Rosa Luxemburg
Massastaking, partij en vakbonden


5. Lessen uit de Russische klassenstrijd voor Duitsland

Nu is het de vraag in hoeverre alle lessen die we uit de Russische massastakingen kunnen trekken op Duitsland van toepassing zijn.

De maatschappelijke en politieke verhoudingen, de ontwikkelingsgeschiedenis en de ontwikkelingsgraad van de arbeidersbeweging in Duitsland en in Rusland zijn heel en al verschillend. Zelfs schijnen op het eerste gezicht de hierboven aangehaalde inwendige wetten van de Russische massastakingen enkel het product van specifiek Russische toestanden, die voor het Duitse proletariaat helemaal niet in aanmerking komen. Tussen de politieke en de economische strijd in de Russische revolutie bestaat het nauwste innerlijk verband, hun eenheid komt tot uiting in de periode van de massastakingen. Is dat misschien eenvoudig het gevolg van het Russische absolutisme? In een staat waar elke vorm en elke uiting van de arbeidersbeweging verboden, waar de eenvoudigste staking een politieke misdaad is, moet ook noodzakelijkerwijze elke economische strijd tot politieke strijd uitgroeien.

Verder, wanneer omgekeerd de allereerste uitbarsting van de politieke revolutie een algemene afrekening van de Russische arbeiders met hun werkgevers na zich sleepte, zo is dat wederom het gevolg van het feit dat de Russische arbeider tot dan toe op het laagste peil van levensonderhoud stond en nog nooit een regelmatige economische strijd voor de verbetering van zijn bestaansvoorwaarden gevoerd had. Het proletariaat in Rusland moest zich uit de allergrofste verknechting losworstelen, geen wonder dus dat het, zodra de revolutie de eerste frisse adem in de stiklucht van het absolutisme had ingeblazen, met jeugdige overmoed zich daartoe inspande. En ten slotte is het stormachtige revolutionaire verloop van de Russische massastakingen, evenals hun overwegend spontaan elementair karakter, enerzijds uit de politieke achterlijkheid van Rusland af te leiden, uit de noodzakelijkheid eerst het oosters despotisme omver te werpen, anderzijds uit het gebrek aan organisatie en scholing van het Russisch proletariaat.

In een land waar de arbeidersklasse 30 jaar ondervinding in het politieke leven, een 3 miljoen sterke partij en een kwart miljoen syndicaal georganiseerde kerntroepen heeft, kan de politieke strijd, kunnen de massastakingen onmogelijk hetzelfde stormachtig, elementair karakter aannemen als in een halfbarbaarse staat, die pas de sprong uit de middeleeuwen in de moderne burgerlijke orde maakt. Dit is de gangbare voorstelling van diegenen die de graad van rijpheid van de maatschappelijke verhoudingen van een land willen afleiden uit de zin van zijn geschreven wetten.

Onderzoeken we de gestelde vragen één voor één.

Om te beginnen is het verkeerd de aanvang van de economische strijd in Rusland pas vanaf het uitbreken van de revolutie te dateren. In werkelijkheid zijn de stakingen en de loonkampen in het eigenlijke Rusland sedert het begin van de negentiger jaren, in Russisch-Polen zelfs sedert het einde van de tachtiger jaren, hoe langer hoe minder van de dagorde geweest en hadden tenslotte het faktisch burgerrecht veroverd. Hadden ze meermaals brutale tuchtmaatregelen tot gevolg, ze behoorden niettemin tot de alledaagse gebeurtenissen. Er bestond immers al in 1891 in Warschau en Lodz bv. een voorname algemene stakingskas, en het dwepen met de vakbonden heeft in deze jaren in Polen voor korte tijd zelfs die ‘economische’ illusies geschapen, die in Petersburg en in het overige gedeelte van Rusland enkele jaren later in ruime mate verspreid waren. [3]

Eveneens ligt er veel overdrijving in de voorstelling als zou de proletariër in het tsarenrijk voor de revolutie eenvoudigweg op het levensniveau van een pauper gestaan hebben. De nu in de economische als in de politieke strijd ijverigste en werkzaamste lagen van de grootindustrie- en grootstadarbeiders, stonden wat betreft hun stoffelijk levensniveau nauwelijks veel lager dan de overeenkomstige lagen van het Duitse proletariaat, en in menige bedrijven treft men in Rusland gelijke, ja zelfs hier en daar hogere lonen aan dan in Duitsland. Ook vanuit het oogpunt van arbeidsduur zal het verschil tussen de grootnijverheidsbedrijven van hier en ginds bijna onbeduidend zijn. Bijgevolg zijn de voorstellingen die rekening houden met een vermeend materieel en cultureel helotendom van de Russische arbeiders min of meer uit de lucht gegrepen. Alleen het feit van de revolutie en de overwegende rol die het proletariaat erin speelde moest bij nader toezicht al deze voorstelling tegenspreken. Met paupers worden geen omwentelingen van zulke politieke rijpheid en klaarheid van directieven gemaakt, en de in de voorhoede van de strijd staande Petersburgse- en Warschause-, Moskouse- en Odessaer industriearbeider staat cultureel en geestelijk veel dichter bij het West-Europese type dan gemeend wordt door hen die in het burgerlijk parlementarisme en de regelrechte vakbondspraktijk de enige en onontbeerlijke cultuurschool van het proletariaat zien.

De moderne grootkapitalistische ontwikkeling van Rusland en de vijftien jaar lange geestelijke inwerking van de sociaaldemocratie, die de economische strijd aanmoedigde en leidde, hebben ook buiten de uiterlijke waarborgen van de burgerlijke rechtsorde een degelijk stuk cultuurarbeid volbracht.

Het contrast wordt echter nog geringer wanneer we langs de andere kant iet of wat dieper op het werkelijke levensniveau van de Duitse arbeiders ingaan. De grote politieke massastakingen hebben in Rusland vanaf het eerste ogenblik de breedste lagen van het proletariaat opgezweept en in koortsachtige economische strijd gestort. Nu bestaan er in Duitsland niet heel duistere uithoeken in het bestaan van de arbeiders, waar tot nog toe het koesterende licht van de vakbonden slechts schaars binnendringt, hele lagen die tot nog toe niet of tevergeefs langs de weg van de dagelijkse loonstrijd zich uit het sociale helotendom trachten te verheffen?

Nemen we de mijnwerkersellende. In de eindeloze aaneenschakeling van werkdagen, in de kille atmosfeer van de parlementaire eentonigheid in Duitsland — zoals overigens ook in de andere landen, zelfs in het land van belofte van de vakbonden, in Engeland — uit zich de loonstrijd van de mijnwerkers bijna niet anders dan van tijd tot tijd in geweldige losbarstingen, in massastakingen met typisch elementair karakter. Dit toont juist aan dat de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid hier sterker en geweldiger gesteld wordt dan wanneer ze zich onder de vorm van rustige, planmatige, partiële vakbondsmanoeuvers verbrokkelen laat.

Deze mijnwerkersellende echter, met zijn eruptieve bodem, reeds in ‘normale’ tijden een onweershoek van de grootste heftigheid, moest zich in Duitsland bij elke gewichtige politieke massa-actie van de arbeidersklasse, bij iedere sterke ruk die het tegenwoordige maatschappelijk evenwicht van het alledaags maatschappelijk gebeuren verstoort, onvermijdelijk en onmiddellijk in een geweldigen economische strijd ontladen.

Nemen we verder de textielarbeidersellende. Ook hier geven de verbitterde en meestal doodlopende uitbarstingen van de loonstrijd, die het Vogtland om het paar jaar doorwoedt, slechts een zwakke voorstelling van de heftigheid waarmee de grote samengebalde massa van de heloten van het gekartelleerde textielkapitaal bij een politiek treffen, bij een krachtige, stoutmoedige massa-actie van het Duitse proletariaat, losbreken zou.

Nemen we nog de huisarbeid-ellende, de confectie-arbeidersellende, de elektriciteitsarbeidersellende, louter onweershoeken, waarin des te zekerder bij iedere politieke luchtschok in Duitsland, geweldige economische gevechten zullen ontstaan, hoe zeldzamer het proletariaat hier anders, in rustige tijden, de strijd aanbindt en hoe vruchtelozer het telkens strijdt, hoe brutaler het door het kapitaal gedwongen wordt tandenknarsend onder het slavenjuk terug te keren.

Nu komen echter grote categorieën van het proletariaat ter sprake, die bij normaal verloop van het politiek gebeuren in Duitsland, van alle mogelijkheid tot geordende economische strijd tot verbetering van hun bestaan en van elk gebruik van het verenigingsrecht volstrekt uitgesloten zijn. Voor alles noemen we de schitterende ellende van spoorweg- en postbeambten als voorbeeld. Immers, voor deze staatsarbeiders zijn midden in de parlementaire rechtsstaat Duitsland echt Russische toestanden in zwang. Wel degelijk Russische zoals die enkel voor de revolutie onder de ongestoorde heerlijkheid van het absolutisme bestonden. Al bij de grote oktoberstaking 1905 stond de Russische arbeider in het nog formeel absolutistische Rusland, met betrekking tot zijn economische en maatschappelijke bewegingsvrijheid, torenhoog boven de Duitser. De Russische spoorwegarbeider en postbediende hebben zich werkelijk het verenigingsrecht stormenderhand veroverd, en hoewel voor het ogenblik het ene rechtsgeding op het andere volgt, en het gerechtelijk ingrijpen aan de dagorde is, vermag niets en niemand meer de innerlijke samenhang van hun veroveringen te breken.

Het ware echter een volstrekt valse psychologische berekening zo men met de Duitse reactie aannam dat de kadavergehoorzaamheid van de Duitse spoorwegarbeiders en postbedienden eeuwig duren zal, dat zij een rots is die door niets aangetast kan worden. Hoewel de Duitse vakbondsleiders zich aan de bestaande toestanden zodanig gewend hebben dat ze ongeroerd door deze in heel Europa bijna ongeëvenaarde smaad, met enige voldoening de resultaten van de vakbondsstrijd in Duitsland overschouwen kunnen, toch zal zich die diep verborgen, lang verkropte opstandigheid van de staatsslaven in uniform onvermijdelijk een uitweg zoeken bij een algemene opstand van het industrieproletariaat.

En als de industriële voorhoede van het proletariaat door massastakingen voor verdere politieke rechten strijdt of de oude wil verdedigen, moet de grote troep spoorwegarbeiders en postbedienden zich noodzakelijkerwijze bewust worden van zijn bijzonder smadelijke toestand en eindelijk eens ter bevrijding van die extra portie Russisch absolutisme, dat voor hen speciaal in Duitsland is voorbehouden, de strijd aanbinden.

De pedante opvatting, die de grote volksbewegingen naar schema en recept regelen wil, denkt in de verovering van het verenigingsrecht voor de Duitse spoorwegarbeiders de noodzakelijke voorwaarde te zien om aan een massastaking in Duitsland ‘te mogen denken’. Het werkelijke en natuurlijke verloop van de gebeurtenissen kan slechts omgekeerd zijn: alleen uit een krachtige, spontane massastakingsactie kan praktisch het verenigingsrecht voor spoorwegarbeiders en postbedienden geboren worden. En die bij de huidige toestanden in Duitsland onoplosbare taak zal onder de indruk en de druk van een algemene politieke massa-actie van het proletariaat plots haar mogelijkheden en haar oplossing vinden.

En eindelijk het aanzienlijkste en het gewichtigste: de landarbeidersellende. Waar de Engelse vakbonden enkel uit industriearbeiders bestaan, zo is dat bij het specifieke karakter van de Engelse staathuishoudkunde, bij de geringere rol van het landbouwbedrijf in heel het economische leven, eer een begrijpelijk verschijnsel.

In Duitsland kan een vakbondsorganisatie, zij ze nog zo prachtig uitgebouwd, als ze enkele industriearbeiders omvat, slechts een zwak en onvolledig beeld geven van de toestand van het proletariaat in zijn geheel. Het ware echter weerom een gevaarlijke illusie te denken dat de toestanden op het platteland onveranderlijk en onbeweeglijk zijn, dat èn de onvermoeibare voorlichtingsarbeid van de sociaaldemocratie en nog meer de hele inwendige klassenpolitiek van Duitsland niet bestendig de uiterlijke leidzaamheid van de landarbeiders bewerken, en dat bij een voorkomende grotere algemene klassenactie van het Duits industrieproletariaat, tot welk doel ook ondernomen, ook het plattelandsproletariaat niet in opstand komt. Dit kan zich echter natuurlijkerwijze enkel uiten bij een algemene economische stormloop, in geweldige massastakingen van de landarbeiders.

Zo komt ons het beeld van de voorgewende economische superioriteit van het Duitse over het Russische proletariaat heel anders voor, als we het oog van de tabel van de syndicaal georganiseerde industrie- en handwerkersbranche op de grote groepen van het proletariaat richten die buiten de economische strijd staan, of wiens bijzondere economische toestand zich niet binnen het enge kader van de alledaagse syndicale klein-oorlog prangen laat. We zien dan het ene uitgestrekte gebied na het andere waar de toespitsing van de tegenstellingen de uiterste grens heeft bereikt, waar de springstof in overvloed opgehoopt is, waar zeer veel ‘Russisch absolutisme’ in zijn naakte vorm aanwezig is en waar economisch de allerelementairste afrekeningen met het kapitaal nog te maken zijn. Al die oude rekeningen zouden dan bij een algemene politieke massa-actie onvermijdelijk aan de heersende klasse worden voorgelegd. Een kunstmatig geschikte geïsoleerde demonstratie van het stedelijke proletariaat, een louter uit tucht en naar de dirigeerstok van een partijleiding uitgevoerde massastakingsactie kan de bredere volkslagen vrijwel koel en onverschillig laten.

Een werkelijke, uit een revolutionaire situatie geboren, krachtige en onverbiddelijke strijdactie van het industrieproletariaat echter, zou onvermijdelijk op dieperliggende lagen inwerken, en juist al diegene, die in normale rustige tijden buiten de dagelijkse syndicale strijd staan, meeslepen in een stormachtige economische veldslag.

Komen we echter op de georganiseerde voorhoede van het Duitse nijverheidsproletariaat terug, en houden we anderzijds ook de door de Russische arbeiders naar voren gebrachte doelstellingen voor ogen, zo komen deze ons niet voor als eisen waarop de Duitse oudste vakbonden met reden zouden kunnen neerzien als op afgedragen kinderschoenen.

Zo is de gewichtigste algemene eis van de Russische massastaking sinds 22 januari 1905, de 8-urendag, zeker geen overwonnen standpunt voor het Duits proletariaat, veeleer in de meeste gevallen een schoon en ver ideaal. Hetzelfde geldt voor de strijd tegen het ‘huisherenstandpunt’, voor de strijd om arbeidersvertegenwoordiging in alle fabrieken, om de afschaffing van de huisarbeid in het handwerk, om de afschaffing van het stukwerk, om volledige doorvoering van de zondagsrust, om erkenning van het verenigingsrecht. Ja, bij nader toezien zijn meerdere economische strijdobjecten van het Russisch proletariaat in de huidige revolutie, ook voor het Duits proletariaat hoogst actueel en raken louter zieke plekken van het arbeidersbestaan aan.

Voor alles volgt hieruit dat de zuiver politieke massastaking, waarmee men bij voorkeur omspringt, ook voor Duitsland een dood theoretisch schema is. Indien de massastakingen zich uit een revolutionaire gisting langs de natuurlijke weg als een vastberaden politieke strijd van de stedelijke arbeiders voordoen, zo zullen ze even natuurlijk, juist zoals in Rusland, in een aaneenschakeling van elementaire economische kampen omslaan.

De vrees van de vakbondsleiders als zou de strijd om economische belangen in een periode van stormachtige politieke strijd, in een periode van massastakingen, eenvoudig opzijgeschoven en de kop worden ingedrukt, berust op een fantastische, schoolmeesterachtige voorstelling van het verloop van de gebeurtenissen. Een revolutionaire periode zou veeleer ook in Duitsland het karakter van de syndicale strijd wijzigen en hem zo versterken dat de huidige guerrilla van de vakbonden hierbij kinderspel zou lijken. En anderzijds zou ook uit dit elementaire economische massastakings tempeest de politieke strijd weer nieuwe aandrift en frisse kracht scheppen. De wisselwerking tussen economische en politieke strijd, die de innerlijke drijfveer van de huidige massastakingen in Rusland en tegelijk om zo te zeggen het regelende mechanisme van de revolutionaire actie van het proletariaat vormt, zou even natuurlijk ook in Duitsland uit de verhoudingen zelf ontstaan.


Voetnoten

[3] Roland Holst begaat daarom een werkelijke vergissing wanneer ze in de voorrede tot de Russische uitgave van haar boek over de massastaking meent dat “het proletariaat in Rusland, bijna vanaf het opkomen van de grootnijverheid, met de massastaking vertrouwd was, om de eenvoudige reden dat partiële stakingen onder de druk van het absolutisme onmogelijk bleken.” (Zie Neue Zeit, nr. 33, 1906). Het omgekeerde was veeleer het geval. Zo zei ook de verslaggever van het vakbondenkartel van Petersburg op de 2e conferentie van de Russische vakbonden in februari 1906 bij de aanvang van zijn referaat: “Gezien de samenstelling van de conferentie die ik hier voor me zie is het onnodig eerst aan te tonen dat onze vakbondsbeweging niet een product is van de ‘liberale’ periode van Vorst Swiatopolk-Mirski (in 1904: R.L.) of op 22 januari ll. zou ontstaan zijn, zoals sommigen trachten te beweren. De vakbondsbeweging heeft veel diepere wortels, zij is onafscheidbaar vergroeid met het hele verleden van onze arbeidersbeweging. Onze vakbonden zijn alleen nieuwe organisatievormen voor de leiding van de economische strijd, die het Russische proletariaat al tientallen jaren voert. Zonder ons al te zeer in de geschiedenis te verdiepen mag men wel zeggen dat de economische strijd van de Petersburgse arbeiders, min of meer georganiseerde vormen aanneemt sinds de gedenkwaardige stakingen van de jaren 1896 en ‘97. De leiding van deze strijd, goed gecombineerd met de leiding van de politieke strijd, was het werk van de sociaaldemocratische organisatie die de Petersburgse vereniging tot de strijd om de bevrijding van de arbeidersklasse heette en die na de conferentie van 1898 herdoopt word in Petersburgse comité van de Russische sociaaldemocratische arbeiderspartij. Er wordt een ingewikkeld systeem van fabrieks-, wijk- en voorgeborchte-organisaties opgebouwd, dat de centrale door talloze draden met de arbeidersmassa verbindt en haar in staat stelt op alle vereisten van de arbeiders door vlugschriften te reageren. De mogelijkheid is geschapen de stakingen te ondersteunen en te leiden.” — Noot van Luxemburg