Paul Lafargue

Het recht op luiheid

Weerlegging van ‘het recht op arbeid’ van 1848



Geschreven: 1883
Bron: Brochure van uitgeverij de Dolle Hond, Amsterdam
Vertaling: A.L. Constandse
Eerste versie: Le droit à la paresse, 1880
Deze versie: Spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, augustus 2006


Voorwoord

In de boezem van de commissie voor het lager onderwijs van 1849 zei de heer Thiers: “Ik wil de invloed van de geestelijkheid almachtig maken, omdat ik op haar reken om deze goede filosofie te verbreiden die de mens leert dat hij hier op aarde is om te lijden en niet die andere filosofie die integendeel tot de mens zegt: geniet.” De heer Thiers omschreef aldus de moraal van de burgerlijke klasse, waarvan hij het wrede egoïsme en het bekrompen verstand belichaamde.

Toen de bourgeoisie streed tegen de adel die ondersteund werd door de geestelijkheid kwam zij openlijk op voor het vrije onderzoek en het atheïsme, maar nadat zij had overwonnen veranderde zij van toon en gedrag. Thans beoogt zij haar economische en politieke opperheerschappij met de godsdienst te schragen. In de vijftiende en zestiende eeuw had zij blijmoedig de heidense traditie hervat en verheerlijkte zij het vlees en zijn hartstochten die door het christendom werden afgewezen; in onze dagen, nu zij overvol is van goederen en vreugden, verloochent zij het onderricht van haar eigen denkers, mannen zoals Rabelais en Diderot, en predikt zij aan de loondienaren de onthouding. De kapitalistische moraal, een deerniswekkende parodie op de christelijke zedenleer, treft met haar banvloek het lijf van de arbeider, zij stelt zich als ideaal de voortbrenger te doen berusten in het uiterste minimum aan behoeften, zijn vreugden en hartstochten te doden en hem te veroordelen tot de rol van een machine die zonder rust of genade arbeid levert.

De revolutionaire socialisten moeten de strijd hervatten die de filosofen en pamflettisten van de bourgeoisie gestreden hebben, zij moeten ten aanval trekken tegen de moraal en de sociale theorieën van het kapitalisme, zij behoren in de hoofden van de klasse die tot de daad wordt opgeroepen de vooroordelen te slopen die door de heersende klasse daarin zijn gezaaid, zij moeten in het gezicht van de huichelaars van elke moraal verkondigen dat de aarde zal ophouden het tranendal te zijn van de arbeider, dat in de communistische maatschappij van de toekomst die we ‘vreedzaam indien mogelijk, en anders met geweld’ zullen vestigen aan de menselijke hartstochten de vrije teugel gelaten zal worden, want “alle zijn zij van nature goed, we hebben niets te vermijden dan hun verkeerde aanwending en hun buitensporigheden"[1] en die zullen slechts worden vermeden door hun onderlinge opheffing door de harmonische ontwikkeling van het menselijk organisme, want, aldus doctor Beddoe, “slechts wanneer een ras zijn maximum aan fysieke ontwikkeling bereikt stijgt het tot zijn hoogtepunt van geestkracht en zedelijk vermogen”. Dit was ook de mening van de grote natuurkundige Charles Darwin [2]

De weerlegging van het Recht op arbeid die ik opnieuw publiceer met enige aanvullende noten verscheen in het weekblad l’égalité van 1880, in de tweede serie.

Gevangenis van Sainté-Pélagie, 1883
P.L.


Laten we lui zijn in alle dingen,
behalve in het lief hebben en drinken,
behalve in het luieren.
Lessing

I
Een rampzalig dogma

Een zonderlinge waanzin heeft de arbeidersklasse bevangen van de landen waarin de kapitalistische beschaving overheerst. Deze verdwazing sleept in haar gevolg de individuele en sociale ellenden mee die sinds twee eeuwen het droeve mensdom martelen. Deze waanzin is de liefde voor de arbeid, de woedende hartstocht om te werken, voortgezet tot aan de uitputting van de levenskrachten van de enkeling en zijn nakomelingschap. In plaats van tegen deze geestelijke afwijking in te gaan hebben de priesters, de economen, de moralisten de arbeid allerheiligst verklaard. Als verblinde en beperkte mensen hebben zij wijzer willen zijn dan hun God; als zwakke en verachtelijke lieden hebben ze in ere willen herstellen hetgeen hun God had vervloekt. Ik, die niet belijd christen te zijn, noch in economisch noch in moralistisch opzicht, ik teken van hun oordeel hoger beroep aan bij hun eigen God, en eerder dan op de voorschriften van hun godsdienstige, economische, vrijdenkende moraal die zij prediken beroep ik mij op de afschrikwekkende gevolgen van de arbeid in de kapitalistische samenleving.

In de kapitalistische maatschappij is de arbeid de oorzaak van alle geestelijke verwording, van alle organische misvorming. Vergelijk het volbloedpaard uit de stallen van Rothschild, verzorgd door een bende tweehandige bedienden, met het zware werkdier uit de Normandische boerderijen dat de aarde bewerkt, de mest versjouwt, de oogst naar de schuur brengt. Bezie de edele wilde die de zendelingen van de handel en de handelaren van de godsdienst nog niet met het christendom, de syfilis en het dogma van de arbeid hebben bedorven, en bezie vervolgens onze ellendige slaven van de machines [3].

Wanneer men in ons geciviliseerde Europa een spoor wil terugvinden van de oorspronkelijke schoonheid van de mens moet men dat gaan zoeken bij de volken waar de economische vooroordelen de haat jegens de arbeid nog niet hebben uitgeroeid. Spanje dat — helaas! — degenereert kan er zich op laten voorstaan minder fabrieken te bezitten dan wij gevangenissen en kazernes. Maar de kunstenaar verheugt er zich over de stoutmoedige Andalusiër te kunnen bewonderen, bruin als kastanjes, recht en buigzaam als een twijg van staal; en het mannenhart springt op bij het horen hoe de bedelaar, fier gehuld in zijn kapotte capa, hertogen van Osuna met amigo aanspreekt. Voor de Spanjaard, in wie het primitieve dier niet is afgestompt, is de arbeid de ergste vorm van slavernij [4]. De Grieken van het Grote Tijdvak hadden ook slechts minachting voor de arbeid; slechts aan de slaven was het toegestaan te werken: de vrije mens kende alleen de lichamelijke oefeningen en de spelen van de geest. Dit was dan ook de tijd dat men wandelde en ademde te midden van lieden als Aristoteles, Phidias, Aristophanes; dat was de tijd waarin een handvol dapperen te Marathon de horden verpletterde uit Azië dat Alexander weldra zou veroveren. De wijsgeren van de Oudheid onderwezen de verachting voor de arbeid, deze vernedering van de vrije mens — de dichters bezongen de luiheid, dit geschenk der Goden: ‘O Meliboe Deus nobis haec otia fecit’ [5].

Christus predikte in zijn bergrede de luiheid: ‘Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze? (Mattheus 6:29). Jehovah, de baardige en afstotende god gaf zijn aanbidders het verhevenste voorbeeld van de ideale luiheid: na zes dagen van arbeid rustte hij voor de eeuwigheid uit.

Welke zijn daartegenover de volksrassen waarvoor de arbeid een levensnoodzaak is? De Auvergnaten; de Schotten, deze Auvergnaten van de Britse eilanden; de Galiciërs, deze Auvergnaten van Spanje; de Chinezen, deze Auvergnaten van Azië [6]. Welke zijn in onze maatschappij de klassen die de arbeid minnen om de arbeid? De bezittende boeren, de kleine burgers: genen gebogen over hun akkers, dezen geknecht in hun winkels, wroeten nog als de mol in zijn onderaardse gang en verheffen zich nooit om op hun gemak de natuur te bewonderen.

En toch heeft het proletariaat, de grote klasse die alle voortbrengers van de geciviliseerde volken omvat, de klasse die — door zichzelf te bevrijden — de mensheid moet verlossen van de verslavende arbeid en die van het menselijke dier een vrij wezen moet maken, toch heeft het proletariaat, door zijn instincten te verraden en zijn historische zending te verloochenen, zich laten verderven door het dogma van de arbeid. Wreed en verschrikkelijk is zijn bestraffing geweest. Alle individuele en sociale ellenden zijn geboren uit zijn hartstocht voor de arbeid.

II
Zegeningen van de arbeid

In 1770 verscheen in Londen een anoniem geschrift getiteld An Essay on Trade and Commerce. Het maakte toentertijd een zeker gerucht. De schrijver ervan, een groot mensenvriend, was er over verontwaardigd dat “het industriële gepeupel van Engeland zich het waandenkbeeld in het hoofd had gezet dat alle individuen die het volk samenstellen (in hun hoedanigheid van Engelsen en door hun geboorterecht) het voorecht hebben vrijer en onafhankelijker te zijn dan de arbeiders van welk ander land van Europa ook. Deze opvatting kan haar nut hebben voor soldaten wier dapperheid aldus wordt aangewakkerd maar hoe minder de fabrieksarbeiders er mee behept zijn hoe beter dat is voor henzelf en voor de staat. Arbeiders zouden zich nooit als onafhankelijk mogen beschouwen van degenen die boven hen staan. Het is uitermate gevaarlijk dergelijke bevliegingen aan te moedigen in een handelsstaat als de onze, waarin misschien zevenachtste van de bevolking slechts weinig of geen eigendom heeft. De genezing zal niet volledig zijn zolang onze armen uit de industriecentra er niet in zullen berusten zes dagen te werken voor dezelfde som gelds die ze nu in vier dagen verdienen.”

Op deze wijze, bijna een eeuw voor Guizot [7], predikte men in Londen openlijk de arbeid als een rem op de edele aandriften van de mens. Op 5 mei 1807 schreef uit Osterode [8] Napoleon: “Hoe meer mijn volken zullen werken, hoe minder ondeugden er zullen zijn... Ik ben het gezag... en ik zou geneigd zijn te bevelen dat des zondags nadat de erediensten voorbij zijn de winkels weer geopend zouden worden en de arbeiders weer aan het werk zouden gaan”. Om de luiheid uit te rukken en de gevoelens van fierheid en onafhankelijkheid welke zij kweekt neer te drukken, stelde de schrijver van de Essay on Trade voor de armen op te sluiten in ideale werkhuizen (ideal workhouses) die ‘huizen met een schrikbewind’ zouden worden “waarin men veertien uur per dag zou laten werken, zodat — de tijd der maaltijden afgetrokken — er twaalf volle en volledige werkuren zouden overblijven”.

Twaalf uur arbeid per dag, dat was het ideaal van de filantropen en moralisten uit de achttiende eeuw. Hoezeer hebben we dit ‘nec plus ultra’ al achter ons gelaten! De moderne werkplaatsen zijn ideale verbeteringshuizen geworden, waarin men de werkende massa’s opsluit, waarin men ze gedurende twaalf en veertien uur tot dwangarbeid veroordeelt, niet slechts de mannen maar ook de vrouwen en kinderen [9]. En dan te moeten zeggen dat de zonen van de helden van de Terreur [10] zich zodanig door de religie van de arbeid hebben laten verlagen dat ze na 1848 als een revolutionaire overwinning de wet hebben aanvaard die de arbeid in de werkplaatsen tot twaalf uur beperkte; zij proclameerden als een revolutionair beginsel het ‘recht op arbeid’. Schande over het Franse proletariaat! Alleen slaven zouden tot zulk een laagheid in staat zijn geweest. Er zouden twintig jaar van kapitalistische civilisatie nodig zijn geweest voor een Griek uit de heldhaftige tijden om zulk een vernedering te bedenken.

En als de smarten van de dwangarbeid, als de kwellingen van de honger zich op het proletariaat hebben gestort, talrijker dan de sprinkhanen uit de Bijbel, dan heeft deze vernedering ze over hen aangeroepen.

De arbeid die in juni 1848 de arbeiders eisten met de wapens in de hand hebben zij ook opgelegd aan hun gezinnen; zij hebben hun vrouwen en kinderen aan de industriebaronnen uitgeleverd. Met hun eigen handen hebben zij hun huiselijke haard afgebroken, met hun eigen handen hebben zij de melk van hun vrouwen doen opdrogen: deze ongelukkigen die zwanger waren of haar zuigelingen zoogden hebben in de mijnen en fabrieken de ruggen moeten krommen en haar zenuwen moeten uitputten, met hun eigen handen hebben de arbeiders het leven en de kracht van hun kinderen gebroken.

Schande over de proletariërs! Waar zijn die kloeke huismoeders gebleven van wie onze middeleeuwse vertellingen en onze oude verhalen spreken, stoutmoedig in het gesprek, zonder blad voor de mond en niet vies van de fles?[11] Waar zijn die vrolijke vrouwtjes, altijd op stap, altijd aan het bekokstoven, altijd aan het zingen, altijd aan het uitzaaien van leven, bezig vreugde te verwekken, zonder pijnen gezonde en sterke kinderen te baren?... Thans hebben wij meisjes en vrouwen uit de fabriek, schamele bloemen met bleke kleuren, het bloed zonder rode schittering, de maag ontredderd, de ledematen verkwijnd!... Zij hebben nooit het stoere plezier gekend en zouden niet lustig kunnen vertellen hoe zij eens ontmaagd zijn geworden! En de kinderen? Twaalf uur arbeid voor de kinderen! Deze ellende! Maar alle Jules Simon’s van de Academie voor de wetenschappen der politieke moraal, alle Germiny’s van de Jezuïeterij hadden geen ondeugd kunnen uitvinden die afstompender was voor het verstand der kinderen, verderfelijker voor hun instincten, verwoestender voor hun organisme dan de arbeid in de verpeste atmosfeer van de kapitalistische werkplaats.

Ons tijdperk, zegt men, is de eeuw van de arbeid; het is inderdaad de eeuw van de smart, van de ellende en het bederf.

En niettemin hebben de burgerlijke filosofen en economen, van de pijnlijk verwarde Auguste Comte tot aan de bespottelijk klare Leroy-Beaulieu, de burgerlijke letterkundigen van de kwakzalverachtig romantische Victor Hugo tot aan de kinderlijk bespottelijke Paul de Kock... allen hebben de walgelijke liederen aangeheven ter ere van God Vooruitgang, oudste zoon van God Arbeid. Als men ze hoort zou het geluk op aarde op het punt staan te regeren: men kon de komst ervan al ruiken. Ze gingen in de voorbijgegane eeuwen vorsen in de feodale stof en ellende om tegen de sombere achtergronden van voorheen de geneugten der huidige tijden beter te doen uitkomen. Hoe hebben ze ons verveeld, die zatgevreten, die voldane kerels, tot voor kort nog leden van het dienstpersoneel der grote edellieden, thans letterknechten van de bourgeoisie, met vette jaargelden... hoe hebben ze ons de keel uitgehangen met de boer van de woordenkramer La Bruyère! Welnu, hier is dan het schitterende tafereel van de proletarische genietingen in het jaar van kapitalistische vooruitgang 1840, geschilderd door een van hen, door doctor Villermé, lid van het Institut Français, dezelfde die in 1848 deel uitmaakte van dit genootschap van geleerden (Thiers, Cousin, Passy, Blanqui — de académicien — behoorden er toe) dat onder de massa’s de dwaasheden van de burgerlijke economie en moraal propageerde [12].

Dr. Villermé spreekt van de industriële Elzas, de Elzas van lieden als Kestner en Dollfus, deze bloemen van de filantropie en het republicanisme der nijveren. Maar laten we voordat de doctor ons het tafereel schetst der proletarische ellenden luisteren naar een Elzasser fabrikant, de heer Th. Mieg, van de firma Dollfus, Mieg en Co, terwijl hij de toestand schildert van de ambachtsman uit de vroegere nijverheid: “Te Mulhouse, vijftig jaar geleden (in 1813, toen de moderne mechanische industrie werd geboren) waren de arbeiders allen kinderen van de bodem, die woonden in de stad en in de omringende dorpen en bijna allen een eigen huis en vaak een kleine akker bezaten” [13]. Dat was de gouden tijd van de werker... Maar toen overstroomde de Elzassische industrie de wereld nog niet met haar katoentjes en maakte zij de Dollfus’ en de Koechlins niet tot miljonair. Vijfentwintig jaar later echter, toen Villermé de Elzas bezocht, had de moderne minotaurus, de kapitalistische fabriek het land veroverd; in haar geeuwhonger naar menselijke arbeidskracht had ze de arbeiders uit hun haardsteden weggerukt om hen beter te kunnen uitwringen en om beter de arbeid te kunnen uitknijpen die ze bevatten. Bij duizenden kwamen de werkers aanhollen op het gefluit van de machine. “Een groot aantal”, zei Villermé, “vijfduizend op de zeventienduizend, waren door de duurte van de huishuur gedwongen in de naburige dorpen te wonen. Sommigen huisden op twee mijl en zelfs twee en een kwart mijl van de fabriek waarin zij werkten.

In Mulhouse, in Dornach begon het werk om vijf uur des morgens en eindigde om vijf uur in de namiddag, in zomer en winter... Men moet ze elke ochtend in de stad zien aankomen en ze elke avond zien vertrekken. Onder hen zijn er een menigte bleke, magere vrouwen die blootsvoets door de modder waden en die bij gebrek aan een regenscherm als het regent of sneeuwt de onderkant van hun schorten of rokken boven over het hoofd trekken om gezicht en hals te beschermen; een nog aanzienlijker aantal jonge kinderen zijn niet minder vuil, niet minder bleek, in lompen gehuld, helemaal vet van de olie der weefgetouwen die hen bezoedelt als ze werken. Deze laatsten, beter tegen de regen beschut door de ondoordringbaarheid van hun kleren, hebben zelfs niet — zoals de vrouwen over wie we zo juist spraken — aan de arm een mand met mondvoorraad voor de dag; maar ze dragen het stuk brood dat hen moet voeden tot aan het uur van hun thuiskomst in de hand, of zij stoppen het onder hun buis of waar ze kunnen.

Zo komt zich voor deze ongelukkigen bij de vermoeienis van een mateloos lange dag — van immers minstens vijftien uur — nog de afmatting voegen van het zo veelvuldige en zo zware komen en gaan. Daar vloeit uit voort dat ze des avonds thuis komen overmand door de behoefte om te slapen en dat ze de volgende dag weer het huis uitgaan voordat ze volledig zijn uitgerust, om maar op het openingsuur in de werkplaats te zijn”.

En hier zijn dan de krotten waarin degenen waren op gehoopt die in de stad woonden: “Ik heb in Mulhouse, in Dornach en in de omgeving daarvan die ellendige vertrekken gezien waarin twee gezinnen ieder in een hoek sliepen, op stro dat op de stenen vloer was geworpen en dat door twee planken bijeen werd gehouden... Deze bittere armoe, waarin de arbeiders van de katoenindustrie in het departement van de Boven-Rijn leven is zo diep dat ze tot droevig gevolg heeft dat de helft der kinderen in de gezinnen van de wevers en de arbeiders van de katoenspinnerijen ophouden te leven voordat ze het tweede jaar bereikt hebben, terwijl in de gezinnen van de fabrikanten, handelaren, lakenkopers, fabrieksdirecteuren de helft der kinderen de leeftijd bereikt van een en twintig jaar.”

Als Villermé spreekt over de arbeid in de fabriek voegt hij er aan toe: “Dit is geen werk, geen taak, het is een kwelling, en men legt die op aan kinderen van zes tot acht jaar... Het is deze lange dagelijkse martelgang die vooral de arbeiders in de katoenspinnerijen ondermijnt.” En wat de duur betreft van de arbeid merkte Villermé op dat de dwangarbeiders van de strafkolonies slechts tien uur werkten, de slaven van de Engelsen gemiddeld negen uur, terwijl er in Frankrijk (dat de revolutie van 1789 had gemaakt, dat de hoogdravende ‘Mensenrechten’ had geproclameerd) “fabrieken bestonden waarin de werktijd zestien uur bedroeg, waarvan men de arbeiders anderhalf uur voor de maaltijden toestond"[14].

O ellendige misgeboorte van de revolutionaire beginselen der bourgeoisie! O, sombere geschenken van haar God Vooruitgang! De filantropen roepen degenen uit tot weldoeners van de mensheid die — om zich met niets doen te verrijken — werk geven aan de armen; beter ware het de pest te verbreiden en de waterbronnen te vergiftigen dan een fabriek op te richten temidden van een plattelandsbevolking. Voert de fabrieksarbeid in, dan: vaarwel vreugde, gezondheid, vrijheid, vaarwel alles wat het leven mooi maakt en waard te worden geleefd [15].

En de economen gaan dan voort tot de arbeiders te herhalen: Werkt om de maatschappelijke rijkdom te vermeerderen! Maar toch antwoordt een econoom (Destutt de Tracy) hun: “In arme landen, daar leeft het volk op zijn gemak; in de rijke landen, daar is het volk doorgaans arm”. En zijn leerling Cherbulliez vervolgt: “De arbeiders zelf dragen bij — door mee te werken aan de opeenhoping der productieve kapitalen — aan de historische ontwikkeling die hen vroeg of laat moet beroven van een deel van hun loon.” Maar daarop antwoorden de economen, verdoofd en zwakzinnig geworden door hun eigen duister gekrijs: ‘Arbeidt, arbeidt altijd om uw welzijn te scheppen!’ En uit naam van de christelijke zachtmoedigheid zingt zalvend een geestelijke van de anglicaanse kerk, de eerwaarde Towsend: “Werkt, werkt, dag en nacht; door te arbeiden doet gij uw ellende toenemen en uw ellende ontheft ons van de noodzaak u de arbeid op te leggen door de kracht van de wet. De wettelijke dwang om te werken geeft te veel moeite, eist te veel geweld en wekt te veel gerucht; de honger daarentegen is niet alleen een vreedzaam, stilzwijgend, onophoudelijk dwangmiddel, maar hij ontlokt ook — als de natuurlijkste drijfveer van de arbeid en de nijverheid — de machtigste inspanningen”.

Arbeidt, arbeidt proletariërs, om het maatschappelijke vermogen en uw individuele ellenden te vergroten. Werkt, werkt opdat gij — steeds armer wordende — meer reden hebt te werken en rampzalig te zijn. Zo is de onverbiddelijke wet van de kapitalistische productie.

Omdat de proletariërs, door het oor te lenen aan de bedrieglijke woorden van de economen, zich met lijf en ziel hebben overgeleverd aan de ondeugd van de arbeid storten zij de gehele maatschappij in de industriële crises van overproductie die het maatschappelijke bestel doorschokken. Dan, omdat er een overvloed is van koopwaar en een tekort aan kopers, worden de werkplaatsen gesloten en striemt de honger de arbeidersbevolkingen met zijn duizendvoudige zweep. De proletariërs, afgestompt door het dogma van de arbeid en zonder te begrijpen dat de overmatige arbeid die zij zichzelf hebben opgelegd in de tijd van zogenaamde welvaart de oorzaak is van hun huidige ellende, zouden naar de korenschuur moeten snellen en roepen: “We hebben honger, we willen eten, het is waar dat we geen rode duit hebben, maar hoezeer we dan ook tot bedelaars zijn geworden, wij zijn het toch die het koren hebben geoogst en de druiven hebben gelezen.”

Zij zouden de magazijnen moeten belegeren van de heer Bonnet uit Jujurieux, de uitvinder van de ‘industriële kloosters’ [16] om uit te roepen: “Meneer Bonnet, hier komen uw stijfsters, uw zijdetwijnsters, uw spinsters, uw weefsters. Zij rillen onder hun katoentjes die zo opgelapt zijn dat ze tranen ontlokken aan het oog van een jood, en toch zijn zij het die de zijden japonnen hebben gesponnen en geweven van de lichtekooien der hele christenheid. De arme stakkers hadden toen zij dertien uur per dag werkten geen tijd om aan haar toilet te denken en nu zijn ze werkloos en kunnen de zijden stoffen die zij bewerkt hebben door anderen laten ritselen. Zodra zij haar melktanden hadden verloren hebben ze zich toegewijd aan het maken van uw fortuin en hebben zij zelf in ontbering geleefd; nu hebben ze vrije tijd en willen een beetje genieten van de vruchten van hun arbeid. Kom aan, meneer Bonnet, levert u zijden stoffen, de heer Harmel zal zijn neteldoek verschaffen, de heer Pouyer-Quertier zijn katoentjes, de heer Pinet zijn laarsjes voor haar dierbare koude en vochtige voetjes... Gekleed van top tot teen en zwierig zullen zij voor u een genoegen zijn om aan te zien. Kom aan, geen uitvluchten: gij zijt een vriend van de mensheid nietwaar, en op de koop toe een christen? Stelt ter beschikking van uw arbeidsters het vermogen dat zij met het vlees van haar vlees voor u hebben opgebouwd. U bent een vriend van de handel? Vergemakkelijkt de omloop der koopwaren - de verbruikers die u zoekt zijn hier: opent hun onbeperkte kredieten. U acht u wel verplicht die te verlenen aan kooplieden die gij bij God niet kent, die u niets hebben gegeven, zelfs geen glas water. Uw arbeidsters zullen u betalen zoals zij kunnen. Als zij op de vervaldag kromme sprongen maken en weigeren haar wissels te betalen kunt u ze failliet laten verklaren, en als er bij hen niets in beslag valt te nemen moet u eisen dat ze u betalen met gebeden: ze zullen u dan naar het paradijs sturen, beter dan uw zwartrokken met hun neus die verstopt is door tabakssnuif.”

In plaats echter van te profiteren van de crisistijden ten bate van een algemene verdeling der producten en een allen omvattende jool gaan de arbeiders, terwijl zij van honger creperen, hun hoofden stoten tegen de fabriekspoorten. Zij belegeren de fabrikanten met hun bleke gezichten, vermagerde lijven, meelijwekkende vertogen: “Beste meneer Chagot, lieve meneer Schneider, geef ons werk, het is niet de honger maar de hartstocht voor de arbeid die ons kwelt!” En deze paupers die nauwelijks de kracht hebben overeind te blijven staan verkopen twaalf en veertien uur werk tweemaal zo goedkoop als toen zij brood op de plank hadden. En de industriële filantropen maar profiteren van de werkloosheid om goedkoper te fabriceren.

Terwijl de industriële crises de perioden van overmatige arbeid even noodlottig opvolgen als de nacht de dag en de gedwongen werkloosheid en de uitzichtloze ellende met zich meeslepen voeren zij ook het onverbiddelijke bankroet met zich. Zolang de fabrikant krediet heeft laat hij de vrije teugel aan de arbeidswoede, hij leent en hij leent opnieuw om de grondstoffen aan de arbeiders te verschaffen. Hij laat produceren zonder er aan te denken dat de markt overladen wordt en dat — als zijn goederen niet verkocht worden — zijn wissels toch zullen vervallen. In het nauw gedreven zal hij gaan smeken bij de jood, hij werpt zich aan zijn voeten, hij biedt hem zijn bloed, zijn eer. “Een klein beetje goud zou me beter te pas komen,” antwoordt echter de Rothschild. “U hebt twintig duizend paar kousen in voorraad, zij zijn twintig stuiver waard, ik neem ze over voor vier stuiver.” Als de jood de kousen heeft gekregen verkoopt hij ze voor zes en acht stuiver en steekt de spartelende rijksdaalders die jegens niemand verantwoording verschuldigd zijn in zijn zak. Maar de fabrikant is slechts teruggeweken in de hoop beter te kunnen aanvallen. Tenslotte komt de ineenstorting toch en de pakhuizen lopen over; dan gooit men zoveel goederen uit het venster dat men niet weet hoe ze ooit door de deur zijn binnengekomen. Op honderden miljoenen schat men de waarde van de vernietigde waren; in de afgelopen eeuw werden ze verbrand of in het water geworpen [17].

Maar alvorens tot dit besluit te komen doorkruisen de fabrikanten de wereld op zoek naar afzetgebieden voor de goederen die zich ophopen. Zij dwingen hun regering gebieden als de Congo in te lijven, zich meester te maken van gewesten als Tonkin, met kanonschoten de muren van China omlaag te halen teneinde daar hun katoentjes te kunnen afzetten. In de afgelopen eeuwen voerden Frankrijk en Engeland een strijd op leven en dood over de vraag wie het uitsluitende voorrecht zou krijgen in Amerika of Indië te verkopen. Duizenden jonge en krachtige mannen hebben de zeeën rood gekleurd met hun bloed gedurende de koloniale oorlogen van de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw.

De kapitalen zijn even overvloedig als de koopwaren. De geldschieters weten niet waar ze te investeren; ze gaan dan bij de gelukkige volken die luieren in de zon terwijl ze sigaretten roken spoorwegen aanleggen, fabrieken oprichten en de vloek van de arbeid invoeren. En deze export van Franse kapitalen eindigt op een goede dag met diplomatieke verwikkelingen: in Egypte stonden Frankrijk, Engeland en Duitsland op het punt elkaar in de haren te vliegen om uit te maken welke woekeraars het eerst betaald zouden worden; met oorlogen in Mexico waar men Franse soldaten heen stuurt om op te treden als deurwaarders om onbetaalde schulden te vorderen [18].

Deze individuele en maatschappelijke ellenden, hoe groot en onnoemlijk zij ook zijn, hoe eeuwigdurend ze ook lijken, zullen heenvlieden zoals de hyena’s en de jakhalzen bij de nadering van de leeuw wanneer het proletariaat zal zeggen: ‘Ik wil het.’ Maar opdat het proletariaat tot bewustzijn komt van zijn macht moet het de vooroordelen van de christelijke, economische of vrijdenkersmoraal met de voeten treden, het moet terugkeren tot zijn natuurlijke instincten, de ‘Rechten van de luiheid’ proclameren die duizend en duizend maal edeler en heiliger zijn dan de teringachtige ‘Rechten van de Mens’, die bekokstoofd zijn door de metafysische verdedigers van de burgerlijke revolutie. Laat het proletariaat er zichzelf toe dwingen slechts drie uur per dag te werken en de rest van de dag en de nacht niets te doen en te brassen.

Tot hiertoe is mijn taak gemakkelijk geweest: ik behoefde slechts werkelijke kwalen, aan ons allen helaas wel bekent, te beschrijven. Maar het proletariaat ervan te overtuigen dat de moraal die men het heeft ingeprent verdorven is, dat de ongebreidelde arbeid waaraan het zich sinds het begin van de eeuw heeft overgeleverd de verschrikkelijkste gesel is die ooit de mensheid heeft getroffen, dat de arbeid pas dan een bijkomende specerij zal worden van genoegens der luiheid, een weldoende oefening voor het menselijk organisme, een hartstocht die nuttig zal zijn voor het maatschappelijk organisme wanneer hij met wijsheid zal worden geregeld en beperkt zal zijn tot een maximum van drie uur per dag... dat is een zware taak die mijn krachten te boven gaat — alleen fysiologen, hygiënisten, communistische economen zouden dat kunnen ondernemen. In de bladzijden die volgen zal ik me er toe beperken aan te tonen dat men — gegeven de moderne productiemiddelen en hun onbegrensd vermogen om voort te brengen — de buitensporige hartstocht van de arbeiders voor de arbeid moet bedwingen en hen moet verplichten de producten die ze voortbrengen te verbruiken.

III
Wat er volgt op de overproductie

Een Griekse dichter uit de tijd van Cicero, Antiparos, bezong op deze wijze de uitvinding van de watermolen (voor het malen van graan) die de slavinnen zou bevrijden en de gouden eeuw zou doen weerkeren: “Spaart, o molenaarsters, uw arm die de molensteen doet draaien, en slaapt vreedzaam! Laat de haan u vergeefs waarschuwen dat de dag is aangebroken! Godin Dao heeft aan de nimfen de arbeid der slaven opgedragen en daar huppelen ze vrolijk over het rad, en daar draait de door hen in beweging gebrachte as die met zijn spaken de zware molensteen doet ronddraaien. Laten we het leven van onze vaderen leven en laten we ons in nietsdoen verheugen over de gaven die de godin verleent”. Helaas, de vrije tijd die de heidense dichter aankondigde is niet gekomen; de blinde, verdorven en moordende arbeidsdrift vervormt de bevrijdende machine in een werktuig ter verslaving van de vrije mensen: haar voortbrengingsvermogen verarmt hen.

Een goede arbeidster maakt met de spoel slechts vijf mazen per minuut, bepaalde mechanische weefgetouwen maken er dertigduizend in dezelfde tijd. Elke minuut van de machine staat dus gelijk met honderd uren werk van de arbeidster, of wel, elke minuut arbeid van de machine verschaft aan de arbeidster tien dagen rust. Wat waar is voor de textielnijverheid is min of meer van kracht voor alle industrieën die zijn vernieuwd door de moderne mechanisering. Maar wat zien we? Naarmate de machine wordt vervolmaakt en de arbeid van de mens wordt verricht met een onophoudelijk toenemende snelheid en nauwkeurigheid verdubbelt de arbeider — in plaats van zijn vroeger genoten rust te verlengen — zijn ijver alsof hij wilde wedijveren met de machine. O zinloze en moordende concurrentie!

Opdat de wedijver tussen mens en machine zijn vrije loop zou nemen hebben de proletariërs de wijze wetten afgeschaft die de arbeid van de ambachtslieden der oude gilden beperkten; ze hebben de feestdagen geschrapt [19]. Denken ze soms, omdat de voortbrengers toentertijd slechts vijf van de zeven dagen werkten, dat ze slechts zouden leven van lucht en water, zoals leugenachtige economen dat vertellen? Loop heen! Ze hadden tijd om aardse vreugden te smaken, om te vrijen en pret te maken, om vrolijk feest te vieren ter ere van de verblijdende God van de Luilakkerij. Het nu sombere Engeland, gekerkerd in het protestantisme, heette toen ‘het vrolijke Engeland’ (Merry England). Rabelais, Quevedo, Cervantes en de onbekende schrijvers van schelmenromans doen ons watertanden met hun schilderingen van die monumentale braspartijen [20] waaraan men zich toen te goed deed tussen twee veldslagen en twee verwoestingen in, en waarin alles ‘met kommen vol ging’. Jordaens en de Vlaamse school hebben ze beschreven op hun blijdschap wekkende doeken. Verrukkelijke magen als die van Gargantua [21] wat is er van u geworden? Verheven breinen die het gehele menselijke denken hebben omvat, wat is er van u geworden? We zijn er wel op achteruit gegaan en wel verworden. De mateloze ontbering, de aardappel, de vervalste wijn en de Pruisische Schnaps, slim gecombineerd met de dwangarbeid, hebben onze lichamen verzwakt en onze geestvermogens verkleind. En dan vernauwt de mens zijn maag, dan verhoogt de machine haar voortbrengingskracht, dan preken de economen ons de malthusiaanse theorie [22], de godsdienst der onthouding en het dogma van de arbeid. Men zou hun de tong moeten uitrukken en die voor de honden moeten werpen.

Omdat de arbeidersklasse zich met haar simpele goedgelovigheid heeft laten indoctrineren, omdat ze zich met haar aangeboren onstuimigheid blindelings in de arbeid en de onthouding heeft gestort, heeft de kapitalistische klasse zich veroordeeld gezien tot de luiheid en het gedwongen genot, tot de onproductiviteit en de overconsumptie. Maar terwijl de overmatige arbeid van de werker zijn vlees verwondt en zijn zenuwen foltert is die arbeid ook rijk aan smarten voor de bourgeois.

De onthouding waartoe de productieve klasse zich zelf veroordeelt verplicht de bourgeoisie zich te wijden aan de overconsumptie van de producten die het proletariaat mateloos fabriceert. In het begin van de kapitalistische productiewijze, een of twee eeuwen geleden, was de bourgeois een ingetogen man, met redelijke en vreedzame zeden... Hij stelde zich tevreden, of min of meer tevreden, met zijn vrouw. Hij dronk slechts om zijn dorst te lessen en at alleen om zijn honger te stillen. Hij liet aan de hovelingen en de paleisdames de edele deugden van het losbandige leven. Heden ten dage is er geen zoon van een parvenu die zich niet verplicht acht de prostitutie te ontwikkelen en zijn lichaam als van kwikzilver te maken om een doel te geven aan het resultaat van de zware arbeid die de arbeiders der kwikmijnen zich opleggen. Er is geen bourgeois die zich niet volpropt met kapoenen vol truffels en een goed bereide Bordeaux om de pluimveefokkers van La Flèche en de wijnbouwers van Le Bordelais aan te moedigen. Bij deze karwei vervalt echter het lichaam snel, de haren vallen uit, de tanden gaan los zitten, de romp wordt misvormd, de ingewanden zwellen in de buik, de ademhaling wordt moeilijk, de bewegingen worden bezwaarlijk, de gewrichten verstijven, de vingerkootjes worden knobbelig. Andere rijkelui, te sukkelend om de vermoeienissen te kunnen verdragen van de uitspattingen, maar begiftigd met de knobbel van het burgerlijke fatsoen en bekrompen verstand [23] stompen hun hersenen af (zoals de Garnier’s van de politieke economie, de Acollá s van de rechtsfilosofie) om dikke slaapwekkende boeken uit te broeden teneinde de vrije tijd in beslag te nemen van de zetters en drukkers.

De vrouwen uit de hoge wereld leven een martelarenleven. Om de feeërieke toiletten die de naaisters zich uitsloven te vervaardigen te passen en goed te doen uitkomen schieten ze van de avond tot de ochtend van de ene japon in de andere. Urenlang leveren ze haar lege hoofden over aan de haarkunstenaars die tot elke prijs hun hartstocht willen uitleven voor het opbouwen van valse kapsels. Ingeregen in haar korsetten, in te nauwe rijglaarzen, met blote boezems die een huzaar zouden doen blozen draaien ze hele nachten rond op haar liefdadigheidsbals om een paar stuivers bijeen te zamelen voor de armelui. Heilige zielen!

Om zijn dubbele sociale functie te vervullen van rietproducent en overconsument moest de bourgeois niet alleen zijn bescheiden smaak geweld aandoen, zijn gewoonte om te werken van twee eeuwen geleden verliezen en zich overleveren aan de tomeloze weelde, de misselijkmakende maaltijden en de syfilisverwekkende losbandigheden, maar hij moest ook een enorme mensenmassa onttrekken aan de productieve arbeid om zich bedienden te verschaffen.

Hier zijn enige cijfers die bewijzen hoe ontzaglijk groot dat verlies aan voortbrengingskrachten is. Volgens de volkstelling van 1861 omvatte de bevolking van Engeland en Wales 20.066.224 personen, van wie 9.776.259 van het mannelijke en 10.289.965 van het vrouwelijke geslacht. Als men hiervan aftrekt wie te oud of te jong zijn om te werken, de vrouwen, de aankomende jongeren en de kinderen die niet productief zijn, verder de ‘ideologische’ beroepen zoals die van gouvernantes, politie, geestelijkheid, rechterlijke macht, leger, prostitutie, kunsten, wetenschappen enzovoort, vervolgens de lieden die uitsluitend bezig zijn de arbeid van anderen op te eten in de vorm van huur van onroerende goederen, interest, dividend en dergelijke... dan blijven er ruw geschat acht miljoen enkelingen van beide geslachten en allerlei leeftijden over, inbegrepen de kapitalisten die een rol spelen bij de voortbrenging, de handel, het geldwezen en wat dies meer zij. Op deze acht miljoen telt men:


Agrarische werkers, met inbegrip van de herders, de boerenknechten en meiden die bij de boer inwonen: 1.098.261.
Arbeiders van de katoen-, wol-, hennep-, vlas-, zijde- en breifabrieken: 624.607.
Arbeiders uit de steenkool- en ertsmijnen: 565.835.
Metaalarbeiders (hoogovens, walserijen enz.): 396998.
Huispersoneel: 1.208.648.

“Als we de textielarbeiders en de mijnwerkers bij elkaar optellen krijgen we het cijfer van 1.208.442; als we de eersten en die van de metaalfabrieken optellen krijgen we een totaal van 1.093.605 personen — dat wil zeggen telkens een kleiner getal dan dat van de moderne huisslaven. Dat is het prachtige resultaat van de kapitalistische exploitatie der machines” [24]. Bij heel deze klasse van bedienden, waarvan de omvang de hoogte aanduidt die door de kapitalistische beschaving is bereikt, moet men de talrijke klasse voegen van de ongelukkigen die uitsluitend bestemd zijn voor de bevrediging van de verkwistende en ijdele begeerten der rijke klassen: diamantslijpers, kantwerksters, borduursters, boekbinders van luxe-uitgaven, naaisters van luxekleding, stoffeerders van lustverblijven enzovoort [25].

Eenmaal neergehurkt in de volstrekte luiheid en gedemoraliseerd door de gedwongen genietingen heeft de bourgeoisie zich gewend aan haar nieuwe levenswijze, ondanks het kwaad dat zij ervan ondervond. Met afgrijzen zag zij elke verandering tegemoet. De aanblik van de ellendige levensvoorwaarden die met berusting door de arbeidersklasse werden aanvaard en die van de lichamelijke verwording veroorzaakt door de verdorven hartstocht voor de arbeid, vermeerderden nog de weerzin der bourgeoisie tegen elke arbeidsdwang en tegen elke beperking van genietingen.

Juist toen zetten de proletariërs zich in het hoofd aan de kapitalisten de arbeid op te leggen, zonder rekening te houden met de demoralisatie die de bourgeoisie zich als een maatschappelijke plicht had voorgeschreven. De onnozelen, zij namen de theorieën over de arbeid van de economen en de moralisten ernstig en zij gordden zich ten strijde om de praktijk ervan aan de kapitalisten zelf op te leggen. Het proletariaat hief de leuze aan: ‘Wie niet werkt zal niet eten.’ In 1831 kwam Lyon in opstand voor ‘lood of werk’. De gefedereerden van de Parijse Commune van maart 1871 verklaarden dat hun opstand de ‘Revolutie van de arbeid’ was.

Op deze losbarstingen van barbaarse woede die vernietigend was voor alle burgerlijke genot en luiheid konden de kapitalisten slechts antwoorden met de wreedste onderdrukking, maar ze weten dat — al hebben zij die revolutionaire uitbarstingen kunnen bedwingen — zij in het bloed van hun reusachtige moordpartijen niet het ongerijmde denkbeeld van het proletariaat hebben kunnen verdrinken de arbeid te willen opleggen aan de klassen van leeglopers en tafelschuimers. En om dit ongeluk af te wenden omgeven dezen zich met lijfwachten, politietroepen, overheidspersonen, en cipiers die in hun actieve improductiviteit onderhouden worden. Men kan zich geen illusie meer maken over de aard der moderne legers: zij worden slechts blijvend gehandhaafd om de ‘binnenlandse vijand’ te bedwingen — vandaar dat de forten van Parijs en Lyon niet gebouwd zijn om de stad te verdedigen tegen vreemde troepen maar om haar te verpletteren in geval zij in opstand komt. En als men een afdoend voorbeeld zou behoeven laten we dan wijzen op het leger van België, dit luilekkerland van het kapitalisme: zijn neutraliteit is gegarandeerd door de Europese mogendheden en toch is zijn leger een van de sterkste in verhouding tot zijn bevolking. De roemrijke slagvelden van het dappere Belgische leger zijn de vlakten van de Borinage en van Charleroi; in het bloed van de ongewapende mijnwerkers en arbeiders dompelen de Belgische officieren hun zwaarden en zo verzamelen zij hun epauletten. De Europese landen hebben geen nationale legers maar huurtroepen, en deze beschermen de kapitalisten tegen de volkswoede die hen zou willen veroordelen tot tien uur werk in de mijnen of in de spinnerijen.

Door zich zelf de buik in te snoeren heeft de arbeidersklasse dus bovenmatig de buik doen uitzetten van de bourgeoisie die tot overconsumptie is gedoemd. Om haar moeilijke taak te laten verlichten heeft de bourgeoisie uit de arbeidersklasse een grote groep mensen gehaald die zeer veel hoger staan dan de massa die bestemd bleef voor de nuttige productie, en zij heeft deze groep op haar beurt veroordeeld tot onproductiviteit en overconsumptie. Maar die kudde van nutteloze eters is niet voldoende, ondanks haar onverzadigbare vraatzucht, om alle goederen te verbruiken die worden geproduceerd door de arbeiders die — afgestompt door het dogma van de arbeid — er niet over nadenken of men wel mensen zal vinden om ze op te maken.

Tegenover deze dubbele waanzin der arbeiders, zich uit te putten door overmatige arbeid en het bestaan voort te slepen in onthouding, is het grote vraagstuk van de kapitalistische productie niet meer om voortbrengers te vinden en hun krachten te vertienvoudigen, maar verbruikers te ontdekken, hun begeerten aan te wakkeren en bij hen kunstmatige behoeften te scheppen. Omdat de Europese arbeiders die rillen van kou en van honger weigeren de stoffen te dragen die zij weven en de wijnen te drinken die zij oogsten moeten de arme fabrikanten als dollen naar onze tegenvoeters hollen om uit te zoeken wie de kleren moet dragen en wie de wijnen kan drinken: voor honderden miljoenen en miljarden exporteert Europa elk jaar naar de vier hoeken van de wereld, naar volksstammen die daar volstrekt geen behoefte aan hebben [26]. Maar de doorzochte vastelanden zijn niet uitgestrekt genoeg meer, men heeft onbetreden gebieden nodig. De Europese fabrikanten dromen dag en nacht van Afrika, van het Saharameer, de Soedanspoorweg. Met spanning volgen zij de vorderingen van de Livingstone’s, de Stanley’s, de Duchaillu’s, de Debrazza’ s. Met open mond luisteren zij naar de verbazingwekkende verhalen van deze moedige ontdekkingsreizigers. Hoeveel onbekende wonderen verbergt het ‘zwarte continent’! Velden zijn bezaaid met olifantstanden, rivieren van kokosolie voeren lovertjes mee van goud, miljoenen blote konten, naakt als het gelaat van Dufaure of van Girardin [27] wachten op katoentjes om kennis te maken met het fatsoen, flessen brandewijn en bijbels om de deugden van de beschaving te leren kennen.

Maar alles blijft onvoldoende: bourgeois die zich vol stoppen, de klasse van het huispersoneel die de voortbrengende klasse overtreft, vreemde en barbaarse volken die men volpropt met Europese waren, niets kan er in slagen de bergen van producten af te zetten die zich ophopen, hoger en geweldiger dan de piramiden van Egypte: de productiviteit van de Europese arbeiders daagt elke consumptie, elke verkwisting uit. De dol geworden fabrikanten weten niet meer waar ze het zoeken moeten, ze kunnen de grondstoffen niet meer vinden om de werklieden te bevredigen. In onze departementen met wolindustrie rafelt men vuile en halfvergane vodden uit en maakt men er zogenaamde ‘renaissance lakens van die een even lange levensduur hebben als verkiezingsbeloften. In Lyon verzadigt men de zijdevezels met minerale zouten die — terwijl zij het gewicht vermeerderen — ze brokkelig maken en weinig bruikbaar, in plaats van hun eenvoud en natuurlijke soepelheid te ontzien. Al onze producten zijn vervalst om er de afzet van te vergemakkelijken en de duurzaamheid ervan te verkorten. Ons tijdvak moet ‘de eeuw van de vervalsing’ worden genoemd, zoals de eerste perioden der mensheid de namen van ‘stenen tijdperk’ en ‘bronzen tijdperk’ hebben ontvangen, naar de aard van hun productie. Onwetenden beschuldigen onze vrome industriëlen van vervalsing, terwijl de gedachte die hen bezielt in werkelijkheid is werk te verschaffen aan de arbeiders die er niet in kunnen berusten met de armen over elkaar gekruist te leven. Deze vervalsingen, die al enige beweegreden dus een gevoel van menselijkheid hebben — hoewel zij schitterende winsten opleveren aan de fabrikanten die ze toepassen, rampzalig zijn voor de hoedanigheid van de goederen en een onuitputtelijke bron van verkwisting van menselijke arbeid zijn — bewijzen de menslievende vindingrijkheid der bourgeois en de afschuwelijke ontaarding der arbeiders die om hun arbeidsdrift te bevredigen de industriëlen verplichten de stem van hun geweten te smoren en zelfs de wetten van het fatsoen in de handel te verkrachten.

En niettemin, ondanks de overproductie van goederen, ondanks de industriële vervalsingen overstelpen de arbeiders de markt onnoemlijk terwijl zij smeken: Arbeid! Arbeid! Hun overvloedige productie zou hen moeten verplichten om hun hartstocht te beteugelen — integendeel: ze drijft die tot de hoogste graad in hen op. Als zich een kans op arbeid voordoet rennen. ze er op af, dan eisen ze twaalf, veertien uur voor zich op om er zat van te kunnen zijn en de volgende dag zie je ze opnieuw de straat op gegooid zonder iets om nog hun ondeugd te kunnen bevredigen. Elk jaar komen in de industrieën de perioden van werkloosheid terug met de regelmaat der seizoenen. Op de overmatige arbeid die moordend is voor het menselijk lichaam volgt de volstrekte rust gedurende twee tot vier maanden; en geen werk meer, geen rantsoen meer. Aangezien de ondeugd van de arbeid duivels is vastgeschroefd in het hart van de arbeiders, omdat de eisen daarvan alle andere natuurlijke instincten verstikken, omdat de hoeveelheid werk die door de maatschappij wordt vereist noodgedwongen wordt beperkt door de consumptie en door de mate waarin grondstoffen voorhanden zijn... Waarom dan in zes maanden de arbeid opmaken van het hele jaar? Waarom die niet gelijkelijk verdelen over de twaalf maanden en niet elke arbeider dwingen zich tevreden te stellen met zes of vijf uur per dag gedurende heel het jaar, in plaats van zich gedurende zes maanden te overwerken met twaalf of tien uur per dag? Als de werkers verzekerd zijn van hun dagelijkse portie arbeid zullen ze elkaar niet meer benijden, noch vechten om elkaar het werk uit de handen te rukken en het brood uit de mond. Dan, niet uitgeput naar lichaam en geest, zullen zij de deugden beginnen te beoefenen van de luiheid.

Afgestompt door hun ondeugd hebben de arbeiders zich niet kunnen verheffen tot het begrip van dit feit: Dat men — om werk te hebben voor allen — men het zou moeten rantsoeneren, zoals water op een schip dat in nood verkeert. Toch hebben de fabrikanten, in naam van de kapitalistische uitbuiting, sinds lang een wettelijke beperking gevraagd van de arbeidsdag. Voor de commissie voor het beroepsonderwijs verklaarde in 1860 een der grootste werkgevers van de Elzas, de heer Bourcart uit Guebwiller, “dat de arbeidsdag van twaalf uur buitensporig was en moest worden teruggebracht tot elf uur, en dat men des zaterdags de arbeid moest beëindigen om twee uur. Ik kan” zei hij, “de aanvaarding van deze maatregel aanbevelen hoewel ze op het eerste gezicht bezwaarlijk schijnt. Wij hebben haar in onze eigen industriële vestigingen sinds vier jaar beproefd en we bevinden ons er wel bij: de gemiddelde productie, verre van te zijn verminderd, is toegenomen.” In zijn studie over De machines citeert de heer F. Passy de volgende brief van een Belgische grootindustrieel, de heer M. Ottavaere: “Onze machines, hoewel dezelfde als die uit de Engelse spinnerijen, brengen niet voort wat ze zouden moeten produceren en wat deze zelfde machines in Engeland presteren, hoewel daar de spinnerijen twee uur per dag korter werken... We werken allen twéé volle uren te veel! Ik ben overtuigd dat als men slechts elf uur werkte in plaats van dertien uur wij dezelfde productie zouden hebben en wij bijgevolg economischer zouden produceren.” Van een andere kant bevestigt de heer Leroy-Beaulieu, “dat een grote Belgische fabrikant heeft opgemerkt dat de weken waarin een feestdag valt geen geringere productie opleveren dan de gewone weken"[28].

Wat het volk in zijn simpelheid gestrikt door de zedenpredikers nooit heeft gedurfd, daartoe heeft een aristocratische regering de moed gehad. Met verachting voor de verheven morele en industriële overwegingen der economen — die als onheilspellende raven krasten dat het verminderen met één uur van de fabrieksarbeid de ondergang van de Engelse industrie zou proclameren — heeft de regering van Engeland verboden, door middel van een wet die nauwkeurig in acht wordt genomen, langer dan tien uur per dag te werken. En daarna, zoals daarvóór, is Engeland de eerste industriële natie ter wereld gebleven.

Het grote Engelse experiment is dáár, het experiment van enige verstandige kapitalisten is daar; het toont onweerlegbaar aan dat men — om de menselijke productiviteit krachtiger te maken — het aantal arbeidsuren moet verminderen en het getal der betaal- en feestdagen moet vermenigvuldigen, maar het Franse volk is daarvan niet overtuigd. Als echter een povere vermindering met twee uur per dag de Engelse productie binnen tien jaar met bijna een derde heeft vermeerderd [29], welk een duizelingwekkende vaart zal dan aan de Franse productie worden gegeven door een wettelijke beperking van de arbeidsdag tot drie uur! Kunnen de arbeiders dan niet begrijpen dat zij hun krachten en die van hun nageslacht uitputten door zich te overwerken? Dat zij, eenmaal versleten, voortijdig buiten staat zullen zijn nog te werken? Dat zij, beheerst en verdierlijkt door één enkele ondeugd geen mensen meer zijn maar afgebroken stompen van mensen? Dat zij alle mooie eigenschappen in zich doden om slechts de woeste waanzin van de arbeid welig te laten tieren?

Ach, als arcadische papegaaien herhalen zij de les van de economen: ‘Laten we werken, laten we werken om de nationale rijkdom te vergroten.’ O, idioten! Doordat gij te zwaar werkt ontwikkelt het industriële apparaat zich langzaam. Houdt op met uw gebalk en luistert naar de econoom; hij is geen hoogvlieger, het is slechts de heer L. Reybaud die we het geluk hebben gehad enige maanden geleden te hebben verloren: “In het algemeen regelt de omwenteling in de arbeidsmethoden zich naar de voorwaarden voor de handenarbeid. Zolang de handenarbeid zijn diensten levert tegen lage prijs springt men er kwistig mee om, maar men probeert hem spaarzaam te gebruiken als zijn diensten kostbaarder worden [30].

Om de kapitalisten te dwingen hun machines van hout en ijzer te vervolmaken moet men de lonen optrekken en het aantal arbeidsuren verminderen van de machines van vlees en been. De bewijzen ter bevestiging? Bij honderden kan men ze verschaffen. In de spinnerijen werd het automatische mechanisme (self acting mule) in Manchester uitgevonden en toegepast omdat de spinners weigerden even lang te werken als voorheen. In Amerika breekt de machine zich baan in alle vakken van de agrarische productie, van het fabriceren van boter af tot aan het wieden van de korenvelden. Waarom? Omdat de Amerikaan, vrij en lui, liever duizend doden zou willen sterven dan het beestenbestaan te willen leiden van de Franse boer. Het zo zware werk voor de akkerbouw in ons roemrijke Frankrijk, zo rijk aan spierpijn, is in het Amerikaanse Westen een aangenaam tijdverdrijf in de open lucht dat men zittend uitvoert terwijl men achteloos zijn pijpje rookt.

IV
Een nieuwe lente, een nieuw geluid

Als men door het aantal werkuren te verminderen voor de sociale voortbrenging nieuwe mechanische krachten verwerft en de arbeiders verplicht hun producten zelf te verbruiken, dan zal men een onmetelijk leger van arbeidskrachten verkrijgen. De bourgeoisie, dan ontlast van haar taak van universele consument, zal zich namelijk haasten de mensenmassa van soldaten, overheidspersonen, haarkunstenaars, koppelaars enzovoort, die zij onttrokken heeft aan de nuttige arbeid om haar te helpen te verbruiken en te verkwisten, af te danken. Dan zal de arbeidsmarkt overvoerd worden, dan zal men een ijzeren wet behoeven om de arbeid onder curatele te stellen: het zal onmogelijk zijn om bezigheden te vinden voor deze zwerm van voorheen onproductieve lieden, talrijker dan de bosluizen. En vervolgens zal men moeten denken aan allen die voorzagen in hun ijdele en kostbare behoeften en lusten.

Als er geen lakeien en generaals zullen zijn om van versiersels te voorzien, geen vrije en gehuwde hoeren meer om met kantwerk te bedekken, geen kanonnen meer om uit te boren, geen paleizen om te bouwen... dan zal men met strenge wetten de arbeidsters en arbeiders in de passementateliers, in de kantwerkerijen, de ijzergieterijen, de bouwwerken, moeten dwingen zich te wijden aan hygiënisch roeien en dansoefeningen tot herstel van hun gezondheid en vervolmaking van het ras. Van het ogenblik af dat de Europese producten ter plaatse worden verbruikt en niet meer naar de duivel vervoerd worden, zal het wel nodig zijn dat de vrachtrijders stil gaan zitten en leren met hun duimen te draaien. De gelukzalige Polynesiërs zullen zich dan kunnen wijden aan de vrije liefde zonder de vrees gekastijd te worden door de geciviliseerde Venus en zonder angst voor de preken van de Europese moraal.

Er is meer. Om werk te kunnen vinden voor alle nietsnutten van de huidige maatschappij, om zich de industriële machinerie onbeperkt te laten ontwikkelen, zal de arbeidersklasse evenals de bourgeoisie haar neigingen tot onthouding geweld moeten aandoen en haar verbruikscapaciteiten onbegrensd moeten ontwikkelen. In plaats van per dag een of twee ons taai vlees te kauwen — als ze al vlees gebruikt — moet ze een of twee pond sappige biefstuk eten. In plaats van vromer dan de Paus op matige wijze slechte wijn te drinken behoort zij grote en diepe glazen vol bordeaux en bourgogne te drinken, zonder industrieel doopsel, en ze zal het water overlaten aan de dieren.

De proletariërs hebben het in hun hoofd gezet aan de kapitalisten tien uur werk in de gieterijen en raffinaderijen op te willen leggen: dat is een grote fout, de oorzaak voor sociale botsingen en burgeroorlogen. Men zal de arbeid moeten verbieden en niet moeten afdwingen. De Rothschilds, de Say’s [31] zullen verlof krijgen te bewijzen dat ze hun hele leven volmaakte nietsnutten zijn geweest, en als zij zweren te willen voortleven als volmaakte nietsdoeners ondanks de algemene drang om te werken dan zullen zij als zodanig worden ingeschreven en op hun respectieve stadhuizen elke ochtend tien gulden ontvangen als zakgeld. De sociale tweedracht zal afsterven. De renteniers, de kapitalisten, alle eerste ministers zullen toetreden tot de volkspartij als zij er eenmaal van overtuigd zijn dat men — verre van hun kwaad te willen doen — hen integendeel wil bevrijden van de arbeid der overconsumptie en der verkwisting, waaronder zij van hun geboorte af gebukt gingen.

Wat de bourgeois betreft die niet in staat zijn hun aanspraken te bewijzen dat ze nietsnutten zijn geweest, hen zal men hun instincten laten volgen: er bestaan genoeg onsmakelijke beroepen om hun een baantje te bezorgen. Dufaure zou de openbare privaten kunnen schoonmaken, Galliffet zou de schurftige zwijnen en de wormzieke paarden dood mogen steken. De leden van de commissie voor het verlenen van gratie, naar Poissy gestuurd, zouden de ossen en schapen die geslacht behoren te worden van merktekens moeten voorzien. De senatoren die gehecht zijn aan begrafenispraal zouden voor doodbidder kunnen spelen. Voor anderen zou men beroepen kunnen vinden binnen het bereik van hun verstand. Lorgeril, Broglie konden champagneflessen kurken, maar men zou hen moeten muilkorven om te voorkomen dat ze zich zouden bedrinken. Ferry, Freycinet, Tirard konden in de ministeries en andere publieke herbergen de wandluizen en ander ongedierte vernietigen. Niettemin zou men de openbare gelden buiten het bereik van de bourgeoisie moeten houden uit vrees voor de haar aangeleerde gewoonten [32].

Maar een harde en langdurige wraak zal men nemen op de moralisten die de menselijke natuur hebben verdorven, op de kwezels, de schijnheiligen, de huichelaars en “andere soortgelijke sekten van diegenen die zich hebben vermomd om de wereld te bedriegen. Want terwijl zij lieden uit het gemene volk te verstaan geven dat die zich slechts bezig mogen houden met meditatie en vroomheid, met vasten en kastijding der zinlijkheid (behalve dan met wat strikt noodzakelijk is om de nederige broosheid van hun stoffelijk hulsel in stand te houden en te voeden) maken zij zelf goede sier, en God weet hoe - ‘et Curios simulant sed Bacchanalia vivunt’. Men kan het in vette en vurige letters aflezen van hun rode smoelen en hangende buiken, indien ze zich al niet met zwavel parfumeren"[33].

Op dagen van grote volksvreugde — in plaats van stof te vreten zoals op de 15e augustus en de 14e juli van het Bourgeois Tijdperk — zullen communisten en collectivisten de flessen laten rondgaan, de hammen laten opdraven en de bekers laten vliegen. De leden van de Académie der morele en politieke wetenschappen, de korte of lange rokken dragende priesters van de economische, katholieke, protestantse, joodse, positivistische en vrijdenkerskerken, alsmede de propagandisten van het malthusianisme en van de christelijke, altruïstische, onafhankelijke en slaafse zedenleer echter zullen, in het geel gekleed, kaarsen dragen tot zij er zich de vingers aan branden en uitgehongerd leven naast wellustige vrouwen en tafels die overladen zijn met vlezen, vruchten en bloemen, en zij zullen van dorst sterven naast overvloeiende tonnen. Vier keer per jaar, bij de wisseling van de seizoenen zal men hen, evenals de honden van de scharenslijpers, opsluiten in grote tredmolens en men zal hen veroordelen om gedurende tien uur wind te malen. Advocaten en rechtsgeleerden moeten dezelfde straf ondergaan.

Onder het regime van de luiheid zullen er, om de tijd te doden die ons seconde na seconde doodt, schouwspelen en toneelvoorstellingen zijn, altijd en altijd weer — dat is werk bij uitstek voor onze wetgevende bourgeois: men zal hen in troepen organiseren om de kermissen en de dorpen af te lopen terwijl zij politieke vertoningen geven. De generaals, in kaplaarzen en de borst toegetakeld met tressen, ridderorden, kruisen van het Legioen van Eer, zullen door de straten en pleinen gaan om gewillige bezoekers te werven. Gambetta en zijn handlanger Cassagnac zullen de toespraken houden voor de ingang van het theater. Cassagnac, in groot snoevergewaad, zal — terwijl hij met de ogen rolt, zijn snorren opdraait en vlammend vlas uitspuwt — iedereen bedreigen met het pistool van zijn vader en in een gat verzinken zodra men hem het portret van Lullier zal tonen. Gambetta zal redevoeringen afsteken over de buitenlandse politiek, over het kleine Griekenland dat hem de doctorsbul verleende en dat Europa in vuur en vlam zou zetten om Turkije te verloenen, over het grote Rusland dat zijn borst doet zwellen met de belofte Pruisen tot moes te slaan en dat verlangt dat ze mekaar in West-Europa bloedig te lijf gaan om zelf in het oosten zijn slag te slaan en in het binnenland het revolutionaire nihilisme te wurgen, over de heer Bismarck die goed genoeg is geweest om Gambetta te veroorloven zich uit te spreken over de amnestie. En dan, terwijl hij zijn dikke, driekleurig geschilderde buik ontbloot, zal hij daarop verzamelen trommelen en een opsomming geven van de heerlijke diertjes, de ortolanen, de truffels, de glazen Margaux en Yquem die hij heeft verzwolgen om de landbouw aan te moedigen en de kiezers van Belleville in een feestelijke stemming te houden [34].

In de kermistent zal men de voorstellingen beginnen met De verkiezingsklucht. De burgerlijke kandidaten, als hansworsten gekleed, zullen voor kiezers met houten koppen en ezelsoren de dans der politieke vrijheden dansen terwijl zij hun voor- en achterkant afvegen met hun verkiezingsprogramma’s met de veelvoudige beloften, en met tranen in de ogen zullen zij spreken over de ellenden des volks, en met koper in hun stem over de roem van Frankrijk. En de kiezerskoppen zullen eenstemmig en in koor balken: Hi ha, hi ha! Dan zal het grote stuk beginnen: De diefstal van de bezittingen der natie.

Het kapitalistische Frankrijk, een enorm wijf met behaard gelaat en een kale schedel, uitgezakt, met slappe, opgeblazen, bleke vleesmassa’s, met doffe ogen, slaperig en geeuwend, strekt zich uit op een fluwelen canapé; aan haar voeten verslindt het industriële kapitalisme — een reusachtig ijzeren gedrocht met een apenmasker — mechanisch mannen, vrouwen, kinderen, wier hartverscheurende en angstwekkende kreten de lucht vervullen. De Bank, met de snuit van een marter, het lijf van een hyena en de handen van een harpij, rooft hem handig de rijksdaalders uit zijn zak. Horden van verpauperde, uitgemergelde proletariërs in lompen, begeleid door gendarmes met de blanke sabel, opgejaagd door wraakgodinnen die hen geselen met de hongerzweep, dragen aan de voeten van het kapitalistische Frankrijk bergen van koopwaren aan: vaten wijn, zakken goud en koren. Langlois, met zijn onderbroek in de ene hand en het testament van Proudhon in de andere [35], het begrotingsboek tussen de tanden, stelt zich aan het hoofd van de verdedigers der nationale goederen en betrekt de wacht.

Als de vrachten zijn neergezet laten zij met de kolf van het geweer of met de bajonet de arbeiders verjagen en openen zij de deur voor de industriëlen, de handelaren en de bankiers. Dezen werpen zich in wanorde op de stapels, om de katoentjes, zakken koren en staven goud te verslinden en de wijnvaten te ledigen. Als ze niet meer kunnen zinken zij vuil en walgelijk neer in hun eigen drek en braaksel ... Dan barst het onweer los, de aarde beeft en opent zich: het historische noodlot komt op, met zijn ijzeren voet verbrijzelt het de hoofden van hen die hikken, wankelen, vallen en niet meer kunnen vluchten; en met zijn brede hand werpt het nu het kapitalistische, verbijsterde en van angst zwetende Frankrijk omver.

De arbeidersklasse, als zij uit haar hart de ondeugd zou uitrukken die haar beheerst en haar natuur verderft en zich zou verheffen in haar verschrikkelijke kracht, niet om de Rechten van de Mens op te eisen die slechts de rechten zijn van de kapitalistische exploitatie, niet om het Recht op Arbeid te verlangen dat slechts het recht op ellende is, maar om een ijzeren wet te smeden die aan elk mens verbiedt langer dan drie uur per dag te werken, dan zou de aarde, deze oude aarde, een nieuw universum in zich voelen opspringen... Maar hoe een manhaftig besluit te vragen aan een proletariaat dat verdorven is door de kapitalistische moraal?

Evenals Christus — de lijdende verpersoonlijking van de slavernij der Oude Wereld — bestijgen de mannen, de vrouwen, de kinderen van het proletariaat moeizaam sinds een eeuw de harde lijdensweg der smarten. Sinds een eeuw breekt de dwangarbeid hun gebeente, geselt hun vlees, foltert hun zenuwen. Sinds een eeuw martelt de honger hun ingewanden en begoochelt hun hersenen... O Luiheid, heb medelijden met onze langdurige ellende! O Luiheid, moeder der kunsten en der edele deugden, wees balsem voor de menselijke kwellingen!

Aanhangsel

Onze moralisten zijn bescheiden mensen: hoewel zij het dogma van de Arbeid hebben uitgevonden twijfelen zij aan de doeltreffendheid daarvan om hun ziel tot rust te brengen, hun geest op te vrolijken en het goed functioneren te behoeden van de nieren en andere organen; zij willen er de proef mee nemen op het volk, in ‘anima vili’ [36], alvorens dit dogma tegen de kapitalisten te keren, wier ondeugden zij tot taak hebben te verontschuldigen en te wettigen.

Maar, gij wijsgeren van dertien in het dozijn, waarom u de hersenen te pijnigen om een moraal uit te broeden waarvan u de toepassing niet durft aan te bevelen aan uw meesters? Uw dogma van de Arbeid, waar gij zo prat op gaat, wilt gij dat gehoond en gesmaad zien? Laten we dan de geschiedenis opslaan van de antieke volkeren en de geschriften van hun wijsgeren en wetgevers.

De vader van de geschiedschrijving, Herodotus, zegt: “Ik zou niet kunnen bevestigen of de Grieken de verachting die zij voor de arbeid hebben van de Egyptenaren hebben gekregen omdat ik dezelfde minachting aantref onder de Thraciërs, de Scythen, de Perzen, de Lydiërs. In één woord: omdat bij de meeste Barbaren degenen die mechanische vakken leren en zelfs hun kinderen beschouwd worden als de laagsten der burgers... Alle Grieken zijn in deze beginselen opgevoed, in het bijzonder de Lacedemoniërs” [37].

“In Athene waren burgers waarachtige edelen als zij zich slechts behoefden bezig te houden met de verdediging en het beheer van de gemeenschap, zoals de wilde krijgers van wie zij afstamden. Aangezien zij dus vrij moesten zijn om te beschikken over al hun tijd teneinde te waken over de belangen van het Gemenebest met hun geestelijke en lichamelijke kracht — belastten zij de slaven met alle arbeid. Evenals in Lacedemonië mochten zelfs de vrouwen niet spinnen of weven om geen afbreuk te doen aan haar adel"[38].

De Romeinen kenden slechts twee edele en vrije beroepen: de landbouw en de wapenen. Alle Romeinse burgers leefden rechtens op kosten van de Schatkist, zonder gedwongen te kunnen worden om in hun onderhoud te voorzien door een van de ‘sordidae artes’ (zo kenmerkten zij de ambachten), die rechtens bij de slaven pasten. Brutus de Oude beschuldigde — om het volk tot opstand te brengen — de tiran Tarquinius vooral ervan handwerkslieden en metselaars te hebben gemaakt van vrije staatsburgers [39].

De oude wijsgeren twistten over de oorsprong van de ideeën, maar zij waren het eens als het ging om de afschuw van de arbeid. “De natuur”, zegt Plato in zijn sociale utopie, in zijn modelrepubliek, “de natuur heeft geen schoenmaker of smid gemaakt, dergelijke bezigheden vernederen de lieden die zulke beroepen uitoefenen tot gemene loondienaren, naamloze ellendigen die reeds door hun positie zijn uitgesloten van politieke rechten. Wat de kooplieden aangaat, die gewend zijn te liegen en te bedriegen, men zal hen in de vrije steden slechts dulden als een noodzakelijk kwaad. De staatsburger die zich zal hebben verlaagd tot winkelnering zal voor dit misdrijf worden vervolgd. Als hij schuldig verklaard is zal hij veroordeeld worden tot een jaar gevangenisstraf. De straf zal worden verdubbeld bij elke herhaling van het misdrijf"[40].

In zijn Staathuishoudkunde schrijft Xenophon: “De lieden die zich overleveren aan de handenarbeid worden nooit tot waardigheden verheven en daarin heeft men wel gelijk. De meesten — veroordeeld om de hele dag te zitten, sommigen zelfs bloot gesteld aan een aanhoudend vuur — kunnen niet anders dan een verzwakt lichaam hebben en het is wel moeilijk te voorkomen dat de geest daaronder lijdt...”

“Wat kan er voor eerbiedwaardigs komen uit een winkel?” zo geeft Cicero te kennen. “Alles wat handel heet is een fatsoenlijk mens onwaardig... omdat de kooplieden geen winst kunnen maken zonder te liegen; en wat is er schandelijker dan de leugen! Dus men moet als iets laags en gemeens het beroep beschouwen van degenen die hun inspanning en vaardigheid verkopen, want iedereen die zijn arbeid voor geld verkoopt, verkoopt zichzelf en plaatst zich in de rij der slaven"[41].

Proletariërs, afgestompt door het dogma van de Arbeid, verstaat gij de taal van die wijsgeren die men met angstvallige zorg voor u verbergt? ‘Een staatsburger die zijn arbeid geeft voor geld verlaagt zich tot de rang der slaven, hij begaat een misdaad waarop jaren gevangenisstraf staat’.

De christelijke huichelarij en het kapitalistische profijtbeginsel hadden deze wijsgeren uit de republieken der Oudheden niet verdorven. Omdat ze zich uitspraken tegenover vrije mannen uitten zij ongekunsteld hun gedachten. Plato en Aristoteles, die reuzendenkers, tot wier enkels onze Cousin’s, Caro’s, Simon’s slechts kunnen reiken, door op hun tenen te gaan staan, wilden dat de staatsburgers van hun ideale republieken in de grootste vrijheid zouden leven want — zo voegde Xenophon er aan toe — “de arbeid ontneemt ons alle tijd en aldus heeft men geen vrije tijd voor het gemenebest en zijn vrienden”. Volgens Plutarchus was de hoofdoorzaak waarom Lycurgus, ‘de wijste der mensen’, aanspraak mocht maken op de bewondering van het nageslacht, dat hij aan de burgers der Republiek veel vrije tijd had toegestaan door hun te verbieden enig vak uit te oefenen [42].

Maar, zo antwoorden de Bastiat’s, de Dupanloup’s, de Beaulieu’s en co van de christelijke en kapitalistische moraal, deze denkers, deze wijsgeren verheerlijkten de slavernij. Dat is volkomen juist; maar kon het anders, gezien de economische en politieke omstandigheden van hun tijd? De oorlog was de normale toestand waarin de maatschappijen der Oudheid verkeerden. De vrije mens moest zijn tijd wijden aan het beraadslagen over de staatszaken en het waken over de verdediging. De ambachten waren toen te primitief en te weinig ontwikkeld opdat degenen die ze beoefenden ook het beroep van soldaat en staatsburger konden uitoefenen. Opdat de wijsgeren en de wetgevers konden beschikken over krijgslieden en staatsburgers moesten zij in hun heldhaftige republieken de slaven dulden.

Maar hemelen de moralisten en economen van het kapitalisme de loondienst niet op, deze moderne slavernij? En aan welke mensen verschaft de kapitalistische slavernij vrije tijd? Aan de Rothschild’s, de Schneider’s, aan een mevrouw Boucicaut, nutteloze en schadelijke lieden, slaven van hun ondeugden en van hun lakeien [43].

Men heeft minachtend geschreven: “Het vooroordeel der slavernij beheerste de geest van Pythagoras en Aristoteles”. En toch voorzag Aristoteles dat “als elk werktuig zonder daartoe te zijn aangezet (of wel uit zichzelf) zijn geëigende taak kon vervullen, zoals de meesterwerken van Dedalus uit zichzelf bewogen, of zoals de drievoeten van Vulcanus zich spontaan aan hun heilige taak zetten — als bijvoorbeeld de spoelen der wevers uit zichzelf gingen weven... dan zou de patroon van de werkplaats geen hulpkrachten meer nodig hebben, noch de meester slaven”.

De droom van Aristoteles is onze werkelijkheid. Onze machines met hun adem van vuur, hun onvermoeibare ledematen van staal, hun wonderdadige, onuitputtelijke vruchtbaarheid, volbrengen gedwee en uit zich zelf hun heilige arbeid. En toch blijft het vernuft van de grote filosofen van het kapitalisme beheerst door het vooroordeel van de loonarbeid, de ergste vorm van slavernij. Zij begrijpen nog niet dat de machine de verlosser is der mensheid, de God die de mens zal loskopen van de ‘sordidae artes’ en van de loonarbeid, de God die hem ledige uren zal schenken en de vrijheid.

Voetnoten

De noten, voorzien van een C., zijn toegevoegd door de vertaler. De andere zijn van de hand van de schrijver.


[1] Descartes, Les passions de l’âme.
[2] Doctor Beddoe, Memoirs of the Anthropological Society. Charles Darwin, Descent of Man.
[3] De Europese ontdekkingsreizigers staan verbaasd over de lichamelijke schoonheid en de trotse houding van de mensen uit primitieve volksstammen, nog niet bezoedeld door hetgeen Paeppig ‘de vergiftigde adem van de beschaving’ noemde. Toen Lord George Campbell gewaagde van de inboorlingen der Australische eilanden [schreef - (MIA)] hij: “Er is geen volk ter wereld dat op het eerste gezicht ons dieper treft. Hun gladde huid van een licht koperachtige tint, hun goudkleurige en gekrulde haar, hun mooie en vrolijke gelaat, in één woord hun gehele verschijning vormde een nieuw en schitterend voorbeeld van het ‘genus homo’: hun lichamelijke voorkomen gaf de indruk van een ras dat hoger stond dan het onze.” De geciviliseerde mannen van het oude Rome, lieden als Caesar en Tacitus, aanschouwden met dezelfde bewondering de Germanen van de communistische stammen die het Romeinse Rijk binnenvielen. Evenals Tacitus stelde Salvianus, de priester van de vijfde eeuw die men ‘de meester der bisschoppen’ noemde, de Barbaren ten voorbeeld aan de beschaafden en aan de christenen: ‘We zijn ontuchtig te midden van de Barbaren die kuiser zijn dan wij. Sterker nog, de Barbaren worden gekwetst door onze onkuisheden, de Gothen dulden in hun midden geen losbandigen van hun eigen volk; onder hen hebben slechts de Romeinen door het trieste voorrecht van hun afkomst en hun naam het recht onkuis te zijn. [De knapenschennis was toen zeer in zwang onder de heidenen en de christenen...] De onderdrukten gaan bij de Barbaren menselijkheid en een wijkplaats zoeken.’ (De Gubernatione Dei). De oude beschaving en het opkomende christendom verdierven de Barbaren van de oude wereld, zoals het oude christendom en de moderne kapitalistische civilisatie de wilden van de Nieuwe Wereld doen ontaarden.
De heer F. Le Play, wiens opmerkingsgave men moet erkennen zelfs wanneer men zijn sociologische conclusies verwerpt omdat die bezoedeld zijn door burgerlijk filantropisch en christelijk fatsoen, zegt in zijn boek Les ouvriers européens (1885): “De neiging van de Basjkirs voor de luiheid [de Basjkirs zijn halfnomadische herders van de Aziatische hellingen van de Oeral], de uren van ledigheid in het nomadenleven, de meditatiegewoonten die zij wekken bij de meest begaafde personen geven dezen vaak een voornaamheid van manieren, een verfijning van intelligentie en oordeel die men zelden op hetzelfde sociale niveau aantreft in een meer ontwikkelde civilisatie... Wat hun het meest tegen de borst stuit is de agrarische arbeid, en zij doen liever alles dan het beroep van landbouwer te aanvaarden”. De bewerking van de akker is inderdaad de eerste manifestatie van slavenarbeid bij het mensdom. Volgens de Bijbelse overlevering is de eerste misdadiger, Kaïn, een landbouwer geweest.
[4] Een Spaans spreekwoord zegt: ‘Descanzar es salud’ — uitrusten is gezondheid, is heil.
[5] ‘Oh Meliboeus, een God heeft ons deze ledigheid gegeven’. Vergilius, Bucolica. (Zie het Aanhangsel.)
[6] De boeren van Auvergne, die geacht worden evenals de Schotten nog ‘Keltisch bloed’ in de aderen te hebben, golden als uitermate zuinig. — C.
[7] Frans staatsman en historicus (1787-1874), zeer conservatief; werd medeverantwoordelijk geacht voor het uitbreken van de revolutie van 1848 en was de mededinger van Thiers (1797-1877) die in 1871 president van Frankrijk werd en de harde onderdrukker van de Commune van Parijs. — C.
[8] Napoleon vertoefde in Osterode (in de Duitse Harz) tijdens zijn oorlog tegen Pruisen en Rusland. — C.
[9] Op het eerste Weldadigheidscongres dat in Brussel in 1857 werd gehouden vertelde een van de rijkste fabrikanten uit Marquette bij Lille, de heer Scrive, onder applaus van de leden van het congres en met de edelste voldoening over een vervulde plicht: “We hebben enige methoden ingevoerd om de kinderen wat verstrooiing te bieden. We leren hun zingen en ook rekenen terwijl zij werken; dat leidt hen af en doet hen deze twaalf uur arbeid, die nodig zijn om hun bestaansmiddelen te verschaffen[!] moedig aanvaarden”. Twaalf uur arbeid: en wat voor werk, opgelegd aan kinderen die nog geen twaalf jaar oud zijn! De materialisten zullen altijd betreuren dat er geen hel is om er deze christenen, deze filantropen, deze kinderbeulen in vast te nagelen!
[10] ‘Terreur’ slaat hier op een der felste en bloedigste perioden uit de Franse Revolutie, 1793-1794. - C.
[11] In de Middeleeuwen inspireerde de ‘esprit gaulois’ verhalen over zinlijke en lustige vreugden. In de zestiende eeuw zal François Rabelais, op wie Lafargue zich herhaaldelijk beroept, in zijn wonderlijke avonturenverhalen over Gargantua, Pantagruel en Panurge deze uitbundige erotiek verbeeldingrijk laten herleven. — C.
[12] De auteur rekent hier af met Auguste Comte (1798-1857), als optimistisch burgerlijk socioloog een der grondleggers van het positivisme; Leroy-Beaulieu (1843-1916), in 1872 hoogleraar geworden in de politieke wetenschappen en in 1880 in de economie, conservatief verdediger van de bourgeoisie; van de genoemde letterkundigen is Victor Hugo beroemd gebleven, terwijl Paul de Kock vrijwel vergeten is, hoewel hij met succes ontelbaar vele romans schreef over het leven van de middenklassen; La Bruyère (1645-1696), auteur van op de scholen nog veel gelezen Caractères schreef o.a. over deugden van boeren en arbeiders in dienst van adellijke heren die hij vaak ironisch beoordeelde; Victor Cousin (1792-1867), vóór 1848 conservatief politicus, verder bekend als religieus filosoof; Passy (1793-1880), liberaal econoom; Adolphe Blanqui (1798-1854) burgerlijk econoom wiens broer Louis Auguste een bekend revolutionair socialist was. — C.
[13] Discours prononcé à la Société internationale d’études pratiques d’économie sociale de Paris, in mei 1863 gepubliceerd in l’Economiste français.
[14] L.-R. Villermé, Tableau de l’état physique et moral des ouvriers dans les fabriques de coton, de laine et de soie (1840). Het kwam niet doordat lieden als Dollfus, Koechlin en andere Elzasser fabrikanten protestantse republikeinen, patriotten en filantropen waren dat zij op deze manier hun arbeiders behandelden, want Blanqui, de académicien, Reybaud, het prototype van Jéróme Paturot en Jules Simon, de ‘maître Jacques’ van de politiek hebben dezelfde lieflijkheden jegens de arbeidersklasse waargenomen bij de zeer katholieke en zeer monarchistische fabrikanten van Lille en Lyon. Dit zijn nu eenmaal kapitalistische deugden die voortreffelijk samengaan met alle politieke en godsdienstige overtuigingen. [Opmerking van de vertaler: Louis Reybaud (1709-1879) was een econoom die twee satirische romans heeft geschreven waarvan de hoofdpersoon Jérôme Paturot heette; Jules Simon (1814-1896) was staatsman en premier in 1876, de periode van reactie op de Parijse Commune. Een ‘maître Jacques’ is een bediende die allerlei karweitjes en baantjes tegelijk waarneemt. — C.]
[15] De Indianen van de krijgslustige stammen uit Brazilië doden hun invaliden en ouden van dagen; zij betuigen hun vriendschap door een einde te maken aan een leven dat niet meer wordt veraangenaamd door gevechten, feesten en dansen. Alle primitieve volken hebben aan de hunnen zulke bewijzen van aanhankelijkheid gegeven: de Massageten van de Kaspische Zee (Herodotus) even goed als de Wenden uit Duitsland en de Kelten uit Gallië. In de Zweedse kerken bewaarde men tot voor kort nog strijdkolven, familieknotsen genoemd, die er toe dienden de bloedverwanten te verlossen van de smarten van de ouderdom. Hoe ontaard zijn de hedendaagse proletariërs om geduldig de afschuwwekkende ellenden van de fabrieksarbeid te aanvaarden!
[16] Jujurieux is een kleine stad met zijdefabrieken, toenmaals door de fabrikant Bonnet gebouwd binnen afsluitende muren. In de daarop volgende passage (en ook elders) staat het woord ‘jood’ kennelijk voor ‘woekeraar’; volgens woordenboeken is dit ook de ‘figuurlijke betekenis’ van de term ‘juif’. We hebben het woord gehandhaafd dat er staat omdat de identificatie van traditioneel jodendom met kapitalisme ook en juist bij socialistische joden veel voorkwam. Men vergelijke de uitvoerige studie van Karl Marx in de Deutsch-Französische Jahrbücher van 1844 over Die Judenfrage. — C.
[17] Op het industriële congres dat op 21 januari 1899 in Berlijn werd gehouden schatte men het verlies dat de ijzerindustrie in Duitsland gedurende de laatste crisis had geleden op 568 miljoen Franse francs. [Toevoeging van de vertaler: Het loon van een volwassen arbeider bedroeg toen ongeveer 18 francs per week.]
[18] Het blad La justice van de heer Clemenceau zei op 6 april 1880 in zijn financiële rubriek: “Wij hebben de mening horen verdedigen dat ook zonder Pruisen de miljarden die de oorlog van 1870 heeft gekost ‘evenzeer verloren’ zouden zijn geweest voor Frankrijk, en wel in de vorm van periodieke uitgeschreven leningen, door Frankrijk gesloten om begrotingen van vreemde landen sluitend te maken — dit is ook onze mening”. Men schat het verlies aan Engelse kapitalen, gestoken in leningen voor Zuid-Amerikaanse republieken, op vijf miljard. De Franse arbeiders hebben niet alleen de vijf miljard francs voortgebracht die betaald zijn aan de heer Bismarck, maar ze gaan ook voort de renten van deze oorlogsschatting op te brengen voor lieden zoals Olivier, Girardin, Bazaine en andere bezitters van staatsaandelen die zelf de oorlog en de nederlaag hebben veroorzaakt. Er blijft hun niettemin één kleine troost: deze miljarden zijn niet meer beschikbaar om een revancheoorlog te verwekken.
[19] Onder het oude regime [vóór de Franse Revolutie — C.] waarborgden de kerkelijke wetten aan de arbeider 90 rustdagen (52 zondagen en 38 feestdagen) gedurende welke het strikt verboden was te werken. Dit was voor de industriële en commerciële bourgeoisie de grootste misdaad van het katholicisme en de hoofdoorzaak van haar ongodsdienstigheid. Tijdens de revolutie en zodra de bourgeoisie ging overheersen schafte zij de feestdagen af en verving de week van zeven dagen door die van tien dagen. Ze bevrijdde de arbeiders van het juk der kerk om hen beter te kunnen onderwerpen aan het juk van de arbeid. De haat jegens de feestdagen komt tot uiting als de moderne industriële en commerciële bourgeoisie vaste vorm krijgt, tussen de vijftiende en zestiende eeuw. Hendrik IV vroeg de beperking ervan aan de paus; deze weigerde omdat “een der ketterijen die heden rondwaren de aantasting is van de feestdagen” (brieven van kardinaal d’Ossat). Maar in 1666 hief Péréfixe, aartsbisschop van Parijs, er zeventien van op in zijn diocees. Het protestantisme dat een christelijke godsdienst was, aangepast aan de nieuwe industriële en commerciële behoeften van de bourgeoisie, bekommerde zich nog minder om de rust van het volk: het onttroonde de heiligen in de hemel om hun feesten op aarde af te schaffen.
De kerkhervorming en de wijsgerige vrije gedachte waren slechts voorwendselen die het de jezuïtische en roofzuchtige bourgeoisie veroorloofden de feestdagen aan het volk afhandig te maken.
[20] Deze ‘Pantagruellistische’ feesten duurden weken lang. Don Rodrigo de Lara verdient zijn bruid door de Moren te verjagen uit het oude Calatrava, en de Romancero vertelt dan:
Las bodas fueron en Burgos,
Las tornabodas en Salas,
En bodas y tornabodas
Pasaron siete semanas.
Tantas eienen de las gentes
Que no caben por las plazas...

(De bruiloft vond plaats in Burgos, De tegenbruiloft in Salas. In bruiloften en tegenbruiloften Gingen zeven weken voorbij. Zoveel mensen komen er Dat de pleinen ze niet kunnen bevatten...)
De mannen van deze bruiloften van zeven weken waren de heldhaftige soldaten van de Spaanse onafhankelijkheidsoorlogen.
[21] Lafargue beschrijft uitbundige feesten van Britten, Fransen, Spanjaarden, Vlamingen, wier landen en letterkunde hij kent. Het meest is hij getroffen door de beschrijvingen van zinlijke lusten in het werk van Rabelais (1495-1553), humanistisch geleerde en smakelijk verteller die De grote en onschatbare kronieken van de grote en geweldige reus Gargantua schreef, ook gewijd aan diens zoon Pantagruel en diens boezemvriend Panurge, rond welke buitensporige figuren een bonte wereld is opgebouwd. — C.
[22] Thomas Robert Malthus, Brits econoom, aanvankelijk predikant, schreef in 1798 zijn werk over de fatale invloed van de bevolkingsgroei op de maatschappelijke voorwaarden voor verhoging van de welvaart. Hij meende dat de groei van de bevolking tot verpaupering moest leiden omdat de toeneming van de productie daarmee geen gelijke tred kon houden. Hij stond tegenover het optimisme van de Franse econoom Jean-Baptiste Say (1767-1832) die meende dat de productie haar eigen vraag schiep, dat een voortbrengend volk ook voldoende zou kunnen verbruiken en dat de consumptie weer de productie moest aanwakkeren. (J.-B. Say had een zoon en kleinzoon die ook economen waren, zodat de naam bij Lafargue nog al eens voorkomt.) Malthus echter wilde de groei van de bevolking remmen, waarbij hij als theoloog meende dat geboortebeperking alleen geoorloofd was door het uitstellen van huwelijken en seksuele onthouding. De ‘neomalthusianisten’ zagen in de onbeperkte bevolkingsgroei ook een gevaar, maar wilden ‘liefde zonder gevolgen’ bevorderen, het seksuele verkeer door voorbehoedmiddelen losmaken van de voortplanting. De marxisten legden echter de nadruk op de mogelijkheid om alle mensen te voeden in een socialistische maatschappij en zagen in Malthus een reactionair, die niet wilde geloven in een betere samenleving zonder particulier eigendom en die — uit vrees voor hongeropstanden — het proletariaat wilde dwingen af te zien van liefdeslusten. — C.
[23] Lafargue spreekt van ‘la bosse du prud’homisme’ (ook wel geschreven als ‘prudhommisme’) naar de figuur van Joseph Prudhomme, een symbool geschapen door de satirische auteur Henri Monnier, die de benepen en zelfvoldane ‘petit bourgeois’ hekelde die op plechtige wijze domme dwaasheden uitkraamt — C.
[24] Karl Marx: Das Kapital.
[25] “De mate waarin de bevolking van een land te werk is gesteld als huispersoneel in dienst van de welgestelde klassen geeft aan in hoeverre een volk is voortgeschreden in nationale welvaart en beschaving.” (R. M. Martin: Ireland before and after the Union; 1818.) Gambetta, die het bestaan van een sociaal vraagstuk ontkende sinds hij niet meer de behoeftige advocaat was die men in Café Procope kon aantreffen, bedoelde ongetwijfeld deze onophoudelijk groeiende klasse van huisbedienden, toen hij zich beriep op ‘de opkomst van nieuwe sociale lagen’.
[26] Twee voorbeelden: De Engelse regering heeft twee bloedige oorlogen moeten ondernemen om de Chinese regering de vrije invoer van Indische opium af te dwingen. Ze deed dit om de Indische boeren welgevallig te zijn die (ondanks de periodieke hongersnoden die het land verwoestten) stijfkoppig voortgingen papaver te verbouwen in plaats van rijst of koren.
De wilden van Polynesië moesten zich op zijn Engels kleden en bedrinken, ondanks de sterfte die er het gevolg van was, om de producten te verbruiken van de distilleerderijen van Schotland en van de weverijen van Manchester.
[27] Dufaure (1798-1881) was een Frans politicus, die minister en premier was geweest. Girardin (1806-1881), wiens vrouw een beroemde schoonheid en salonletterkundige was, had succes als dagbladdirecteur en als conservatief politicus, die o.a. Thiers verdedigde. — C.
[28] Paul Leroy-Beaulieu: La question ouvriére au XIXe siècle (1872).
[29] Volgens de beroemde statisticus R. Giffen van het Bureau der Statistiek in Londen bedroeg de toenemende groei van het nationale vermogen in Engeland en Ierland van 55 miljard Franse francs in 1814 tot 162,5 miljard in 1865 en tot 212,5, miljard in 1875.
[30] Louis Reybaud: Le coton, son régime, ses problémes (1863).
[31] De Franse familie Rothschild speelde een grote politieke rol; de drie achtereenvolgende leden van de familie Say (grootvader, zoon en kleinzoon) waren economen — de laatste, Léon (1826-1896) ook minister van financiën. — C.
[32] Lafargue noemt hier een aantal tegenstanders van het socialisme die in zijn tijd bekend genoeg waren. Dufaure was minister en premier geweest; Galliffet was een generaal die de Parijse Commune bloedig onderdrukte; de hertogelijke familie De Broglie had een aantal politici en geleerden voortgebracht; Ferry bevorderde de kolonisatie in Noord-Afrika en Indochina; Freycinet was herhaalde malen president van de ministerraad. — C.
[33] Citaat uit het werk van Rabelais: Gargantua et Pantagruel, tweede boek, hoofdstuk 74. De Latijnse zin is van Juvenalis: “Zij geven vóór als Curius (meervoud: Curios) te zijn, maar leven als in Bacchanalen”, met andere woorden: zij doen alsof ze gehard en zeer sober zijn, maar ze geven zich over aan drinkgelagen.
[34] Gambetta werd door de socialisten gehaat omdat hij — hoewel antiklerikaal en republikein — zeer gekant was tegen de klassenstrijd en een revancheoorlog wilde voorbereiden tegen het Duitse Rijk. Hij was voorzitter van de ministerraad in 1881. Cassagnac was Bonapartist (aanhanger van Napoleon III), later reactionair verdediger van de avonturier generaal Boulanger. Na de Frans-Duitse oorlog van 1870 en de gedeeltelijke bezetting van Frankrijk door Duitse troepen werden de Franse conservatieve regeringen ervan beschuldigd samen met Bismarck het socialisme te bestrijden. Inderdaad hadden zij in 1871 samengewerkt bij het neerslaan van de Parijse Commune, en toen in 1880 Gambetta als kamervoorzitter had bijgedragen tot het uitvaardigen van amnestie voor de veroordeelden der Commune werd gezegd dat Bismarck daarvoor zijn toestemming had gegeven. — C.
[35] De auteur I. A. Langlois was een leerling van Proudhon, de anarchistische theoreticus en propagandist, en de ‘marxist’ Lafargue speelt hier op boosaardige wijze de vete van zijn geestverwanten tegen de anarchisten uit door deze voor te stellen als handlangers van het kapitalisme. Langlois stond blijkbaar in zijn hemd. — C.
[36] ‘in anima vili’: op een nietswaardig wezen; term die onder andere wordt gebruikt bij proefnemingen op levende dieren. — C.
[37] Herodotus, deel II.
[38] Biot: De l’abolition de l’esclavage ancien en Occident (1840).
[39] Titus Livius, eerste boek.
[40] Plato: De Republiek, vijfde boek.
[41] Cicero: Over de plichten, I:2, hoofdstuk 42.
[42] Plato: De Republiek, 5; De Wetten, 8. Aristoteles: Politiek, 2 en 7. Xenophon: Economie, 4 en 6. Plutarchus: Leven van Lycurgus.
[43] Eugène Schneider (1805-1895) was de stichter van de staal- en wapenfabrieken van Creusot. Madame Boucicaut was de echtgenote van een groothandelaar en eigenaar van een warenhuis, een bekende zakenvrouw die de liefdadigheid beoefende. — C.