Peter Kropotkin

Communisme, communes en de individuele vrijheid


Geschreven: 1901
Deze versie: aangepast aan de nieuwe spelling
Transcriptie en HTML: Maarten Vanheuverswyn, voor het Marxists Internet Archive, februari 2005



Het belang van het eigendomsvraagstuk hoeft nauwelijks onderstreept te worden. Vele anarchisten, communisten en andere denkers erkennen de enorme voordelen die het communisme voor de maatschappij kan hebben, maar tegelijkertijd zien ze in deze vorm van sociale organisatie een gevaar voor de persoonlijke vrijheid en de ontplooiing van het individu. Dit probleem hangt nauw samen met het vraagstuk van individu en maatschappij.

Als men het over ‘communisme’ heeft, denkt men meestal aan het christelijk- of kloostercommunisme. Men denkt altijd aan iets autoritairs. Zo werd het ook in het begin van deze eeuw gepropageerd en in sommige communes in het geheim uitgewerkt. Met de gezinsvorm voor ogen probeerde men daar de ‘grote communistische familie’ te stichten, de mens te hervormen. Om dat te bereiken verplichtte men zich behalve tot gemeenschappelijke arbeid en tot samenwonen, ook tot het mijden van de bestaande beschaving. Bovendien onderwierp ieder zich aan inmenging in zijn zielenleven door de ‘broeders’ en ‘zusters’.

Men moet echter onderscheid maken tussen deze geïsoleerde communes die de laatste driehonderd jaar ontstonden, en de federaties van samenlevingsverbanden die kunnen ontstaan in een maatschappij die op weg is naar de sociale revolutie.

Onder de naam van het ‘socialisme’ heeft zich in de negentiende eeuw een immense beweging van denkbeelden geopenbaard; te beginnen met Babeuf, Fourier, Saint-Simon, Robert Owen en Proudhon. Zij formuleerden de belangrijkste denkrichtingen van het socialisme, die vervolgens door de Fransen Considérant, Pierre Leroux en Louis Blanc, de Duitsers Marx en Engels en Russen als Tchernychevsky en Bakoenin gepopulariseerd of wetenschappelijk gefundeerd werden. Hieruit ontstonden twee hoofdrichtingen: het autoritair en het anarchistisch communisme, alsmede een aantal tussenvormen zoals collectivisme en coöperatie. Bij de arbeiders resulteerden deze ideeën in het ontstaan van vakverenigingen die steeds internationaler worden naarmate de communicatie tussen arbeiders van verschillende landen makkelijker wordt. Essentiële punten zijn door deze ideologische beweging en door deze acties onder de aandacht van de openbare mening gebracht, namelijk: afschaffing van het loonstelsel — die hedendaagse vorm van slavernij —, afschaffing van privé-bezit van productiemiddelen, vrijmaking van individu en maatschappij van het politieke raderwerk, de staat die dient om de economische slavernij te handhaven. Ook zij die nu nog fervente aanhangers zijn van de staat — dictatuur van het proletariaat — erkennen dat als de huidige klassen ophouden te bestaan, de staat ook verdwijnt. Elke discussie over de te volgen lijn zou nutteloos zijn als ze niet gebaseerd is op de studie van de hedendaagse maatschappelijke tendensen.

Eén daarvan is dat het steeds moeilijker wordt het deel van de productie te bepalen dat een ieder toekomt. Industrie en landbouw worden steeds ingewikkelder en verwarder, alle industrieën zijn zo afhankelijk van elkaar dat het systeem van betaling naar productie onmogelijk wordt: hoe complexer een bedrijf, hoe minder stukwerk. Dit wordt vervangen door dag- of weekloon. Deze lonen hebben de neiging te nivelleren.

De huidige maatschappij blijft zeker in klassen verdeeld. We hebben een bourgeoisie waarvan de inkomsten stijgen in omgekeerde verhouding tot de verrichte hoeveelheid arbeid, dat wil zeggen: hoe minder ze hoeft te werken, hoe meer ze betaald wordt. Zelfs in de arbeidersklasse vindt men vier onderverdelingen: vrouwen, landarbeiders, ongeschoolden en gespecialiseerden. Deze verschillen vertegenwoordigen vier soorten uitbuiting. Ze zijn niets anders dan het resultaat van de door de bourgeoisie georganiseerde productie! In een maatschappij van gelijken waar allen een vak kunnen leren en waar exploitatie van de vrouw door de man, van de boer door de industrieel zal ophouden, zullen de klassen verdwijnen. De bourgeoisie heeft het voordeel van het gedeeltelijk toepassen van het communisme zeer goed begrepen: verenigd met een bijna totale vrijheid van het individu ‘wat betreft consumptie’ belast men zich ermee te voorzien in al uw behoeften...

We hebben ook de reeks van stedelijke voorzieningen: water, gas, elektriciteit, arbeiderswoningen, trams met eenheidstarief, badhuizen enzovoort. Hier worden consumptieartikelen op grote schaal gesocialiseerd. Natuurlijk is dat nog geen communisme, maar het beginsel dat aan bovengenoemde nutsvoorzieningen ten grondslag ligt bevat een stuk communistisch denken. Voor een bijdrage van zoveel per jaar (altijd in geld, in arbeid van gisteren) hebt u het recht die of die categorie van uw behoeften te bevredigen, behalve de hele dure. Dit schetsje mist te veel om communistisch te zijn. Het essentiële vooral; de vaste betaling gebeurt in geld in plaats van in arbeidsuren en de consumenten hebben geen zeggenschap in het bestuur van de onderneming.

Het falen van de kleine communistische communes

Bijna alle communes werden opgericht uit quasi-religieuze geestdrift. Men wilde ‘pioniers van de mensheid’ worden door zich te onderwerpen aan uitvoerige regels van moraal, geheel op te gaan in het communeleven en alle tijd daaraan te geven. Dat was klinkklare nonsens. Het was hetzelfde wat monniken doen, namelijk zonder enige noodzaak vragen aan mensen te zijn wat ze niet zijn. Pas nu worden communes gesticht door anarchistische arbeiders zonder enige pretentie, met een zuiver economisch doel, namelijk het zich onttrekken aan de exploitatie door werkgevers. Een andere fout was dat men de commune altijd wilde vormen op basis van het gezin. Men maakte er één grote familie van. Men leefde onder één dak, men was genoodzaakt steeds te leven in gezelschap met dezelfde ‘broeders en zusters’. Zo’n kleine gemeenschap kan niet blijven bestaan. De ‘broeders en zusters’, gedwongen om altijd samen te zijn, zullen door de schaarste aan indrukken die hen omringen elkaar gaan verfoeien. Men moet vooraf begrijpen dat een gemeenschap van tien, twintig of honderd mensen niet langer kan duren dan drie of vier jaar. Als ze langer duurde zou dit zelfs te betreuren zijn: het zou aangeven dat allen zich lieten onderdrukken door een enkeling of dat allen hun individualiteit hebben verloren. Juist omdat een deel der leden de commune na drie of vier jaar wil verlaten, moet men minstens tien of meer met elkaar door een federatie verbonden communes hebben. Dan kunnen degenen die een commune willen verlaten naar een andere gaan en vervangen worden door personen uit andere communes. Ook waren alle communes tot op heden geïsoleerd van de maatschappij. Maar de behoefte om mensen te zien, om zich te werpen in de stroom der lijden, ergens voor te strijden, wordt vooral door de jonge mensen gevoeld.

Het is onnodig hieraan toe te voegen dat het gezag in welke vorm dan ook altijd het struikelblok is geweest voor communes. Dat is ook te begrijpen. De politieke haat is de ergste. We kunnen in een stad leven naast onze politieke tegenstanders als we niet gedwongen zijn ze voortdurend te ontmoeten. Maar hoe kan men leven als men elkaar in een kleine commune noodzakelijkerwijze steeds ziet. De politieke strijd wordt dan overgeplant naar de werkplaats, de ontspanningszaal enzovoort. Het samenleven wordt onmogelijk. Daarentegen is bewezen dat communistisch georganiseerde arbeid, de communistische productie, het meeste succes heeft. In geen enkel bedrijf is de overwaarde van grond gecombineerd met arbeid zo groot geweest als in de communes in Europa en Amerika.

We hebben gezien dat in grote communes zoals die van zevenduizend Doukhobors in Canada, men economisch volledig slaagde. Maar ditzelfde economische succes openbaart zich ook in een minuscuul kleine commune dicht bij Newcastle van zeven of acht arbeiders, die begonnen zijn een boerderij met drie hectares grond te huren. Na een paar jaar lukte het hun door intensieve bewerking van het land en kascultures, de drie hectares een flinke overwaarde te geven. Als zo’n kleine samenleving uiteenvalt zijn persoonlijke strubbelingen de oorzaak hiervan.

Als de bourgeoisie-pers spottend voorstelt de anarchisten een eiland te geven om er een commune te stichten dan willen we dit voorstel direct aanvaarden, op voorwaarde dat dit eiland bijvoorbeeld het Ile-de-France (Parijs) is. En dat we na schatting van het sociale kapitaal daarvan ons deel krijgen. Maar we weten dat men ons noch het Ile-de-France noch ons deel van het sociale kapitaal zal geven om een eerlijk communistisch experiment te doen slagen. We zullen er voor ijveren dat het volk op de dag van de sociale revolutie beide neemt. Parijs en Barcelona 1871 waren daar niet zover vanaf.

Impliceert het communisme vermindering van individuele vrijheid?

Onze gedachten over vrijheid worden beneveld door overblijfsels van eeuwen slavernij en religieuze onderdrukking. De economen hebben het contract tussen de arbeider en z’n baas, gesloten onder de dreiging anders te verhongeren, voorgesteld als een vrije overeenkomst. De toestand waarin de burger zich nu bevindt als onderdanige en belastingplichtige van de staat, noemen de politici vrijheid. Deze onderwerping vrijheid te noemen wordt wel steeds moeilijker. Toch hebben de meest progressieve moralisten zoals John Stuart Mill en vele van zijn leerlingen vrijheid gedefinieerd als het recht om alles te doen, behalve datgene wat gelijke vrijheid van anderen belemmert.

Zonder er over te vallen dat het woord ‘recht’ een zeer verward erfstuk is uit het verleden: de stelling van Mill heeft de filosoof Spencer en een groot aantal andere schrijvers, zelfs enige ‘individualistische’ anarchisten ertoe gebracht te ijveren voor rechtbank en wettelijke straffen, tot zelfs de doodstraf toe.

Als we nu de onbewuste handelingen terzijde leggen en alleen de bewuste onder de loep nemen waarop wetten, religies en strafstelsels invloed proberen uit te oefenen, dan zien we dat elke handeling voorafgegaan wordt door een discussie in de menselijke hersenen, bijvoorbeeld: ‘Ik zal mijn baan verliezen als ik niet naar mijn werk ga.’ Deze overdenking impliceert angst voor bestraffing. Als een mens zich genoodzaakt ziet te denken: ‘Ik zie af van dit genoegen uit angst voor straf,’ dan is hij geen vrij mens. Wij stellen dat de mensheid zich kan en moet bevrijden van angst voor bestraffingen en dat ze een anarchistische maatschappij kan vormen waarin deze angst en zelfs het ongenoegen om berispt te worden zullen verdwijnen. Wij vinden dus geen andere definitie van vrijheid dan deze: De mogelijkheid om te handelen zonder in onze beslissingen geleid te worden door angst voor een bestraffing door de gemeenschap.

Als we vrijheid zo opvatten — we betwijfelen of men een ruimere en tegelijkertijd zuiverder definitie van vrijheid kan vinden — kunnen we met zekerheid stellen dat communisme alle individuele vrijheid kan verminderen, zelfs totaal vernietigen, maar dat het die vrijheid ook kan uitbreiden tot aan haar uiterste grenzen. Alles hangt af van de basisideeën waarop onze samenleving gefundeerd wordt. Het is niet de vorm van de maatschappij die de slavernij bepaalt, het zijn de denkbeelden over individuele vrijheid die men in elke samenleving of samenwerkingsvorm meebrengt, die het vrije karakter ervan bepalen. Van alle instellingen of vormen van sociale organisatie die tot op heden uitgeprobeerd werden, is het communisme de vorm die de meeste vrijheid waarborgt voor het individu, als tenminste het basisidee van de gemeenschap de gelijke vrijheid en de afwezigheid van gezag is. Het communisme kan alle vormen van vrijheid of onderdrukking aannemen. Het kan een klooster voortbrengen waarin allen blindelings gehoorzamen aan de superieur, maar het kan ook een volkomen vrije gemeenschap in het leven roepen waar elk individu zijn vrijheid wordt gelaten: een gemeenschap die niet langer duurt dan de leden willen. Het kan een autoritair georganiseerde zijn, in welk geval de gemeenschap snel uiteen valt, en het kan een anarchistische zijn. De staat kan dit echter niet, hij is autoritair of hij houdt op staat te zijn.

Het communisme waarborgt beter dan welke productievorm ook de economische vrijheid. Het garandeert voor allen welzijn en zelfs luxe, terwijl van de mens slechts enkele uren arbeid per dag gevraagd worden in plaats van de hele dag; met de moderne productiemiddelen kan dat. In een communistische samenleving zou de mens minstens over tien uur vrije tijd kunnen beschikken. Dat zou al een bevrijding zijn van de zwaarste dienstbaarheid die op de mens drukt. Allen als gelijken te erkennen en af te zien van het regeren van de ene mens over de andere, ook dat is verruiming van de vrijheid in een mate waartoe andere maatschappijvormen zelfs in hun stoutste dromen niet zijn gekomen. Ze wordt echter pas mogelijk als de eerste stap gedaan is. Als de mens van zijn bestaan verzekerd is en niet gedwongen zijn energie en zijn intelligentie te verkopen aan degene die er uit winstbejag een fooi voor geeft. Eindelijk te erkennen dat de grondslag voor alle vooruitgang gelegen is in de verscheidenheid van bezigheden. In het zich organiseren op een manier waardoor de mens geheel vrij is in zijn eigen tijd, maar ook van werk kan veranderen. Zijn jeugd moet hem op deze variaties voorbereiden. Dit alles is gemakkelijk te verwezenlijken in een communistisch stelsel.

Er zijn ongetwijfeld communes of grotere samenlevingsverbanden gevormd waarop direct beslag gelegd werd door ‘misdadigers van het gezag’. Vele communes werden gesticht door de mensen met een manie voor staatsgezag. Maar het is niet de communistische ideologie die hen voortgebracht heeft, het is het christendom (in essentie bijzonder autoritair) en het Romeinse recht. Het verheerlijken van de staat door de mens is een voortdurende bedreiging van de vrijheid. In tegenstelling tot het communisme, dat pleit voor productie en consumptie zonder precies te bepalen wat ieder daaraan heeft bijgedragen.

Als bij uitstek economische leer beslist het communisme nog niets over het deel vrijheid dat gewaarborgd wordt voor het individu, de initiatiefnemer en degenen die zich verzetten tegen gewoonten die dreigen vast te roesten. Het communisme kan autoritair zijn, wat onvermijdelijk zou leiden tot het kapotgaan van de gemeenschap. Het kan vrijheidslievend zijn, wat in de twaalfde eeuw zelfs met een begin van communisme in de jonge steden leidde tot het ontstaan van een nieuwe energieke cultuur, een verjonging van Europa.

De enige duurzame vorm van communisme is die waarin met het oog op intensieve contacten tussen burgers, alles gedaan wordt om de vrijheid van het individu in alle richtingen uit te breiden. Onder invloed van dit idee zou de vrijheid van het individu — vergroot met de verkregen vrije tijd — niets meer ingeperkt worden dan nu gebeurt door gemeentelijke energie- en andere sociale voorzieningen.

Met het anarchisme als doel en middel wordt het communisme mogelijk. Zonder dat zou het onvermijdelijk in slavernij ontaarden en als zodanig niet meer bestaan.