V.I. Lenin

Een stap voorwaarts, twee stappen achterwaarts
Een antwoord aan Rosa Luxemburg


Geschreven: De tweede helft van september 1904
Eerste publicatie: 1930
Transcriptie naar HTML: Maarten Vanheuverswyn en Vonk, februari 2004
Deze versie: Genomen uit een uitgave van Progres Moskou, Nederlandse vertaling door A. J. Gerritsen en J. B. de Klerk. De tekst is omgezet naar de nieuwe spelling door Maarten Vanheuverswyn. Tevens werden de voetnoten uit de Progres-uitgave enigszins aangepast.


Het artikel van partijgenote Rosa Luxemburg in de nummers 42 en 43 van ‘Die Neue Zeit’ oefent kritiek uit op mijn Russische boek over de crisis in onze partij. Ik kan niet nalaten de Duitse kameraden mijn dank te betuigen voor de aandacht waarmee zij onze partijliteratuur volgen, en voor hun pogingen de Duitse sociaaldemocratie in kennis te brengen met deze literatuur, maar ik moet er de aandacht op vestigen dat Rosa Luxemburgs artikel in de ‘Neue Zeit’ de lezers niet in kennis brengt met mijn boek, maar met iets anders. Men kan daarover zelf oordelen aan de hand van de volgende voorbeelden. Kameraad Luxemburg zegt bijvoorbeeld dat de opvatting die hier (d.w.z. in mijn boek) op een duidelijke en uitvoerige wijze tot uitdrukking is gebracht, die van een ‘niets ontziend centralisme’ is. Kameraad Luxemburg is dus van mening dat ik het ene organisatiesysteem tegenover het andere verdedig. De werkelijkheid is echter anders. In het hele boek, van de eerste tot aan de laatste bladzijde, verdedig ik de elementaire grondbeginselen van elk systeem van elke denkbaar mogelijke partijorganisatie. Mijn boek houdt zich niet bezig met het verschil tussen het ene of het andere organisatiesysteem, maar met de vraag op welke wijze men welk systeem dan ook moet handhaven, bekritiseren en corrigeren, zonder in strijd te komen met het partijbeginsel. Rosa Luxemburg zegt verder dat “het Centraal Comité volgens deze (Lenins) opvatting de bevoegdheid heeft alle plaatselijke comités van de partij te organiseren”. In werkelijkheid is dat niet waar. Mijn opvatting in deze kwestie kan zwart op wit bewezen worden door het door mij ingediende ontwerp van de organisatorische statuten van de partij. In dit ontwerp is geen sprake van het recht de lagere comités te organiseren. De commissie die op het partijcongres was gekozen om de statuten van de partij uit te werken, heeft dit recht ingelast, en het congres heeft het ontwerp van de commissie aangenomen. In deze commissie waren buiten mij en nog een aanhanger van de meerderheid drie aanhangers van de minderheid van het congres gekozen, zodat in de commissie, die het Centraal Comité het recht gaf de lagere comités te organiseren, juist mijn tegenstanders de overhand hadden. Kameraad Rosa Luxemburg heeft twee verschillende feiten met elkaar verward. In de eerste plaats heeft ze mijn organisatieontwerp verwisseld met het gewijzigde commissieontwerp aan de ene kant en met de door het congres aangenomen organisatorische statuten aan de andere kant. In de tweede plaats heeft zij de verdediging van een bepaald voorstel over een bepaalde paragraaf van de statuten (bij deze verdediging was ik geenszins ‘niets ontziend’, daar ik in de voltallige zitting geen verzet aantekende tegen het door de commissie ingediende amendement) verwisseld met de verdediging van de (niet waar, echt ‘ultracentralistische’?) stelling dat men zich net zo lang aan de door een congres aanvaarde statuten moet houden tot ze door het volgende congres gewijzigd worden. Deze stelling (echt een ‘blanquistische’ [1], zoals de lezer gemakkelijk kan constateren) heb ik in mijn boek inderdaad vrij ‘niets ontziend’ verdedigd. Kameraad Luxemburg is van mening dat volgens mijn opvatting “het Centraal Comité de enige actieve kern van de partij” schijnt te zijn. De werkelijkheid is anders. Ik had deze opvatting nergens verkondigd. Integendeel, mijn opponenten (de minderheid van het Tweede Partijcongres) hebben mij er in hun geschriften van beschuldigd dat ik de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van het Centraal Comité niet voldoende in bescherming neem, dat ik het veel te zeer ondergeschikt maak aan de zich in het buitenland bevindende redactie van het centraal orgaan en aan de Partijraad. Op die beschuldiging heb ik in mijn boek geantwoord dat de partijmeerderheid, toen zij in de Partijraad de overhand had, nooit de poging heeft gedaan in de zelfstandigheid van het CC in te grijpen; dat gebeurde echter zodra de Partijraad een strijdmiddel van de minderheid was geworden. Kameraad Rosa Luxemburg zegt dat er voor de sociaaldemocratie van Rusland geen twijfel over bestaat dat een eensgezinde partij een noodzaak is, en dat de hele strijd draait om de meerdere of mindere mate van centralisatie. De werkelijkheid is anders. Indien kameraad Luxemburg zich de moeite zou hebben getroost de resoluties te leren kennen van de vele plaatselijke comités van de partij die de meerderheid vormen, zou ze gemakkelijk hebben kunnen begrijpen (dat blijkt overigens ook duidelijk uit mijn boek) dat de strijd er bij ons voornamelijk om gaat of het Centraal Comité en het centraal orgaan de richting van de congresmeerderheid moeten vertegenwoordigen of niet. Over deze ‘ultracentralistische’ en zuiver ‘blanquistische’ eis zegt de waarde partijgenote geen woord, doch ze geeft er de voorkeur aan te keer te gaan tegen de mechanische onderwerping van een deel aan het geheel, tegen de kadaverdiscipline, tegen het blindelings gehoorzamen en dergelijke spookbeelden. Ik ben kameraad Luxemburg erg dankbaar voor het uiteenzetten van de uiterst zinvolle gedachte dat de kadaverdiscipline voor de partij zeer schadelijk is, maar zou toch graag willen weten of onze kameraad het normaal acht, of zij kan toelaten, of zij in welke partij ook ooit heeft gezien dat in de centrale instanties, die zich partij-instanties noemen, de minderheid van het partijcongres mag domineren? Kameraad Rosa Luxemburg dicht mij bepaaldelijk de gedachte toe dat in Rusland reeds alle voorwaarden voor het organiseren van een grote en uiterst gecentraliseerde arbeiderspartij aanwezig zijn. Opnieuw een feitelijke onwaarheid. Nergens in mijn boek heb ik deze gedachte uitgesproken, laat staan verdedigd. Uit de door mij opgestelde these bleek en blijkt iets anders. En wel heb ik er de nadruk op gelegd dat alle voorwaarden al aanwezig zijn om de besluiten van het partijcongres te erkennen, en dat de tijd al voorbij is dat men een partijcollege kon vervangen door een privé-kringetje. Ik heb met bewijzen aangetoond dat bepaalde academici in onze partij hun inconsequentheid en onbestendigheid openbaarden en dat zij geen enkel recht hadden hun gebrek aan discipline de Russische proletariërs in de schoenen te schuiven. De Russische arbeiders hebben zich al vaak bij verschillende gelegenheden uitgesproken voor het opvolgen van congresbesluiten. Het is ronduit belachelijk wanneer kameraad Luxemburg een uiting in die zin ‘optimistisch’ noemt (zou men die niet eerder ‘pessimistisch’ moeten noemen?) en er met geen stom woord over spreekt wat er aan mijn standpunt in feite ten grondslag ligt. Kameraad Luxemburg meent dat ik de opvoedende werking van de fabriek verheerlijk. Dat is niet waar. Niet ik, maar mijn tegenstander heeft beweerd dat ik mij de partij voorstel als een fabriek. Ik heb hem flink uitgelachen en hem aan de hand van zijn eigen woorden er op gewezen dat hij twee verschillende kanten van de fabrieksdiscipline met elkaar verwart, wat helaas ook bij kameraad Rosa Luxemburg het geval is.

Kameraad Luxemburg zegt dat ik mijn standpunt misschien scherpzinniger heb gekarakteriseerd dan het door wie van mijn opponenten ook zou kunnen worden gedaan, doordat ik mijn ‘revolutionaire sociaaldemocraat’ heb gedefinieerd als een met de organisatie van de klassebewuste arbeiders verbonden jakobijn. Alweer een feitelijke onwaarheid. Niet ik, maar P. Axelrod heeft het eerst over het jacobinisme gesproken. Axelrod was de eerste die onze partijnuances vergeleek met die uit de tijd van de grote Franse Revolutie. Ik heb louter opgemerkt dat deze vergelijking slechts in die zin toelaatbaar is dat de verdeling van de moderne sociaaldemocratie in een revolutionaire en een opportunistische tot op zekere hoogte overeenkomt met de verdeling in Montagnards en girondijnen [2]. De door het partijcongres erkende oude ‘Iskra’ [3] heeft een dergelijke vergelijking vrij vaak getrokken. En juist omdat zij deze verdeling erkende, bestreed de oude ‘Iskra’ de opportunistische vleugel van onze partij, de richting van de ‘Rabotsjeje Djelo’ [4]. Rosa Luxemburg verwisselt hier de verhouding tussen twee revolutionaire richtingen van de 19de en van de 20ste eeuw met de identificering van deze richtingen zelf. Als ik bijvoorbeeld zeg dat de verhouding tussen de ‘Jungfrau’ en de ‘Kleine Scheidegg’ [5] overeenkomt met de verhouding tussen een huis van vier verdiepingen en een huis met twee verdiepingen, dan wil dat toch niet zeggen dat ik een huis van vier verdiepingen identificeer met de ‘Jungfrau’. Kameraad Luxemburg heeft de feitelijke analyse van de verschillende richtingen van onze partij volledig buiten beschouwing gelaten. En juist aan die analyse, die op de notulen van ons congres berust, wijd ik het grootste deel van mijn boek en in de inleiding vestig ik hier in ‘t bijzonder de aandacht op. Rosa Luxemburg wil over de tegenwoordige toestand van onze partij spreken en gaat daarbij volledig voorbij aan ons partijcongres, dat eigenlijk het werkelijke fundament van onze partij heeft gelegd. Dat is toch wel een gevaarlijke onderneming? Des te gevaarlijker, daar ik er in mijn boek honderd maal op heb gewezen dat mijn tegenstanders ons partijcongres over het hoofd zien en dat juist daardoor al hun beweringen elke feitelijke grondslag missen.

Juist deze grondfout maakt ook kameraad Rosa Luxemburg. Ze herhaalt louter woorden, zonder er moeite voor te doen hun concrete betekenis te vatten. Ze roept spookbeelden op zonder te hebben onderzocht wat werkelijk aan de discussie ten grondslag ligt. Ze schrijft mij gemeenplaatsen, algemene principes en overwegingen, absolute waarheden toe, maar tracht de relatieve waarheden dood te zwijgen die betrekking hebben op strikt bepaalde feiten waarmee ik uitsluitend werk. En dan beklaagt zij zich nog over sjablonen en beroept zich daarbij op Marx’ dialectiek. Maar juist het artikel van de geleerde partijgenote bevat uitsluitend verzonnen sjablonen en juist haar artikel is strijdig met het abc van de dialectiek. Dit abc zegt dat er geen abstracte waarheid bestaat, dat de waarheid altijd concreet is. Kameraad Rosa Luxemburg negeert majestueus de concrete feiten van onze partijstrijd en gaat zich grootmoedig te buiten aan declamaties over kwesties die onmogelijk serieus besproken kunnen worden. Ik wil uit het tweede artikel van kameraad Luxemburg een laatste voorbeeld aanhalen. Ze citeert mijn woorden dat deze of gene versie van organisatorische statuten als een meer of minder scherp strijdmiddel tegen het opportunisme kan dienen. Over welke versies ik in mijn boek en wij allen op het congres hebben gesproken, hierover zegt Rosa Luxemburg geen woord. Welke polemiek ik op het partijcongres heb gevoerd, tegen wie ik mijn grondgedachten naar voren heb gebracht, dat raakt deze partijgenote in het geheel niet. In plaats daarvan behaagt het haar voor mij een hele voordracht te houden over het opportunisme... in de landen van het parlementarisme!! Maar over de bijzondere, specifieke varianten van het opportunisme, over de schakeringen die het bij ons in Rusland heeft aangenomen en waarmee ik mij in mijn boek bezighoud, daarover vinden we in het artikel van de partijgenote geen woord. De gevolgtrekking uit al deze hoogst spirituele gedachtegangen is de volgende: “(...) de partijstatuten mogen zeker niet op zichzelf (?? begrijp dat maar eens) een wapen zijn voor het afweren van het opportunisme, doch louter een uiterlijk machtsmiddel voor het uitoefenen van de doorslaggevende invloed van de inderdaad voorhanden revolutionaire proletarische meerderheid van de partij.” Zeer juist! Maar hoe die inderdaad voorhanden meerderheid van onze partij zich vormde, dat verzwijgt Rosa Luxemburg, en juist daarover heb ik het in mijn boek. Ze verzwijgt ook welk een invloed ik en Plechanov met dit uiterlijke machtsmiddel hebben verdedigd. Ik kan er slechts aan toevoegen dat ik nooit en nergens de onzin heb verkondigd als zouden de partijstatuten een wapen ‘op zichzelf’ zijn. Het beste antwoord op een dergelijke interpretatie van mijn opvattingen zou zijn, de concrete feiten van onze partijstrijd uiteen te zetten. Dan zou het iedereen duidelijk worden hoe sterk de concrete feiten de abstracte gemeenplaatsen en sjablonen van kameraad Luxemburg tegenspreken.

Onze partij werd in het voorjaar van 1898 in Rusland op het congres van de vertegenwoordigers van enkele Russische organisaties gesticht [6]. De partij werd de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij van Rusland genoemd. Haar centraal orgaan werd de ‘Rabotsjaja Gazeta’ [7]; de ‘Vereniging van Russische Sociaaldemocraten in het buitenland’ werd de vertegenwoordiging van de partij in het buitenland. Al spoedig na het partijcongres werd het Centraal Comité van de partij door de politie gearresteerd. De ‘Rabotsjaja Gazeta’ moest na het tweede nummer ophouden te verschijnen. De hele partij werd een vormeloos conglomeraat van plaatselijke organisaties (die comités genoemd werden). De enige verbinding tussen deze plaatselijke comités was van ideële, zuiver geestelijke aard. Onvermijdelijk moest een periode van meningsverschillen, weifelingen en scheuringen beginnen. De intellectuelen, die in vergelijking tot de West-Europese partijen in onze arbeiderspartij een veel hoger percentage vormen, liepen warm voor het marxisme als voor een nieuwe mode. Dit enthousiasme maakte al gauw plaats voor slaafse aanbidding van de burgerlijke kritiek op Marx enerzijds en van de zuiver op vakverenigingen gebaseerde arbeidersbeweging (staking-isme — ‘economisme’ [8]) anderzijds. De meningsverschillen tussen de intellectueel-opportunistische en de proletarisch-revolutionaire richting leidden tot de scheuring van de buitenlandse ‘vereniging’. Het blad ‘Rabotsjaja Mysl’ [9] (Arbeidersgedachte) en het in het buitenland verschijnende tijdschrift ‘Rabotsjeje Djelo’ (Arbeiderszaak) verdedigden (laatstgenoemde enigszins zwakker) het standpunt van het economisme, kleineerden de betekenis van de politieke strijd en loochenden de elementen van een burgerlijke democratie in Rusland. De ‘legale’ Marx-critici [10], de heren Struve, Toegan-Baranovski, Boelgakov, Berdjajev e.a. zwenkten volledig naar rechts. We zien nergens in Europa dat het bersteinianisme zo snel zijn logische einde, de vorming van een liberale fractie, heeft bereikt als dat bij ons in Rusland het geval is geweest. Bij ons begon de heer Struve uit naam van het bersteinianisme met de ‘kritiek’ en eindigde hij met de oprichting van het liberale tijdschrift ‘Oswobozjdenije’ [11] (Bevrijding), liberaal in de Europese betekenis van dit woord. Plechanov en zijn vrienden, die uit de Buitenlandse Liga waren getreden, werden gesteund door de oprichters van de ‘Iskra’ en ‘Zarja’ [12]. Deze twee tijdschriften voerden (zelfs kameraad Rosa Luxemburg heeft daar iets over vernomen) een ‘drie jaar durende schitterende campagne’ tegen de opportunistische vleugel van de partij, een campagne van de sociaaldemocratische ‘Montagne’ tegen de sociaaldemocratische ‘Gironde’ (een uitdrukking van de oude ‘Iskra’), een campagne tegen de ‘Rabotsjeje Djelo’ (de kameraden Kritsjevski, Akimov, Martynov e.a.), tegen de joodse ‘Boend’ [13], tegen de Russische organisaties, die voor deze richting ijverden (voorop de Petersburgse zogenaamde Arbeidersorganisatie en het comité van Voronezj [14]).

Het trad steeds duidelijker aan de dag dat de zuiver ideële verbinding tussen de comités alleen onvoldoende is. Steeds sterker deed zich de behoefte gevoelen een werkelijk hecht aaneengesloten partij te vormen, dat wil zeggen, datgene te voltooien wat zich in 1898 pas had afgetekend. Eind 1902 werd ten slotte het Organisatiecomité gevormd, dat zich tot taak stelde het Tweede Partijcongres bijeen te roepen. Ook een vertegenwoordiger van de joodse ‘Boend’ trad tot dit Organisatiecomité toe, dat voornamelijk door de Russische organisatie van de ‘Iskra’ was opgericht. In het najaar van 1903 kwam eindelijk het Tweede Congres bijeen; het eindigde aan de ene kant met de formele vereniging van de partij, aan de andere kant met de splitsing in een ‘meerderheid’ en een ‘minderheid’. Deze verdeling was er voor het congres niet. Alleen een gedetailleerde analyse van de strijd op het congres kan deze verdeling verklaren. Helaas gaan de aanhangers van de minderheid (onder wie kameraad Luxemburg) een dergelijke analyse angstig uit de weg.

In mijn boek, dat de Duitse lezers door kameraad Luxemburg op een zo eigenaardige wijze is gepresenteerd, wijd ik meer dan 100 bladzijden aan een diepgaande bestudering van de notulen van het congres (die een boekdeel van ongeveer 400 pagina’s vullen). Deze analyse heeft mij ertoe gebracht de gedelegeerden of, beter gezegd, de stemmen (we hadden gedelegeerden met één of met twee stemmen) in vier hoofdgroepen in te delen: 1) de iskristen van de meerderheid (de aanhangers van de richting der oude ‘Iskra’) — 24 stemmen; 2) de iskristen van de minderheid — 9 stemmen; 3) het centrum (spottend ook ‘moeras’ genaamd) — 10 stemmen en ten slotte 4) de anti-iskristen — 8 stemmen, in totaal 51 stemmen. Ik heb onderzocht hoe deze groepen aan alle stemmingen die op het congres plaatsvonden, hebben deelgenomen, en toon aan dat het congres ten aanzien van alle vraagstukken (het program, de tactiek en de organisatie) een arena is geweest van de strijd der iskristen tegen de anti-iskristen met diverse schommelingen van het ‘moeras’. Voor eenieder die ook maar enigszins vertrouwd is met de geschiedenis van onze partij, moet het duidelijk zijn dat het niet anders had kunnen zijn. Maar alle aanhangers van de minderheid (onder wie R. Luxemburg) sluiten voor deze strijd bescheiden hun ogen. Waarom? Omdat juist deze strijd veraanschouwelijkt hoe volkomen verkeerd de tegenwoordige politieke positie van de minderheid is. Gedurende heel de strijd op het partijcongres vochten de iskristen ten aanzien van tientallen vraagstukken, bij tientallen stemmingen tegen de anti-iskristen en het ‘moeras’, dat zich met een des te grotere beslistheid aan de kant van de anti-iskristen plaatste, naarmate het behandelde vraagstuk concreter was, naarmate dit vraagstuk de grondgedachten van de sociaaldemocratische activiteit positiever bepaalde en de onwrikbare plannen van de oude ‘Iskra’ reëler in de daad trachtte om te zetten. De anti-iskristen (in het bijzonder kameraad Akimow en de het altijd met hem eens zijnde afgevaardigde van de Petersburgse ‘Arbeidersorganisatie’, kameraad Brucker, haast altijd kameraad Martynow en de vijf afgevaardigden van de joodse ‘Boend’) waren ertegen, de richting van de oude ‘Iskra’ te aanvaarden. Ze verdedigden de oude privé-organisaties, stemden ertegen dat ze aan de partij ondergeschikt werden gemaakt en dat ze met de partij werden versmolten (het incident met het Organisatiecomité, de ontbinding van de groep ‘Arbeider van het Zuiden’ [15], de belangrijkste groep van het ‘moeras’ enz.). Ze voerden strijd tegen de centralistisch geformuleerde organisatiestatuten (14de zitting van het congres) en beschuldigden destijds alle iskristen ervan, ‘georganiseerd wantrouwen’, een ‘uitzonderingswet’ en dergelijke verschrikkelijke dingen te willen invoeren. Alle iskristen zonder uitzondering lachten daar toen om; merkwaardigerwijze neemt kameraad Rosa Luxemburg thans al deze spookbeelden serieus. Wat de grote meerderheid van de vraagstukken betreft, behaalden de iskristen de overwinning, hadden zij, zoals uit de genoemde cijfers gemakkelijk kan worden opgemaakt, op het partijcongres de overhand. Maar tijdens de tweede helft van de congreszittingen, toen het er om ging minder principiële kwesties op te lossen, behaalden de anti-iskristen de overwinning, enkele iskristen stemden met hen samen. Dit gebeurde bijvoorbeeld ten aanzien van de gelijkgerechtigdheid van alle talen in ons program; op dit punt was het de anti-iskristen bijna gelukt de programcommissie uiteen te laten vallen en hun formulering door te drijven. Dat gebeurde ook ten aanzien van de eerste paragraaf van de statuten, toen de anti-iskristen samen met het ‘moeras’ de redactie van Martov doorzetten. Volgens deze redactie gelden als partijleden niet alleen de leden van een partijorganisatie (een dergelijke redactie werd door mij en Plechanov verdedigd), maar ook alle personen die onder controle van een partijorganisatie werken. [16]

Hetzelfde gebeurde bij de verkiezing van het Centraal Comité en van de redactie van het centraal orgaan. De 24 iskristen vormden een aaneengesloten meerderheid en wisten de sinds lang voorgenomen vernieuwing van de redactie te bereiken. Van de zes vroegere redacteurs werden er drie herkozen; de minderheid bestond uit negen iskristen, tien leden van het centrum en een anti-iskrist (de overige 7 anti-iskristen — de vertegenwoordigers van de joodse ‘Boend’ en van de ‘Rabotsjeje Djelo’ — hadden het congres al voor die tijd verlaten). Deze minderheid was dermate ontevreden over de verkiezing, dat zij het besluit nam zich van de overige verkiezingen te onthouden. Kameraad Kautsky had volkomen gelijk toen hij de vernieuwing van de redactie als de voornaamste oorzaak zag van de daarop gevolgde strijd. Zijn opvatting echter dat ik (sic!) drie kameraden uit de redactie zou hebben ‘uitgesloten’, kan alleen maar verklaard worden uit zijn volslagen gebrek aan kennis inzake ons partijcongres. In de eerste plaats is het niet verkiezen nog lang geen uitsluiting, en ik had op het congres beslist niet het recht iemand uit te sluiten, en in de tweede plaats schijnt kameraad Kautsky helemaal niet te vermoeden dat het feit van een coalitie tussen de anti-iskristen, het centrum en een klein deel van de ‘Iskra’-aanhangers ook een politieke betekenis had en niet zonder uitwerking op het resultaat van de verkiezingen kon blijven. Wie zijn ogen niet wil sluiten voor wat er op ons partijcongres is gebeurd, moet inzien dat onze nieuwe verdeling in een minderheid en een meerderheid slechts een variant van de oude verdeling in een proletarisch-revolutionaire en een intellectueel-opportunistische vleugel van onze partij is. Dit is een feit dat zich niet laat weginterpreteren, noch laat wegspotten.

Helaas werd na het congres de principiële betekenis van deze scheiding door een coöptatieruzie verdoezeld. De minderheid wilde namelijk niet onder de controle van de centrale instantie werken, indien de drie oude redacteurs niet opnieuw gecoöpteerd zouden worden. Die strijd duurde twee maanden. Tot strijdmiddelen dienden boycot en desorganisatie van de partij. Twaalf comités (van de 14 die zich erover uitspraken) veroordeelden deze strijdmiddelen ten scherpste. De minderheid weigerde zelfs ons (van mij en Plechanov uitgaand) voorstel aan te nemen om hun standpunt in de kolommen van de ‘Iskra’ uiteen te zetten. Op de conferentie van de Buitenlandse Liga [17] is het zover gekomen dat de leden van de centrale organen overladen werden met persoonlijke beledigingen, aantijgingen en scheldkanonnades (alleenheersers, bureaucraten, gendarmes, leugenaars enz. enz.). Men beschuldigde hen ervan dat zij het persoonlijke initiatief willen onderdrukken en kadaverdiscipline, blinde gehoorzaamheid enz. willen invoeren. Pogingen van Plechanov om een dergelijke strijdmethode van de minderheid als anarchistisch te karakteriseren, konden hun doel niet bereiken. Na deze conferentie kwam Plechanov met zijn historische, tegen mij gerichte artikel voor de dag, ‘Wat men niet mag doen’ (in nr. 52 van de ‘Iskra’). Daarin zei hij dat de strijd tegen het revisionisme niet beslist een strijd tegen de revisionisten behoeft te betekenen; het was voor iedereen duidelijk dat hij daarbij onze minderheid op het oog had. Voorts zei hij dat men het individualistische anarchisme, dat zo diep in de Russische revolutionair schuilt, niet altijd moet bestrijden; nu en dan zijn concessies een beter middel om het aan banden te leggen en een scheuring te vermijden. Ik trad uit de redactie, daar ik deze opvattingen niet kon delen, en de redacteurs van de minderheid werden gecoöpteerd. Daarna volgde de strijd om de coöptatie in het Centraal Comité. Mijn voorstel om vrede te sluiten onder de voorwaarde dat de minderheid het centrale orgaan en de meerderheid het Centraal Comité behoudt, werd van de hand gewezen. De strijd werd voortgezet, men streed ‘principieel’ tegen bureaucratie, ultracentralisme, formalisme, jacobinisme, zwitserisme (men noemde mij namelijk de Russische Zwitser) en andere spookbeelden. Ik heb me in mijn boek over al deze beschuldigingen vrolijk gemaakt en opgemerkt dat het ofwel ging om een simpele coöptatieruzie, ofwel (zo het onder bepaalde voorwaarden als ‘principieel’ erkend mocht worden) om niets anders dan opportunistische, girondistische frasen.

De huidige minderheid herhaalt slechts wat kameraad Akimow en andere erkende opportunisten op ons congres tegen het door alle aanhangers van de oude ‘Iskra’ verdedigde centralisme te berde hebben gebracht.

De Russische comités waren verontwaardigd over deze verandering van het centrale orgaan in een orgaan van een privé-cirkel, in een orgaan van coötatiegeruzie en partijgeroddel. Er zijn verscheidene resoluties aangenomen waarin dit op de strengste wijze werd veroordeeld. Alleen de al eerder genoemde zogenaamde ‘Petersburgse Arbeidersorganisatie’ en het comité van Voronezj (beide aanhangers van de richting van kameraad Akimow) hebben hun principiële instemming met de richting van de nieuwe ‘Iskra’ uitgesproken. Er gingen steeds meer stemmen op die eisten dat het Derde Congres bijeen moest komen.

De lezer die zich de moeite getroost de oorsprong van onze partijstrijd te bestuderen, zal gemakkelijk begrijpen dat de uitlatingen van kameraad Rosa Luxemburg over het ‘ultracentralisme’, over de noodzaak van een geleidelijke centralisatie enz. concreet en praktisch een bespotting van ons partijcongres zijn, abstract en theoretisch (als men hier van theorie kan spreken) echter niets dan een vervlakking van het marxisme, het misbruiken van de werkelijk marxistische dialectiek enz.

De laatste fase van onze partijstrijd is daardoor gekenmerkt dat de leden van de meerderheid ten dele uit het Centraal Comité werden uitgesloten, ten dele op dood spoor gezet en tot nullen gedegradeerd. (Dat gebeurde dankzij de veranderingen in de samenstelling van het Centraal Comité enz.) De Partijraad (na de coöptatie van de oude redacteurs eveneens in handen geraakt van de minderheid) en het huidige Centraal Comité veroordelen elke agitatie voor het bijeenroepen van het Derde Partijcongres en gaan over tot persoonlijke schikkingen en onderhandelingen met enkele leden van de minderheid. Organisaties als bv. het college van vertegenwoordigers (vertrouwenslieden) van het Centraal Comité, die zich verstoutten zo een misdrijf te plegen als het agiteren voor het bijeenroepen van het congres, werden ontbonden [18]. De Partijraad en het nieuwe Centraal Comité hebben over de hele linie de strijd tegen het bijeenroepen van het Derde Congres geproclameerd. De meerderheid antwoordde daarop met de leuze: “Weg met het bonapartisme!” (zo luidt de titel van een brochure van kameraad Galjorka, die uit naam van de meerderheid spreekt). Steeds groter wordt het aantal resoluties waarin de partij-instanties, die de strijd voeren tegen het bijeenroepen van het partijcongres, de partij onwaardig en bonapartistisch genoemd worden. Hoe huichelachtig het geklets van de minderheid tegen het ultracentralisme en voor de autonomie is geweest, kan men gemakkelijk opmaken uit het feit dat een nieuwe uitgeverij van de meerderheid, door mij tezamen met een andere kameraad opgericht (en waar de genoemde brochure van kameraad Galjorka en enkele andere zijn verschenen), tot buiten de partij staand werd verklaard. De nieuwe uitgeverij biedt de meerderheid de enige mogelijkheid haar opvattingen te propageren, daar de kolommen van de ‘Iskra’ voor haar zo goed als ontoegankelijk zijn. En desondanks, of beter gezegd, juist daarom nam de Partijraad bovengenoemd besluit om de zuiver formele reden dat onze uitgeverij door geen enkele partijorganisatie geautoriseerd is.

Het is overbodig erover te spreken hoe erg het positieve werk is verwaarloosd, hoe sterk het prestige van de sociaaldemocratie is gedaald, hoe zeer de gehele partij is gedemoraliseerd als gevolg van het tenietdoen van alle besluiten en alle verkiezingen van het Tweede Congres en als gevolg van de strijd, die de partij-instanties, die verantwoording verschuldigd zijn aan de partij, tegen het bijeenroepen van het Derde Partijcongres voeren.


Voetnoten

[1] Het blanquisme: een stroming in de Franse socialistische beweging, geleid door de vooraanstaande revolutionair en bekende vertegenwoordiger van het Franse utopische communisme, Louis-Auguste Blanqui (1805-1881). De blanquisten ontkenden de klassenstrijd en verwachtten de “verlossing van de mensheid van de loonslavernij niet door middel van de klassenstrijd van het proletariaat, maar door middel van een samenzwering van een kleine intellectuele minderheid” (V.I. Lenin). Door de activiteiten van een geheime groep van samenzweerders in de plaats te stellen van een revolutionaire partij hielden zij geen rekening met de werkelijke omstandigheden, noodzakelijk voor het slagen van een opstand en veronachtzaamden zij de band met de massa.

[2] Montagnards en girondijnen: benamingen van twee politieke groeperingen van de bourgeoisie gedurende de Franse Revolutie van het einde van de achttiende eeuw. De meest vastberaden vertegenwoordigers van de bourgeoisie — de revolutionaire klasse van die tijd — die de afschaffing van de alleenheerschappij en het feodalisme eisten, werden montagnards of jakobijnen genoemd. De girondijnen, in tegenstelling met de jakobijnen, weifelden tussen de revolutie en de contrarevolutie en neigden tot een overeenkomst met de monarchie. ‘De socialistische Gironde’ noemde Lenin de opportunistische stroming in de sociaaldemocratie; ‘proletarische jacobijnen’, ‘la Montagne’ de revolutionaire sociaaldemocraten. Na de splitsing van de RSDAP in bolsjewieken en mensjewieken legde Lenin er vaak de nadruk op dat de mensjewieken de girondijnse stroming in de arbeidersbeweging vertegenwoordigden.

[3] De oude ‘Iskra’ (de Vonk): het eerste illegale marxistische blad voor geheel Rusland. Het werd in 1900 door Lenin opgericht en speelde een beslissende rol in het tot stand komen van een revolutionaire marxistische partij van de arbeidersklasse in Rusland.
Het eerste nummer van ‘Iskra’ verscheen in december 1900 in Leipzig, de volgende nummers in München, vanaf juli 1902 verscheen het blad in Londen en vanaf het voorjaar van 1903 in Genève. Lenin was in feite de hoofdredacteur van de ‘Iskra’ en schreef artikels over alle fundamentele kwesties betreffende de opbouw van de partij en de klassenstrijd van het Russische proletariaat.

[4] ‘Rabotsjeje Djelo’ (de Arbeiderszaak): het orgaan van de Buitenlandse Liga van Russische Sociaaldemocraten. Het tijdschrift verscheen van 1899 tot februari 1902 in Genève en wel in het geheel 12 nummers (9 boeken). ‘Rabotsjeje Djelo’ volgde de bernsteiniaanse leuze ‘vrijheid van kritiek op het marxisme en nam een opportunistisch standpunt in. inzake kwesties van tactiek en de organisatorische taken van de Russische’ sociaaldemocratie. De groep rondom ‘Rabotsjeje Djelo’ propageerde opportunistische opvattingen zoals de ondergeschiktheid van de politieke strijd van het proletariaat aan de economische, verheerlijking van de spontaniteit van de arbeidersbeweging en de ontkenning van de leidende rol van de partij. 71. Hiermee wordt het Eerste Congres van de RSDAP bedoeld dat van 1 tot 3 (13 tot 15) maart 1898 in Minsk gehouden werd.

[5] Twee bergen in Zwitserland.

[6] Hiermee wordt het eerste congres van de RSDAP bedoeld, dat van 1 tot 3 (13 tot 15) maart 1898 in Minsk gehouden werd.

[7] ‘Rabotsjaja Gazeta’ (De Arbeiderskrant): het illegale orgaan van de groep sociaaldemocraten van Kiev. Er verschenen in het geheel twee nummers: nr. 1 in augustus 1897 en nr. 2 in december (gedateerd november) van datzelfde jaar. Het Eerste Congres van de RSDAP, dat in maart 1898 gehouden werd, erkende de ‘Rabotsjaja Gazeta’ als het officiële orgaan van de partij. Als een gevolg echter van de vernieling van de drukkerij door de politie en de arrestatie van het door het Congres gekozen Centrale Comité zag het derde nummer, dat reeds voor drukken gereed lag, nooit het licht.

[8] Het economisme: een stroming in de Russische sociaaldemocratie aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. De economisten beperkten de taken van de arbeidersklasse tot de economische strijd om loonsverhoging, verbetering van de arbeidsvoorwaarden enz.

[9] ‘Rabotsjaja Mysl’ (Arbeidersgedachte): het orgaan van de economisten dat van oktober 1897 tot december 1902 uitkwam. In het geheel verschenen er zestien nummers.

[10] Het legale marxisme (stroewisme) ontstond in de negentiger jaren van de negentiende eeuw als een maatschappelijk-politieke stroming onder de liberaal-burgerlijke intellectuelen van Rusland. Zij raakten geïnteresseerd in het marxisme als een socio-historische theorie, zonder ooit de revolutionaire inhoud ervan te vatten. De jonge bourgeoisie was op zoek naar een eigen stem die haar eigen belangen kon vertolken en een theoretische basis kon leggen voor de onvermijdelijkheid van de kapitalistische ontwikkeling in Rusland. Gedurende een korte periode genoot het ‘marxisme’, in een gekuiste, academische vorm, een zeker prestige bij ‘links-liberale’ professoren. Ondanks het geflirt bleven de legale marxisten geworteld in een vreemde klasse. Stroeve zelf beschreef de mentaliteit van de legale marxisten als volgt: “Om eerlijk te zijn, het socialisme bracht nooit enige emotie in mij teweeg, laat staan dat het op mij een aantrekkingskracht uitoefende. (...) Het socialisme interesseerde me vooral als ideologische kracht, die (...) ofwel kon leiden tot de verovering van de burgerlijke vrijheden, ofwel de afschaffing ervan.” (geciteerd in Slavonic and East European Review, vol. xxii, nr. 34, p. 350)

[11] ‘Oswobozjdenije’ (Bevrijding): een halfmaandelijks tijdschrift, dat van 18 juni (1 juli) 1902 tot 5 (18) oktober 1905 onder redactie van P. B. Stroeve in het buitenland verscheen. Het tijdschrift was het orgaan van de Russische liberale bourgeoisie en verkondigde de ideeën van het gematigde liberalisme.

[12] ‘Zaria’ (Morgenrood): een marxistisch wetenschappelijk politiek tijdschrift, dat in de jaren 1901/1902 door de redactie van de ‘Iskra’ legaal te Stuttgart uitgegeven werd. Er verschenen in het geheel 4 nummers.

[13] De Boend: de verkorte naam van de Algemene Joodse Arbeidersbond in Litouwen, Polen en Rusland, die in 1897 opgericht werd en hoofdzakelijk de halfproletarische elementen onder de joodse handwerkers in de westelijke gebieden van Rusland verenigde. De Boend droeg het nationalisme en het separatisme uit in de arbeidersbeweging van Rusland. Binnen de RSDAP ondersteunden de leden van de Boend voortdurend de opportunistische vleugel van de partij (de ‘economisten’, mensjewieken en liquidators) en voerden strijd tegen de bolsjewieken en het bolsjewisme.

[14] De Petersburgse Arbeidersorganisatie en het Comité van Voronezj bevonden zich in de handen van de ‘economisten’ en stonden vijandig tegenover de ‘Iskra’ en haar organisatieplan voor de opbouw van een partij.

[15] De groep Arbeider van het Zuiden was een sociaaldemocratische groep, die in de herfst van 1901 gevormd werd in het zuiden van Rusland rondom het illegaal verschijnende blad van dezelfde naam.

[16] Kameraad Kautsky sprak zich uit voor de redactie van Martov en plaatste zich daarbij op het standpunt van de doelmatigheid. In de eerste plaats werd dit punt op ons partijcongres niet beoordeeld vanuit het standpunt der doelmatigheid, maar vanuit het standpunt der principes. Op die manier stelde Axelrod het vraagstuk aan de orde. In de tweede plaats is kameraad Kautsky abuis wanneer hij van mening is dat er onder de Russische politieverhoudingen een zo wezenlijk verschil bestaat tussen het lidmaatzijn van een partijorganisatie en het louter werken onder de controle van zo’n organisatie. In de derde plaats is het bijzonder misleidend de tegenwoordige toestand in Rusland te vergelijken met die in Duitsland onder de Socialistenwet. — noot van Lenin

[17] De Buitenlandse Liga van de Russische Revolutionaire Sociaaldemocratie werd op initiatief van Lenin in oktober 1901 opgericht. De buitenlandse afdeling van de ‘Iskra’-organisatie en de revolutionaire organisatie ‘Sotsial-Demokrat’ (de Sociaaldemocraat), waartoe de groep Bevrijding van de Arbeid behoorde, traden tot de Liga toe. De taak van de Liga bestond er in de ideeën van de revolutionaire sociaaldemocratie te verbreiden en het oprichten van een strijdbare sociaaldemocratische organisatie te bevorderen. De Liga (in overeenstemming met haar statuten) was de buitenlandse afdeling van de ‘iskra’.

Na het Tweede Congres van de RSDAP versterkten de mensjewieken hun positie in de Buitenlandse Liga en begonnen de strijd tegen Lenin en de bolsjewieken. Op haar tweede congres voerden de mensjewieken nieuwe statuten in voor de Liga, die gericht waren tegen de statuten van de partij, aangenomen op het Tweede Congres van de RSDAP. Van toen af werd de Liga een steunpunt van het mensjewisme. Zij bleef tot 1905 bestaan.

[18] Lenin heeft hier het besluit van het Centraal Comité op het oog om het Zuidelijke Bureau van het CC op te heffen, dat propaganda maakte voor het bijeenroepen van het Derde Congres van de partij.