V.I. Lenin
Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme


V. De verdeling van de wereld tussen de verbonden van kapitalisten

De monopolistische verbonden van kapitalisten — kartels, syndicaten, trusts — verdelen in de eerste plaats de binnenlandse markt onder elkaar, door de productie in het betreffende land min of meer volledig in te palmen.

Maar de binnenlandse markt is onder het kapitalisme onvermijdelijk met de buitenlandse verbonden. Het kapitalisme heeft al lang een wereldmarkt geschapen. Naarmate de kapitaalexport toenam en de buitenlandse en koloniale relaties en “invloedssferen” van de grootste monopolistische verbonden intensief werden uitgebreid, kwam het “natuurlijkerwijze” tot steeds grotere, de gehele wereld omvattende overeenkomsten tussen hen: tot vorming van Internationale kartels.

Dit is een nieuwe trap van de kapitaal- en productieconcentratie op wereldschaal — een onvergelijkelijk hogere dan de voorafgaande. Laat ons nagaan, hoe zo’n supermonopolie ontstaat.

Het meest kenmerkend voor de nieuwste technische verworvenheden, voor het kapitalisme tegen het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw, is de elektriciteitsindustrie, die zich het sterkst ontwikkelde in de twee meest vooraanstaande nieuwe kapitalistische landen, de Verenigde Staten en Duitsland. In Duitsland was de crisis van 1900 van bijzonder grote betekenis voor de snelle concentratie in deze tak van industries. Tijdens deze crisis versnelden de toen reeds vrij nauw met de industrie samengegroeide banken in hoge mate de ondergang van de relatief kleine ondernemingen, die door de grote werden opgeslokt. Jeidels schrijft:

“Doordat de banken juist de meest kapitaalbehoeftige ondernemingen in de steek laten, bevorderen zij eerst een duizelingwekkende hausse en dan het debâcle van de maatschappijen die niet duurzaam nauw met hen zijn verbonden”. [84]

Het resultaat was dat de concentratie zich na 1900 met zevenmijlslaarzen voortbewoog. Vóór 1900 waren er in de elektriciteitsindustrie zeven of acht “groepen”, elk bestaande uit enige maatschappijen (in totaal waren er 28). Achter iedere groep stonden 2 tot 11 banken. Tegen 1908-1912 waren al deze groepen samengesmolten tot één enkele (dubbel)groep. Dat ging zo:

Concentratie elektriciteitsindustrie

De op deze wijze uitgegroeide beroemde AEG (Allgemeine Elektrizitätsgesellschaft) beheerst (door participatie) 175 à 200 maatschappijen en beschikt over een kapitaal van ongeveer anderhalf miljard mark. Zij bezit in het buitenland 34 directe vertegenwoordigingen, daaronder 12 NV’s in ruim tien staten. Reeds in 1904 nam men aan dat de Duitse elektriciteitsindustrie 233 miljoen mark in het buitenland had belegd waarvan 62 miljoen in Rusland. Het spreekt vanzelf dat de AEG een reusachtige “gecombineerde” onderneming is, die (met haar 16 industriële dochtermaatschappijen), de meest uiteenlopende producten, van kabels en isolatoren tot automobielen en vliegtuigen levert,

Maar de concentratie in Europa was tegelijkertijd een onderdeel van het concentratieproces in Amerika. Ziehier, hoe dit in zijn werk ging:

concentratie

Zo ontstonden er twee elektriciteitsmogendheden. “Er bestaan ter wereld geen andere elektriciteitsmogendheden die van deze volkomen onafhankelijk zijn”, schrijft Heinig in zijn artikel “De weg van de elektriciteitstrust”. De volgende cijfers geven enige, bij lange na niet volledige voorstelling van de omzet en de omvang van de bedrijven dezer beide “trusts”.

Concentratie

In 1907 wordt er tussen de Amerikaanse en de Duitse trust een overeenkomst gesloten ter verdeling van de wereld. De concurrentie wordt uitgeschakeld. De GEC “ontvangt” de Verenigde Staten en Canada: de AEG “ontvangt” Duitsland, Oostenrijk, Rusland, Nederland, Denemarken, Zwitserland, Turkije en de Balkan. Bijzondere, natuurlijk geheime overeenkomsten worden gesloten omtrent de dochtermaatschappijen die in nieuwe takken van industrie en in “nieuwe”, for- meel nog niet verdeelde landen binnendringen. Men besluit tot uitwisseling van uitvindingen en ervaringen. [85]

Uiteraard wordt het buitengewoon moeilijk te concurreren met deze, feitelijk één geheel vormende wereldtrust die over een kapitaal van enige miljarden beschikt, en op alle continenten zijn filialen, vertegenwoordigingen, agenten, relaties enz. heeft. Maar de verdeling van de wereld tussen twee machtige trusts sluit natuurlijk niet een herverdeling uit, wanneer de machtsverhoudingen — ten gevolge van ongelijkmatige ontwikkeling, oorlogen, bankroeten enz. — veranderen.

Een leerzaam voorbeeld van een poging tot herverdeling, van de strijd om zo’n herverdeling, biedt ons de petroleumindustrie:

“De wereldpetroleummarkt”, schreef Jeidels in 1905, “wordt ook thans nog in hoofdzaak beheerst door twee grote financiersgroepen: de Amerikaanse ‘Standard Oil Company’ van Rockefeller en de koningen van de Russische Bakoe-petroleum, Rothschild en Nobel. Deze groepen staan in nauwe verbinding met elkaar, maar hun monopolie wordt sinds een aantal jaren door vijf gevaren bedreigd...” [86]

Namelijk: 1. Het uitgeput raken van de Amerikaanse olievelden; 2. de concurrentie van de firma Mantasjev te Bakoe; 3. De olievelden in Oostenrijk en 4. in Roemenië; 5. De olievelden overzee, vooral in de Nederlandse kolonien (de schatrijke firma’s Samuel en Shell, die bovendien met het Engelse kapitaal zijn verbonden). De laatste drie reeksen ondernemingen zijn verbonden met de Duitse grote banken en in de eerste plaats met de reusachtige “Deutsche Bank”. Deze banken hebben de petroleumindustrie, bijvoorbeeld in Roemenië zelfstandig en stelselmatig ontwikkeld om over een “eigen” steunpunt te kunnen beschikken. In 1907 berekende men het buitenlandse kapitaal in de Roemeense petroleum-industrie op 185 miljoen frank, waaronder 74 miljoen van Duitse oorsprong. [87]

Er begon een strijd die in de economische literatuur dan ook een strijd om de “verdeling van de wereld” wordt genoemd. Enerzijds de “Standard Oil” van Rockefeller, die om alles in handen te krijgen, een dochtermaatschappij in Nederland zelf oprichtte en in Nederlands-Indië olievelden opkocht, teneinde zo een slag toe te brengen aan zijn voornaamste vijand, de Nederlands-Engelse Shell-trust. Anderzijds de “Deutsche Bank” en andere Berlijnse banken die er naar streefden Roemenië “voor zichzelf te behouden” en het met Rusland tegen Rockefeller te verenigen. Deze laatste beschikte over oneindig meer kapitaal en over een uitstekende organisatie voor het transport en de verkoop van petroleum aan de verbruikers. Dat de strijd in 1907 eindigde met een volledige nederlaag van de “Deutsche Bank” was onvermijdelijk; deze had slechts de keus haar “oliebelangen” met een verlies van miljoenen te liquideren of zich te onderwerpen. Men koos het laatste en sloot met de “Standard Oil” een voor de “Deutsche Bank” zeer onvoordelige overeenkomst. Volgens deze overeenkomst verplichtte de “Deutsche Bank” zich, “niets ten nadele van de Amerikaanse belangen te ondernemen”, hierbij werd echter het voorbehoud gemaakt, dat de overeenkomst zou vervallen, indien er in Duitsland door de wet een staatsmonopolie voor petroleum werd ingesteld.

Hierop begon de “petroleum-komedie”. Eén van de financiële koningen in Duitsland, von Gwinner, directeur van de “Deutsche Bank”, liet door zijn particuliere secretaris Strausz, een propaganda-campagne op touw zetten voor een petroleummonopolie. Het gehele reusachtige apparaat van de grootste Berlijnse bank en alle uitgebreide “relaties” werden in beweging gezet; de pers droop van “vaderlandslievend” gezwijmel tegen “het juk” van de Amerikaanse trust, en de Rijksdag nam op 15 maart 1911 bijna eenstemmig een motie aan, waarin hij de regering uitnodigde, een wetsontwerp over een petroleummonopolie in te dienen. De regering nam deze “populaire” gedachte over, en het leek of de “Deutsche Bank” het spel gewonnen had. Deze wilde de Amerikaanse tegenpartij beetnemen en zijn eigen belangen met behulp van het staatsmonopolie bevorderen. De Duitse petroleumkoningen hadden al de voorsmaak van geweldige winsten, waarbij die van de Russische suikerfabrikanten ver ten achter zouden blijven... Maar om te beginnen kregen de grote Duitse banken onderling twist over de verdeling van de buit. De “Diskonto-Gesellschaft” ontmaskerde de zelfzuchtige bedoelingen van de “Deutsche Bank”. Intussen was de regering bang geworden voor een conflict met Rockefeller, want het leek zeer twijfelachtig of Duitsland zonder hem petroleum zou kunnen krijgen (de productie van Roemenië is niet groot); en tenslotte kwam de goedkeuring van het miljard voor de oorlogsbegroting van 1913 aan de orde. Het monopolie-ontwerp werd op de lange baan geschoven. Zo kwam de “Standard Oil” van Rockefeller voorlopig als overwinnaar uit de strijd.

Naar aanleiding hiervan schreef het Berlijnse tijdschrift “Die Bank”, dat Duitsland de strijd tegen de “Standard Oil” slechts zou kunnen opnemen, indien het een monopolie van elektrische energie stichtte, en waterkracht in goedkope elektriciteit omzette:

“Maar”, voegde de schrijver hier aan toe, “het elektriciteitsmonopolie zal tot stand komen op het ogenblik, waarop de producenten het nodig hebben, nl. wanneer de volgende grote krach in de elektriciteitsindustrie voor de deur zal staan; wanneer de geweldig dure elektrische centrales niet meer renderen, die thans door de particuliere elektriciteitsconcerns overal worden gebouwd en waarvoor de staten, gemeenten en andere lichamen hun nu reeds lokale monopolierechten verlenen. Dan zal men tot de waterkracht moeten komen; men zal deze echter niet van staatswege in goedkope elektriciteit kunnen omzetten, maar weer in handen moeten geven van een van staatswege gecontroleerd particulier monopolies omdat anders geweldige schadevergoedingen en afkoopsommen aan de particuliere industrie betaald zouden moeten worden... Zo was het met het kali-monopolie, zo is het met het petroleummonopolie, zo zal het zijn met het elektriciteitsmonopolie. Het wordt tijd, dat onze staatssocialisten die zich door een mooi principe laten verblinden, eindelijk eens begrijpen dat in Duitsland een staatsmonopolie nooit ten doel en ook nooit ten gevolge had, dat de verbruikers bevoordeeld werden, of dat de staat een deel van de ondernemerswinst kreeg. Het heeft steeds slechts gediend om particuliere industrieën die in moeilijkheden waren geraakt, op staatskosten te saneren.” [88]

Zulke waardevolle bekentenissen kunnen de burgerlijke economen in Duitsland soms niet meer vermijden. Wij zien hier aanschouwelijk, hoe de particuliere en de staatsmonopolies zich in het tijdperk van het financierskapitaal tot één geheel verstrengelen en feitelijk slechts schakels zijn in de imperialistische strijd van de grootste monopolisten om de verdeling van de wereld.

Ook in de koopvaardij leidde de geweldige toename van de concentratie tot verdeling van de wereld. In Duitsland traden twee grote maatschappijen op de voorgrond: de “Hamburg-Amerika-lijn” (Hapag) en de “Nord-Deutsche Lloyd”, beiden met een kapitaal van 200 miljoen mark (aandelen en obligaties) en stoomschepen ter waarde van 185 à 189 miljoen mark. Aan de andere kant ontstond in Amerika op I januari 1903 de zogenaamde Morgantrust, de “International Mercantile Marine” (Internationale maatschappij voor de zeehandel), die negen Engelse en Amerikaanse scheepvaartmaatschappijen verenigt en over een kapitaal van 120 miljoen dollar (480 miljoen mark) beschikt. Reeds in 1903 sloten de Duitse kolossen en deze anglo-amerikaanse trust terwille van hun respectievelijke winst, een overeenkomst omtrent de verdeling van de wereld. De Duitse maatschappijen zagen af van concurrentie in de vaart tussen Engeland en Amerika. Er werd nauwkeurig vastgesteld aan wie de verschillende havens zouden “toebehoren”; er werd een gemeenschappelijk controle-comité gevormd enz. De overeenkomst werd voor een tijd van 20 jaar gesloten, met het omzichtige voorbehoud, dat ze in geval van oorlog buiten werking treedt. [89]

Uitermate leerzaam is ook de geschiedenis met het ontstaan van het internationale railskartel. Reeds in 1884, ten tijde van de ergste industriële depressie, werd voor het eerst door de Engelse, Belgische en Duitse railsfabrikanten een ernstige poging gedaan tot oprichting van zo’n kartel. Zij kwamen overeen, op de binnenlandse markt van de aangesloten landen niet met elkaar te concurreren, en de buitenlandse markt als volgt te verdelen- Engeland 66 procent, Duitsland 27 procent, België 7 procent. Indië werd geheel aan Engeland overgelaten. Tegen een Engelse firma die buiten de overeenkomst bleef werd een gemeenschappelijke oorlog gevoerd, waarvan de kosten door een bepaalde toeslag op de totaalverkoop werden gedekt. Maar in 1886, toen twee Engelse firma’s uit het kartel traden, stortte dit ineen. Het is kenmerkend dat het in de daarop volgende jaren van industriële bloei niet lukte, een nieuwe overeenkomst te sluiten.

Begin 1904 werd in Duitsland het staalsyndicaat opgericht en in november 1904 werd het internationale railskartel hernieuwd, volgens de norm — Engeland 53,5 procent, Duitsland 28,83 procent, België 17,67 procent. Daarop sloot Frankrijk zich aan, met in het eerste, tweede en derde jaar een norm van 4,8, 5,8 en 6,4 procent boven de 100 procent, dat is dus van een totaal van 104,8 procent enz. In 1905 sloot de staaltrust in de Verenigde Staten (United States Steel Corporation) zich aan, gevolgd door Oostenrijk en Spanje.

“Op het ogenblik”, schreef Vogelstein in 1910, “is de verdeling van de wereld voltooid, en de grote consumenten — in de eerste plaats de staatsspoorwegen — kunnen nu, daar de aarde vergeven is zonder dat met hun belangen rekening werd gehouden, als de dichter op de Olympus bij Zeus intrekken”. [90]

Dan is er nog het in 1909 gestichte Internationale zinksyndicaat dat de productie nauwkeurig heeft verdeeld tussen vijf groepen van fabrieken — Duitse, Belgische, Franse, Spaanse en Engelse; en verder de internationale kruittrust, waarvan Liefmann zegt:

“dit (is) een zeer modern nauw verbond van alle Duitse springstoffabrieken met analogisch georganiseerde Franse en Amerikaanse kruitfabrieken, die om zo te zeggen de gehele wereld onder elkaar hebben verdeeld”. [91]

Liefmann berekende het totaal aantal internationale kartels waaraan Duitsland deelnam, op ongeveer 40 in 1897, en ongeveer 100 in 1910.

Sommige burgerlijke schrijvers (bij wie zich thans ook Karl Kautsky heeft gevoegd, die zijn marxistische standpunt van bvb. 1909, volkomen heeft verraden), zijn van mening dat de internationale kartels, als bijzonder spectaculaire voorbeelden van de internationalisering van het kapitaal, de hoop wettigen op het behoud van de vrede tussen de volkeren tijdens het kapitalisme. Deze redenering is theoretisch volkomen onzinnig en praktisch niets anders dan een sofisme, een oneerlijke truc om het ergste opportunisme te verdedigen. De internationale kartels tonen hoezeer de kapitalistische monopolies nu reeds zijn gegroeid en terwille waarvan de strijd tussen de verbonden van kapitalisten wordt gevoerd. Deze laatste omstandigheid is de belangrijkste; zij alleen verklaart ons de historisch economische zin van de gebeurtenissen, want de vorm van de strijd kan veranderen en verandert ook voortdurend door verschillende, min of meer toevallige en tijdelijke oorzaken, maar het wezen van de strijd, zijn klasseninhoud, kan absoluut niet veranderen zolang er klassen bestaan. Begrijpelijkerwijze is het in het belang van bvb. de Duitse bourgeoisie om de strekking van de tegenwoordige economische strijd (de verdeling van de wereld) te verdoezelen en nu eens op deze, dan weer op gene vorm van deze strijd de nadruk te leggen. Kautsky die met zijn theoretische bespiegelingen in wezen naar die bourgeoisie is overgelopen (waarover wij nog nader zullen spreken) maakt dezelfde fout. En natuurlijk gaat het niet om de Duitse bourgeoisie, maar om de bourgeoisie in de hele wereld. De kapitalisten verdelen de wereld niet uit bijzondere boosaardigheid, maar omdat de reeds bereikte graad van concentratie hen daartoe terwille van de winst dwingt. Daarbij verdelen zij de wereld, “in evenredigheid met het kapitaal”, “met de macht”; een andere wijze van verdeling is onder het stelsel van warenproductie en kapitalisme onmogelijk. Maar een machtspositie verandert naar gelang van de economische en politieke ontwikkeling; om de gebeurtenissen te begrijpen, moet men weten welke kwesties door wijzigingen in de machtsverhoudingen worden beslist. Of dit “zuiver” economische, dan wel buiten de economie liggende (bijvoorbeeld militaire) wijzigingen zijn, is een kwestie van secundaire betekenis, die geen verandering kan brengen in de fundamentele opvattingen over het jongste tijdperk van het kapitalisme. Wanneer men bij het stellen van het probleem de strekking van de strijd en het gekonkel tussen de verbonden van kapitalisten vervangt door de vorm van deze strijd en gekonkel (vandaag vreedzaam, morgen niet vreedzaam, overmorgen weer niet vreedzaam), verlaagt men zich tot de rol van sofist.

Het tijdperk van het jongste kapitalisme toont ons dat er tussen de verbonden van kapitalisten bepaalde betrekkingen ontstaan op grond van de economische verdeling van de wereld; maar daarnaast en in verband daarmee ontstaan er tussen de politieke verbonden, tussen de staten, bepaalde verhoudingen op grond van de territoriale verdeling van de wereld, van de strijd om de koloniën, “de strijd om het bedrijfsgebied”.


Voetnoten

[84] Jeidels o.c. S. 232.

[85] Kurt Heinig, “Der Weg des Elektrotrusts”, in “Die Neue Zeit”, XXX, Bd. II, S. 474 e.v. — Riesser I.c. — Diouritch l.c. S. 239.

[86] Jeidels, o.c. S. 193.

[87] Diouritch S. 245.

[88] Dr. Felix-Pinner, “Herrn von Gwinners Petroleummonopol”, in “Die Bank” 1912 2 S. 629, 1036 en 1913, 1. S. 388.

[89] Riesser, S. 12.5.

[90] Th. Vogelstein, “Organisationsfirmen”, S. 100.

[91] R. Liefmann, “Kartelle und Trusts”, 2e dr. S. 161.