Rosa Luxemburg

Sociaaldemocratie en parlementarisme



Geschreven: 1904
Bron: Internationale Socialisten
Transcriptie: Pepijn Brandon
HTML: Adrien Verlee voor het Marxists Internet Archive, december 2005


I

De Rijksdag is weer bijeen onder veelzeggende omstandigheden. Enerzijds nieuwe onbeschaamde uitvallen van de reactionaire pers – van het kaliber zoals in Die Post – tegen het algemene kiesrecht, anderzijds duidelijke kentekenen van ‘parlementsmoeheid’ in de burgerlijke kringen zelf. Hierbij komt de steeds duidelijkere poging van de regering om het bijeenroepen van de Rijksdag tot kort voor het Kerstreces uit te stellen – dit alles een fraai voorbeeld van het snelle verval van het belangrijkste Duitse parlement en van de politieke betekenis ervan. Het is nu duidelijk, dat de Rijksdag hoofdzakelijk bijeenkomt om de stand van zaken goed te keuren, zoals een nieuw voorstel van het leger voor de koloniale oorlog in Afrika, de onvermijdelijke nieuwe eisen van de marine en de handelsverdragen die op de achtergrond op de loer liggen. Het zijn allemaal faits accomplis, resultaten van buitenparlementaire politieke factoren waarmee men de Rijksdag confronteert, opdat deze als automatische ja-knikker de kosten van deze buitenparlementaire politiek zal bestrijden. In hoe hoge graad de bourgeoisie deze beklagenswaardige rol van het parlement in vol bewustzijn en met volledige toewijding accepteert blijkt uit een klassieke opmerking in een links-liberaal Berlijns dagblad [1]. Voor de ongelooflijke militaire eisen om het leger met meer dan 10.000 man te versterken, hetgeen de komende vijf jaren 74 miljoen mark moet gaan kosten, en voor het gebruikelijke dreigement dat men anders tot een driejarige diensttijd zal moeten overgaan, een argument dat men de regering onder de neus houdt als een pistool, merkt deze krant met een stille zucht op: Aangezien de volksvertegenwoordiging zo iets niet kan wensen (de driejarige dienstplicht) ‘kan men reeds nu het voorgestelde legerbudget als aangenomen beschouwen’. En deze heldhaftige profetie van het liberalisme zal natuurlijk even netjes uitkomen als de berekening die er van uitgaat dat de burgerlijke parlementaire meerderheid zich op scandaleuze wijze zal verkopen. In het lot van de Duitse Rijksdag zien wij een belangrijk stuk geschiedenis van het burgerlijke parlementarisme. Het is van belang voor de arbeidersklasse dat zij een helder beeld heeft van de tendensen en innerlijke samenhang van dit parlementarisme.

Het is een historisch begrijpelijke, ja zelfs noodzakelijke illusie van de bourgeoisie - een bourgeoisie die strijdt om de macht en deze zelfs al heeft bereikt - dat hun parlement het centrale punt van het sociale leven zou zijn en de drijfkracht van de wereldgeschiedenis. Dit is een opvatting die leidt tot het beroemde ‘parlementaire cretinisme’, dat onder de zelfbevredigende woordenstroom van een paar honderd afgevaardigden in een burgerlijke wetgevende vergadering geen oog meer heeft voor de gigantische krachten in de wereldgeschiedenis; deze krachten bekommeren zich geenszins om de parlementaire wetgevers en oefenen daarbuiten in de schoot van de maatschappelijke ontwikkeling hun invloed uit. Het is evenwel juist dit spel van blinde, elementaire krachten in de ontwikkeling van de maatschappij, waaraan de burgerlijke klassen zelf zonder het te weten en te willen deelnemen, een spel dat uitloopt op het onafgebroken ondermijnen niet alleen van de ingebeelde betekenis van het burgerlijke parlementarisme, maar ook van de werkelijke betekenis die het kan hebben.

Het is namelijk het tweeledige effect van de internationale en de binnenlandse ontwikkeling dat leidt tot het verval van het burgerlijke parlement - en nergens kan met dit effect beter bestuderen dan in het lot van de Duitse Rijksdag. Het is boven alles de steeds machtigere wereldpolitiek van het laatste decennium, die het gehele economische en sociale leven van de kapitalistische landen in een kolk van onafzienbare, niet te controleren internationale invloeden meesleurt, waarin de burgerlijke parlementen als balken op een stormachtige zee heen en weer dobberen.

Maar bovendien dienen de binnenlandse ontwikkelingen van klassen en partijen ertoe om het burgerlijke parlement voor te bereiden op deze plooibaarheid en hulpeloosheid ten aanzien van de zuiging van de wereldpolitieke branding, ten aanzien van militarisme, marinisme en koloniale politiek.

Verre van een absoluut product te zijn van de democratische ontwikkeling, van de vooruitgang van het menselijke geslacht of van soortgelijk schoons, is het parlementarisme veeleer de bepaalde historische vorm van de klassenheerschappij der bourgeoisie en - dit is dan de keerzijde van deze heerschappij - van de strijd van de bourgeoisie tegen het feodalisme. Het burgerlijke parlementarisme blijft slechts zo lang in leven als de strijd tussen de bourgeoisie en het feodalisme duurt. Wanneer het inspirerende vuur van deze strijd dooft, verliest het parlementarisme vanuit burgerlijk standpunt zijn historische bestaansrecht. Maar sinds een kwart eeuw gaat de algemene tendens in de ontwikkeling van de kapitalistische landen in de richting van een compromis tussen bourgeoisie en feodalisme. Het uitwissen van de verschillen tussen de Whigs en de Tories in Engeland, tussen de republikeinen en de klerikale-monarchistische adel in Frankrijk zijn uitingen en producten van zo’n compromis. In Duitsland stond het compromis reeds aan de wieg van de burgerlijke klassenemancipatie, ja het smoorde zelfs het uitgangspunt van deze emancipatie - de Maartrevolutie - en verleende reeds vanaf het begin aan dit Duitse parlementarisme de verminkte vorm van miskraam, die voortdurend zweeft tussen leven en dood. Het conflict om de grondwet in Pruisen was het laatste oplaaien van de klassenstrijd van de Duitse bourgeoisie tegen de gehele feodale monarchie. Sindsdien gaat het parlementarisme uit van de volgende principes: de politieke overeenstemming van het parlement met de regering wordt niet zo geregeld als in Engeland, Frankrijk, Italië of de Verenigde Staten, waar de regering wordt gevormd uit de partij die de parlementaire meerderheid heeft, maar het vindt plaats volgens een precies omgekeerde methode, geheel conform de speciale Duits-Pruisische misère: elke burgerlijke partij, die de macht in de Rijksdag verkrijgt, wordt eo ipso (juist daardoor) regeringspartij, dat wil zeggen het werktuig van de feodale reactie. Ziet de lotgevallen van de nationaal-liberalen en van de centrumpartij!

Het zo volmaakt geworden compromis tussen feodalisme en bourgeoisie, dat, gezien vanuit historisch perspectief, het gehele parlementarisme tot een rudiment heeft gemaakt, tot een orgaan dat niet meer kan functioneren, dat compromis heeft met dwingende logica ook geleid tot al die nu zo opmerkelijke kentekenen van het parlementaire verval. Zo lang het klassenconflict tussen de bourgeoisie en de feodale monarchie voortduurde, was de open partijstrijd in het parlement hiervoor het meest geschikte middel. Maar tegenover de achtergrond van een voltooid compromis is daarentegen de burgerlijke partijstrijd volkomen zinloos. De belangenconflicten tussen de verschillende groepen van de heersende burgerlijk-feodale reactie worden niet meer door krachtmetingen in het parlement, maar in de vorm van een koehandel achter de coulissen van het parlement opgelost. Van de burgerlijke, openlijke parlementaire strijd zijn er dan niet langer enige klassen- en partijconflicten over, maar hoogstens, in achtergebleven landen, zoals Oostenrijk, nationale naijver, dat wil zeggen ruzies tussen klieken, waarvan de meest passende parlementaire vorm die van het schandaal, van het handgemeen is.

Met het afsterven van de burgerlijke partijstrijd verdwijnen ook de natuurlijke organen ervan: de markante persoonlijkheden uit het parlement, de grote sprekers en de grote redevoeringen. De polemische redevoeringen als parlementair strijdmiddel hebben slechts betekenis voor een strijdende partij die steun zoekt bij het volk. De rede in het parlement is in wezen altijd een rede ‘door het raam heen’. Of men nu de koehandel in de coulissen beschouwt als de normale manier om conflicten op te lossen op grondslag van het burgerlijk-feodale compromis, polemische redevoeringen zijn niet alleen volmaakt nutteloos, maar kunnen zelfs averechts werken. Vandaar de wrevel van de burgerlijke partijen over ‘het vele gepraat’ in de Rijksdag, vandaar het verlammende gevoel van zinloosheid, dat als een loden last hangt boven de spreekbeurten van de burgerlijke partijen en dat de Rijksdag in een doodse geesteloze woestijn verandert.

En tenslotte heeft het burgerlijk-feodale compromis zelfs de hoeksteen van het parlementarisme in twijfel getrokken - het algemene kiesrecht. Vanuit burgerlijk gezichtspunt had ook dit slechts historische zin als wapen in de strijd tussen de twee grote fracties van de bezittende klassen. Het was nodig voor de bourgeoisie om ‘het volk’ aan te wakkeren tot strijd tegen het feodalisme. Het was nodig voor het feodalisme om het platteland te mobiliseren tegen de industriestad. Toen het conflict was uitgelopen op een compromis, en toen uit de beide toetsstenen, stad en platteland, in de plaats van liberale en agrarische troepen iets anders werd gevormd - sociaaldemocratie - werd het algemene kiesrecht in het perspectief van burgerlijke-feodale heersende belangen nonsens.

Zo heeft dus het burgerlijke parlementarisme zijn historische ontwikkelingscyclus doorlopen en is nu gekomen op het punt van de zelf-negatie. Maar als oorzaak en gelijktijdig als gevolg van het lot van deze bourgeoisie heeft de sociaaldemocratie vaste voet gekregen in het land en in het parlement. Als dan het parlementarisme voor de kapitalistische maatschappij elke inhoud heeft verloren, dan is dit nu daarentegen een van de machtigste en meest onmisbare strijdmiddelen voor de opkomende arbeidersklasse. Het is een van de belangrijkste taken van de sociaaldemocratie om het parlementarisme te redden van de bourgeoisie en tegen de bourgeoisie.

Een zo geformuleerde taak schijnt een tegenspraak te bevatten. Maar, zegt Hegel, ‘het is de tegenspraak die ons verder brengt’. De tegenstrijdige taak van de sociaaldemocratie jegens het burgerlijke parlementarisme is de taak om deze afbrokkelende ruïne van burgerlijk-democratische heerlijkheid zodanig te beschermen en te stutten, dat het tegelijk de ondergang van de hele burgerlijke maatschappelijke structuur, en ook de machtsovername van het socialistische proletariaat bespoedigt.

II

Binnen onze rijen stuit men vaak op de opvatting, dat een onomwonden uiteenzetting over het innerlijke verval van het burgerlijke parlementarisme en een openlijke scherpe kritiek op het parlementarisme een politiek waagspel zou zijn, omdat men daardoor het volk een verkeerd beeld zou inprenten van de waarde van het parlementarisme en zodoende de reactie in de kaart zou spelen bij haar pogingen om het algemene kiesrecht te torpederen.

Hij die verbonden en vertrouwd is met de gedachtewereld van de sociaaldemocratie ziet al gauw de fout van zulke overwegingen in. Nimmer kan men de sociaaldemocratie, of enige democratie, dienen door het verdoezelen van de feitelijke verhoudingen voor het volk. Diplomatieke foefjes kunnen hier en daar misschien deugen voor kleine parlementaire schaakzetten van burgerlijke groepjes. De grote wereldhistorische beweging van de sociaaldemocratie kent geen andere middelen dan openheid tot elke prijs en oprechtheid jegens de grote massa. Het diepste wezen van de sociaaldemocratie, de historische roeping ervan, bestaat immers juist uit het bijbrengen van bewustzijn van de sociale en politieke drijfveren van de burgerlijke ontwikkeling aan het proletariaat, zowel in grote lijnen als in alle bijzonderheden.

Speciaal met betrekking tot het parlementarisme is het noodzakelijk om een zo helder mogelijke opvatting te hebben over de werkelijke oorzaken van zijn verval, oorzaken die met keiharde logica volgen uit de burgerlijke ontwikkeling, indien men het klassenbewuste proletariaat wil kunnen waarschuwen voor de gevaarlijke misvatting dat men de burgerlijke democratie en de oppositie in het parlement langs kunstmatige weg in leven zou kunnen houden door een leniging en afzwakking van de sociaaldemocratische klassenstrijd.

De uiterste consequenties van het toevlucht nemen tot deze methode om het parlementaire systeem te redden beleven we juist nu in Frankrijk, namelijk de ministeriële tactiek van Jaurès. Deze berust op een dubbele truc. Allereerst op de truc om in arbeiderskringen overdreven verwachtingen en illusies over positieve resultaten te verspreiden, die de arbeiders van het parlement zouden kunnen verwachten. Het burgerlijke parlement wordt niet alleen geprezen als het instrument bij uitstek voor de sociale vooruitgang en rechtvaardigheid, voor de verheffing van de arbeidersklasse, voor de vrede in de wereld en dergelijke wonderwerken; maar men maakt het zelfs tot het uitverkoren middel om het einddoel van het socialisme te verwezenlijken. Op deze manier worden alle verwachtingen, al het streven en de hele aandacht van de arbeidersklasse op het parlement geconcentreerd.

De tweede truc bestaat eruit om in het parlement zelf alle inspanningen van de socialistische ministers er op te richten, om de macht van het zielige dode overblijfsel van de burgerlijke democratie te handhaven en in leven te houden. Om dit doel te bereiken verloochent men helemaal de klassentegenstellingen van de proletarische tegenover de burgerlijk-democratische politiek, men doet afstand van socialistische oppositie, en tenslotte treden Jaurès’ socialisten in hun parlementaire tactiek op als burgerlijke democraten van het zuiverste water.

Alleen door het socialistische stempel en - door een grotere bescheidenheid — onderscheiden zich deze verklede democraten van de werkelijke democraten. Het is nauwelijks mogelijk om tot meer zelfverloochening of tot een grotere opoffering van het socialisme te komen voor het altaar van het burgerlijk parlementarisme. En wat is het resultaat?

Het noodlottige effect van de tactiek van Jaurès op de arbeidersklasse: het uiteenvallen van de arbeidersorganisaties, begripsverwarring, demoralisering bij de socialistische parlementsleden, is algemeen bekend. Maar wij willen hier slechts wijzen op de consequenties die deze tactiek heeft voor het parlementarisme zelf. Die consequenties zijn uiterst fataal. De burgerlijke democraten, de republikeinen en de ‘radicalen’ hebben allesbehalve aan kracht of aan jeugd gewonnen in hun politiek, en wat erger is, zij hebben alle achting en respect voor het socialisme verloren, dat voor hen vroeger althans nog een ruggesteun betekende. Maar nog veel gevaarlijker is een ander symptoom, dat pas onlangs naar voren is getreden, namelijk de toenemende teleurstelling van de Franse arbeiders over het parlementaire stelsel.

De overdreven illusies, die de frasenpolitiek van Jaurès bij het proletariaat heeft opgewekt, moeten natuurlijk leiden tot een heftige terugslag, en dit heeft in feite niet alleen ertoe geleid dat de Franse arbeiders voor een groot deel niet langer willen horen spreken over ‘Jaurèsisme’, maar ook dat zij nu lak hebben aan het parlement en aan alles wat met politiek te maken heeft.

Nog onlangs verscheen het anders zo verstandige en nuttige orgaan van het jonge Franse marxisme, ‘Mouvement Socialiste’ met een verrassende serie artikelen, waarin men voor de arbeiders predikt dat zij afstand moeten nemen van het parlementarisme en zich in plaats hiervan meer moeten wijden aan vakverenigingswerk, terwijl het blad beweert dat het ‘ware revolutionisme’ bestaat uit een zuiver economische strijd. Tegelijkertijd kwam er een andere socialistische krant uit in de provincie, ‘Le Travailleur de l'Yvonne’ met een nog origineler idee: deze verklaarde dat de actie van het proletariaat voor het parlementarisme volkomen vruchteloos is en tot corruptie moet leiden; daarom moest men liever afzien van het kiezen van socialistische afgevaardigden en alleen bijvoorbeeld burgerlijke radicalen naar het parlement sturen.

Dat zijn dus de schone vruchten van de actie van Jaurès om het parlementarisme te redden: een toenemende afkeer bij het volk voor elk soort van parlementaire actie, en een neiging tot het anarchisme: het grootste reële gevaar voor het parlement en voor het bestaan van de gehele republiek.

In Duitsland is het onder de huidige omstandigheden ondenkbaar, dat de praktijk van het socialisme zozeer zou kunnen afwijken van de principes van klassenstrijd. Maar de uiterste gevolgen, waartoe de tactiek in Frankrijk heeft geleid, kunnen dienen als een duidelijke waarschuwing voor de gehele internationale arbeidersbeweging, namelijk dat zij niet moet trachten met zulke methodes het wankelende burgerlijke parlementarisme overeind te houden. De juiste methode is niet om de proletarische klassenstrijd te verdoezelen of af te gelasten, maar juist andersom om hier zoveel mogelijk de nadruk op te leggen, zowel in het parlement als daarbuiten. Voor dat doel moet de buitenparlementaire actie van het proletariaat versterkt worden, en de actie in het parlement van onze afgevaardigden moet een bepaalde gestalte aannemen.

In directe tegenstelling met de foutieve opvatting van de tactiek van Jaurès verdedigt men de fundamenten van het parlement het best en het zekerst door een tactiek te kiezen, die niet alleen bruikbaar is binnen het parlement, maar die tevens is gericht op de directe actie van de massa van het proletariaat. Het gevaar voor het algemene kiesrecht wordt kleiner als wij aan de heersende klassen duidelijk kunnen maken, dat de eigenlijke macht van de sociaaldemocratie niet afhangt van het optreden van de parlementariërs in het parlement, maar dat deze berust bij het volk zelf, ‘op straten en pleinen’, en dat de sociaaldemocratie in noodgeval het volk zowel wil als kan mobiliseren voor een directe verdediging van de politieke rechten. Daarmee bedoelen we niet, dat het voldoende is bijvoorbeeld een algemene staking zo te zeggen in het achterzakje te hebben als een soort wondermiddel voor alle politieke eventualiteiten. De politieke algemene staking is stellig een van de belangrijkste uitingen van massa-actie van het proletariaat, en de Duitse arbeidersklasse moet zich aanwennen om zonder hoogmoed of vooringenomen doctrinaire opvattingen dit middel in overweging te nemen. Het is tot dusver alleen in Romaanse landen als een effectief strijdmiddel toegepast, maar zou ook een poging waard kunnen zijn in Duitsland. Het is echter veel belangrijker, dat wij onze agitatie en onze pers zodanig inrichten, dat de arbeidersmassa steeds meer wordt aangewezen op eigen actie en dat deze massa de strijd in het parlement niet beschouwt als het middelpunt van het politieke leven.

Nauw hiermee verbonden is het vraagstuk van de tactiek in het parlement. Men moet zich duidelijk voor ogen stellen dat de schitterende campagnes van onze parlementariërs en hun opvallende rol bij elke parlementszitting immers het resultaat zijn van het totaal ontbreken van een waardige burgerlijke democratie en oppositie. Tegenover de reactionaire meerderheid wint de sociaaldemocratie het gemakkelijk, omdat zij de enige consequente en betrouwbare representant is van het algemeen belang en van de algemene vooruitgang op alle gebieden van het openbare leven. Maar deze eigenaardige situatie betekent ook dat de sociaaldemocratie de taak heeft om niet alleen op te treden als representant van een oppositionele partij, maar ook als representant van een revolutionaire klasse. Met andere woorden: de fractie krijgt als taak kritiek te leveren op de politiek van de heersende klassen vanuit het standpunt van de ogenblikkelijke belangen van het volk, dat wil zeggen vanuit het standpunt van de bestaande maatschappij, maar tevens wordt het haar taak om voortdurend de heersende klassen te confronteren met het socialistische maatschappij-ideaal, dat torenhoog uitsteekt boven de meest radicale burgerlijke politiek.

En of nu het volk bij elk parlementair debat volkomen kan worden overtuigd, dat de verhoudingen in de maatschappij van vandaag er aanmerkelijk verstandiger zouden uitzien, progressiever en economisch voordeliger zouden zijn indien de wensen en de voorstellen van de sociaaldemocratie in acht zouden worden genomen, toch moet het volk in toekomstige parlementaire debatten nog met veel meer nadruk overtuigd worden, dat het noodzakelijk is om deze gehele maatschappelijke structuur omver te werpen, wil het socialisme verwezenlijkt kunnen worden.

In het laatste nummer van ‘Sozialistische Monatshefte’ schrijft een van de Italiaanse leiders van de opportunisten, Bissolati, in een artikel over de Italiaanse verkiezingen o.a. de volgende zin: ‘Naar mijn mening is het een bewijs van de achterlijkheid van het politieke leven, dat de strijd van de respectievelijke partijen nog steeds gaat over principiële kwesties. In plaats daarvan zou men moeten strijden om de vragen die van werkelijk actueel belang zijn en daarbij deze grondprincipes tot uitdrukking laten komen.’ Uiteraard doet deze typische redenatie van een opportunist de waarheid geweld aan. Juist met de ontwikkeling en het sterker worden van de sociaaldemocratie wordt het steeds noodzakelijker, dat zij met name in het parlement zich niet begraaft in vraagstukken van de dag en uitsluitend oppositie bedrijft, maar dat zij in plaats hiervan haar ‘fundamentele beginselen’ krachtig onderstreept: de strijd voor de machtsovername van het proletariaat, die zal leiden tot de socialistische omwenteling.

Hoe krachtiger het parlement galmt van de gezonde grootste agitatie voor haar minimale eisen en voor het socialistische einddoel, in krasse tegenstelling tot de triviale nuchtere toon en platvloerse zakelijkheid, des te meer zal het parlement in de achting van de volksmassa stijgen. Des te groter zal de garantie worden dat de volksmassa’s niet stilzwijgend zullen afwachten totdat dit platform en het algemene kiesrecht hen door de reactie zal worden ontrukt.

Voetnoten

[1] Sächsische Arbeiterzeitung, 5 en 6 december 1904