Ernest Mandel

Voorlopige regeringsbalans


Geschreven: mei 1962
Bron: Links nr. 14, 26 mei 1962
Transcriptie: Valeer Vantyghem
Deze versie: spelling
HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, september 2008

Laatste bewerking: 30 september 2008


Zie ook:
Het ABVV en de fiscale hervorming

De bespreking van het ontwerp fiscale hervorming is zo goed als beëindigd — in de Kamercommissie van Financiën. Nu komt nog het debat in de algemene vergadering, de discussie in de Senaatscommissie van Financiën, het debat voor de Senaat, een eventuele tweede lezing in de Kamer: de kruisweg is nog niet ten einde. Maar reeds nu kan een voorlopige balans worden opgemaakt van de talrijke veranderingen die in het ontwerp werden opgenomen. Die veranderingen zijn bijna alle van dezelfde soort: zij verbeteren de posities van de bezitters, de maatschappijen, de burgerij en de rijken, terwijl geen enkel belangrijk amendement ten voordele van de arbeiders en bedienden werd aanvaard.

Het amendement Glinne en c.s.

Nochtans was er op dat gebied één amendement dat van bijzondere waarde is voor de werkende klasse. Het is het ontwerp van de linkse socialisten Glinne, Hurez, Cools, Massart en Terwagne om de barema’s van de belasting op het inkomen tot 140 — 150 000 F. per jaar aan de index te koppelen. Bij elk verhoging van de index met 5 % zouden de barema’s eveneens met 5 % worden verhoogd.

De betekenis van dit amendement verduidelijkt wanneer men bedenkt dat de netto voordelen die de doorsnee arbeider dank zij de fiscale hervorming zou verkrijgen reeds bij de eerste aanpassing van de lonen zouden teloor gaan, indien de barema’s van de inkomensbelasting niet aan de index worden gekoppeld.

Waarom koppeling van de belastingen aan de index?

Sinds al jaren strijden alle vakbonden gemeenschappelijk voor een koppeling van de barema’s van belasting op het inkomen aan de index. Het gaat hier om een maatregel van elementaire rechtvaardigheid. Immers een aanpassing van de lonen aan de gestegen index van levensduurte is geen loonsverhoging, maar enkel een maatregel voor de — laattijdige — verdediging van de koopkracht van het loon. De aanpassing betekent in het beste geval een behoud van het reële loon — en in geen geval een verhoging. Maar wanneer diezelfde aanpassing nu gepaard gaat met een verhoging van de belasting op het loon betekent dit dat de arbeider en bediende, bij elke aanpassing van zijn loon aan de gestegen index, een stuk inkomen inboet. Het is maar billijk dat dit verlies aan koopkracht wordt verhinderd door een koppeling van barema’s aan de index, hetgeen met zich meebrengt dat in geval van aanpassing van de lonen aan de index er niet meer belasting wordt afgehouden dan vroeger.

ACV en ABVV hebben op dit punt een jarenlange propaganda gevoerd. Die eis staat netjes opgetekend in het gemeenschappelijk memorandum van beide vakorganisaties ten overstaan van de fiscale hervorming. Maar in de Kamercommissie van Financiën hebben enkel 8 socialistische volksvertegenwoordigers op 40 (ondanks de weerstand van minister Tindemans) dat amendement goedgekeurd. Alle CVP’ers stemden tegen, incluis de heren christendemocraten.

Druk uitoefenen op BSP en christendemocraten

Het gaat er nu om, in de volgende dagen en weken de vakbonden en bedrijven in beweging te brengen, ten einde zoveel drukking uit te oefenen op de BSP en christendemocraten dat het amendement van de kdn. Glinne en anderen in algemene vergadering wordt goedgekeurd. Het Nationaal Comité van het ABVV komt volgende week bijeen om over de fiscale hervorming te beraadslagen. Alle vakverenigingen hebben de plicht, in die belangrijke kwestie een houding aan te nemen die beantwoordt aan de belangen van hun leden. In ledenvergaderingen, in algemeen vergaderingen, op de bedrijven moeten resoluties worden gestemd en afgevaardigden worden gestuurd naar BSP- en CVP volksvertegenwoordigers die in het Parlement in naam van de vakbonden spreken, om van hen te eisen dat het amendement Glinne en c.s. wordt aanvaard. Vooral de christendemocratische volksvertegenwoordigers moet men onder schot nemen. Men moet hen het vuur aan de schenen leggen door op grote schaal de resoluties te verspreiden die het ACV in die kwestie in het verleden heeft aangenomen. Na vier maanden eenzijdige concessies aan de bezitters eist de werkende klasse een minimum aan fiscale rechtvaardigheid, de bescherming van de koopkracht van haar loon door koppeling van de belastingsbarema’s aan de index: dit is het parool voor de volgende dagen.

Genoeg toegevingen

De regering zit natuurlijk verveeld met de hele kwestie. Maar dat is niet onze schuld, noch is het de schuld van de arbeiders en bedienden die het beu zijn te betalen in stede van de bezitters en de belastingsontduikers. Maar dit is precies de tussenbalans van de discussie over de fiscale hervorming. Het behoudsgezind blok van liberalen en CVP- ers heeft het ontwerp van fiscale hervorming in de Kamercommissie van Financiën dusdanig uitgehold, dat de hele economie van het ontwerp nu overhoop ligt. De door het ontwerp voorziene meerwaarden zijn tot minder dan de helft herleid. Maar intussen is de index van de kleinhandelsprijzen gestegen, — en staat een algemene aanpassing van de wedden van het overheidspersoneel dientengevolge voor de deur. De aanpassing zou betekenen, dat de fiscale hervorming praktisch geen fiscale meerwaarde meer oplevert.

Dit wederom zal dhr. Dequae er waarschijnlijk toe dwingen de verhoging van de overheidstaks — van de onrechtstreekse belastingen — die verleden jaar als ‘voorlopige’ maatregel werd aanvaard, en die aan de arbeiders en bedienden verschillende miljarden F. aan koopkracht heeft gekost! — met onbepaalde duur te verlengen. Dat maakt de kwestie van de stijgende levensduurte, van de index en van de barema’s van de belastingen op het inkomen des te gevoeliger voor de werkende mensen. Hetgeen in de praktijk betekent dat de miljarden die de behoudsgezinden in de Kamercommissie van Financiën voor de bezitters hebben teruggewonnen, door de kleine lieden zullen worden betaald. Om dit te verhinderen moet men met alle kracht ernaar sterven, het amendement Glinne en c.s. te doen stemmen.

Kolendirectorium en EGKS

Maar de fiscale hervorming is niet de enige schijn ‘structuurhervorming’ waarvan de voorlopige balans zeer ontgoochelend uitvalt. De ervaring met het Kolendirectorium opgedaan is niet veel beter.

Toen het ontwerp destijds op een partijcongres werd besproken hebben de advocaten van de regeringsdeelname beweerd, dat het Directorium in de praktijk alle voordelen van een nationalisatie oplevert, zonder dat men er de (financiële) nadelen van zou ondergaan. Intussen heeft de ervaring echter bewezen dat dit een zeer lichtvaardige en onverantwoordelijke bewering was.

Inderdaad: reeds tijdens het twistgesprek tussen de Belgische regering en de EGKS is gebleken dat er een hemelsbreed verschil bestaat tussen de poging om van regeringszijde prijzen en investeringen in de verschillende bedrijven van de steenkoolnijverheid te bepalen — hetgeen niet overeenstemt met de bepalingen van het verdrag tot oprichting van de EGKS — en de samensmelting van al die bedrijven in één enkele genationaliseerde maatschappij — met één enkel filiaal per gewest —, die vanzelfsprekend het recht heeft, haar eigen prijzen en investeringspolitiek te bepalen, voor zover zij niet binnen de Gemeenschappelijke Markt op een belangrijk gedeelte van die markt monopolistisch werkt, hetgeen in het geval van België natuurlijk uitgesloten is.

Ongerechtvaardigde mijnsluitingen

Maar dit is een zuiver juridisch twistpunt, zou men kunnen zeggen. Dit is geenszins het geval. Toen het Kolendirectorium voor de keus stond, nieuwe putten te sluiten, was het gedwongen niet de productieve rendabiliteit per put, maar de financiële rendabiliteit per maatschappij als criterium voor die sluitingen te aanvaarden. Dit leidde tot het absurd besluit, de mijn L’Espérance in de Borinage te sluiten, alhoewel de opbrengst per mijnwerker daar boven het gemiddelde ligt, en die sluiting daarmee te rechtvaardigen dat de kapitalistische trusts van de Borinage bij hun versmelting aan die enkele mijn al hun gemeenschappelijk financiële lasten hadden opgelegd, — terwijl zij vanzelfsprekend sommige van hun vette activa aan dezelfde gemeenschappelijke maatschappij hadden onttrokken.

Het gaat hier trouwens niet alleen om een ‘Waalse’ zaak. Er is sprake geweest, ook de mijn van Houthalen op basis van soortgelijke criteria te sluiten. Is het niet duidelijk, dat in geval van nationalisatie, een algemeen plan van rationalisatie kan worden uitgewerkt, waarbij wordt uitgegaan van werkelijk, fysieke rendabiliteit per put, en de financiële lasten over de hele nijverheid wordt verspreid, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met de vereisten van de regionale economie en de toestand in de onderontwikkelde of nog wegkwijnende gewesten van Vlaanderen en Wallonië niet wordt verergerd.