Patrice Lumumba

Laatste brief

(aan zijn vrouw Pauline)



Geschreven: November 1960
Vertaling: Simon Degraeve
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, januari 2007


November 1960

Mijn liefste compagnon,

Ik schrijf je deze woorden zonder te weten of ze je zullen bereiken, wanneer ze je zullen bereiken en of ik in leven zal zijn wanneer je ze zal lezen.

Tijdens mijn strijd voor de onafhankelijkheid van mijn land heb ik géén enkel moment getwijfeld aan de definitieve zege van de heilige zaak waaraan mijn metgezellen en ik ons hele leven hebben gewijd.

Maar wat wij voor ons land wilden, zijn recht op een eerbaar leven, aan een vlekkeloze waardigheid, aan een onafhankelijkheid zonder beperkingen, hebben het Belgische kolonialisme en zijn westerse bondgenoten — die rechtstreekse en indirecte steun hebben gevonden, opzettelijk en niet-beraadslaagd, onder bepaalde hoge ambtenaren van de Verenigde Naties, deze instantie waarin wij al ons vertrouwen hebben geplaatst wanneer wij op haar bijstand een beroep hebben gedaan — nooit gewild.

Zij hebben sommige van onze landgenoten omgekocht, zij hebben ertoe bijgedragen de waarheid te vervormen en onze onafhankelijkheid te besmeuren. Wat kan ik anders zeggen?

Dood, levend, vrij of in de gevangenis op bevel van de kolonialisten, het is niet mijn persoon die telt.

Het is Congo, het is ons arm volk van wie men de onafhankelijkheid in een kooi heeft veranderd, vanwaar men ons van de buitenkant bekijkt, soms met dit vrijwillige medelijden, soms met vreugde en plezier.

Maar mijn vertrouwen zal rotsvast blijven. Ik weet en ik voel vanuit mijn diepste binnenste dat mijn volk zich vroeg of laat van al zijn binnenlandse en buitenlandse vijanden zal ontdoen, dat het als één enkel man zal opstaan om nee te zeggen aan het degraderende en schandelijke kapitalisme, en om zijn waardigheid onder een zuivere zon te hernemen.

Wij zijn niet alleen.

Afrika, Azië en de vrije en bevrijde volkeren van alle hoeken van de wereld zullen zich altijd aan de kant van miljoenen Congolezen bevinden, die de strijd slechts zullen opgeven de dag dat de kolonisatoren en hun huurlingen niet meer in ons land zullen zijn.

Aan mijn kinderen die ik verlaat, en die ik misschien niet meer zal weerzien, ik wil dat men zegt dat de toekomst van Congo mooi is en dat die van hen verwacht, zoals die van elke Congolees verwacht, om de heilige taak van de wederopbouw van onze onafhankelijkheid en soevereiniteit te vervullen, want zonder waardigheid is er geen vrijheid, zonder rechtvaardigheid is er geen waardigheid en zonder onafhankelijkheid zijn er geen vrije mensen.

Noch de bruutheid, de mishandelingen, de folteringen hebben me er ooit toe gebracht om gratie te vragen, want ik verkies met opgeheven hoofd te sterven, met onwrikbaar geloof en diep vertrouwen in het lot van mijn land, eerder dan te leven in de onderschikking en de minachting van heilige principes.

De geschiedenis zal eens zijn woord zeggen, maar het zal niet de geschiedenis zijn die men in Brussel, Washington, Parijs of aan de Verenigde Naties zal onderwijzen, maar deze die men in de landen zal onderwijzen die bevrijd zijn van het kolonialisme en van zijn marionetten.

Afrika zal zijn eigen geschiedenis schrijven, en zij zal in het noorden en het zuiden van de Sahara een geschiedenis van roem en waardigheid zijn.

Huil niet om me, mijn liefste. Ik weet dat mijn land, dat zo lijdt, zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid zal kunnen verdedigen.

Leve Congo! Leve Afrika!