Ernest Mandel

Lenin en het probleem van het proletarisch klassenbewustzijn


Bron: Uitgave van het Fonds Leon Lesoil – Gent, 2e kwartaal 1977
Geschreven: 1970
Eerste publicatie: Lenin und das Problem des proletarischen Klassenbewusztseins, in: Lenin. Revolution und Politik – Aufsätze von Paul Mattick, Bernd Rabehl, Juri Tynjanow und Ernest Mandel, Suhrkamp Verlag 1970, pp. 149-205.
Vertaling: Herman Pieterson
Deze versie: Het voorwoord van Theo Wiering is weggelaten. Kleine taalkundige aanpassingen
Transcriptie: Adrien Verlee
Omzetting naar HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, december 2004


De actualiteit van Lenins organisatietheorie

Een zinnige discussie over de historische betekenis en actualiteit van Lenins organisatietheorie is slechts mogelijk, wanneer men nauwkeurig bepaalt, welke plaats die theorie in de geschiedenis van het marxisme, of juister: in het historische groei- en ontwikkelingsproces van het marxisme inneemt. Als ieder historisch proces, moet dit ontwikkelingsproces van het marxisme daarbij worden herleid tot zijn innerlijke tegenstellingen — in nauwe wisselwerking tussen de ontwikkeling van de theorie en de ontwikkeling van de proletarische klassenstrijd. Vanuit dit gezichtspunt blijkt Lenins organisatietheorie een dialectische eenheid te zijn van drie elementen:

1. Een theorie van de actualiteit van de revolutie in de achtergebleven landen in het tijdperk van het imperialisme. (Deze wordt later uitgewerkt tot een theorie van de actualiteit van de revolutie in de hele wereld in het tijdperk van de algemene crisis van het kapitalisme);

2. Een theorie van de discontinue en contradictoire ontwikkeling van het proletarisch klassenbewustzijn en zijn belangrijkste niveaus, die theoretisch onderscheiden kunnen worden;

3. En tenslotte een theorie van het wezen van de marxistische theorie en haar specifieke relatie tot de wetenschap enerzijds, tot de proletarische klassenstrijd anderzijds.

Wanneer men het onderwerp nader beschouwt, zal men ontdekken, dat deze drie theorieën als het ware de ‘maatschappelijke onderbouw’ vormen van Lenins organisatieopvatting, zonder welke deze willekeurig, onmaterialistisch en onwetenschappelijk zou zijn. De partijopvatting van Lenin is niet de enig mogelijke partijopvatting, ze is echter de enige opvatting die de partij de historische rol toewijst, de leiding te nemen van een op middellange of lange termijn onvermijdelijke revolutie. Lenins partijopvatting kan men niet los zien van een specifieke analyse van het proletarisch klassenbewustzijn, ze gaat er namelijk van uit dat het politieke klassenbewustzijn niet spontaan of automatisch uit de objectieve ontwikkeling van de proletarische klassenstrijd voortvloeit — zulks in tegenstelling tot het ‘trade-unionistische’, het ‘alleen-maar-vakbonds’-bewustzijn. [1] En tenslotte is zij gebaseerd op een bepaalde autonomie van de wetenschappelijke analyse, d.w.z. van de marxistische theorie, die niet gezien kan worden als een mechanisch product van de klassenstrijd, hoewel zij historisch door de ontplooiing van de proletarische klassenstrijd en de eerste aanzetten tot de proletarische revolutie bepaald is. Zij moet worden gezien als het resultaat van een theoretische praktijk (van een ‘theoretische productie’), die slechts geleidelijk een verbinding aangaat met de klassenstrijd. De geschiedenis van de socialistische wereldrevolutie in de twintigste eeuw is de geschiedenis van dit moeizame proces.

Deze drie analyses betekenen een werkelijke verdieping van het marxisme: hetzij van probleemstellingen die door Marx en Engels slechts aangeduid zijn en niet verder uitgewerkt werden, hetzij van elementen van de marxistische theorie, waaraan in de Marx interpretatie van de periode 1880-1905 nauwelijks aandacht werd besteed als gevolg van de vertraging en onderbreking in de publicatie van de geschriften van Marx [2]. Het gaat dus om een verdere uitwerking van de marxistische theorie, die haar oorzaak vindt in leemtes (en gedeeltelijk ook tegenstellingen) zowel in Marx’ analyse zelf als in de interpretatie daarvan gedurende de eerste 25 jaar na Marx’ dood.

Deze verdieping van de theorie van Marx ontleent haar eigen karakter hieraan, dat zij vanuit verschillende uitgangspunten op één centraal punt uitkomt, namelijk op de bepaling van wat het specifieke van de proletarische of socialistische revolutie is.

De bijzondere historische kenmerken van de proletarische revolutie

De proletarische revolutie onderscheidt zich van alle revoluties uit het verleden, zowel van de burgerlijke revolutie, waarvan de wetten — in de eerste plaats door Marx en Engels zelf — diepgaand bestudeerd zijn, alsook van de revoluties die tot nu toe nauwelijks aan een systematische analyse onderworpen werden (zoals de boerenrevoluties en die van de stedelijke kleinburgerij tegen het feodalisme; de slavenopstanden en de revoluties van stamgemeenschappen tegen de slavenhoudersmaatschappij; de boerenrevoluties in de periodiek desintegrerende oude Aziatische productiewijzen enz.). Anders dan en in tegenstelling tot al deze revoluties vertoont de proletarische revolutie van de twintigste eeuw vier bijzondere kenmerken, die haar specifiek, maar tevens haar problematisch karakter vormen, dat reeds door Marx werd vermoed [3].

1. De proletarische revolutie is de eerste geslaagde revolutie in de geschiedenis, die door de onderste klasse van de maatschappij wordt voltrokken. De economische macht, waarover deze klasse beschikt, is potentieel reusachtig, maar feitelijk uiterst gering, en over het geheel genomen is zij van ieder aandeel in de maatschappelijke rijkdom (i.t.t. het bezit van doorlopend verbruikte consumptiegoederen) buitengesloten. Hierin verschilt zij bijvoorbeeld van de bourgeoisie en de feodale adel, die de politieke macht veroverden op een tijdstip, waarop de feitelijke economische macht in de maatschappij reeds in hun handen lag, of van de slaven die geen enkele revolutie tot een goed einde konden brengen.

2. De proletarische revolutie is de eerste revolutie in de geschiedenis, die een tevoren bewust geplande omwenteling van de bestaande maatschappij nastreeft, d.w.z. niet een toestand uit het verleden wil herstellen (zoals dat bij de slaven- en boerenrevoluties van het verleden het geval was), maar een volledig nieuw, nog nooit voltrokken proces moet verwezenlijken, dat slechts als ‘theorie’ of ‘programma’ is gegeven [4].

3. Precies als iedere andere sociale revolutie in de geschiedenis ontstaat ook de proletarische revolutie uit de innerlijke klassentegenstellingen en de klassenstrijd die deze in de bestaande maatschappij teweegbrengen. Maar terwijl de revoluties uit het verleden zich er mee tevreden konden stellen de klassenstrijd tot het uiterste op te voeren — omdat hun doel immers niet bestond in het scheppen van volledig nieuwe, bewust geplande maatschappelijke betrekkingen —, kan de proletarische revolutie slechts gerealiseerd worden, als de proletarische klassenstrijd op haar hoogtepunt omslaat in een proces van systematische en bewuste omwenteling van alle menselijke betrekkingen — een proces dat zich over jaren, ja tientallen jaren uitstrekt. Het strekt zich uit van de veralgemening van de autonome activiteit (Selbsttätigkeit) eerst van het proletariaat, tot aan de autonome activiteit van alle leden van de maatschappij op de drempel van de klassenloze maatschappij.

Terwijl de overwinning van de burgerlijke revolutie de bourgeoisie tot een conservatieve klasse maakt, die weliswaar op technisch-industrieel gebied nog revolutionaire veranderingen kan bewerkstelligen en een zekere tijd histories een objectief progressieve rol kan spelen, maar zich uit de sfeer van de actieve omwenteling van het maatschappelijke leven terugtrekt en hier zelfs in haar strijd met het door haar uitgebuite proletariaat in toenemende mate reactionair moet optreden, betekent de verovering van de macht door het proletariaat niet het einde maar het begin van de maatschappij-omwentelende activiteit van de moderne arbeidersklasse, die slechts haar eigen opheffing als klasse, samen met de opheffing van alle andere klassen als eindpunt kan hebben. [5]

4. In tegenstelling tot alle sociale revoluties uit het verleden, die zich in het algemeen in een nationaal of begrensd regionaal kader afspeelden, is de proletarische revolutie wezenlijk internationaal. Pas in de wereldwijde opbouw van een klassenloze maatschappij zal zij tot voltooiing komen. Hoewel het zeer zeker mogelijk is, dat ze eerst op nationaal niveau een overwinning behaalt, blijft deze overwinning toch altijd onzeker, zolang de klassenstrijd op het internationale vlak het kapitaal nog geen beslissende nederlaag heeft toegebracht. De proletarische revolutie is een wereldomvattend revolutionair proces, dat zich echter noch rechtlijnig noch volgens één model voltrekt. De imperialistische keten breekt het eerst in haar zwakste schakels, en de sprongsgewijs op- en neergaande golfbeweging van de revolutie verloopt volgens de wet van de ongelijkmatige en gecombineerde ontwikkeling (niet alleen op economisch gebied, maar ook in de krachtsverhouding tussen de klassen; beide vallen niet automatisch samen).

Al deze bijzondere kenmerken van de proletarische revolutie zijn in Lenins organisatietheorie verdisconteerd, d.w.z. zij bepaalt de specifieke eigenschappen van deze revolutie o.a. in het licht van de bijzondere kenmerken en contradicties in de ontwikkeling van het proletarisch klassenbewustzijn. Ze spreekt openlijk uit, wat Marx slechts aangeduid heeft en door diens epigonen nauwelijks begrepen is, namelijk dat er geen ‘automatische’ omverwerping van de kapitalistische maatschappijorde plaats kan vinden, noch dat deze maatschappijorde ‘spontaan’ in een socialistische maatschappij kan overgaan. Voorwaarde voor de overwinning van de proletarische revolutie is daarom dat zowel ‘objectieve’ factoren (diepgaande maatschappelijke crisis als teken dat de kapitalistische productiewijze haar historische missie vervuld heeft) alsook ‘subjectieve’ factoren (rijpheid van het proletarisch klassenbewustzijn en rijpheid van zijn leiding) gunstig voor de revolutie zijn. Zijn deze ‘subjectieve’ factoren niet of onvoldoende aanwezig, dan blijft de proletarische revolutie op dat moment zonder succes, en zal juist haar nederlaag tot een tijdelijke economisch-maatschappelijke consolidatie van het kapitalisme bijdragen. [6]

Lenins organisatietheorie markeert de verdieping van het marxisme, toegepast op de fundamentele problemen van de maatschappelijke bovenbouw (staat, klassenbewustzijn, ideologie en partij). Samen met het werk van Rosa Luxemburg en Trotski (en in engere zin van Lukács en Gramsci) vormt zij het marxisme van de subjectieve factor.

Burgerlijke ideologie en proletarisch klassenbewustzijn

Marx’ uitspraak: ‘De heersende ideologie van iedere maatschappij is de ideologie van de heersende klasse’ lijkt op het eerste gezicht in strijd met het karakter van de proletarische revolutie als bewuste omwenteling van de maatschappij door het proletariaat, als bewuste autonome activiteit van de loonafhankelijke massa’s. Een oppervlakkige interpretatie van deze uitspraak zou zelfs tot de conclusie kunnen leiden dat het utopisch is te verwachten dat de massa’s die in het kapitalisme worden gemanipuleerd en aan de invloed van burgerlijke en kleinburgerlijke ideeën blootstaan, tegen deze maatschappij een revolutionaire klassenstrijd of zelfs een sociale revolutie zouden beginnen. Herbert Marcuse is (voorlopig) slechts de laatste in een lange reeks van ideologen die uitgaande van Marx’ definitie van de heersende klasse, twijfel uitspreken aan het revolutionaire potentieel van de arbeidersklasse.

Het probleem wordt oplosbaar als men de formeel-statische beschouwingswijze door een dialectische vervangt. Marx’ uitspraak moet als volgt worden ‘gedynamiseerd’: de heersende ideologie van iedere maatschappij is de ideologie van de heersende klasse, in zo verre deze de controle bezit over de middelen van ideologische productie die de maatschappij ter beschikking staan (kerk, school, massamedia enz.) en deze middelen in haar klassenbelang gebruikt. Zolang de klassenheerschappij jong en stabiel is en daarom nauwelijks wordt aangevochten, zal de ideologie van de heersende klasse ook het bewustzijn van de onderdrukte klasse beheersen. In de eerste fasen van de klassenstrijd bedienen de uitgebuite zich nog dikwijls van de formules, idealen en ideologieën van hun uitbuiters. [7] Maar hoe twijfelachtiger de stabiliteit van de bestaande maatschappij wordt, de klassenstrijd zich verscherpt en de klassenheerschappij aan het wankelen raakt, des te duidelijker maken delen van de onderdrukte klasse zich los van de ideeën van de heersende klasse. De strijd voor de sociale revolutie wordt voorafgegaan door de strijd tussen de ideologie van de heersende klasse en de nieuwe ideeën van de revolutionaire klasse, welke strijd van haar kant weer de klassenstrijd versnelt waardoor zij wordt bepaald, doordat zij de revolutionaire klasse in staat stelt zich bewust te worden van haar historische taak en de directe doelen van haar strijd. Klassenbewustzijn van de revolutionaire klasse ontwikkelt zich daarom in de strijd tegen de ideologie van de heersende klasse. [8] Maar slechts in de directe revolutie zelf kan de meerderheid der onderdrukten zich van de heerschappij der burgerlijke ideologie bevrijden [9], die — met name in de burgerlijke maatschappij maar parallelle verschijnselen zijn in iedere klassenmaatschappij te zien — haar heerschappij niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats door middel van ideologische manipulatie uitoefent, maar ook (en vooral) in het dagelijks mechanisme van economie en maatschappij zelf en via de uitwerking daarvan in de hoofden van de onderdrukten. In de kapitalistische maatschappij betekent dit: verinnerlijking van de warenverhouding, die nauw samenhangt met de verdinglijking van de menselijke relaties en geworteld is in de veralgemening van de warenproductie en de verandering van de arbeidskracht in een waar, respectievelijk de veralgemening van de maatschappelijke arbeidsdeling onder de voorwaarden van de warenproductie; afmatting en verruwing van de producent door vervreemde arbeid en uitbuiting; gebrek aan vrije tijd (niet alleen in kwantitatief maar ook in kwalitatief opzicht), enz. Alleen wanneer een revolutie, d.w.z. een plotseling toenemende massa-activiteit buiten het kader van de vervreemde arbeid, de kerker van dit mechanisme verbrijzelt, kan de misleidende invloed van deze kerker op het bewustzijn van de massa’s teruggedrongen worden.

Lenins organisatietheorie probeert de innerlijke dialectiek te begrijpen van dit ontwikkelingsproces van het politieke klassenbewustzijn, dat pas in de revolutie zelf tot volle ontplooiing kan komen (zij het slechts op voorwaarde, dat deze ontplooiing al vóór de revolutie is begonnen [10]). Zij werkt met drie operationele begrippen: de categorie van de arbeidersklasse (de massa der arbeiders); de categorie van dat deel van de arbeiders dat reeds elementair georganiseerd is (de proletarische voorhoede in de ruime zin van het woord) [11]; en de categorie van de revolutionaire organisatie, die uit actieve revolutionaire en tenminste gedeeltelijk in het marxisme geschoolde arbeiders en intellectuelen bestaat.

De categorie van de ‘klasse an sich’ sluit aan bij het zogenaamde objectieve klassenbegrip bij Marx, volgens welk een maatschappelijke laag wordt bepaald door haar objectieve plaats in het productieproces, onafhankelijk van het niveau van haar bewustzijn. (In Het Communistisch Manifest en in de politieke geschriften van 1850-1852 had de jonge Marx een subjectief klassenbegrip aangehangen, dat er van uit gaat, dat de arbeidersklasse slechts door haar strijd d.w.z. door een minimum aan zelfbewustzijn tot klasse wordt. Boecharin duidt dit laatste aan met het begrip ‘klasse für sich’ als tegenstelling tot het begrip ‘klasse an sich’ [12]). Dit objectieve klassenbegrip blijft het fundamentele uitgangspunt zowel voor Lenins organisatieopvatting als voor Engels en de Duitse sociaaldemocratie onder Engels, Bebel en Kautsky. [13]

Alleen omdat er een objectief-revolutionaire klasse bestaat die een revolutionaire klassenstrijd kan voeren, en alleen in verbinding met deze klassenstrijd heeft het begrip revolutionaire voorhoedepartij (en beroepsrevolutionair) wetenschappelijke betekenis, zoals Lenin zelf benadrukt. [14] Als deze verbinding ontbreekt, brengt revolutionaire activiteit hoogstens een partijkern voort, maar geen partij. Lenins organisatieconcept impliceert, dat er geen zelf-geproclameerde voorhoede bestaat en dat de voorhoede haar erkenning als voorhoede (d.w.z. het histories recht als voorhoede op te treden) eerst moet veroveren, doordat zij een revolutionaire verbinding tot stand tracht te brengen met dat deel van de klasse dat daarvan de voorhoede vormt in de ruime zin des woord.

De categorie van de ‘arbeidersvoorhoede’ gaat uit van de objectief onvermijdelijke stratificatie van de arbeidersklasse, die zowel een functie van haar historische herkomst is als van haar positie in het maatschappelijke productieproces en haar klassenbewustzijn. De ontwikkeling van de arbeidersklasse als objectieve categorie is zelf een historisch proces. Delen van de arbeidersklasse stammen van stedelijke loonarbeiders of van landarbeiders en bezitloze boeren. Andere zijn afkomstig uit de kleinburgerij (boeren, ambachtslieden enz.) Een deel van de arbeidersklasse is werkzaam in het grootbedrijf, waarin zowel de economische als de maatschappelijke verhoudingen gunstig zijn voor de ontwikkeling van een elementair klassenbewustzijn (het bewustzijn dat het ‘sociale vraagstuk’ slechts door collectieve activiteit en organisatie opgelost kan worden). Een ander deel werkt in kleine of middelgrote industriële bedrijven of in de zogenaamde dienstensector, waar economisch zelfvertrouwen en besef van de noodzaak van massa-acties op grote schaal veel langzamer ontstaan dan in het industriële grootbedrijf. Delen van de arbeidersklasse leven sinds lang in de grote stad, hebben een schoolopleiding genoten, hebben ervaring met vakbondsorganisatie en bezitten een politiek-culturele ontwikkeling (jeugdorganisaties, arbeiderskrant, vormingswerk voor arbeiders enz.).

Weer anderen leven in een provincieplaats of op het platteland (dit geldt bijvoorbeeld voor een belangrijk deel van de Europese mijnwerkers tot in de dertiger jaren). Zij kennen geen collectief sociaal leven, bezitten nauwelijks een vakbondsverleden en hebben geen enkele politiek-culturele vorming in de georganiseerde arbeidersbeweging opgedaan. Wanneer men bij al deze verschillen van historisch-structurele aard nog de verschillen in persoonlijke capaciteiten van de afzonderlijke loontrekkers telt — niet alleen de verschillen in intelligentie en het vermogen om directe ervaringen te veralgemenen, maar ook in energie, karaktersterkte, strijdvaardigheid en zelfbewustzijn —, dan begrijpt men volkomen dat de stratificatie van de arbeidersklasse in verschillende lagen (met betrekking tot de graad van hun klassenbewustzijn) een onvermijdelijk bijverschijnsel is van de geschiedenis van de arbeidersklasse zelf. Wat zich in de verschillende niveaus van het klassenbewustzijn op een bepaald moment weerspiegelt, is dit histories wordingsproces van de klasse.

De categorie van de revolutionaire partij gaat uit van de veronderstelling, dat het socialisme een wetenschap is, die in laatste instantie in haar totaliteit niet collectief, maar enkel individueel eigengemaakt kan worden. Het marxisme vormt het hoogtepunt (en ten dele ook de zelfopheffing) van tenminste drie klassieke maatschappijwetenschappen: de klassieke Duitse filosofie, de klassieke politieke economie en de klassieke Franse politicologie (het Franse socialisme en de Franse geschiedschrijving). Men moet de materialistische dialectiek, het historisch materialisme, Marx’ economische theorie en de kritische geschiedenis van de moderne revoluties en de moderne arbeidersbeweging hebben verwerkt, wil men zich het marxisme eigen kunnen maken. Alleen dan kan het in zijn totaliteit als analyse instrument van de maatschappelijke werkelijkheid en als samenvatting van een eeuw proletarische strijd tot zijn recht komen. De bewering, als zouden deze kennis en inzichten ‘spontaan’ uit de arbeid aan de draaibank of op de rekenmachine kunnen ontstaan, is absurd. [15] Het feit, dat het marxisme als wetenschap uitdrukking is van de hoogste ontwikkelingsgraad van het proletarisch klassenbewustzijn, betekent niets anders dan dat slechts de meest ervaren, intelligentste en strijdbaarste leden van het proletariaat zich, dit klassenbewustzijn langs de weg van de individuele selectie direct en zelfstandig eigen kunnen maken. Maar omdat dit leerproces een individueel karakter draagt, staat het ook open voor leden van andere maatschappelijke klassen en lagen (vooral van de revolutionaire intelligentsia en de studenten). [16] Iedere andere conceptie loopt uit op een idealisering van de arbeidersklasse en in laatste instantie van het kapitalisme zelf.

Proletarische klassenstrijd en proletarisch klassenbewustzijn

De eenwording (eenwording als een proces) van proletarische massa, proletarische voorhoede en revolutionaire partij wordt bepaald door de overgang van de elementaire proletarische in de revolutionaire klassenstrijd, of juister: in de proletarische revolutie en de uitwerking die deze transformatie op het klassenbewustzijn van de loonafhankelijke massa’s heeft.

Klassenstrijd is al duizenden jaren gevoerd zonder dat de strijdende partijen beseften wat zij deden. Proletarische klassenstrijd werd allang gevoerd, voordat er een socialistische beweging, laat staan een wetenschappelijk socialisme bestond. Elementaire klassenstrijd — stakingen, het neerleggen van het werk voor looneisen of verkorting van de arbeidstijd en andere verbeteringen van de arbeidssituatie — leidde tot elementaire klassenorganisatie (onderlinge steunkassen, de eerste kiemen van vakbondsorganisatie), ook al droegen deze organisatievormen een voorlopig en tijdelijk karakter. Elementaire klassenstrijd, elementaire klassenorganisatie en elementair klassenbewustzijn zijn dus direct uit de actie voortgekomen, en alleen de uit deze actie voortkomende ervaring kan bewustzijn vormen en bevorderen. Het is een historische wet, dat brede massa’s hun bewustzijn alleen door acties kunnen veranderen.

Maar ook in zijn meest elementaire vorm laat de spontane klassenstrijd der loonafhankelijken in de kapitalistische productiewijze sporen achter: bewustzijn dat zijn neerslag vindt in blijvende organisatie. De meerderheid der arbeiders is slechts gedurende de strijd actief. Na de strijd trekken zij zich vroeg of laat terug in het privé-leven (d.w.z. ‘in de strijd om het bestaan’). Wat de voorhoede van de meerderheid onderscheidt, is het feit dat ze ook tussen twee hoogtepunten van actieve strijd het toneel van de klassenstrijd niet ontruimt en als het ware ‘de oorlog met andere middelen’ voortzet. De weerstandskassen die in de strijd ontstaan zijn, probeert zij tot permanente weerstandskassen d.w.z. tot vakbonden om te vormen. [17] Het elementaire klassenbewustzijn dat in de strijd is ontstaan, probeert ze te kristalliseren en te vergroten door het uitgeven van arbeiderskranten en het organiseren van scholingsgroepen voor arbeiders. Tegenover de onvermijdelijk discontinue massa-actie [18] vormt zij dus het continue moment, tegenover de op zichzelf beschouwt spontane massabeweging het moment van bewustzijn.

Maar wat de voorhoede der arbeiders de weg naar blijvende organisatie en groeiend klassenbewustzijn doet inslaan is niet zozeer de theorie, de wetenschap, het geestelijk inzicht in de maatschappelijke totaliteit, als wel de ervaring in de praktische strijd. Omdat de strijd aantoont [19] dat het weer opheffen van de weerstandskassen na elke staking afbreuk doet aan het effect van de staking en schadelijk is voor de grootte van de kas, wordt geprobeerd tot een permanent stakingsfonds te komen. Omdat de ervaring leert dat een incidenteel pamflet minder uitwerking heeft dan een regelmatig verschijnende krant, wordt de arbeiderspers opgericht. Direct in de strijdervaring geworteld bewustzijn is een empirisch-pragmatisch bewustzijn, dat weliswaar bevruchtend kan werken op de actie, maar onvermijdelijk bij het theoretisch inzicht achterloopt. De revolutionaire voorhoedeorganisatie kan dit inzicht vergroten op voorwaarde dat zij van haar kant naar verbinding met de praktijk van de klassenstrijd streeft, d.w.z. de harde test van een toetsing van de theorie door de praktijk, en de hereniging van theorie en praktijk niet uit de weg gaat. Vanuit het standpunt van het ontwikkelde marxisme — zowel van Marx zelf als van Lenin — is een van de praktijk losgemaakte ‘ware’ theorie evenzeer een onding als een ‘revolutionaire praktijk’ die niet gebaseerd is op een wetenschappelijke theorie. Deze constatering doet echter geen afbreuk aan de betekenis en de noodzaak van de theoretische productie. Ze legt slechts de nadruk op het feit dat de loonafhankelijke massa’s en revolutionaire individuen vanuit verschillende uitgangspunten en met een verschillende dynamiek de eenheid van theorie en praktijk tot stand moeten brengen. Schematisch kan dit proces als volgt worden weergegeven:

klassenbewustzijn schema

Dit formele schema laat een aantal conclusies over de dynamiek van het klassenbewustzijn zien, waarop in de analyse al vooruitgelopen was, maar die nu hun werkelijke plaats toegewezen krijgen. De collectieve actie van de voorhoede der arbeiders (de ‘natuurlijke leiders’ van de arbeidersklasse in het bedrijf) is juist hierom betrekkelijk moeilijk te verwezenlijken, omdat ze noch door louter overtuiging te bereiken is (zoals bij de revolutionaire kernen) noch door louter spontane explosiviteit (zoals bij de brede massa’s). Juist de strijdervaring, het belangrijkste motief in het handelen van de arbeidersvoorhoede, maakt haar voorzichtig bij het opzetten van grote acties. Deze arbeiders hebben de lessen van vroegere acties verwerkt en weten, dat een nauwgezette activiteit geenszins voldoende is om het doel te bereiken; ze koesteren weinig illusies over de kracht van de tegenstander (om over diens ‘grootmoedigheid’ maar helemaal te zwijgen) en over de duur van de massabeweging. De grootste ‘verleiding’ van het economisme is juist hierin gelegen.

We vatten nu samen: 1. De opbouw van de revolutionaire klassenpartij betekent de versmelting van het bewustzijn van de revolutionaire kernen met dat van de voorhoede der arbeiders. 2. Het rijpen van een prerevolutionaire situatie (een situatie die potentieel revolutionair is) drukt zich uit in het feit, dat de actie van de brede massa’s steeds meer overeenstemt met die van de voorhoede der arbeiders. 3. Een revolutionaire situatie — d.w.z. de mogelijkheid van een revolutionaire verovering van de macht — ontstaat, wanneer zowel de versmelting van voorhoede- en massa-acties alsook van revolutionair en voorhoedebewustzijn plaats gevonden heeft. [20] De klassenstrijd die zich uit de tegenstellingen van de kapitalistische productiewijze ontwikkelt, ontbrandt voor de brede massa’s altijd alleen maar naar aanleiding van de directe ‘levenskwesties’. Het probleem van de overgang van de klassenstrijd in een revolutionaire strijd kent dus niet alleen een kwantitatieve maar ook een kwalitatieve conditie. Het kan slechts worden opgelost als er voldoende politiek bewuste arbeiders zijn die in staat zijn, de massa’s voor doeleinden te mobiliseren die het voortbestaan van de burgerlijke maatschappij en de kapitalistische productiewijze aantasten. Dit onderstreept de centrale betekenis van de overgangseisen [21], de strategische positie van arbeiders die reeds bedreven zijn in het propageren van deze overgangseisen, en het historisch belang van de revolutionaire organisatie, want alleen zij is in staat een omvattend programma van overgangseisen op te stellen, dat zowel aan de objectieve historische omstandigheden beantwoordt als bij de subjectieve behoeften van de massa’s aansluit. Een proletarische revolutie kan slechts slagen als al deze factoren succesvol met elkaar verbonden worden.

Lenins concept van het centrale strategische plan

We zeiden al dat Lenins organisatietheorie in wezen een theorie van de revolutie is. Het is de grote zwakte van Rosa Luxemburgs polemiek tegen Lenin uit de jaren 1903-1904 dat zij dit niet onderkend heeft. Typerend is dat het centralisatiebegrip dat door Rosa Luxemburg aangevallen (en tegelijk bevestigd) werd, een louter organisatorisch begrip is. Lenin wordt verweten een ‘ultracentralistische’ politiek te voeren en ieder initiatief van de lagere partijeenheden onmogelijk te maken. [22] Maar wanneer we de organisatietheorie bekijken zoals die door Lenin zelf werd ontwikkeld, dan blijkt de nadruk geenszins op de formeel-organisatorische kant van de centralisatie te liggen, maar op haar politiek-maatschappelijke functie. Centraal in Wat te doen? staat het begrip van de ontwikkeling van het proletarisch klassenbewustzijn tot een politiek klassenbewustzijn door middel van een allesomvattende politieke activiteit, die alle problemen van de interne en externe klassenverhoudingen aan de orde stelt en daarop ook vanuit marxistisch standpunt een antwoord formuleert: “In werkelijkheid kan het verhogen van de activiteit der arbeidersmassa echter uitsluitend worden bereikt, als we ons niet beperken tot de ‘politieke agitatie op economische grondslag’. Een van de belangrijkste voorwaarden voor de noodzakelijke verbreding van de politieke agitatie is echter het organiseren van alzijdige politieke onthullingen. Het politieke bewustzijn en de revolutionaire activiteit van de massa’s kunnen slechts door deze onthullingen tot ontwikkeling worden gebracht.” En verder: “Het bewustzijn van de arbeidersmassa kan geen waarachtig klassenbewustzijn zijn, als de arbeiders niet aan de hand van concrete en bovendien in ieder geval actuele politieke feiten en gebeurtenissen leren, elke andere klasse van de maatschappij in alle verschijningsvormen van het intellectuele, morele en politieke leven van deze klasse gade te slaan; als ze niet leren de materialistische analyse en materialistische beoordeling van alle zijden van de activiteit van alle klassen, lagen en groepen van de bevolking in de praktijk toe te passen. Wie de aandacht, de opmerkingsgave en het bewustzijn van de arbeidersklasse uitsluitend of zelfs maar overwegend op haar zelf richt, is geen sociaaldemocraat, want de zelfkennis van de arbeidersklasse is onverbrekelijk verbonden met de volledige helderheid niet alleen van de theoretische — of beter gezegd, niet zozeer van de theoretische — voorstellingen als wel van de uit de ervaring van het politieke leven ontwikkelde voorstellingen over de onderlinge relaties van alle klassen van de moderne maatschappij’. [23]

Om dezelfde reden benadrukt Lenin de noodzaak, dat de revolutionaire partij alle progressieve eisen en bewegingen, ook ‘louter democratische’, van alle onderdrukte maatschappelijke lagen en klassen tot de hare maakt. Het centrale strategische plan dat Lenin in Wat te doen? opstelt [24], is dat van een partij-agitatie die de elementaire, spontane, verbrokkelde en ‘slechts’ plaatselijke of sectoriele verzetsbewegingen, protesten en revoltes bundelt. De nadruk bij deze centralisatie ligt ondubbelzinnig op het politieke en niet op het organisatorische vlak. De formeel-organisatorische centralisatie beoogt slechts de uitvoering van dit strategische plan mogelijk te maken.

Daar Rosa Luxemburg deze kern van Lenins ‘centralisme’-these niet onderkent, is zij in haar polemiek gedwongen er een andere opvatting van de ontwikkeling van politiek klassenbewustzijn en het voorbereiden van revolutionaire situaties tegenover te stellen. En dan wordt het volkomen duidelijk hoe zeer ze in dit debat in het ongelijk stond. Rosa Luxemburgs opvatting dat “het proletarische leger pas in de strijd zelf gerekruteerd wordt en pas in de strijd een duidelijk beeld krijgt van de taken die de strijd stelt” [25] is door de geschiedenis weerlegd. Ook in de meest energieke en langste arbeidersstrijd kreeg de arbeidersmassa geen, of slechts onvoldoende inzicht in de taken die de strijd haar stelde (men denkt slechts aan de algemene stakingen van 1936 en 1968 in Frankrijk, aan de enorme strijd van de Italiaanse arbeiders in 1920, 1948 en 1969, of aan de klassenstrijd in Spanje van 1931 tot 1937). De ervaring van de strijd volstaat helemaal niet om de taken in een brede prerevolutionaire of zelfs revolutionaire massastrijd duidelijk te maken. Deze taken hangen namelijk niet alleen met de directe motieven samen waarop de strijd ontbrand is. Ze kunnen slechts worden vastgesteld op grond van een algemene analyse van de ontwikkeling van de hele maatschappij, van de historische situatie die de kapitalistische productiewijze en haar interne tegenstellingen hebben bereikt, evenals van de nationale en internationale krachtsverhoudingen tussen de klassen. Het is een volmaakte illusie te veronderstellen, dat zonder langdurige en stugge voorbereiding, zonder de praktische ervaring die de voorhoede der arbeiders heeft opgedaan bij de pogingen een revolutionair programma aan de massa’s over te brengen, en dat alleen met behulp van massa-acties het bewustzijn gevormd kan worden dat adequaat is aan de eisen van de historische situatie. Men zou nog verder kunnen gaan en de stelling kunnen poneren, dat het proletariaat zijn historische doelen nooit zal bereiken als aan het uitbreken van de massastrijd, die alleen de mogelijkheid schept voor het ontwikkelen van revolutionair bewustzijn, niet de noodzakelijke opleiding, scholing en praktijkervaring van een proletarische voorhoede bij het verwerken van en agiteren voor het revolutionaire programma vooraf is gegaan. Dat is de tragische les van de Duitse revolutie na de eerste wereldoorlog, die juist mislukte door het ontbreken van een geschoolde voorhoede.

Lenins strategische plan heeft als doel door de organische verbinding van de individuele revolutionaire kaders met de voorhoede der arbeiders zo een geschoolde voorhoede te creëren. Zonder een veel omvattende politieke activiteit, die de voorhoede der arbeiders buiten het kader van het loutere vakbonds- of zelfs het loutere bedrijfswerk brengt, is dat onmogelijk. De empirische gegevens waarover wij op dit moment beschikken bevestigen dat Lenins partij voor en tijdens de revolutie van 1905, en na het begin van de heropleving van de massabeweging in 1912 inderdaad zo’n partij was [26].

Men moet nog een ander gezichtspunt in de beschouwing betrekken als men de betekenis van Lenins strategische plan volledig wil begrijpen. Iedere politieke conceptie die gericht is op een revolutie, moet zich onvermijdelijk bezighouden met het probleem van de directe confrontatie met de staatsmacht, resp. het probleem van de verovering van de politieke macht. Zodra echter deze problematiek in de conceptie opgenomen wordt, ontstaat er opnieuw een drang in de richting van centralisatie. Lenin en Rosa Luxemburg waren het erover eens, dat het kapitalisme en de burgerlijke staat een geweldig centraliserende werking hebben op de moderne maatschappij [27] en dat het je reinste illusie is te hopen dat men deze gecentraliseerde staatsmacht stapsgewijs zou kunnen ‘afbreken’ zoals men een muur steen voor steen ‘afbreekt’. (Op deze illusie is overigens de ideologische kern van reformisme en revisionisme gebaseerd, die Rosa Luxemburg en Lenin beiden even fel afwezen.) [27a]

Zodra men dus de verovering van de staatsmacht als doel op korte of middellange termijn heeft gesteld, doet zich het probleem voor welk instrument men bij de verovering van de macht moet hanteren. Ook hier heeft Rosa Luxemburg het specifieke van Lenins strikt polemisch gebruik van het begrip “met de organisatie van het klassenbewuste proletariaat onverbrekelijk verbonden jakobijnen” niet begrepen. Wat Lenin met dit begrip bedoelde, was geen blanquistische bende samenzweerders, maar een voorhoede, gericht op het ononderbroken verwezenlijken van het revolutionaire programma, die zich niet door de onvermijdelijke conjuncturele op- en neergang van de massabeweging laat afleiden van de concentratie op deze taken.

Om Rosa Luxemburg recht te doen moet men hier echter aan toevoegen, dat zij ten eerste dit probleem vanuit een bijzondere historische optiek benaderde — benaderen moest —, namelijk vanuit het gezichtspunt van het Duitsland van 1904, toen de revolutie duidelijk niet voor de deur stond; en ten tweede dat zij in Lenins geest de nodige conclusies uit deze premissen heeft getrokken, zodra de actualiteit van de revolutie ook in Duitsland een direct gegeven was. [28]

Revolutionaire voorhoede en spontane massa-actie

Het is onbillijk en onjuist als men Lenins werk als een systematische ‘onderschatting’ van de betekenis van spontane massa-acties karakteriseert (waar tegenover dan de ‘waardering’ hiervan door Rosa Luxemburg of Trotski staat). Afgezien van enkele polemische teksten die alleen in hun context werkelijk begrepen kunnen worden, beoordeelde Lenin spontaan uitbrekende massastakingen en demonstraties even enthousiast als Rosa Luxemburg en Trotski [29]. Pas de stalinistische bureaucratie vervalste het leninisme in de richting van een toenemend wantrouwen tegen spontane massabewegingen — wat voor elke bureaucratie kenmerkend is.

Als Rosa Luxemburg zegt, dat het uitbreken van een proletarische revolutie niet met de agenda in de hand ‘vooruit bepaald’ kan worden, dan heeft ze volkomen gelijk, en Lenin zou haar hierin bijvallen. Evenals zij was hij ervan overtuigd dat de elementaire activiteit van de massa’s, zonder welke een revolutie ondenkbaar is, noch schematisch ‘georganiseerd’, noch door een stel gedisciplineerde onderofficieren ‘gecommandeerd’ kan worden. Evenals Rosa Luxemburg wist Lenin de inventiviteit en het initiatief die een werkelijk brede massa-actie ontwikkelt, zeer goed op hun waarde te schatten. Het verschil tussen Lenins organisatietheorie en de zogenaamde spontaneïteitstheorie — die slechts in een zeer bepaald opzicht aan Rosa Luxemburg toegeschreven kan worden — ligt daarom niet in de waardering van het massa-initiatief, maar in het oordeel over haar beperkingen. Het initiatief van de massa’s is tot veel in staat, maar het is noch in staat uit zichzelf het hele programma van een socialistische revolutie in de strijd zelf te ontwikkelen, noch in staat de centralisering van krachten te bewerkstelligen die het pas mogelijk maakt een staatsmacht met heel zijn onderdrukkingsapparaat omver te werpen, die steunt op het volledig uitbuiten van de voordelen van de ‘interne verdedigingslinies’. Met andere woorden: de grenzen van massa spontaneïteit liggen juist daar, waar duidelijk wordt dat een succesvolle socialistische revolutie niet geïmproviseerd kan worden.

Overigens bestaat de ‘zuivere’ spontaneïteit alleen in het sprookjesboek van de arbeidersbeweging, niet in haar werkelijke geschiedenis. Wat men onder de ‘spontaneïteit van de massa’s’ moet verstaan, zijn bewegingen die niet door een of andere centrale instantie van te voren precies gepland zijn. Wat men niet moet verstaan onder ‘spontaneïteit’ van de massa’s zijn bewegingen die zonder ‘politieke beïnvloeding van buiten af’ plaats vinden. Als men het vernislaagje van de zogenaamde ‘spontane bewegingen’ afkrabt, zal men er een flinke laag knalrode menie onder ontdekken: hier een lid van een ‘voorhoede’-groep die een ‘spontane’ staking op gang gebracht heeft, daar een voormalig lid van een andere ‘ultralinkse’ organisatie die in staat was bliksemsnel te reageren toen de anonieme massa nog weifelde. In het ene geval zullen we in de ‘spontane’ actie het resultaat van jarenlange vakbondsoppositie of het werk van een basisgroep ontdekken, in het tweede geval het resultaat van contacten die door medearbeiders uit een naburige stad (of bedrijf), waar de ‘linksen’ sterker zijn, gedurende lange tijd geduldig (en lange tijd zonder succes) opgebouwd zijn. Ook in de klassenstrijd bestaan er geen gebraden duiven die ‘spontaan’ uit de lucht komen vallen. Het verschil tussen de ‘spontane’ actie en het ‘ingrijpen van de voorhoede’ ligt dus niet hierin, dat in het eerste geval al degenen die in strijd zijn, hetzelfde bewustzijnsniveau hebben, terwijl in het tweede geval ‘de voorhoede’ zich van ‘de massa’ onderscheidt. Het verschil tussen beide actievormen ligt evenmin in de omstandigheid dat in ‘spontane’ acties geen leuzen ‘van buiten af’ onder de arbeiders gebracht worden, terwijl een georganiseerde voorhoede zich ‘elitair’ opstelt tegenover de elementaire eisen van de massa en haar een programma ‘opdringt’. ‘Spontane’ acties zonder het werk van een voorhoede zijn er nooit geweest. Het verschil tussen ‘spontane’ acties en acties waarin ‘de revolutionaire voorhoede ingrijpt’, bestaat hoofdzakelijk, hoewel niet uitsluitend, hierin, dat in de ‘spontane’ actie dit ingrijpen ongeorganiseerd, geïmproviseerd, discontinu en onplanmatig plaatsvindt (in een bedrijf, district of stad), terwijl het bestaan van een revolutionaire organisatie het mogelijk maakt het ingrijpen van de voorhoede in de ‘spontane massastrijd’ te coördineren, te plannen, bewust te synchroniseren en blijvend te organiseren. Bijna alle eisen van Lenins ‘hypercentralisme’ hebben hierop, en alleen hierop, betrekking.

Alleen een onverbeterlijke fatalist (d.w.z. een mechanisch determinist) kan de stelling verdedigen, dat alle massa-acties precies op de dag waarop ze plaatsgevonden hebben, plaats moesten vinden, en dat in alle gevallen waar geen massa-actie is ontstaan, deze ook niet mogelijk was. Zo een fatalistische instelling (gepropageerd door de school van Kautsky-Bauer) is in werkelijkheid de karikatuur van Lenins organisatietheorie. En het is zeker geen toeval dat vele tegenstanders van het leninisme die zo veel praten over ‘massaspontaneïteit’ dit vulgaire mechanische determinisme verdedigen en niet willen inzien, hoe zeer dit in strijd is met de ‘herwaardering’ van de ‘massaspontaneïteit’.

Al gaat men uit van de onvermijdelijkheid van periodieke spontane massa-actie — vanaf het moment dat de sociaal-economische tegenstellingen het punt bereikt hebben waarop de kapitalistische productiewijze prerevolutionaire crises moet veroorzaken —, dan blijft het toch een onomstotelijk feit, dat het precieze tijdstip onmogelijk te bepalen is, omdat incidenten, partiële conflicten en toevalligheden daarbij een belangrijke rol spelen. Daarom kan een revolutionaire voorhoede, die op de beslissende momenten in staat is, haar eigen krachten op de ‘zwakste schakel’ te concentreren, onvergelijkelijk veel effectiever zijn dan het geïsoleerde optreden van vele bewuste arbeiders, die deze mogelijkheid tot concentratie niet bezitten. [30] De twee grootste stukken arbeidersstrijd die er tot nu toe in het westen zijn geweest — mei 1968 in Frankrijk en de herfst van 1969 in Italië — hebben deze opvatting bevestigd. Beide acties begonnen met ‘spontane’ strijd die noch door de vakbonden noch door de grote sociaaldemocratische of ‘communistische’ partijen voorbereid was. In beide gevallen speelden radicale arbeiders en studenten resp. revolutionaire kaders, een belangrijke rol: zij stelden de arbeidersmassa’s in staat ‘aan de hand van de praktijk te leren’. In beide gevallen namen miljoenen mensen aan het conflict deel, meer dan in de tijd van de grootste klassenstrijd na de eerste wereldoorlog: omstreeks 10 miljoen loonafhankelijke in Frankrijk, ongeveer 15 miljoen in Italië. In beide gevallen ging het doel verder dan het ‘economisme’ van de zuiver economische staking. In Frankrijk bleek dat uit de fabrieksbezettingen. In Italië uit straatdemonstraties, het stellen van politieke eisen alsook de pogingen tot zelforganisatie op de arbeidsplaats, d.w.z. tot dubbele macht: het kiezen van de delegati di reparto (hierin was de voorhoede van de Italiaanse arbeidersklasse verder dan die van de Franse, zij trok de eerste belangrijke historische les uit de Franse meidagen) [31]. Maar in geen van beide gevallen is het gelukt het burgerlijke staatsapparaat en de kapitalistische productiewijze omver te werpen, of zelfs maar een massale aanhang te verwerven voor strijddoelen die een dergelijke revolutie op korte termijn mogelijk hadden gemaakt. Om Trotski’s metafoor uit de Geschiedenis van de Russische revolutie te citeren: de stoom ontsnapte, omdat er geen cilinder was die deze op het beslissende punt kon concentreren. [32] Inderdaad: de drijvende kracht is in laatste instantie de energie van de massamobilisatie en de massastrijd, niet de cilinder zelf. Zonder deze stoom is de cilinder een lege huls. Maar zonder cilinder ontsnapt ook de sterkste stoom, en bereikt zijn doel niet. Dit is de essentie van Lenins organisatietheorie.

Organisatie, bureaucratie en revolutionaire actie

Aan dit vraagstuk zit echter nog een complicatie vast, die Lenin in de tijd van de scherpste conflicten met de mensjewieken niet (1903-1905), of slechts onvoldoende (1908-1914) heeft onderkend. En hier komt de historische prestatie van Trotski en Rosa Luxemburg bij het doorzien van de dialectiek ‘arbeidersklasse — voorhoede der arbeiders – arbeiderspartij’ pas volledig tot zijn recht. Juist het onvoldoende klassenbewustzijn van de brede arbeidersmassa’s maakt een voorhoede, een scheiding van partij en massa noodzakelijk. Het gaat hier om een complexe, door Lenin meermalen benadrukte dialectische verhouding, om de eenheid van scheiding en integratie, die beantwoordt aan de historische bijzonderheden van de revolutionaire strijd voor een socialistische omwenteling. Deze partij ontstaat echter in de burgerlijke maatschappij, ze kan niet abstraheren van de aan deze maatschappij inherente kenmerken van universele arbeidsdeling en warenproductie, die de verdinglijking van alle menselijke betrekkingen met zich brengen. [33] D.w.z.: het oprichten van een partijapparaat dat gescheiden is van de arbeidersmassa, bergt het gevaar in zich, dat dit apparaat verzelfstandigt. Zodra deze tendens doorzet, verandert het apparaat van een middel gericht op een doel (succesvolle proletarische klassenstrijd) tot een doel in zichzelf. Dit is nu precies de wortel van de deformatie van de tweede en derde Internationale, van het onderwerpen van de sociaaldemocratische en communistische partijen aan conservatief-reformistische bureaucratieën, gericht op het behoud van de status quo. [34]

Bureaucratie is een product van de arbeidsdeling, d.w.z. van het feit dat de arbeidersmassa niet in staat is alle taken waar zij voor staat, zelf direct te vervullen. Deze arbeidsdeling beantwoordt volledig aan de materiële verhoudingen, en is geen uitvinding van functionarissen. Worden deze verhoudingen genegeerd, dan treden soortgelijke verschijnselen op als onder invloed van de bureaucratie: de beweging stagneert. We komen hier vanuit een ander uitgangspunt — de organisatietechniek — op dezelfde problematiek terecht die we hierboven reeds uiteengezet hebben: de kapitalistische productiewijze is geen modelschool voor de autonome activiteit van het proletariaat; ze leert de arbeiders niet automatisch de doeleinden en vormen van hun zelfbevrijding spontaan te doorzien en te gebruiken.

Lenin heeft het gevaar van verzelfstandiging van het apparaat en van de bureaucratisering van de arbeiderspartijen onderschat in zijn eerste debat met de mensjewieken. Als het belangrijkste probleem zag hij het opportunisme van de kleinburgerlijke academici en de kleinburgerlijke ‘trade-unionisten’ en hij stak de draak met het verzet van talrijke van zijn kameraden tegen het ‘bureaucratisme’. In werkelijkheid heeft de geschiedenis aangetoond, dat het belangrijkste gevaar van opportunisme in de sociaaldemocratie voor de eerste wereldoorlog noch van de kant der academici noch van de ‘trade-unionisten’ kwam, maar van de sociaaldemocratische partijbureaucratie zelf; kortom: van een ‘legalistische’ praktijk, die zich enerzijds tot electorale en parlementaire activiteit, anderzijds tot vakbonds-economische partiële hervormingen beperkte. (Men hoeft deze praktijk slechts te beschrijven om duidelijk te maken, hoezeer zij lijkt op die van de huidige West-Europese communistische partijen).

Trotski en Rosa Luxemburg hebben dit gevaar beter en vroeger onderkend dan Lenin. Al in 1904 zegt Rosa Luxemburg in dit verband dat ‘een scheiding tussen de voortstormende massa en de treuzelende sociaaldemocratie’ [35] mogelijk is, al geldt dat alleen voor het geval van een ‘overcentralisatie’ van de partij volgens het model van Lenin. Twee jaar later formuleert Trotski de toestand vrij nauwkeurig:

“De Europese socialistische partijen, en vooral de grootste onder hen, de Duitse sociaaldemocratie, hebben in dezelfde mate hun conservatisme ontwikkeld als de brede massa’s tot het socialisme toegetreden zijn en georganiseerd en gedisciplineerd werden. Daaruit blijkt dat de sociaaldemocratie, als de organisatie die de politieke ervaring van het proletariaat belichaamt, op een bepaald moment een directe hindernis voor een openlijk conflict tussen de arbeiders en de burgerlijke reactie zou kunnen worden. Met andere woorden, het conservatisme van het uitsluitend propagandistische socialisme van de proletarische partijen zou op een gegeven moment de directe strijd van het proletariaat om de macht kunnen remmen.” [36]

Lenin wilde dat eerst niet zo zien. Pas aan het begin van de eerste wereldoorlog herzag hij zijn mening, toen de Duitse linksen al verscheidene jaren geen enkele illusie meer hadden over de sociaaldemocratische partijleiding. [37]

Organisatietheorie, revolutionair programma, revolutionaire praktijk

Na de traumatische schok die de 4e augustus 1914 voor Lenin betekende, deed hij ook in deze kwestie een beslissende stap voorwaarts. De organisatie wordt vanaf dit moment niet alleen maar functioneel, maar ook inhoudelijk opgevat. Het gaat er niet meer alleen om tegenover ‘de organisatie’ in het algemeen, ‘de spontaneïteit’ in het algemeen te stellen, zoals Lenin dat nog in Wat te doen? en Eén stap voorwaarts, twee stappen terug had gedaan. Maar nu wordt de objectief-conservatieve organisatie zorgvuldig onderscheiden van de objectief-revolutionaire, en dit onderscheid wordt gemaakt naar objectieve criteria (revolutionair programma, overbrengen van dit programma op de massa’s, revolutionaire praktijk enz.). De spontane strijdwil van de massa’s verdient de voorkeur boven de activiteiten van conservatief-reformistische massa-organisaties.

‘Naïeve’ organisatie-fetisjisten zouden kunnen beweren dat Lenin na 1914 overging naar het Luxemburgistische standpunt van het spontaneisme, als hij bij conflicten tussen ‘ongeorganiseerde massa’s’ en de sociaaldemocratische organisatie, de eerste tegen de tweede verdedigt, respectievelijk de sociaaldemocraten beschuldigt van verraad aan de massa’s [38]. Lenin ziet nu zelfs het vernietigen van conservatief geworden organisaties als een voorwaarde voor de zelfbevrijding van het proletariaat. [39]

De correctie, of beter: de aanvulling die Lenin na 1914 op zijn organisatietheorie aanbracht, was echter geen stap terug naar het verabsoluteren van de ‘zuivere’ spontaniteit, maar een stap voorwaarts naar het onderscheid tussen de revolutionaire partij en de organisatie in het algemeen. In plaats van de eis dat de partij politiek klassenbewustzijn onder de arbeidersklasse tot ontwikkeling moet brengen, treedt nu de formule: de revolutionaire voorhoede moet bij de voorhoede van de arbeiders revolutionair bewustzijn opwekken en ontwikkelen. De opbouw van de revolutionaire klassenpartij betekent het versmelten van het programma van de socialistische revolutie niet de strijdervaring van de meerderheid van de arbeiders die de voorhoede van hun klasse uitmaken. [40]

Deze uitwerking van de organisatietheorie na het uitbreken van de eerste wereldoorlog hangt samen met de herziening van Lenins concept van de actualiteit van de revolutie. Terwijl dit concept voor 1914 in zijn essentie tot Rusland beperkt was, werd het na 1914 tot heel Europa uitgebreid (de actualiteit van de revolutie in de semi-koloniën en koloniën was Lenin al na de Russische Revolutie van 1905 duidelijk).

De geldigheid van Lenins ‘strategische plan’ voor de imperialistische landen van West-Europa in onze tijd hangt daarom nauw samen met de vraag naar het karakter van het historische tijdperk waarin wij leven. Alleen als men van de — onzes inziens juiste en bewijsbare — veronderstelling uitgaat, dat het kapitalistische wereldsysteem sinds de eerste wereldoorlog, en op zijn laatst sinds de oktoberrevolutie, in een structurele crisis verkeert [41], die tot revolutionaire situaties moet leiden, mag men vanuit het standpunt van het historisch materialisme, uit de ‘actualiteit van de revolutie’ een partijconceptie afleiden. Neemt men echter aan, dat we ons nog steeds in een periode van opgang van het kapitalisme bevinden, dan moet zo een conceptie als ‘voluntaristisch’ worden afgewezen, want het specifieke van Lenins strategische elan is niet de revolutionaire propaganda, maar de oriëntering op de revolutionaire acties die op korte of middellange termijn op handen zijn. Ook in de periode van opgang van het kapitalisme waren zulke acties mogelijk (de Commune van Parijs), maar alleen als uitzonderingen die zonder succes bleven. Een partijstructuur die afgestemd is op de voorbereiding van effectieve deelname aan zulke acties, zou daarom nauwelijks zin hebben.

Het verschil tussen een ‘arbeiderspartij’ (wat betreft haar leden of zelfs haar kiezers) en een revolutionaire arbeiderspartij (of het embryo van zo een partij) ligt niet alleen in haar programma of haar objectieve maatschappelijke functie — het stimuleren en niet het weg-kanaliseren van alle objectief revolutionaire massa-acties, resp. van alle eisen en actievormen die de kapitalistische productiewijze en de burgerlijke staat in hun wezen aantasten —, maar ook in haar capaciteit dit programma pedagogisch over te brengen.

De probleemstelling kan als volgt worden toegespitst: is het gevaar van verzelfstandiging van het apparaat beperkt tot de opportunistische en reformistische ‘arbeiders’organisaties, of bedreigt het elke organisatie, ook die welke een revolutionair programma en een revolutionaire praktijk bezitten? Is bureaucratie niet het onvermijdelijke gevolg van iedere arbeidsdeling, inclusief die tussen ‘leiding’ en ‘leden’ in een revolutionaire groep? En is daarom niet iedere revolutionaire organisatie gedoemd om, zodra ze een klein kader te buiten gaat, op een bepaald punt in haar ontwikkeling en in de ontwikkeling van de massastrijd een rem te worden op de zelfbevrijding van het proletariaat?

Als we aannemen dat deze argumentatie juist is, blijft er maar één slotconclusie over: de socialistische bevrijding van de arbeidersklasse en de mensheid zou dan uitgesloten zijn. Want de veronderstelde onvermijdelijke verzelfstandiging en verdinglijking van iedere organisatie moet dan als het ene deel van een dilemma opgevat worden, waarvan het andere deel bestaat uit het onvermijdelijk ondergaan in kleinburgerlijk of burgerlijk. ‘vals bewustzijn’ van alle ongeorganiseerde arbeiders, van alle in een partiële praktijk gevangen intellectuelen, van alle aan de leiband van de universele warenproductie lopende mensen. Alleen de op een totaal bewustzijn gerichte en de theorie verrijkende revolutionaire praktijk verhindert het binnendringen valt de ‘ideologie van de heersende klasse’ in de rijen van de individuele revolutionairen. Deze praktijk kan slechts een collectief en georganiseerd karakter dragen. Als de hierboven weergegeven redenering juist zou zijn, dan zou men tot de conclusie moeten komen dat de voorhoede der arbeiders zowel met als zonder organisatie er toe is veroordeeld geen politiek klassenbewustzijn te verwerven, dan wel het snel te verliezen.

Maar in werkelijkheid is dit een valse bewijsvoering, omdat zij het begin van een proces gelijkstelt met het uiteindelijke resultaat ervan; omdat zij op een statische en fatalistische wijze uit het gevaar van de verzelfstandiging van organisaties, ook van revolutionaire, concludeert dat deze verzelfstandiging daarom onvermijdelijk is. Dit is noch empirisch, noch theoretisch te bewijzen. Want de mate waarin een revolutionaire voorhoedeorganisatie — en nog meer een revolutionaire partij — blootstaat aan het gevaar van bureaucratische deformatie, hangt niet alleen af van de tendens tot verzelfstandiging die alle instellingen in de burgerlijke maatschappij inderdaad vertonen, staar ook van de tegengestelde tendensen, bijvoorbeeld van de integratie van de revolutionaire organisatie in een internationale beweging die onafhankelijk is van ‘nationale’ organisaties en deze theoretisch (niet door middel van een apparaat, maar door middel van politieke kritiek) controleert; van de deelname aan de klassenstrijd en aan revolutionaire strijd, die een voortdurende selectie van de kaders door de praktijk mogelijk maken, van de stelselmatige poging de arbeidsdeling op te heffen door een voortdurende ‘stofwisseling’ te garanderen tussen bedrijf, universiteit en ‘vrijgestelden’; van institutionele garanties (beperking van het inkomen van de vrijgestelden, verdediging van de normen van de interne organisatiedemocratie en van de vrijheid van tendens- en fractievorming) enz.

Het resultaat van deze tegengestelde tendensen hangt af van de strijd die er tussen hen plaats vindt, welke op zijn beurt door twee maatschappelijke factoren bepaald wordt [42]: enerzijds door de mate waarin de ‘verzelfstandigde organisatie’ de weg vrijmaakt voor bijzondere maatschappelijke belangen, en anderzijds de graad van politieke activiteit van de voorhoede van de arbeiders. Alleen als deze laatste op beslissende wijze afneemt, kan de eerste zich op beslissende wijze doorzetten. De hele bewijsvoering komt dus neer op een langdradige tautologie: dat de arbeidersklasse bij toenemende passiviteit niet voor haar bevrijding werkzaam kan zijn. Maar de argumentatie bewijst niet dat bij groeiende activiteit van de voorhoede der arbeiders revolutionaire organisaties geen effectief instrument voor de bevrijding zijn, waarvan de ‘willekeur’ door de autonome activiteit van de klasse (of van haar voorhoede) ingeperkt moet en kan worden. De revolutionaire organisatie is een instrument om revoluties te realiseren. En proletarische revoluties zijn zonder groeiende politieke activiteit van de arbeiders überhaupt onmogelijk.

Organisatietheorie, democratisch centralisme en radendemocratie

Tegen Lenins organisatietheorie is wel als bezwaar aangevoerd, dat ze door overdreven centralisatie de ontwikkeling van een interne partijdemocratie zou verhinderen. Dit verwijt berust op een misverstand. Doordat Lenin de organisatie concentreert op actieve onder collectieve controle werkende leden, vergroot hij in werkelijkheid het terrein waarop de partijdemocratie van toepassing is, in plaats van het te verkleinen. Zodra een arbeidersorganisatie een bepaald ledental heeft overschreden, zijn er in principe maar twee organisatieschema’s mogelijk: dat van de kiesvereniging (of van de districtsgewijze organisatie), dat tegenwoordig overeenstemt met de organisatievorm zowel van SPD als van PCF, of dat van een op actieve en bewuste leden berustende strijdbond. Het eerste schema geeft theoretisch wel enige speelruimte aan opposanten, maar slechts zolang het om bijzaken gaat. De brede massa van apolitieke en passieve leden — waarvan een niet onbelangrijk deel zelfs materieel afhankelijk is van het apparaat (het merendeel van de arbeiders en employees in dienst van gemeente en centrale overheid; de employees van de arbeidersorganisatie zelf enz.) — vormt in dit geval voor het apparaat een te allen tijde te mobiliseren plebiscitaire basis, die met klassenbewustzijn echter niets te maken heeft. De strijdorganisatie echter, waarvan de leden zich bewust en actief engageren, hecht waarde aan de interesse van het individuele lid en geeft het op zijn minst de mogelijkheid tot een zelfstandig oordeel; ‘zuivere apparatsjiks’ noch zuivere carrièrejagers kunnen er even makkelijk een kans krijgen als in de gewone kiesvereniging. Meningsverschillen worden eerder door inhoudelijke discussie opgelost, dan door abstracte ‘loyaliteit’ of materiële afhankelijkheid. Zo een organisatiestructuur is op zichzelf beslist nog geen voldoende garantie tegen bureaucratisering, snaar zij schept in elk geval de voorwaarde om bureaucratisering tegen te gaan. [43]

De verhouding tussen revolutionaire organisatie (partijkern, partij) en arbeidersmassa’s verandert sterk zodra er eelt revolutionaire situatie intreedt. Op dat ogenblik ontkiemt het zaad dat de revolutionaire en bewust socialistische groepen hebben uitgestrooid. Nu kunnen ook brede massa’s direct een revolutionair klassenbewustzijn krijgen.

Trotski heeft in zijn Geschiedenis van de Russische revolutie herhaaldelijk nadrukt, dat de Russische arbeiders op bepaalde breekpunten van deze revolutie de bolsjewistische partij voor waren [44]. Men mag dit echter niet generaliseren; men moet vooral in het oog houden, dat de bolsjewistische partij voor Lenins Aprilthesen een onvoldoende strategische opvatting had van doel en karakter van de Russische revolutie [45]. Toen dit gebrek zich begon te wreken, greep Lenin in met zijn Aprilthesen. Hij kon met succes ingrijpen, omdat de meerderheid van de geschoolde arbeiders-bolsjewieken dezelfde kant op wilden en zij op hun beurt de geweldige radicalisering van de Russische arbeidersklasse weerspiegelden.

Men kan alleen een objectief oordeel vormen over de rol van de bolsjewistische partijorganisatie, als men deze gedifferentieerder formuleert. Hoewel het leidende kader van de partij verschillende keren een rem bleek te zijn bij het overgaan van de partij naar Trotski’s standpunt: strijd voor de dictatuur van het proletariaat (de radenmacht), bleek dat de kristallisatie van een revolutionair arbeiderskader, dat in twee decennia van revolutionaire organisatie en revolutionaire activiteit geschoold was, de beslissende strategische wending deed slagen. Als men dus toch een correlatie tussen de stalinistische bureaucratie en ‘Lenins partijopvatting’ wil construeren, mag men niet simpelweg van de hier beschreven situatie abstraheren. Stalins succes was niet de consequentie van Lenins ‘organisatietheorie’, maar van het wegvallen van een belangrijk moment van deze opvatting. Na Lenins dood ontbrak een brede laag van revolutionair geschoolde arbeiderskaders, die verenigt met de massa’s politiek actief konden worden. Dat onder deze omstandigheden Lenins partijconceptie in haar eigen tegendeel kon omslaan, zou hij zelf nooit ontkend hebben. [46] Het radensysteem is het enige universele antwoord dat de arbeidersklasse tot nu toe op de vraag van de organisatie van haar autonome activiteit in en na de revolutie heeft gegeven [47]. Het maakt het mogelijk alle krachten van de klasse — en van alle progressieve groepen van de maatschappij — bij een gelijktijdige openlijke confrontatie tussen de verschillende stromingen die er binnen de klasse bestaan, te bundelen. Het radensysteem weerspiegelt — voor zover het werkelijk op de basis steunt en de arbeiders niet wordt opgedrongen door een selecterend machtsapparaat — de maatschappelijke en ideologische diversiteit van de proletarische lagen. Een arbeidersraad is in werkelijkheid een eenheidsfront van verschillende politieke groepen, die eensgezind zijn m.b.t. het centrale punt: de gemeenschappelijke verdediging van de revolutie.

Er is daarom geen principiële tegenspraak tussen een revolutionaire organisatie naar Lenins model, en een werkelijke radendemocratie resp. radenmacht. Integendeel: zonder het systematische organisatiewerk van een revolutionaire voorhoede raakt het radensysteem hetzij onder invloed van reformistische of halfreformistische bureaucratieën (zoals het Duitse radenstelsel uit 1918-1919), ofwel verliest het zijn politieke slagvaardigheid, omdat het er niet in slaagt de centrale politieke taken te vervullen (Zoals bij de Spaanse revolutionaire comités tussen juli 1936 en voorjaar 1937). Het idee dat het radensysteem ‘de partijen overbodig’ zou maken is absurd, deze opvatting gaat er of van uit dat de raden de arbeidersklasse in één slag tot een homogeen geheel maken, alle ideologische verschillen en belangenverschillen doen verdwijnen en de hele klasse automatisch en spontaan ‘de revolutionaire oplossing’ van alle strategische en tactische problemen ‘influisteren’, of ze zijn slechts een voorwendsel om een kleine groep door zichzelf benoemde ‘leiders’ de mogelijkheid te geven de massa te manipuleren, door systematisch te verhinderen dat de massa geconfronteerd wordt met de strategische en tactische problemen van de revolutie, d.w.z. daarover vrij discussieert en zelf politiek differentieert (zoals in het systeem van het Joegoslavische zelfbestuur duidelijk het geval is). De revolutionaire organisatie is in staat de arbeiders in het radensysteem een hogere graad van autonome activiteit, eigen inzicht en daardoor revolutionair klassenbewustzijn te garanderen, dan een ongedifferentieerd systeem van vertegenwoordiging zou kunnen. Hiertoe moet zij de autonome activiteit van de arbeiders wel stimuleren. Juist dit is het centrale kenmerk van het radensysteem. Is de grote mate van autonome activiteit van de ‘basis’ te verenigen met Lenins organisatieconcept? Zeker, want dit concept, gebaseerd op een juiste revolutionaire strategie (d.w.z. een juist inzicht in het objectieve historische proces), betekent niets anders dan de bundeling van de activiteit der massa’s; ze is het collectieve geheugen en de coördinator van de verwerkte ervaringen van de massa’s.

De geschiedenis heeft ook in deze kwestie aangetoond, dat het een wezenlijk verschil maakt of een partij zich revolutionair noemt, of werkelijk een revolutionaire partij is. Als een groep functionarissen zich niet alleen opstelt tegenover de initiatieven en de activiteit van de massa, maar deze met alle middelen, ook met militair geweld, probeert te breken (Denk aan Hongarije in oktober-november 1956 of aan de CSSR sinds augustus 1968), en als deze groep niet alleen geen voeling heeft met een spontaan uit de sociale strijd voortgekomen radensysteem, maar dit radensysteem onder het voorwendsel van de verdediging van de ‘leidende rol van de partij’ [48] vernietigt, dan hebben we duidelijk niet meer te maken met een revolutionaire partij van het proletariaat, maar met een apparaat dat de bijzondere belangen van een geprivilegieerde, aan de autonome activiteit van de massa’s vijandige laag, verdedigt: de bureaucratie. Dat een revolutionaire partij kan deformeren tot een partij van de bureaucratie is net zo min een argument tegen Lenins organisatieopvatting, als het feit dat artsen in sommige gevallen zieken gedood in plaats van genezen hebben, een argument is tegen de medische wetenschap. Iedere stap terug van deze opvatting naar ‘zuivere’ massaspontaniteit is te vergelijken met iedere stap van de medische wetenschap terug naar de kwakzalverij.

Sociologie van het economisme, het bureaucratisme en het spontaneisme

Doordat we uiteengezet hebben dat Lenins organisatieopvatting in werkelijkheid een conceptie van de actualiteit van de proletarische revolutie is, hebben we al het centrale moment van Lenins theorie van het proletarisch klassenbewustzijn aangeroerd: het probleem van het revolutionaire subject in het kapitalisme.

Voor Marx en Lenin (evenals voor Rosa Luxemburg en Trotski, hoewel de ze beiden voor 1914 hieruit niet altijd de nodige conclusies trokken) is het revolutionaire subject de werkelijke, potentieel revolutionaire arbeidersklasse, zoals die in het kapitalisme werkt, denkt en leeft [49]. Lenins organisatietheorie volgt logisch uit deze plaatsbepaling van het revolutionaire subject, want het spreekt vanzelf dat een zo gedefinieerd subject wel contradictoir moet zijn. Enerzijds staat het immers bloot aan de loonslavernij, aan de vervreemde arbeid, de verdinglijking van alle menselijke relaties, de invloed van de burgerlijke en kleinburgerlijke ideologie, anderzijds besluit het periodiek tot radicaliserende klassenstrijd, ja tot openlijk revolutionaire actie tegen de kapitalistische productiewijze en het burgerlijk staatsapparaat. In deze periodieke golfbeweging komt de geschiedenis van de werkelijke klassenstrijd va de laatste 150 jaar tot uitdrukking. Het is gewoonweg onmogelijk de ontwikkeling van bijvoorbeeld de Franse of Duitse arbeidersbeweging in de laatste honderd jaar adequaat te vangen onder de noemer ‘toenemende passiviteit’ hetzij onder de noemer ‘ononderbroken revolutionaire activiteit’. Ze is duidelijk de eenheid van beide elementen, en slechts de accenten waarin die eenheid tot uitdrukking komt; zijn steeds weer gewisseld.

Opportunisme en sektarisme als ideologische posities zijn theoretisch gefundeerd op een ondialectische definitie van het revolutionaire subject. Voor de opportunisten is het revolutionaire subject de doorsnee arbeider. Ze zijn ertoe geneigd de vooroordelen van deze arbeider kritiekloos over te nemen en zijn ‘achterwerk te aanbidden’ zoals Plechanov het uitdrukte. Houden de arbeiders zich voornamelijk met de problemen van het eigen bedrijf bezig, dan doet de opportunist zich voor als ‘trade-unionist’. Zijn de arbeiders gevangen in de maalstroom van patriottisch enthousiasme, dan wordt de opportunist sociaalpatriot of sociaalimperialist. Staan de arbeiders onder invloed van de propaganda van de ‘koude oorlog’, dan is hij een man van de koude oorlog: ‘De massa’s hebben altijd gelijk’. De jammerlijkste uitdrukking van opportunisme is wel dat men een programma — al is het maar een verkiezingsprogramma — niet meer door een wetenschappelijke analyse van de maatschappij laat bepalen maar door opinieonderzoeken. Gelukkig zijn de stemmingen van de massa niet van lange duur. Vandaag houden de arbeiders zich alleen maar bezig met de problemen binnen het bedrijf, morgen gaan ze de straat op voor politieke demonstraties. Vandaag zijn ze ‘voor’ de verdediging van het imperialistische vaderland tegen ‘de vijand van buiten’, morgen hebben ze genoeg van de oorlog en zien in de eigen heersende klasse de belangrijkste tegenstander. Vandaag accepteren ze passief de ‘geleide loonpolitiek’, morgen gaan ze in ‘wilde’ staking. Omdat dat zo is, leidt de logica van het opportunisme ertoe dat men, nadat men eerst de conformering aan de burgerlijke maatschappij heeft verontschuldigd door te wijzen op de houding van de ‘massa’s’, zich tegen de massa’s moet keren zodra deze tegen de burgerlijke maatschappij ageren.

De sektariërs vereenvoudigen het revolutionaire subject evenzeer als de opportunisten, maar in omgekeerde zin. Telt voor de opportunisten alleen de doorsnee arbeider, d.w.z. de arbeider die zich aanpast aan de burgerlijke verhoudingen en deze verinnerlijkt, zo is voor de sektariërs alleen de ‘ideale’ proletariër van belang, degene die revolutionair ageert. Handelt de arbeider niet revolutionair, dan houdt hij automatisch op revolutionair subject te zijn. Hij is een ‘burger’ geworden. Extreme sektariërs — bijvoorbeeld bepaalde ultralinkse ‘spontaneïsten’, bepaalde stalinisten en bepaalde maoïsten — zijn zelfs bereid de arbeidersklasse gelijk te stellen aan de kapitalistenklasse, zodra ze weigert de ideologie van de sekte volledig te accepteren [50]. Extreem objectivisme — ‘revolutionair is alles wat de arbeiders doen’ — en extreem subjectivisme — ‘revolutionair (of proletarisch) is slechts degene die onze doctrine aanhangt’ — reiken elkaar de hand bij het ontkennen van het objectief revolutionaire karakter van sociale en politieke strijd, als die gevoerd wordt door massa’s met een contradictoir bewustzijn. Voor de opportunistische objectivisten is deze strijd niet revolutionair, want ‘over een maand stemt de meerderheid toch SPD (of De Gaulle)’. Voor de sektarische subjectivisten heeft ze niets te maken met de revolutie, ‘want de (d.w.z. onze! ) revolutionaire groep is nog te zwak’.

Het is niet moeilijk de maatschappelijke herkomst van deze beide stromingen te ontdekken. Ze past bij de kleinburgerlijke intelligentsia — waarbij de opportunisten meestal die intelligentsia vertegenwoordigen die in massaorganisaties of in het burgerlijke staatsapparaat met de arbeidersbureaucratie zijn vergroeid, terwijl de sektariërs de buiten de werkelijke beweging staande, hetzij gedeclasseerde, hetzij strikt contemplatieve intelligentsia belichamen [51]. In beide gevallen staat de scheiding van het objectieve en het subjectieve moment in de contradictoire eenheid van het revolutionaire subject gelijk aan de volstrekte scheiding tussen praktijk en theorie, die op haar beurt slechts kan leiden tot een opportunistische praktijk en tot een ideologiserende ‘theorie’, die ‘vals bewustzijn’ reproduceert.

Nu is het echter merkwaardig, dat vele opportunisten (o.a. in de vakbondsbureaucratie en vele sektarische pennenvoerders juist de revolutionaire marxisten verwijten, dat ze kleinburgerlijke intellectuelen zijn, die zich aan de arbeidersklasse zouden moeten ‘onderwerpen’ [52]. Ook in de discussie binnen de revolutionaire studentenbeweging speelt deze kwestie een belangrijke rol. Het lijkt daarom nuttig, onze positie met betrekking tot de sociologie van het bureaucratisme, het economisme en het spontaneisme (resp. ‘handwerkerdom’) iets nauwkeuriger te bepalen.

Geestelijke arbeid en handarbeid, accumulatie en productie staan op verscheidene punten van de burgerlijke maatschappij met elkaar in contact, bijvoorbeeld in het bedrijf, zij het dan op verschillende niveaus. Wat onder het algemene begrip ‘intelligentsia` of ‘intellectueel kleinburgerdom’ of ‘technische intelligentsia’ wordt samengevat, duidt in werkelijkheid een veelheid van verschillende soorten activiteiten aan, waarvan de verhouding tot de werkelijke klassenstrijd van zeer uiteenlopende aard is. Men zou globaal de volgende groepen kunnen onderscheiden (we bedoelen met deze catalogisering helemaal niet een volledige analyse te geven):

1. De tussenpersonen tussen kapitaal en arbeid in het productieproces in de eigenlijke zin des woord, d.w.z. de ‘onderofficieren’ van het kapitaal: opzichters en ander kaderpersoneel in de bedrijven die o.a. tot taak hebben de arbeidsdiscipline te verzekeren in het belang van het bedrijf;

2. De tussenpersonen tussen wetenschap en techniek, resp. tussen techniek en productie: laboranten, wetenschappelijke assistenten, uitvinders, technologen, ontwerpers, projectleiders, tekenaars enz. In tegenstelling tot categorie 1 zijn deze lagen niet medeplichtig aan de toe-eigening van de meerwaardeschepping. Ze nemen deel aan het materiële productieproces en zijn daarom meestal geen uitbuiters, maar producenten van meerwaarde;

3. De tussenpersonen tussen productie en realisering van de meerwaarde: reclamedeskundigen, instituten voor marktonderzoek, in het distributieproces werkzame academici, marketingspecialisten enz.;

4. De tussenpersonen tussen kopers en verkopers van de waar arbeidskracht. Hiertoe behoren in de eerste plaats de vakbondsfunctionarissen en in ruimere zin alle functionarissen van de verbureaucratiseerde massaorganisaties van de arbeidersbeweging;

5. De tussenpersonen tussen kapitaal en arbeid in de sfeer van de bovenbouw, de ideologische producenten (d.w.z. degenen die zich bezighouden met het produceren van ideologie): een deel van de burgerlijke politici (‘opinievormers’), burgerlijke professoren in de zogenaamde ‘geesteswetenschappen’, journalisten, een deel van de kunstenaars enz.;

6. De tussenpersonen tussen wetenschap en arbeidersklasse, de theoretische producenten, d.w.z, de intellectuelen op alle, niet direct praktijkgerichte terreinen van de natuur- en maatschappijwetenschappen, die zich bezig houden met de kritiek van de burgerlijke verhoudingen (daar horen ten dele ook de kunstenaars bij).

Het is niet moeilijk uit te vinden, welk deel van de intelligentsia een negatieve invloed zal uitoefenen op het tot ontplooiing komend klassenbewustzijn van het proletariaat: vooral de groepen 3, 4 en 5 (groep 1 telt hier niet mee omdat ze zich over het algemeen toch al verre houdt van de arbeidersorganisatie). Het gevaarlijkste voor de autonome activiteit en het zelfbewustzijn van de arbeiders is een symbiose resp. versmelting van de groepen 4 en 5 zoals die op grote schaal sinds de eerste wereldoorlog plaatsvindt in de sociaaldemocratische en tegenwoordig gedeeltelijk ook in de op Moskou georiënteerde communistische partijen van het Westen.

Daarentegen kunnen de groepen 2 en 6 alleen maar bijdragen tot de versterking van de arbeiders en de revolutionaire organisaties, omdat ze hen uitrusten met kennis, die voor de kritiek op de burgerlijke maatschappij en de succesvolle omwenteling van deze maatschappij, kortom: voor het overnemen van de productiemiddelen door de geassocieerde producenten, onontbeerlijk is.

Diegenen die tegen de toenemende versmelting van arbeidersgroepen met de groepen 2 en 6 van de intelligentsia fulmineren, helpen dus objectief de groepen 3, 4 en 5, hun negatieve invloed op de arbeiders te verstevigen. Want de klassenstrijd wordt steeds door ideologische strijd begeleid [53]. Het is daarom van het grootste belang duidelijk te maken, welke ideologie zich onder de arbeiders verbreidt. Of kleinburgerlijke, of zelfs burgerlijke ideologie, of marxistische theorie de overhand krijgt. Wie zich verzet tegen ‘elke intellectuele invloed van buiten af’ op de arbeiders vergeet, of verdringt, dat de door de groepen 1, 3, 4 en 5 uitgeoefende invloed via het mechanisme van de burgerlijke maatschappij en de kapitalistische economie permanent inwerkt op het proletariaat, en dat de ultralinkse ‘spontaneïsten’ over geen enkel wondermiddel beschikken, om deze invloed ongedaan te maken. De invloed van marxistische intellectuelen op de arbeiders afwijzen betekent dat men de burgerlijke intelligentsia toestaat hun invloed onbelemmerd te vergroten. [54] Meer nog, doordat ze zich tegen de opbouw van een revolutionaire organisatie keren, dragen de mensjewieken en de ‘spontaneïsten’ objectief bij tot het eeuwig laten voortduren van de arbeidsdeling tussen hoofd- en handarbeid, d.w.z. tot de geestelijke onderwerping van de arbeiders aan de intellectuelen en tot de bureaucratisering van de arbeidersorganisaties. Want de arbeider die ononderbroken in het kapitalistische productieproces staat, blijft steeds afhankelijk van de ‘kleinburgerlijke specialisten’. Met de hulp van een revolutionaire organisatie kan een beslissende stap gezet worden in de richting van de geestelijke emancipatie van tenminste de voorhoede der arbeiders en kan althans een begin gemaakt worden met de overwinning van de arbeidsdeling binnen de arbeidersbeweging zelf, door de arbeiders tijdelijk uit het bedrijf te halen.

Daarmee is de sociologie van het spontaneïsme nog niet afgesloten. We moeten ons afvragen, in welke laag van de arbeidersklasse het ‘wantrouwen’ tegen de ‘intellectuelen’ het sterkst is verbreid. Kennelijk in die lagen die door hun sociaal-economische positie in de hardnekkigste conflicten met de geestelijke arbeid zijn gewikkeld, dus vooral bij de arbeiders in de door de technische vooruitgang bedreigde middelgrote en kleinbedrijven, bij arbeiders die zich door persoonlijke inspanning als autodidacten uit de massa hebben opgewerkt, en arbeiders, die zich naar de top van bureaucratische organisaties hebben opgewerkt. Met andere woorden, de maatschappelijke basis van het economisme, het spontaneisme, het bureaucratisme en de wetenschapsvijandigheid binnen de arbeidersklasse wordt gevormd door het ‘handwerkerdom’, niet door de arbeiders in de grote bedrijven, de grote steden en expansieve industrietakken. Deze lagen vormden ook het belangrijkste speerpunt van de meerderheids-sociaaldemocratie in de beslissende jaren van de Duitse revolutie 1919-1923.

De spontaneïstische stromingen in de arbeidersbeweging ontstaan vaak, hoewel niet altijd, uit deze maatschappelijke basis. Dat gold vooral voor het anarchosyndicalisme in de Latijnse landen voor de Eerste Wereldoorlog, en evenzeer voor het mensjewisme, dat het in het grootbedrijf in de grote steden tegen het bolsjewisme moest afleggen, maar in de typisch kleinstedelijke mijnbouw- en aardoliedistricten van Zuid-Rusland zijn proletarische basis had [55]. Alle pogingen om tegenwoordig in het tijdperk van de derde industriële revolutie dit ‘handwerkerdom’ te doen herleven, onder het voorwendsel ‘arbeidersautonomie’ te bedrijven, zullen nu, net als vroeger, de krachten van de potentieel revolutionaire voorhoede der arbeiders versplinteren en de achterlijke, halfambachtelijke, verbureaucratiseerde en onder invloed van de burgerlijke ideologie staande groepen van de beweging, bevoordelen.

Wetenschappelijke intelligentsia, maatschappijwetenschappen en proletarisch klassenbewustzijn

De derde industriële revolutie veroorzaakte een massale herinvoering van de geestelijke arbeid in het productieproces, die al in de tweede industriële revolutie was begonnen, en door Marx is voorzien. [56] Dit schiep de maatschappelijke voorwaarde, dat een groot deel van de wetenschappelijke intelligentsia het zelfbewustzijn van de vervreemding waaraan ook hij in de burgerlijke maatschappij is onderworpen, kan herwinnen, een bewustzijn dat verloren was gegaan, doordat de intelligentsia uit het proces van directe meerwaardeproductie uitgeschakeld was en was omgevormd tot directe of indirecte consument van meerwaarde. Dit is niet alleen de materiële basis van de studentenrevoltes in de imperialistische landen, maar schept ook de mogelijkheid, dat een groeiend aantal wetenschappers en technici in de revolutionaire beweging wordt geïntegreerd.

De deelname van de intelligentsia aan de klassieke socialistische beweging van voor de eerste wereldoorlog vertoonde over het algemeen een dalende lijn. Ze was in het begin aanzienlijk, liep echter terug, naarmate de georganiseerde massabeweging van de arbeidersklasse sterker werd. In een weinig bekende polemiek tegen Max Adler heeft Trotski in 1911 de oorzaken van deze ontwikkeling in grote trekken materialistisch blootgelegd: toenemende maatschappelijke afhankelijkheid van de intelligentsia van de grootbourgeoisie en de burgerlijke staat; het onvermogen van de als ‘tegen-maatschappij’ georganiseerde arbeidersbeweging iets gelijkwaardig tegenover de burgerlijke maatschappij te stellen. Trotski voorspelde dat deze situatie in een revolutionair tijdvak, aan de vooravond van de proletarische revolutie, waarschijnlijk plotseling zou omslaan [57].

Uit deze juiste premissen trok hij echter onjuiste tactische conclusies, toen hij bijvoorbeeld de grote betekenis ontkende, die Lenin in de jaren 1908-1909 aan de studentenbeweging toekende, die weer opkwam in de tijd dat de contrarevolutie aan de macht was, en waarin hij een ‘stormvogel’ van de latere (pas in 1912 beginnende) heropleving van de revolutionaire massabeweging zag. Ja, hij ging zelfs zo ver dat hij beweerde dat het de ‘schuld’ van de leidende intelligentsia in de Russische sociaaldemocratie was, dat zich daar “hun (...) sociale eigenschappen: sektarische geest, intellectuelen individualisme, ideologisch fetisjisme” konden botvieren [58]. Trotski onderschatte destijds, zoals hij later zelf toegaf, de maatschappelijk-politieke betekenis van de fractiestrijd tussen bolsjewieken en liquidatoren, die slechts een voortzetting was van de vroegere strijd tussen bolsjewieken en mensjewieken. De geschiedenis heeft geleerd, dat deze strijd geenszins een product van ‘sociale eigenschappen van de intelligentsia’ was, maar dat het daarbij om de scheiding tussen het revolutionair-socialistisch en het kleinburgerlijk-reformistisch bewustzijn ging.

Waar is echter, dat de deelname van de Russische revolutionaire intelligentsia aan de opbouw van de revolutionaire klassenpartij van het Russische proletariaat nog een product van louter individuele selectie was en geen brede maatschappelijke wortels had. En dit heeft sinds de oktoberrevolutie ten nadele van de proletarische revolutie gewerkt (en moest ook in haar nadeel werken), omdat de massa van de technische intelligentsia niet tot het kamp van de revolutie kon toetreden, omdat ze eerst het economisch productieproces en de opbouw van de maatschappij saboteerde, vervolgens hun medewerking met hoge inkomens ‘gekocht’ moest worden en zij tenslotte een drijfriem van de bureaucratisering van deze revolutie werd.

Daar de betekenis van de technische intelligentsia — vooral van de hierboven genoemde categorie 2 — in het materiële productieproces tegenwoordig fundamenteel is veranderd; daar de technische intelligentsia langzamerhand een deel van de loonafhankelijke klasse wordt, is hun deelname aan het proces van de revolutie en de herschepping van de maatschappij tegenwoordig veel waarschijnlijker dan in het verleden. Friedrich Engels heeft al op hun historisch beslissende rol gewezen: “Om de productiemiddelen in bezit en in bedrijf te kunnen nemen hebben we mensen nodig die technisch geschoold zijn, en wel in groten getale. Die hebben we niet. (...) Ik voorzie dat we in de komende 8 — 10 jaar voldoende jonge technici, medici, juristen en onderwijzers zullen aantrekken, om de fabrieken en grote landgoederen door partijgenoten voor de natie te laten beheren. Dan is de wijze waarop wij aan de macht komen, heel natuurlijk en wordt glad afgewikkeld — relatief. Komen we echter door een oorlog voortijdig aan het roer, dan zijn de technici onze principiële tegenstanders, bedriegen en verraden ons waar ze maar kunnen. We zijn gedwongen afschrikkingmaatregelen tegen hen te treffen en worden toch belazerd.” [59] Dat was een tragische profetie van wat daadwerkelijk in Rusland zou gebeuren.

Natuurlijk moet men eraan toevoegen dat in de loop van de derde industriële revolutie ook de onvergelijkelijk veel hoger gekwalificeerde arbeiders zelf veel meer capaciteiten ontwikkelen voor het direct beheren van de fabrieken dan in de tijd van Engels. Maar de capaciteit van de brede massa’s om een maatschappelijk-politieke controle op de ‘specialisten’ uit te oefenen (waar Lenin in 1918 zoveel van verwachtte) vereist ook technische vaardigheden. De toenemende versmelting van de technische intelligentsia met het industriële proletariaat en het toetreden van steeds meer revolutionaire intellectuelen tot de revolutionaire partij kunnen dit proces van controle alleen naar vergemakkelijken.

Naarmate de tegenstelling tussen objectieve vermaatschappelijking van de productie, de arbeid enerzijds en de private toe-eigening anderzijds, d.w.z. naarmate de crisis van de kapitalistische productieverhoudingen zich verscherpt, naarmate het laatkapitalisme opnieuw het leven probeert te rekken door het consumptieniveau van de arbeiders te verhogen, wordt ook de wetenschap steeds meer tot een productiekracht in de dubbele betekenis van het woord. Niet alleen brengt ze met de automatisering en de groeiende warenhoeveelheid een crisis voort van de op de algemene warenproductie gebaseerde productie- en waardevormingsprocessen van het kapitaal. Ze produceert ook een groeiend revolutionair bewustzijn, kortom: ze maakt het mogelijk de mythes en versluieringen van het dagelijkse leven in het kapitalisme te verscheuren. Juist omdat de beslissende hindernis, die de arbeider thans in de ontwikkeling van een politiek klassenbewustzijn belemmert, niet zozeer in diens behoeftigheid of in de uiterste beperktheid van rijn leefwereld ligt, alswel in de voortdurende beïnvloeding, door kleinburgerlijke en burgerlijke ideologieën en mystificaties, kan de demystificerende rol van de kritische maatschappijwetenschappen een werkelijk revolutionaire functie vervullen bij het opnieuw opwekken van klassenbewustzijn. Dit vereist echter een kennisoverdracht door een concrete verbinding met de arbeiders, die alleen door de voorhoede der arbeiders enerzijds en de revolutionaire organisatie anderzijds tot stand gebracht kan worden. Dit veronderstelt weer dat de revolutionaire wetenschappelijke intelligentsia niet bescheiden-masochistisch ‘naar het volk gaat’ om stukken loonstrijd te ondersteunen. Ze moet de kritische arbeiders de nodige wetenschappelijke kennis verschaffen, die deze vanwege hun gefragmenteerde bewustzijn niet kunnen verwerven en die hen in staat moet stellen de versluierde uitbuiting, en de gecamoufleerde onderdrukking in al hun consequenties te onderkennen en te doorzien.

Historische pedagogiek en ontwikkeling van klassenbewustzijn

Als men eenmaal heeft begrepen dat Lenins organisatietheorie antwoord probeert te geven op de vraag naar de actualiteit van de revolutie en naar het subject van de revolutie, ziet men ook in dat deze theorie samenhangt met een historische opvoedingstaak: het probleem, hoe potentieel in werkelijk trade-unionistisch, in politiek-revolutionair klassenbewustzijn kan worden omgezet. Dit probleem kan alleen worden opgelost in het licht van de hierboven gespecificeerde stratificatie van de arbeidersklasse — arbeidersmassa, voorhoede der arbeiders, georganiseerde revolutionaire kaders. Iedere laag vraagt om een eigen pedagogiek, maakt haar eigen leerproces door en heeft een specifieke vorm van communicatie met de klasse en de theoretische productie nodig, om tot klassenbewustzijn te komen. Door deze drie vormen van pedagogiek te formuleren, kan de historische rol van de door Lenin geconcipieerde revolutionaire voorhoedepartij worden samengevat.

De brede massa leert alleen door actie. Haar een revolutionair bewustzijn willen ‘bijbrengen’ door middel van propaganda is even onvruchtbaar als uitzichtloos. Maar hoewel de massa alleen door actie leert, leidt niet iedere actie tot een massale ontwikkeling van revolutionair klassenbewustzijn. Acties voor politieke en economische doeleinden die direct verwezenlijkt kunnen worden en zeer goed binnen het kader van de kapitalistische maatschappijorde gerealiseerd kunnen worden, brengen geen revolutionair klassenbewustzijn voort. Dat was een van de grote illusies van de ‘optimistische’ sociaaldemocraten aan het eind van de 19e en het begin van de 20ste eeuw die meenden dat er een rechte lijn liep van de deelsuccessen in de verkiezingsstrijd en stakingen, naar de ontwikkeling van revolutionair bewustzijn en de vergroting van de revolutionaire strijdkracht van het proletariaat [60]. Deze deelsuccessen hebben weliswaar tot versterking van het zelfvertrouwen en de bereidheid tot strijd van het proletariaat bijgedragen (ten onrechte wezen de anarchisten deze strijd voor deeleisen zonder meer van de hand); maar ze hebben de arbeiders niet voorbereid op revolutionaire strijd. Daar massa-acties in de regel de directe bevrediging van behoeften tot doel hebben, is het een belangrijk punt in de revolutionaire strategie eisen te formuleren die op deze behoeften aansluiten, in het kader van de kapitalistische maatschappijorde niet meer te integreren zijn en een revolutionaire dynamiek op gang brengen, die tot een krachtproef moet leiden tussen de twee beslissende maatschappelijke klassen. Dit is de strategie van de overgangsoplossing, die Lenin nadrukkelijk op het 4de congres van de Communistische Internationale in het programma van deze organisatie heeft opgenomen en die later door Trotski tot het hoofdbestanddeel van het programma van de IVe Internationale werd uitgewerkt [61].

De ontwikkeling van revolutionair klassenbewustzijn wordt pas mogelijk, als de massa’s strijdervaringen opdoen die niet beperkt blijven tot deeleisen die in het kader van het kapitalisme gerealiseerd kunnen worden. Alleen de voorhoede der arbeiders is in staat deze eisen in de grote conflicten naar voren te brengen, alleen zij is in staat in bedrijven, vakbonden en bedrijfsgroepen bekendheid te geven aan politieke doelstellingen die niet spontaan uit de dagelijkse ervaringen voortvloeien, deze te propageren en experimenteel te beproeven, totdat de situatie zich voorloet waarin deze eisen de inzet van grote stakingen en demonstraties worden.

Komt revolutionair klassenbewustzijn bij de massa’s uit objectief revolutionaire strijdervaring voort, bij de voorhoede der arbeiders ontstaat het uit levens-, arbeid- en strijdervaring in het algemeen, die volstrekt niet revolutionair hoeft te zijn. Uit de dagelijkse sociale conflicten trekken zij de noodzakelijke conclusies. Ze zien de dringende noodzaak zich aaneen te sluiten, de noodzaak van collectieve actie en organisatie. Hoe en in welke vorm deze actie en organisatie verwezenlijkt moeten worden, moet telkeus op grond van de objectieve voorwaarden en de concrete ervaringen worden beslist. En precies op dit punt begint de activiteit van de revolutionaire voorhoede, die de voorhoede der arbeiders in staat stelt de grens te overschrijden die ligt tussen het ervaren van de ontoereikendheid van de bestaande maatschappij structuur en het veranderen hiervan. De revolutionaire voorhoede kan deze rol van katalysator echter noch automatisch, noch onafhankelijk van de objectieve voorwaarden op zich nemen. Zij is hiertoe slechts in staat, als zij zelf is opgewassen tegen deze taak, d.w.z. als haar theoretische, propagandistische en literaire werk inhoudelijk aansluit hij de behoeften van de voorhoede der arbeiders, qua vorm voldoet aan de wetten van de politieke pedagogiek (ieder ultimatisme vermijdt) en tegelijkertijd verbonden is met praktische activiteit en een politiek perspectief, die zowel de revolutionaire strategie als ook de haar dragende organisatie geloofwaardig, maken.

Maar ook als de activiteit van de revolutionaire voorhoede aan deze eieen voldoet, kan ze in tijden van afnemende klassenstrijd en verminderd zelfvertrouwen van de arbeiders haar doel niet bereiken. Het idee als zou het er slechts op aan komen, ‘de juiste tactiek’ of ‘de juiste lijn’, te verdedigen, om als door een wonder, ook in tijden van teruggang, in de klassenstrijd een groeiende revolutionaire kracht te doen ontstaan, dit idee is gebaseerd op het burgerlijk rationalisme en niet op de materialistische dialectiek. Aan deze illusie zijn, tussen twee haakjes, de meeste scheuringen binnen de revolutionaire beweging toe te schrijven). Dat betekent echter niet dat het onder ongunstige objectieve voorwaarden uitgevoerde werk van de revolutionaire voorhoede bij de voorhoede der arbeiders zonder resultaat moet blijven. Het heeft weliswaar geen groot direct resultaat, maar het vormt een geweldig belangrijke, ja beslissende voorbereiding voor het historische ogenblik waarop het conflict weer begint. De geduldige, langdurige voorbereiding, die de revolutionaire voorhoedeorganisatie vaak jarenlang in dagelijks kruimelwerk heeft verricht, werpt rijke vruchten af op de dag waarop de nog aarzelende ‘natuurlijke leiders van de klasse’ bij een grote staking of in een grote demonstratie plotseling de oplossing van de arbeiderscontrole over de productie naar voren brengen en tot inzet van de strijd te maken [62]. Om in staat te zijn de voorhoede der arbeiders en de radicale intelligentsia van een land te overtuigen van de noodzaak belangrijke sociale conflicten uit te breiden, en van het niveau van de directe eisen naar het vlak van de overgangsoplossingen te brengen, is het echter niet voldoende dat de revolutionaire voorhoedeorganisatie braaf een lijstje van zulke eisen heeft overgeschreven van Lenin en Trotski. Ze moet veeleer een dubbele kennistechniek beheersen. Enerzijds moet ze zich de ervaringen van de revolutionaire klassenstrijd van het internationale proletariaat eigen maken, anderzijds moet ze in staat zijn tot een analyse van de eigentijdse maatschappelijke werkelijkheid — een analyse die het mogelijk maakt, de lessen van de geschiedenis toe te passen op de gegeven situatie. Volgens Marx’ kennistheorie is de praktijk het criterium voor de werkelijke theoretische assimilatie van de actuele werkelijkheid. Dat wil zeggen: de internationale praktijk is evenzeer voorwaarde voor een marxistische internationale analyse, als de internationale organisatie voorwaarde is voor zo een praktijk.

Wanneer men zich de historische ervaringen van de internationale arbeidersbeweging, vanaf de revolutie van 1848 tot op heden, niet eigen maakt, is het niet mogelijk wetenschappelijk nauwkeurig de contradicties te bepalen van de tegenwoordige laatkapitalistische maatschappij — op wereldschaal en in ieder land afzonderlijk — en de concrete contradicties te bepalen bij de ontwikkeling van het proletarisch klassenbewustzijn, noch om het karakter van de conflicten vast te stellen, die tot een prerevolutionaire situatie zouden kunnen leiden. De geschiedenis is het enige laboratorium voor de sociale wetenschappen. Wanneer hij de lessen van de geschiedenis niet kent, is een marxist tegenwoordig slechts een ‘student medicijnen’ die weigert de snijzaal binnen te gaan.

In dit verband moet er op gewezen worden dat alle pogingen de nieuw opkomende revolutionaire bewegingen ‘te vrijwaren voor de splitsingen van het verleden’, van een totaal onbegrip getuigen t.a.v. het maatschappelijk-historisch karakter van deze differentiaties in de internationale arbeidersbeweging. Als we van de onvermijdelijke persoonlijke en toevallige momenten die aan deze differentiaties vastzitten abstraheren, dan blijkt dat de grote geschillen in de internationale arbeidersbeweging, sinds de oprichting van de eerste Internationale: de strijd tussen marxisme en anarchisme; tussen marxisme en revisionisme; tussen bolsjewisme en mensjewisme; tussen internationalisme en sociaalpatriottisme; tussen de aanhangers van de dictatuur van het proletariaat en de verdedigers van de burgerlijke democratie, tussen trotskisme en stalinisme; tussen maoïsme en chroetsjowisme, dat al deze grote geschillen aan fundamentele problemen van de revolutie, de strategie en tactiek van de revolutionaire strijd raken. Problemen die voortkomen uit het wezen van het kapitalisme, het proletariaat en de revolutionaire strijd zelf. Ze zullen actueel blijven, zolang het probleem van de verwezenlijking van een klassenloze maatschappij niet praktisch is opgelost. Geen enkel ‘tactisch manoeuvreren’ hoe voorzichtig ook, geen enkele ‘verzoeningsgezindheid’ al is zij nog zo grootmoedig, kan op den duur verhinderen dat deze problemen steeds weer uit de praktijk zelf naar voren komen. Het enige dat men bereikt, als men deze problemen uit de weg gaat, is dat zij dan onsystematisch, toevallig en zonder plan, in plaats van planmatig en wetenschappelijk geanalyseerd en opgelost worden.

Weliswaar is het noodzakelijk, dat men zich de historische stof van de marxistische theorie eigen maakt, maar dit is slechts een eerste stap naar het ontwikkelen van een revolutionair klassenbewustzijn bij de voorhoede der arbeiders en de radicale intelligentsia. Daarenboven is nodig: een systematische analyse van het heden, zonder welke de theorie niet de instrumenten levert om de ‘zwakke schakels’ in de laatkapitalistische productiewijze en de laatburgerlijke maatschappij op te sporen en de adequate overgangseisen (evenals de pedagogiek die zij vereisen) te formuleren. Alleen als een kritische analyse van de gehele hedendaagse maatschappij verbonden wordt met het verwerken van de lessen van de geschiedenis van de arbeidersbeweging, kan het concrete instrument ontstaan waarmee een revolutionaire voorhoede haar taak theoretisch meester kan worden. [63]

Zonder de revolutionaire strijdervaring van brede massa’s is revolutionair klassenbewustzijn van deze massa’s onmogelijk. Zonder de bewuste tussenkomst van de voorhoede der arbeiders, die overgangseisen introduceert in de arbeidersstrijd, is er geen revolutionaire strijdervaring van brede massa’s mogelijk. Zonder het propageren van overgangseisen door een revolutionaire voorhoede is het onmogelijk dat de voorhoede der arbeiders massastrijd in antikapitalistische zin beïnvloedt. Zonder revolutionair programma, zonder verwerking van de geschiedenis van de revolutionaire arbeidersbeweging, zonder het toepassen van deze lessen op het heden en het in de praktijk bewijzen van het vermogen van de revolutionaire voorhoede, althans in enkele sectoren en gevallen met succes een leidende rol te kunnen spelen, is er geen mogelijkheid de voorhoede der arbeiders te overtuigen van het belang van de revolutionaire organisatie, en dus ook geen (of slechts onvoldoende) mogelijkheid dat de voorhoede der arbeiders de overgangseisen die passen bij de objectieve situatie in zich opneemt en verwerkt. Zo grijpen de afzonderlijke factoren bij het ontwikkelen van het klassenbewustzijn in elkaar en onderstrepen de actualiteit van Lenins organisatieopvatting. Het vormgeven aan het leren van de massa’s door hun actie, het leren van de voorhoede der arbeiders uit de ervaring en het leren van de revolutionaire kaders uit het verbinden van de revolutionaire theorie en praktijk, vormt de eenheid van het opbouwproces van de revolutionaire partij. Leren en onderwijzen staan daarbij in voortdurende wisselwerking, ook hij de revolutionaire kaders die moeten leren theoretische arrogantie te vermijden. Dit inzicht is erop gebaseerd dat de theorie haar bestaansrecht pas bewijst als zij verbonden word met de werkelijke klassenstrijd en in staat is, het potentieel revolutionaire klassenbewustzijn in daadwerkelijk revolutionair klassenbewustzijn van brede lagen der arbeiders om te zetten. De beroemde uitsmaak van Marx, dat de opvoeders zelf opgevoed moeten worden [64], laat geen twijfel bestaan over haar betekenis. Zij wil helemaal niet zeggen dat een bewuste revolutionaire omvorming van de maatschappij ook zonder revolutionaire pedagogiek mogelijk is. Marx’ inzicht vindt zijn aanvulling in de gedachte, dat alleen ‘in de, revolutionaire activiteit (...) het veranderen van zichzelf met het veranderen van de omstandigheden’ samenvalt [65].

Voetnoten

[1] Deze opvatting is niet voor het eerst door Lenin ontwikkeld. Ze gaat terug op een traditie die begint bij Engels — en via Kautsky doorloopt tot in de klassieke leer van de internationale sociaaldemocratie uit de jaren 1880-1905. In het programma van Hainfeld van de Oostenrijkse sociaaldemocratie, dat in 1888/89 opgesteld werd, wordt uitdrukkelijk verklaard: “Het socialistische bewustzijn is iets dat van buiten af in de klassenstrijd wordt gebracht, niet iets dat zich organisch uit deze klassenstrijd ontwikkelt.” In de Neue Zeit publiceerde Kautsky in 1901 een artikel Akademiker und Proletarier (19e jaargang, deel 2, 17 april 1901), waarin dezelfde gedachte wordt uitgewerkt in een vorm (p. 89), die Lenins Wat te doen? direct inspireerde. — Het begrip “actualiteit van de revolutie” bij Lenin is door Georg Lukács gedefinieerd, voor de eerste maal in Geschichte und Klassenbewusztsein, daarna in zijn studie over Lenin.

[2] Dit geldt vooral voor Marx’ beslissende categorie van de revolutionaire praktijk, die in de Deutsche Ideologie werd ontwikkeld, dat destijds onbekend was.

[3] In deze zin moet men ook de beroemde opmerking van Marx aan het begin van de Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte verstaan, waarin het zelfkritische karakter van de proletarische revolutie wordt onderstreept. Marx spreekt in dit verband van de “onbepaalde onbegrensdheid van haar eigen doeleinden”. Zie Marx-Engels, Ausgewählte Werke, Band 1, Berlin 1960, p. 229; in de Nederlandse uitgave: De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte, Uitgeverij voor literatuur in vreemde talen, Moskou, z.j., p. 14.

[4] In het Communistisch Manifest zeggen Marx en Engels, dat de communisten “geen bijzondere principes opstellen, waarnaar zij de proletarische beweging willen modelleren”. In de Engelse uitgave van 1888 verving Engels het woord ‘bijzondere’ door ‘sektarische’. Daarmee brengt hij tot uitdrukking, dat het wetenschappelijk socialisme de arbeidersbeweging wel degelijk ‘bijzondere’ principes probeert bij te brengen, maar slechts voorzover deze objectief uit het algemene verloop van de proletarische klassenstrijd, d.w.z. van de eigentijdse geschiedenis, voortvloeien, en geen principes die alleen tot de ‘belijdenis’ van een bepaalde sekte, d.w.z. tot een louter toevallig aspect van de proletarische klassenstrijd behoren.

[5] Deze gedachte wordt door Trotski in de inleiding bij de eerste Russische uitgave van zijn boek De permanente revolutie ondubbelzinnig geformuleerd (Permanent Revolution, New Park Publications, 1962, p. 8-9). Ook Mao Tse-toeng heeft deze gedachte beklemtoond. In scherpe tegenstelling hiermee staat het denkbeeld van een ‘socialistische productiewijze’ of zelfs van een ‘ontwikkeld socialistisch maatschappijsysteem’, waarin de eerste fase van het communisme wordt opgevat als iets gefixeerd, niet als een tussenfase in een permanente revolutionaire ontwikkeling van kapitalisme naar communisme.

[6] Vgl. de bekende uitspraak van Lenin, dat er geen ‘uitzichtloze economische situatie’ bestaat voor de imperialistische bourgeoisie.

[7] Zo drukte het opkomende burgerlijke en zelfs het opkomende plebejisch-halfproletarische klassenbewustzijn in de 16e en 17e eeuw zich nog geheel in religieuze vormen uit. Pas in de tweede helft van de 18e eeuw, toen het verval van de feodaal-absolutistische orde ver genoeg gevorderd was, vond het de weg naar het openlijke materialisme.

[8] Gramsci’s begrip ‘politiek-ethische hegemonie’, die door een onderdrukte klasse in de maatschappij veroverd moet worden, vóór ze de politieke macht kan veroveren, brengt deze mogelijkheid bijzonder pregnant tot uitdrukking (vgl. Il Materialismo Storico e la Filosofia di Benedette Croce, Milaan 1964, p. 236; en Note sul Machiavelli, Milaan 1964, p. 29-37, 41-50. Dit hegemoniebegrip wordt door talrijke marxistische theoretici gekritiseerd of gerelativeerd. Zie bijvoorbeeld B.N. Poulantzas, Pouvoir politique et classes sociales, Parijs 1968, p. 210-222.

[9] Dit wordt door Marx en Engels in de Deutsche Ideologie uitgedrukt met de zin dat “de revolutie dus niet alleen nodig is, omdat de heersende klasse op geen enkele andere manier ten val kan worden gebracht, maar ook omdat de omverwerpende klasse er alleen in een revolutie toe kan komen, het juk van alle oude ballast van zich af te schudden en in staat gesteld te worden tot het nieuw vestigen van de maatschappij”. (Karl Marx-Friedrich Engels, Die Deutsche Ideologie, Berlijn 1953, p.70).

[10] Vgl. Lenin: “Onze betweter ziet niet, dat we juist tijdens de revolutie de resultaten van de (voorrevolutionaire, — E.M.) theoretische strijd tegen de critici nodig zullen hebben, voor de beslissende strijd tegen hun praktische standpunten!” (Was tun?, Verlagsgenossenschaft ausländischer Arbeiter in der UdSSR, Moskou-Leningrad 1934, p. 188 of in de engelse uitgave: V.I. Lenin, selected works in three volumes, vol. 1, Moskou 1960, p.270). De juistheid hiervan is zeventien jaar later door de Duitse revolutie bewezen.

[11] Lenin spreekt in Wat te doen? in dit verband over de ‘sociaaldemocratische’ en de ‘revolutionaire arbeiders’ (in tegenstelling tot de ‘achterlijke’ arbeiders).

[12] N. Boecharin, Theorie des historischen Materialismus, Verlag der Kommunistischen Internationale 1922, p. 343-345.

[13] Vgl. het door Engels niet gekritiseerde deel van het Programma van Erfurt van de SPD, waarin de proletariërs worden beschreven als de klasse der loonarbeiders die van hun productiemiddelen gescheiden, en tot de verkoop van hun arbeidskracht veroordeeld zijn, en de klassenstrijd als de objectieve strijd tussen uitbuiters en uitgebuiten in de moderne maatschappij (onafhankelijk van de graad van organisatie of bewustzijn van de loonarbeiders). Na de beschrijving in de eerste vier paragrafen van deze objectieve stand van zaken, volgt aan het einde van het algemene deel van het programma de toevoeging: “Deze strijd van de arbeidersklasse tot een bewuste en verenigde strijd te maken en hem zijn natuurlijke doel te wijzen — dat is de taak van de sociaaldemocratische partij”. Hier wordt nogmaals uitdrukkelijk bevestigd dat er ook “klassen en klassenstrijd in de kapitalistische maatschappij kunnen zijn zonder dat de strijdende arbeidersklasse zich van haar klassenbelangen bewust is”. In paragraaf 8 spreekt het programma over de “klassenbewuste arbeiders van alle landen”, hier stelt Engels een verandering voor, die nogmaals onderstreept dat hij een duidelijk onderscheid hanteert tussen het ‘objectieve’ en het ‘subjectieve’ klassenbegrip: “In plaats van ‘klassenbewust’ (...) zou ik met het oog op de algemene duidelijkheid en de vertaling in vreemde talen willen zeggen: ‘van het bewustzijn van hun klassenpositie doordrongen arbeiders’ of iets dergelijks.” (Fr. Engels, Zur Kritik des sozialdemokratischen Programmentwurfs 1891, in Marx-Engels, Werke, deel 22, p. 232, Berlijn 1963).

[14] Lenin: “Principiële voorwaarde voor het welslagen hiervan (de consolidatie van de partij. — E.M.) was natuurlijk het feit dat de arbeidersklasse, waarvan de elite de sociaaldemocratie heeft geschapen, zich op objectieve economische gronden door haar organisatievermogen onderscheidt van alle andere klassen in de kapitalistische maatschappij. Indien deze voorwaarde ontbrak, zou de organisatie van beroepsrevolutionairen slechts spel zijn, een avontuur.” Lenin, Werke, deel XII, p. 74, Franse uitgave.

[15] Veel critici van Lenins organisatieconceptie, te beginnen met Plechanov (Centralisme of bonapartisme, in Iskra nr. 70, zomer 1904), beroepen zich op een passage in Die Heilige Familie, om deze conceptie te bestrijden. Daarin wordt verklaard: “Als de socialistische schrijvers het proletariaat deze wereldhistorische rol toekennen, gebeurt dit geenszins, zoals de kritische kritiek zegt te geloven, omdat ze de proletariërs voor goden houden. Eerder omgekeerd. Omdat de abstractie van alle menselijkheid, zelfs van de schijn van menselijkheid in het ontwikkelde proletariaat bijna voltooid is, omdat in de levensvoorwaarden van het proletariaat alle levensvoorwaarden van de huidige maatschappij in hun meest onmenselijke toppunt samengevat zijn, omdat de mens daarin zichzelf heeft verloren, maar tegelijk niet alleen het theoretisch bewustzijn van dit verlies heeft verworven, maar ook door de onafwendbaar geworden, niet langer te bedekken, absoluut gebiedende nood — de praktische uitdrukking van de noodzakelijkheid — direct gedwongen is tegen deze onmenselijkheid in opstand te komen, daarom kan en moet het proletariaat zichzelf bevrijden. Maar het kan zichzelf niet bevrijden zonder zijn eigen levensvoorwaarden op te heffen. Het kan zijn eigen levensvoorwaarden niet opheffen, zonder alle onmenselijke levensvoorwaarden van de huidige maatschappij, die zich in zijn situatie samenvatten, op te heffen. Het doorloopt niet tevergeefs de harde, maar stalende school van de arbeid. Het gaat er niet om, wat deze of gene proletariër, of zelfs het gehele proletariaat zich tijdelijk als doel voorstelt. Het gaat er om wat het is, waartoe het overeenkomstig dit zijn histories gedwongen zal zijn te doen. Zijn doel en zijn histories handelen ligt in zijn eigen levenssituatie, evenals in de hele organisatie van de huidige burgerlijke maatschappij, tastbaar en onherroepelijk opgesloten (ist vorgezeichnet). Op deze plaats hoeft niet uiteen gezet te worden dat een groot deel van het Engelse en Franse proletariaat zich reeds bewust is van zijn historische taak en gestadig er aan werkt dit bewustzijn tot volledige klaarheid te brengen.” (Aus dem literarischen Nachlass von Karl Marx und Friedrich Engels 1841-1850, deel 2, p 133; Stuttgart 1920: ook in: Karl Marx, Die Frühschriften, herausgegeben von S. Landshut Stuttgart 1964, p. 318-319). — Afgezien van het feit dat Marx en Engels in 1844/45 nauwelijks in staat waren een materialistische theorie van het proletarisch klassenbewustzijn en de proletarische organisatie te geven (men behoeft slechts de laatste zin van dit citaat te vergelijken met wat Engels veertig jaar later over de Engelse arbeidersklasse schreef om dit te zien), zegt deze passage juist het tegendeel van wat Plechanov er in leest. Ze zegt alleen dat het proletariaat door zijn maatschappelijke situatie is gepredestineerd voor een radicaal-revolutionair handelen, en dat de algemene socialistische doelstelling (opheffing van het privaateigendom) in haar levenssituatie ‘opgesloten’ ligt. Ze zegt niet dat de ‘onmenselijke levensvoorwaarden’ dit proletariaat idealiter in staat stellen hele maatschappijwetenschappen ‘spontaan’ te assimileren. Voor Plechanovs artikel: vgl. Samuel H. Baron, Plechanov Stanford University Press 1963, p. 248-253.

[16] Men is bijna vergeten dat ook de Russische socialistische beweging voornamelijk door studenten en intellectuelen opgericht is, en dat deze, ongeveer driekwart eeuw geleden, voor een soortgelijk probleem stonden als de revolutionaire intelligentsia tegenwoordig. ‘Soortgelijk’ wil natuurlijk niet zeggen: ‘identiek’. In vergelijking met toen is er nu een belemmering extra bijgekomen: de reformistisch-revisionistische massaorganisaties van de arbeiders, en anderzijds een extra potentieel toegevoegd: de geweldige historische ervaring, die de revolutionaire beweging sindsdien heeft opgedaan. — In Wat te doen? (t.a.p., p. 83) heeft Lenin het uitdrukkelijk over de capaciteit van de intellectuelen om zich ‘politieke kennis’, d.w.z. het wetenschappelijk marxisme, eigen te maken.

[17] Vgl. hiervoor K. Marx, Das Elend der Philosophie. Een verhelderende beschrijving van de ontstaansvormen van de vakbonden en arbeidersweerstandskassen vindt men bij E.P. Thompson, The Making of the English Working Class, Londen 1968.

[18] Het noodzakelijkerwijs discontinue karakter van de massa-acties is te verklaren uit de klassenpositie van het proletariaat zelf. Zolang het er niet in slaagt, de kapitalistische productiewijze omver te werpen, vindt iedere massa-actie haar tijdslimiet in het financiële, fysieke en geestelijke weerstandsvermogen van de arbeiders tegen het wegvallen van het loon. Dat dit weerstandsvermogen niet onbegrensd kan zijn, spreekt vanzelf. Dit ontkennen betekent dat men de materiële levensomstandigheden van het proletariaat zelf ontkent.

[19] Vgl. enige voorbeelden uit de eerste jaren van de metaalbewerkersbond in Duitsland: Fünfundsiebzig Jahre Industriegewerkschaft Metall, p. 72-78, Frankfurt/M. 1966.

[20] We kunnen hier niet en detail de verschillen tussen een prerevolutionaire en een revolutionaire situatie beschrijven. Vereenvoudigend zouden we een revolutionaire van een prerevolutionaire situatie hierin kunnen onderscheiden, dat in de revolutionaire situatie de bedreiging van de maatschappijorde organisatorisch tot uiting komt in het vormen van organen van dubbelheerschappij van het proletariaat (d.w.z. potentiële organen voor de machtsuitoefening door de arbeiders) en subjectief in de directe revolutionaire eisen van de massa, die de heersende klasse niet meer onmiddellijk kan ‘integreren’.

[21] Voor de bronnen bij Lenin van deze strategie, zie het vervolg van de tekst.

[22] Rosa Luxemburg, Organisationsfragen der russischen Sozialdemokratie, p.71-72, in: Schriften zur Theorie der Spontaneität, Hamburg 1970.

[23] Lenin, Wat te doen?, t.a.p., p. 78 en 79.

[24] Voor het direct op de revolutie gecentreerd karakter van dit plan: vgl. Wat te doen?, t.a.p., p.191-192 — Het is waar dat in Wat te doen? ook organisatorische centralisatiebepalingen voorkomen, die echter uitsluitend door de omstandigheden van de conspiratie bepaald zijn. Voor ‘legale’ revolutionaire partijen bepleit Lenin een ruim ‘democratisme’: “De (in de meest letterlijke zin van het woord) algemene controle over iedere stap van een partijman in zijn politieke werk schept een automatisch werkend mechanisme, dat bewerkstelligt wat in de biologie wordt aangeduid met het ‘voortleven van de best aangepaste’. De ‘natuurlijke selectie’ door de volledige openbaarheid, door de verkiesbaarheid en de algemene controle geeft de zekerheid dat iedere partijman tenslotte op de juiste plaats staat, dat hij dát werk op zich neemt dat het meeste past bij zijn krachten en capaciteiten, zelf alle gevolgen van zijn fouten merkt en voor aller ogen zijn bekwaamheid bewijst om fouten in te zien en ze te vermijden.” (Wat te doen?, t.a.p., p. 150).

[25] Rosa Luxemburg, Organisationsfragen der russischen Sozialdemokratie, t.a.p., p.74.

[26] Zie daarvoor David Lans, The Roots of Russian Communism, Assen 1969. Lane heeft getracht de maatschappelijke positie van het ledenbestand van de Russische sociaaldemocratie en de bolsjewistische en mensjewistische fracties aan de hand van empirische gegevens uit de periode 1897-1907 te analyseren. Hij komt tot de conclusie, dat de bolsjewieken meer arbeidersleden en -activisten telden dan de mensjewieken (p. 50-51).

[27] “Er kan geen enkele twijfel aan bestaan, dat in de sociaaldemocratie in het algemeen een sterke centralistische tendens bestaat. Ontstaan op de economische grondslag van het in zijn tendensen centralistisch kapitalisme, en in haar strijd op het politieke kader van de grote gecentraliseerde burgerlijke staat aangewezen, is de sociaaldemocratie van nature de uitgesproken tegenstandster van ieder particularisme en nationaal federalisme. Gezien haar taak, om tegen alle partiële en groepsbelangen van het proletariaat in, de collectieve belangen van het proletariaat als klasse binnen een bepaalde staat te verdedigen, streeft ze er overal van nature naar alle nationale, religieuze en beroepsgroepen van de arbeidersklasse samen te smeden tot een enkele eenheidspartij.” (Rosa Luxemburg, Organisationsfregen der russischen Sozialdemokratie, t.a.p., p.72).

[27a] Vgl. de stelling van André Gorz, dat een nieuwe partij slechts ‘van onderop’ kan worden gevormd, zodra het netwerk van bedrijfs- en basisgroepen “haast het hele (nationale) grondgebied bedekt.” (Ni Trade-Unionistes, ni Bolcheviks, in: Les Temps Modernes, oktober 1969.) Gorz heeft niet begrepen dat de crisis van de burgerlijke staat en de kapitalistische productiewijze zich niet stapsgewijze ‘vanaf de periferie naar het centrum’ ontwikkelt, maar een discontinu proces is dat vanaf een bepaald punt naar een beslissende krachtproef toewerkt. Vindt de centralisatie van revolutionaire groepen niet tijdig plaats, dan wordt het voor de reformistische bureaucratie gemakkelijker de beweging weer onder controle te krijgen, wat tot een snelle ontbinding leidt van de voorhoede die zich aan het concentreren is — zoals ook prompt in Italië gebeurde, precies op het tijdstip dat Gorz zijn artikel schreef.

[28] Vgl. Rosa Luxemburgs artikel bij de oprichting van de KPD: Der erste Parteitag “De revolutionaire voorhoede van het Duitse proletariaat heeft zich aaneen gesloten tot een zelfstandige politieke partij” (p. 301). “Voortaan gaat het erom in de plaats van revolutionaire stemming overal de onbuigzame revolutionaire overtuiging, in de plaats van het spontane het systematische te stellen” (p. 303). (Der Gründungsparteitag der KPD, onder redactie van Hermann Weber, Frankfurt/M. 1969). Zie op pag. 301 het uittreksel uit de door Rosa Luxemburg geschreven brochure Was will der Spartakusbund?: “De Spartacusbond is geen partij, die via of door middel van de arbeidersmassa aan de macht wil komen. De Spartacusbond is slechts het doelbewuste deel van het proletariaat, dat de hele brede massa van de arbeiders bij iedere stap op hun historische taak wijst, en in ieder stadium van de revolutie het socialistisch einddoel en in alle nationale kwesties de belangen van de proletarische wereldrevolutie vertegenwoordigt.” (Cursief van mij. — E.M.). Dat “het doelbewuste deel van het proletariaat” los van de “brede massa” moet worden georganiseerd: daarin lag de essentie van het bolsjewisme, die Rosa Luxemburg in 1904 nog niet doorzag.

[29] We zouden hiervan ontelbare voorbeelden kunnen citeren. Zie o.a.: Lenin, Werken, deel 10, p. 284, 1906, deel 18 (Frans), p. 488-495, (1913), deel 23 (Frans), p. 262-266, p. 272-277 (1916-1917) enz.

[30] Vooral in de Franse algemene staking van mei 1968 is duidelijk gebleken, dat de revolutionaire voorhoede niet in staat is tot ‘spontane’ concentratie op nationaal niveau.

[31] Maar omdat een georganiseerde revolutionaire voorhoede, die hiertoe de noodzakelijke voorbereidingen had moeten treffen, ontbrak, waren ook hier deze aanzetten tot zelforganisatie niet bij machte de conservatieve centralisatie van het vakbondsapparaat, de ondernemers en het staatsapparaat blijvend te neutraliseren, laat staan breken.

[32] L. Trotski, Geschichte der russischen Revolution, deel 1, Berlijn 1931, p. 11.

[33] Zie o.a. Georg Lukács, Geschichte und Klassenbewusztsein, pp. 180-189 en passim (Berlijn 1923).

[34] Het beschermen van de eigen politieke en materiële belangen van deze bureaucratieën is intussen de maatschappelijke onderbouw, waarop de bovenbouw van deze verzelfstandiging en hun ideologie berusten.

[35] Rosa Luxemburg, Organisationsfragen der russischen Sozialdemokratie, t.a.p., p.77. 33

[36] L. Trotski, Results and Perspectives, in: Permanent Revolution, t.a.p., p. 246.

[37] Vgl. bijvoorbeeld Clara Zetkins bespotten van de SPD-partijleiding (en de karakterloosheid van Kautsky) in de briefwisseling over de censuur die deze partijleiding in 1909 tegen het uitgeven van Kautskys Weg zur Macht uitoefende. Men vergelijkt hiermee het respect dat Lenin in hetzelfde jaar Kautsky bewees.

[38] Lenin, Der Zusammenbruch der II Internationale, p. 164 in: Lenin-Zinovjev, Gegen den Strom, 1921, Verlag der Kommunistischen Internationale.

[39] T.a.p., p.165.

[40] Lenin, De kinderziekte..., in: Oeuvres Choisies en deux volumes, II, uitgeverij voor literatuur in vreemde talen, Moskou. Zie ook de hierboven geciteerde passage in de door Rosa Luxemburg geschreven brochure Was will der Spartakusbund? — Deze conclusie getuigde van een scherper inzicht dan Trotski in 1906 of Rosa Luxemburg in 1904 demonstreerden. Beiden maakten zich illusies dat, ingeval van een groeiend conservatisme van het sociaaldemocratische apparaat, de massa’s in staat zouden zijn het probleem van de machtsovername op te lossen door hun revolutionaire elan. Rosa Luxemburg verlegt in Massenstreik, Partei und Gewerkschaften het probleem zelfs tijdelijk naar de ‘ongeorganiseerde’ armste delen van het proletariaat die pas in de massastaking tot bewustzijn komen. Ook Lenin heeft in zijn geschriften na 1914 uitdrukkelijk verwezen naar deze massa’s (tegenover de ‘arbeidersaristocratie’) op een o.i tamelijk simplistische wijze. Tot het niet georganiseerde deel van het Duitse proletariaat behoorden destijds o.a. de arbeiders van de grote staal- en metaalverwerkende bedrijven, die na 1918 radicaliseerden.

[41] Deze algemene crises van het kapitalisme, d.w.z. het begin van de historische periode van neergang van het kapitalisme, mag niet verward worden met conjunctuurcrises, d.w.z. periodieke economische crises, die zich zowel in de periode van opgang als in de neergaande fase van het kapitalisme voorgedaan hebben. Voor Lenin is het tijdvak dat door de wereldoorlog werd geopend, het ‘tijdperk van de beginnende sociale revolutie’, vgl. Gegen den Strom, t.a.p., p, 393.

[42] Hierin ligt wel de grootste zwakte van deze fatalistische theorie: uit de tendens tot verdinglijking concludeert ze automatisch haar maatschappelijk gevaar, zonder de tussenkomst van potentieel maatschappelijke macht en specifieke sociale belangen in de analyse te verwerken. De verzelfstandiging van portiers en kassiers geeft deze nog geen macht over banken en grootbedrijven — afgezien van de ‘macht’ tot diefstal, die bovendien slechts onder zeer bepaalde voorwaarden wordt geëffectueerd. Het bepalen van deze voorwaarden moet daarom in de analyse van de tendens tot verzelfstandiging worden betrokken, wil men haar een maatschappelijke inhoud geven.

[43] De formele spelregels van het democratisch centralisme recht van alle leden op informatie over meningsverschillen in de leiding; recht op tegengestelde informatie van de leden voor verkiezingen van de leiding, en congressen; recht op periodieke herziening van meerderheidsbesluiten in het licht van de opgedane ervaringen, d.w.z. het recht van minderheden periodiek te proberen meerderheidsbesluiten ongedaan te maken; het recht op organisatie enz. — horen natuurlijk tot dezelfde voorwaarden. In de nieuwe partijstatuten die voor de veertiende partijdag van de communistische partij van de CSSR voor augustus 1968 voorbereid waren, werden deze leninistische normen van het democratisch centralisme tamelijk treffend geformuleerd. De Moskouse aanhangers van het bureaucratisch centralisme reageerden daarop met de invasie. Inderdaad was de voorgestelde terugkeer naar de leninistische normen van het democratisch centralisme in de ontwikkeling van de CSSR een van de belangrijkste ‘stenen des aanstoots’ voor de sovjetbureaucratie.

[44] L. Trotski, Geschichte der russischen Revolution, t.a.p., deel 1, bijv. p. 148-156 en passim.

[45] Tussen 1905 en 1917 was de bolsjewistische partij geschoold in de geest van de oplossing van de ‘democratische dictatuur van de arbeiders en boeren’, d.w.z. in de geest van een formule die de mogelijkheid van een coalitie tussen arbeiders en een boerenpartij in het kader van het kapitalisme, d.w.z. een kapitalistische ontwikkeling van de Russische landbouw en industrie op het oog had. Tot diep in 1916 hield Lenin vast aan deze mogelijkheid. Pas in 1917 begreep hij dat Trotski gelijk had, die al in 1905 had voorspeld dat de agrarische kwestie slechts in het kader van de dictatuur van het proletariaat en de socialisering van de Russische economie zou kunnen worden opgelost.

[46] Lenin, Twaalf jaren, in: Werken, deel XII, Franse uitgave, p. 74: “De brochure Wat te doen? legt er telkens weer opnieuw de nadruk op, dat de organisatie van beroepsrevolutionairen die daarin voorgesteld wordt, slechts zin heeft in verbinding met de ‘werkelijk revolutionaire klasse die zich elementair in de strijd werpt’.” T.a.p., p.75 benadrukt Lenin dat de kwaal van de kliekvorming alleen door -de uitbreiding van de partij met proletarische elementen, gepaard met een openlijk massawerk” overwonnen kan worden.

[47] Binnenkort verschijnt bij Maspéro te Parijs een door ons samengestelde reader Arbeiderscontrole, arbeidersraden, arbeiderszelfbeheer, die deze stelling probeert te bewijzen.

[48] Voor Lenin is de ‘leidende rol van de partij’ in het radensysteem een politieke, geen vervangende rol. Het gaat er om de meerderheid van de raden van de juistheid van de communistische politiek te overtuigen, niet, om in hun plaats te treden. In zijn fundamentele werk Staat en Revolutie wordt over deze rol helemaal niet gesproken. En hoewel hij zich in tijden van de ergste woelingen en burgeroorlogen over tactische kwesties vaak scherp uitliet, kan men in zijn geschriften wel argumenten vinden tégen de formule ‘raden zonder communisten’, maar geen argumenten voor de formule ‘communisten zonder raden’.

[49] Georg Lukács (Geschichte und Klassenbewusztsein, t.a.p., p. 306 e.v.) vergist zich als hij meent een van de wortels van Rosa Luxemburgs ‘spontaniteitstheorie’ te kunnen ontdekken in de ‘illusie van een zuiver proletarische revolutie’. Ook in landen waar de numerieke en maatschappelijke betekenis van het proletariaat zo overweldigend is geworden dat het vraagstuk van de ‘coalitiepartners’ van ondergeschikt belang wordt, blijft onder de voorwaarden van een ‘zuiver proletarische revolutie’ de gescheiden organisatie van de voorhoede noodzakelijk wegens de innerlijke differentiëring van het proletariaat.

[50] De Chinese maoïsten die een vleugel van hun eigen partij (en de meerderheid van hun eigen centraal comité, dat de Chinese revolutie naar de overwinning geleid heeft) tot “vertegenwoordigers van de kapitalistische lijn”, ja eenvoudig tot ‘'kapitalisten’ verklaren, zijn daarvan een treffend voorbeeld. Volgens de Italiaanse Bordigisten heeft de algemene staking van 14 juli 1948 niets te maken met proletarische klassenstrijd, omdat de arbeiders staakten ter verdediging van de ‘revisionistische’ leider Togliatti. Vgl. ook de fraaie formule van de Franse spontaneïst Denis Authier “Als het proletariaat niet revolutionair is, bestaat het niet, en de revolutionairen kunnen er niets nier beginnen. Zij zijn het niet die de historische situatie kunnen scheppen, waarin het proletariaat wordt tot wat het is, door zich tot volksopvoeders te verheffen. Dat kan alleen de ontwikkeling van de moderne maatschappij zelf doen.” (Voorwoord bij L. Trotski, Rapport de la délégation sibérienne, Parijs 1970, p. 12) Dit citaat laat ook zien hoezeer extreem subjectivisme samengaat met extreem objectivisme. Achter het ultra linkse masker knikken de bekende ‘spontaneïsten’ Karl Kautsky en Otto Bauer, als teken van bijval: en hoe verklaart men dat het proletariaat, ondanks reusachtige strijd geen overwinning behaalt? “De omstandigheden zijn daar schuld aan, de objectieve voorwaarden waren niet rijp.” Tot welke belachelijke conclusies dit extreme fatalisme en mechanische determinisme leiden, wordt duidelijk, als ‘de ontwikkeling van de moderne maatschappij zelf’ als verklaring moet dienen vuur het probleem, waarom op een bepaald tijdstip wel de meerderheid van bedrijf X of stad Y, maar niet die van bedrijf V of stad W voor de dictatuur van het proletariaat en tegen het reformisme kiest. Van deze vraag hangt het welslagen of mislukken van de revolutie af. Zolang de “ontwikkeling van de moderne maatschappij zelf” de revolutie niet alle bedrijven en alle steden als rijpe vruchten in de schoot werpt, moeten de heren ‘volksopvoeders’ er zich van onthouden, ‘de ontwikkeling’ geweld aan te doen en de arbeiders van W voor zich te winnen...

[51] Goede voorbeelden van deze louter contemplatieve intelligentsia zijn Pannekoek en Bordiga die tientallen jaren lang in de avonduren hun revolutionaire geschriften schreven, terwijl ze overdag als hun beroep astronomie bedreven of bruggen bouwden. Zij zijn treffende voorbeelden van de verwoestende uitwerking die de arbeidsdeling uitoefent ook op het vermogen van het scherpste intellect om een theorie te produceren die aan de gehele maatschappelijke werkelijkheid beantwoordt.

[52] Dit verwijt aan Lenin en de leninisten werd al door de Russische economisten aangevoerd en kan ook thans weer worden gehoord bij de huidige spontaneïsten.

[53] Vgl. over dit thema N. Poulantzas, Pouvoir politique et classes sociales, t.a.p.

[54] Het is interessant vast te stellen, dat er veel meer intellectuelen, ook beroepsrevolutionaire intellectuelen onder de mensjewieken dan onder de bolsjewieken waren na de splitsing van de Russische sociaaldemocratie. Zie daarvoor David Lane, op. cit., p. 47, 50.

[55] David Lane, (op. cit., p. 212-213) onderstreept eveneens het overwicht van de bolsjewieken in die steden die gekenmerkt werden door grootbedrijven en een oude gestabiliseerde arbeidersklasse.

[56] In zijn laatste werk (Zum allgemeinen Verhältnis von wissenschaftlicher Intelligenz und proletarischem Klassenbewusztsein, in: Info, nr. 26-27, 22 december 1969) had Hans-Jürgen Krahl ‘het’ Marx-citaat over deze kwestie aangehaald, dat wij hier reproduceren (het komt uit de in de definitieve versie van het eerste hoofdstuk van deel 1 van Het Kapitaal niet opgenomen paragraaf: Sechstes Kapitel. Resultate des unmittelbaren Produktionsprozesses, dat voor het eerst in 1933 in het ‘Marx-Engels-Archief’ in het Russisch werd gepubliceerd.)

We zouden dit essay, dat ten dele ook tot doel had bij te dragen tot een kritiek en een discussie met Hans-Jurgen Krahl, aan onze op zo tragische wijze gestorven jonge vriend willen opdragen. “Omdat met de ontwikkeling van de reële onderschikking der arbeid onder het kapitaal oftewel van de specifiek kapitalistische productiewijze niet de afzonderlijke arbeider, maar meer en meer een sociaal gecombineerd arbeidsvermogen de werkelijke functionaris van het totale arbeidsproces wordt, en de verschillende arbeidsvermogens, die concurreren en de totale productieve machine vormen, op zeer uiteenlopende manier aan het directe proces van de waren- of beter hier van de productvorming deelnemen, de een meer met de hand, en de ander meer met het hoofd werkt, de een als manager, engineer, technoloog etc. de ander als overlooker, de derde als directe handarbeider, of zelfs als simpele hulp, daarom worden steeds meer arbeids-vermogens-functies onder het directe begrip productieve arbeid en hun dragers onder het begrip productieve arbeiders, direct door het kapitaal uitgebuite en aan het waardevormings- en productieproces van het kapitaal ondergeschikt gemaakte arbeiders, samengebracht.” (Karl Marx, Resultate, Frankfurt 1969, p. 66) — in het Nederlands is dit citaat te vinden in de brochure Karl Marx over productieve en onproductieve arbeid, Nijmegen 1970, p. 63 — vert.

[57] L. Trotski, Intelligentsia and socialism, Londen, New Park Publishers, 1965.

[58] L. Trotski, Die Entwicklungstendenzen der russischen Sozialdemokratie, in: Die Neue Zeit, 28ste jaargang, II (1910), p. 862.

[59] August Bebel, Briefwisseling met Friedrich Engels, Den Haag 1965, p. 465.

[60] De revolutieproblematiek stelde zich voor hen slechts als de noodzakelijke reactie op een eventuele afschaffing van het algemeen kiesrecht, resp. in geval van oorlog. Rosa Luxemburg echter had met haar massastakings-theorie de poging gedaan strijdvormen van het proletariaat te ontwikkelen, gebaseerd op de Russische revolutie van 1905, die boven verkiezing- en loonstrijd uitgingen. (Zie: R. Luxemburg, Massastaking, partij en vakhonden, Nijmegen 1970 — vert.)

[61] Zie de discussie over het program op het vierde congres van de Communistische Internationale (Protokoll des Vierten Kongresses der Kommunistischen Internationale, Verlag der Kommunistischen Internationale 1923, p. 404-448), die eindigde met de volgende door Lenin, Trotski, Zinovjev, Radek en Boecharin ondertekende verklaring van de Russische delegatie: “Aangezien de discussie over de vraag, welke formulering aan de overgangseisen gegeven moet worden en in welk deel van het programma ze moeten worden ondergebracht, volkomen ten onrechte de schijn van een principiële tegenstelling heeft gewekt, verklaart de Russische delegatie eenstemmig, dat het stellen van overgangseisen in de programma’s van de nationale secties en hun algemene formulering en theoretische fundering in het algemene deel van het programma niet kan worden opgevat als opportunisme.” (t.a.p., p. 542.)

[62] Georg Lukács (Lenin) heeft volkomen gelijk als hij schrijft dat Lenins revolutionaire partij wel geen revolutie ‘maken’ kan, maar wel de tendensen kan versnellen die tot de revolutie leiden. De zo opgevatte partij is zowel producent als product van de revolutie, wat een overwinning betekent van de tegenstelling tussen Kautsky (‘De nieuwe partij moet de revolutie voorbereiden’) en Rosa Luxemburg (‘De nieuwe partij wordt door de revolutionaire actie der massa’s gecreëerd’).

[63] Hans-Jurgen Krahl (op. cit., p. 13 e.v.) heeft volkomen gelijk als hij Lukács een ‘idealiserend’ totaliteitsbegrip van het proletarische klassenbewustzijn verwijt en hem ervan beschuldigt niet in staat te zijn tot een verbinding van empirie en theorie. Wat uitloopt op het niet in staat zijn de revolutionaire theorie aan de massa der arbeiders over te brengen. Uit dit essay had hij echter kunnen opmaken, dat men volkomen op basis van Lenins organisatietheorie tot de noodzakelijkheid van die overdracht kan komen, ja dat zij tot de kern van deze conceptie hoort. Daar hij echter een te scherpe scheiding maakt tussen ‘vervreemd levenslot’ en vervreemd productieproces, loopt hij, net als Herbert Marcuse, het gevaar de ‘vervreemding van de consument’ als het centrale probleem te stellen en daardoor de ‘hooggeciviliseerde behoeftebevrediging’, waartoe het laatkapitalistische systeem de arbeidersmassa in staat stelt, op te vatten als een hindernis op weg naar ontwikkeling van proletarisch klassenbewustzijn. De achilleshiel van de kapitalistische productiewijze is echter nog steeds de sfeer van vervreemding in het productieproces: alleen daar kan een werkelijk revolutionaire opstand beginnen, zoals de gebeurtenissen in Frankrijk en Italië hebben aangetoond. Daarmee zijn we weer terecht gekomen bij de door ons beschreven articulatie van het overbrengen van klassenbewustzijn waarbij wij, evenals Krahl (en Lenin en Trotski) het naïeve begrip van de ‘alwetende partij’ geenszins willen verwarren met het begrip van de ontwikkeling van de revolutionaire theorie als een specifiek en permanent productieproces.

[64] Karl Marx, Thesen über Feuerbach, derde stelling: “De materialistische leer (...) vergeet dat de omstandigheden juist door mensen veranderd worden en dat de opvoeder zelf opgevoed moet worden.”

[65] Marx-Engels, Die deutsche Ideologie, t.a.p., p. 217.