V.I. Lenin

Over het nationale program van de RSDAP



Geschreven: 1913
Bron: Het nationale vraagstuk en het proletarisch internationalisme, uitgeverij Progres, Moskou
Vertaling: Progres, Moskou
Deze versie: Overgenomen van Marxisme.net
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, juli 2006


Het Centraal Comité heeft de in de Izvesjtsjenia afgedrukte resolutie over het nationale vraagstuk aangenomen en de kwestie van het nationale programma op de congresagenda geplaatst.

Hoe en waarom de nationale kwestie op dit ogenblik zo op de voorgrond staat - zowel in de hele politiek van de contrarevolutie, als in het klassenbewustzijn van de bourgeoisie, als in de proletarische sociaaldemocratische partij van Rusland - dat is in de resolutie zelf uitvoerig uiteengezet. Gezien de volledige duidelijkheid van de stand van zaken, hoeven we er hier niet bij stil te blijven staan. In de theoretische marxistische literatuur zijn deze stand van zaken en de beginselen van het nationale programma van de sociaaldemocraten de laatste tijd reeds nader belicht (we denken op de eerste plaats aan het artikel van Stalin). Daarom lijkt het ons aangewezen om ons er in dit artikel toe te beperken, de kwestie vanuit een zuiver partijstandpunt te omschrijven, en datgene toe te lichten, waarover de legale pers, verstikt door de repressie van Stolypin en Maklakov, niet kan spreken.

De vorming van de sociaaldemocratie in Rusland steunt volledig op de ervaring van de oudere landen, d.w.z. Europa, en op de theoretische uitdrukking van deze ervaring, nl. het marxisme. Kenmerkend voor ons land, en voor het historische moment van het ontstaan van een sociaaldemocratische beweging in ons is, ten eerste, dat bij ons - in tegenstelling tot Europa - de ontwikkeling van de sociaaldemocratische beweging begonnen is voor de burgerlijke revolutie, en dat ze zich gelijktijdig met deze revolutie voortzet. Ten tweede verloopt bij ons de strijd voor het losmaken van de proletarische democratie uit de algemeen-burgerlijke en kleinburgerlijke - een strijd, die in beginsel gelijk is aan de strijd die alle landen hebben doorgemaakt - onder de voorwaarden van een volledige theoretische overwinning van het marxisme in het Westen en bij ons. Daarom is de vorm van deze strijd niet zozeer een strijd voor het marxisme, maar veeleer een strijd voor of tegen de kleinburgerlijke theorieŽn, die zich met ‘bijna marxistische’ frasen vermommen.

Zo staan de zaken ervoor, te beginnen met het ‘economisme’ (1895-1901) en het ‘legale marxisme’ (1895-1901, 1902). Alleen mensen die bang zijn voor de historische waarheid, kunnen de enge, rechtstreekse band en verwantschap van deze stromingen met het mensjevisme (1903-1907) en de liquidatorenbeweging (1908-1913) uit het oog verliezen.

De oude Iskra, die in de jaren 1901-1903 aan de voorbereiding van het programma van de RSDAP werkte en het samen met de eerste en oorspronkelijke motivering van het marxisme in de theorie en praktijk van de arbeidersbeweging heeft voorbereid, voerde op het vlak van de nationale kwestie, zoals trouwens in alle andere kwesties, strijd met het kleinburgerlijke opportunisme. Dit opportunisme kwam tot uitdrukking in de nationalistische dweperij of de wankelmoedigheid van de Boend, om een paar voorbeelden te noemen. De oude Iskra voerde een verbeten strijd tegen het nationalisme van de Boend, en wie die strijd vergeet, geeft blijk van kwalijke geheugenzwakte, isoleert zich van de historische en ideŽle basis van de hele sociaaldemocratische arbeidersbeweging. van Rusland.

Anderzijds was er, bij de definitieve goedkeuring van de RSDAP tijdens het tweede congres in augustus 1903, de strijd - die niet in de notulen van het congres geregistreerd is, het was immers een zaak van de programmacommissie, die door nagenoeg het volledige congres bezocht werd - de strijd tegen de onhandige poging van sommige Poolse sociaaldemocraten om het ‘zelfbeschikkingsrecht der naties’ in twijfel te trekken, d.w.z. te verdwalen in opportunisme en nationalisme van een heel andere kant.

En vandaag, tien jaar later, wordt er nog steeds in diezelfde twee richtingen strijd gevoerd, wat eveneens de op zijn beurt hechte band tussen deze strijd en de objectieve voorwaarden van de nationale kwestie in Rusland aantoont.

In Oostenrijk werd op het congres van Brunn (1899) het programma van de ‘nationaal-culturele autonomie’ verworpen (verdedigd door Christan, Ellenbogen en anderen, en weergegeven in het project van de Zuidslaven). Aanvaard werd de territoriale nationale autonomie, en alleen de propaganda van de sociaaldemocratie over de verplichte bond van alle nationale gebieden is een compromis met het idee van de ‘nationaal-culturele autonomie’. De ontoepasbaarheid van deze idee op het jodendom is bijzonder en speciaal door de voornaamste theoretici van deze ongelukkige idee beklemtoond. In Rusland waren er – zoals altijd – lieden te vinden, die het als hun taak beschouwden om een geringe opportunistische vergissing op te blazen tot een systeem van opportunistische politiek. Zoals Bernstein in Duitsland de vader werd van de rechtse kadetten in Rusland, van Stroeve, Boelgakov, Toegan en Co, zo heeft ‘de vergetelheid van het internationalisme’ van Otto Bauer (volgens de mening van de extreem voorzichtige Kautsky!) in Rusland de volledige aanvaarding van de ‘nationaal-culturele autonomie’ door alle burgerlijke partijen van het jodendom en een hele serie kleinburgerlijke stromingen (Boend en de conferentie van sociaal-revolutionaire nationale partijen in 1907) voortgebracht. Het achterlijke Rusland geeft, om het zo te zeggen, het voorbeeld, hoe de microben van het West-Europese opportunisme op onze wilde bodem hele epidemieŽn voortbrengen.

Er wordt bij ons graag op gewezen, dat Bernstein in Europa ‘geduld’ wordt, maar men vergeet eraan toe te voegen, dat nergens in de wereld, behalve in het ‘heilige’ moedertje Rusland, het bernsteinianisme stroevisme heeft voortgebracht, en het ‘bauerianisme’ geleid heeft tot de rechtvaardiging, door de sociaaldemocraten, van het geraffineerde nationalisme van de joodse bourgeoisie.

‘Nationaal-culturele autonomie’ betekent precies een zeer geraffineerd en daarom ook zeer gevaarlijk nationalisme, het betekent de corruptie van de arbeiders met de leuze van de nationale cultuur, de propaganda voor de uiterst schadelijke en zelfs antidemocratische splitsing van het onderwijs volgens de nationaliteiten. Kort gezegd, het staat boven alle twijfel, dat dit programma in strijd is met het internationalisme van het proletariaat, want het beantwoordt slechts aan de kleinburgerlijke nationalistische idealen.

Maar er is één geval, waar de marxisten verplicht zijn, als ze de democratie en het proletariaat trouw willen blijven, om in de nationale kwestie een bijzondere eis te verdedigen, nl. het recht van de naties op zelfbeschikking (§ 9 van het programma van de RSDAP), d.w.z. op politieke afscheiding. De resolutie van de vergadering verklaart en motiveert dit recht zo uitvoerig, dat er niet het minste misverstand over kan bestaan.

Wij gaan daarom slechts kort in op het wezen van die van verbazende onwetendheid en opportunisme getuigende tegenwerpingen, die tegen dit programmapunt gemaakt worden. Hierbij willen we opmerken, dat geen enkele maal in het tienjarige bestaan van het programma ook maar een enkele fractie van de RSDAP, ook maar een nationale organisatie, regionale conferentie, plaatselijk comité of afgevaardigde op een congres of vergadering ooit geprobeerd heeft de vraag van de wijziging of schrapping van § 9 aan de orde te stellen!!

Dit moeten we goed voor ogen houden. Het maakt meteen duidelijk, of er ook maar een greintje ernst en partijgeest in de bezwaren tegen dit punt te vinden is.

Zo heeft u daar de heer Semkovski in de krant van de liquidatoren. Met het gemak van een man, die een partij geliquideerd heeft, verklaart hij: “Uit bepaalde overwegingen kunnen we het niet eens zijn met de voorstellen van Rosa Luxemburg, om § 9 helemaal uit het programma te heffen” (Novaja Rabotsjaja Gazeta nr. 71).

Overwegingen die geheim zijn! Maar ja, bij zo’n onwetendheid over de geschiedenis van ons programma zijn er redenen genoeg voor ‘geheimzinnig doenerij’! Redenen genoeg voor ‘geheimzinnig doenerij’, als we zien dat deze heer Semkovski, met ongeëvenaard gemak (partij, programma, het zou wat!), een uitzondering maakt voor Finland!

‘Wat te doen... als het Poolse proletariaat binnen het bestel van een staat gemeenschappelijk strijd zou willen voeren met het hele Russische proletariaat, en als de reactionaire klassen van de Poolse samenleving, daarentegen, Polen van Rusland zouden willen afscheiden, en bij een referendum (algemene volksraadpleging) de meerderheid van de stemmen hiervoor zouden behalen: zouden wij Russische sociaaldemocraten dan in het centrale parlement samen met onze Poolse kameraden tegen afscheiding stemmen, of, om het “zelfbeschikkingsrecht” te respecteren, voor afscheiding?’

Wat te doen inderdaad, als er vragen van zulke naÏviteit, zulke hopeloze warhoofdigheid gesteld worden?

Het recht op zelfbeschikking, waarde heer liquidator, betekent juist dat deze vraag niet door het centrale parlement, maar door het parlement, de sejm, een referendum van de zich afscheidende minderheid beslist wordt. Toen Noorwegen zich (in 1905) van Zweden afscheidde, was het Noorwegen alleen (dat tweemaal zo klein is als Zweden), dat die beslissing nam. Zelfs een kind kan zien, dat de heer Semkovski schaamteloos de zaken door elkaar haalt.

Het ‘zelfbeschikkingsrecht’ betekent een dusdanige democratische orde, waarbij er niet alleen democratie in het algemeen bestaat, maar waarbij er zeer bepaald geen ondemocratische beslissing van de afscheidskwestie mogelijk is. Democratie kan, over het geheel bezien, gepaard gaan aan een oorlogszuchtig en repressief nationalisme. Het proletariaat eist een democratie, die het gewelddadige vasthouden van een van naties binnen het raam van de staat uitsluit. Daarom, ‘om het zelfbeschikkingsrecht te respecteren’, zijn we verplicht om niet ‘te stemmen voor afscheiding’, zoals de zeer bevattelijke heer Semkovski veronderstelt, maar om te stemmen voor de toekenning aan de natie die zich wil afscheiden om zelf deze kwestie te beslissen.

Men zou zeggen, dat zelfs bij het bevattingsvermogen van de heer Semkovski niet moeilijk moet zijn te begrijpen dat het recht op scheiding geen stemming over de scheiding vereist! Maar zo erg is het met de critici van § 9 gesteld, dat zij het abc van de logica geheel uit het oog verliezen.

Toen Noorwegen zich wou losmaken van Zweden, was het Zweedse proletariaat, als het de nationalistische kleine burgerij niet wou volgen, verplicht om te stemmen en te agiteren tegen de gewelddadige aanhechting van Noorwegen, hetgeen door de priesters en kleine burgers van Zweden werd nagestreefd. Dat is duidelijk en niet te moeilijk om te begrijpen. De Zweedse nationalistische democratie had kunnen afzien van zo’n agitatie, die van het proletariaat van machtige, onderdrukkende naties het principe van het recht op zelfbeschikking eist.

‘Wat te doen, als de reactionairen in de meerderheid zijn,’ vraagt de heer Semkovski. Een vraag, die een gymnasiast van de 3e klas waardig is. En wat te doen met de Russische grondwet, als een democratische stemming de reactionairen de meerderheid geeft? De heer Semkovski stelt een ijdele, loze en niet ter zake doende vraag - één van die vragen, waarvan men zegt, dat een zot meer kan vragen, dan tien wijzen kunnen beantwoorden.

Wanneer de reactionairen bij democratische stemming in de meerderheid zijn, dan gebeurt gewoonlijk of kan een van deze twee dingen gebeuren: ofwel wordt het besluit van de reactionairen uitgevoerd, en de schadelijke gevolgen drijven de massa’s tamelijk vlug in de richting van democratie tegen de reactionairen; ofwel wordt het conflict tussen democratie en reactie beslecht door een burgeroorlog of een andere oorlog, die immers (zelfs lieden van het slag Semkovski hebben daar waarschijnlijk eens van gehoord) ook in een democratie mogelijk is.

De erkenning van het recht op zelfbeschikking ‘speelt het meest doortrapte burgerlijke nationalisme in de kaart’, beweert de heer Semkovski. Dat is kinderlijk gebazel, want de erkenning van dit recht sluit immers geenszins propaganda of agitatie tegen afscheiding, noch de ontmaskering van het burgerlijke nationalisme uit. Daarentegen staat het onomstotelijk vast, dat de ontzegging van het recht op afscheiding het meest doortrapte Groot-Russische Zwarte-Honderd-nationalisme ‘in de kaart speelt’!

Hierin ligt ook de kern van de lachwekkende vergissing van Rosa Luxemburg, waarvoor zij lang geleden zowel in de Duitse als de Russische (in augustus 1903) sociaaldemocratie al is uit gelachen, nl. dat uit vrees het burgerlijk nationalisme van de verdrukte naties in de hand te werken, men niet alleen het burgerlijke, maar ook het Zwarte-Honderd-nationalisme van de onderdrukkende natie in de hand werkt.

Als de heer Semkovski niet zo maagdelijk onschuldig was in zaken van partijgeschiedenis en partijprogramma, dan zou hij inzien dat hij verplicht was Plechanov te weerleggen, die, bij zijn verdediging, 11 jaar geleden, in de Zarja, van het ontwerpprogramma (in 1903 programma geworden) van de RSDAP, speciaal de nadruk legde op het zelfbeschikkingsrecht, en hierover schreef:

‘Deze eis – die voor de burgerlijke democraten, zelfs in theorie, niet verplicht is – is voor ons, als sociaaldemocraten, verplicht. Als we deze eis uit het oog zouden verliezen en ervoor zouden terugschrikken ze te stellen, uit vrees aan de nationale vooroordelen van onze landgenoten van de Groot-Russische stam te raken, dan zou de strijdkreet van de internationale sociaaldemocratie “proletariŽrs aller landen, verenigt u!” in onze mond een beschamende leugen worden.’ Plechanov voert, nog steeds in de Zarja, een fundamenteel argument aan, dat in de resolutie van de vergadering uitvoerig is uitgewerkt, een argument, waaraan de heer Semkovski c.s. gedurende 11 jaar geen aandacht heeft wensen te besteden. In Rusland zijn er 43 % Groot-Russen, maar het Groot-Russische nationalisme beheerst 57 % van de bevolking en weegt zwaar op alle naties. Bij de nationaal-reactionairen hebben zich bij ons nu ook de nationaal-liberalen aangesloten (Stroeve en Co, de progressisten enz.) en ‘de eerste voorboden’ van het nationaal-democratisme dienen zich aan (denkt u maar aan de oproep van de heer Plechanov in augustus 1906 tot een voorzichtige houding tegenover de nationalistische vooroordelen van de moezjiek).

In Rusland beschouwen alleen de liquidatoren de burgerlijk-democratische revolutie als voltooid, en overal in de wereld gingen en gaan nationale bewegingen met dat soort revolutie gepaard. In Rusland zien we juist in een hele reeks perifere gebieden onderdrukte naties die in aangrenzende staten een grote mate van vrijheid genieten. Het tsarisme is meer reactionair dan de aangrenzende staten, het vormt daardoor een reusachtige belemmering voor een vrije economische ontwikkeling en wakkert uit alle macht het nationalisme van de Groot-Russen aan. Natuurlijk hebben voor een marxist, bij gelijkheid van overige voorwaarden, grote staten altijd de voorkeur tegenover kleine staten. Maar alleen al de veronderstelling, dat de voorwaarden onder de tsaristische monarchie gelijk zouden zijn aan de voorwaarden in alle Europese en het merendeel van de Aziatische landen, is belachelijk en reactionair.

De ontkenning van het zelfbeschikkingsrecht der naties in het tegenwoordige Rusland is daarom ongetwijfeld een vorm van opportunisme, en betekent het opgeven van de strijd tegen het tot op heden almachtige Groot-Russische nationalisme van de Zwarte Honderd.

Sotsial-Demokrat nr. 32, 15 (28) december 1913.
Deel 24, blz. 223-229.