V.I. Lenin


De partizanenoorlog


Geschreven: 30 september 1906
Eerste publicatie: Proletari nr. 5, 30 september 1906
Transcriptie: Adrien Verlee, maart 2004
HTML: Maarten Vanheuverswyn, maart 2004



Het vraagstuk van de partizanenacties heeft in onze partij en onder de arbeidersmassa’s levendige belangstelling gewekt. We hebben dit vraagstuk al herhaaldelijk aangeroerd en willen thans de beloofde meer samenvattende uiteenzetting van onze opvattingen geven.

1

Laten we bij het begin beginnen. Wat zijn de eerste vereisten die elke marxist moet stellen bij het onderzoeken van de kwestie van de strijdvormen? In de eerste plaats onderscheidt het marxisme zich van alle primitieve vormen van het socialisme door het feit dat het de beweging niet aan de ene of andere vaste strijdvorm bindt. Het erkent de meest verschillende strijdvormen en het vindt ze niet uit, maar vat de in de loop van de beweging vanzelf ontstane vormen van strijd van de revolutionaire klassen generaliserend samen, organiseert ze en verleent hun bewustzijn. Het marxisme wijst alle abstracte formules, alle doctrinaire recepten met beslistheid van de hand en verlangt dat met aandacht wordt ingegaan op de zich daadwerkelijk afspelende strijd der massa’s, die met de voortschrijdende ontwikkeling van de beweging, met het groeiende bewustzijn van de massa’s, met de verscherping van de economische en politieke crises voortdurend nieuwe en meer verschillende methoden van de verdediging en de aanval doet ontstaan. Het marxisme denkt er dan ook niet over, eens en voor altijd de een of andere strijdvorm van de hand te wijzen. Het marxisme beperkt zich geenszins alleen tot strijdvormen, die alleen in het gegeven ogenblik mogelijk zijn en toegepast worden, maar acht het onvermijdelijk, dat met de verandering van de sociale situatie van het moment nieuwe, in de gegeven periode onbekende strijdvormen opkomen. Het marxisme leert, als men zich zo mag uitdrukken, in dit opzicht uit de praktijk van de massa en maakt er in de verste verte geen aanspraak op de massa’s strijdvormen te leren, die door kamer-‘systematici’ uitgedokterd worden. We weten, zei bv. Kautsky, toen hij de vormen van de sociale revolutie onderzocht, dat de komende crisis ons nieuwe strijdvormen zal brengen, die wij thans niet kunnen voorzien.

In de tweede plaats verlangt het marxisme absoluut een historische benadering van de kwestie der strijdvormen. Dit probleem buiten de historische en concrete situatie om behandelen betekent niets begrijpen van het abc van het dialectisch materialisme. Op verschillende momenten van de economische evolutie, afhankelijk van de verschillende politieke, nationale en culturele voorwaarden, van de levensomstandigheden, enz., komen verschillende strijdvormen naar voren en worden de voornaamste vormen van strijd, en in verband daarmee wijzigen zich op hun beurt de strijdvormen van de tweede orde, de strijdvormen van ondergeschikte betekenis. Een poging doen om de kwestie van de toepasselijkheid van een bepaald strijdmiddel te bevestigen of te ontkennen, zonder de concrete situatie van de gegeven beweging op de gegeven trap van haar ontwikkeling diepgaand te onderzoeken, staat gelijk aan het volledig laten varen van de grondslagen van het marxisme.

Dit zijn de twee fundamentele theoretische beginselen die wij ons als richtlijn moeten stellen. De geschiedenis van het marxisme in West-Europa geeft ons een onmetelijke hoeveelheid voorbeelden die het voorafgaande bevestigen. De Europese sociaaldemocratie beschouwt tegenwoordig het parlementarisme en de vakbeweging als de voornaamste vormen van strijd. Vroeger heeft ze de opstand erkend en ze is volstrekt bereid die ook in de toekomst te erkennen, wanneer de situatie zich wijzigt — in tegenstelling tot de mening van de liberale bourgeoisie van het slag van de Russische kadetten en Bezzaglawtsen. [1] De sociaaldemocratie heeft in de jaren ‘70 de algemene staking als een sociale panacee, als een middel voor het direct ten val brengen van de bourgeoisie langs niet-politieke weg, van de hand gewezen — maar de sociaaldemocratie erkent beslist de politieke massastaking (vooral na de ervaring van Rusland van 1905) als een van de strijdmiddelen, dat onder bepaalde voorwaarden noodzakelijk is. De sociaaldemocratie was in de jaren ‘40 van de 19e eeuw voor straatgevechten en barricadestrijd, maar heeft die op grond van bepaalde voorwaarden aan het eind van de 19e eeuw van de hand gewezen — en ze heeft zich er volledig bereid toe verklaard deze laatste opvatting te herzien en na de ervaringen van Moskou, waar volgens K. Kautsky’s woorden een nieuwe barricadentactiek is ontstaan, de barricadenstrijd als doelmatig te beschouwen en te erkennen.

2

Na deze algemene beginselen van het marxisme te hebben vastgesteld, willen we tot de Russische Revolutie overgaan. Laten we eens terugdenken aan de historische ontwikkeling van de strijdvormen, die zij heeft doen ontstaan. Allereerst economische stakingen van de arbeiders (1896 tot 1900), daarna politieke demonstraties van arbeiders en studenten (1901 tot 1902), boerenonlusten (1902), het begin van politieke massastakingen, op verschillende manieren gecombineerd met demonstraties (Rostov 1902, de zomerstakingen van 1903, de 9e januari 1905), de algemene politieke staking in geheel Rusland met barricadengevechten in afzonderlijke plaatsen (oktober 1905), een massale barricadestrijd en gewapende opstand (december 1905), vreedzame parlementaire strijd (april tot juni 1906), gedeeltelijke opstanden van de boeren (herfst 1905 tot herfst 1906).

Dat was de stand van zaken tot de herfst van 1906 vanuit het standpunt van de strijdvormen als zodanig. De strijdvorm waarmee de alleenheerschappij antwoordde, was de pogrom van de Zwarte Honderd, te beginnen bij de pogrom van Kisjinev in het voorjaar van 1903 en eindigend met de pogrom van Sedlets in de herfst van 1906. [2]

Gedurende heel deze tijd maakt het organiseren van pogroms van de Zwarte Honderd en van de bloedige uitspattingen tegen joden, studenten, revolutionairen en klassenbewuste arbeiders steeds grotere vorderingen, wordt steeds meer volmaakt, de gewelddadigheden van gekocht gepeupel worden aangevuld met gewelddadigheden van Zwarte Honderd-troepen, in dorpen en steden wordt artillerie ingezet, er worden strafexpedities op uit gestuurd, er rijden straftreinen langs de spoortrajecten, enz.

Dat is de algemene achtergrond van het beeld. Tegen deze achtergrond steekt — ongetwijfeld als een op zich zelf staande trek, als iets van de tweede rang, als iets ondergeschikt — het verschijnsel af, aan het bestuderen en beoordelen waarvan het onderhavige opstel is gewijd? Wat is dat voor een verschijnsel? Wat zijn zijn vormen? Zijn oorzaken? De tijd van zijn ontstaan en de graad van verbreiding ervan? Zijn betekenis in de algemene loop van de revolutie? Zijn verband niet de door de sociaaldemocratie georganiseerde strijd van de arbeidersklasse?

Dit zijn de vragen, waartoe wij thans moeten overgaan, nadat wij de algemene achtergrond van het beeld hebben geschetst.

Het verschijnsel dat ons hier interesseert, is de gewapende strijd. Hij wordt door afzonderlijke personen en kleine groepen gevoerd. Ten dele behoren zij tot revolutionaire organisaties, ten dele (in sommige streken van Rusland voor het grootste deel) zijn zij geen lid van een revolutionaire organisatie. De gewapende strijd heeft twee verschillende doeleinden, die men streng uit elkaar moet houden: deze strijd heeft ten eerste het doden van afzonderlijke personen, van superieuren en minderen bij de politie en het leger ten doel en ten tweede het in beslagnemen van geldmiddelen, zowel van de regering als van particulieren. De in beslag genomen gelden komen ten dele ten goede aan de partij en worden ten dele gebruikt speciaal voor de bewapening en het voorbereiden van de opstand, en voor een ander deel voor het onderhoud van de personen, die de door ons geschetste strijd voeren. De gelden, die bij onteigeningen op grote schaal werden buitgemaakt (meer dan 200.000 roebel bij de Kaukasische onteigeningen, 875.000 roebel bij die in Moskou) [3], vloeiden in de eerste plaats naar de revolutionaire partijen, terwijl de onteigeningen van geringe omvang vooral, soms echter ook wel uitsluitend, dienden voor het levensonderhoud van de onteigenaars. Deze vorm van strijd kreeg ongetwijfeld pas in 1906, d.w.z. na de decemberopstand, bijzonder sterke ontwikkeling en verbreiding.

De verscherping van de politieke crisis tot de gewapende opstand en in het bijzonder de verscherping van de nood, de honger en de werkloosheid in stad en land speelden onder de oorzaken, die tot de geschetste strijd leidden, een grote rol. Deze vorm van strijd werd door de gedeclasseerde elementen van de bevolking, door lompenproletariërs en anarchistische groepen als de voornaamste en zelfs uitsluitende vorm van de sociale strijd overgenomen. De uitzonderingstoestand, de mobilisatie van nieuwe troepen, de pogroms van de Zwarte Honderd (Sedlets) en de standgerechten moeten beschouwd worden als de strijdvorm waarmee de alleenheerschappij antwoordde.

3

De waardering die men de onderhavige strijd gewoonlijk ten deel laat vallen, komt op het volgende neer: het is anarchisme, blanquisme, de oude terreur, het betreft acties door afzonderlijke personen, die los staan van de massa’s, dergelijke acties demoraliseren de arbeiders, stoten brede kringen van de bevolking van hen af, desorganiseren de beweging, schaden de revolutie. Voorbeelden die een dergelijk oordeel bevestigen, kan men gemakkelijk zien in de gebeurtenissen waarvan de kranten elke dag weer melding maken.

Hebben deze voorbeelden echter bewijskracht? Laat ons daartoe eens het gebied onder de loep nemen, waar de geschetste strijdvorm naar verhouding het sterkst is verbreid geweest — dat van Letland.

De Nowoje Wremja beklaagt zich bijvoorbeeld (in zijn nummers van 9 en 12 september) over het optreden van de Letse sociaaldemocratie. De Letse sociaaldemocratische Arbeiderspartij (onderdeel van de RSDAP) geeft regelmatig haar blad uit in een oplage van 30.000 exemplaren [4]. In het officiële deel worden lijsten gepubliceerd met namen van politieverklikkers, wier vernietiging als de plicht van elk eerlijk mens wordt beschouwd. Wie de politie hulp verleent, wordt tot vijand van de revolutie verklaard, ter dood veroordeeld en verbeurd bovendien zijn eigendom. De sociaaldemocraten verordenen de bevolking geld voor de partij slechts af te dragen tegen gestempelde kwitanties. In de laatste afrekening van de partij wordt onder het jaarinkomen van 48.000 roebel een bedrag van 5.600 roebel verantwoordt van de afdeling Libau, dat door onteigening voor de aanschaf van wapens werd verkregen. De Nowoje Wremja schuimbekt uiteraard van woede over deze revolutionaire wetgeving, dit schrikbewind.

Niemand zal het in zijn hoofd halen deze activiteit van de Letse sociaaldemocraten als anarchisme, blanquisme of terrorisme te bestempelen. Waarom niet? Omdat hier het verband tussen de nieuwe strijdvormen en de opstand die in december heeft plaatsgevonden en die opnieuw rijp geworden is, duidelijk aanwezig is. Wanneer men Rusland als geheel neemt, is dit verband niet zo duidelijk zichtbaar, maar het is er. Zonder twijfel heeft de partizanenstrijd zich juist na december verbreid en staat hij in verband met de verscherping, niet alleen van de economische, maar ook van de politieke crisis. Het oude Russische terrorisme was een zaak van samenzweerders uit kringen van de intelligentsia, thans wordt de partizanenstrijd in de regel gevoerd door arbeiders uit strijdgroepen of eenvoudigweg door werkeloze arbeiders. Mensen, die de neiging hebben, in sjablonen te denken, kunnen gemakkelijk op de gedachte komen, dat dit blanquisme en anarchisme is. In de situatie van de opstand, zoals die in het gebied van Letland zo duidelijk aan de dag treedt, zijn dergelijke uit het hoofd geleerde etiketten echter zeer klaarblijkelijk niet te gebruiken.

Aan het voorbeeld van Letland kan men bijzonder duidelijk zien hoe volkomen onjuist, onwetenschappelijk en onhistorisch, het is de partizanenoorlog zoals het bij ons gebruikelijk is, te analyseren onafhankelijk van de situatie, van de opstand. Men moet de situatie in ogenschouw nemen, men moet bedenken welke bijzonderheden de overgangstijd tussen grote acties van de opstand vertoont, men moet begrijpen welke strijdvormen hierbij onvermijdelijk ontstaan, en mag niet met een paar uit het hoofd geleerde formules als het anarchisme, roof, uitspattingen van het gepeupel, daarover heen stappen, woorden die kadetten net als lieden van de Nowoje Wremja in de mond bestorven liggen. Men zegt, dat de acties van de partizanen ons werk desorganiseren. Laten we eens kijken, in hoeverre dit oordeel voor wat de situatie na december 1905, de periode van de pogroms van de Zwarte Honderd en van de staat van beleg betreft juist is. Wat desorganiseert de beweging in een dergelijke periode meer: het ontbreken van enig verzet of een georganiseerde partizanenstrijd?

Vergelijk Midden-Rusland eens met de westelijke randgebieden, met Polen en het gebied van Letland. Het is aan geen twijfel onderhevig dat de partizanenstrijd in de westelijke randgebieden aanzienlijk meer verbreid en verder ontwikkeld is. Het is evenmin aan enige twijfel onderhevig, dat de revolutionaire beweging in het algemeen en de sociaaldemocratische beweging in het bijzonder in Midden-Rusland gedesorganiseerder is dan in de westelijke randgebieden. Het komt uiteraard helemaal niet bij ons op, hieruit de conclusie te trekken, dat de Poolse en de Letse sociaaldemocratie minder gedesorganiseerd zijn dank zij de partizanenoorlog. Neen. Hieruit volgt slechts, dat de partizanenoorlog geen schuld heeft aan het desorganiseren van de sociaaldemocratische arbeidersbeweging in Rusland in het jaar 1906.

Men wijst hier niet zelden op de bijzonderheid van de nationale voorwaarden. Deze verwijzing echter openbaart wel heel duidelijk de zwakte van de gangbare argumentatie. Wanneer de nationale voorwaarden het doorslaggevende zijn, dan gaat het dus niet om anarchisme, blanquisme of terrorisme — algemeen Russische of zelfs specifiek Russische zonden — maar om heel iets anders. Onderzoekt dit andere concreet, mijne heren! U zult dan zien, dat de nationale onderdrukking of het nationale antagonisme in het geheel niets verklaren, want die zijn er in de westelijke randgebieden altijd geweest, maar de partizanenstrijd is pas door de gegeven historische periode voortgebracht. Er zijn vele gebieden, waar nationale onderdrukking en nationale tegenstellingen bestaan, maar geen partizanenstrijd die zich soms zonder enige nationale onderdrukking ontplooit. Een concreet onderzoek van het probleem zal aantonen dat het niet de nationale onderdrukking het beslissende is, maar dat de voorwaarden van de opstand dit zijn. De partizanenstrijd is een onvermijdelijke strijdvorm in een tijd, waar de massabeweging in de praktijk al de opstand benadert en er meer of minder grote pauzes intreden tussen de ‘grote slagen’ van de burgeroorlog.

De beweging wordt niet door partizanenacties gedesorganiseerd, maar door de zwakte van de partij, die deze acties niet in eigen hand weet te nemen. Dit is dan ook de reden waarom de ook bij ons Russen gebruikelijke banvloeken tegen partizanenacties in verband worden gebracht met het feit dat er geheime, toevallige, ongeorganiseerde, partizanenacties zijn, die de partij werkelijk desorganiseren. Als wij niet in staat zijn te begrijpen welke historische voorwaarden deze strijd veroorzaken, dan zijn wij ook niet in staat zijn slechte kanten uit te roeien. De strijd gaat echter desalniettemin voort, teweeg gebracht als hij wordt door belangrijke economische en politieke oorzaken. Wij zijn niet in staat deze oorzaken en deze strijd uit de weg te ruimen. Ons gejammer over de partizanenstrijd is gejammer over de zwakte van onze partij ten aanzien van de opstand.

Wat wij over de desorganisatie hebben gezegd, geldt ook voor de demoralisering. Niet de partizanenoorlog demoraliseert, maar de ongeorganiseerdheid, het gebrek aan systeem, aan partijbewustheid in de partizanenacties demoraliseert. Van deze wel degelijk bestaande demoralisering kunnen wij geenszins bevrijden door de partizanenacties te veroordelen en te vervloeken, want deze oordelen en banvloeken zijn volstrekt niet in staat een verschijnsel tot staan te brengen, dat door diepe economische en politieke oorzaken teweeg gebracht, wordt. Men zal hier tegen in brengen: als wij de kracht niet hebben om een abnormaal en demoraliserend verschijnsel tegen te gaan, is dat voor de partij geen enkel argument om tot abnormale en demoraliserende strijdmiddelen over te gaan. Een zodanige tegenwerping zou echter al zuiver liberaal-burgerlijk en niet-marxistisch zijn, want de marxist kan de burgeroorlog of de partizanenstrijd als een van de vormen daarvan niet zomaar als abnormaal en demoraliserend beschouwen. De marxist staat op de grondslag van de klassenstrijd en niet van de sociale vrede. In bepaalde perioden van scherpe economische en politieke crises ontwikkelt de klassenstrijd zich tot een directe burgeroorlog, d.w.z. tot een gewapende strijd tussen twee delen van het volk. In zulke perioden is de marxist verplicht, op het standpunt van de burgeroorlog te staan. Elke morele veroordeling van de burgeroorlog is vanuit het standpunt van het marxisme volstrekt ontoelaatbaar.

In het tijdperk van de burgeroorlog is de ideale partij van het proletariaat een oorlogvoerende partij. Dat is onweerlegbaar. We geven volmondig toe dat men vanuit het standpunt van de burgeroorlog de ondoelmatigheid van deze of gene vormen van de burgeroorlog op een bepaald moment kan trachten aan te tonen en inderdaad kan aantonen. Een kritiek op de verschillende vormen van burgeroorlog vanuit het standpunt van de militaire doelmatigheid achten wij volstrekt juist en wij verklaren ons er beslist mee eens dat de beslissende stem ten aanzien van een dergelijke kwestie aan de sociaaldemocratische mensen van de praktijk van elke streek afzonderlijk toekomt. Uit naam van de grondbeginselen van het marxisme verlangen wij echter absoluut, dat men zich niet met versleten en sjabloonachtige frasen over anarchisme, blanquisme en terrorisme afmaakt van het analyseren van de voorwaarden van de burgeroorlog en dat men zinloze methoden bij partizanenacties, zoals ze door deze of gene organisatie van de Poolse Socialistische Partij [5] op een of ander tijdstip zijn toegepast, niet hanteert als middel tot afschrikking tegen het deelnemen van sociaaldemocraten aan de partizanenoorlog in het algemeen.

Opmerkingen over het desorganiseren van de beweging door de partizanenoorlog moet men kritisch bekijken. Elke nieuwe strijdvorm, die met nieuwe gevaren en nieuwe offers gepaard gaat, zal ontegenzeggelijk de organisaties, die niet op deze nieuwe strijdvormen zijn voorbereid, ‘desorganiseren’. Onze oude propagandistencirkels werden gedesorganiseerd door de overgang op de agitatie. Onze comitée’s werden later gedesorganiseerd door de overgang naar demonstraties. Elke actie in elke willekeurige oorlog zorgt voor een zekere desorganisatie in de gelederen van de strijdenden. Hieruit mag men echter niet de conclusie trekken, dat men geen oorlog mag voeren. Er moet uit geconcludeerd worden, dat men moet leren oorlog te voeren. Anders niets.

Als ik sociaaldemocraten zie, die trots en zelfvoldaan verklaren: wij zijn geen anarchisten, geen dieven, geen rovers, wij staan daar boven, wij keuren de partizanenoorlog af, dan vraag ik me af: begrijpen die mensen wel wat ze zeggen? Er vinden in het gehele land gewapende botsingen plaats tussen de regering van de Zwarte Honderd en de bevolking. Op de gegeven trap van ontwikkeling van de revolutie is dit verschijnsel volkomen onvermijdelijk. De bevolking reageert op dit verschijnsel spontaan, ongeorganiseerd — en daardoor juist vaak in ondoelmatige en kwalijke vormen -, evenzeer met gewapende overrompelingen en overvallen. Ik begrijp, dat wij als gevolg van de zwakte en van gebrekkige voorbereidingen van onze organisatie in een bepaalde streek en op een bepaald moment kunnen afzien van de leiding van deze spontane acties door de partij. Ik begrijp dat deze kwestie door de plaatselijke mensen van de praktijk moet worden beslist en dat de omvorming van de zwakke en niet voorbereide organisaties geen gemakkelijke taak is. Wanneer ik echter hij een sociaaldemocratische theoreticus of publicist geen droefenis ontwaar over deze gebrekkige voorbereiding, maar trotse zelfvoldaanheid en verwaand-enthousiaste herhaling van in prille jeugd uit het hoofd geleerde frasen over anarchisme, blanquisme en terrorisme, dan voel ik me door deze vernedering van de aller revolutionairste leer van de wereld pijnlijk getroffen.

Men zegt dat de partizanenoorlog het klassenbewuste proletariaat in aanraking brengt met de gedegenereerde dronkelappen en lompenproletariaat. Dat is juist. Hieruit volgt evenwel alleen maar dat de partij van het proletariaat de partizanenoorlog nooit als enige, en evenmin als belangrijkste, strijdmiddel mag beschouwen en dat dit middel aan andere middelen ondergeschikt gemaakt, met de belangrijkste strijdmiddelen in overeenstemming gebracht en door de verhelderende en organiserende invloed van het socialisme veredeld moet worden. Zonder deze laatste voorwaarde wordt, het proletariaat in de burgerlijke maatschappij door alle, zeer beslist door alle strijdmiddelen in aanraking gebracht met verschillende niet-proletarische lagen, die zich boven of onder het proletariaat bevinden, en worden deze strijdmiddelen, als men ze aan de spontane loop der gebeurtenissen overlaat, verdorven, verminkt en geprostitueerd. Stakingen, die aan de spontane loop der gebeurtenissen worden overgelaten, zakken af tot ‘allianties’, d.w.z. overeenkomsten van de arbeiders met de ondernemers tegen de consumenten. Het parlement ontaardt tot een bordeel, waarin een bende burgerlijke politicasters ‘en gros’ en ‘en detail’ handel drijft in ‘volksvrijheid’, ‘liberalisme’ en ‘democratisch’, ‘republicanisme’, ‘antiklerikalisme’, ‘socialisme’ en alle andere gangbare waren. De pers wordt een veile koppelaarster, een werktuig tot verwording van de massa’s, dat op grove wijze de laagste instincten van de menigte bespeelt, enz. De sociaaldemocratie kent geen universele strijdmiddelen, geen middelen die het proletariaat als door een Chinese muur scheiden van lagen die iets hoger of iets lager staan. De sociaaldemocraten gebruikt in de verschillende tijdperken verschillende middelen, waarbij zij de toepassing ervan steeds afhankelijk maakt van strikt vastgelegde ideologische en organisatorische voorwaarden [6].

4

De strijdvormen van de Russische revolutie onderscheiden zich van die der burgerlijke revoluties in Europa door hun reusachtige verscheidenheid. Kautsky heeft dit ten dele voorspeld, toen hij in 1902 erover sprak, dat de komende revolutie (hij voegde eraan toe: misschien met uitzondering van Rusland) niet zo zeer een strijd van het volk tegen de regering, als wel een strijd van het ene deel tegen het andere deel van het volk zal zijn. In Rusland zien wij deze tweede strijd zich ongetwijfeld breder ontplooien dan in de burgerlijke revoluties in Europa. Er zijn in het volk maar weinig vijanden van onze revolutie, maar ze organiseren zich steeds meer naarmate de strijd zich verscherpt en ze krijgen ondersteuning van de reactionaire lagen van de bourgeoisie. Het is dan ook volkomen natuurlijk en onvermijdelijk, dat in een dergelijk tijdperk, in het tijdperk van politieke stakingen, die zich van het gehele volk meester maakt, de opstanden niet de oude vorm aan kan nemen van op zich zelf staande acties, die zich tot een zeer korte spanne tijds en tot een zeer klein gebied beperken. Het is heel natuurlijk en onvermijdelijk dat de opstand de hogere en meer gecompliceerde vormen aanneemt van een langdurige, het gehele land omvattende burgeroorlog, d.w.z. van de gewapende strijd van een deel van het volk tegen het andere. Een dergelijke oorlog kan men zich alleen maar voorstellen als een reeks van weinige, door betrekkelijk grote tijdruimten van elkaar gescheiden grote slagen en een menigte kleinere schermutselingen in de loop van die tussenpozen. Als dat zo is — en ongetwijfeld is het zo — moet de sociaaldemocratie het absoluut als haar taak zien organisaties tot stand te brengen, die in de sterkst mogelijke mate aan de massa’s leiding weten te geven, zowel in deze grote slagen, als zo mogelijk, in deze kleinere schermutselingen.

De sociaaldemocratie moet zich in een tijdperk, waarin de klassenstrijd zich tot een burgeroorlog heeft verscherpt, tot taak stellen niet alleen aan deze burgeroorlog deel te nemen, maar er ook de leidende rol in te spelen. De sociaaldemocratie moet haar organisaties ertoe opvoeden en erop voorbereiden, dat zij werkelijk als oorlogvoerende partij handelen, die geen gelegenheid onbenut laat om de krachten van de tegenstander te verzwakken. Dat is ontwijfelbaar een moeilijke taak. Ze kan niet in één klap worden opgelost. Zoals het gehele volk in de loop van de burgeroorlog in de strijd wordt heropgevoed en in de strijd leert, moeten ook onze organisaties opgevoed en op grond van de opgedane ervaringen zo omgevormd worden, dat zij tegen deze taak opgewassen zijn.

We maken er niet de geringste aanspraak op, de kameraden die met het praktische werk hun handen vol hebben, de een of andere uitgedachte strijdvorm op te dringen, of, erger nog, vanachter het schrijfbureau beslissen welke de rol deze of gene vormen van de partizanenoorlog in het totale verloop van de burgeroorlog in Rusland moeten spelen. Wij denken er beslist niet aan het concreet beoordelen van deze of gene partizanenactie te zien als het vraagstuk van een richting in de sociaaldemocratie. Maar we beschouwen het als onze taak, naar de mate van onze krachten, een bijdrage te leveren tot een juiste theoretische beoordeling van de nieuwe strijdvormen die het leven doet ontstaan; wij zien het als onze taak meedogenloos de sjablonen en vooroordelen te bestrijden die de bewuste arbeiders beletten dit nieuwe en moeilijke vraagstuk op juiste wijze aan de orde te stellen en op juiste wijze de oplossing ervan ter hand te nemen.


Voetnoten

[1] Bezzaglawtsen: Een half-kadetse, half-mensjewistische groepering van de Russische burgerlijke intellectuelen, die in de aanvangsperiode van de teruggang van de revolutie van 1905-1907 ontstond. De groepering kreeg haar benaming naar het, onder redactie van Prokopovitsj van januari tot mei 1906 in Petersburg uitgegeven, politieke weekblad Bez Zaglawija (zonder titel). Onder de dekmantel van formele partijloosheid predikten de Bezzaglawsten de opvattingen van het burgerlijke liberalisme en opportunisme en ondersteunden de revisionisten in de Russische en internationale sociaaldemocratie.

[2] De pogrom in Kisjinew was een van de meest bloedige jodenvervolgingen in het tsaristische Rugland en werd door de tsaristische minister van binnenlandse zaken W. K. Plewe in april 1903 georganiseerd. In de loop van deze pogrom vielen er enkele honderden doden en gewonden en werden meer dan duizend woningen verwoest en geplunderd. De jodenpogrom in Sedlets werd aan het einde van augustus 1906 georganiseerd. Gedurende deze pogrom werd de stad onder artillerievuur en geweervuur genomen en vielen er honderden gewonden en doden.

[3] De Kaukasische onteigening werd ten uitvoer gelegd in de stad Doesjet in het gouvernement van Tiflis. In de nacht van 13 (26) april 1906 drongen zes gewapende personen, gekleed in de uniformen van het in Doesjet in garnizoen liggende Novobajazetski infanterieregiment en zich uitgevend voor een wachtpatrouille, het plaatselijke geldkantoor binnen en maakten 315.000 roebel buit.
De Moskouse onteigening werd op 7 (20) maart 1906 door sociaal-revolutionairen ten uitvoer gelegd. Een groep van twintig gewapende personen drong de bank van het koopmansgenootschap van onderling krediet binnen, ontwapende de bewaking van de bank en onteigende 875.000 roebel.

[4] Hiermee wordt het blad Lihna (Strijd), het centrale orgaan van de Letse sociaaldemocratie, bedoeld. In maart 1904 opgericht verscheen het illegaal met lange onderbrekingen tot augustus 1909 in Riga en daarna in het buitenland.

[5] De Poolse Socialistische Partij: een in 1892 opgerichte reformistische nationalistische partij.

[6] De bolsjewistische sociaaldemocraten worden vaak beschuldigd van een lichtzinnige en partijdige stellingnamen ten opzichte van partizanenacties. Het is daarom niet overbodig, eraan te herinneren, dat in het ontwerp van de resolutie over de partizanenacties (nr. 2 van de “Partinye Izwestija” en Lenins verslag over het partijcongres — hiermee wordt het “Rapport betreffende het verenigende Congres van de RSDAP. (Een brief aan de Petersburgse arbeiders) bedoeld. Het vierde (verenigende Congres van de RSDAP werd van 10 tot 25 april (23 april tot 8 mei) 1906 in Stockholm gehouden), dat deel van de bolsjewieken, dat de acties verdedigt, de volgende voorwaarden voor het erkennen ervan heeft opgesteld: onteigeningen van private eigendommen werden volkomen ontoelaatbaar verklaard; onteigeningen van staatseigendommen werden niet aanbevolen, doch slechts toelaatbaar verklaard onder de voorwaarde, dat ze onderhevig zijn aan de controle van de partij en dat de buitgemaakte middelen ten behoeve van de opstand worden gebruikt. Terroristische partizanenacties tegen vertegenwoordigers van de heersende macht en actieve leden van de Zwarte Honderd werden aanbevolen, doch onder de volgende voorwaarden: 1) dat men rekening houdt met de stemming van de brede massa’s; 2) dat de voorwaarden van de arbeidersbeweging in de desbetreffende streek in aanmerking worden genomen; 3) dat ervoor gezorgd wordt, dat de krachten van het proletariaat niet nutteloos worden verspild. Het praktische verschil tussen de resolutie, die op het Verenigingscongres werd aangenomen, en dit ontwerp is uitsluitend daarin gelegen, dat onteigeningen van staatseigendom ontoelaatbaar werden verklaard.