Ernest Mandel

De EEG en de rivaliteit Europa-Amerika

Een economische en politieke analyse

8. De verhouding West-Europa-Amerika en de crisis in het internationale monetaire systeem


De Franse regering probeert reeds een aantal jaren het chronische tekort op de Amerikaanse betalingsbalans te gebruiken als wapen om er de Amerikaanse macht in de wereldeconomie, vooral van de invloed van de Amerikaanse concerns op de West-Europese markt, mee te beperken. [1] Zoals men weet is dat tekort niet het gevolg van een passieve handelsbalans. Deze vertoont juist voortdurend een uitvoeroverschot dat in de afgelopen zes jaren tussen de 4 en 7 miljard dollar per jaar schommelde. De eigenlijke oorzaken van het tekort op de betalingsbalans liggen in de particuliere uitvoer van kapitaal, vooral in de militaire uitgaven in het buitenland en in de ontwikkelingshulp van de overheid. [2] De Franse theoretici — geïnspireerd door de school van prof. Jacques Rueff — beschouwen dit chronische tekort op de Amerikaanse betalingsbalans zuiver formeel als uiting van de permanente inflatie in de Verenigde Staten. Zolang het internationale monetaire systeem op de Gold-Exchange Standard blijft rusten zou dat de Verenigde Staten in staat stellen met in het binnenland overtollige koopkracht buitenlandse firma’s op te kopen. Tegelijkertijd zou het de inflatie over de hele wereld voortdurend stimuleren omdat de dollar- en pondreserves van de verschillende centrale banken weer naar New York en Londen terugvloeien waar zij kortlopend op rente worden gezet en niet alleen het geld- en kredietvolume in de afzonderlijke landen maar ook in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië zelf vergroten. Deze inflatiecarroussel, evenals het gevaar van een plotseling wegvloeien van het op korte termijn opvraagbaar Amerikaanse buitenlandse kapitaal zouden de dreiging van een herhaling van de grote crisis van 1929 tot 1933 in zich bergen. De school van Rueff en het door haar beïnvloede gaullisme zien tegen deze voor hen onaanvaardbare ontwikkeling slechts één geneesmiddel: terugkeer naar de zuivere gouden standaard, die het evenwicht op de Amerikaanse betalingsbalans automatisch zou herstellen en het Amerikaanse grootkapitaal zou dwingen een reeks in West-Europa veroverde posities weer op te geven.[3]

Het is duidelijk dat op geen enkel gebied het verlies van de absolute hegemonie van de Amerikaanse economie in de wereld zo duidelijk is als op het gebied van de monetaire reserves. In 1950 beschikten de Verenigde Staten over een reserve van 22,8 miljard dollar, de EEG-landen over niet meer dan 3 miljard dollar. In 1958 waren de Amerikaanse reserves tot 20,6 miljard gedaald en die van de EEG tot 11,9 miljard gestegen. Toen kwam de grote ommekeer en eind maart 1968 beliepen de Amerikaanse reserves nog slechts 11 miljard dollar terwijl de EEG-landen de 21,5 miljard dollar bereikten. Daarbij komt nog dat de Amerikaanse reserves, die in de jaren 1950 en 1958 geheel uit goud hadden bestaan nu nog maar voor 90 % uit goud bestaan, terwijl gelijktijdig het aandeel van het goud in de reserves van de EEG-landen van 57 % in 1958 tot 70 % in het begin van 1968 is opgelopen.[4]

De voortdurende aanvallen van het gaullistische regime op de ‘dollarinflatie’ en zijn weigering om door een verhoging van de internationale betaalmiddelen de kosten van deze inflatie te dragen, hebben een steeds grotere spanning in het Internationale Monetaire Fonds teweeg gebracht, waarin vooral de Verenigde Staten en Engeland de uitbreiding van de internationale betaalmiddelen eisen. Het is duidelijk dat de internationale monetaire reserves al jaren veel langzamer groeien dan de internationale handel. De voorstanders van de terugkeer naar de zuivere gouden standaard zeggen dat de oorzaak van het kwaad wordt gevormd door de te langzame groei van de goudproductie door de te lage goudprijs;[5] de te sterke afhankelijkheid van het goud en de te weinig autonome betaalmiddelen zijn de schuldigen, antwoorden daarop de Britten en de Amerikanen. De totale reserves van alle centrale banken, inclusief die van het Internationale Monetaire Fonds, kwamen in 1956 overeen met 56 % van de wereldimport; in 1966 nog slechts met 33 %. Ook wanneer men de Verenigde Staten als uitzonderlijk geval buiten beschouwing laat, dan krijgt men toch nog een daling van 41 naar 30 %. Maar Frankrijk neemt, de laatste tijd hierin door de overige EEG-landen ondersteund, het standpunt in dat het niet voldoende is op grote schaal additionele betalingsmiddelen te scheppen zolang het chronische tekort op de Amerikaanse (en Britse) betalingsbalans niet uit de weg geruimd is. Zolang dat niet het geval is zou het scheppen van deze additionele betaalmiddelen het voortduren van de dollar- en pondinflatie alleen maar ondersteunen.

Wanneer de voorstanders van de terugkeer naar de zuivere gouden standaard op het gevaarlijke gebrek aan internationale betaalmiddelen worden gewezen, antwoorden zij over het algemeen dat een prijsverhoging van het goud van 50 tot 100 het vraagstuk voor tientallen jaren zou kunnen oplossen. Dat zo’n prijsverhoging juist West-Europa ten goede zou komen, dat op het moment over veel meer goud beschikt dan de Verenigde Staten (21,5 miljard tegen 13 miljard dollar medio 1967), om van de zg. ontwikkelingslanden maar helemaal niet te spreken, behoeft hier verder niet nader uiteen gezet te worden.

De groeiende spanning binnen het Internationale Monetaire Fonds heeft het risico van een terugval in de internationale monetaire anarchie, die onvermijdelijk op een terugkeer naar het monetaire nationalisme zou volgen, duidelijk vergroot. Getergd door de Franse speldeprikken en nauwelijks verhulde aanvallen dreigt het Amerikaanse grootkapitaal met scherpe represailles. Wanneer de speculatie tegen de dollar verder om zich heen zou grijpen dan zouden de Verenigde Staten het besluit kunnen nemen eerst de gouddekking van de dollar op te heffen, dan een embargo op de goudexport uit de VS kunnen invoeren en tenslotte het goud geheel kunnen ‘demonetiseren’, d.w.z. in één klap de hele goudschat van de Verenigde Staten op de goudmarkt kunnen brengen. Dit zou, zo meende de voorzitter van de commissie voor internationale financiële vraagstukken van het Amerikaanse Congres, Henry Heuss, de goudprijs van 35 tot 6 dollar per ounce doen dalen.[6] Onder de huidige omstandigheden zou dit zeer snel opnieuw tot dollarschaarste in de rest van de wereld leiden, een dollarschaarste die pas door de passieve Amerikaanse handelsbalans is verdwenen na in de eerste naoorlogse jaren de belangrijkste crisishaard van de kapitalistische wereld te zijn geweest. Tenslotte, zo redeneert men, berust de betrouwbaarheid van de dollar niet op de een of andere goudvoorraad maar op de onmetelijke productiecapaciteit van de Amerikaanse economie en op de geweldige stroom goederen die deze economie jaar in jaar uit op de binnen- en buitenlandse markt brengt. Wordt de discussie in deze richting voortgezet dan volgt op dit Amerikaanse dreigement het antwoord dat een eenzijdig embargo op de gouduitvoer door de Verenigde Staten tot tegenmaatregelen zou kunnen leiden, die de invoer van Amerikaans kapitaal en Amerikaanse goederen naar de West-Europese landen aanzienlijk zouden beperken. Maar dat zou alleen maar een prelude vormen op een terugval in protectionisme van de Amerikaanse economie en dan zouden wij in de spiraal van een snel ineenkrimpende wereldhandel en een algemeen teruglopende conjunctuur belanden.

Deze conclusie wordt nog duidelijker wanneer men zich bezighoudt met wat de consequenties zouden zijn als men werkelijk tot een zuivere gouden standaard zou terugkeren. Het voorbeeld van de Westelijke economie van de jaren tussen 1929 en 1933 heeft tragisch bewezen hoe het chronologisch samenvallen van een dalende economische conjunctuur en een negatieve betalingsbalans regeringen, die aan de gouden standaard vasthouden, dwingt in plaats van geld te scheppen dat de conjunctuur stimuleert, een politiek van de krediet- en geldschroef te hanteren die de conjunctuur drukt. Het onvermijdelijke resultaat is dan: in plaats van een milde recessie volgt een zeer ernstige economische crisis. Wanneer de professoren van de Rueff-school een terugkeer tot het automatisme van de gouden standaard eisen, willen zij het rad van de geschiedenis naar het voor-keynesiaanse tijdperk terugdraaien.

Het is hier niet de plaats om alle zwakten in de redenering van de voorstanders van de terugkeer tot de zuivere gouden standaard uit de doeken te doen. Wij willen slechts op enkele bijzonder duidelijke tegenstrijdigheden in deze theorie wijzen. Rueff en zijn aanhangers beweren dat bij een zuivere gouden standaard het afvloeien van goud tot een daling van de effectieve vraag in het binnenland en daardoor tot een prijsdaling zou leiden waardoor de export automatisch verhoogd wordt, het evenwicht op de betalingsbalans zich herstelt en de bezettingsgraad weer stijgt. Zij vergeten daarbij ten eerste dat bij een dalende effectieve vraag in het binnenland de bezettingsgraad van de productiecapaciteit achteruit gaat, hetgeen in de monopolistische verhoudingen van het laatkapitalisme om te voorkomen dat de winstmarges verdwijnen niet tot het dalen maar tot het stijgen van de prijzen van de belangrijkste exportartikelen leidt (het voorbeeld van Wilsons deflatie in Engeland in de jaren 1966-‘67 is hiervoor typerend). Ten tweede vergeten ze dat de stijging van de uitvoer niet alleen van de prijs maar ook van de vraagelasticiteit van het uitvoerpakket afhankelijk is. Ten derde vergeten zij dat ook de ontwikkeling van de solvente vraag in het buitenland een invloed op de exportkansen heeft. Wanneer er dus in meerdere landen door autonome oorzaken een achteruitgang in de werkgelegenheid en de inkomsten plaatsvindt, dan zouden ook de scherpste deflatoire maatregelen niet tot een uitbreiding van de uitvoer leiden. De voorstanders van de zuivere gouden standaard doen alsof er alleen maar geld- en geen overproductiecrises zouden bestaan. Ze vergeten daarbij dat er in de eeuw tussen 1815 en 1914, ondanks de zuivere gouden standaard talrijke, deels zelfs ernstige economische crises zijn geweest.[7]

Het is onloochenbaar dat de Verenigde Staten zich reeds tientallen jaren in een situatie van permanente inflatie bevinden. Maar het is ook een feit dat alleen deze reusachtige schuldenlast van regering, bedrijven en gezinnen de geweldige Amerikaanse productiemachine doet draaien en groeien.[8] Iedere poging om tot een orthodoxe financiële politiek terug te keren, veroorzaakt op z’n minst stagnatie, als het al geen snel op elkaar volgende recessies zijn. En zou men strak aan het automatisme van de gouden standaard vasthouden dan zouden deze recessies onvermijdelijk tot ernstige verstoringen in de economie uitgroeien.[9] Maar dat kan het Amerikaanse grootkapitaal zich tegenwoordig maatschappelijk en militair onder geen beding permitteren. Daarom is de terugkeer naar de gouden standaard, zoals door het gaullistische Frankrijk geëist wordt, volkomen utopisch.

Aan de andere kant valt het echter evenmin te bestrijden dat de steeds hogere pyramide van particuliere en staatsschulden in de Verenigde Staten, dat de voortdurende vermindering van de koopkracht van de dollar door de permanente inflatie op langere termijn, vooral in het internationale monetaire en handelsverkeer, tot ernstige economische crises moet leiden. Het gaat hier echter om een objectieve tegenstelling in de laatkapitalistische economie als zodanig: er bestaat een niet te overbruggen tegenstelling tussen de rol van de dollar als belangrijkste steun van de Amerikaanse conjunctuur en de rol van de dollar als belangrijkste internationale betaalmiddel. Maar omdat het weinig rationeel zou zijn een zware crises over 15 jaar te willen verhinderen door haar naar de eerstkomende drie jaar te verschuiven, kan men er van overtuigd zijn dat de Amerikaanse bourgeoisie deze tegenstelling niet zal proberen op te lossen door afstand te doen van haar conjunctuur bevorderende (d.w.z. inflatoire) geldpolitiek.

Het gaullistische alternatief is eveneens niet rationeel omdat een ernstige Amerikaanse economische crisis ook een vernietigende uitwerking op de West-Europese economie zou hebben. We zien hier weer hoe verkeerd het zou zijn uit het verlies van de absolute hegemonie van de Amerikaanse economie ook het verlies van haar relatieve hegemonie af te leiden. In feite blijft ook nu de economie van de Verenigde Staten verweg de belangrijkste sector van het internationale kapitalistische systeem en iedere crisis in deze sector zou de ernstigste verstoringen in het gehele systeem te weeg brengen. Voorzover de Franse politiek niet eenvoudig op afpersing neer komt, betekent zij objectief dat een bepaald deel van de Franse bourgeoisie de tak waarop zij zit wil doorzagen.[10]

Er is al een voorbeeld dat laat zien waartoe overdreven druk op de Amerikaanse economie om het tekort op haar betalingsbalans op te heffen, kan leiden — en dat voorbeeld is verre van gunstig voor de gaullistische stelling. Zoals gezegd is de Amerikaanse kapitaalexport — in de eerste plaats die van de grote Amerikaanse concerns — één van de belangrijkste oorzaken van de passieve Amerikaanse betalingsbalans. Nu probeert de Amerikaanse regering de concerns tot matiging te brengen. Anderzijds eist de noodzaak kapitaal productief te maken dat zij meer in West-Europa investeren. De moeilijkheid wordt dan bijzonder elegant opgelost doordat de Amerikaanse concerns op de Europese kapitaalmarkt het noodzakelijke kapitaal bij elkaar scharrelen. M.a.w.: het zijn Europese banken, die de Amerikaanse concerns het kapitaal lenen om daarmee Europese firma’s een deel van hun afzetmarkt te ontnemen of ze gewoon op te kopen. De Europese bankiers doen dat niet omdat zij ‘pro-Amerikaans’ zouden zijn, maar eenvoudig omdat de Amerikaanse concerns hen meer waarborgen, hogere rente en meer rendement kunnen bieden.[11]

Het Internationale Monetaire Fonds berekent in zijn jaarverslag over 1966 dat de totale investeringen van de Europese dochterondernemingen van Amerikaanse concerns in de vijf jaar van 1962 tot 1966 22,5 miljard dollar beliepen, waarvan slechts 5,8 miljard, dus een kwart, uit de Verenigde Staten werd geëxporteerd. Deze cijfers bewijzen hoe zeer de rol van de ‘papierdollar’ waarmee ‘onze bedrijven’ worden opgekocht, wordt overdreven. Even overdreven is de invloed die de dollar- en pondtegoeden van de Europese centrale banken op de inflatie over de hele wereld (belangrijkste argument van de school Rueff-de Gaulle) zouden hebben. Prof. Robert Mossé wijst erop dat tussen 1958 en 1965 het totale bedrag van deze in New York en Londen belegde tegoeden minder dan 4 miljard dollar, d.w.z. maar een zeer gering gedeelte van de totale Amerikaanse geldomloop, is gestegen.[12] Het is onzinnig dit bedrag verantwoordelijk te achten voor de over de gehele wereld optredende inflatie.

De omvang van de hoofdzakelijk in Luxemburg gevestigde ‘euro-aandelenemissies’ stijgt snel van onder de 400 miljoen dollar in 1965 naar de bijna twee miljard dollar in 1967. Bij deze directe emissies moeten ook nog de aanzienlijke bankkredieten opgeteld worden die de vestigingen van de Amerikaanse concerns in West-Europa opnemen. Deze kredieten worden voor 1965 op één miljard dollar geschat.[13] In 1966 en 1967 zouden zij eenzelfde bedrag belopen hebben. Dat betekent dat in de drie jaren 1965 tot 1967 de Amerikaanse concerns meer dan 6,5 miljard dollar aan de Europese kapitaalmarkt onttrokken hebben. Het is niet nodig in details uiteen te zetten dat deze afroming van de West-Europese kapitaalmarkt de tendens tot stijgen van de rentevoet en tot dalen van de industriële winsten, tot toenemende schaarste op de kapitaalmarkt en tot inkrimping van de productieve investeringen ongetwijfeld heeft versterkt. En zo verband houdt met de nu in de meeste West-Europese landen heersende recessie. De andere maatregelen, die het Amerikaanse centrale bankensysteem in de afgelopen jaren ter bestrijding van het tekort op de Amerikaanse betalingsbalans heeft genomen hadden een zelfde soort uitwerking op de West-Europese conjunctuur.[14]

Het twistgesprek tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië aan de ene en Frankrijk (daarin meer en meer door de gehele EEG ondersteund) aan de andere kant over het internationale monetaire vraagstuk heeft, zoals men ziet, geen zuiver academisch karakter, maar heeft steeds grotere invloed op de ontwikkeling van de conjunctuur zowel internationaal als in West-Europa zelf.

De stijgende vrees van de deskundigen, die door de voorzitter van de Wereldbank op de laatste bijeenkomst op zo’n scherpe manier onder woorden gebracht werd, dat het gebrek aan internationale betaalmiddelen en het gebrek aan kapitaal dat internationale bindingen heeft tot een plotselinge daling van het groeipercentage van de wereldhandel en tot een snel einde van de internationale hoogconjunctuur zou kunnen leiden, is niet ongegrond. De kwetsbaarheid van het monetaire systeem is bovendien zeer nauw verbonden met de verschijning van ‘multinationale’ maatschappijen, waarvan de afmetingen die van de meeste nationale monetaire markten overtreffen en die belangrijke kapitalen op korte termijn van het ene land naar het andere overbrengen. [15] De kringen van het West-Europese grootkapitaal die verder kijken, begrijpen dat ze met het Amerikaanse kapitaal gemeenschappelijke belangen hebben en dat deze belangen in de richting van een geleidelijke uitbreiding van de internationale betaalmiddelen, resp. in de richting van de schepping van een internationaal ‘centrale bankgeld’ gaan. Dit zou, onafhankelijk van de rol van de dollar of van het pond, een verbetering van de internationale liquiditeit waarborgen.

In deze richting gaat ook het voorstel van Robert Triffins om een ‘centrale bank voor centrale banken’ in het leven te roepen die ‘een wereld-eenheid’ in omloop moet brengen die dienst doet als ‘wereldrekengeld’ maar die niet in de particuliere sector te gebruiken zou moeten zijn.[16] Deze voorstellen zijn uiteindelijk een afspiegeling van het feit dat de productie en het verkeer internationaal reeds zover objectief gesocialiseerd zijn dat men een van het goud losgekoppeld ‘wereldgeld’ nodig heeft. Of het ‘georganiseerde’ laatkapitalisme werkelijk in staat zal blijken de concurrentieverhoudingen internationaal zo ingrijpend aan de algemene solidariteit van het kapitalistische systeem ondergeschikt te maken dat het lukken zal een dergelijk ‘wereldpapiergeld’ in het leven te roepen, blijft echter meer dan twijfelachtig.

De Verenigde Staten en Groot-Brittannië zouden zeker van deze oplossing het meeste profiteren. Maar omdat deze oplossing in het gehele internationale laatkapitalistische systeem de conjunctuur zou bevorderen zouden alle geïndustrialiseerde kapitalistische landen in ieder geval meeprofiteren. Zo’n ‘wereldkredietgeld’ zou het probleem van de ‘seculaire inflatie’ natuurlijk alleen maar verschuiven zonder het op te lossen en op langere termijn gezien waarschijnlijk de explosiviteit van dit probleem nog meer verscherpen. Maar een maatschappelijk systeem waarvan niemand met zekerheid kan zeggen of het zich in de 21ste eeuw nog zal kunnen handhaven, kan zich niet de luxe permitteren al te langlopende plannen en overwegingen tot belangrijke criteria voor zijn directe handelen nu te maken. Het is, zoals de hofadel voor de Franse Revolutie tot de lijfspreuk ‘na ons de zondvloed!’ gedwongen. En deze parallel gaat in meer dan één opzicht op.


Voetnoten

[1] Hoezeer de Gaulle systematisch iedere gelegenheid voor zijn ‘strijd tegen de Amerikaanse hegemonie’ probeert te benutten, heeft zijn reis naar Canada en zijn daar voor het Franstalige deel van de bevolking gehouden redevoering bewezen. Hoezeer het hem echter aan begrip voor de dialectische wisselwerking en verbanden ontbreekt blijkt ondubbelzinnig uit zijn houding die het separatisme onder de Franse Canadezen versterkt: een dergelijk separatisme dat de Canadese confederatie verzwakt maakt objectief gezien de hegemonie van de Amerikaanse economie, zowel over het Engels als over het Franstalige deel van Canada alleen maar groter.

[2] Men moet er bovendien rekening mee houden dat tegenover de netto Amerikaanse kapitaaluitvoer van bv. 2 miljard dollar in het eerste halfjaar van 1966 (2,7 miljard dollar in het eerste halfjaar van 1965) een netto kapitaalinvoer in het eerste halfjaar van 1966 van 2,1 miljard (2,3 miljard dollar in het eerste halfjaar van 1965) staat. Het Amerikaanse kapitaal kan zich, net zoals het Britse grootkapitaal in zijn bloeitijd voor de Eerste Wereldoorlog, dus de luxe permitteren zijn omvangrijke export van kapitaal alleen uit de rente van het reeds in het buitenland belegde kapitaal te financieren. Zou de uitvoer van kapitaal naar Europa kleiner worden dan zou dit ten gevolge hebben dat het Amerikaanse kapitaal meer geld uit Europa zou zuigen dan het daar investeert. In dat geval zouden de negatieve kanten van de uitbuiting duidelijker worden terwijl de positieve kanten zouden verdwijnen. Het is juist deze globale afvloeiing van kapitaal (capital drain) die het belangrijkste argument van de tegenstanders van het imperialisme in India voor de Eerste en Tweede We-reldoorlog vormde en die dat tegenwoordig in Latijns-Amerika is.

[3] Zie o.a. Jacques Rueff, De l’âge de l'inflation, Payot, Paris 1967.

[4] Deels is dit een bewuste Franse actie tegen de dollar. Eind maart 1967 bestond niet minder dan 91,85 % van de totale bruto reserves van de Banque de France uit goud. Dat terwijl het aandeel van goud op de totale reserves bij de Centrale Banken van de EEG-landen gemiddeld 78,11 % bedroeg en de Banque de France in 1958 slechts een goudaandeel van 71,43 % had. Wanneer men echter bedenkt dat sinds eind 1958 tot aan begin 1967 het goudaandeel in de bruto reserves van de Bundesbank van 46,04 tot 64 % en in de bruto reserves van de centrale bank van Italië van 50,77 tot 68 % is gestegen, dan is het duidelijk dat men de bewuste Franse politiek niet alleen verantwoordelijk kan stellen. Men dient ook rekening te houden met de niet te vermijden objectieve consequenties van de vermindering van de Amerikaanse monetaire reserves. Hierdoor wordt het objectieve risico van de devaluatie van de dollar groter en worden de centrale banken in West-Europa gedwongen dit groter geworden risico door een groter aandeel van het goud in de totale reserves op te vangen. Het gevolg van de steeds groter wordende risico van devaluatie van de dollar is de neiging goud op te potten. In 1966 leidde dat voor het eerst tot een situatie waarin niets van de in dat jaar geproduceerde hoeveelheid goud toevloeide naar de centrale banken. Integendeel: de totale goudvoorraad van de centrale banken van de kapitalistische wereld liep in dat jaar zelfs met 95 miljoen dollar terug. De campagne van Rueff en de Gaulle voor een verhoging van de goudprijs draagt natuurlijk het nodige bij tot het oppotten van goud bij particulieren.

[5] R. S. Cooke, de voorzitter van de Zuid-Afrikaanse Kamer van Mijnbouw, die goed is voor 74 % van de goudproductie van de kapitalistische wereld, verklaarde op 28 juni 1967 dat de productie van de Zuid-Afrikaanse goudmijnen binnen enkele jaren tot een zesde van de huidige productie zou kunnen terugvallen wanneer de goudprijs niet verhoogd zou worden terwijl de productiekosten van jaar tot jaar blijven stijgen.

[6] ‘L'Echo de la Bourse’, Brussel 25.11.1967. Het is buitengewoon moeilijk te schatten wat de werkelijke vraag naar niet-monetair goud zou zijn in het geval de dollar in zuiver papiergeld zou worden omgezet. De jaarlijkse vraag van industrie en juwelenhandel wordt gesteld op ongeveer een half miljard dollar—d.w.z. op éénderde van de jaarlijkse goudproductie. De dollarvorderingen buiten de Verenigde Staten belopen ongeveer 30 miljoen dollar. Daarvan bevindt zich echter slechts de helft in particuliere handen. De totale particulier opgepotte goudschat in de wereld wordt op 20 miljard dollar geschat. Die goudschat groeit reeds enkele jaren met meer dan l miljard dollar per jaar, dat wil zeggen meer dan de jaarproductie van goud. Er vindt een afvloeiing plaats van goud van de centrale banken naar particuliere waardedepots. Van 1965 tot midden 1968 is de totale goudvoorraad van de centrale banken der kapitalistische wereld met 3,2 miljard dollar verminderd, wat inhoudt dat er in deze periode ongeveer 7,5 miljard dollar aan goud ‘gehamsterd’ is.

[7] Voor een afdoende weerlegging van het dogma van het pure goud zie het reeds wat oudere boek van Betrand Nogaro, La Monnaie et les systèmes monétaires, Librairie de Droit et de Jurisprudente, Paris 1948, en het laatste boek van Robert Mossé Les problèmes monétaires internationaux, Payot, Paris 1967.

[8] De totale netto schuldenlast bij particulieren in de Verenigde Staten is van 140 miljard dollar in 1945 tot 735 miljard dollar in 1963 gestegen. Hij vormde 78 % van het bruto particuliere sociaal product in 1945 en 143 % daarvan in 1963 (Harry Magdoff, in ‘The Socialist Register’, p. 68, The Merlin Press 1965). In 1966 was de netto particuliere schuldenlast 965 miljard dollar groot, terwijl de bruto particuliere schuldenlast meer dan 1000 miljard dollar bedroeg.

[9] De pogingen in de Eisenhower-periode tot ‘economische orthodoxie’ te komen, leidden tot zo’n quasi-stagnatie: de consumptieve uitgaven per hoofd van de bevolking stegen bij gelijkblijvende prijzen van 1723 dollar in 1955 tot 1874 dollar in 1961, d.w.z. met 1,2 % per jaar. In 1957-1958 was er een recessie en een tweede volgde in 1960-‘61. De cyclus tussen beide recessies was m.a.w. tot drie jaar teruggebracht. In de eerste 9 maanden van de recessie van 1957-‘58 was de industriële productie met 13,1 % teruggelopen (tegenover 15,9 % in de eerste 9 maanden van de economische wereldcrisis 1929-1930) het orderpakket voor duurzame goederen met 20,1 % (tegenover 26,5 % in de eerste 9 maanden van de economische wereldcrisis). Alleen de snelle inflatoire geldschepping en de ook toen al reusachtige omvang van de staats-, m.n. militaire uitgaven, behoedden de Verenigde Staten voor een nieuw 1929 (Zie: Economic Report of the President, together with the Annual Report of the Council of Economic Advisers, US Government Printing Office, Washington jan. 1962; Geoffrey Moore, ‘Measuring Recession’ in ‘Journal of the American Statistical Society’, juni 1958).

[10] De gebeurtenissen van mei 1968 hebben op frappante wijze aangetoond, hoe kwetsbaar de kapitalistische Franse economie en haar geld gebleven zijn. De franc verloor een kwart van zijn reserves in de loop van enkele dagen en kon alleen gered worden door de solidariteit van de kapitalistische centrale banken, in de eerste plaats van die van de Verenigde Staten ...

[11] ‘Eurodollars’ (begin 1968 bijna 20 miljoen dollar) zijn die dollars welke vastgehouden worden door de centrale banken (inbegrepen die van het Oostblok), daar gedeponeerd door henzelf, door particuliere firma’s, of door particulieren bij Europese banken welke de dollars lenen aan hetzij andere centrale banken, hetzij aan Amerikaanse firma’s, en vooral aan Amerikaanse banken. Technisch gesproken is de afkomst van de Eurodollar een dubbele: aan de ene kant leveren voorraden Eurodollars meer op dan deposito’s bij Amerikaanse banken, aan de andere kant kan men Eurodollars lenen als de kredietmogelijkheden in de Verenigde Staten vastzitten. Het systeem der Eurodollars heeft zo een ware internationale monetaire markt doen ontstaan, die daarmee de kredietbasis verbreedt, maar tevens de internationale kredietinflatie verwijdt. Het weerspiegelt een zekere overvloed van Europese kapitalen die op korte termijn beschikbaar zijn voor het Amerikaanse monetaire systeem, dat ze op lange termijn investeert. Zie voor dit onderwerp: Paul Einzig, The Euro-Dollar System, MacMillan, London 1967, en het ‘Thirty-eighth Annual Report’ van de Banque des Règlements Internationaux, Bale 1968.

[12] R. Mossé, o.c. p. 147.

[13] ‘La Libre Belgique’ 19/20.3.1966. Over de Euro-emissies zie ook Le Monde 20/21.3.1966. Servan-Schreiber (o.c., pp. 26 v.) schat de door de Amerikaanse ondernemingen in Europa in 1965 verworven kapitaal op meer dan 2 miljard dollar.

[14] Verdere details over de relatie tussen kredietbeperking de politiek van de centrale banken en de op dit moment gaande zijnde recessie worden geleverd door het weekblad ‘The Economist’ (26.11. 1966). In de crisistheorie is het geen onbekend verschijnsel dat met het krapper worden van de algemene kapitaalmarkt een grotere liquiditeit op de (door een hoge rentevoet gekenmerkte) geldmarkt in West-Europa gepaard gaat die gedeeltelijk wordt bepaald door de zg. Eurodollar en Eurodeviezen. Zie daarover o.a. ‘L'Echo de la Bourse’, Brussel, 28.6.1967).

[15] Zie voor dat onderwerp: Michael Barratt-Brown, Labour and Sterling, The Institute of Werkers Control Pamphlet Series, nr. 3 Nottingham 1968.

[16] Robert Triffin, The world money maze, Yale Universitv Press 1966.