Ernest Mandel

Ben Bella en de socialistische linkerzijde

(antwoord aan Josse Van Eynde)


Geschreven: 1965
Bron: La Gauche nr. 26, 1965
Vertaling: Valeer Vantyghem
Oorspronkelijke titel: Ben Bella et la gauche socialiste
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, augustus 2007


De oorlog in Algerije voor onafhankelijkheid van het land (1954 — 1962) had de Europese linkerzijde grondig verdeeld. Te Parijs was de sociaaldemocraat Guy Mollet eerste minister. Hij voerde in Algerije een verbeten strijd tegen het FLN met aan het hoofd Ahmed Ben Bella, moorden, slachtpartijen en folteringen waren schering en inslag. Ook Frankrijk zelf kende een golf van repressie en uiterst rechtse terreur. Linkse intellectuelen (o.a. Jean-Paul Sartre) verzetten zich heftig tegen de regeringspolitiek. De communistische partij bleef passief en weigerde elke hulp aan het FLN. Enkel uiterst links ging over tot daadwerkelijke steun. De IVe Internationale zette in het noorden van Marokko een fabriek op waar geweren werden vervaardigd bestemd voor de Algerijnse verzetsstrijders. Er werd hand- en spandienst verleend ‘les porteurs des valisise’, valse identiteitsbewijzen gedrukt, enz.
Na de staatsgreep van generaal De Gaulle werd Algerije onafhankelijk en Ahmed Ben Bella de eerste president
.

In ‘Volksgazet’ [1] van 22 juni doet Josse Van Eynde een poging om de val van Ben Bella uit te spelen tegen de socialistische linkerzijde.

Hij beweert dat onder het bewind van Ben Bella er niks is overgebleven van de vrijheid en democratie waarvoor de strijders voor een onafhankelijk Algerije hadden gevochten. Iedere militant die meningsverschillen had met de dictator werd zonder mededogen geliquideerd. De concentratiekampen werden heropend, de vroegere vrienden van de dictator werden in de gevangenis opgesloten of verschenen voor het executiepeloton. En de socialistische linkerzijde die enkel misprijzen heeft voor die zwakkelingen, die ‘burgers’ die aan het hoofd staan van de socialistische partijen in West Europa heeft dat alles zonder kritiek geslikt. Ze bleven totaal zonder reactie tegenover de opsluitingen, de verbanningen, de terechtstellingen, terwijl de echte socialisten vroeger altijd iedere vorm van onderdrukking verworpen hebben en geprotesteerd hebben tegen iedere aanslag op de vrijheid.

Twee vervalsingen

Laten we even de interpretatie van de feiten voor wat die is. Echter, de feiten zelf, die Josse Van Eynde aanhaalt, zijn die op zijn minst wel juist? Geenszins! De ondervoorzitter van de BSP ziet zich verplicht om het ‘proces’ te kunnen maken van de socialistische linkerzijde een nog recent verleden ten minste op twee belangrijke punten te verdraaien.

Vooreerst is het onjuist dat Ben Bella in Algerije een regime vol terreur heeft ingesteld en dat hij al zijn vroegere vrienden naar het executiepeloton of naar de concentratiekampen heeft gestuurd.

Van alle revoluties tijdens de XX eeuw is de Algerijnse revolutie, vanaf het ogenblik dat het land onafhankelijk werd, de meest, het minst door bloedvergieten getekend.

Sinds juli 1962 [2] is er maar één tegenstander van Ben Bella gefusilleerd, en dan nog onder druk van het leger, tegen de wil van Ben Bella: kolonel Chabuani. Deze was ter dood veroordeeld omdat hij de wapens had opgenomen tegen de regering. Met welk recht dan protesteert Josse Van Eynde tegen deze ene doodstraf, hij die vlak na de bevrijding (van België in 1945) de wetten heeft gestemd waardoor het mogelijk werd om duizenden mensen in België terecht te stellen die de wapens tegen hun land hadden opgenomen?

Iedereen, te beginnen met Pierre Mendès-France [3], zeker geen doctrinair ‘gauchist’ en zelfs geen marxist, heeft de hoogstaande humane ingesteldheid van Ahmed Ben Bella geprezen. Ben Bella die er juist prat op ging dat hij in Algiers de afschuwelijke gevangenis Barberousse had gesloten. Dat er politieke repressie geweest is, niemand die dit ontkent. Dat ze zeer gematigd geweest is, veel gematigder dan in om het even welk ander land dat een periode heeft doorgemaakt van gewelddadige revolutionaire onrust (België inbegrepen in gelijkaardige periodes uit haar geschiedenis), dat zal niemand betwisten, de cijfers bij de hand.

Het is niet waar wat men beweert als zou de socialistische linkerzijde alles kritiekloos en totaal onverschillig hebben aanvaard wat Ben Bella tegen de principes van de democratie zou gedaan hebben.

Ons weekblad, dat men niet zonder reden verwijt dat het ‘doctrinair’ is, met andere woorden dat het vasthoudt aan haar principes, heeft meerdere malen protest aangetekend tegen maatregelen van Ben Bella die haaks stonden op de socialistische principes. Het had kritiek toen de Algerijnse Communistische Partij werd verboden want het is tegen het principe van de eenheidspartij. Het had kritiek toen verschillende tendensen van het FLN de toegang tot de pers werd ontzegd omdat het voorstander is van tendensrecht. Het denkt immers dat het verschil tussen de socialistische democratie en de burgerlijke democratie hieruit bestaat dat de persvrijheid waarvan de arbeiders genieten juist groter moet zijn en niet kleiner. Het had kritiek toen in de genationaliseerde sectoren van de industrie het stakingsrecht werd opgeheven omdat het meent dat dit recht moet gegarandeerd blijven zolang als er een staat en verschillende klassen bestaan.

Josse Van Eynde vertrekt in zijn polemiek dus vanuit een volledig vals en onjuist uitgangspunt.

Iets vergeten

Niet enkel verdraait Josse Van Eynde de feiten, hij liegt uit verzuim. Hij stelt de zaken voor alsof de linkse socialisten vol bewondering stonden voor de zogenaamde ‘efficiënte’ methodes toegepast door ‘dictator’ Ben Bella. Hij plaatst die tegenover de ‘methodes’ van de socialistische leiders in West Europa die de democratie en vrijheid hoog in het vaandel dragen. Hij vergeet hierbij een klein detail: in zijn vergelijking neemt hij geen acte van wat veranderd is aan de economische basis van de maatschappij, de voornaamste reden waarom de linkse socialisten hun enthousiaste steun verlenen aan Fidel Castro en Ben Bella.

Onze sympathie gaat naar Ben Bella, niet enkel omwille van zijn methodes, maar omwille van het feit dat hij het begin van een socialistische revolutie heeft gerealiseerd.

Ben Bella was aan de macht gekomen in een land dat nationaal was onderdrukt geweest en de economie koloniaal georganiseerd. Hij heeft de gronden van de heren aan de landarbeiders gegeven die deze gronden gedurende een halve eeuw met hun zweet en hun arbeid vruchtbaar hadden gemaakt. Hij heeft talrijke kapitalistische ondernemingen afgenomen en die aan de arbeiders gegeven die door hun labeur deze bedrijven voorspoedig hadden gemaakt. Hij heeft het principe afgekondigd dat de genationaliseerde bedrijven door de arbeiders zelf zouden worden beheerd. Hij heeft het principe afgekondigd dat binnen afzienbare tijd de genationaliseerde sector de overhand zou krijgen op de private sector. Hij heeft in een resolutie aan de immense meerderheid van het Algerijnse volk opgeroepen om een socialistische maatschappij uit te bouwen waar de uitbuiting van de ene door de andere zou gebannen worden.

Over het enthousiasme van de linkse socialisten voor Ben Bella dienen geen vragen te worden gesteld betreffende de ‘methode’. We mogen enkel de volgende vraag stellen: waar dan in West Europa hebben leiders van socialistische partijen, zelfs waar ze over een absolute meerderheid beschikken en sinds dertig jaar aan de macht zijn (zoals in Zweden) een gesocialiseerde sector in het leven geroepen die de overhand heeft binnen het economisch systeem, waar hebben ze de heerschappij van het Groot Kapitaal gebroken, waar hebben ze of zijn ze ook maar begonnen om de uitbuiting van de ene mens door de andere op te heffen?

Is het niet zo dat ondanks alle sociale vooruitgang die werd gerealiseerd, het fortuin, de economische macht en de winsten van de kapitalisten in heel West Europa onaangeroerd zijn gebleven, en dit sinds een halve eeuw? Is het niet zo dat met de realisatie van de droom van een nieuwe samenleving, gebouwd op gelijkheid, solidariteit en met de medewerking van allen, ook maar ergens begonnen is? Integendeel, men is begonnen met dit uit de socialistische programma’s te schrappen.

Daarom maken wij en blijven wij het proces maken van de leiders van deze partijen en niet omdat deze leiders gehecht zouden zijn aan de ideeën van democratie en vrijheid zoals Van Eynde leugenachtig beweert.

een monumentale schijnheiligheid

We zouden dan nog de opvattingen van Josse Van Eynde kunnen respecteren zo hij zei: ‘Ik veroordeel iedere vorm van onderdrukking, iedere aanslag op de vrijheid, zonder enige uitzondering, ik zou die zelfs niet dulden als een onvermijdelijk kwaad, ook al gaat het om een socialistische revolutie; dus reden genoeg om die in geen enkel ander geval te dulden’. Nu zou men hem principes kunnen toedichten, al waren ze utopisch (geen enkele revolutie heeft in de geschiedenis kunnen plaatsvinden zonder een minimum aan dwang en geweld, de revoluties inbegrepen waaruit de Belgische onafhankelijkheid is ontstaan of de Franse Revolutie waarvan Van Eynde geenszins de verdienste verwerpt, het weze geweten!)

Maar het prentje oogt minder leuk.

Van Eynde die zo gevoelig is voor en zo gehecht aan ‘principes’ wanneer hij kritiek levert op revoluties is heel wat minder streng wanneer hij bloedige contrarevoluties beoordeelt.

Vanaf november 1954 heeft de Algerijnse revolutie het hoofd moeten bieden aan een verschrikkelijke repressie, smerig en onmenselijk. Deze repressie heeft EEN MILJOEN doden gekost. Ze ging gepaard met revolterende martelpraktijken op grote schaal. Het strekt trouwens de linkse Franse intellectuelen tot eer dat ze zich moedig hebben verzet tegen deze praktijken.

Maar, toen dit voorviel werd Frankrijk bestuurd door een partijgenoot van Josse Van Eynde, Guy Mollet. De algemeen gevolmachtigde bestuurder in Algerije, direct verantwoordelijk voor deze repressie en deze martelpraktijken, was een andere lid van de SFIO [4], Robert Lacoste. We hebben geen enkel editoriaal gelezen, geen enkele regel van Josse Van Eynde, heel die periode, niet om deze misdaden tegen de menselijkheid te veroordelen, niet om kritiek te leveren op zijn vrienden Guy Mollet en Robert Lacoste. Ongetwijfeld dacht hij dat de ‘solidariteit onder socialisten’ meer waard was dan het veroordelen van iedere aanslag op de vrijheid, van iedere vorm van onderdrukking. Hij die nooit geprotesteerd heeft tegen de in beslagname van dagbladen onder dezelfde (Franse) regering, tegen het volledig opheffen van de vrijheden in Algerije, hoe durft hij het aan dezelfde ‘principes’ in te roepen wanneer het er om gaat om een authentieke socialistische revolutie door het slijk te sleuren?

Laten we het nu hebben over meer recente zaken: in Zuid-Vietnam bestaat geen, naar mijn weten, democratische regering (ware het een burgerlijke), met vrije verkiezingen, vrije syndicaten, vrije pers. Een reeks marionettenregeringen en militaire dictatoren zijn elkaar aan het hoofd van dit ongelukkige land opgevolgd. De arme boeren zijn in opstand gekomen toen dictator Diem [5] probeerde om hen terug de grote landeigenaars op te dringen die de helft tot twee derden van de oogst in beslag namen. Ze hebben in een onderontwikkeld land een klassieke agrarische revolutie ontketend.

De regering van de Verenigde Staten heeft zich met een agressieve brutaliteit in deze revolutie gemengd en schond aldus de meest elementaire principes van de rechten van de mens. Ze vallen het grondgebied binnen van een andere soevereine staat, bombarderen de steden en dorpen, verwoesten bruggen, fabrieken, hospitalen en scholen. Ze zaaien angst en dood en dit met behulp van napalm en andere chemische stoffen die de vegetatie tot in de kiem doden. Hun Zuid-Vietnamese handlangers martellen op grote schaal, en hierbij maken ze gebruik van de ‘ervaring’ van hun Algerijnse voorgangers.

Van Eynde heeft geprotesteerd, een enkele keer: tegen het gebruik van gas. Van zijn kant hebben we verder geen enkele kritiek gehoord toen in Zuid-Vietnam alle democratische vrijheden brutaal van tafel werden geveegd. Van zijn kant hebben we geen enkele kritiek gehoord op de chemische oorlog tegen de bevolking in de dorpen. De ‘staatszin’, de ‘trouw’ aan het Atlantisch Bondgenootschap krijgen bij Van Eynde voorrang op de ‘openlijke aanklacht tegen iedere aanslag op de vrijheid’, op de openlijke aanklacht tegen iedere vorm van onderdrukking. Feiten, waarop duizenden liberale Amerikaanse studenten en professoren, die zich zelfs niet eens socialist noemen, openlijk durfden kritiek te leveren. Van Eynde durft het niet te zeggen uit schrik de ‘staatszin’ te schenden!

Met andere woorden, wat hij niet aanvaardt vanwege de revolutie aanvaardt hij wel vanwege de contrarevolutie!

Is het niet puur schijnheilig om in deze omstandigheden de inbreuken van Ben Bella op de democratische regels voor het voetlicht te brengen terwijl er op een schandalige manier gezwegen wordt over deze, onvergelijkelijk veel ergere, misdaden die waren begaan door de burgers Mollet en Lacoste in Algerije of nu door generaal Maxwell Taylor [6] in Zuid-Vietnam?

Ernest Mandel


[noten van de vertaler]
[1] Volksgazet: dagblad van de Belgische Socialistische Partij (BSP) dat te Antwerpen verscheen van 1945 tot eind de jaren 80. Jos Van Eynde was er hoofdredacteur.
[2] juli 1962: het jaar dat Algerije onafhankelijk werd van Frankrijk.
[3] Pierre Mendès-France: (1907-1982) Frans staatsman, was eerste minister van 1954 tot 1955, beëindigde o.a. de eerste oorlog in Indochina.
[4] SFIO: Section Française de l’Internationale Socialiste — de socialistische partij
[5] Ngo Di Diem: Vietnamees generaal, zette in 1955 in Zuid-Vietnam koning Bao Dai aan de dijk en bleef president tot 1963. Als katholiek werd hij na een boudhistische staatsgreep vermoord.
[6] Douglas Maxwell Taylor: generaal, VS ambassadeur in Saigon bij het begin van de oorlog in Vietnam.