V.I. Lenin

Kritische opmerkingen bij het nationale vraagstuk



Geschreven: 1913
Bron: Het nationale vraagstuk en het proletarisch internationalisme, uitgeverij Progres, Moskou
Vertaling: Progres, Moskou
Deze versie: Overgenomen van Marxisme.net
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, juli 2006


Het nationale vraagstuk neemt tegenwoordig onder de problemen, die het grote publiek in Rusland bezighouden, zeer klaarblijkelijk een belangrijke plaats in. Zowel het agressieve nationalisme van de reactie, als de overgang van het contrarevolutionaire, burgerlijke liberalisme naar het nationalisme (vooral naar het Groot-Russische, maar ook naar het Poolse, joodse, Oekraïnse enz.), en tenslotte de toegenomen nationalistische aarzelingen onder sommige ‘nationale’ (d.w.z. niet-Groot-Russische) sociaaldemocraten, welke zelfs tot verzaking van het partijprogramma geleid hebben — dit alles dwingt er ons onvoorwaardelijk toe, aan het nationale vraagstuk meer aandacht dan tot nog toe te schenken.

Het onderhavige artikel heeft speciaal ten doel, juist deze aarzelingen, die er bij marxisten en ook-marxisten ten aanzien van het programma bestaan, in hun algemene samenhang te onderzoeken. In nr. 29 van de Severnaja Pravda (van 5 september 1913: ‘Liberalen en democraten over de taalkwestie’) was ik in de gelegenheid mij over het opportunisme van de liberalen inzake het nationale vraagstuk uit te spreken. In een artikel van de heer F. Libman ging het opportunistische joodse blad Tsajt dit artikel van mij met kritiek te lijf. Anderzijds kritiseerde de Oerkraïnse opportunist meneer Lev Joerkevitsj (in Dzvin nr. 7 en 8, 1913) het programma van de Russische marxisten inzake het nationale vraagstuk. Beide schrijvers sneden zoveel vraagstukken aan, dat ik in mijn antwoord aan hen ons onderwerp van de meest verschillende zijden zal moeten belichten. Het lijkt mij daarom het meest doeltreffend, eerst het artikel uit de Severnaja Pravda nog eens af te drukken.

1. Liberalen en democraten over de taalkwestie

In de pers is herhaaldelijk op een verslag van de Kaukasische gouverneur gewezen, dat niet zozeer door een Zwarte Honderd-geest als wel door een schuchter ‘liberalisme’ gekenmerkt wordt. De gouverneur spreekt zich o.a. tegen de kunstmatige russificatie uit, d.w.z. tegen het russificeren van niet-Russische volken. In de Kaukasus streven mensen, die tot de niet-Russische volken behoren, zelf ernaar hun kinderen Russisch te laten leren, bv. in de Armeense kerkelijke scholen, waar het onderricht van de Russische taal niet verplicht is.

Een van de in Rusland meest verspreide liberale kranten, de Roesskoje Slovo (nr. 198) wijst daarop en maakt terecht de gevolgtrekking, dat de vijandige houding ten opzichte van de Russische taal in Rusland ‘uitsluitend’ een gevolg is van het ‘kunstmatig’ (men zou moeten zeggen: met geweld) invoeren van de Russische taal.

‘Over de Russische taal hoeft men zich geen zorgen te maken. Zij zal zelf in geheel Rusland erkenning afdwingen,’ schrijft het blad. Dat is ook juist, daar immers de behoeften van het economische verkeer de in een staat samenwonende nationaliteiten (zolang zij willen blijven samenwonen) steeds ertoe brengen, de taal van de meerderheid te leren. Hoe democratischer het Russische staatsbestel zal zijn, des te sterker, sneller en op grotere schaal zal het kapitalisme zich ontwikkelen en met des te meer nadruk zullen de behoeften van het economische verkeer de verschillende nationaliteiten ertoe brengen, de voor de onderlinge handelsbetrekkingen meest geschikte taal te leren.

Maar het liberale blad haast zich, zijn eigen glazen in te gooien en zijn liberale inconsequentie ten toon te spreiden.

‘Het zal moeilijk vallen,’ schrijft het blad, ‘zelfs onder de tegenstanders van de russificatie iemand te vinden, die ontkennen zal dat er in een geweldige staat als Rusland een algemene staatstaal moet zijn en dat deze... alleen maar het Russisch kan zijn.’

Een vreemd soort logica! Voor het kleine Zwitserland is het geen nadeel, doch integendeel voordeel, dat het niet een algemene staatstaal heeft, maar liefst drie: Duits, Frans en Italiaans. In Zwitserland bestaat de bevolking voor 70% uit Duitsers (in Rusland voor 43 % uit Groot-Russen), voor 22% uit Fransen (in Rusland voor 17% uit Oekraïners) en voor 7% uit Italianen (in Rusland voor 6% uit Polen en voor 4,5% uit Wit-Russen). Als de Italianen in Zwitserland in het gemeenschappelijke parlement vaak Frans spreken, doen zij dat niet onder de plak van de een of andere barbaarse politiewet (dat bestaat in Zwitserland niet), maar eenvoudig omdat beschaafde burgers in een democratische staat zelf de voorkeur geven aan een taal die de meerderheid verstaat. Het Frans wekt bij de Italianen geen haatgevoelens, want het is de taal van een vrije, geciviliseerde natie, een taal die niet door weerzinwekkende politiemaatregelen opgedrongen wordt.

Waarom moet het ‘reusachtige’, veel bonter geschakeerde en vreselijk achterlijke Rusland dan in zijn ontwikkeling geremd worden door het in stand houden van elke vorm van privilege voor een van zijn talen? Is het niet juist andersom, heren liberalen? Behoort Rusland, wil het Europa inhalen, niet juist zo snel, zo grondig en zo vastberaden mogelijk aan alle soorten privileges een eind te maken?

Indien alle privileges worden afgeschaft, indien geen enkele taal meer opgedrongen wordt, zullen alle Slaven elkaar gemakkelijk en snel leren begrijpen en zich niet laten afschrikken door de ‘afschuwelijke’ gedachte, dat er in het gemeenschappelijke parlement redevoeringen in verschillende talen te horen zullen zijn. En de behoeften van het economische verkeer zullen dan vanzelf bepalen welke van ‘s lands talen te kennen voor de meerderheid, in het belang van de handelsbetrekkingen, het meeste nut heeft. Het bepalen daarvan zal met des te meer dwingende kracht plaatsvinden, daar de tot verschillende nationaliteiten behorende bevolking het er vrijwillig mee eens zal zijn, en het zal een des te snellere en ruimere uitwerking hebben, naarmate de democratie consequenter zal zijn en het kapitalisme zich dientengevolge sneller zal kunnen ontwikkelen.

De liberalen gedragen zich wat de taalkwestie betreft evenals in alle politieke aangelegenheden als huichelachtige sjacheraars, die de democratie (openlijk) de ene hand reiken, terwijl zij de andere (achter hun rug) de landheren en politieautoriteiten toesteken. Wij zijn tegen privileges, verkondigt luidkeels de liberaal, maar in ‘t geheim sjachert hij van de landheren nu eens dit, dan weer een ander privilege voor zichzelf bij elkaar.

Zo is in wezen elk burgerlijk-liberaal nationalisme, niet alleen het Groot-Russische (dat vanwege zijn gewelddadige karakter en zijn verwantschap met de heren Poerisjkevitsj erger is dan alle andere), maar ook het Poolse, joodse, Oekraïnse, Georgische enz. De bourgeoisie van alle naties, in Oostenrijk net zo goed als in Rusland, doet in naam van de ‘nationale cultuur’ in werkelijkheid aan versplintering van de arbeidersklasse, aan verzwakking van de democratie, en ze verkwanselt de rechten en de vrijheid van het volk aan de landheren.

De democratie van de arbeidersklasse heeft niet de ‘nationale cultuur’ tot leuze, maar de internationale cultuur van de democratie en van de arbeidersbeweging over de gehele wereld. Al zal de bourgeoisie het volk met allerlei ‘positieve’ nationale programma’s trachten te bedriegen, de klassenbewuste arbeider zal daarop antwoorden: er bestaat maar een oplossing van het nationale vraagstuk (voor zover deze althans onder het kapitalisme, in een wereld van winstbejag, tweedracht en uitbuiting mogelijk is), en deze oplossing is de consequente democratie.

Bewijzen daarvoor zijn Zwitserland, een land met een oude cultuur, in West-Europa, en Finland, een land met een jonge cultuur, in Oost-Europa.

Het nationale programma van de democratische arbeidersbeweging luidt: Absoluut geen privilege voor welke natie, voor welke taal ook; oplossing van het vraagstuk van de politieke zelfbeschikking der naties, d.w.z. hun vrije staatkundige afscheiding langs volledig vrije, democratische weg; afkondiging van een voor de gehele staat geldende wet, krachtens welke iedere willekeurige maatregel (van de Zemstvo, van de steden, gemeenten enz. enz) die hoe dan ook een privilege voor een bepaalde natie inhoudt en de gelijkgerechtigdheid van de naties of de rechten van een nationale minderheid aantast, onwettig en ongeldig wordt verklaard. Verder, dat iedere staatsburger het recht heeft te eisen, dat zulk een maatregel als ongrondwettig ongedaan zal worden gemaakt en dat een ieder, die deze zou willen doorvoeren, volgens de wet strafbaar is.

Tegenover het nationale geharrewar van de verschillende burgerlijke partijen over de taalkwestie enz. stelt de democratische beweging van het proletariaat de eis: onvoorwaardelijke eenheid en volkomen samensmelting van de arbeiders van alle nationaliteiten in alle vakverenigingen, coöperatieve verenigingen, verbruiks-, ontwikkelings- en alle andere arbeidersorganisaties, als tegenwicht tegen alle soorten burgerlijk nationalisme. Slechts bij een dergelijke eenheid, bij zulk een samensmelting, kan de democratie standhouden, kunnen de belangen van de arbeiders tegen het kapitaal — dat reeds internationaal is en steeds sterker wordt — verdedigd worden en kan de ontwikkeling van de mensheid naar een nieuwe levensvorm, waarin elk privilege en iedere uitbuiting onmogelijk is, gewaarborgd worden.

2. ‘Nationale cultuur’

Zoals de lezer ziet, worden in het artikel van de Severnaja Pravda aan de hand van een enkel voorbeeld, nl. het vraagstuk van de algemene staatstaal, de inconsequentie en het opportunisme van de liberale bourgeoisie aangetoond, die de landheren en de politieautoriteiten de hand reikt inzake het nationale vraagstuk. Het zal iedereen duidelijk zijn, dat de liberale bourgeoisie niet alleen inzake de algemene staatstaal, maar ook in een hele reeks andere, soortgelijke kwesties verraderlijk, huichelachtig en bekrompen optreedt (zelfs vanuit het standpunt van de belangen van het liberalisme).

Wat volgt daaruit? Er volgt uit dat ieder burgerlijk-liberaal nationalisme tot de grootste demoralisatie onder de arbeiders leidt en de zaak van de vrijheid en van de proletarische klassenstrijd de grootste schade berokkent. Dit is des te gevaarlijker omdat met de leuze van de ‘nationale cultuur’ de burgerlijke (en burgerlijk-feodale) tendens bemanteld wordt. In naam van de nationale cultuur — de Groot-Russische, Poolse, joodse, Oekraïnse enz. — knappen de Zwarte Honderd-benden, de klerikalen, alsook de bourgeois van alle naties hun reactionaire, vuile zaakjes op.

Zo ziet het hedendaagse nationale leven er in werkelijkheid uit, als men het vanuit marxistisch standpunt, d.w.z. vanuit het standpunt van de klassenstrijd, beschouwt; als men de leuzen op grond van de belangen en de politiek van de klassen beoordeelt en niet naar holle ‘algemene beginselen’, declamaties en frasen.

De leuze van de nationale cultuur is burgerlijk bedrog (en vaak ook van de Zwarte Honderd en de klerikalen). Onze leuze is de internationale cultuur van de democratie en de arbeidersbeweging over de gehele wereld.

Hier nu stort de boendist mijnheer Libman zich in de strijd en vermorzelt mij met de volgende vernietigende tirade:

‘Een ieder die ook maar enigermate op de hoogte is van het nationale vraagstuk, weet dat internationale cultuur geen a-nationale cultuur (cultuur zonder nationale vorm) is; een a-nationale cultuur, die Russisch noch joods, noch Pools, maar slechts zuivere cultuur mag zijn, is een onding; de arbeidersklasse kan alleen dan juist de internationale ideeën in zich opnemen, wanneer ze zijn aangepast aan de taal die de arbeider spreekt en aan de concrete nationale omstandigheden waaronder hij leeft. De arbeider mag niet onverschillig staan tegenover de stand en de ontwikkeling van zijn nationale cultuur, omdat hij alleen en uitsluitend via deze cultuur de mogelijkheid heeft, deel te nemen aan de “internationale cultuur van de democratie en de arbeidersbeweging over de gehele wereld”. Dit is sedert lang bekend, maar V. I. wil daar niets van weten...’

Tracht u deze typisch boendistische gedachtengang eens in te denken, die, let wel, ten doel heeft de door mij geformuleerde marxistische stelling teniet te doen. Met het bijzonder zelfverzekerde gezicht van iemand, die ‘goed op de hoogte is van het nationale vraagstuk’, dient meneer de boendist de gebruikelijke burgerlijke inzichten bij ons aan als ‘sedert lang bekende’ waarheden.

Jazeker, waarde boendist, de internationale cultuur is niet a-nationaal. Dat heeft ook niemand beweerd. Niemand heeft een ‘zuivere’ cultuur geproclameerd, die noch Pools, noch joods, noch Russisch enz. zou zijn, zodat uw stroom lege woorden slechts een poging is, de aandacht van de lezer af te leiden en de kern van de zaak door klinkende woorden te verdoezelen.

In elke nationale cultuur zijn — al zijn zij dan ook onontwikkeld — elementen van een democratische en socialistische cultuur aanwezig, want in iedere natie vindt men een werkende en uitgebuite massa, wiens levensvoorwaarden onvermijdelijk een democratische en socialistische ideologie in het leven roepen. Iedere natie heeft echter ook een burgerlijke (en meestal nog daarbij een aartsreactionaire en klerikale) cultuur, en dit niet slechts in de vorm van ‘elementen’ maar als heersende cultuur. Daarom is de ‘nationale cultuur’ eenvoudigweg een cultuur van landheren en geestelijken en van de bourgeoisie. Deze fundamentele, voor marxisten elementaire waarheid is door de boendist buiten beschouwing gelaten en met een vloed van woorden ‘weggeredeneerd’, d.w.z. in plaats van de lezer de afgrond tussen de klassen aan te tonen en op te helderen, heeft hij die verdoezeld. In werkelijkheid is de boendist als een bourgeois opgetreden, wiens belangen het verbreiden van het geloof in een boven de klassen staande nationale cultuur vereisen.

Met onze leuze van een ‘internationale cultuur van de democratie en de arbeidersbeweging over de gehele wereld’ nemen wij uit iedere nationale cultuur slechts haar democratische en socialistische elementen, en wel uitsluitend en onvoorwaardelijk als tegenwicht ten opzichte van de burgerlijke cultuur, van het burgerlijke nationalisme van iedere natie. Geen enkele democraat en zeker geen enkele marxist ontkent de gelijke rechten van alle talen of de noodzakelijkheid in de eigen taal met de ‘eigen’ bourgeoisie te polemiseren, antiklerikale of antiburgerlijke ideeën onder de ‘eigen’ boeren en kleinburgers te propageren. Daar hoeft niet over gesproken te worden, en achter deze vanzelfsprekende waarheden verbergt de boendist het geschil, d.w.z. dat waar het in werkelijkheid om gaat.

Waar het om gaat is, of marxisten gerechtigd zijn direct of indirect de leuze van de nationale cultuur te stellen of dat zij zonder meer verplicht zijn in tegenstelling daarmee in alle talen, en ‘zich aanpassend’ aan alle plaatselijke en nationale bijzonderheden, de leuze van het internationalisme van de arbeiders te propageren.

De betekenis van de leuze van de ‘nationale cultuur’ wordt niet bepaald door de belofte of de vrome wensen van een of andere intellectueel, deze leuze ‘te interpreteren in die zin, dat daardoor de internationale cultuur zou kunnen worden verwezenlijkt’. Het zou kinderlijk subjectivisme zijn, de zaak op deze wijze te stellen. De betekenis van de leuze van de nationale cultuur wordt bepaald door de objectieve wisselwerking tussen alle klassen van een gegeven land en van alle landen ter wereld. De nationale cultuur van de bourgeoisie is een feit (waarbij, zoals gezegd, de bourgeoisie steeds afspraken met de landheren en de geestelijkheid maakt). Het agressieve burgerlijke nationalisme, dat de arbeiders afstompt, dom en verdeeld houdt, ten einde hen aan de leiband van de bourgeoisie te voeren — dat is het wezenlijke feit van vandaag.

Wie het proletariaat wil dienen, moet de arbeiders van alle naties verenigen en onverzettelijk strijden zowel tegen het eigen burgerlijke nationalisme als tegen het vreemde. Wie de leuze van de nationale cultuur voorstaat, hoort thuis onder de nationalistische kleinburgers, maar niet onder de marxisten.

Laat ons een concreet voorbeeld nemen. Kan een Russische marxist de leuze van een nationale Groot-Russische cultuur accepteren? Neen. Zo iemand hoort bij de nationalisten thuis en niet bij de marxisten. Voor ons is het zaak tegen de heersende aartsreactionaire en burgerlijke nationale cultuur van de Groot-Russen te strijden en uitsluitend in internationale geest en in nauw contact met de arbeiders in andere landen die kiemen tot ontwikkeling te brengen, die ook in onze geschiedenis van de democratische en arbeidersbeweging te vinden zijn. Het is onze taak in naam van het internationalisme tegen onze Groot-Russische landheren en bourgeois, tegen hun ‘cultuur’ te strijden, waarbij wij ons ‘aanpassen’ aan de bijzonderheden van de heren Poerisjkevitsj en Stroeve, geenszins echter behoren wij de leuze van de nationale cultuur te propageren of te dulden. Hetzelfde geldt voor de meest onderdrukte en achtervolgde natie, de joodse. Een joods-nationale cultuur — dat is de leuze van de rabbijnen en bourgeois, de leuze van onze vijanden. Maar er bestaan in de joodse cultuur en in de geschiedenis van het jodendom ook andere elementen. Van de 10,5 miljoen joden over de gehele wereld leeft meer dan de helft in Galicië en Rusland, achterlijke, halfbarbaarse landen, waar de joden met geweld in de positie van een kaste gehouden worden. De andere helft leeft in de beschaafde wereld, waar zij niet als kaste afgescheiden zijn. Daar zijn de grootse, universeel vooruitstrevende eigenschappen van de joodse cultuur duidelijk aan de dag getreden: haar internationalisme, haar openstaan voor de vooruitstrevende bewegingen van de tijd (het percentage van de aan de democratische een proletarische bewegingen deelnemende joden is overal groter dan hun percentage van de bevolking over het algemeen).

Wie direct of indirect voor de leuze van een joodse ‘nationale cultuur’ opkomt, is (hoe goed zijn bedoelingen ook mogen zijn) een vijand van het proletariaat, een aanhanger van het oude en van de kastenafscheiding van de joden, een handlanger van de rabbijnen en de bourgeoisie. De joodse marxisten daarentegen, die zich in de internationale marxistische organisaties met de Russische, Litouwse, Oekraïnse en andere arbeiders aaneensluiten en zo hun deel (zowel in de Russische als in de joodse taal) bijdragen in het tot stand komen van een internationale cultuur van de arbeidersbeweging — deze joden houden — tegen het separatisme van de ‘Boend’ in — juist door hun strijd tegen de leuze van de ‘nationale cultuur’ de beste tradities van het jodendom hoog.

Burgerlijk nationalisme en proletarisch internationalisme — dat zijn twee onverzoenlijk vijandige leuzen, die bij de twee grote klassenkampen in de kapitalistische wereld behoren en uitdrukking geven aan tweeërlei soort politiek (sterker nog, aan twee wereldbeschouwingen) in het nationale vraagstuk. Door de leuze van een nationale cultuur te verdedigen en daarop een volledig plan en een praktisch programma van de zogenaamde ‘nationaal-culturele autonomie’ op te bouwen, treden de boendisten in werkelijkheid als gangmakers van het burgerlijke nationalisme onder de arbeiders op.

3. Het schrikbeeld van de nationalisten — de ‘assimilatie’

Het vraagstuk van de assimilatie, d.w.z. van het verlies van het nationaal eigene en van het opgaan in een andere natie, verschaft de mogelijkheid een duidelijke voorstelling te geven van de gevolgen van het weifelende gedrag der boendisten en hun geestverwanten inzake het nationalisme.

De heer Libman, die de gebruikelijke argumenten - of liever gezegd kunstgrepen — van de boendisten trouw uitdraagt en nakauwt, noemde de eis van eenheid en samensmelting van arbeiders van alle nationaliteiten van een bepaald land in onverdeelde arbeidersorganisaties (zie hiervoor het slot van het artikel in de Severnaja Pravda) ‘het oude gezeur over assimilatie’ .

‘Hieruit volgt,’ zegt de heer Libman in verband met het slot van het artikel in de Severnaja Pravda, ‘dat een arbeider op de vraag tot welke nationaliteit hij behoort, moet antwoorden: ik ben sociaaldemocraat.’

Onze boendist vindt dit het toppunt van geestigheid. In werkelijkheid geeft hij zich echter volledig bloot door dit soort geestigheden en drukte over ‘assimilatie’, gericht tegen de consequent democratische en marxistische leuze.

Het kapitalisme kent in zijn ontwikkeling in verband met het nationale vraagstuk twee historische tendensen. Ten eerste: het ontwaken van nationaal leven en nationale bewegingen, de strijd tegen elk soort nationale onderdrukking, het zich ontwikkelen van nationale staten. Ten tweede: de ontwikkeling en vermenigvuldiging van de meest verschillende betrekkingen tussen de naties, het neerhalen van nationale scheidsmuren, het tot stand brengen van de internationale eenheid van het kapitaal en van het economische leven in het algemeen, van de politiek, de wetenschap enz.

Beide tendensen zijn wetmatigheden, die voor het kapitalisme over de hele wereld gelden. De eerste heeft de overhand in het beginstadium van zijn ontwikkeling, de tweede is kenmerkend voor het rijpe kapitalisme, dat zijn overgang naar de socialistische maatschappij tegemoet gaat. Het nationale programma van de marxisten houdt rekening met beide tendensen, het staat in de eerste plaats de gelijkgerechtigdheid van naties en talen voor, alsmede de ontoelaatbaarheid van alle privileges van wat voor soort ook in dit opzicht (maar ook het recht der naties op zelfbeschikking, waarover wij het hierna nog in het bijzonder zullen hebben); ten tweede het principe van het internationalisme en van de onverzoenlijke strijd tegen de besmetting van het proletariaat met burgerlijk nationalisme, ook in zijn meest verfijnde vorm.

Men zal zich afvragen: wat heeft onze boendist er eigenlijk mee voor als hij begint te jammeren over ‘assimilatie’? Gewelddadigheden tegen naties of privileges ten gunste van een natie kon hij hier niet op het oog hebben, want daarop slaat het woord ‘assimilatie’ heel beslist niet. Alle marxisten hebben immers, individueel en als een officieel geheel, zelfs de geringste nationale geweldpleging, onderdrukking en ongelijkheid in rechten zeer beslist en op niet mis te verstane wijze veroordeeld. Tenslotte is toch ook deze algemene marxistische gedachte onvoorwaardelijk en vastberaden verdedigd in het artikel van de Severnaja Pravda, waartegen de boendist van leer trekt.

Neen, hier helpen geen uitvluchten. Toen de heer Libman de ‘assimilatie’ veroordeelde, verstond hij daaronder geen gewelddaden, geen rechtsongelijkheid, geen privileges. Maar blijft er van het begrip ‘assimilatie’ nog iets reëels over als geweldpleging en rechtsongelijkheid er uit zijn geschrapt?

Zeker wel! Wat overblijft is de wereldhistorische tendens van het kapitalisme tot vernietiging van de nationale scheidsmuren, tot het uitwissen van nationale verschillen, tot assimilatie van naties, een tendens die elk decennium krachtiger naar voren treedt en een van de grootste stuwkrachten vormt die het kapitalisme in socialisme doen veranderen.

Wie de gelijke rechten van naties en talen niet erkent en niet verdedigt, wie niet tegen elke nationale onderdrukking of rechtsongelijkheid opkomt, is geen marxist, is zelfs geen democraat. Dat is aan geen twijfel onderhevig. Zomin als het aan twijfel onderhevig is dat een quasi-marxist, die de marxist van een andere natie er van langs geeft omdat deze een voorstander is van ‘assimilatie’, in werkelijkheid alleen maar een nationalistische kleinburger is. Tot deze weinig achtenswaardige categorie van mensen behoren alle boendisten en (zoals wij dadelijk zullen zien) de Oekraïnse nationaal-socialen van het slag van de heren L. Jerkevitsj, Dontsov en co.

Ten einde concreet aan te tonen, hoe uiterst reactionair de opvattingen van deze nationalistische kleinburgers zijn, zullen wij drieërlei soort van materiaal aandragen.

Degenen die het hardst schreeuwen tegen het ‘assimilatiegedoe’ van de Russische orthodoxe marxisten zijn de joodse nationalisten in Rusland in het algemeen en de boendisten onder hen in het bijzonder. Zoals echter uit de hiervoor aangehaalde gegevens blijkt, leeft van de 10,5 miljoen joden in de gehele wereld ongeveer de helft in de beschaafde wereld onder omstandigheden van het allergrootste ‘assimilatiegedoe’, terwijl alleen de ongelukkige, geïntimideerde, rechteloze, door de (Russische en Poolse) heren Poerisjkevitsj onderdrukte joden in Rusland en Galicië onder verhoudingen van het geringste ‘assimilatiegedoe’, in de grootste afzondering leven, tot het ‘vestigingsgebied’, tot de ‘numerus clausus, en andere door de heren Poerisjkevitsj bedachte heerlijkheden toe.

De joden in de beschaafde wereld vormen geen natie, zij zijn voor het merendeel geassimileerd, zeggen K. Kautsky en O. Bauer. In Galicië en Rusland zijn de joden ook geen natie, helaas vormen zij hier nog een kaste (en dat niet door eigen schuld, maar door die van de heren Poerisjkevitsj). Dat is de onbetwistbare mening van mensen die ongetwijfeld de geschiedenis van het jodendom kennen en rekening houden met de bovengenoemde feiten.

Wat zeggen deze feiten nu eigenlijk? Zij zeggen dat alleen reactionaire joodse kleinburgers, die het rad van de geschiedenis terug willen draaien, hun geschreeuw tegen het ‘assimilatiegedoe’ kunnen aanheffen; lieden die de geschiedenis willen dwingen zich niet van de toestanden in Rusland en Galicië naar die in Parijs en New York te ontwikkelen, maar omgekeerd.

Nooit heeft men de beste vertegenwoordigers van het jodendom, wereldberoemde mannen, die tot de meest vooruitstrevende leiders van de democratie en het socialisme behoorden, hun stem tegen assimilatie horen verheffen. Slechts diegenen gaan tegen assimilatie te keer, die met eerbiedige aandacht het joodse ‘achterdeel’ beschouwen.

Over de omvang van het assimilatieproces der naties onder de moderne verhoudingen van het ontwikkelde kapitalisme kan men zich een vrij nauwkeurige voorstelling vormen aan de hand van bv. de immigratiegegevens van de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Daarheen emigreerden uit Europa in de tien jaren van 1891 tot 1900 3,7 miljoen mensen en in de daarop volgende negen jaar (1901-1909) 7,2 miljoen. Bij de volkstelling van 1700 werden er in de Verenigde Staten meer dan 10 miljoen buitenlanders geteld. De staat New York, waar volgens deze telling ruim 78.000 Oostenrijkers, 136.000 Engelsen, 20.000 Fransen, 480.000 Duitsers, 37.000 Hongaren, 425.000 Ieren, 182.000 Italianen, 70.000 Polen, 166.000 (hoofdzakelijk joodse) emigranten uit Rusland, 43.000 Zweden enz. woonden, heeft veel van een molen, waarin de nationale kenmerken vermaald worden. En wat in New York op grote schaal plaatsvindt, geschiedt eveneens in iedere grote stad en iedere fabriekswoonwijk.

Wie niet in nationalistische vooroordelen verstrikt is geraakt, kan niet anders dan dit door het kapitalisme teweeggebrachte assimilatieproces van naties zien als een geweldige historische vooruitgang, als het uit de weg ruimen van de nationale verkalking van de meest verschillende uithoeken, zoals die vooral in achterlijke landen als Rusland bestaan.

Neem bv. Rusland en de verhouding tussen de Groot-Russen en de Oekraïners. Vanzelfsprekend zal iedere democraat, om van de marxisten niet eens te spreken, vastberaden tegen de ongehoorde vernedering van de Oekraïners optreden en volledig gelijke rechten voor hen eisen. Het zou echter ronduit verraad aan het socialisme zijn en een dwaze politiek zelfs vanuit het standpunt van de burgerlijke ‘nationale taken’ van de Oekraïners, wanneer men de op het ogenblik binnen het raam van een staat bestaande samenhorigheid en banden tussen het Oekraïnse en Groot-Russische proletariaat zou verzwakken.

De heer Lev Joerkevitsj, die zich ook ‘marxist’ noemt (arme Marx!), laat ons een bijzonder fraai staaltje van dit soort dwaze politiek zien. Volgens deze heer Joerkevitsj zouden Sokolovski (Basok) en Loekasjevitsj (Toetsjapski) in 1906 hebben beweerd, dat het Oekraïnse proletariaat al volledig gerussificeerd was en geen speciale organisatie nodig had. Zonder een poging te doen ook maar een enkel feit aan te voeren met betrekking tot het wezen van de zaak, valt de heer Joerkevitsj beiden hierover aan en schreeuwt hysterisch — geheel in de geest van het laagst bij de grondse, stompzinnigste en reactionairste nationalisme — dat dit ‘nationale passiviteit’, ‘verloochening van de nationaliteit’ zou zijn, dat deze lieden ‘een scheuring onder de Oekraïnse marxisten teweeggebracht hebben (!!)’ enz. Bij ons is op het ogenblik — verzekert de heer Joerkevitsj — niettegenstaande de ‘opbloei van het Oekraïnse nationale bewustzijn onder de arbeiders’ slechts een minderheid van de arbeiders ‘nationaal bewust’, terwijl de meerderheid ‘nog onder de invloed van de Russische cultuur staat’. Het is daarom onze taak — roept deze nationalistische klein-burger uit — ‘niet de massa’s te volgen, doch ze aan te voeren en hen de nationale doelstellingen uiteen te zetten’ (Dzvin, blz. 89).

Deze hele beschouwing van de heer Joerkevitsj is door en door burgerlijk-nationalistisch. Maar zelfs vanuit het standpunt van de. burgerlijke nationalisten, die deels voor volledige gelijke rechten en autonomie voor de Oekraïne, deels voor een onafhankelijke Oekraïnse staat zijn, houdt deze beschouwing tegen geen enkele kritiek stand. Tegenstander van het vrijheidsstreven der Oekraïners is de klasse van de Groot-Russische en Poolse grootgrondbezitters, voorts de bourgeoisie van deze beide naties. Welke maatschappelijke kracht is in staat aan deze klassen weerstand te bieden? Het eerste decennium van de 20e eeuw heeft het feitelijke antwoord op deze vraag gegeven: Deze kracht is enkel en alleen de arbeidersklasse, tevens leidster van de democratische boeren. Door te trachten deze werkelijk democratische kracht, welker overwinning elke nationale onderdrukking onmogelijk zou maken, te verdelen en daardoor te verzwakken, verraadt de heer Joerkevitsj niet alleen de belangen van de democratie in het algemeen, maar ook die van zijn vaderland, de Oekraïne. Bij een eendrachtig optreden van de Groot-Russische en Oekraïnse proletariërs is een vrije Oekraïne mogelijk, zonder zulk een eendracht kan daarvan geen sprake zijn.

De marxisten beperken zich echter niet tot het burgerlijk-nationale standpunt. Reeds enige tientallen jaren is er in het zuiden, d.w.z. in de Oekraïne, kennelijk een versnelde economische ontwikkeling op gang gekomen, waardoor uit Groot-Rusland tienduizenden en honderdduizenden boeren en arbeiders door de kapitalistische boerenbedrijven, de mijnen en de steden worden aangetrokken. Er bestaat geen twijfel aan, dat het Groot-Russische en Oekraïnse proletariaat zich — binnen deze grenzen assimileren. En dit is zonder twijfel een feit dat op vooruitgang duidt. Het kapitalisme maakt van de stompzinnige, achterlijke, hokvaste en lompe Groot-Russische of Oekraïnse boeren beweeglijke proletariërs, wiens levensomstandigheden de specifieke Groot-Russische en Oekraïnse nationale bekrompenheid doorbreken. Zelfs in het geval dat te zijner tijd tussen Groot-Rusland en de Oekraïne een staatsgrens zou worden getrokken — ook dan zal de ‘assimilatie’ van de Groot-Russische en Oekraïnse arbeiders historisch beslist even progressief zijn als het vermalen van de naties in Amerika. Hoe vrijer de Oekraïne en Groot-Rusland zullen zijn, des te grootscheepser en sneller zal het kapitalisme zich ontwikkelen, dat dan in nog sterkere mate massa’s arbeiders, arbeiders van alle nationaliteiten uit alle gebieden van deze staat en uit alle naburige staten (indien Rusland een buurstaat van de Oekraine zou worden) naar de steden, mijnen en fabrieken zal trekken.

De heer Joerkevitsj gedraagt zich als een echte bourgeois en bovendien als een kortzichtige, bekrompen, stompzinnige bourgeois, d.w.z. als een echte kleinburger, wanneer hij terwille van een kortstondig succes van de Oekraïnse nationale zaak de belangen van een verbintenis, van een versmelting, van de assimilatie van het proletariaat van beide naties verwerpt. Eerst de nationale zaak en dan pas de proletarische, zeggen de burgerlijke nationalisten, en de heren Joerkevitsj, Dontsov en dergelijke quasi-marxisten praten hun dit na. Voor alles de zaak van het proletariaat, zeggen wij, want daardoor worden op de duur niet alleen de fundamentele belangen van de arbeid en die van de mensheid maar ook de belangen van de democratie gediend, en zonder democratie is noch een autonomie, noch een onafhankelijke Oekraïne denkbaar.

Tenslotte dient met betrekking tot de aan nationalistische parels zo ongewoon rijke beschouwing van de heer Joerkevitsj nog het volgende vermeld te worden. Hij zegt dat de minderheid van de Oekraïnse arbeiders nationaal bewust is, terwijl ‘de meerderheid nog onder de invloed van de Russische cultuur staat.’

Wanneer men het over het proletariaat heeft, is het op deze wijze tegenover elkaar stellen van de Oekraïnse cultuur, als geheel genomen, en de Groot-Russische cultuur, eveneens als geheel genomen, een bijzonder onbeschaamd en slechts het burgerlijke nationalisme ten goede komend verraad aan de belangen van het proletariaat.

Elke hedendaagse natie bestaat uit twee naties, voegen wij al deze nationaal-socialen toe. Elke nationale cultuur bestaat uit twee nationale culturen. Er bestaat een Groot-Russische cultuur van de heren Poerisjkevitsj, Goetsjkov en Stroeve, maar er bestaat ook een Groot-Russische cultuur die door de namen Tsjernysjevski en Plechanov gekarakteriseerd wordt. Evenzo bestaan er twee soortgelijke culturen bij de Oekraïners, zo ook in Duitsland, Frankrijk, Engeland, bij de joden enz. Indien de meerderheid van de Oekraïnse arbeiders onder de invloed van de Groot-Russische cultuur staat, dan weten wij zeker dat hier behalve ideeën van de Groot-Russische klerikale en burgerlijke cultuur ook de ideeën van de Groot-Russische democratie en sociaaldemocratie werkzaam zijn. In zijn strijd tegen het eerste soort ‘cultuur’ zal de Oekraïnse marxist steeds de tweede soort cultuur op de voorgrond stellen en tegen zijn arbeiders zeggen: ‘Iedere mogelijkheid van contact met de Groot-Russische klassenbewuste arbeider, met zijn literatuur, met zijn wijze van denken moeten jullie zeer beslist met alle kracht waarnemen, benutten en vasthouden — dit vereisen de fundamentele belangen zowel van de Oekraïnse als van de Groot-Russische arbeidersbeweging.’

Indien een Oekraïnse marxist zich zozeer laat meeslepen door de alleszins gerechtvaardigde en natuurlijke haat tegen de Groot-Russische onderdrukkers, dat daardoor ook maar het geringste deeltje van deze haat of slechts het gevoel van vervreemding op de proletarische cultuur en de proletarische zaak van de Groot-Russische arbeiders zou worden overgedragen, dan zal deze marxist daarmee in het moeras van het burgerlijke nationalisme terechtkomen. Precies zo zal een Groot-Russische marxist in het moeras — niet alleen van het burgerlijke, maar ook van het Zwarte Honderd-nationalisme terechtkomen, indien hij ook maar een ogenblik de eis van volledig gelijke rechten voor de Oekraïners of hun recht op het vormen van een soevereine staat uit het oog zou verliezen.

De Groot-Russische en Oekraïnse arbeiders moeten gezamenlijk en, zolang zij binnen een staat leven, in nauw organisatorisch verband en in de grootste samenhorigheid opkomen voor de algemene of internationale cultuur van de proletarische beweging en een absolute verdraagzaamheid aan de dag leggen wat betreft de taal, waarin die cultuur wordt gepropageerd, en wat betreft de zuiver lokale of zuiver nationale eigenaardigheden, waarmee in deze propaganda rekening gehouden wordt. Dat is een onvoorwaardelijke eis van het marxisme. Elk propageren van scheiding tussen arbeiders van verschillende naties, alle aanvallen op marxistisch ‘assimilatiegedoe’, elk tegenover elkaar stellen van de ene nationale cultuur, als geheel genomen, tegenover de andere, zogenaamd een geheel vormende nationale cultuur in kwesties die het proletariaat betreffen, enz., is burgerlijk nationalisme, waartegen onvoorwaardelijk een onverzoenlijke strijd moet worden gevoerd.

4. ‘Nationaal-culturele autonomie’

De kwestie van de leuze van de ‘nationale cultuur’ is voor marxisten van enorm belang, niet alleen omdat zij de ideologische inhoud bepaalt van onze gehele propaganda en agitatie inzake het nationale vraagstuk in tegenstelling tot die der bourgeoisie, maar ook omdat het hele programma van de beruchte nationaal-culturele autonomie op deze leuze berust.

De fundamentele, principiële tekortkoming van dit programma is, dat erin gestreefd wordt naar het verwezenlijken van het meest geraffineerde, absolute en tot het uiterste doorgevoerde nationalisme. De wezenlijke inhoud van dit programma is: elke staatsburger spreekt zich voor deze of gene natie uit en iedere natie vormt een juridisch geheel, gerechtigd haar leden te verplichten belasting te betalen, met een nationaal parlement (landdag) en nationale ‘staatssecretarissen’ (ministers) .

Zulk een gedachte aangaande het nationale vraagstuk vertoont overeenkomst met Proudhons gedachte inzake het kapitalisme. Het kapitalisme en zijn basis — de warenproductie — niet vernietigen, maar deze basis van misbruiken, uitwassen enz. zuiveren; de ruil en de ruilwaarde niet afschaffen, maar de laatste integendeel ‘constitueren’, haar tot een algemeen geldige, absolute, ‘rechtvaardige’ waarde maken, vrij van schommelingen, crises en misbruiken — dit was Proudhons gedachte.

Precies zo kleinburgerlijk als Proudhon, wiens theorie de ruil en de warenproductie tot iets absoluuts, tot een parel der schepping verheft, precies zo kleinburgerlijk zijn de theorie en het programma van de ‘nationaal-culturele autonomie’, die het burgerlijke nationalisme tot iets absoluuts willen maken, tot een parel der schepping willen verheffen en het van geweld, onrechtvaardigheden enz. willen zuiveren.

Het marxisme is onverenigbaar met het nationalisme, hoe ‘rechtvaardig’, ‘zuiver’, verfijnd en geciviliseerd dit ook moge zijn. Het marxisme stelt in de plaats van elk soort nationalisme het internationalisme, het samensmelten van alle naties tot een hogere eenheid, een eenheid die wij voor onze ogen zien toenemen met iedere kilometer spoorbaan, met iedere internationale trust, met iedere (in zijn economische activiteit zowel als in zijn ideeen en streven internationale) arbeidersbond.

Het beginsel van de nationaliteit is in de burgerlijke maatschappij historisch onvermijdelijk, en de marxist die met deze maatschappij rekening houdt erkent ten volle de historische gegrondheid van nationale bewegingen. Opdat echter deze erkenning niet tot verheerlijking van het nationalisme zal leiden, is het noodzakelijk haar ten strengste te beperken tot dat wat in deze bewegingen vooruitstrevend is, daar zij anders vertroebeling van het proletarische klassenbewustzijn door de burgerlijke ideologie ten gevolge zou hebben.

Het ontwaken van de massa’s uit de feodale slaap, hun strijd tegen elke nationale onderdrukking, voor de soevereiniteit van het volk, van de natie, is vooruitstrevend. Hieruit volgt de onvoorwaardelijke plicht van de marxist, inzake alle onderdelen van het nationale vraagstuk voor een zeer besliste en consequente democratische benadering daarvan op te komen. Een dergelijke taak is in hoofdzaak negatief. Het proletariaat mag echter bij het steunen van het nationalisme niet verder gaan, want dan begint de ‘positieve’ (bevestigende) activiteit van de bourgeoisie, die naar versterking van het nationalisme streeft.

Het afschudden van elke feodale onderdrukking, elke nationale onderdrukking en elke bevoorrechting van een bepaalde natie of een bepaalde taal is de onvoorwaardelijke plicht van het proletariaat als democratische kracht, is het onvoorwaardelijke belang van de proletarische klassenstrijd, die door nationaal getwist vertroebeld en geremd wordt. Maar het bevorderen van het burgerlijke nationalisme tot over deze streng getrokken en historisch bepaalde grenzen betekent het verraden van het proletariaat en het kiezen van de zijde van de bourgeoisie. Hier loopt een grens, die vaak zeer fijn getrokken is en die door de boendistische en Oekraïense nationaal-socialen volkomen over het hoofd wordt gezien.

Strijd tegen iedere nationale onderdrukking — zeer beslist ja. Strijd voor elke nationale ontwikkeling, voor ‘nationale cultuur’ zonder meer — zeer beslist neen. De economische ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij laat ons in de hele wereld voorbeelden van niet ten volle ontwikkelde nationale bewegingen zien, voorbeelden van het vormen van grote naties uit een reeks kleine of ten nadele van enkele kleine naties, voorbeelden van de assimilatie van naties. Het beginsel van het burgerlijke nationalisme is het ontwikkelen van de nationaliteit zonder meer, vandaar de exclusiviteit van het burgerlijke nationalisme en het hopeloze nationale geharrewar. Het proletariaat daarentegen weigert niet alleen de nationale ontwikkeling van elke natie te verdedigen, maar waarschuwt integendeel de massa’s voor dergelijke illusies, het ijvert voor volledige vrijheid voor het kapitalistische verkeer en verwelkomt iedere assimilatie van naties, behalve wanneer deze gewelddadig tot stand wordt gebracht of op privileges berust.

De ideologische grondslag en het wezen van de nationaal-culturele autonomie zijn het verankeren van het nationalisme binnen een bepaalde, ‘rechtvaardig’ afgebakende sfeer, het ‘constitueren’ van het nationalisme en het met behulp van een speciale staatsinstelling hecht en duurzaam van elkaar scheiden van alle naties. Dit is een door en door burgerlijke en door en door foutieve gedachte. Het proletariaat kan geen enkele verankering van het nationalisme steunen, integendeel, het steunt alles wat kan bijdragen tot opheffing van de nationale verschillen, tot het slechten van nationale scheidsmuren, alles wat de samenhorigheid tussen de nationaliteiten steeds sterker maakt, alles wat leidt tot het samensmelten van de naties. Anders handelen zou betekenen, dat men zich aan de zijde van de reactionaire nationalistische kleine burgerij schaart.

Toen het ontwerp voor nationaal-culturele autonomie op het congres van de Oostenrijkse sociaaldemocraten te Brunn (1899) op de agenda stond, werd aan de theoretische beoordeling van dit ontwerp vrijwel geen aandacht geschonken. Het is echter leerzaam vast te stellen dat de twee volgende bezwaren tegen dit programma werden ingebracht: 1) het zou bijdragen tot versterking van het klerikalisme, 2) het zou tot gevolg hebben, dat het chauvinisme wordt vereeuwigd en dat het in elke kleine gemeente, in elke kleine groep wordt gebracht’ (blz. 92 van de officiële protocollen van het congres te Brunn in de Duitse taa1. Een Russische vertaling werd door de joodse nationalistische partij ‘SERP’ gepubliceerd).

Er bestaat geen twijfel aan, dat de ‘nationale cultuur’ in de gebruikelijke betekenis van het woord, d.w.z. het onderwijs enz., tegenwoordig in alle landen van de wereld onder de overheersende invloed van klerikalen en burgerlijke chauvinisten staat. Wanneer de boendisten voor de ‘nationaal-culturele’ autonomie opkomen en zeggen, dat door de constituering van de naties de klassenstrijd binnen deze naties een zuivere klassenstrijd wordt, vrij van elke bijkomstige overweging, dan is dit een voor iedereen duidelijke en belachelijke drogreden. De werkelijke klassenstrijd wordt in iedere kapitalistische maatschappij in de eerste plaats op economisch en politiek gebied gevoerd. Hiervan het onderwijs uitsluiten is ten eerste een onzinnige utopie, omdat het onmogelijk is het onderwijs (evenals de ‘nationale cultuur’ in het algemeen) van de economie en de politiek te scheiden; ten tweede echter noodzaakt juist het economische en politieke leven in een kapitalistisch land overal tot het uit de weg ruimen van onzinnige en verouderde nationale scheidsmuren en vooroordelen; daarentegen zou het afscheiden van het onderwijs enz. het ‘zuivere’ klerikalisme en het ‘zuivere’ burgerlijke chauvinisme juist in stand houden, verscherpen en versterken.

In de naamloze vennootschappen zijn kapitalisten van verschillende naties in de grootst mogelijke eendracht verenigd. In de fabrieken werken tot verschillende naties behorende arbeiders tezamen. Bij ieder werkelijk ernstig en diepgaand politiek conflict vindt groepering volgens klassen plaats en niet volgens naties. Door het onderwijs en dergelijke ‘aan de bevoegdheid van de staat te onttrekken’ en in handen te leggen van de naties, tracht men juist het zogezegd meest ideologische gebied van het maatschappelijke leven, waar de ‘zuivere’ nationale cultuur of het nationaal cultiveren van het klerikalisme en van het chauvinisme het gemakkelijkst te verwezenlijken zijn, af te scheiden van het economische leven, dat de naties samensmelt.

In de praktijk zou het plan van ‘exterritoriale’ (niet regionale, niet aan het gebied, dat door deze of gene natie bewoond wordt, gebonden) of ‘nationaal-cultureel’ autonomie slechts betekenen scheiding van het onderwijs volgens nationaliteiten, d.w.z. het instellen van nationale curiën in het onderwijs. Het is voldoende zich van de werkelijke betekenis van het hooggeroemde plan der boendisten een duidelijke voorstelling te maken om te begrijpen hoe door en door reactionair het is zelfs vanuit het standpunt van de democratie, om over het standpunt van de proletarische klassenstrijd voor het socialisme maar niet eens te spreken.

Een enkel voorbeeld en een enkel plan tot ‘nationalisatie’ van het onderwijs zijn voldoende om duidelijk te maken waarom het hier gaat. In de Verenigde Staten van Noord-Amerika heeft zich tot op heden de indeling in Noordelijke en Zuidelijke staten op alle levensgebieden gehandhaafd; de eerstgenoemde met de sterkste tradities van vrijheid en strijd tegen de slavenhouders; de tweede met de sterkste slavenhouderstradities, met overblijfselen van negervervolging, met het economisch onderdrukken en cultureel laag houden van de negers (onder de negers zijn 44 % analfabeten, onder de blanken 6 %) enz. In de Noordelijke staten leren de negers dus samen met de blanken, in dezelfde scholen. In het zuiden zijn bijzondere - ‘nationale’ of, als u wilt, volgens het ras ingedeelde — scholen voor negers. Waarschijnlijk is dit het enige voorbeeld van ‘genationaliseerd’ onderwijs in de praktijk.

Er bestaat in Oost-Europa een land, waar tot op de dag van vandaag dingen als de Beilis-affaire mogelijk zijn, waar de joden door de heren Poerisjkevitsj tot een bestaan veroordeeld zijn dat nog erger is dan dat van de negers. In dit land dook onlangs bij de regering een project tot nationalisatie van het joodse onderwijs op. Gelukkig heeft deze reactionaire wensdroom even weinig kans om verwezenlijkt te worden als de wensdroom van de Oostenrijkse kleinburgers, die alle hoop op het tot stand brengen van een consequente democratie en op het beëindigen van de nationale twisten hebben laten varen en nu voor de naties speciale foedralen op het gebied van het onderwijs hebben uitgevonden, opdat ze geen ruzie zullen maken over het verdelen van de scholen..., maar zich ‘constitueren’ opdat tussen de ‘nationale culturen’ eeuwig ruzie gemaakt kan worden.

In Oostenrijk is de nationaal-culturele autonomie in sterke mate een hersenschim van literatoren gebleven, die zelfs door de Oostenrijkse sociaaldemocraten niet ernstig genomen is. In Rusland daarentegen werd ze in de programma’s van alle burgerlijke partijen van het jodendom opgenomen, alsook in die van sommige kleinburgerlijke, opportunistische elementen van verschillende naties, zoals bv. van de boendisten, van de liquidatoren in de Kaukasus en van de conferentie van Russische nationale partijen van de linkse narodniki-richting. (Deze conferentie werd — dit zij terloops opgemerkt — in 1907 gehouden en haar besluit werd genomen met stemonthouding van de Russische socialisten-revolutionairen en van de Poolse sociaalpatriotten van de PPS. Stemonthouding is een voor de socialisten-revolutionairen en de PPS-ers wel verwonderlijk karakteristieke manier van standpuntbepaling bij zulk een belangrijke principiële kwestie op het gebied van het nationale programma!) .

In Oostenrijk wijdde juist Otto Bauer, de belangrijkste theoreticus van de ‘nationaal-culturele autonomie’, een speciaal hoofdstuk van zijn boek aan het leveren van het bewijs, dat dit programma voor de joden beslist niet bruikbaar is. Maar in Rusland waren het juist bij de joden alle burgerlijke partijen en hun meelopers van de Boend die dit programma tot het hunne maakten . Wat betekent dat? Alleen maar, dat de geschiedenis aan de hand van de politieke praktijk van een ander land heeft aangetoond, hoe dwaas Bauers verzinsel is, zoals ook de Russische volgelingen van Bernstein (Stroeve, Toegan-Baranovski, Berdjajev en co) door hun snelle evolutie van het marxisme tot het liberalisme de wezenlijke ideologische inhoud van het Duitse bernsteinianisme onthuld hebben.

Noch de Oostenrijkse, noch de Russische sociaaldemocraten hebben de ‘nationaal-culturele’ autonomie in hun programma opgenomen. Maar de burgerlijke partijen van het jodendom in het achterlijkste land en een reeks kleinburgerlijke quasi-socialistische groepen hebben haar opgenomen, ten einde de ideeën van het burgerlijke nationalisme op een geraffineerde manier in gang te doen vinden bij de arbeiders. Dit feit spreekt voor zichzelf.

* * *

Daar wij al eens over het Oostenrijkse programma met betrekking tot het nationale vraagstuk hebben gesproken, voelen wij ons verplicht een waarheid in ere te herstellen, die door de boendisten vaak verdraaid wordt. Op het congres in Brunn werd een zuiver programma voor ‘nationaal-culturele autonomie’ ingediend. Dat was het programma van de Zuid-Slavische sociaaldemocraten, waarvan par. 2 luidt: ‘Ieder volk dat in Oostenrijk gevestigd is — het doet er niet toe welk gebied het bewoont — vormt een autonome groep, die al haar nationale (taal- en culturele) aangelegenheden volkomen zelfstandig regelt en beheert.’ Dit programma werd niet alleen door Kristan, maar ook door de invloedrijke Ellenbogen verdedigd. Maar het werd van de agenda afgevoerd, omdat het geen enkele stem kreeg. Er werd een territoriaal programma aangenomen, d.w.z. een programma waarin bepaald werd, dat geen nationale groepen gevormd dienden te worden ‘onafhankelijk van het gebied dat door de leden van een natie bewoond wordt’ .

Paragraaf 3 van het aangenomen programma luidt: ‘Alle gebieden met zelfbestuur van één en dezelfde natie vormen tezamen een nationaal verbond dat zijn nationale aangelegenheden geheel autonoom regelt’ (zie Prosvesjtsjenie, 1913. nr. 4, blz. 28). Het is duidelijk, dat ook dit compromisprogramma niet juist is. Laat ons dit met een voorbeeld aantonen. De Duitse kolonistengemeente in het gouvernement Saratov plus de Duitse arbeidersvoorstad in Riga of Lodz plus de Duitse nederzetting bij Petersburg enz. vormen ‘een nationaal verbond’ van Duitsers in Rusland. Het is duidelijk, dat de sociaaldemocraten zoiets niet kunnen eisen, voor het in de wet vastleggen van zulk een verbond niet kunnen opkomen, hoewel zij natuurlijk geenszins de vrijheid van dergelijke verbonden, daarbij inbegrepen een verbond van willekeurige gemeenten van een willekeurige nationaliteit in een bepaalde staat, ontkennen. Maar op grond van een staatswet Duitsers enz. uit verschillende streken en klassen van Rusland tot een nationaal Duits verbond af te zonderen, daarmee mogen geestelijken, bourgeois, kleinburgers of wie daar verder lust toe voelt zich bezighouden, maar beslist geen sociaaldemocraten.

5. Rechtsgelijkheid der naties en de rechten van de nationale minderheid

Bij discussies over het nationale vraagstuk hebben de Russische opportunisten er de gewoonte van gemaakt, zich op het voorbeeld van Oostenrijk te beroepen. In mijn artikel in de Severnaja Pravda’ (Prosvesjtsjeniië nr. 10; blz. 96/98), waartegen de opportunisten (de heer Semkovski in de Novaja Rabotsjaja Gazeta, de heer Libman in de Tsait) in het geweer kwamen, verklaarde ik dat er voor het nationale vraagstuk maar één oplossing bestaat, voor zover deze in de wereld van het kapitalisme althans mogelijk is, namelijk consequente democratie. Ten bewijze daarvan wees ik o.a. op Zwitserland.

De beide bovengenoemde opportunisten willen niets van dit voorbeeld weten en spannen zich in het te weerleggen of zijn betekenis te verzwakken. Kautsky heeft immers gezegd dat Zwitserland een uitzondering vormt, dat er in Zwitserland nu eenmaal een heel bijzondere decentralisatie bestaat, dat het een heel bijzondere geschiedenis heeft en dat daar bijzondere geografische voorwaarden alsmede een buitengewoon originele spreiding van een veeltalige bevolking zijn enz. enz.

Dit alles is slechts een poging het eigenlijke geschilpunt te omzeilen. Zeker, Zwitserland is in zoverre een uitzondering dat het geen staat is, die uit een natie is gevormd. Maar een even grote uitzondering (of achterlijkheid, voegt Kautsky eraan toe) vormen Oostenrijk en Rusland. Zeer zeker zullen in Zwitserland de bijzondere, originele historische omstandigheden en levensgewoonten een grotere democratie tot stand gebracht hebben dan in de meeste Europese buurlanden.

Maar wat doet dit alles ertoe, wanneer er van een voorbeeld sprake is dat navolging verdient? Overal ter wereld vormen landen, waaronder de huidige omstandigheden de een of andere instelling op consequent democratische grondslag opgebouwd is, een uitzondering. Verhindert dit ons echter, in ons programma voor alle instellingen een consequente democratie voor te staan?

Het bijzondere van Zwitserland ligt in de geschiedenis van dit land, in zijn aardrijkskundige en andere omstandigheden. Het bijzondere van Rusland ligt in de, voor het tijdperk van burgerlijke revoluties ongekende kracht van het proletariaat en in de vreselijk algemene achterlijkheid van het land, die, op straffe van alle mogelijke nadelen en nederlagen, een uitermate snelle en vastberaden vooruitgang objectief noodzakelijk maakt.

Wij werken het nationale programma vanuit het standpunt van het proletariaat uit; sinds wanneer verdient het aanbeveling de slechtste in plaats van de beste voorbeelden voor ogen te houden?

Blijft het niet hoe dan twistbaar feit, onder het ook een vanzelfsprekend en onbetwistbaar feit dat, onder het kapitalisme uitsluitend in landen met een consequente democratie nationale vrede (voor zover althans te verwezenlijken) heerst?

Dit eenmaal vaststaande, zijn de hardnekkige pogingen van de opportunisten, zich op Oostenrijk in plaats van op Zwitserland te beroepen, niets anders dan een typische methode van de kadetten, want de kadetten volgen steeds de slechtste in plaats van de beste Europese grondwetten na.

Zwitserland heeft drie staatstalen, in geval van een referendum worden de wetsontwerpen echter in vijf talen gepubliceerd, nl. in de drie staatstalen en in twee ‘Romaanse’ dialecten. Volgens de volkstelling van 1900 worden deze beide dialecten in Zwitserland door 38.651 van de 3.315.443 inwoners gesproken, d.w.z. door slechts iets meer dan een procent van de bevolking. In het leger staat het de officieren en onderofficieren ‘volkomen vrij, de soldaten in hun moedertaal toe te spreken’. In de kantons Graubunden en Wallis (die elk iets meer dan honderdduizend inwoners tellen) genieten beide dialecten volledige rechtsgelijkheid.

Het is nu de vraag of wij deze levende ervaringen van een vooruitstrevend land moeten propageren en verdedigen of van de Oostenrijkers verzinsels moeten overnemen van het slag van ‘exterritoriale autonomie’, die nog nergens ter wereld toepassing hebben gevonden (en door de Oostenrijkers zelf nog niet aangenomen zijn)?

Dit verzinsel propageren staat gelijk met het propageren van de verdeling van het onderwijs volgens nationaliteiten, d.w.z. rechtstreeks schadelijke propaganda te voeren. De ervaringen van Zwitserland tonen echter aan, dat het verzekeren van de (relatief) volledige nationale vrede bij een (eveneens relatieve) consequente democratie van de staat in zijn totaliteit praktisch mogelijk en ook verwezenlijkt is.

‘Een nationaliteitenvraagstuk zoals men dat in Oost-Europa kent,’ schrijven mensen die zich met dit probleem hebben beziggehouden, ‘bestaat in Zwitserland niet. Het woord of zichzelf al (nationaliteitenvraagstuk) is hier onbekend...’ ‘Zwitserland heeft de strijd tussen de nationaliteiten al achter de rug... (1797-1803).’

Hiermee wordt te kennen gegeven, dat het tijdperk van de grote Franse Revolutie dat de meest democratische oplossing voor de actuele problemen van de overgang van het feodalisme naar het kapitalisme vond, daarbij in staat bleek tevens, in het voorbijgaan, het nationale vraagstuk ‘op te lossen’.

Laat nu de heren Semkovski, Libman en andere opportunisten maar proberen te beweren, dat deze ‘uitsluitend Zwitserse’ oplossing niet van toe passing is op een willekeurig district of een deel daarvan in Rusland, waar al op 200.000 inwoners twee dialecten worden gesproken door 40.000 staatsburgers, die in hun streek voor hun taal volledige rechtsgelijkheid nastreven!

Door de propaganda voor volledige rechtsgelijkheid van naties en talen worden binnen elke natie alleen de consequent democratische elementen (d.w.z. uitsluitend de proletariërs) naar voren gehaald en verenigd, en dat niet naar nationaliteit, maar op grond van hun streven naar diepgaande en ernstige verbeteringen van het staatsbestel in zijn geheel. Door de propaganda voor ‘nationaal-culturele autonomie’ daarentegen worden de naties, in weerwil van de vrome wensen van sommige personen en groepen, van elkaar gescheiden en worden in feite de arbeiders van een bepaalde natie dichter naar hun bourgeoisie gedreven (het aannemen van deze ‘nationaal-culturele autonomie’ door alle joodse burgerlijke partijen).

Onverbrekelijk verbonden met het beginsel van volledige rechtsgelijkheid is het verzekeren van de rechten van de nationale minderheid. In mijn artikel in de Severnaja Pravda is dit beginsel in vrijwel dezelfde bewoordingen geformuleerd als in het latere officiële en meer exacte besluit van de conferentie van marxisten. In dit besluit wordt ‘het opnemen van een fundamenteel punt in de grondwet geeist, volgens welk alle privileges van een natie en alle schendingen van de rechten van een nationale minderheid, zoals deze plegen voor te komen, onwettig worden verklaard’.

De heer Libman tracht deze formulering belachelijk te maken door te vragen: ‘Maar hoe weet men nu wat de rechten van een nationale minderheid zijn?’ Behoort bv. bij deze rechten misschien het recht op een ‘eigen programma’ wat betreft de nationale scholen? Hoe groot moet een nationale minderheid zijn om aanspraak te kunnen maken op eigen rechters, ambtenaren en onderwijs in de moedertaal? De heer Libman wil met deze vragen aantonen, dat een ‘positief’ nationaal programma noodzakelijk is.

In werkelijkheid wordt door deze vragen duidelijk aangetoond, wat voor soort reactionaire dingen onze boendist er doorheen wil smokkelen onder het mom van een discussie over wat genoemd wordt onbeduidende detailvraagstukken.

Een ‘eigen programma’ in een eigen nationale school!... De marxisten hebben een algemeen school programma, geachte sociaal-nationalist, en dat eist bv. onvoorwaardelijk openbare, niet-kerkelijke scholen. Vanuit marxistisch standpunt is in een democratische staat het afwijken van dit algemene programma nooit en te nimmer geoorloofd (het aanvullen ervan met eventuele ‘lokale’ vakken, talen enz. geschiedt volgens besluit van de plaatselijke bevolking). Uit het principe het onderwijs ‘aan de bevoegdheid van de staat te onttrekken’ en het aan de naties over te dragen, volgt echter, dat wij, arbeiders, in onze, de democratische staat de ‘naties’ de mogelijkheid geven geld van het volk aan een klerikale school te besteden! Zonder het zelf te merken heeft de heer Libman het reactionaire karakter van de ‘nationaal-culturele autonomie’ duidelijk gedemonstreerd!

‘Hoe groot moet een nationale minderheid zijn?’ Daarover bevat zelfs het door de boendisten zo aanbeden Oostenrijkse programma geen bepaling. Het zegt (nog korter en onduidelijker dan bij ons): ‘Het recht van de nationale minderheden wordt gewaarborgd door een speciale wet, die door het rijksparlement zal worden uitgevaardigd’ (par. 4 van het programma van Brunn).

Waarom heeft niemand de Oostenrijkse sociaaldemocraten met de vraag lastig gevallen, in welke vorm dan wel deze wet moet worden gegeten? Aan welke minderheid dan wel rechten toegekend moeten worden en welke rechten dat moeten zijn?

Eenvoudig omdat ieder verstandig mens begrijpt dat het niet gepast en onmogelijk is, detailkwesties in een programma te behandelen. In een programma worden enkel en alleen de voornaamste beginselen vastgelegd. In het onderhavige geval wordt het voornaamste beginsel door de Oostenrijkers stilzwijgend voorondersteld, terwijl het in het besluit van de jongste conferentie van de Russische marxisten duidelijk geformuleerd wordt. Dit beginsel is: de ontoelaatbaarheid van enigerlei nationale privileges en van enigerlei nationale ongelijkheid voor de wet.

Laat ons de boendist het vraagstuk aan de hand van een concreet voorbeeld duidelijk maken. Volgens de schooltelling van 18 januari 1911 waren er te Sint-Petersburg op de lagere scholen van het ministerie voor volks‘onderwijs’ 48.076 leerlingen. Daaronder waren 396 joden, d.w.z. minder dan een procent. Verder waren er onder de leerlingen twee Roemenen, één Georgier, drie Armeniërs enz. Is het nu mogelijk een ‘positief’ nationaal programma op te stellen, dat deze verscheidenheid van verhoudingen en voorwaarden omvat? (En Petersburg is vanzelfsprekend bijlange na niet de ‘bontste’ stad wat nationaliteiten betreft in Rusland.) Waarschijnlijk zijn zelfs de op het gebied van nationale ‘spitsvondigheden’ zo deskundige boendisten niet in staat zulk een programma op te stellen.

Indien de grondwet echter een principiële bepaling bevatte over de ongeldigheid van welke maatregelen ook die inbreuk maken op de rechten van een minderheid, zou elke willekeurige burger de vernietiging kunnen eisen van een beschikking, waarin bv. geweigerd wordt op staatskosten speciale leraren in de joodse taal, de joodse geschiedenis enz. aan te stellen of van staatswege schoollokalen ter beschikking te stellen voor onderwijs aan joodse, Armeense en Roemeense kinderen, ja zelfs aan een Georgisch kind. In ieder geval is het helemaal niet onmogelijk op de grondslag van rechtsgelijkheid alle redelijke en rechtvaardige wensen van nationale minderheden in te willigen, en niemand zal beweren, dat propaganda voor rechtsgelijkheid schadelijk zou zijn. Daarentegen zou propaganda voor het splitsen van het onderwijs volgens de naties, propaganda bv. voor een bijzondere joodse school voor de joodse kinderen in Sint-Petersburg, beslist schadelijk zijn, terwijl het oprichten van nationale scholen voor elke nationale minderheid, voor één, twee of drie kinderen, volkomen uitgesloten is.

Verder is het onmogelijk in een of andere voor de gehele staat geldende wet te bepalen hoe groot een nationale minderheid moet zijn om recht te kunnen doen gelden op een bijzondere school of op speciale onderwijzers voor aanvullende vakken enz.

Daarentegen is het zeer wel mogelijk, door middel van speciale verordeningen en besluiten van regionale landdagen, steden, Zemstvo’s, gemeenten enz. een algemene staatswet ten aanzien van rechtsgelijkheid gedetailleerd uit te werken en verder te ontwikkelen.

6. Centralisatie en autonomie

De heer Libman schrijft in zijn wederwoord:

‘Neem bij ons bv. Litouwen, de Baltische provincies, Polen, Wolhynië, Zuid-Rusland enz. en u zult overal een gemengde bevolking aantreffen; er is daar geen enkele stad zonder een grote nationale minderheid. Men mag de decentralisatie nog zo ver doordrijven, steeds zal men in verschillende plaatsen (hoofdzakelijk in de stadsgemeenten) verscheidene nationaliteiten bij elkaar vinden. Juist de democratie levert de nationale minderheid aan de nationale meerderheid uit. Zoals men echter weet, staat V.1. vijandig tegenover een federatief staatsbestel met onbeperkte decentralisatie, zoals het Zwitserse eedgenootschap die heeft. Men kan zich daarom afvragen, waarom hij juist Zwitserland tot voorbeeld heeft gekozen’.

Boven werd reeds uiteengezet, waarom ik Zwitserland als voorbeeld koos. Eveneens werd duidelijk gemaakt, dat het probleem hoe de rechten van een nationale minderheid beschermd moeten worden, alleen maar opgelost kan worden door een algemene staatswet in een consequent democratische staat, die niet van het principe van de rechtsgelijkheid afwijkt. In bovengenoemd citaat herhaalt de heer Libman echter nog een van de zeer gangbare (en tevens zeer onjuiste) tegenwerpingen (of sceptische opmerkingen), die gewoonlijk tegen het marxistische nationale programma worden aangevoerd en die derhalve nader onderzocht dienen te worden.

Vanzelfsprekend staan de marxisten vijandig tegenover federatie en decentralisatie, en wel om de eenvoudige reden dat het kapitalisme voor zijn ontwikkeling zo groot mogelijke en zo gecentraliseerd mogelijke staten nodig heeft. Bij verder gelijkblijvende voorwaarden zal het klassenbewuste proletariaat steeds aan een grotere staat de voorkeur geven. Het zal steeds tegen middeleeuws particularisme strijden en steeds een zo nauw mogelijke economische aaneensluiting van grote gebieden toejuichen, waar de strijd van het proletariaat tegen de bourgeoisie zich op grote schaal kan ontplooien.

Een grootscheepse en snelle ontplooiing van de productiekrachten door het kapitalisme vereist grote, staatkundig verenigde en aaneengesloten gebieden. Slechts daar heeft de bourgeoisie — door alle oude, middeleeuwse, op standen berustende, bekrompen lokale, eng nationale, religieuze en overige scheidsmuren omver te halen — evenals haar onvermijdelijke tegenhanger, het proletariaat, de mogelijkheid zich als klasse aaneen te sluiten.

Op het recht van de naties op zelfbeschikking, d.w.z. op afscheiding en op het stichten van een zelfstandige nationale staat, zullen wij nog afzonderlijk terugkomen. Maar zolang en voor zover verschillende naties een eenheidsstaat vormen, zullen de marxisten in geen geval het federatieve beginsel of de decentralisatie propageren. Een gecentraliseerde grote staat is historisch gezien een geweldige stap vooruit op de weg van de middeleeuwse versplintering naar de toekomstige socialistische eenheid van de hele wereld. Een andere weg naar het socialisme dan via zulk een (onverbrekelijk met het kapitalisme verbonden) staat is er niet en zal er ook nooit zijn.

Het zou echter een onvergeeflijke fout zijn uit het oog te verliezen dat wij, indien wij voor het centralisme opkomen, uitsluitend het democratische centralisme voorstaan. In dit opzicht hebben de kleinburgers in het algemeen en de nationalistische kleinburgerij (waaronder ook wijlen Dragomanov) in het bijzonder in deze kwestie dermate verwarring gesticht, dat men er telkens opnieuw tijd aan moet besteden om deze te ontwarren.

Het democratische centralisme sluit plaatselijk zelfbestuur met autonomie voor gebieden die zich door bijzondere economische en sociale voorwaarden, door een bijzondere nationale samenstelling van de bevolking enz. onderscheiden, geenszins uit, maar verlangt integendeel noodzakelijkerwijs het een zowel als het ander. Bij ons wordt centralisme voortdurend met willekeur en bureaucratie verward. Uiteraard moest de geschiedenis van Rusland wel tot zulk een verwarring leiden, maar voor een marxist blijft zij desondanks onvergeeflijk.

Dit kan het best aan de hand van een concreet voorbeeld verduidelijkt worden.

Rosa Luxemburg maakt in haar uitvoerige artikel ‘Het nationale vraagstuk en de autonomie’ behalve vele andere vermakelijke fouten (waarover wij het nog zullen hebben) de wel bijzonder komische fout, het eisen van autonomie uitsluitend tot Polen te willen beperken.

Maar laat ons eerst zien hoe zij de autonomie definieert.

Rosa Luxemburg erkent — en als marxiste is zij hiertoe natuurlijk ook verplicht — dat alle voor de kapitalistische maatschappij belangrijke en essentiële economische en politieke kwesties in geen geval onder de bevoegdheid van de autonome landdagen van afzonderlijke gebieden mogen vallen, maar uitsluitend door een centraal, voor het gehele land bevoegd parlement geregeld dienen te worden. Tot deze kwesties behoren: de douanetarieven, de industrie- en handelswetgeving, de communicatie- en verkeersmiddelen (spoorwegen, posterijen, telegraaf, telefoon enz.), het krijgswezen, het belastingstelsel, het burgerlijke en strafrecht, de grondbeginselen van de onderwijspolitiek (bv. wetten inzake uitsluitend openbaar onderwijs, algemene leerplicht, het minimumleerplan, democratie op onderwijsgebied enz.!, wetten inzake arbeidsbescherming, de politieke vrijheden (het recht van vereniging) enz., enz.

Onder de autonome landdagen ressorteren — op grond van de wetgeving voor de hele staat — kwesties van zuiver plaatselijke, regionale of zuiver nationale betekenis. Rosa Luxemburg ontwikkelde ook deze gedachte bijzonder — om niet te zeggen overmatig gedetailleerd en heeft het bv. over de aanleg van lokale spoorwegen (nr. 12, blz. 149), over het plaatselijke wegennet (nr. 14/15, blz. 376) enz.

Het ligt voor de hand, dat men zich geen moderne, werkelijk democratische staat kan voorstellen, die geen autonomie zou verlenen aan een willekeurig gebied met ook maar enkele specifieke sociaaleconomische verhoudingen, met een specifieke nationale bevolkingssamenstelling enz. Het voor de ontwikkeling van het kapitalisme onmisbare principe van het centralisme wordt door zulk een (lokale en regionale) autonomie geenszins aangetast, maar integendeel dankzij deze langs democratische en niet bureaucratische weg verwezenlijkt. Zonder zulk een autonomie, die zowel de concentratie van het kapitaal als de ontwikkeling van de productiekrachten en de aaneensluiting van de bourgeoisie en van het proletariaat in het gehele land vergemakkelijkt, zou een grootscheepse, vrije en snelle ontwikkeling van het kapitalisme onmogelijk of op zijn minst zeer moeilijk zijn. Bureaucratische inmenging in zuiver lokale (regionale, nationale enz.) aangelegenheden is immers een van de grootste belemmeringen voor de economische en politieke ontwikkeling in het algemeen en voor het centralisme op het stuk van belangrijke, diepgaande, principiële kwesties in het bijzonder.

Daarom kan men nauwelijks een glimlach onderdrukken wanneer men leest hoe onze voortreffelijke Rosa Luxemburg haar best doet met een ernstig gezicht en in ‘zuiver marxistische’ bewoordingen aan te tonen, dat de eis van autonomie alleen voor Polen toepasselijk is, slechts bij wijze van uitzondering! Het spreekt vanzelf, dat het hier allerminst om ‘lokaal’ patriottisme gaat — hier zijn uitsluitend ‘zakelijke’ overwegingen in het spel... bv. ten opzichte van Litouwen.

Rosa Luxemburg neemt vier gouvernementen: Wilna, Kowno, Grodno en Soewalki tot voorbeeld en verzekert de lezers (en zichzelf) dat de Litouwers ‘hoofdzakelijk’ in deze gouvernementen wonen. Wanneer zij dan de bevolking van deze gouvernementen optelt, blijkt dat de Litouwers 23 % daarvan uitmaken en, als men de Sjmoeden tot de Litouwers rekent, 31 % of minder dan een derde gedeelte van de totale bevolking. De conclusie luidt dan natuurlijk, dat het idee van autonomie voor Litouwen iets ‘gezochts en kunstmatigs’ zou zijn (nr. 10. blz. 807).

De lezer, die op de hoogte is van de algemeen bekende tekortkomingen van onze Russische ambtelijke statistiek, zal de door Rosa Luxemburg gemaakte fout onmiddellijk opmerken. Waarom moest zij het gouvernement Grodno nemen, waar de Litouwers slechts 0,2 %, twee tiende procent, uitmaken? Waarom moest zij het hele gouvernement Wilna nemen en niet alleen maar het arrondissement Troki, waar de Litouwers de meerderheid van de bevolking uitmaken? Waarom moest zij het hele gouvernement Soewalki nemen, waardoor het aantal Litouwers op 52 % van de bevolking uitkomt, en niet de Litouwse arrondissementen van dit gouvernement, nl. vijf van de zeven arrondissementen, waar de Litouwers 72 % van de bevolking uitmaken?

Het is belachelijk om over de voorwaarden en vereisten van het moderne kapitalisme te spreken en zich dan niet aan de ‘moderne’, niet aan de ‘kapitalistische’, maar aan de middeleeuwse, feodale, officiële bureaucratische administratieve indeling van Rusland te houden, en dan nog wel in haar grofste vorm (gouvernementen in plaats van arrondissementen). Het is zonneklaar dat er geen sprake kan zijn van een ook maar enigszins ernstig te nemen plaatselijke hervorming in Rusland, indien niet eerst deze indeling wordt opgeheven en wordt vervangen door een werkelijk ‘moderne’, werkelijk aan de eisen van het kapitalisme (en niet van de fiscus, niet van de bureaucratie, niet van de routine, niet van de landheren en niet van de geestelijken) beantwoordende indeling. Daarbij behoort tot de moderne vereisten van het kapitalisme ongetwijfeld de grootst mogelijke nationale homogeniteit van de bevolking, omdat de nationaliteit, de gelijkheid van taal een belangrijke factor voor de volledige verovering van de binnenlandse markt en voor de volledige vrijheid van het economische verkeer betekent.

Merkwaardig, dat deze onmiskenbare blunder van Rosa Luxemburg door de boendist Medem herhaald wordt, die niet de ‘uitzonderlijke’ eigenaardigheden van Polen wil aantonen, maar de ondeugdelijkheid van de territoriale nationale autonomie (de boendisten zijn nl. voor een exterritoriale nationale autonomie!). Onze boendisten en liquidatoren vergaren in de hele wereld alle fouten en opportunistische afwijkingen van de sociaaldemocraten van verschillende landen en naties en nemen daarbij beslist het slechtste van de internationale sociaaldemocratie in hun arsenaal over: uittreksels uit het geschrijf van de boendisten en liquidatoren zouden, samengevat, een voorbeeldig sociaaldemocratisch museum van de slechte smaak opleveren.

Gebiedsautonomie, verklaart Medem belerend, is geschikt voor een gebied, voor een ‘streek’, maar niet voor de Letlandse, Estlandse en andere districten met een bevolking van een half tot twee miljoen en de omvang van een gouvernement. ‘Dat zou geen autonomie, maar eenvoudig een Zemstvo zijn... Men zou boven deze Zemstvo een werkelijke autonomie moeten opbouwen...’, waarna de schrijver het ‘uiteenscheuren’ van de oude gouvernementen en arrondissementen veroordeelt.

‘Uiteengescheurd’ en verminkt worden in werkelijkheid de voorwaarden voor het moderne kapitalisme door het handhaven van de middeleeuwse, uit de tijd van de lijfeigenschap afkomstige fiscaal-administratieve indeling. Slechts lieden, die van de geest van deze indeling doordrongen zijn, kunnen ‘met het air van de kenner’ de begrippen ‘Zemstvo’ en ‘autonomie’ tegenover elkaar stellen en erover doordraven en er zich zorgen over maken, dat volgens de sjabloon voor grote gebieden ‘autonomie’ en voor kleine gebieden’ de Zemstvo geschikt is. Het moderne kapitalisme heeft allerminst behoefte aan dergelijke bureaucratische sjablonen. Waarom er geen autonome nationale districten kunnen bestaan met een bevolking van niet alleen een half miljoen, maar ook al van 50.000 inwoners, waarom dergelijke districten niet op alle mogelijke manieren met naburige districten van verschillende grootte verenigd kunnen worden tot een grote autonome ‘regio’, indien dit praktisch en voor het economische verkeer vereist is, dat blijft het geheim van de boendist Medem.

Hierbij zij opgemerkt, dat het nationale programma van Brunn van de sociaaldemocratie zich volledig op het standpunt plaatst van de territoriale nationale autonomie, want het stelt voor’ Oostenrijk in te delen in nationaal begrensde’ gebieden (par. 2 van het programma van Brunn), ‘in plaats van de historische kroonlanden’. Zo ver zouden wij niet willen gaan. Ongetwijfeld is een bevolkingssamenstelling, die een nationaal geheel vormt, een van de zekerste factoren voor een vrij, alomvattend, werkelijk modern handelsverkeer. Ongetwijfeld zal geen enkele marxist en zelfs geen uitgesproken democraat zich voor de Oostenrijkse kroonlanden of de Russische gouvernementen en arrondissementen uitspreken (deze laatste zijn niet zo erg als de Oostenrijkse kroonlanden, maar toch wel heel erg) en de noodzaak bestrijden, dat deze verouderde indeling vervangen behoort te worden door een indeling, die zoveel mogelijk rekening houdt met de nationale samenstelling van de bevolking. En tenslotte bestaat er geen twijfel aan, dat het voor de opheffing van iedere nationale onderdrukking uiterst belangrijk is autonome districten te vormen, al zijn ze nog zo klein, met een samenstelling, die een gesloten, nationaal geheel vormt, waarbij mensen van de desbetreffende nationaliteit, die over het gehele land en zelfs over de gehele wereld verspreid wonen, hun ‘voorkeur’ voor deze districten zouden kunnen uitspreken en in alle mogelijke organisatorische vormen betrekkingen daarmee zouden kunnen aanknopen. Dit alles valt niet te loochenen, het kan slechts vanuit het standpunt van verstarde bureaucraten betwist worden.

De nationale samenstelling van de bevolking is weliswaar een van de belangrijkste economische factoren, maar niet de enige en niet de belangrijkste daarvan. De steden bv. spelen onder het kapitalisme een uiterst belangrijke economische rol en kenmerken zich overal — zowel in Polen als in Litouwen, de Oekraïne, Groot-Rusland enz. — door een bijzonder bonte nationale samenstelling van de bevolking. Het is absurd en ook onmogelijk, de steden uit ‘nationale’ overwegingen los te maken van de economisch met hen verbonden dorpen en districten. Daarom mogen de marxisten zich niet volkomen en zonder voorbehoud op het standpunt plaatsen van het beginsel der ‘nationale territoria’.

De oplossing, die door de Russische marxisten op de jongste conferentie werd voorgesteld, is dan ook veel juister dan die van de Oostenrijkse. Op deze conferentie werd in verband met deze kwestie de volgende stelling geformuleerd:

‘...noodzakelijk is... een verstrekkende regionale autonomie’ (vanzelfsprekend niet alleen voor Polen, maar voor alle Russische gebieden) ‘en een volkomen democratisch lokaal zelfbestuur, waarbij grenzen worden vastgesteld voor de gebieden met zelfbestuur en autonomie’ (niet volgens de grenzen van de tegenwoordige gouvernementen, arrondissementen enz.), maar ‘op grond van door de plaatselijke bevolking zelf vast te stellen economische en maatschappelijke omstandigheden, de nationale samenstelling van de bevolking enz.’

De nationale samenstelling van de bevolking staat hier op een lijn met andere voorwaarden (in de eerste plaats economische, daarna sociale enz.), die als grondslag moeten dienen bij het vaststellen van nieuwe grenzen, aangepast aan het moderne kapitalisme en niet aan fiscale ambtenarij en Aziatendom. Slechts de plaatselijke bevolking is in staat nauwkeurig met deze voorwaarden ‘rekening te houden’, en op grond van haar oordeel zal het centrale parlement van de staat de grenzen van de autonome gebieden en de bevoegdheden van de autonome landdagen vaststellen.

* * *

Rest ons nog het vraagstuk van het recht der naties op zelfbeschikking te bespreken. Wat dit vraagstuk betreft heeft een hele verzameling opportunisten van allerlei nationaliteit, zowel de liquidator Semkovski als de boendist Libman en de Oekraïense sociaal-nationalist Lev Joerkevitsj, zich beijverd, de misvattingen van Rosa Luxemburg ‘te populariseren’. Het volgende artikel zullen wij wijden aan dit door deze hele ‘collectie lieden’ hopeloos verwarde vraagstuk.

Geschreven in oktober-december 1913.
Deel 24. blz. 113-150.