Peter Kropotkin
De verovering van het brood
Hoofdstuk 15


Deling van de arbeid

I

De staathuishoudkunde heeft er zich steeds toe bepaald, de feiten, zoals ze zich in de maatschappij voordoen, te constateren en ze uit te leggen in het belang van de heersende klasse. Op gelijke wijze handelt zij ten aanzien van de deling van arbeid zoals deze door de industrie in het leven is geroepen; er voordeel in ziende voor de kapitalist, wist zij deze steeds in bescherming te nemen.

“Zie eens de dorpssmid”, zei Adam Smith, de vader der moderne staathuishoudkunde. “Is hij niet gewoon spijkers te maken, dan zal hij er slechts met moeite twee- of driehonderd per dag kunnen vervaardigen, die dan nog slecht zullen zijn.”

Maar als diezelfde smid nooit iets anders had gemaakt dan spijkers, zou hij het gemakkelijk tot een getal van tweeduizend driehonderd per dag kunnen brengen. En Smith wist daaruit handig de conclusie te trekken: “De arbeid moet worden verdeeld, gespecialiseerd, steeds meer worden gespecialiseerd; we moeten smeden krijgen die niets anders kunnen maken dan de koppen of de stiften van spijkers; op die manier zal er heel wat meer worden geproduceerd. Onze rijkdom zal belangrijk toenemen.”

Dat de smid, die gedwongen wordt zijn gehele leven spijkerkoppen te maken, alle belangstelling in het werk moet verliezen; dat hij door die onbeduidende arbeid geheel zal afhangen van de genade van de patroon; dat hij wellicht vier maanden van de twaalf werkeloos moet rondlopen en zijn loon daalt wanneer men hem gemakkelijk door een leerjongen kan vervangen, aan dat alles dacht Smith niet toen hij uitriep: leve de arbeidsverdeling! We hebben de goudmijn ontdekt, die de natie rijk zal maken. En allen schreeuwden het hem na.

En toen later Sismondi[1] en J.B. Say[2] aantoonden dat de deling van arbeid, in plaats van de welvaart van de natie te verhogen, slechts tot gevolg had dat de rijken nog rijker werden en de arbeider, die zijn leven lang slechts het achttiende deel van een speld mocht vervaardigen, verstompte en in ellende werd gedompeld, wat deden toen de officiële economen? Letterlijk niets! Zij wilden maar niet inzien dat de arbeider die voortdurend slechts een eenvoudig machinaal werk verricht, geestelijk meer en meer verstompt en zijn scheppend vernuft er bij inboet, en dat juist door afwisseling te brengen in de werkzaamheden, het voortbrengingsvermogen van de natie aanmerkelijk wordt verhoogd. Met deze belangrijke kwestie zal men zich echter voortaan meer en meer moeten bezighouden!

Waren het nu enkel de economen die bij voortduring en zonder nadenken de deling van arbeid predikten dan zou men hen op hun gemak laten redekavelen. Maar hun denkbeelden worden onderwezen door wetenschappelijke mannen, dringen in de hoofden door en benevelen het zelfstandig denken, en daar men voortdurend hoort spreken over deling van arbeid, interest, rente, krediet enz., als over een reeds lang opgelost vraagstuk, gaat iedereen (tot zelfs de arbeiders) tenslotte redeneren als de economen, en dezelfde fetisj[3] vereren.

Zo zien wij tal van socialisten die niet geschroomd hebben allerlei wetenschappelijke dwalingen te bestrijden, het beginsel van deling van arbeid huldigen. Vraagt men hun, hoe de organisatie van de maatschappij zal zijn na de sociale revolutie dan zeggen zij dat de deling van de arbeid moet gehandhaafd blijven; bestond uw werk vóór de revolutie in het maken van speldstiften, dan zult ge diezelfde arbeid óók moeten verrichten na de revolutie. U zult echter slechts vijf uren daags daaraan behoeven te besteden! Maar uw leven lang zult ge al maar door speldenstiften maken, terwijl anderen machines vervaardigen of plannen van machines uitdenken die u instaat stellen gedurende uw leven miljarden speldenstiften te maken. Nog weer anderen zullen specialisten worden in de een of andere tak van literatuur, wetenschap of kunst. U waart bij uw geboorte voorbestemd om uw leven lang speldenstiften te maken, Pasteur om de mensen in te enten tegen de hondsdolheid, en de revolutie zal u beiden vergunnen uw respectieve functies te blijven uitoefenen.

Wij willen dit afschuwelijk stelsel, zo schadelijk voor de maatschappij en voor het individu, die bron van een gehele reeks van rampen, eens van naderbij bezien.

Men kent de gevolgen van de deling van arbeid. De mensen zijn in twee duidelijk afgescheiden klassen verdeeld; aan de ene zijde de voortbrengers die zeer weinig verbruiken en niet behoeven te denken omdat zij moeten werken, en slecht werken omdat zij hun hersenen niet gebruiken, en aan de andere zijde de verbruikers, die, weinig of nagenoeg niets voortbrengende, het uitsluitend recht hebben om te denken voor anderen, doch slecht denken, omdat hun een wereld, die van de handarbeiders, totaal vreemd is.

De landarbeiders weten niets van de machine: zij die met de machines omgaan, zijn onbekend met de veldarbeid. Een kind dat een machine bestuurt, waarvan het de werking kan, noch mag begrijpen, en achter de machine een opzichter, die boete oplegt zodra ook maar een ogenblik de aandacht van de kleine wordt afgeleid. Ziedaar het ideaal van de moderne industrie. Men tracht de veldarbeider geheel overbodig te maken. Een stoomploeg of dorsmachine, bestuurd door een sjouwer, die men voor twee of drie maanden huurt, is het ideaal van de industriële landbouwer. De deling van de arbeid schiep de mens, die voor zijn leven is gestempeld als aanlapper[4] in een fabriek, als opzichter in een werkplaats, als mandverwisselbaar in een mijn, maar geen flauw begrip heeft van de samenstelling van een machine, noch van de inrichting van een werkplaats of mijn en die daardoor de lust in de arbeid en het scheppend vermogen heeft verloren dat in de aanvang van de moderne industrie het aanzijn schonk aan de machtige werktuigen waarop wij ons zo gaarne beroemen.

Het stelsel, toegepast op de individuen, trachtte men evenzeer toepasselijk te maken op gehele natiën. De mensheid moest worden verdeeld in reusachtige nationale werkplaatsen die elk specialist op haar gebied konden worden genoemd.

Rusland, leerde men ons, is door de natuur bestemd om koren te verbouwen; Engeland om katoenwaren te vervaardigen, België om laken te fabriceren, terwijl Zwitserland kindermeisjes en onderwijzeressen kweekt. Iedere natie zal weer in specialiteiten zijn verdeeld: Lyon zal zijden stoffen fabriceren, Auvergne kanten en Parijs fantasieartikelen. Volgens de economen zou een onmetelijk veld worden geopend voor de voortbrenging en terzelfder tijd voor het verbruik; een tijdperk van ontzaglijk fortuin zou voor de gehele wereld aanbreken.

Maar die hooggespannen verwachtingen verdwijnen naarmate de technische kennis zich over de gehele aarde uitbreidt. Zolang Engeland alleen de katoenen stoffen vervaardigde en de metaalbewerking in handen had, en zolang Parijs slechts galanteriewaren fabriceerde, ging alles goed; men kon toen een preek houden over de zogenaamde deling van de arbeid zonder vrees van te worden tegengesproken.

Maar de beschaafde natiën worden door de nieuwe tijdstroom meegesleept en gaan proeven nemen met allerlei industrieën, daar zij er voordeel in zien zelf te vervaardigen wat zij voorheen uit andere landen moesten betrekken en zelfs de koloniën trachten zich vrij te maken van haar moederland. Daar de wetenschappelijke ontdekkingen, de industriële voortbrengingswijze onder ieders bereik brengen, behoeft men voortaan niet meer tegen buitensporige prijzen elders te kopen wat men gemakkelijk zelf kan produceren.

Maar geeft die revolutie in de industrie niet een gedachteschok aan de theorie van de deling van de arbeid die men meende dat zo onwrikbaar vaststond?

_______________
[1] Sismondi (geb. 1773) vluchtte in 1791 uit Genève voor de revolutie en keerde eerst in 1801 daar terug. Zijn voornaamste werk is Histoire des républiques italiennes du moyen age (Geschiedenis van de Italiaanse republieken in de middeleeuwen).
[2] Jean Baptiste Say (1767-1832) gaf verscheidene geschriften uit over staathuishoudkunde. Hoofdwerken: Traité d’économie politique (Verhandeling over de staathuishoudkunde) en Catechisme d’économie politique (Catechismus van de staathuishoudkunde).
[3] Fetisj, voorwerp van aanbidding en verering (bij verschillende natuurvolken.)
[4] Aanlapper, Hollandse benaming voor de arbeider die in een spinnerij de gebroken draadeinden van de klossen weer aaneenknoopt.