Rosa Luxemburg

Ons program



Geschreven: 1918
Bron: Te Elfder Ure, nr. 7 en 8, 1971
Vertaling: onbekend
Deze versie: Spelling en punctuatie. De tekst in TEU is een gedeelte. De volledige tekst is hier (Engels) te lezen
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee voor het Marxists Internet Archive, november 2005


Rede gehouden op het oprichtingscongres van de Communistische Partij van Duitsland (Spartacusbond) van 29 december tot 31 december 1918 te Berlijn. [1]

Partijgenoten! Wanneer wij ons vandaag aan de taak zetten om ons program te bespreken en aan te nemen, dan ligt daaraan meer ten grondslag dan de formele omstandigheid, dat wij ons gisteren als een zelfstandige nieuwe partij hebben geconstitueerd en dat een nieuwe partij officieel een program moet aanvaarden. De bespreking vandaag van het program berust op grote historische gebeurtenissen, nl. op het feit dat wij voor een moment staan waarop het sociaaldemocratische, socialistische program van het proletariaat überhaupt een nieuwe basis moet krijgen. Partijgenoten, daarbij nemen wij de draad op, die Marx en Engels precies zeventig jaar geleden in Het Communistisch Manifest hebben ontrold. Het Communistisch Manifest zag het socialisme, de realisering van de socialistische einddoelen, zoals jullie weten, als de directe taak van de proletarische revolutie. Het was de opvatting die Marx en Engels in de revolutie van 1848 huldigden en ook in internationaal verband als grondslag voor de proletarische actie beschouwden. Toen geloofden zij beide en met hen alle leidende personen in de proletarische beweging, dat men direct voor de taak stond het socialisme in te voeren. Daartoe was het noodzakelijk om de politieke revolutie door te voeren, zich van de politieke macht in de staat meester te maken, om het socialisme stante pede tot levende werkelijkheid te maken. Nadien brachten Marx en Engels zelf, zoals jullie weten, een ingrijpende wijziging in dit standpunt aan. In het eerste voorwoord bij het Communistisch Manifest, van 1872, dat nog door Marx en Engels samen ondertekend is (opgenomen in de uitgave van het K.M. van 1894), zeggen zij over hun eigen werk:

“Deze passage” — nl. het slot van hoofdstuk II, waar de praktische maatregelen die noodzakelijk zijn voor de doorvoering van het socialisme worden beschreven — “zou thans in menig opzicht anders luiden. Gezien de ontzaglijke ontwikkeling die de grootindustrie in de laatste vijfentwintig jaar heeft doorgemaakt, en de mét haar toenemende partijorganisatie van de arbeidersklasse, gezien de praktische ervaringen, eerst van de februarirevolutie [2] en nog veel meer die van de Parijse Commune [3], toen voor de eerste maal het proletariaat twee maanden lang de politieke macht in handen had, is dit program thans op bepaalde punten verouderd. Met name heeft de Commune het bewijs geleverd dat ‘de arbeidersklasse de staatsmachine die zij aantreft, niet zomaar eenvoudig in bezit kan nemen en voor haar eigen doeleinden in beweging zetten’.” [4]

En hoe luidt deze passage, die verouderd genoemd werd? Dat lezen wij in het Communistisch Manifest op p. 23 als volgt:

“Het proletariaat zal zijn politieke heerschappij gebruiken om de bourgeoisie stuk voor stuk alle kapitaal te ontrukken, alle productie-instrumenten in handen van de staat, d.w.z. van het als heersende klasse georganiseerde proletariaat te centraliseren en de omvang van de productiekrachten zo snel mogelijk te vermeerderen.
Dit kan aanvankelijk natuurlijk alleen geschieden door middel van despotische ingrepen in het eigendomsrecht en in de burgerlijke productieverhoudingen, door maatregelen dus die economisch onvoldoende en onhoudbaar lijken, maar die in de loop der ontwikkeling boven zichzelf uitgroeien en als middelen om de hele productiewijze om te wentelen, onvermijdelijk zijn. Deze maatregelen zullen natuurlijk al naar gelang de verschillende landen verschillen.
In de hoogstontwikkelde landen zullen evenwel de volgende maatregelen vrijwel algemeen toegepast kunnen worden:


1) Onteigening van de grondeigendom en besteding van de grondrente voor staatsuitgaven.
2) Sterk progressieve belasting.
3) Afschaffing van het erfrecht.
4) Verbeurdverklaring van de eigendom van alle emigranten en rebellen.
5) Centralisatie van het krediet in handen van de staat door een nationale bank met staatskapitaal en volstrekt monopolie.
6) Centralisatie van het transportwezen in handen van de staat.
7) Vergroten van het aantal nationale fabrieken, productie-instrumenten, ontginning en verbetering van de landbouwgronden volgens een gemeenschappelijk plan.
8) Gelijke arbeidsplicht voor allen, vorming van industriële legers vooral voor de landbouw.
9) Bundeling van het landbouw- en industriebedrijf, toewerken naar de geleidelijke opheffing van het verschil tussen stad en platteland.
10) Openbare en kosteloze opvoeding van alle kinderen. Afschaffing van de kinderarbeid in fabrieken in zijn huidige vorm. Versmelting van de opvoeding met de materiële productie enz.” [5]

Zoals jullie zien zijn dit, afgezien van enkele punten, dezelfde taken als waarvoor wij thans direct staan: de doorvoering, verwezenlijking van het socialisme.

Tussen de tijd waarin dat program, dat wij zojuist aanhaalden, opgesteld werd, en nu liggen zeventig jaar van kapitalistische ontwikkeling, en de historische dialectiek heeft er toe geleid dat wij thans tot de opvatting terugkeren die Marx en Engels achteraf als foutief hebben verlaten. Zij hadden haar destijds op goede gronden als foutief verlaten. De ontwikkeling van het kapitaal die inmiddels plaatsvond, heeft ons op het punt gebracht, dat wat destijds een vergissing was, thans waarheid is geworden; de taak die wij thans direct te vervullen hebben, is dezelfde als waarvoor Marx en Engels in 1848 stonden. Tussen dat moment in de ontwikkeling, het begin, en onze huidige opvatting en taak ligt evenwel de hele ontwikkeling niet alleen van het kapitalisme, maar ook van de socialistische arbeidersbeweging en in de eerste plaats de beweging in Duitsland als het leidende land van het moderne proletariaat. De ontwikkeling vond plaats in een specifieke vorm. Nadat Marx en Engels na de ontgoochelingen van de revolutie van 1848 het standpunt hadden prijsgegeven dat het proletariaat onmiddellijk direct in staat was het socialisme te verwerkelijken, ontstonden in ieder land sociaaldemocratische, socialistische partijen, die een totaal ander standpunt innamen. De kleine en dagelijkse strijd op politiek en economisch gebied werd tot directe taak verklaard om stap voor stap eerst de legers van het proletariaat te vormen, die geroepen zullen zijn het socialisme te verwerkelijken, als de kapitalistische ontwikkeling hiertoe rijp is. Deze ommekeer, deze totaal andere grondslag waarop het socialistisch program werd geplaatst, kreeg met name in Duitsland een zeer typische vorm. In Duitsland was immers tot aan haar ineenstorting op 4 augustus [6] het program van Erfurt [7] norm voor de sociaaldemocratie. In dit program stonden de zogenaamde dichtstbijzijnde minimumtaken primair en werd het socialisme louter als leidster in de verte, als einddoel voorgesteld. Maar niet wat in het program geschreven staat is belangrijk, maar alles komt er op aan hoe men het programma in de levende werkelijkheid interpreteert; en voor de interpretatie van het program was een belangrijk historisch document voor onze arbeidersbeweging maatgevend, te weten het beroemde voorwoord dat Friedrich Engels in 1895 bij Klassenkämpfe in Frankreich [8] schreef. Partijgenoten, ik ga niet uit louter historische belangstelling op deze vraagstukken in, maar het is een zuiver actuele kwestie en een historische plicht waarvoor wij staan, wanneer wij ons programma op de grondslag plaatsen waarop eens Marx en Engels in 1848 stonden. In het licht van de veranderingen, die de historische ontwikkeling inmiddels teweeggebracht heeft, hebben wij de plicht, volstrekt duidelijk en bewust een herziening aan te brengen in de opvatting die in de Duitse sociaaldemocratie tot aan haar ineenstorting op 4 augustus richtinggevend was. Deze herziening moet hier officieel worden aangebracht.

Partijgenoten, hoe zag Engels het probleem in dat beroemde voorwoord bij de Klassenkämpfe in Frankreich van Marx, dat hij in 1895, dus reeds na de dood van Marx, schreef? Terugblikkend op het jaar 1848 zette hij eerst uiteen dat de opvatting dat de socialistische revolutie direct voor de deur stond, achterhaald is. Dan zet hij zijn beschrijving voort:

“De geschiedenis heeft ons allen, die soortgelijk dachten, in het ongelijk gesteld. Zij heeft duidelijk gemaakt dat het economisch ontwikkelingsniveau op het continent toen bij lange na niet rijp was om de kapitalistische productie op te heffen. Zij bewees dit door de economische omwenteling, die zich vanaf 1848 van het hele vasteland meester gemaakt heeft en de grootindustrie in Frankrijk, Oostenrijk, Hongarije, Polen en in de jongste tijd Rusland pas werkelijk ingeburgerd heeft, van Duitsland echter een waarlijk industrieland van de eerste rang gemaakt heeft — alles op kapitalistische grondslag, een grondslag die in 1848 nog in hoge mate voor uitbreiding vatbaar was”. [9]

Vervolgens zet hij uiteen hoe alles sedertdien is veranderd en komt hij te spreken over de vraag hoe in Duitsland de taken van de partij eruit zien:

“De oorlog van 1870/71 en de nederlaag van de Commune hadden, zoals Marx had voorspeld, het zwaartepunt van de Europese arbeidersbeweging inmiddels van Frankrijk naar Duitsland verplaatst. In Frankrijk had men uiteraard jaren nodig voor men zich van de aderlating van mei 1871 had hersteld. In Duitsland daarentegen, waar de industrie, die bovendien door de milde regen van de Franse miljarden [10] nog kunstmatig was gestimuleerd, zich steeds sneller ontwikkelde, groeide de sociaaldemocratie nog sneller en aanhoudender. Dankzij het inzicht waarmee de Duitse arbeiders van het in 1866 ingevoerde algemeen kiesrecht gebruik maakten, ligt de verbazingwekkende groei van de partij in onaantastbare cijfers voor de hele wereld ter inzage.” [11]

Dan volgt de beroemde opsomming, hoe wij in aantal groeiden met iedere Rijksdagverkiezing tot meer dan een miljoen en daaruit trekt Engels de volgende conclusie:

“Met deze succesvolle methode om het algemeen kiesrecht te benutten was echter een geheel nieuwe strijdmethode van het proletariaat opgekomen, die spoedig verder vervolmaakt werd. Men ontdekte dat de staatsinstellingen waarin de heerschappij der bourgeoisie zich organiseert, nog meer aanknopingspunten bieden, door middel waarvan de arbeidersklasse deze staatsinstellingen kan bestrijden. Men nam deel aan de verkiezingen van de landdagen van de afzonderlijke deelstaten, de verkiezingen voor de gemeenteraden, de arbeidsgerechtshoven, men betwistte de bourgeoisie iedere positie bij de bekleding waarvan een voldoende deel van het proletariaat meesprak. En zo kwam het dat bourgeoisie en regering op een gegeven moment de legale actie van de arbeiderspartij veel meer vreesden dan de illegale, veel meer vreesden voor de uitkomsten van de verkiezingen dan voor een opstand.” [12]

In aansluiting hierop laat Engels een uitvoerige kritiek volgen op het waandenkbeeld als zou het proletariaat onder modern kapitalistische verhoudingen überhaupt op straat door middel van revolutie iets kunnen bereiken. Ik geloof dat het thans, nu wij midden in de revolutie, in een straatrevolutie met alles wat daarbij hoort, staan, tijd is om die opvatting aan een kritisch onderzoek te onderwerpen; die opvatting die in de Duitse sociaaldemocratie tot op het laatst officieel gangbaar was en er medeverantwoordelijk voor is dat wij de vierde augustus 1914 hebben beleefd.

(Zeer goed!)

Ik wil daarmee niet zeggen dat Engels zich persoonlijk door deze uiteenzettingen medeschuldig aan de hele ontwikkelingsgang in Duitsland gemaakt heeft. Ik zeg alleen: hier ligt een klassiek document waarin men in bondige vorm de opvatting vindt die in de Duitse sociaaldemocratie leefde, of beter: die haar dood maakte. Hier, partijgenoten, zet Engels jullie met alle deskundigheid, waarover hij ook op het gebied van de krijgskunde beschikte, uiteen dat het pure illusie is te menen dat het werkende volk bij de huidige ontwikkeling van het militarisme, de industrie en de grote steden straatrevoluties kan maken en daarin de overwinning behalen. Deze contrapositie had tweeërlei tot gevolg: ten eerste werd zo de parlementaire strijd als tegenstelling tot de revolutionaire actie van het proletariaat en zonder meer als enige methode van de klassenstrijd beschouwd. Wat uit deze kritiek resulteerde was het alleen-maar-parlementarisme in zijn zuivere vorm. Ten tweede werd merkwaardigerwijze juist de machtigste organisatie van de klassenstaat: het militarisme, de massa van de in soldatenpak gestoken proletariërs, als bijvoorbaat immuun en hermetisch afgesloten voor iedere socialistische invloed voorgesteld. En als er in het voorwoord sprake van is dat het bij de huidige ontwikkeling van de reusachtige legers waanzinnig zou zijn te denken dat het proletariaat tegen deze soldaten, die met machinegeweren en de nieuwste technische strijdmiddelen uitgerust zijn, ooit iets zou kunnen uitrichten, dan gaat dit klaarblijkelijk van de vooronderstelling uit dat, wie soldaat is, eens en voor altijd een steunpilaar van de heersende klassen moet blijven — een vergissing die als men haar in het licht van de tegenwoordige ervaring bekijkt en bij een man, die aan het hoofd van onze beweging stond, volkomen onbegrijpelijk zou zijn als men niet zou weten onder welke feitelijke omstandigheden het aangehaalde historische document ontstond. [13] Tot eer van onze beide grote leermeesters en met name van de veel later gestorven Engels, die mede de eer en de opvattingen van Marx vertegenwoordigde, moet worden vastgesteld dat Engels dit voorwoord zoals bekend onder de directe druk van de toenmalige Rijksdag fractie schreef. Het was in de tijd dat zich in Duitsland — na de afschaffing van de socialistenwet [14] in het begin van de jaren ‘90 — binnen de Duitse arbeidersbeweging een sterk links gerichte stroming deed voelen, die wilde verhoeden dat de partijgenoten volledig in de louter parlementaire strijd zouden opgaan. Om de radicale elementen theoretisch te verslaan en praktisch onder de duim te houden, om de aandacht van de grote massa’s door het gezag van onze grote leermeesters van hen af te leiden, hebben Bebel c.s. — dat was ook kenmerkend voor de toestanden in onze partij in die tijd: de parlementaire fractie in de Rijksdag besliste intellectueel en tactisch over het lot en de taken van de partij — hebben Bebel c.s. Engels die in het buitenland leefde en op hun verzekeringen moest afgaan, ertoe geprest dat voorwoord te schrijven, omdat het op dat moment dringend noodzakelijk zou zijn de Duitse arbeidersbeweging voor anarchistische ontsporingen te behoeden. Van toen af aan beheerste deze opvatting werkelijk de Duitse sociaaldemocratie in heel haar doen en laten, totdat wij de schone belevenis van 4 augustus 1914 kregen. Het was de proclamatie van het alleen-maar-parlementarisme. Nu heeft Engels de resultaten, de praktische gevolgen van de toepassing van zijn voorwoord, van zijn theorie niet meer beleefd. Ik ben er zeker van: als men de werken van Marx en Engels kent, als men de levende revolutionaire, authentieke, onvervalste geest kent, die uit al hun stellingen en geschriften ademt, dan kan men niet anders dan ervan overtuigd zijn, dat Engels de eerste geweest zou zijn, die tegen de afdwalingen, die uit het alleen-maar-parlementarisme voortkwamen, tegen het in het moeras [15] verzinken en de verloedering van de arbeidersbeweging, zoals die in Duitsland reeds decennia vóór de vierde augustus plaats greep — de vierde augustus kwam immers niet uit de lucht vallen als een onvoorziene wending, maar was een logisch gevolg van wat wij dag in dag uit, jaar in jaar uit meegemaakt hebben -,

(Zeer juist! )

dat Engels, en zo hij geleefd had Marx, de eersten geweest zouden zijn om hiertegen met alle kracht te protesteren en met krachtige hand het schip te keren opdat het niet in het moeras zou belanden. Maar Engels stierf in hetzelfde jaar waarin hij zijn voorwoord schreef. Wij verloren hem in 1895. Sedertdien ging de theoretische leiding uit handen van Engels, helaas in die van ene Kautsky over, en vanaf dat moment zijn wij getuige van het verschijnsel dat ieder verzet tegen het alleen-maar-parlementarisme, een verzet dat op ieder partijcongres van links kwam, gedragen door een grotere of kleinere groep kameraden, die een taaie strijd voerden tegen het verder wegzakken in het moeras, waarvan de dreigende gevolgen ieder duidelijk moesten worden — dat elk verzet van dien aard werd bestempeld als anarchisme, anarcho-socialisme of minstens als anti-marxisme. Het officiële marxisme werd als dekmantel gebruikt voor iedere kleinzielige berekening, voor ieder afwenden van de werkelijk revolutionaire klassenstrijd, voor iedere halfheid, die de Duitse sociaaldemocratie en de arbeidersbeweging in het algemeen, ook de vakbeweging, ertoe veroordeelde om binnen het raam en op de grondslag van de kapitalistische maatschappij weg te kwijnen, zonder er ernstig naar te streven de maatschappij te schokken en uit haar voegen te brengen.

Nu, partijgenoten, thans beleven wij het moment waarop wij kunnen zeggen: wij zijn weer terug bij Marx, onder zijn banier. Als wij thans in ons program verklaren: de enige directe taak van het proletariaat is - kort gezegd — het socialisme tot werkelijkheid te maken, in daad om te zetten en het kapitalisme met wortel en tak uit te roeien, dan staan wij op de grondslag waarop Marx en Engels in 1848 stonden en waarvan zij principieel nooit afgeweken zijn. Thans blijkt wat het ware marxisme is en wat dit surrogaat-marxisme was

(Zeer goed!)

dat als officieel marxisme in de Duitse sociaaldemocratie zo lang de toon aangaf. Aan de vertegenwoordigers van dit marxisme zien jullie waartoe het vandaag de dag is verworden, als rechterhand en hulpknecht van de Eberts, Davids en konsoorten. Daar zien wij de officiële vertegenwoordigers van de leer, die men bij ons gedurende tientallen jaren heeft laten doorgaan voor het ware onvervalste marxisme. Nee, het marxisme leidde er niet toe om samen met de Scheidemannen contrarevolutionaire politiek te bedrijven. Het ware marxisme bestrijdt ook diegenen die het trachtten te vervalsen, het wroette als een mol onder de fundamenten van de kapitalistische maatschappij, en het heeft er toe geleid dat thans het beste deel van het Duitse proletariaat onder onze vlag, onder de stormvlag van de revolutie marcheert en wij ook aan gindse zijde, waar de contrarevolutie nog schijnt te heersen, onze aanhangers en toekomstige medestrijders hebben.

Partijgenoten, geleid door de loop der historische dialectiek en verrijkt met de hele inmiddels afgelegde zeventigjarige kapitalistische ontwikkeling, staan wij thans weer, zoals ik reeds zei, op de plaats waar Marx en Engels in 1848 stonden, toen zij voor de eerste maal de banier van het internationale socialisme ontrolden. Destijds, toen men de fouten, de illusies van 1848 aan een herziening onderwierp, meende men dat het proletariaat nog een oneindig lange weg had af te leggen voordat het socialisme werkelijkheid zou kunnen worden. Natuurlijk, serieuze theoretici hebben zich nooit verwaardigd enigerlei termijn aan te geven waarop het kapitalisme noodzakelijk en honderd procent zeker ineen zou storten. Maar globaal stelde men zich de af te leggen weg als nog zeer lang voor, en dat spreekt uit iedere regel van het voorwoord dat Engels in 1895 schreef.

Thans kunnen wij de balans opmaken. Was het geen zeer korte tijdsperiode in vergelijking met de ontwikkeling van de vroegere klassenstrijd? 70 jaar van grootkapitalistische ontwikkeling volstonden om ons zo ver te brengen dat wij er thans ernst mee kunnen maken het kapitalisme uit de wereld te helpen. Ja, meer nog: wij zijn thans niet alleen in staat deze taak te vervullen, zij is niet alleen onze plicht tegenover het proletariaat, maar afgezien daarvan, is de vervulling ervan de enige redding voor het voortbestaan van de mensenmaatschappij.

(Levendige bijval)

Want, partijgenoten, wat heeft deze oorlog anders van de burgerlijke maatschappij overgelaten dan een geweldige puinhoop? Formeel liggen nog alle productiemiddelen en ook zeer vele machtsmiddelen, bijna alle beslissende machtsmiddelen, in handen van de heersende klassen: daarover maken wij ons geen illusie. Maar behalve de krampachtige pogingen om de uitbuiting door bloedbaden weer te herstellen, is het enige wat zij daarmee kunnen uitrichten: anarchie. Zij zijn zover, dat het dilemma waarvoor de mensheid thans staat, luidt: ofwel ten ondergaan in de anarchie ofwel redding door het socialisme. De burgerlijke klassen kunnen onmogelijk een uitweg uit de gevolgen van de wereldoorlog vinden op de basis van hun klassenheerschappij en het kapitalisme. En zo is het gekomen dat wij de waarheid, die juist Marx en Engels voor het eerst als wetenschappelijke basis voor het socialisme in dat grote document, Het Communistisch Manifest, uitgesproken hebben: “Het socialisme zal een historische noodzaak worden”, thans in de meest letterlijke zin van het woord beleven. Het socialisme is een noodzaak geworden, niet alleen omdat het proletariaat niet meer onder bestaansvoorwaarden wil leven, die de kapitalistische klassen voor hem scheppen, maar omdat, als het proletariaat zijn klassenplicht niet vervult en het socialisme niet verwezenlijkt, wij allen gezamenlijk zullen ondergaan. [16]

(Levendige bijval)

Welnu, partijgenoten, dat is de algemene grondslag, waarop ons programma is gebouwd, dat wij thans officieel aannemen en waarvan jullie het ontwerp in de brochure “Wat wil de Spartacusbond?” hebben leren kennen. Het staat in bewuste tegenstelling tot het standpunt waarop het programma van Erfurt tot dusver staat, in bewuste tegenstelling tot het onderscheiden van de zg. directe minimumeisen voor de politieke en economische strijd enerzijds en het socialistisch einddoel als maximum anderzijds. In bewuste tegenstelling daarmee liquideren wij de resultaten van de laatste zeventig jaar van de ontwikkeling en m.n. het directe gevolg van de wereldoorlog, door te zeggen: voor ons bestaat er geen minimum- en geen maximumprogram; het socialisme is een en hetzelfde; dat is het minimum naar de verwezenlijking waarvan wij thans moeten streven.

Voetnoten

[1] Rede zum Programm verscheen voor het eerst bij de uitgeverij Rote Fahne, Berlijn 1919. Voor deze vertaling gebruikten wij de op deze uitgave gebaseerde tekst in: Rosa Luxemburg, Schriften zur Theorie der Spontaneität, Hamburg 1970, (RoRoRo Klassiker, Texte des Sozialismus und Anarchismus, no. 249 — 251) pp. 195-203. (Noot van de [TEU-] red.)

[2] De burgerlijke revolutie van 1848 in Frankrijk, waarbij het huis Orléans werd verjaagd en de tweede Franse republiek (1848-1851) werd geproclameerd.

[3] Opstand van de Parijse kleinburgerij en het proletariaat, 18 maart tot 28 mei 1871.

[4] Vgl. Karl Marx en Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest, twaalfde druk, Amsterdam 1971, p. 10.

[5] Karl Marx en Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest, t.a.p., p. 65-66.

[6] Op 4 augustus 1914 stemde de SPD-fractie in de Rijksdag voor de oorlogskredieten en verloochende daarmee het pacifistische standpunt van de IIe Internationale.

[7] Op het partijcongres van de SPD in oktober 1891 te Erfurt werd het program van Erfurt aangenomen. Het ontwerp stamde van Karl Kautsky. Het program werd gekritiseerd door Friedrich Engels. Zie hiervoor Marx/Engels Werke, Berlijn (DDR) 1970, dl. 22, pag. 225 e.v.

[8] Klassenkämpfe in Frankreich, 1848 bis 1850 werd door Marx geschreven in de eerste helft van 1850; herdrukt in MEW, tap., dl. 7, p. 9 e.v. De inleiding die Engels in 1895 voor een heruitgave van dit werk schreef is te vinden in MEW, dl. 22, p. 509 e.v.

[9] MEW dl. 22, t.a.p., p. 515.

[10] Bij het vredesverdrag na de Frans-Duitse oorlog van 1870/71 werd Frankrijk behalve tot het afstaan van de Elzas en een deel van Lotharingen, verplicht tot het betalen van een oorlogsschatting van 5 miljard francs.

[11] MEW dl. 22, t.a.p., p. 517.

[12] MEW dl. 22, t.a.p., p. 519.

[13] Wat ook Rosa Luxemburg nog niet kon weten was, dat dit voorwoord door K. Kautsky verminkt was, terwijl het protest van Engels daartegen geheim werd gehouden. Zie hiervoor MEW dl. 22, t.a.p., noot 433, p. 644-645.

[14] De socialistenwet werd in 1878 door Bismarck uitgevaardigd tegen de Duitse sociaaldemocratie. Deze werd hiermee buiten de wet gesteld, socialistische verenigingen werden verboden, arbeiderskranten onderdrukt enz. De Sociaal-Demokratische Arbeiders Partij bleef illegaal werkzaam en zag ondanks de moeilijke situatie kans haar ledental te vergroten. De socialistenwet werd in 1891 opgeheven.

[15] Moeras (Sumpf): uitdrukking door Rosa Luxemburg tevens gebruikt om het centrum van de partij (de plaats waar Kautsky en Bebel bij voorkeur vertoefden) aan te duiden.

[16] “Voor Duitsland had zij een profetisch woord gesproken, helaas! Nog geen vijftien jaar nadien greep het Hitler-fascisme er de macht die de arbeidersklasse zich had laten ontglippen”. P. de Groot, Rosa Luxemburg, onvergetelijke strijdster voor het socialisme, Amsterdam 1971, p. 11.