zelfde dag ging de tol aan de Chaussée d’Antin in vlammen op, en kwam er brood en wijn Parijs binnen zonder octrooi. - Wie weet of Desmoulins wel ooit zijn trotse rede had gehouden, wanneer hij zich niet gesteund had gevoeld door de massa? Of deze redevoering niet geïnspireerd was geworden door het gerommel van de opstanden.

Het Parijse volk kon niet meer wachten. Bij de eerste oproep liep het te wapen. Het maakte zich het eerste meester van het brood door het klooster van de Lazaristen te plunderen en 52 karren met graan naar de Hallen te brengen: men vecht niet met een lege maag. Het smeedde pieken en twee dagen later was het fort, dat Parijs bedreigde, onder de aandrang van het volk gevallen.

Maar het volk haatte niet alleen de aristocraten. Het had het ook op de rijke uithongeraars gemunt. En gedurende twee dagen stond het Parijs van de rijken op het punt door het Parijs van de armen geplunderd te worden.

De bourgeoisie dacht echter al, na het volk gebruikt te hebben, aan middelen om het te weerhouden. Zij wapende zich - met geweren tegen pieken. Beter en verder ziend, organiseerde zij zich tegen het volk, tezelfdertijd, dat zij zich tegen het koningschap organiseerde en - ‘enige heilzame voorbeelden waren voldoende om plunderingen te voorkomen en de rovers tot orde te brengen’, zeggen enige tijdgenoten.

Het volk - bondgenoot van gisteren — was nu ‘rovers en bandieten’. Trots op zijn overwinning op het koningschap, ontwaakte het onder een nieuwe macht - die van de bourgeoisie.

Deze geschiedenis van de 14e juli is de geschiedenis van het volk in de revolutie.

Vandaag bondgenoot - morgen bandiet. Bondgenoot op de 5e oktober, op de 10e augustus bandiet, wild beest, en razende olifant tussentijds. Het slachtoffer geworden door het gebrek aan kennis van tevoren, wat het met zijn overwinning moest doen!

IV [De burgerij]

Toen Parijs zich van de Bastille meester maakte, was het platteland in volle opstand. Maar de steden hadden zich nog niet verroerd. Zij zetten zich niet eerder in beweging, dan nadat zij het succes van de opstand in de hoofdstad hadden vernomen.

De steden van toen lijken niet op die van tegenwoordig. Sinds de middeleeuwen had zich er een erfelijke aristocratie van bourgeois genesteld, die de gemeentezaken en financiën in handen hadden. Zij knoeide, verrijkte zich ten koste van de stad, en de buit bleef van vader op zoon in enige families. Deze families bezaten ook lijfeigenen op het platteland. Rijke burgers en edelen hadden bovendien feodale rechten op de inwoners van de stad, zodat om te huwen of zijn eigendom aan zijn kinderen te vermaken of om het te verkopen, de arbeider belasting betaalde aan zijn heer, edele of burger, evenals de boer in de dorpen.

De gemeenten waren nesten van landjonkers en magistraten, door wie de heren en de grote bourgeois het volk de wet lieten voorschrijven, en dit wilde niets liever dan de brand in deze spelonken van slaafsheid steken.

Ook de bourgeois hadden hun grieven; belust op verrijking begonnen deze mensen fortuin te maken met handel en nijverheid. Zij zagen met een kwaad oog naar de aanmatigende edelen, de uitzonderingen ten hunner gunste gemaakt met het betalen van de belastingen. Zij droomden ook van een grote industrie, vrijheid van exploitatie, en de gilden stonden hen in de weg. Men buit nooit zo goed uit, dan wanneer men met iedere arbeider individueel te doen heeft.

Deze lichamen van eens zo machtige handwerkers, die in de middeleeuwen de organisatie van de arbeid door de commune vertegenwoordigden, zouden zich in nieuwe instellingen hebben kunnen hervormen, gewijzigd naar de behoeften van de handwerknijverheid. Maar dat was niet naar de zin van de bourgeoisie geweest, die de ‘vrijheid van overeenkomst’ wilde, d.w.z. de vrijheid, zonder belemmeringen, iedere proletariër individueel uit te buiten.

De haat van het volk tegen het feodalisme van de bourgeoisie en de landheren, en de haat van de kleine burgerij tegen de adel en de gilden, gaven elkaar de hand. Ook in de provincies stonden de proletariërs op, zodra zij de val van de Bastille vernamen, reeds moe van de draaierijen van de Vergadering en bezield met de grote ideeën van vrijmaking, vrijheid en gelijkheid en gevleid door de kleine burgers. De steden uit de Elsas, Lotharingen en de Dauphiné, die van het Oosten vooral, pleegden verzet. De stadhuizen werden stormenderhand bezet. De papieren verbrand, de oude families weggejaagd. Herendiensten, tienden en de gehele nasleep van de feodaliteit, verdwenen, zowel in de steden als in de dorpen.

Het volk danste op de puinhopen, het plantte vrijheidsbomen — en het keerde naar zijn krotten terug. Maar de bourgeoisie was niet met zo weinig tevreden. Zij greep de gelegenheid dadelijk aan op het platteland, evengoed als in Parijs, wapende zich onmiddellijk, organiseerde haar troepen, maakte zich meester van de gemeentebesturen, en stelde zich in de plaats van de verdwenen macht. En toen het volk zijn werk wilde vervolgen en de revolutie verder voltrekken, bevond het zich onder de plak van een nieuwe meester, even sterk als de verdwenen macht; het bevond zich tegenover een gewapend leger - de troepen van de bourgeoisie - even geducht als de soldaten van het koninklijke Duitse leger.

De bourgeoisie van 1789 had een bepaald plan: De burgerlijke troepen wapenen, die als schutsmuur moesten dienen èn tegen het volk èn tegen het koningschap. De gemeentebesturen bezetten, de ‘eigendom doen eerbiedigen’, zich van de staatsmacht meester maken en de staat hervormen volgens het plan, dat we hierboven geschetst hebben.

Daarvoor was het niet alleen voldoende meester te zijn in Straatsburg, Lyon, Marseille, enz. Men moest dat zijn in iedere gemeente, en doen in alle kleine gemeenten, wat men in de grote steden had gedaan.

Maar wie kon dat volvoeren? Wie kon de troepen bemannen? Zeker niet de nationale vergadering. Het moest voortkomen uit eigen initiatief van de bewoners. En die bewoners, geheel opgaand in hun kleine winkelbelangen, verroerden zich niet. Zij interesseerden zich nauwelijks voor dat wat in Frankrijk plaats greep.

De bourgeois van 1789 waren niet zo naïef als onze machthebbers, die alles met decreten menen te verkrijgen. Zij begrepen dat men handelen moest in iedere gemeente, zonder iets van Parijs te verwachten. Dupont en anderen belastten zich er mede, en ziehier op welke manier.

Sedert januari laten we zeggen, stond het platteland van het Oosten in vuur. Onbekende propagandisten, uit het volk zelf voortgekomen, liepen de dorpen af, het land tot de revolutie aanzettend. Daar waar gewone middelen niet voldoende waren, deden zij zich voor als berichtgevers van valse besluiten van de Nationale Vergadering, bevel gevende niets meer te betalen en zich van de goederen van de landheren meester te maken. Anderen toonden valse decreten van de koning, bevel gevende de kastelen te verbranden. Er was zelfs een letterzetter die voorgaf een familielid van Lodewijk de 16e te zijn. Want de boeren van toen waren noch geletterder, noch beter onderricht, noch dapperder dan de Russische boeren van tegenwoordig. Zij wilden opstaan, maar men moest hun een schijn van wettigheid aan hun handelingen geven. Dat kon altijd als een verontschuldiging dienen in geval van een nederlaag.

Het is geen legende wat we verkondigen, het zijn feiten, waar de burgerlijke geschiedschrijvers stilzwijgend overheen gaan. Men behoeft echter slechts de Moniteur te raadplegen om zich er van te verzekeren. De besluiten van de Nationale Vergadering en het rapport van Gregoire maken er melding van.

Zo gingen dus de kastelen in vlammen op, werden de pachtcontracten verscheurd, werd de afschaffing van de feodale rechten door bedreiging of door het vuur, zeer dikwijls in naam van de koning of de Vergadering verkregen.

Maar als consequente mensen maakten de boeren geen onderscheid tussen edelen en bourgeois. Wanneer een landheer zijn feodale rechten aan een bourgeois had afgestaan (en de verarmde adel deed dit zeer dikwijls evenals op het ogenblik Engelse lords of Russische landheren dit doen) staken de boeren het huis van de bourgeois in brand en noodzaakten hem, met het mes op de borst, van zijn rechten afstand te doen, evenals zij dit gedaan zouden hebben met een hoogadellijke heer.

"De bandieten hebben de kastelen van de patriotten verbrand”, schreeuwden de revolutionaire bourgeois. Dus los op de boeren! En de burgerlijke troepen verlieten de steden om de orde op het platteland te herstellen. Te Straatsburg, de dag na de opstand, die de feodaliteit afschafte, arresteerden de troepen van de bourgeoisie 400 arbeiders en hingen er 2 dadelijk van op. Maar op het platteland was het erger. De gemeenteraden vervormden zich tot verplaatsbare rechtbanken, en na met die boeren, die zonder wapenen waren, gevochten en een gemakkelijke overwinning behaald te hebben, hingen zij zonder genade de ‘bandieten’ op, die de ‘burgerlijke eigendommen’ tegelijk met die van de edelen hadden durven plunderen. De documenten vermelden acht boeren opgehangen in de streek Maconnais, 12 door het bestuur van Douai, en evenzoveel waren het in iedere provincie. Op het ogenblik, dat men ‘de Rechten van de Mens’ samenstelde (augustus 1789), stelde men op een dag 13 wildstropers terecht, die de revolutie volgens de letter hadden genomen en wild waren gaan jagen op het goed van hun landheren.

Profiterende van de algemene opstand van de boeren in de Elsas, Lotharingen, Dauphiné, Champagne, Poitou, Périgord, enz., enz., liepen de handlangers van de derde stand, Duport en anderen, de kleine dorpen af om de bourgeois te verplichten hun troepen te wapenen. “In 14 dagen” vertelt Duport zelf “heb ik een groot deel van Frankrijk gewapend. Ik kwam in de stad, riep de mensen bij elkaar en verklaarde dat de rovers in aantocht waren, geheel toegerust op weg naar de stad. Dan wapende men zich in alle haast.” En de burgemeester van Péronne bekent openlijk: “Wij willen de schrik er in hebben”, zei hij. “Het is alleen met sombere geruchtmakingen dat we een drie miljoen burgers over de gehele oppervlakte van Frankrijk onder de wapenen kunnen houden.”

0 ja, de bourgeoisie wist wat ze moest doen. En op die manier bevond in de loop van de herfst 1789 de bourgeoisie zich gewapend, in bezit van de gereorganiseerde gemeentebesturen, volgens de nieuwe wetsregeling en aan het hoofd van een groot aantal troepen. En toen het volk, in zijn prachtige revolutionaire onstuimigheid optrok tegen de herstelde eigendom, ontmoette het de bourgeois, die hem ‘halt’ toeriep! “Je hebt gedaan, wat men je gevraagd heeft, maar je zult niet verder gaan. Je hebt het oude regime afgeschaft, maar wij zijn het nieuwe regime. Ziehier de krijgswet, en van het ogenblik dat de burgemeester de rode vlag ontrold heeft, zal men je fusilleren, doodschieten, om je weer in jullie krotten terug te doen keren!”

En in die tijd, kondigde de derde stand in de Nationale Vergadering allerlei wetten af om Frankrijk volgens zijn ideaal te reorganiseren. Wetten, die in een gewone tijd jaren nodig hadden gehad om samengesteld te worden, werden nu in enige dagen gemaakt. Rechtsgeleerden bewonderen ze nog om hun helderheid, mooie stijl, afwezigheid van tegenstrijdigheden en om de details. Europa heeft ze gedurende een eeuw gekopieerd.

De oorzaak was dat de bourgeoisie niet voor iets onvoorziens stond. Zij zette slechts op papier, wat zij lange tijd overdacht en bestudeerd had.

Maar waren deze wetten tot werkelijkheid geworden, het was gedaan met de revolutie, die bij de prachtige verklaringen van de Rechten van de Mens stil was blijven staan, welke, wat de feiten betrof, slechts de organisatie van de slavernij betekenden.

Gelukkig hielden de aristocratie en het hof zich niet voor overwonnen. Zij streden tegen de wetten van de Constituante. Zij zwoeren samen en de revolutie moest voortgaan.

Zij ging inderdaad voort, en dank zij de geweldige strijd, die zij weldra had te voeren, bleef zij niet stilstaan bij de vage en hoogdravende woorden van ‘Het wetgevend lichaam.'

V [Jacquerie]

De geschiedenis van de grote revolutie, zoals zij verteld is door Michelet, Louis Blanc en zelfs Mignet, heeft uitermate geholpen in de gehele wereld een geest van verzet en tirannenhaat te wekken, maar aan de andere kant heeft zij een ongelooflijk kwaad aangericht door het vooroordeel van een regering aan te kweken, aan de revolutionaire regeringen en aan de club van de jakobijnen een belangrijkheid te verlenen die zij nooit gehad hebben, terwijl zij de rol van de massa’s verkleind heeft en een geheel valse revolutionaire traditie heeft geschapen.

Als men deze geschiedenissen leest krijgt men de overtuiging dat de volksvertegenwoordigers de revolutie gemaakt hebben, dat zij het initiatief hebben genomen om het oude regime te vernietigen, terwijl ze tegelijkertijd een beroep deden op het volk om hun eisen te steunen.

In werkelijkheid is hier niets van aan, is er niets meer vals dan deze, zo zeer ingang gevonden hebbende opvatting van de revolutie. De nationale vertegenwoordigers hebben zeker gewerkt om de macht van de bourgeoisie te organiseren, haar in haar handen te centraliseren, ten voordele van diezelfde bourgeoisie. Maar ze hebben dit slechts gedaan naarmate de opstand van het volk het oude regime vernietigde, om op die manier uit de ineenstorting het best de instellingen van het verleden te redden.

Wat hun aanvalskracht betreft, die was zonder betekenis, we herhalen het, en men kan beweren, zonder overdrijving, dat het gehele vernietigingswerk door het volk werd volbracht, buiten de vergaderingen om en tegen hun verlangen zelfs in. Het was het volk dat de feodale slavendiensten afschafte, ondanks het verzet van zijn vertegenwoordigers. Het waren de schooiers, die het raderwerk van de oude monarchie: haar parlementen, provinciale instellingen, schatkistadministraties en onderdrukkingsmacht desorganiseerde, ondanks de woedende besluiten daartegen uitgevaardigd door de volksvertegenwoordigers.

Men beweert soms dat de volksvertegenwoordigers in de Constituerende Vergadering, bij de wetgeving en vooral bij de conventie, de volbrachte revolutionaire daden toch bekrachtigd hadden, en dat deze sanctie ze veralgemeende en hun wetskracht verleende, maar dit is nog te veel gezegd. Alles wat het volk gedaan kon krijgen, was deze vergaderingen te noodzaken, door ze vanaf de tribunes te bedreigen, zekere feiten te erkennen en ze door wetten te staven, hoewel hun meest vooruitstrevende wetten altijd nog maar compromissen met het verleden waren. Het waren schikkingen waardoor men, in ‘t gezicht van het opgestane volk, een deel van de oude privileges wilde redden.

Zo waren de Vergaderingen, de Conventie inbegrepen, slechts een struikelblok voor de revolutie. Nooit zijn ze het revolutionaire werk vóór geweest, wat Michilet of Louis Blanc er ook van zeggen. [2]

Het zou ons onmogelijk zijn in deze brochure de revolutie stap voor stap te volgen, om aan te tonen wat we hierboven gezegd hebben. Enkele voorbeelden zijn voldoende om de juistheid van onze zienswijze te bewijzen.

Laten we het gewichtigste feit van de revolutie nemen - de afschaffing van de feodale rechten - en laten we eens zien hoe die tot stand kwam.

Men kent de legende van de nacht van 4 augustus 1789. De geestelijkheid en de adel, bezield met een vaderlandslievende onstuimigheid, zouden in deze gedenkwaardige nacht afstand van hun rechten hebben gedaan. Zo wil de geschiedenis het. En heeft zij niet als bewijs de bombastische redevoeringen van de hertog van Aiguillon, de hertog van Noailles, de aartsbisschop van Chartres, en van een twintigtal edellieden?

Woorden, niets anders! Enthousiasme, dat slechts een paar uur duurde, terwijl het de vraag is of het toen zelfs nog oprecht was.

En vooreerst is het zeker, dat het een nacht van paniek was en geen nacht van enthousiasme. Gedurende enkele weken stonden de kastelen in brand of waren geplunderd, vooral in de provincie van het Oosten. De boeren waren tegenover enkele landheren woest geweest, zij hadden hun de voeten geroosterd om ze te noodzaken afstand van hun rechten te doen (zo vertelde men tenminste in Parijs) en de berichten die men uit de provincie kreeg dikten de gebeurtenissen aan.

“Het zijn geen bandieten, die dat doen!” riep de hertog van Aiguillon uit “maar het volk heeft een soort van verbond gesloten om de kastelen te vernielen, de velden te verwoesten, en vooral om zich van de archieven meester te maken” (waarin de feodale belastingen waren beschreven).

Hier sprak panische schrik — geen enthousiasme.

Maar wat stelden die woeste revolutionairen van de derde stand voor, toen ze de gebeurtenissen van de jacquerie vernamen?

Raadpleeg de Moniteur, en je zal zien dat zij in vergadering gekomen zijn om een wet te vragen ter bescherming van de edelen tegen de in-verzet-geraakte boeren. Gelukkig zijn de edelen beter ingelicht over de toestand op het platteland. Zij voelen dat het om hun bestaan gaat. Zij begrijpen dat de regering onmachtig is, en dat een wet de jacquerie niet tegen zal houden. Dat al hun voorrechten opeens gaan verdwijnen. En zij trachten het essentiële te redden door ‘op het altaar des Vaderlands’, dat wat geen waarde heeft te offeren. Zij haasten zich afstand te doen van de persoonlijke herendiensten - iets wat de boeren sinds zeven of acht maanden niet meer doen. Zij doen afstand van de heerlijke rechtspleging, die ze niet meer kunnen uitoefenen, daar de rechtspleging van de boeren op dat ogenblik geldt!

Wat besluit de Constituerende Vergadering op al dat afstand doen?

Zij verklaart dat de feodale rechten zijn afgeschaft: zo begint hun decreet. Maar zes of zeven regels verder vertelt zij ons dat ze iets afschaft wat niet meer bestaat, nl. de persoonlijke herendiensten, die volgens de rapporten van de intendanten sinds 1788 niet meer worden uitgeoefend, en waarvan Chassin ons zegt dat men elk dorp afzonderlijk moest belegeren om ze weer in te stellen. Wat de werkelijke lijfeigenschap betreft — de korentiende, ‘de terriers’ [3], de ‘agriers comptants’ [4] de enige die nog geldelijke waarden hadden, het decreet van de 4e augustus handhaafde ze geheel en al. De boeren zouden alleen het recht hebben ze af te kopen, indien zij zich over de prijs met de landheer verstaan konden. Zo deed de revolutionaire vergadering wat dit betreft minder dan wat de Russische regering in 1861 deed. Zij stelde de afkoping niet verplichtend. Zij stelde de prijs hiervan niet vast: “Overleg, met uw landheren. Als ze u de feodale belastingen willen laten afkopen, zoveel te beter! Als ze het niet willen zoveel te erger! Maar betaal, betaal onmiddellijk. En indien gij niet betaalt, dan zullen de gemeentebesturen belast worden u tot rede te brengen”.

Ziehier de essentie van de beroemde decreten van 5, 6, 8, 10 en 11 augustus. Nu begrijpt ge waarom niet één, maar ook niet één geschiedschrijver van de revolutie de tekst van deze decreten heeft gegeven. Zij hebben zich wel voor gewacht.

“De ontevredenheid tengevolge van de decreten is op het platteland algemeen”, schrijft de reactionaire Madame de Staël. “Als men ze niet verbetert, zal de jacquerie opnieuw beginnen.”

En de jacquerie begon in volle glorie.

In wezen waren de decreten van augustus slecht beginselverklaringen. Die wetgevers, zo precies van stijl, zo helder, wanneer zij de wetten opstellen betreffende de politieke organisatie van de macht van de bourgeoisie, beperkten zich tot frasen, toen het er om ging een van de economische privileges die zij met de edelen deelden, aan te spreken.

Ook hebben ze geen haast de decreten in werking te laten treden. De koning had zijn bekrachtiging geweigerd, zij dwingen hem niet te gehoorzamen. Het volk, de vrouwen moesten de koning de 5e oktober naar Parijs halen om hem te doen besluiten zijn bekrachtiging te geven. Maar zelfs na haar verkregen te hebben, bepaalt de Vergadering zich niet de decreten naar de parlementen te zenden, en het feit is dat zij nooit behoorlijk in werking zijn gekomen.

De boeren, na vaag vernomen te hebben dat te Versailles sprake was geweest van de feodale belastingen, zagen er echter een nieuwe aanmoediging in. Zij vervolgden de jacquerie, zodat in februari 1790 het rapportencomité constateerde dat het verzet van de boeren nog altijd voortduurde, dat Quercy, Rouergue, Périgord en Laag-Bretagne in vuur stonden, dat de opstand zijn weg naar het westen vervolgde. Het eiste dat men eindelijk op juiste wijze zou uitleggen welke feodale rechten nu afgeschaft waren en welke gehandhaafd werden. En het vroeg strenge maatregelen tegen de boeren. Wat deed de Nationale Vergadering? Zij drukte haar spijt uit, zond haar goedkeuring aan de gemeentebesturen, die vlug de opstandige boeren ophingen, gaf order het decreet van 10 augustus opnieuw in werking te doen treden, een draconisch decreet tegen de ‘rovers’.

Eerst in maart 1790 besloot zij duidelijk te omschrijven welke de afgeschafte feodale rechten waren. Maar nog in juni van hetzelfde jaar maakte zij een wet waarin ieder die niet de tienden, de belastingen op het koren en de veldproducten betaalde, streng strafbaar werd gesteld. Wat! Zelfs zij die zich slechts tegen deze belastingen uitspraken, zouden aan de strengheid van deze wet overgeleverd worden. (Geen geschiedschrijver vermeldt dit decreet. Men vindt het in de Moniteur).

Gelukkig, Frankrijk had geen regering. De Vergaderingen volgden elkaar op, de voormannen stapten als pauwen rond, deden in Parijs evenals in de provincie, groot, maar hun macht bestond in werkelijkheid niet. De jacquerie ging door, en de feodale rechten werden in werkelijkheid, hoewel de wet ze nog handhaafde, afgeschaft.

Wil men weten wanneer ze wettelijk afgeschaft werden, zonder afkoop? De l4e juni 1792, door een verraderlijke stoot aan de Vergadering toegebracht. Op het ogenblik dat er slechts 200 leden van de linkerzijde van de 497 waren, haasten zij zich een wet in elkaar te draaien die het reeds voldongen feit erkende.

En men spreekt ons van de beginselen van 1789 van de rol van de revolutionaire Vergaderingen! - Leugens, legenden, uitgevonden om de menselijke kudden te leiden.

VI [De orde hersteld]

Zoals men weet bezaten in Frankrijk evenals in geheel Europa de gemeenten de bodem van het land. De landheer, baron, graaf of hertog; had slechts recht op een zeker aantal dagen arbeid van de bebouwers, die op de gronden woonden, die aan zijn rechtspraak en boeten onderworpen waren. In ruil hiervoor was hij verplicht de ridders en voetknechten te wapenen en onderhouden voor geval van oorlog. Later heeft men de gehele casuïstiek van het Romeinse recht nodig gehad om de landheren met het geringste lapje grond te begiftigen, waarop zij vroeger even weinig recht hadden als de keizer van Duitsland of Rusland dit heeft op de Russische of Duitse bodem.

Men weet eveneens dat gedurende de gehele tweede helft van de middeleeuwen, de landheren getracht hebben — en zij zijn er in geslaagd - om het grootste gedeelte van de gronden, die vroeger aan de communes behoorden, in te palmen.

In de achttiende eeuw bezaten de gemeenten echter nog uitgebreide stukken land, die het blijvende doelwit waren van de hebzucht van de landheren aan de ene kant en van die van de rijk geworden boeren, de bourgeoisie van de dorpen, aan de andere kant. Gedurende de achttiende eeuw maakten de landheren de wet en zij profiteerden er goed van door zich van de gemeentegronden op grote schaal meester te maken. Zij deden wat de Engelse landheren de laatste honderd jaar gedaan hebben en nog doen, zij maakten zich meester van de beste stukken en lieten de gemeenten hun zaak, waarvan ze zeker waren haar te verliezen, bepleiten.

Welnu, toen de revolutie met de opstanden in de dorpen begon, hadden de boeren twee bedoelingen: de afschaffing van de feodale belastingen en de inbezitneming van de door de wereldlijke en geestelijke landheren gestolen gronden.

We hebben gezien hoe de revolutionairen hun best deden zoveel mogelijk de oude lijfeigenschap te bewaren. Hun handelwijze ten opzichte van terugname van de gemeentegronden was hetzelfde.

De boeren profiteerden van de verwarring van de regering om zich weer in bezit te stellen van de gronden, en de bourgeois, waarvoor de geschiedschrijvers alle vriendelijkheden over hebben, belemmerden ze hierin met alle middelen. En toen ondanks de heftige wetten tegen hen, die ‘de eigendom aantastten’, de boeren toch reeds een groot gedeelte van de gemeentegronden teruggenomen hadden - deden de bourgeois het volgende om de buit in hun handen te houden.

Tot Turgot toe, waren de Franse dorpen georganiseerd als op ‘t ogenblik nog de Russische dorpen. Men had de voltallige vergadering van alle gezinshoofden om gemeenschappelijk de zaken van de gemeente te bespreken. Dat was de mir, zoals men die door Lavelaye voor Rusland en door Babeau voor Frankrijk beschreven kan vinden. Het dorp verdeelde de tijdelijke bezitting van de gemeentegronden. Op sommige plaatsen had men zelfs de toedeling van de bewerkte velden, zoals dat nog in Rusland plaats vindt. Het gehele dorp was verantwoordelijk voor de betaling van de belastingen.

Turgot veranderde dit alles. De gemeenschappelijke verantwoordelijkheid werd afgeschaft, en onder voorwendsel dat de voltallige vergaderingen ‘te druk’ waren, deed deze vriend van de burgerlijke orde, waarvan de tegenwoordige bourgeoisie een groot man maakt, ze met een pennentrek verdwijnen. Hij stelde de vergaderingen van gekozenen ervoor in de plaats, waaruit de weinige leden uit de notabelen van de stad bestonden. De proletarische boeren — zij die geen os of een ploeg bezaten en slechts een klein lapje grond met de spade bewerkten (deze waren zeer talrijk!) — verloren op deze manier elke invloed op de regeling van de gemeenschappelijke gronden.

Turgot deed, wat de Russische bourgeois trachtten te doen, en zullen doen op de dag dat zij aan het roer zitten van de wetgeving in het land.

De revolutie nam slechts het werk van Turgot weer op. Ook zij haastte zich het onderscheid te maken tussen actieve en passieve burgers. De eersten alleen — dat waren de rijken - hadden stemrecht in de landelijke en gemeentelijke aangelegenheden. En hetzelfde systeem werd op de gemeentegronden toegepast. Daar de politieke en de economische macht altijd hand in hand gaan, haastte de Wetgevende Vergadering zich de gemeenten het recht te geven - of liever de gemeenteraden, gekozen uit de rijken - de gemeentegronden te verkopen, toen de boeren de gronden teruggenomen hadden.

Dit was juist waarnaar de kleine burger reeds sedert lang gehunkerd had. Onmiddellijk gingen de beste gronden in hun handen over.

Maar de proletariërs waren het hier niet mee eens en daardoor ontstond in alle dorpen een strijd tussen de rijken en de armen. Daar waar de armen de moed hadden, namen zij met knuppelslagen bezit van de gemeentelijke regeringen, installeerden er zich op hun plaats, en verbrandden de akten van verkoop.

En daar de macht dikwijls aan hun kant was, noodzaakten zij de Wetgevende Vergadering de verkoop van de gemeentegronden te doen ophouden. Maar de bourgeoisie haalde haar schade in door voor de gelijkelijke verdeling - men kan het nauwelijks geloven - alleen onder de actieve burgers te stemmen.

De armen van het platteland waren van de verdeling uitgesloten. De gezinnen, die slechts de gemeenteweide hadden om hun weinige schapen te laten grazen, en het gemeentewoud om wat klein hout te verzamelen, zagen zich van hun laatste bron beroofd. Zij verlieten de dorpen en gingen naar de steden om de rangen van het industrieproletariaat te vergroten.

Dit was juist wat de bourgeoisie nodig had. Zij droomde van de grootindustrie, de verre handel. Het ideaal van Robespierre en van Saint-Just, we hebben het al gezegd, was de Engelse staatsregeling en de Engelse industrie - industrie, waarvoor een proletariaat nodig was, miljoenen ellendigen, die geen veertien dagen van zekerheid voor zich hebben, en die gedwongen zijn zich voor enkele franken per dag te verkopen. Zonder enige inkomsten of organisatie moesten zij wel, de gilden waren afgeschaft en de bourgeoisie haastte zich draconische wetten uit te vaardigen tegen de arbeidersverenigingen - die als anti-vaderlandslievend golden - en tegen de stakingen.

De bourgeoisie sloeg twee vliegen in één klap met deze verdeling van gemeentegronden onder de rijken alleen. Zij interesseerde hiermee de invloedrijkste boeren voor de revolutie, en zij schiep het proletariaat, dat voor de industrie nodig was [5].

Gelukkig begon de jacquerie van de onterfden met nieuwe hevigheid, tegen het burgerlijke inpalmen dit keer. De strijd kwam in de Conventie door de opstand van enige afdelingen van de commune, door de afzetting van de vorige raad van de commune, en door het bloedbad van de girondijnen.

In dit korte tijdsverloop van de triomf van de anarchisten slaagde het volk er in de Conventie te noodzaken een wet af te kondigen waardoor de gronden, die de landheren ontnomen waren door de gemeenten, gelijkelijk verdeeld zouden worden onder alle inwoners van de dorpen. Een maatregel van gelijkheid op het eerste zicht, maar in wezen zo slecht dat dit decreet nooit ten uitvoer werd gebracht. De proletariërs van het platteland verkozen hun deel in het gemeenschappelijke veld te behouden, boven het in bezit krijgen van een lapje grond. Klaarblijkelijk het minst goede - waarvan ze zich weldra zouden moeten scheiden door gebrek aan de mogelijkheid het te bewerken. Op die mannier behielden de gemeenten, ondanks de besluiten van de Conventie, miljoenen hectaren gemeentegronden.

Laten we hieraan toevoegen om te besluiten dat de ‘orde’ weldra door Robespierre hersteld werd, die ‘de anarchisten’ liet guillotineren. Op die mannier werden sindsdien de hebertisten en alle revolutionairen betiteld, die geen eerbied hadden voor de burgerlijke eigendom, en dat de wetten tegen de inpalmers, de maximumprijzen van de etenswaren en de noodkoers van de assignaten, wat alles slechts compromissen waren, voortgingen de burgerlijke eigendom te handhaven, met slechts enkele zeer bescheiden beperkingen.

Maar die beperkingen namen, zoals men weet, een eind toen de partij van de jakobijnen meester van de toestand, maar verlaten door revolutionairen, van het volk was, en zelf onderging in de staatsgreep van de Thermidor.


Voetnoten


[1] Om de waarheid van het feit te constateren raadplege men de Moniteur.
[2] Leverdays heeft in een ongelukkigerwijze te weinig bekend boek Les Assemblés parlantes (Pratende Vergaderingen) - verschenen in 1883 bij Marpon en Flammarion - de kwestie van de Conventie behandeld. Hij heeft nog niet een enkele van haar decreten kunnen ontleden: deze analyse zou zeker bewezen hebben dat zelfs de ‘veredelde’ Conventie voor compromissen had gestemd.
[3] Lijsten van personen die de landheer belasting schuldig zijn.
[4] Belasting aan de landheer van alle veldproducten die dadelijk betaald moest worden.
[5] Men heeft nooit de verschrikkelijke opstand van de Vendée verklaard. Iedereen die een weinig de geschiedenis kent, weet dat alle godsdienstoorlogen altijd een economische oorzaak hebben gehad. De slachtingen van de hussieten, de opstanden tijdens de Reformatie, zelfs de auto-da-fé’s van de Inquisitie hadden economische oorzaken.
De Vendée maakte geen uitzondering op de regel. En we zijn overtuigd dat, wanneer de geschiedenis van de Vendée door anderen dan monarchisten aan de ene kant en revolutionaire bourgeois aan de andere kant, zal beschreven worden, men zal zien dat deze geweldige opstand als oorzaak de haat tegen de burgerlijke decreten van de wetgevers van de revolutie had. De gemeentelijke gronden moeten daar veel geweest zijn. Wat de godsdienst, de koning en de Leliebloem betreft, die zijn zeker slechts emblemen van de economische malaise geweest. Maar wat verlangt men, dat men daarover zal weten, als de geschiedschrijvers geen rekening houden met de oorzaken van de volksbewegingen, en zich bepalen met 1789-93 te kopiëren. De vrienden van de Vrijheid! Geen enkele geschiedenis van de grote revolutie vermeldt zelfs de decreten die betrekking hebben op de kwesties van de feodale rechten en van de gemeentegronden; men moet ze zoeken bij Dalloz, of in de wettenverzamelingen. Twee onderzoekers slechts, twee Russen (Vassiltchikov en Kareëv)? hebben getracht enig licht in dit onderwerp te brengen. Maar de laatste kon slechts in de archieven het begin van de revolutie bestuderen, en de eerste in Rusland werkend, heeft slechts documenten uit de tweede hand kunnen raadplegen. Wat de Franse bourgeoisie betreft, zij houdt er meer van een sluier op het werk van hun grootvaders te werpen en het volk met grote woorden te overdonderen om ze met een volgende gelegenheid des te beter te exploiteren.