Paul Lafargue

De echtbreuk, tegenwoordig en vroeger



Geschreven: 1889
Bron: Internationale Bibliotheek, S. L. Van Looy - Amsterdam (geen jaar van uitgave vermeld), als aanhangsel (overgenomen uit Die Neue Zeit, jaargang 1889) bij August Bebels: De vrouw en het socialisme
Vertaling: Sylvia (verdere gegevens ontbreken)
Deze versie: Spelling, punctuatie, woorden en zinsbouw (soms) aangepast
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee voor het Marxists Internet Archive, maart 2006


I
De echtbreuk in onze tijd

Wanneer bij de oude Grieken een zieke maar niet gezond wilde worden, placht zijn familie zich voor de huisdeur te verzamelen, om de voorbijgangers over het hardnekkige geval te ondervragen. Iedereen schreef dan een onfeilbaar geneesmiddel voor, dat de zieke weer in een oogwenk op de been brengen zou; maar die raadgevingen waren zo talrijk en zo verschillend, dat het iemand zwaar viel een keus daaruit te doen. De sage vermeldt dat Hippocrates, de beroemde geneesheer van de Oudheid, de heelkunde van zijn tijd geleerd heeft door naar deze gelegenheidsartsen te luisteren. De Parijse Figaro ging onlangs op dezelfde wijze te werk, om de hedendaagse meningen over de zo oude en toch steeds zo nieuwe vraag naar de verhouding van de echtelijke ontrouw van de man tot die van de vrouw, te leren kennen. In Frankrijk spreekt men openlijk over deze vragen, welke elders slechts in beperkte kring behandeld worden. Zo mag men dan ook wel de talrijke antwoorden, welke het Parijse dagblad ontving, als de algemene mening van de beschaafde natie beschouwen. De ingekomen antwoorden weerspreken elkaar zo zeer dat de lezer, die zich daaruit een eigen oordeel wil vormen, in de verlegenheid van de Griekse zieke komt, die van de voorbijgangers raad wilde hebben. Zoveel klokken, zoveel tonen. Men kan uit deze oproep van de openbare mening een grote lering putten: in de vraag omtrent de echtbreuk, waarover toch zowel de moraal van de godsdienst, als die van de wereld een beslist oordeel geveld heeft, is men nog niet tot een allen bevredigend standpunt gekomen. Deze onzekerheid van de openbare mening geeft wellicht de gewichtigste, zo niet meest interessante beantwoording van de vraag.

Horen wij voor alles de inzenders in de Figaro: “De echtbreuk is een diefstal, van welke zijde zij ook moge uitgaan” - “De beide echtbrekers zijn van het standpunt der absolute moraal gelijkelijk te beoordelen”. Deze droge, en als scheermessen snijdende formules bevatten de algemene gedachtegang van de inzenders in het blad van de ‘nette maatschappij’. Maar om te bewijzen dat een absolute moraal evenmin in werkelijkheid bestaat, als de oneindige grootheden van de wiskundigen, haasten zij zich onderscheidingen te maken.

Een zedenleraar, die vol verschoning is voor de man, “die het gaarne met de koekoek houdt en zijn ei in des buurman nest legt”, verklaart “de echtbreuk van de vrouw is een misdaad, daar zij zich aan het gevaar blootstelt een bastaard in haar huis te brengen; de echtbreuk van de man is een lichtzinnige streek ... De zede, die niets met de moraal gemeen heeft, verontschuldigt de man en veroordeelt de vrouw. In de grond van de zaak zijn wel de eden aan beide zijden gelijk en zo ook de misdaad”. Een andere van deze gelegenheidsmoralisten put zijn argumenten uit de statistiek, en verklaart dat de natuur de man tot polygamie bestemd heeft, daar er meer vrouwen dan mannen op de wereld bestaan. De statistiek bewijst echter integendeel dat het aantal van de vrouwelijke geboorten geringer is dan dat van de mannelijke, maar de sterfte in de kinderlijke leeftijd is bij het mannelijke geslacht groter dan bij het vrouwelijke en daardoor komt ten slotte bijna volkomen evenwicht tussen beide geslachten.

Mac Lennan wilde de veelmannerij van de voortijd daarmee verklaren, dat de wilden het aantal vrouwen verminderden, door dat zij bij voorkeur vrouwelijke kinderen doden. Dit is echter een dwaling. De moralisten, die de polygamie in naam van de statistiek rechtvaardigen willen, moeten reeds naar ander bewijsmateriaal zoeken.

Dat de natuur, die de man de koekoeknatuur gaf en een overschot aan vrouwen schiep, voor de echtelijke ontrouw van de mannen verantwoordelijk is, schijnt een andere vertegenwoordiger van het baardige geslacht geen voldoende argument genoeg. Hij beweert dat het alleen de schuld van de vrouw is, wanneer de man in het huwelijk wat buitensporig wordt. Zij is alzo de zondebok. Om zijn argumentatie meer nadruk te verlenen haalt de inzender Alfons Karr aan: “Wanneer het een meisje gelukt is de zeldzame vogel, een echtgenoot, in haar net te lokken, dan gelooft zij dat het nodige daarmee is gedaan, maar hoe dwaalt zij! Zij heeft niet geleerd een kooi te vervaardigen waarin de gevangen vogel kan leven en zich behaaglijk kan voelen. Men tonen mij toch eens een goed gemaakte kooi, voorzien van alles wat een vogel bevalt ... Mijne dames, leert daarom toch kooien te vervaardigen, en voorzie deze dan voor alles rijkelijk met vogelkruid”. De gebrekkige kennis van de ‘welopgevoede vrouwen’ in liefdesaangelegenheden had Balzac (Cousine Bette, hoofdstuk 33) verrast, en hij verlangde daarom de oprichting van openbare vakscholen om in deze leemte te voorzien.

Een van Dumas’ filosofische vrouwen, de markiezin de Rumières raadt de man niet aan de opvoeding van zijn vrouw door haar minnaars te laten voltooien; daarentegen geeft zij een jonge vrouw, die vertoornd is over de ‘zijpaden’ die de tederheid van haar echtgenoot bewandelt, de raad zijn zijwaartse sprongen te dulden, om de huisvrede te bewaren: “Mijn man was precies als de uwe, zij zijn allen zo! Hij maakte alle vrouwen het hof, maar niet lang. Zo lang hij ze aanbad, had hij maar één gedachte, mij deze dames voor te stellen. Ik geloof dat hij iets aan mijn oordeel hechtte. Het luidde steeds gunstig voor hem. Doe het evenzo, mijn lief kind. In een tijd als de onze wordt de strengheid van vroeger bepaald onmogelijk”. Hier hebben wij nu het andere uiterste van hen die de echtbreuk als zodanig verdoemen, “van welke zijde zij ook moge uitgaan”. In de praktijk raden filosofische geesten aan, haar van beide zijden te dulden, om het huwelijksleven vreedzaam en aangenaam te maken.

Maar er zijn ook moralisten die ten opzichte van de echtbreuk van de vrouw niet te bewegen zijn, terwijl zij de onvermijdelijke zijsprongen van de man ‘aantrekkelijke kleinigheden’ noemen. Men mag niet met de “gelijke maatstaf voor beide geslachten meten, wanneer men bedenkt welk onheil de echtbreuk van de vrouw voor haar, haar familie en de maatschappij meebrengt; wanneer de algemene mening van oudsher de echtbreuk van de vrouw buitengewoon streng beschouwde, dan is dit niet een verouderd vooroordeel, maar het gevolg van een juiste kennis van de fysieke en morele wetten, waaraan de menselijke natuur zich niet onttrekken kan”.

Deze dogmatische moralist is ten hoogste vertoornd op degenen die “lichtzinnig beweren dat de mannen de wetten in hun voordeel gemaakt hebben”. O gij diepzinnige partijganger van de mannelijke echtbrekers, die de wetten van de maatschappij met die van de natuur in één hoed gooit, en gelooft dat ze reeds bestonden, vóór dat de mens er was, die ze alleen ontdekte. Waarom zet gij uwe koene ontdekking niet verder voort, en bewijst ons dat de cilinderhoeden van de mannen, de tournures van de dames en alle modes van de beschaving reeds in de schoot van de natuur bestonden, en door de kleer- en hoedenmakers louter ontdekt werden? Onze strenge logicus, die voor gene consequentie van zijn ontdekkingen terugdeinst, verlangt de wederherstelling van de volle vaderlijke autoriteit van de patria potestas van de Romeinen, waarvan we nog zullen spreken, het recht van de echtgenoot de kinderen van zijn vrouw te doden, moge zij wettig of natuurlijk zijn!

Eer wij ons tot de vraag omtrent de kinderen wenden, die volgens vele moralisten van de echtbreuk deze van de kant van de vrouw tot een de dood verdienende misdaad stempelt, willen wij nog enige verdedigers van de ontrouw van de echtgenoot horen: “In de maatschappij heerst, afgezien van enige uitnemende deugdzame families, de zede dat een gehuwd man er enige maîtressen op na houdt”, schrijft iemand, die zijn luitjes kent. “Er geen te hebben ware een bekentenis van fysiek en financieel onvermogen, wat juist voor alles de vrouw zeer onaangenaam moet aandoen. Anders staat de zaak wanneer zij de echtbreuk begaat”. Een ijverig verdediger van de mannelijke ontrouw schroomt niet te verklaren dat “de vrouw niet gerechtigd is de trouw van haar echtgenoot te eisen, daar zij deze niet tot een voorwaarde van haar huwelijk gemaakt heeft”. Omdat alzo het meisje onwetend of toegevend geweest is, moet de vrouw zich alle misstappen van haar man laten welgevallen. Alles ontvangt zijn loon reeds hier beneden: voor alles de goedmoedigheid.

In deze voor haar zo belangrijke vraag hebben ook vele vrouwen hun oordeel uitgesproken. Velen, verstandig genoeg zich in het onvermijdelijke te schikken, pogen de mannen te verontschuldigen; anderen zeer streng, waartoe zij ongetwijfeld het recht hebben, verklaren dat “de ontrouwe echtgenote veel schuldiger is dan de man, tegenover de moraal en de maatschappij”.

Een gravin laat het kind nog een woordje meespreken en roept zijn oordeel aan: “Bloost het over de zijsprongen van zijn vader? Neen. Brengen hem de misstappen van zijn moeder niet schade en schande aan? Zeker. Dat beslist de vraag!” Deze alexandrijnse manier de gordiaanse knoop door te hakken, bevredigt niet iedereen, zoals uit het volgende antwoord van graaf G. blijkt: “In beginsel is de echtbreuk een misstap, een misdaad, een laagheid. Maar de ontrouw van de vrouw is van een zuiver menselijk standpunt, nog altijd die van de man voor te trekken. De overspelige man daalt spoedig de ganse ladder van de liederlijkheid af; de overspelige vrouw van de nette wereld blijft nog altijd meer of minder de slavin van de betamelijkheid; ook al heeft zij haar zedelijk steunpunt verloren, zal zij daardoor nog in vele dingen binnen de perken blijven”. - Inderdaad, hoe vaak komt het voor dat een familievader wegens zo’n ‘bagatel’, zo een ‘aangename scherts’ met liederlijke deernen de huwelijksgift van zijn vrouw, het erfdeel van zijn kinderen verbrast! Wanneer het kind over de zijsprongen van de vader niet bloost, zo lijdt het toch onder de ellende en de ziekten die zij niet zelden in de familie binnen brengen.

“De vrouw brengt het in overspel geteelde kind mee in de familie, de man brengt de kinderen, die hij in overspel teelt, uit zijn familie”, vandaar de grote misdaad van de vrouw. Een mens veroordelen, als zijn kind op te voeden, te liefkozen, te bewenen, wat zijn vlees geworden ontering is, deze schande bedreigt slechts de man, niet de vrouw”. Het antwoord laat niet lang op zich wachten. “Men spreke mij toch niet van de blijvende gevolgen van de misstap van de vrouw”, schrijft een dame, “want deze bewijsvoering zou vrouwen van vijftig jaren de dwaaste voorrechten verlenen”. Een dokter, die niet met zo heel weinig tevreden is, ziet geen verschil tussen “de ontrouw van de ene of andere echtgenoot, voorop gesteld dat de vrouw onvruchtbaar is”. Wanneer echter de zwaarte van de schuld slechts naar de zwaarte van de gevolgen afgemeten wordt, dan “behoeft men alleen de bevruchting van de vrouw te verhinderen”, menen enige inzenders, die de kwestie van de echtbreuk door het malthusianisme willen oplossen.

Maar het in overspel geteelde kind bemoeilijkt niet iedereen; er zijn mensen die beweren “van het standpunt van de veredeling van de rassen, van de geslachtelijke teeltkeus, is de echtbreuk een noodzakelijk kwaad, dat zijn goede zijde hebben kan”. Deze mening is niet van vandaag. Quintus Hortensius wilde Cato (van Utica) bewegen hem zijn dochter af te staan, die reeds aan Ribulus uitgehuwd was, en poogde hem op de volgende wijze te bepraten: “Het is zo wel eervol als nuttig voor het gemenebest dat een schone vrouw in de bloei van haar jaren niet ongebruikt blijft en de tijd kinderen te baren, niet verstrijken late ... Wanneer de eerbare burgers elkaar hun vrouwen overlaten, zo zal de edele kracht (virtus) groeien en zich aan alle families mededelen; de gemeente zal door zulke verbintenissen als ‘t ware tot een enige familie samensmelten”. En hij voegt er aan toe: “Wanneer Ribulus nu bepaald zijn vrouw behouden wil, dan verbind ik mij haar hem terug te geven, zodra zij moeder geworden is”. Ribulus schijnt niet eens door deze grootmoedige concessie aangedaan te zijn geworden, en zo bleef Cato, om zijn lieve vriend te troosten, niets anders over dan hem zijn eigen vrouw af te staan.

In het zuiden van Frankrijk, waar thans nog de invloed van de liefdehoven uit de tijd van de troubadours gevoeld wordt, is de echtelijke moraal zo verdraagzaam, dat de in overspel geteelde kinderen met alle liefde opgevoed worden. Men houdt ze voor zeer begaafd en door het geluk begunstigd. Wanneer in een familie een kind door intelligentie of schoonheid boven zijn broers en zusters uitblinkt, dan schromen de vrienden niet lachend te zeggen: “God straffe mij, wanneer dat niet een kind van de liefde is”. In Europa schijnt gedurende de middeleeuwen het idee te heersen dat het zonder wettig verlof geteelde kind buitengewoon begaafd is. In zijn Koning Lear laat Shakespeare de bastaard Edmond zeggen:

“... Wat, bastaard? Waarom laag?
Daar toch mijn lichaamsbouw zo krachtig, mijn geest zo edel en mijn uiterlijk zo vrij is, als van de zoon ener dame! Waarom ons stempelen met laag geboren? Bastaard! Bastaard! Laag! Laag!
Wij, die in de vrolijken diefstal der natuur veel meer levensvatbaarheid en kracht ontvangen, dan in het doffe, laffe, trage huwelijksbed besteed wordt aan een geheel leger van grote heren, die half slapend, half wakend geteeld zijn!”

(Koning Lear, 1ste bedrijf, 2e toneel)

Om de reeks van de tegenstrijdige meningen vol te maken, wijst een van de inzenders op een vreemde plaats in het werkje van Pascal, De Smarten der Liefde. De uitvinder van de waarschijnlijkheidsrekening treedt hier op als een koen psycholoog. Hij predikt de afwisseling, om “het genot van de liefde fris te bewaren ... en dat wil niet zeggen ontrouw begaan, want men bemint geen andere; het beduidt zijn krachten te herwinnen, om beter te beminnen”. Het spreekwoord ‘Vers vlees, betere eetlust’, versterkt Pascal’s mening.

Charles Fourier, deze profetische geest, die in de chaos van meningen bij het begin van onze eeuw reeds de richting van de moderne maatschappelijke verschijnselen voorzag, stelde de volgende vraag:

“Nemen wij aan dat het lukte een middel te vinden waardoor alle vrouwen hun kuisheid bewaarden, welke men van haar verlangt, op deze wijze dat geen meisje zich voor het huwelijk aan de liefde overgeven, geen vrouw zich naast haar man een andere man verschaffen kon. Dan zou geen enkele man in de loop van zijn ganse leven een andere liefdegezellin naast zijn getrouwde vrouw bezitten kunnen. Wat zouden de mannen bij dit vooruitzicht wel zeggen, hun hele leven lang zich tot een vrouw te moeten beperken, die hun wellicht reeds de dan na de bruiloft tegenstaat? Zeker, iedere man zou de vinder van zulk een uitvinding naar de duivel wensen, die alle minnekozen met de ondergang bedreigt”. [1]

Hoe denkt gij daarover, heren moralisten van de echtbreuk?

Op verlangen van de Figaro heeft ook Alexander Dumas zijn stem in het debat doen horen. Onder alle moderne schrijvers in Frankrijk heeft hij zich het meest met de besproken kwestie bezig gehouden; hij heeft daarvan om zo te zeggen zijne specialiteit gemaakt. De echtbreuk leverde hem de stof voor zijn best gedachte en fijnst uitgewerkte theaterstukken en verschafte hem een grote naam. In zijn Visite des Noces (Bruiloftsbezoek) heeft hij een van de bedenkelijkste gevallen op het toneel gebracht, en deze door zijn kunst gelukkig over alle klippen heen geholpen. Maar het theater voldoet hem niet, want, zo zegt hij ons, daar “heerst, leidt en zegeviert tenslotte de vrouw” (voorrede van De vrouw in Claudius) en men moet de feiten verdraaien, om haar te bevredigen. Hij heeft de kwestie immer en immer weer van alle zijden behandeld, in romans, brochures en voorreden, die veel verspreid zijn. Hij heeft de vraag van de echtbreuk niet als kluizenaar bestudeerd, wie de wereld en haar verzoekingen onbekend zijn, niet als bovennatuurlijke wijsgeer die de werkelijkheid voorbijgaat, om slechts de ideale gerechtigheid te zien, maar als man van de wereld, die de zwakheden van man en vrouw evengoed kent als de aanleidingen tot hun ‘misstappen’. Voor de hier besproken kwestie komen daarom behalve zijn brief aan de Figaro ook zijn andere geschriften in aanmerking.

Alle mannen bedriegen hun vrouwen: dat is voor Dumas een axioma; daarentegen zijn er niet zo veel bedrogen getrouwde mannen als men gelooft, en als de gerechtigheid wellicht eisen zou. “De man heeft twee soorten van moraal gemaakt: een voor zichzelf, en een voor de vrouw; een die hem de liefde met alle vrouwen veroorlooft, en een die de vrouw als vergoeding voor haar voor altijd verloren vrijheid de liefde met slechts één man toestaat”. (Voorrede van Monsieur Alphonse) De echtbreuk van de vrouw daarentegen is een zo zwaar wegend feit dat Diana de Lys, de meest sympathieke van zijn heldinnen moet zien hoe haar minnaar als een dolle hond door een pistoolschot neergeschoten wordt. Op het toneel doodt Dumas de minnaar; maar in zijn romans verhardt hij zijn gemoed: Clemenceau doodt zijn overspelige vrouw, en in zijn bekend boek roept hij de echtgenoot toe: “Dood haar!” In zijn brief aan Cuvilier-Henry zegt hij echter dat de vrouw, wier dood hij de gade aanraadt, in werkelijkheid geen vrouw is; buiten het plan van de godheid staande, is zij zuiver dierlijk, het vrouwtje van Kaïn: “dood haar!” Dit ‘dood haar’ van Dumas is derhalve de oplossing van de vraag slechts dan, wanneer het een vrouw betreft, die buiten het plan van de godheid staat, buiten de wetten van de natuur, zoals zijn vriend, dokter Robin, zich uitgedrukt had; maar een zodanig geval is nog niet voorgekomen. Trots zijn dreunend ‘dood haar!’ houdt alzo Dumas de echtbreuk niet voor een zo zware misdaad.

De echtbreuk van de man ligt volgens hem in de eeuwige natuur der dingen opgesloten, en hij raadt de vrouwen bij iedere gelegenheid aan zich, christelijk, in het onvermijdelijke te schikken. En wanneer hij ooit eens zijn heldinnen zo ver brengt dat zij op wraak zinnen, dan laat hij haar met schrik terugdeinzen bij de gedachte aan de dood van de ontrouwe echtgenoot, zoals bv. Princes George. Of wanneer zij ontrouw met ontrouw vergelden willen, zoals Francine, dan wagen zij niet hun voornemen uit te voeren. “Wat er ook moge gebeuren”, zo raadt hij aan, “vermijdt het recht van de wedervergelding in het huwelijksbed, vervang het ontzettende recht van te doden, door het goddelijke recht vrij te spreken”.

Wij hebben reeds vroeger de raad meegedeeld, die een van de filosofische vrouwen aan een jonge vriendin gaf. In Princes George herhaalt madame de Perigny haar dochter, die vol verontwaardiging is over de ontrouw van haar echtgenoot, de raadgevingen van de markiezin de Rumières, waaraan zij de woorden van een levensmoe geworden vrouw toevoegt: “Het leven is niet mogelijk, zoals je ziet, zonder veel onverschilligheid en nog meer vergeetachtigheid”. (1ste bedrijf, 2e toneel). En wanneer Francine verontwaardigd het huis van haar man verlaten wil, moraliseert Therese: “Je hebt volkomen gelijk, je man heeft je verraden, hij heeft geen hart, haat hem, veracht hem ... maar behoud hem. (Francillon, 3e bedr., 3e toneel), want “de scheiding, de enig bevredigende oplossing, welke de filosofen en de wetboeken vinden konden, bevrijdt slechts de lichamen en de belangen, niet de harten en de zielen”. (Voorrede in Princes George). In zijn brief in de Figaro wijst hij de bedrogen vrouw op “het wetboek en het evangelie; daar deze twee boeken, zoals ieder weet, de beide steunpilaren van de maatschappij vormen, mogen zij die in ‘t huwelijk lijden, bij het ene bescherming of in het andere troost zoeken”.

Ch. Fourier, die zeer goed het huwelijk kende, schreef: “Men zou kunnen geloven dat een zodanige inrichting het werk was van een derde geslacht, dat de beide andere tot verveling doemen wilde”.

De enquête van de Figaro heeft voldoende aangetoond dat een bepaalde algemene mening zich over deze kwestie nog niet gevestigd heeft. Is de echtbreuk een diefstal? Is zij een bagatel van de zijde van de man, of een misdaad van de vrouw? Is de echtbreuk verderfelijk voor de harmonie en de gezondheid van de familie? Is het kind, in overspel geboren, een kwaad, of veeleer een werkzaam middel om het ras te verbeteren? Zal de man het recht over leven en dood van zijn gezellin hebben; zal deze tegen hem opstaan volgens het recht van de wedervergelding, of moet zij zich in het belang van de kinderen en de naam van de familie in het onvermijdelijke schikken? Deze en nog meer vragen heeft de enquête opgeworpen, en op geen enkele een bevredigend antwoord gekregen.

Tegenover deze verwarring in de meningen van de tijdgenoten, is het interessant na te gaan of in het verleden de openbare mening ook zo onzeker en tegenstrijdig was.

II
De echtbreuk in de geschiedenis

Toen Emile de Girardin, de journalist met een idee per dag, eens verzekerde dat een bewering, die men het hele jaar door elke morgen drukken laat, aan het einde van het jaar een onbestrijdbare waarheid geworden is, toen lachte men daarover in Parijs; en toch is het door de eeuwig durende herhaling van het gezegde, dat de mensen van alle tijden en alle landen altijd dezelfden geweest zijn, met dezelfde instincten, gevoelens en hartstochten, hoogstens verschillend in de vorm van hun uitingen, zover gekomen dat filosofen, politiekers, schrijvers en dichters deze dwaling tot een psychologisch axioma verhieven, dat evenzeer onloochenbaar is, als dat twee maal twee vier is. Maar tegenwoordig, nu wij de aardbol een beetje beter beginnen te leren kennen, en de beschaafde naties in aanraking komen met de barbaarse en halfbarbaarse volken van Azië en de andere werelddelen, nu ontdekt men dat de mens het onbestendigste en veranderlijkste wezen bij uitnemendheid, zeer vaak zijn instincten, hartstochten en gevoelens veranderd heeft.

Bij een Aziatisch volk, waar de kunst- en nijverheidsproducten Londen en Parijs in bewondering brengen, en die gemakkelijk zich onze vorderingen en onze wetenschappen eigen maken, algemeen verrast, nl. in Japan, zijn de heersende meningen over de kuisheid van de meisjes juist het tegendeel van de Europese.

In Japan is de prostitutie een nationale instelling, openlijk erkend door de zeden, geregeld door de wet. De ouders zenden hun dochters naar theehuizen, zoals bij ons naar het conservatorium of pensionaat, en betalen voor haar een vooraf bedongen som. De meisjes komen in deze huizen in de regel in de ouderdom van 14-15 jaar, en blijven daar tot het 21e jaar. Zij worden daar onderricht in de gezellige kunsten, in dansen, zingen, gitaarspelen en schrijven. Geen smaad rust op haar beroep. Velen onder hen huwen hoogst fatsoenlijk, nadat zij zich in het privaatleven teruggetrokken hebben. Het komt voor dat eerbare Japanse burgers in deze huizen gaan, om daar een lieftallige, ontwikkelde vrouw te zoeken. “De Japanse romans”, verteld ons een reiziger, “herhalen tot vervelens toe de geschiedenis van de deugdzame jonkvrouw die zich prostitueert, om haar vader uit de ellende te redden en de schulden van haar bruidegom te betalen”. Het meisje daarentegen, dat zich voor niets aan haar minnaar geeft, en zonder inwilliging van de vader trouwt, ontvangt een wettelijke straf van zestig stokslagen. Het Japanse publiek zou het voor onfatsoenlijk houden een verliefd meisje op het toneel te brengen. Daarentegen eert het openlijk de prostitutie. “In de tempel van Asaxa vindt men een schilderij dat meerdere Japanse dames in groot toilet voorstelt; mijn gidsen vertelden mij dat het portretten waren van de beroemdste courtisanes van Jeddo, die men elk jaar hier ten toon stelde om ze te eren”. [2]

En de Japanners zijn evenzeer fatsoenlijke mensen als onze filisters die bij Boulanger of andere ‘geniale staatsmannen’ zweren, en evenals de joden van de oudheid de onbevlekte maagdelijkheid van de bruid vorderen.

De Israëlieten zijn in hun dweperij voor de maagdelijkheid tamelijk ver gegaan. Zij stenigden de vrouw die op de bruiloftsdag niet als maagd werd bevonden. Maar deze overdreven schatting van het ‘kapitaal der vrouw’ moet eerst laat zijn aangenomen, want Baal-Pehor, die het volk van Israël zo lang vereerde, had volgens de rabbijnse verklaring, de bijzondere taak de jonge meisjes te verkrachten. [3] De hoge priester van de Mexicaanse God Huitzilopochtli verkrachtte de vrouwelijke kinderen in de ouderdom van 29 dagen, die men in zijn tempel bracht. Een soortgelijke godsdienstige ceremonie bestaat heden nog in India.

De natuurvolken hechten geen waarde aan de maagdelijkheid. De Atheners schatten haar zo weinig, dat de wetten van Solon, ofschoon zij de dood van de op echtbreuk betrapte man toestonden, de man, die een meisje had verkracht, louter tot de geringe geldboete van 80 drachmen veroordeelden. (Plutarchus, Solon, XXXI). En zulke gevallen kwamen vaak voor, namelijk tijdens de godsdienstige feesten, de enige gelegenheid waarbij de jonge Atheense meisjes het vaderlijke huis verlieten. In de Griekse blijspelen was een meisje, dat onteerd werd, een even onontbeerlijke persoon, als in de tegenwoordige blijspelen de ‘bon vivant’ en de ‘soubrette’. Wij weten door Pollux, dat onder de maskers, die voor alle rollen en omstandigheden in het Griekse blijspel aanwezig waren, er ook een was dat in ‘t bijzonder tot de voorstelling van zulk een meisje diende.

Volgt men nauwkeurig de ontwikkeling van het mensengeslacht, dan vindt men dat de mens zijn neigingen en hartstochten vaker veranderd heeft dan de hansworst zijn grimassen. En vooral met betrekking tot de verhouding tussen man en vrouw geldt het woord van Lamothe-Levayer: Er bestaat niets zo zeker, zo bepaald op een plaats, waarvan niet het tegendeel op een andere plaats even hardnekkig beweerd wordt”.

* * *

In de voorhistorische tijd bestaat de echtbreuk niet, en kan niet bestaan. Er heerste de meest vrije geslachtsvereniging. Er was een lange trapsgewijze ontwikkeling nodig, eer de mensheid de vorm van de moederfamilie had aangenomen, waar de vrouw des te rijker en meer geëerd was, hoe meer echtgenoten haar gunst genoten, die onder elkaar in de beste verstandhouding leefden, een verstandhouding die nooit de jaloersheid verstoorde, welke heden tot zo menige misdaad uit liefde leidt.

De eerste familie is de stam. De leden van een geslacht beschouwen elkaar als broeders en zusters, en noemen de leden van het voorafgaande geslacht vaders en moeders. Niet alleen het gevoel van ijverzucht is onbekend, maar ook die gevoelens, welke in de latere maatschappelijke bestaansvormen de families bijeenhouden, uitgenomen de zuiver dierlijke drift van de liefde van de moeder voor haar kind, dat zij twee jaarlang zoogt, en overal met zich mee draagt.

De echtbreuk komt ‘t eerst voor in genootschappelijke vorm.

Op een bepaalde hoogte van de ontwikkeling verdeelt zich de stam in onderafdelingen, clans of gentes. Alle geslachtelijke betrekkingen tussen leden van dezelfde clan zijn verboden en slechts tussen die van verschillende clans toegestaan. Er bestaat nu een groepenhuwelijk tussen clan en clan. De echtverbintenis hangt niet af van de individuele neiging of van de belangen van enkelen, maar is een genootschappelijke daad. Een persoon, die geslachtelijke betrekkingen met individuen aanknoopt, die niet tot de met de eigen groep gehuwde clan behoren, begaat een echtbreuk, welke zwaar gestraft wordt. Het is niet een individu dat beledigd is, maar de ganse clan van echtgenoten; de schuldige heeft door zijn echtbreuk niet tegen een individu, maar tegen een genootschap gezondigd. De echtbreuk draagt een genootschappelijk karakter. Zulke genootschappelijke huwelijken en echtbreuken vindt men tegenwoordig nog in Australië.

De individuele echtbreuk kan pas voorkomen nadat de vader — de patriarchale — familie zich ontwikkeld heeft. In deze verliest de vrouw al haar tot nu toe bezeten voorrechten [4]. Zij wordt de slavin van de man, die haar gekocht heeft, óf door jarenlange persoonlijke diensten, zoals Jakob, óf door geschenken zoals Isaak. (Genesis XXIV, 53). Homerus noemde het meisje ‘de runderenbrengende’ (Alphesiboia), omdat haar vader ze tegen runderen verruilde. Duveyrier verhaalt dat bij de Toearegs van de Sahara, het meisje zelf de vader betaalt, en door verkoop van haar lichaam naar tuskische wijze het geld verdient, waarmee zij zich moet loskopen, wanneer zij trouwen wil. Eer het meisje trouwt, verlangt de vader van haar de vergoeding voor de in haar lichaam verbruikte onkosten, welke zij de familie veroorzaakt heeft ... En het meisje, onteerd in onze ogen, losgekocht volgens de daar heersende begrippen, is des te geacht, hoe meer geluk zij had bij de verkoop van haar bekoorlijkheid [5].

Bij de verkoop van zijn dochter droeg de vader de koper al zijn rechten op haar over, het recht over leven en dood inbegrepen. In het oude Rome wordt de vrouw in de familie van haar echtgenoot opgenomen als zijn dochter (loco filea), zodat zij door een rechtsgeleerde vinding de zuster van haar eigen kinderen wordt. Zij bezit niets, niet eens haar kinderen, die de man toebehoren, zij blijven bij hem wanneer hij de vrouw verstoot, of zich van haar scheiden laat. In de eerste periode van de patriarchale familie is de vrouw louter een huisdier, dat men zich met het doel van de voortplanting aanschaft. “Op de markt”, zegt een Arabisch rechtsgeleerde (jurist) “koopt men waren, in het huwelijk koopt men een nog te bezaaien akker”. Van dit standpunt uit beschouwt de klassieke oudheid de gehuwde vrouw.

De echtbreuk komt op deze ontwikkelingstrap wel voor, maar zij wordt slechts dan een misdaad, en kwetst slechts dan de gevoelens van de man, wanneer zij zonder zijn toestemming begaan wordt.

De openbare mening op de Zuidzee-eilanden verlangde van de gehuwde vrouwen dat zij zich niet prijs gaven zonder de toestemming van hun mannen, die naar welgevallen met haar handelen konden. “Tawee”, zo verhaalt Porter, “was een der schoonste mannen van het eiland, die er zeer van hield zich te versieren, een rode doek, enige glaskoralen of een stuk visbeen bezaten in zijn ogen een onweerstaanbare bekoorlijkheid, en om zulke zaken te bezitten, bood hij het kostbaarste dat hij bezat. Ofschoon zijn vrouw van een buitengewone schoonheid was, en hij de tederste van alle echtgenoten, bood hij haar toch meer dan eens voor een halsband aan. [6]

De kuisheid, die later een deugd werd, welke de man van de vrouw als een gebod der natuur eiste, is op deze ontwikkelingstrap in het hoofd van de mensen nog niet eens opgekomen. Bij talrijke wilde en barbaarse volkeren, bij welke men nog heden de zeden van onze voorvaderen vindt, en die volgens de treffende uitdrukking van Dr. Letourneau de levende voorgeschiedenis vormen, weet de man zijn gast niet beter te eren, dan door hem zijn vrouw aan te bieden. Met zijn vrouw handel te drijven, komt hem als iets zo natuurlijk voor dat dit gebruik zich lang staande heeft gehouden, zonder in het minst voor onteerend te gelden. In de oud-klassieke beschaving zien wij Kimon en Cato van Utica hun vrouwen aan hun vrienden afstaan, die geld daarvoor geboden hadden. Wanneer zulke hooggeëerde mannen, die de eerste plaatsen in de staat innamen, en in elk opzicht karaktervolle mannen toonden te wezen, op een zodanige wijze handelen konden, zonder de minste verontwaardiging te wekken, dan mag men wel aannemen dat naast deze gevallen nog talloze soortgelijke onder hun tijdgenoten voorkwamen, welke wel niet in de geschiedenis opgetekend werden, omdat het hier minder beduidende personen gold. Hier mag men wel aan het woord van Lamothe-Levayer denken: “Wij menen steeds verstandig en rechtvaardig te handelen, wanneer wij uit gewoonte en navolging handelen”.

Het kwam voor dat de man de echtbreuk van zijn vrouw onder bepaalde omstandigheden goedkeurde, ja verlangde, terwijl hij haar onder andere omstandigheden gruwzaam bestrafte.

De moederliefde is een natuurlijke drift, het vrouwelijke organisme eigen, dat tot het baren en het voeden van het kind gevormd is. De vaderliefde daarentegen is een kunstmatige aandrift door sociale omstandigheden verworven; zij is voortgekomen uit het egoïstische verlangen na de dood te blijven voortleven, dat de man van de patriarchale familie kwelde. De vrouw, die men tegenwoordig als het laatste steunpunt van de godsdienst beschouwt, schijnt deze behoefte naar onsterfelijkheid niet in dezelfde graad gevoeld te hebben. De man had haar bovendien van het hiernamaals uitgesloten, of wanneer hij haar ook toeliet, gebeurde dit op dezelfde voet met honden, paarden en andere huisdieren, opdat zij ook daarboven de meester dienen kon.

Het idee van een voortbestaan na de dood is vroegtijdig in het menselijk hoofd opgekomen. Bij de onontwikkelde volkstammen vindt men lijkplechtigheden; men begraaft met de dode zijn wapens en andere voorwerpen, die hem in het andere leven van nut konden zijn. Later voegde men bij de levenloze voorwerpen nog levende dieren, slaven en zelfs de echtgenote. Men nam niet altijd aan dat de dode zich begaf naar een afzonderlijk gebied onder de aarde of boven de wolken, om daar zijn leven na de dood te slijten. Lange tijd geloofde men dat hij in zijn graf voortleefde, dat men in het midden van zijn hut gegraven had, niet ver van de ingang. Dit idee, dat de dode in de kring van de zijnen bleef leven, schijnt eerst na de vorming van de patriarchale familie ontstaan te zijn. Men geloofde dat de dode nog deel nam aan de familiegebeurtenissen. Dat hij voortging haar te leiden door dromen, geestverschijningen en andere middelen van de lieden aan gene zijde van het graf, zich nog hier beneden bemerkbaar te maken. Zijn verwanten behandelden hem, als leefde hij nog. De dodenverering in de schoot van de familie is nog in haar oorspronkelijke naïviteit bewaard gebleven bij de Ostjaken van het Obi-dal. Na de dood van het hoofd van de familiegemeenschap maakt men een ruwe pop ter hoogte van 20 tot 30 centimeters, en dekt deze met een lakense jas. Zij stelt de afgestorvene voor. Overdag zet men haar tegen een uitgespannen dierenhuid voor het vuur, legt aan haar voeten een tabakszak, en zet haar bij het maal spijzen voor; ‘s avonds hult men haar in warme huiden. Kortom, men handelt er mee als met een levende persoon. [7]

De familie had plichten jegens de dode te vervullen. Zijn erfgenaam, die haar hoofd geworden was had de taak over de vervulling daarvan te waken. Fustel de Coulanges, die de Grieks-Latijnse oudheid zo scherpzinnig bestudeerd heeft, zegt daarover: “De zoon had de plicht de afgestorven zielen van de vaders en van de voorvaders de hun toekomende drankoffers en gaven te brengen. Deze plicht verzuimen, beduidde, zich aan de grootste roekeloosheid schuldig te maken die men begaan kon, want de verwaarlozing van die verering liet een hele reeks doden omkomen en ellendig worden. Een zodanige verwaarlozing was niets minder dan een vadermoord, zo vaak herhaald, als er voorvaderen in de familie waren”. De wettige zoon, de erfgenaam van de vader, was alleen gerechtigd, bij feestelijke gelegenheden, de functies van deze eredienst waar te nemen. De zede en later de wet verbood het een niet tot de familie behorende, al was hij ook een vriend geweest, bij het dodenmaal toe te laten. Om in het graf te kunnen voortleven moest men alzo een wettige zoon hebben. De enige gedachte van de doden in het graf, waarin zij leefden, als hun enige zorg, was die, dat er een man van hun bloed mocht leven, die hun offeranden in het graf brengen kon. De Hesidus geloofden dat de doden zonder ophouden herhaalden: “Moge steeds in onze stam zonen geboren worden die ons rijst, melk en honig komen offeren”. [8]

Een zoon te hebben was de grootste zorg van de gehuwde man, “want”, zegt Aeschylus, “de zoon is de behouder van de vaderlijke haard”. “Door een zoon”, zegt Manu tot de Indiërs, “verwerft een man de hemel, want hij verheft zich in het rijk der zon”. (IX, § 137). Brahma noemt de zoon Puthra, d.w.z. verlosser uit de hel. In de christelijke godsdienst is de zoon de verlosser.

Het huwelijk was een godsdienstige plicht, waaraan de oudste zoon zich te onderwerpen had. Het bruidsbed, lectus genialis, aan de stamvader gewijd, die het weer moest doen herboren worden, was te Rome in het atrium [9] geplaatst, tegenover de ingang, in de nabijheid van de portretten der voorvaderen. De gehuwde man, die geen zoon bezat, had de voorvaderen niet zijn offer gebracht en niet voor één gezorgd die hem na de dood deed voortleven. Was de echt door de schuld van de man onvruchtbaar, dan moest hij zijn vrouw een plaatsvervanger bezorgen. In Rome, Griekenland, bij de Indiërs, overal had de jongere broeder, en bij ontstentenis van deze de naaste bloedverwant, de netelige taak in zulke gevallen de echtgenoot te vervangen. In Kordofan, waar de zeden hun oorspronkelijke wildheid nog bewaard hebben, roept de man al zijn mannelijke bloedverwanten bijeen wanneer zijn vrouw onvruchtbaar blijft. Er wordt een feest gevierd waarbij de een na de ander met de echtgenote tezamen is. Volgt op dit heldenmoedige middel geen vruchtbaarheid, dan verkoopt de man zijn vrouw, waarbij op hem de verplichting rust een eventueel overschot van de verkoopprijs boven de koopsom aan zijn familieleden als ‘drinkgeld’ te laten toekomen [10].

Sterft de echtgenoot zonder mannelijke nakomelingen, dan moet zijn broeder of de naaste bloedverwant de weduwe trouwen, en een uit deze echt gesproten zoon geldt voor de zoon van de afgestorvene. (Genesis XXXVIII, 8, 9. Deuteronomium, XXV, 5, 6, 7.) De vrouw was een akker, gekocht, opdat hij nakomelingen mocht voortbrengen, en om hem te bevruchten werden alle middelen aangewend. De echtbreuk werd de vrouw als een heilige plicht opgelegd, en de vader en voorvaderen namen de in overspel geteelde zoon als wettige erfgenaam aan, als degene in wie de voorvaderen weer herleefden, die de familie eredienst en de familie traditie voortzette. Manu geeft de grond op, waarom de vrucht van de echtbreuk de wettige echtgenoot en niet de natuurlijke vader behoort: hij vergelijkt de vrouw met een koe, van wie het kalf haar eigenaar toekomt en niet de bezitter van de stier, die men met haar samen bracht. De echtbreuk van de vrouw droeg een dubbel karakter: nu eens was zij een misdaad, welke men ten strengste bestrafte, dan weer werd zij een heilige plicht, zodra de behoeften van de echtgenoot haar nodig maakten.

Er bestond nochtans nog een ander middel de kinderloosheid van het huis weg te nemen. Men maakte de vrouw tot moeder van een kind, dat haar gemaal bij een bijzit verwekt had. Deze ceremonie was de tegenhanger van de couvade van de Basken, waarbij na de verlossing van de vrouw de man in bed gaat liggen, en een kraamvrouw nabootst. De bijbel zegt ons niet of Sara deze komedie opvoerde, wel echter vertelt hij dat Rachel, toen zij merkte dat zij Jakob geen kinderen schonk, tot hem zei: “Verschaf mij kinderen, zo niet dan sterf ik ... Daar is mijn dienstmaagd Bilha, leg je bij haar te bed, opdat zij op mijne schoot bare, en ik door haar kinderen bekome”. Lea echter, Jakobs tweede vrouw, ergerde zich bepaald daarover, dat Rachel door deze handelwijze kinderen verkreeg, terwijl zij zelf reeds opgehouden had te baren. Daarom “nam zij hare maagd Silpa en gaf haar Jakob tot vrouw”. (Genesis XXX, 1, 2, 3, 9.) Rachel en Lea aapten hierdoor, dat zij hun gemeenschappelijke echtgenoot aanspoorden zich nieuwe bijzitten te verschaffen, Sara na, die de patriarch Abraham haar Egyptische dienstmaagd Hagar tot vrouw gaf, daar zij zelf onvruchtbaar gebleven was. Bij de Grieken geschiedde de adopteren (d.i. het aannemen van een kind), door een vrouw met een zelfde ceremonieel als bij de Hebreeërs, wanneer men dit mag afleiden naar datgene wat op de Olympus voorviel, waar de aardse zeden zo trouw zich herhaalden. Diodorus van Sicilië vermeldt: “Juno besteeg, om Hercules als zoon aan te nemen, haar bed, hield de zoon van Jupiter aan haar lichaam en liet hem een kraamvrouw nabootsende, onder haar kleed te voorschijn glijden. Deze ceremonie wordt nog heden bij de barbaren waargenomen, wanneer zij een kind adopteren”. (IV, 39)

Ook de katholieke kerk heeft niet altijd tegenover de echtbreuk een overdreven gestrengheid aan de dag gelegd. Jezus, evenals Mohammed, poogde de gruwzame straf van de steniging te verzachten, waartoe de overspelige vrouw veroordeeld werd, en die niet meer in overeenstemming met de geest van zijn tijd was. Kerkvaders hebben de echtbreuk geprezen wanneer zij voor de echtgenoot voordelig was. De heilige Augustinus looft de dienstwaardigheid van Sara en beweert dat een vrouw een andere het recht mag afstaan, dat zij op het lichaam van haar man bezit, waaruit hij besluit dat een man ook aan een andere man zijn rechten over het lichaam van zijn vrouw mag afstaan.

De heilige Chrysostomus uit zich nog onvoorwaardelijker. Hij bewondert Abraham, omdat deze zijn vrouw de Farao van Egypte en de koning van Gerar, Abimelech afstond (Genesis, XII en XX), en hij spoort de vrouwen aan Sara’s voorbeeld na te volgen: “Wie zou niet de grootheid van deze blijde gehoorzaamheid bewonderen? Wie kon Sara genoeg prijzen dat zij zich aan de echtbreuk overgaf en haar lichaam de barbaren overleverde, om haar echtgenoot van de dood te redden?” De heilige Ambrosius heeft aan de goedhartigheid van Sara niet minder lofspraken gewijd. [11] Maar de katholieke kerk moest haar denkbeelden over deze vraag wijzigen en de wederinvoering van de barbaarse straffen op de echtbreuk eisen.

Gedurende het bestuur van de moederrechterlijke familie heerste aan beide zijden de polygamie. Toen echter de patriarchale familie in haar plaats trad, werd de polygamie een voorrecht van de mannen. Behalve de wettige vrouw, die hij van haar vader gekocht heeft, en door godsdienstige ceremonies in de familie van de man is opgenomen, leven nog zijn bijzitten, die in vele gevallen de ‘kleine vrouw’ genoemd worden; de titel van de ‘grote vrouw’ blijft de wettige gade voorbehouden. De kinderen van de kleine vrouwen behoren volgens de wet aan de grote vrouw. Zij noemen deze moeder, bewenen haar bij haar dood en rouwen om haar, juist alsof zij werkelijk haar kinderen en niet die van hun natuurlijke moeder zijn.

De gevoelens die in dit tijdperk de echtbreuk van de vrouw in het hart van de man opwekt, zijn niet die van de ijverzucht, maar die van de bezitter, die in woede geraakt over de aantasting van zijn eigendom. De echtbreuk is niets anders dan een eigendomsmisdaad. De gehuwde vrouw wordt gelijk gesteld met een of ander roerend goed, dat zich in het bezit van de echtgenoot bevindt. Bij alle oorspronkelijke beschaafde volkeren staat op de diefstal de doodstraf; zij moet derhalve ook de straf van de op heterdaad betrapte echtbreker zijn, en zij is dit ook. De beledigde echtgenoot had natuurlijk reeds het recht zijn vrouw, die zijn eigendom was, te doden. Hij bezat echter tevens het recht haar minnaar te onteren, te tuchtigen of te doden. In Athene, waar de zeden nog betrekkelijk mild waren, geselde hij hem en leverde hem aan zijn slaven over, die hem smadelijk onteerden.

De wet kon er niet buiten de minnaar ter bestraffing aan de echtgenoot over te laten, die in zijn kwaliteit van bezitter aangerand was. Maar de hoofden van de antieke gemenebesten zagen met leedwezen de leden van de edelste families aan zulke smadelijke mishandelingen en zulk een eerloze dood prijsgegeven. Wellicht was dit een van de redenen dat men op staatskosten courtisanes kocht, en ze in de tempel onderhield: men wilde de jonge patriciërs er voor vrijwaren dat zij tot bevrediging van hun lusten echtbrekers werden. De strenge Cato, de onverbiddelijke tegenstander van de weelde, achtte de courtisanes noodzakelijk om de ontucht te beperken, en de deugd van de matronen, van de huisvrouwen, te bewaren.

De Griekse filosofen en blijspeldichters - want het theater is een school, zo al niet van de zedelijkheid, dan toch van de zeden - raadden de mannen aan zich de gemakkelijke, vrolijke genoegens van de prostitutie over te geven, en de gevaarlijke echtbreuk te vermijden.

De ijverzucht van de man is slechts een vorm van de eigendomszin. In het hart van de vrouw spruit zij voort uit het gevoel van haar waardigheid, die eerst ontstaan kon toen men haar als menselijk wezen en niet als rasdier behandelde. Deze gewichtige omkering kwam tot stand, sedert men haar toestond een van het eigendom der man verschillend zelfstandig vermogen te bezitten. De huwelijksgift, het eerste eigendom dat de vrouw van de patriarchale familie bezit en haar veroorlooft tot het gevoel van een eigen persoonlijkheid te komen, draagt desniettemin nog het brandmerk van haar slavernij.

Het geld dat de vader als koopsom voor zijn dochter ontvangt, maakt de eerste vorm van de huwelijksgift uit. Het is niet meer de vader, maar de dochter die de bruidegom geschenken medebrengt, de koopsom van de vrouw wordt een soort van pensioen ter haren gunste. De bruidsgift, kon Alexander Dumas zeggen, is de prijs van ‘haar kapitaal’, wanneer zij niet aan weduwen even goed als aan meisjes gegeven werd. De Germanen noemen haar morgengave. Deze zede was algemeen. In het zuiden van Europa heet zij ‘zoengave’ (donation de l'oselle). Het oude Bretagne recht zegt (art. 331): “De vrouw verwerft haar pensioen zodra zij de voet in bed zet”. “In bed verwerft de vrouw haar pensioen”, is een spreekwoord dat van de Loire tot aan de Elbe in zwang is. De wetten bepaalden de hoogte van deze gift.

De familie nam de gewoonte aan, bij de geschenken van de bruidegom aan de bruid geschenken van gelijke, later van grootere waarde te voegen. Manu erkende drie soorten van eigendom van de vrouw: dat wat zij voor bestijging van het bruidsbed verkregen had; wat haar familie haar bij het verlaten van het ouderlijke huis gegeven had; en eindelijk wat zij sedert dan verworven had door erven, koop, deling, schenking of vinding. De geschenken van de bruidegom, ofschoon de oorsprong van de bruidsgift, werden langzamerhand slechts een gering deel daarvan. Tenslotte wordt zij nog slechts gevormd uit het eigendom en de geschenken die de vrouw van de kant van haar familie toekomen. De bruid wordt niet meer verkocht; zij koopt thans integendeel de man. Euripides laat het Medea uitspreken, “dat bij de andere plagen welke de vrouw drukken, nog deze komt dat zij hun echtgenoten met grote geldsommen kopen moeten”.

Van deze tijd af betreedt de vrouw het huis van haar echtgenoot niet meer als slavin, maar als een persoonlijkheid, die wel niet ten volle vrij is, maar die men echter bepaalde rechten toekent. De bruidsgift wordt hypotheekarisch op de goederen van de man gezet en moet in geval van een verstoting of scheiding aan de vrouw terug betaald worden. “Men bezit niet de rijkdommen die een vrouw in het huis brengt; zij dienen er slechts toe de echtscheiding te verzwaren”, zegt een fragment uit Euripides, die gaarne instemde in het koor van de aanvallen van zijn tijdgenoten op de vrouwen, die destijds begonnen waren zich van het drukkende despotisme van de man te emanciperen.

De huwelijksgift vergrootte het aanzien en de betekenis van de vrouw. Het eerste gebruik dat zij van haar pas gewonnen onafhankelijkheid maakte, bestond wel daarin dat zij zich verzette tegen de echtbreuk, waartoe de echtgenoot haar verplichtte, om erfgenamen te verwekken. De eerste echtscheiding die de Romeinse annalen opgetekend hebben, nl. die van Spurius Carvilius Ruga, valt in het jaar 230 na de stichting van de stad. Zij werd met de onvruchtbaarheid van de vrouw gemotiveerd, die ongetwijfeld geweigerd had zich aan de prostitutie in de familie over te geven, welke men van haar verlangd had. De moralisten en historieschrijvers halen gewoonlijk de 230 jaren waarin geen scheiding voorkwam, aan als een bewijs van de harmonie die oorspronkelijk in de Romeinse huwelijken heerste; zij zijn integendeel een bewijs voor de volkomen onderwerping van de vrouwen.

Er kan van een feitelijke echtscheiding geen sprake zijn, zolang de man zijn vrouw als een stuk vee koopt. Haar bezitter geeft haar aan haar familie terug, wanneer zij hem niet bevalt, en neemt zijn geld eenvoudig weer terug. Deze manier van handelen was zo diep ingeworteld in de zeden van die tijd, dat zelfs na invoering van de echtscheiding de man nog het recht behield de vrouw naar goeddunken naar haar familie terug te zenden, mits hij slechts de huwelijksgift mee gaf. De bijbel, die talrijke en belangrijke getuigenissen over de zeden van de patriarchale familie bevat, stond de scheiding reeds toe wanneer de man louter een afkeer voelde: “Wanneer iemand een vrouw neemt en haar huwt, en zij geen genade in zijn ogen vindt tengevolge van een of andere tegenzin, dan zal hij een scheidsbrief schrijven en haar deze in de hand geven en haar uit zijn huis laten vertrekken”. (Deuteronomium, XXIV. 1). De Griekse en Romeinse echtgenoot nam zijn vrouw de huissleutel af, zond haar weg, en gaf haar huwelijksgift terug. Deze laatste daad was het enige belangrijke deel van de scheidingsceremonie. De Romeinse scheidingsformule luidde: “Gij zult uw goed bezitten, en zelve uwe zaken beheren”.

Het is niet zeker wanneer in de Romeinse wetgeving het recht van de echtscheiding voor de vrouw ingevoerd werd. In ieder geval, zegt Esmein, bestond het nog niet aan het einde van de derde eeuw voor onze tijdrekening. Bij de Germanen, in het tijdperk van de barbaarsheid, bezat alleen de man het recht van de echtscheiding, en evenzo was het bij alle andere volken. Was eindelijk het recht van de vrouw op scheiding erkend, zo werd het toch vaak illusoir gemaakt door de formaliteiten welke hieraan verbonden werden. In Athene bv. moest de vrouw persoonlijk en in het openbaar voor de archonten verschijnen en in een geschreven verzoekschrift de gronden opgeven die haar tot scheiding dreven. Hoe eenvoudig dit ook lijkt, zo moeilijk was het toch tengevolge van de grote afhankelijkheid van de vrouw. De man behoefde haar slechts de overhandiging van het verzoekschrift gewelddadig te verhinderen, en de vrouw was om haar recht gebracht. Plutarchus verhaalt dat Alcibiadis op het marktplein zijn vrouw ontmoette, toen zij met het verzoekschrift in de hand op weg naar de archonten was. Hij greep haar beet en dwong haar om te keren en weer haar woning in zijn huis in te nemen, waar zij haar dagen besloot. Niemand verzette zich tegen deze gewelddaad die, zoals Plutarchus er bij voegt, noch in strijd met de wet, noch met de menselijkheid scheen te zijn; want de wet schijnt dit publieke optreden van de vrouw voor het gerecht slechts verlangd te hebben, opdat haar echtgenoot in de gelegenheid was haar toe te spreken en terug te houden. (Alcihiades, IX). Het recht van de vrouw op scheiding werd eerst werkelijk een recht, nadat de huwelijksgift haar geëmancipeerd had. In de laatste jaren van de Romeinse republiek was haar toestand een geheel andere geworden dan vroeger. Van haar had men thans veel meer dan van de man de scheiding te vrezen. Evenzo ging het nu met de echtbreuk. De man die het recht bezeten had zijn vrouw te prostitueeren, om geld te winnen of erfgenamen te krijgen, en haar te doden wanneer zij zonder zijn toestemming echtbreuk beging, verloor deze beide rechten.

Hij mocht zijn vrouw niet eens dan doden wanneer hij ze op de daad betrapte; liet hij zich door zijn hartstocht daartoe meeslepen, dan kwam hij als moordenaar voor het gerecht. De overspelige vrouw werd in de keizertijd naar een eiland verbannen, of tot op een zekere afstand van Rome gezonden.

De echtbreuk van de vrouw had de scheiding en de teruggave van de huwelijksgift ten gevolge. Eer de gade dit laatste echter deed, gaf hij er de voorkeur aan een oogje toe te drukken, en de zijsprongen van zijn vrouw niet te zien. De wet moest in Athene, zowel als in Rome, de man met eerloosheid bedreigen, om hem aan te sporen zijn waardigheid op te houden. Daar nochtans deze straffen in Rome niet voldoende schenen om de echtgenoten tot verstoting van hun overspelige vrouwen te bewegen, veroorloofde de wet de man tot vergroting van zijn echtelijke moraal, een deel van de huwelijksgift voor zich te behouden, wanneer hij de ontrouw van zijn vrouw ter kennisgeving bracht. Dit leidde er weer toe dat nu menige echtgenoot de liefdesbetrekkingen van zijn vrouw begunstigde, om ze te kunnen aangeven en een deel van haar huwelijksgift in bezit te krijgen. Er waren mannen die huwden, louter in de verwachting op de echtbreuk van hun vrouwen.

De echtbreuk was in de oudheid een privilegie van de aristocratie. In Rome zowel als in Athene werden de vrouwen uit de voor eerloos verklaarde beroepen, de koppelaarsters, courtisanen, toneelspeelsters, danseressen, de dochters van toneelspelers en dansers, evenals de vrouwen die op de markt handel dreven, een zaak hielden of tot de klasse van de handwerkers behoorden, als een rechtmatige buit van de woestaard beschouwd. De wet bekommerde zich niet om haar, want het waren vrouwen die “geen eer te verliezen hadden”. De wet bewaakte louter de zeden van de rijke voorname dames (matronen), die alleen de kuise lange stola droegen. De matronen vonden die zorg van de wet in latere tijd vaak zeer lastig. Om daarom in geval van echtbreuk hun huwelijksgift niet te verliezen, lieten zij zich bij de aedilen op de lijsten van de prostituees inschrijven, waardoor zij zich zonder enige vrees aan hun liefdesavonturen konden overgeven, daar de omgang met haar voortaan niet meer als echtbreuk beschouwd werd. Het aantal van de ‘van politiewege geregistreerde’ matronen steeg zozeer, dat de senaat onder Tiberius bijzondere wetten uitvaardigde om het recht op prostitutie enigermate te beperken; hij verbood de dames die een Romeins ridder tot grootvader, vader of echtgenoot hadden, met haar lichaam handel te drijven. [12]

Zo vaak was de echtbreuk geworden, dat zij als ‘t ware in de zeden was doorgedrongen, en de echtgenoot was zo zeer tot een nul verlaagd dat de wetgever hem het recht ontnam, de echtbreuk te voorkomen of te straffen, en dit zelf door wetten poogde te bereiken. De wetten zijn, zoals een schrijver van de oudheid opmerkt, des te deugdzamer, hoe verdorven de zeden zijn.

* * *

De patriarchale familie van de klassieke oudheid bevond zich in een staat van ontbinding; zij verdween met de aristocratie, waarvan zij het wezenlijke element gevormd had. De rechten des vaders geraakten het ene na het andere in vergetelheid; de vrouw verkreeg daarentegen dagelijks nieuwe rechten, welke haar een steeds grootere vrijheid waarborgde. Deze ontbinding van de familie, welke men bij alle volken kan waarnemen die op de trap van de beschaving van de antieke wereld gekomen zijn, nam haar verloop te midden van het afschuwelijkste bederf van de zeden en ideeën, welke de grootheid en heerlijkheid van de eerste eeuwen van de republiek uitgemaakt hadden. Deze ontbinding van de familie veroorzaakte voor een deel het bederf van de zeden, voor een deel was zij een gevolg van dit laatste. De corruptie is een van de machtigste hefbomen van de vooruitgang; zij is het welke de oude zeden en organisaties ontbindt, welke de vernieuwing, de vooruitgang in de weg staan.

De ontbinding van de antieke maatschappij scheen de komst van een nieuwe wereld aan te kondigen. Daar kwam de inval van de barbaren, welke de ontwikkeling tegenhield en achteruit deed gaan. Waar de barbaren zich nederzetten, in Italië, in Spanje, in Gallië vormden zij een vreemd element, dat in de beschaving verplaatst was, met zeden en wetten, geheel verschillend van die van de volkeren welke zij overwonnen hadden en onder welke zij woonden, zoals in onze koloniën het recht een ander is voor de inboorlingen als voor de Europese indringers. Maar zo afgesloten de barbaren door de taal, zeden en wetten zijn mochten, zij konden zich niet onttrekken aan de invloed van de Grieks-Romeinse beschaving en oefenden van hun kant weer invloed uit op de beschaafde volksstammen, welke hen omgaven, en dwongen ze hun ideeën, zeden en sociale instellingen te veranderen.

Met de patriarchale familie was ook haar godsdienst ten onder gegaan, en bij de rijke klassen door een vaag deïsme, bij de ontwikkelde klassen door een wijsgerig scepticisme, vervangen geworden. Een nieuwe godsdienst ontstond in de vorm van het christendom, dat een neerslag is van de antieke godsdiensten van het Oosten en van het Westen. De joden, die men gaarne bereidwillig de eer van deze godsdienstige nieuwigheid toekent, hebben slechts de mythe van de arme en duldzame revolutionair geleverd, die het despotisme van de rijken ter kruisdood veroordeeld had, de doodstraf van de slaven. Griekenland had slechts Socrates, de babbelachtige en vuile wijsgeer aan te wijzen, en Italië alleen Spartacus, de trotse revolutionair, die met de wapens in de hand viel. Noch de een, noch de ander konden de klassen van de armen en onwetenden voldoen, die grotendeels uit slaven en vrijgelatenen samengesteld, naar een gedroomde hemel vluchtten, om de aardse ellende beter te kunnen dragen. De ceremonies, de mysteriën en de gehele geest van de nieuwe godsdienst waren niet aan de Israëlieten ontleend, maar werden door alle volkeren van het morgen en het avondland geleverd, welke de heerschappij van Rome had doen samensmelten. De jonkvrouwelijke moeder en het geheim van de drievuldigheid zijn bv. van Egyptische oorsprong; de duif, die in de eerste tijden van Christus een rol speelt, stamt uit Assyrië.

In de storm van de volksverhuizing herleefden instellingen en zeden, die lang in vergetelheid geraakt waren. De barbaren riepen weer uit het graf de ‘patria potestas’ op, die vreselijke macht van de huisvaders over vrouw en kind; zij voerden weer in de brutale ‘manus’ van de echtgenoot, en weer ontstond de oude ruwheid van de man tegenover de vrouw, die men met een dier gelijk achtte, dat men koopt en verkoopt. De echtbreuk, die een verschoonbare zonde geworden was, welke meer spot dan verontwaardiging opwekte, werd weer met ontzettende gruwzaamheid bestraft. In het gehele barbaarse Europa werd op de echtbreuk de dood gezet, terwijl een moordenaar zijn misdaad met een geldsom goed maken kon. Een eenvoudige doodmaken was niet voldoende. Men verscherpte haar door beschimpingen en folteringen, hier werd de vrouw neus en oren afgesneden, daar stenigde men haar, op andere plaatsen weer voerde men haar naakt door de straten en ontvleesde haar lichaam met zweepslagen tot de dood er op volgde. “Niets is somberder en eentoniger dan een overzicht van de straffen op de echtbreuk”, zegt Dr. Letourneau.

Ook de beschaafde christelijke elementen werden door de overmachtige, barbaarse wildheid aangetast. Ook bij hen verloor de vrouw al haar met zoveel moeite verworven rechten. De vrouwen kwamen weer in slavernij, en de echtbreuk werd eveneens voor haar een misdaad, die op ‘t gruwzaamste, ja, met de dood bestraft werd. In Constantinopel en in Rome sleepte men de overspelige vrouw in de arena voor de dierengevechten, en hitste tot groot genoegen van de barbaarse, zowel als beschaafde publiek, een stier op haar af, die men gedresseerd had zware voorwerpen met de horens op te nemen en in de lucht te slingeren. Men voerde gebruiken in, zoals ze later bij de wilden van Amerika weergevonden werden. Een geschiedschrijver van de kerk uit de vierde eeuw verhaalt ons dat keizer Theodosius de weer opgekomen oude Romeinse zede verbieden moest, de echtbreekster in een cel op te sluiten waar men ze aan de wellust van de voorbijgangers prijs gaf, die men door een klok naderbij riep. [13]

Eeuwenlang zijn in Europa de brutale straffen in zwang gebleven. Ordonnanties van Karel de Schone uit 1325, van Lodewijk XI uit 1463, van Johan de Goede uit 1362, bewijzen dat destijds nog vele steden het gebruik heerste de echtbreekster naakt door de straten te jagen. Zelfs het Franse recht dat na de revolutie is ingevoerd, veroorlooft nog de echtgenoot, de op heterdaad betrapte echtbreker te doden, een toestemming die uit het Romeinse recht reeds verdwenen was. Hij mag de moeder van zijn kinderen in de gevangenis bij de geprostitueerden doen opsluiten. De Engelse wetgeving betoont meer achting voor de vrouw. De echtbreuk wordt in Engeland niet meer als een misdaad bestraft, uitgezonderd na indiening van een klacht voor een kerkelijk gerechtshof, ‘ter wille van het zielenheil’ (Pro salute animae). Dit komt echter niet meer voor. Zij kan slechts aanleiding geven tot een aanklacht om schadeloosstelling wegens belediging.

Had iemand in de middeleeuwen de mensen naar hun beschouwing over de echtbreuk gevraagd, de antwoorden waren eenstemmig uitgevallen; edelen en burgers, priesters en leken, geleerden en niet-geleerden, allen hadden zonder enig dralen geantwoord: zij is de vernietiging van de familie en de ondergang van de moraal, en verdient daarom de zwaarste straf.

Wijzen de door de enquête van de Figaro blootgelegde tegenstrijdigheden en verwarring in deze, eertijds zo duidelijk en beslist beantwoorde vraag, daarop dat wij in een tijd leven, gelijk aan die van de ondergang van de Grieks-Romeinse beschaving, toen de verouderde zeden, instellingen en ideeën in ontbinding verkeerden, en een nieuwe wereld zich aankondigde?

De vrouw uit onze eeuw emancipeert zich op economisch gebied. Zij verwerft eigendom op dezelfde wijze als de man, heeft toegang tot alle beroepen, welke vroeger monopolie van de man waren, vindt arbeid in de moderne ondernemingen, in banken, handelshuizen, grote magazijnen, in de werkhuizen en in de fabrieken, waar zij gedwongen is op te treden als concurrent van de vader, de broeder, de echtgenoot, de zoon. De economische verhoudingen worden meer en meer gelijk voor man en vrouw. Deze verandering in haar economische positie moet noodzakelijkerwijze ook tot een omkering van de positie van de vrouw in de maatschappij leiden. Zij begint zich zelf grote vragen voor te leggen: waarom tweeërlei soort van moraal? “Een die de man de liefde met alle vrouwen veroorlooft, en ene die de vrouw, als vergoeding voor haar voor immer verloren vrijheid de liefde met een man slechts toelaat”. En Alexander Dumas voegt er aan toe: “Met welke gronden zult gij de vrouwen afwijzen, wanneer zij de vrijheid van u verlangen? De beschaving heeft uw tot nog toe gebruikte gronden tot stof vernietigd”.


Voetnoten


[1] Ch. Fourier, Théories des Quatre Mouvements, deel II, hoofdstuk V.
[2] G. Bousquet, Le Japon de nos jour (Het hedendaags Japan), 1877 I. blz. 2 vl. Le Théâtre au Japon, Revue des deux Mondes, 1874.
[3] Pehor betekent de scheuring. Baal-Pehor is de heer, die doorboort.
[4] Zie daarvoor het artikel: Het Moederrecht (NvdV).
[5] Duveyrier, Les Toearegs du Nord, blz. 340.
[6] Poter, Histoire universelle des voyages. Deel XVI.
[7] La Vallée de l'Obi et ses habitants. Revue Scientifique. 5 Maart 1887.
[8] Fustel de Coulanges, La Cité antique, I, hoofdst. 4, II, hoofdst 3.
[9] Het atrium was de voorzaal in de Romeinse woonhuizen (NvdV).
[10] Curry, Journal de Voyage à Siout et à El-Obeid en 1857-58.
[11] P. Bayle, Dictionnaire historique et critique, 1697. Bij het artikel Abimelech, noot A.
[12] Tacitus, Annalen, II, 85.
[13] Socrates, Kerkgeschiedenis, Ve Boek, hoofdstuk XVIII [sic - MIA].