V.I. Lenin
Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme


VIII. Parasitisme en ontbinding van het kapitalisme

Wij moeten nu aandacht besteden aan een andere zeer belangrijke zijde van het imperialisme, waarmee de meeste beschouwingen over dit thema niet voldoende rekening houden. Een van de tekortkomingen van de marxist Hilferding is dat hij in deze kwestie een stap achteruit heeft gedaan, vergeleken bij de niet-marxist Hobson. Wij doelen op het parasitaire karakter van het imperialisme.

Zoals wij zagen, is het monopolie de wezenlijke economische basis van het imperialisme. Het is een kapitalistisch monopolie omdat het uit het kapitalisme is voortgekomen. Hoewel binnen de algemene verhoudingen van het kapitalisme, van warenproductie en concurrentie, bevindt het monopolie zich in een voortdurende en onoplosbare tegenstelling tot deze verhoudingen en kweekt, als elk ander monopolies onvermijdelijk kiemen van stagnatie en verrotting. Voorzover er — zij het slechts tijdelijk — monopolieprijzen worden vastgesteld, wordt de stimulans van de technische, en dus ook van elke andere vooruitgang geremd; en ontstaat er een economische mogelijkheid, de technische vooruitgang kunstmatig tegen te houden. Een voorbeeld: in Amerika vindt een zekere Owens een flessenmachine uit, die een revolutie in de flessenfabricage teweegbrengt. Het Duitse kartel van flessenfabrikanten koopt de patenten van Owens op en legt ze terzijde om hun toepassing tegen te gaan.

Natuurlijk kan een monopolie onder het kapitalisme de vrije concurrentie op de wereldmarkt nooit geheel en voor langere tijd uitschakelen (dit is overigens een van de redenen waarom de theorie van het ultra-imperialisme onzinnig is). De mogelijkheid om door middel van technische verbeteringen de productiekosten te drukken en de winsten te verhogen, bevordert natuurlijk veranderingen. Maar de tendentie tot stagnatie en ontbinding, die aan het monopolie eigen is, blijft op haar beurt actief en krijgt voor een bepaalde tijdsduur in afzonderlijke takken van industrie en afzonderlijke landen de overhand.

Het monopolistische bezit van bijzonder uitgebreide, rijke of gunstig gelegen koloniën werkt in dezelfde richting.

Verder. Imperialisme betekent geweldige concentratie van geldkapitaal in slechts enkele landen, waar zich, zoals wij hebben gezien, 100 tot 150 miljard frank aan waardepapieren ophopen. Vandaar een enorme uitbreiding van de klasse, — of juister gezegd van de laag — renteniers, lieden die van het “knippen van coupons” leven en feitelijk buiten het bedrijfsleven staan; lieden wier beroep de lediggang is. De kapitaalexport die een van de wezenlijkste economische grondslagen van het imperialisme is, versterkt deze volledige vervreemding van de renteniers van de productie nog meer en drukt het stempel van parasitisme op heel het land, dat leeft van de uitbuiting van de arbeid in verscheidene overzeese landen en koloniën.

“In 1893”, schrijft Hobson, “vormde het in het buitenland belegde Engelse kapitaal ongeveer 15 procent van de gehele rijkdom van het Verenigde Koninkrijk”. [110]

Wij herinneren er aan dat dit kapitaal tegen 1915 ongeveer 2,5 maal zo groot was geworden.

“Het agressieve imperialisme”, lezen wij verder bij Hobson, “dat de belastingbetaler zo duur komt te staan en zo weinig betekenis heeft voor de industrieel en de handelaar... is een bron van grote winsten voor de kapitalist die een belegging voor zijn kapitaal zoekt”. (Het Engelse woord “investor” betekent zowel “belegger” als rentenier.) “Het totale jaarlijkse inkomen van Groot-Brittannië uit zijn buitenlandse en koloniale handel, uit import en export, wordt door de statisticus Giffen voor het jaar 1899 geschat op 18 miljoen pond sterling, nl. 2,5 procent op de gehele omzet van 800 miljoen pond sterling.”

Deze som kan, al is ze nog zo groot, toch de agressiviteit van het Engelse imperialisme niet verklaren. Deze vindt haar oorzaak veeleer in de 90 tot 100 miljoen pond sterling winst op het “belegde” kapitaal, die het inkomen van de rentenierslaag vormen.

In het grootste “handelsland” ter wereld zijn de inkomsten van de renteniers vijfmaal zo groot, als die uit de buitenlandse handel! Dat is nu het wezen van het imperialisme en van het imperialistische parasitisme.

Het begrip “renteniersstaat”, of woekerstaat wordt daarom een gangbare uitdrukking in de economische literatuur over het imperialisme. De wereld is verdeeld in een handvol woekerstaten en een reusachtige meerderheid schuldenaarsstaten.

“Onder de kapitaalbeleggingen in het buitenland”, schrijft Schulze-Gävernitz, “wordt de eerste plaats ingenomen door die aan politiek afhankelijke landen of bondgenoten: Engeland leent aan Egypte, Japan, China, Zuid-Amerika. Daar treedt de Engelse oorlogsvloot zo nodig als deurwaarder op. Engeland wordt door zijn politieke macht beschermd tegen de verontwaardiging van de schuldenaars”. [111]

In zijn werk “Het economische stelsel van kapitaalbelegging in het buitenland”, noemt Sartorius von Waltershausen Nederland als voorbeeld van een “renteniersstaat”, en wijst er op dat Engeland en Frankrijk thans bezig zijn het te worden. [112] Schilder verklaart, dat de vijf industrie-staten Engeland, Frankrijk, Duitsland, België en Zwitserland door en door schuldeisers landen zijn. Nederland noemt hij hier niet bij, alleen maar omdat dit land “industrieel weinig ontwikkeld is.” [113]

De Verenigde Staten zijn slechts ten opzichte van het Amerikaanse continent een schuldeisersstaat.

“Engeland”, schrijft Schulze-Gävernitz, “wordt geleidelijk van industriestaat tot schuldeisersstaat. Hoewel de industriële productie en ook de industriële export in absolute cijfers toeneemt, wordt de betekenis van de inkomsten uit rente en dividend, van de emissie-, commissie- en speculatie-winsten voor ‘s lands economie relatief groter. Dit feit is naar mijn mening de economische grondslag van de imperialistische opbloei. De schuldeiser is hechter met de schuldenaar verbonden, dan de leverancier met een cliënt”. [114]

Met betrekking tot Duitsland schreef in 1911 A. Lansburgh, de uitgever van het Berlijnse tijdschrift “Die Bank”, in het artikel “De Duitse renteniersstaat":

“In Duitsland spot men gaarne over de neiging tot rentenieren, die bij de Franse bevolking is te vinden. Men vergeet daarbij dat voor zover het de bourgeoisie betreft, de Duitse verhoudingen steeds meer overeenstemming vertonen met de Franse”. [115]

De renteniersstaat is de staat van het parasitaire, verrottende kapitalisme. Deze omstandigheid oefent onvermijdelijk invloed uit op ‘s lands sociaal-politieke verhoudingen in het algemeen, en op de twee voornaamste richtingen van de arbeidersbeweging in het bijzonder. Om dit zo aanschouwelijk mogelijk te tonen, geven wij het woord aan Hobson die als getuige het “betrouwbaarst” is omdat men hem onmogelijk van voorliefde voor de “marxistische orthodoxie” kan verdenken. Anderzijds is deze Engelsman uitstekend op de hoogte van het land dat het rijkst is aan koloniën, financierskapitaal en imperialistische ervaring.

Onder de levendige indruk van de Boerenoorlog schildert Hobson het verband tussen het imperialisme en de belangen van de “financiers”, hun stijgende winsten op leveranties, diensten enz. en schrijft:

“Het zijn de kapitalisten die deze beslist parasitaire politiek bepalen, maar de motieven die hen leiden hebben ook uitwerking op bepaalde groepen arbeiders. In vele steden zijn de voornaamste takken van industrie afhankelijk van regeringsorders: het imperialistische karakter van de grote metaal- en scheepsbouwindustrie staat in direct verband met dit feit.”

Tweeërlei soort omstandigheden hebben, naar ‘s schrijvers mening, de macht van de antieke imperia verzwakt: 1. het “economische parasitisme” en 2. het samenstellen van hun legers uit afhankelijke volkeren.

“De eerste omstandigheid is het economisch parasiteren, waarbij de heersende staat zijn provincies, koloniën en de van hem afhankelijke landen gebruikt Om zijn regerende klasse te verrijken en zijn lagere klassen om te kopen, opdat zij rustig blijven.”

Wij willen daaraan toevoegen dat voor een dergelijke omkoperij — in welke vorm dan ook — een monopolistisch hoge winst noodzakelijk is. Over de tweede omstandigheid schrijft Hobson:

“Een van de zonderlingste symptomen van de blindheid waaraan het imperialisme lijdt, is wel de zorgeloosheid, waarmee Groot-Brittannië, Frankrijk en andere imperialistische landen die gevaarlijke weg inslaan. Groot-Brittannië is in dit opzicht het verst gegaan. Het merendeel van de gevechten, waarmee wij ons Indische Rijk hebben veroverd, werd geleverd door inboorlingenlegers. In Indië, en in de laatste tijd ook in Egypte, bevinden zich grote staande legers onder commando van Britten. Behalve in het zuiden werden bijna al onze onderwerpingsoorlogen in Afrika voor ons door inboorlingen gevoerd.”

Het vooruitzicht op de verdeling van China inspireert Hobson tot de volgende economische ontboezeming:

“Het grootste deel van West-Europa zou er dan gaan uitzien als de huidige lustoorden in Zuid-Engeland, de Rivièra, Zwitserland en Italië, die het meest door toeristen bezocht en door rijkaards bewoond worden. Daar zou een kleine groep rijke aristocraten leven van dividenden en pensioenen uit het Verre Oosten, verder een grotere groep beambten en winkeliers en een nog groter aantal huisbedienden, en arbeiders bij het transportwezen en in de luxe-industrie. De voornaamste bedrijfstakken zouden evenwel verdwijnen en grote hoeveelheden voedingsmiddelen en halffabrikaten zouden als tribuut uit Azië en Afrika toevloeien...”

“Dergelijke mogelijkheden biedt een grootscheeps verbond van westerse staten, een Europese federatie van grote mogendheden. Deze zou echter de zaak van de wereldbeschaving allerminst dienen, en eerder het geweldige gevaar inhouden van een westers parasitisme. Dit zou ontstaan wanneer de heersende klassen van een reeks vooraanstaande industrienaties, uit Azië en Afrika geweldige inkomsten gingen ontvangen, waarmee zij grote gedweeë massa’s beambten en bedienden konden onderhouden, die zich niet meer met het voortbrengen van voor de massa bestemde landbouw- en industrieproducten zouden bezighouden, maar met persoonlijke diensten of met ondergeschikte industriële werkzaamheden onder controle van de nieuwe financiersaristocratie. Laten zij die geneigd zijn zo’n theorie” (de schrijver had moeten zeggen: zo’n vooruitzicht) “luchtig af te wenken, liever trachten zich een beeld te vormen van de economische en sociale verhoudingen in de delen van het huidige Zuid-Engeland, waar reeds zo’n toestand heerst. Laten zij bedenken, hoe geweldig dit systeem zou kunnen worden uitgebreid, indien China onderworpen werd aan de economische controle van financiers en kapitaalbeleggers die, met hun politieke, commerciële en industriële dienaren, de winst uit ‘s werelds potentieel grootste reservoir zouden persen, teneinde deze in Europa te verteren. Natuurlijk, de toestand is te ingewikkeld, het spel van de wereldkrachten is te onoverzichtelijk, dan dat deze of gene rechtlijnige toekomstvoorspelling veel kans op uitkomen zou hebben. Maar de invloeden die het imperialisme in West-Europa tegenwoordig beheersen, bewegen zich in deze richting en indien zij niet op tegenstand stuiten, indien zij niet in een andere richting worden gedrongen, zullen zij in de richting van zo’n resultaat werken, en niet anders”. [116]

De schrijver heeft volkomen gelijk: indien de krachten van het imperialisme geen tegenwerking zouden ontmoeten, zouden zij juist hiertoe leiden. De betekenis van de “Verenigde Staten van Europa” onder de moderne imperialistische verhoudingen, is hier juist weergegeven. Men zou er slechts aan moeten toevoegen dat ook binnen de arbeidersbeweging naarstig in deze richting “gewerkt” wordt door de opportunisten die thans tijdelijk in de meeste landen de overhand hebben. Het imperialisme, dat verdeling en uitbuiting van de wereld betekent (en niet van China alleen); dat monopolistisch-hoge winsten voor een handvol van de rijkste landen betekent, maakt het economisch mogelijk de bovenste lagen van het proletariaat om te kopen, en voedt, vormt en versterkt op deze wijze het opportunisme. Men mag echter niet vergeten dat er krachten bestaan, die weerstand bieden aan het imperialisme in het algemeen en aan het opportunisme in het bijzonder, krachten die voor de sociaal-liberaal Hobson natuurlijk onzichtbaar zijn.

De Duitse opportunist Gerhard Hildebrand die indertijd wegens zijn verdediging van het imperialisme door de partij werd uitgesloten, maar nu best leider van de zogenaamde “sociaaldemocratische” partij van Duitsland zou kunnen zijn, vult Hobson goed aan als hij de “Verenigde Staten van West-Europa” (zonder Rusland) propageert met het doel “gemeenschappelijk actie” te voeren tegen... de Afrikaanse negers, tegen de “grote beweging van de Islam”, voor een “sterke militaire macht en marine”, tegen een “Japans-Chinese coalitie” enz. [117]

De beschrijving van het “Britse imperialisme” bij Schulze-Gävernitz toont ons dezelfde trekken van parasitisme. Het Engelse volksinkomen verdubbelde ongeveer van 1865 tot 1898, maar het inkomen “uit het buitenland” steeg in dezelfde tijd tot het negenvoudige. Terwijl de “verdienste” van het imperialisme erin bestaat dat het de “negers opvoedt tot de arbeid” (zonder dwang gaat dit nu eenmaal niet!... ), bestaat het “gevaar” van het imperialisme hierin, dat

“Europa de lichamelijke arbeid — eerst in de landbouw en de mijnen, daarna ook de grovere industrie-arbeid — op de gekleurde mensheid afschuift en zich zelf tevreden stelt met de rol van rentenier, waardoor het allicht de economische en vervolgens ook de politieke emancipatie van de gekleurde rassen voorbereidt”.

Een steeds groter deel van de grond wordt in Engeland aan de landbouw onttrokken en door de rijken voor sport en vermaak gebruikt. Van Schotland, de meest aristocratische plaats voor jacht en andere sport, wordt gezegd, dat het “van zijn verleden en van Mr. Carnegie (de Amerikaanse miljardair) leeft.” Alleen voor wedrennen en voor vossenjachten geeft Engeland jaarlijks 14 miljoen pond sterling uit. Het aantal renteniers in Engeland bedraagt ongeveer één miljoen. Het percentage arbeiders onder de bevolking daalt:

Arbeidersklasse

Met betrekking tot de Engelse arbeidersklasse is de burgerlijke onderzoeker van het Britse imperialisme in het begin van de 20e eeuw genoopt, telkens weer een onderscheid te maken tussen “de bovenste laag” van de arbeiders en de “eigenlijk proletarische onderste laag”. De bovenste laag levert de grote meerderheid van de leden van coöperaties, vakbonden, sportverenigingen en vele godsdienstige sekten. Aan hun niveau is het kiesrecht aangepast, dat in Engeland “nog steeds voldoende beperkt is, om de eigenlijk proletarische onderlaag uit te sluiten” (...) Om de toestand van de Engelse arbeidersklasse te verbloemen, spreekt men gewoonlijk slechts over deze bovenste laag die de minderheid van het proletariaat omvat; bvb “het vraagstuk van de werkloosheid betreft hoofdzakelijk Londen en de proletarische onderste laag, waarmee de politici weinig rekening houden.” [118] Hij had moeten zeggen: “waarmee de burgerlijke politicasters en de ‘socialistische’ opportunisten weinig rekening houden.”

Tot de betreffende typische verschijnselen van het imperialisme moet men ook rekenen de afnemende emigratie uit de imperialistische landen en de toenemende immigratie naar deze landen uit de minder ontwikkelde gebieden, waar het arbeidstoon lager is. De emigratie uit Engeland daalde — zoals Hobson opmerkt — sinds 1884 toen zij 242.000 bedroeg tot 169.000 in 1900. De emigratie uit Duitsland bereikte het hoogste punt in de jaren ‘80, en wel 1.453.000, maar daalde in de twee volgende decennia tot 544.000 en 341.000. Daarentegen steeg het aantal arbeiders die uit Oostenrijk, Italië, Rusland enz. naar Duitsland kwamen. Volgens de volkstelling van 1907 waren er in Duitsland 1.342.294 buitenlanders onder wie 440.800 industrie-arbeiders en 257.329 landarbeiders. [119] In Frankrijk zijn de mijnarbeiders “voor een belangrijk deel” buitenlanders. Polen, Italianen, Spanjaarden. [120] In de Verenigde Staten hebben de emigranten uit Oost- en Zuid-Europa de slechtst betaalde baantjes, terwijl de Amerikaanse arbeiders het hoogste percentage leveren van de opzichters en van hen die de best betaalde arbeid ontvangen. [121] Het imperialisme heeft de tendens ook onder de arbeiders bevoorrechte categorieën af te scheiden en deze van de grote proletarische massa los te scheuren.

Het zij vermeld dat het streven van het imperialisme de arbeiders te verdelen en het opportunisme onder hen te versterken, waardoor een tijdelijk verval van de arbeidersbeweging veroorzaakt wordt, zich in Engeland lang vóór 1900 openbaarde. Sinds het midden van de 19e eeuw bestonden daar immers reeds twee belangrijke kenmerken van het imperialisme: reusachtige koloniale bezittingen en een monopolische positie op de wereldmarkt.

Marx en Engels hebben dit verband van het opportunisme in de arbeidersbeweging met de imperialistische kenmerken van het Engelse kapitalisme, tientallen jaren lang stelselmatig geobserveerd. Zo schreef Engels bvb op 7 oktober 1858 aan Marx:

“Het Engelse proletariaat verburgerlijkt feitelijk meer en meer, zodat deze meest burgerlijke van alle naties het tenslotte zo ver schijnt te willen brengen, dat zij naast de bourgeoisie een burgerlijke aristocratie en een burgerlijk proletariaat zal bezitten. Bij een natie die de gehele wereld uitbuit, is dat tenslotte in zekere zin gerechtvaardigd.”

Bijna een kwart eeuw later, in zijn brief van 11 augustus 1881, spreekt hij over de ergste Engelse trade-unions, “die zich laten leiden door aan de bourgeoisie verkochte of althans door haar betaalde lieden”; en in een brief aan Kautsky van 12 September 1882 schreef Engels: “U vraagt mij wat de Engelse arbeiders van de koloniale politiek denken? Wel, precies hetzelfde wat zij van de politiek in het algemeen denken. Er is hier immers geen arbeiderspartij, er zijn slechts conservatieven en liberale radicalen en de arbeiders teren vlot mee van het Engelse monopolie op de wereldmarkt en in de koloniën.” [122] (Hetzelfde heeft Engels ook uiteengezet in het Voorwoord bij de tweede druk van “De toestand van de arbeidersklasse in Engeland”, 1892) [123]

Hier worden oorzaken en gevolgen duidelijk genoemd. Oorzaken zijn: 1. de uitbuiting van de gehele wereld door het gegeven land; 2. zijn monopolistische positie op de wereldmarkt; 3. zijn koloniaal monopolies Gevolgen: 1. de verburgerlijking van een deel van het Engelse proletariaat; 2. dit laat zich gedeeltelijk leiden door lieden die door de bourgeoisie zijn omgekocht, of althans door haar betaald worden. In het begin van de 20e eeuw beëindigde het imperialisme de verdeling van de wereld onder een handvol landen waarvan elk thans een niet veel kleiner deel van de “hele wereld” uitbuit (in de zin van superwinst maken) dan Engeland in 1858. Elk van deze landen heeft dankzij trusts, kartels, financierskapitaal en krediet een monopoliepositie op de wereldmarkt; — elk heeft tot op zekere hoogte een koloniaal monopolie (Wij zagen, dat van een totale oppervlakte van 75 miljoen vierkante kilometer koloniën ter wereld, 65 miljoen d.w.z. 86 procent geconcentreerd zijn in handen van zes grote mogendheden, en 61 miljoen d.w.z. 81 procent in handen van slechts drie mogendheden.)

De huidige situatie onderscheidt zich door economische en politieke verhoudingen die de onverzoenbaarheid van het opportunisme met de algemene en fundamentele belangen van de arbeidersbeweging wel moesten versterken; het imperialisme is van kiemvorm tot heersend stelsel uitgegroeid, de kapitalistische monopolies hebben in de volkshuishouding en de politiek de eerste plaats ingenomen; de verdeling van de wereld is voltooid. Anderzijds heeft de monopolistische alleenheerschappij van Engeland plaats moeten maken voor strijd tussen een klein aantal imperialistische machten om hun deel in het monopolies een strijd die het hele begin van de 20e eeuw beheerst. Het opportunisme kan de arbeidersbeweging thans nergens meer tientallen jaren lang beheersen, zoals het dat in Engeland in de tweede helft van de 19e eeuw deed. In een aantal landen werd het opportunisme echter rijp en overrijp, om definitief in ontbinding te geraken toen het als sociaal-chauvinisme volledig met de burgerlijke politiek samensmolt. [124]


Voetnoten

[110] Hobson, I c., p. 59 en 62.

[111] Schulze-Gavernitz, “Britischer Imperialismus”, S. 320 e.v.

[112] Sartorius von Waltershausen, “Das Volkswirtschaftliche System enz.”, Berlin 1907, Buch IV.

[113] Schilder, c., S. 393.

[114] Schulze-Gävernitz, “Britischer imperialismus”, S. 122.

[115] “Die Bank”, 1911, 1. S. 10 en 11.

[116] Hobson, c.p. 103, 205, 144, 335, 386.

[117] Gerhard Hildebrand. “Die Erschütterung der Industrieherrschaft und des Industriesozialismus”, Jena 1910, S. ’?99 e.v.

[118] Schulze-Gävernitz, “Britischer Imperialismus”, S. 301.

[119] “Statistik des deutschen Reichs”, Band 211.

[120] Henger, “Die Kapitalsanlage der Franzosen” Stuttgart, 1913.

[121] Hourwich, “Immigration and Labour”, New York 1913.

[122] “Briefwechsel zwischen Friedrich Engels und Karl Marx”, 11, S. 290, IV, S. 2433; — K. Kautsky: “Sozialismus und Kolonialpolitik”, Berlin 1907, S. 79; deze brochure werd nog geschreven in de oneindig veraf gelegen tijd, toen Kautsky marxist was.

[123] Zie F. Engels “De toestand van de arbeidersklasse in Engeland”, Moskou 1956 blz. 44.

[124] Het Russische sociaal-chauvinisme van de heren Patressow, Tsjchenkeli, Maslow enz. ontsproot zowel in zijn openlijke als in zijn verkapte vorm (de heren Tsjcheidze, Skobelew, Axelrod, Martov e.a.) eveneens uit de Russische variatie van het opportunisme, namelijk dat van de liquidators.