Ernest Mandel

Wordt de Sovjet-Unie kapitalistisch?


Geschreven: 1970
Bron: Oorspronkelijk verschenen in Quatrième Internationale onder de titel Du nouveau sur la question de la nature de l’URSS in september 1970. Verscheen het eerst in het Nederlands in De Internationale, 1ste jaargang, nr. 2, winter 1973
Deze versie: Spelling aangepast
Transcriptie: Ernest Mandel Internet-Archief: www.ernestmandel.org
HTML: F., voor het Marxists Internet Archive, februari 2006


Degenen die vertrouwd zijn met de geschiedenis van de trotskistische beweging, zullen met enig vermaak geconstateerd hebben dat de debatten die 30 of 40 jaar geleden in de schoot van die beweging gevoerd werden, momenteel weerklank gevonden hebben in de publieke arena. Hetgeen tot voor kort nog als een esoterisch twistpunt beschouwd werd, maakt vandaag deel uit van de “grote” politiek. Maoïstische en Chroetsjovistische leiders beschuldigen elkaar ervan “het kapitalisme hersteld te hebben”, of zelfs een “bloedige reactionaire dictatuur” ingesteld te hebben.

Dit vermaak hoeft echter niet in verbazing om te slaan. Het lot van de Sovjet-Unie was vanaf haar ontstaan nauw verbonden met dat van de socialistische wereldrevolutie, wier neergang voor de sovjetmaatschappij een onvoorziene historische wending veroorzaakt had die alleen door de Trotskistische beweging in gans zijn interne dialectiek theoretisch gevat is geworden. Overal elders zag men niets dan ontgoochelende disputen over de al dan niet zware nederlaag van de revolutie en zelfs over de meer dan problematische toekomst van elke socialistische revolutie. Maar de nieuwe sprongen voorwaarts, de recente opgang van de wereldrevolutie scheppen niet alleen betere materiële, politieke en sociale voorwaarden voor de regeneratie van de Sovjet-Unie, maar zijn ook de oorzaak van een heropleving van het marxisme dat het probleem van de “natuur van de Sovjet-Unie” als een passionerend thema heropneemt. Aangezien het trotskisme tussen 1923 en 1953 de enige vorm van levend marxisme geweest is, moeten de huidige debatten noodgedwongen hun inspiratie vinden in de producten en bijproducten van de discussies tussen trotskisten.

De methodologische problemen

De sovjetmaatschappij (en a fortiori de landen van Oost- Europa die er een min of meer getrouwe afbeelding van zijn) is geen definitieve en welomlijnde sociale formatie die een precieze historische plaats inneemt in de sociale ontwikkeling van de mensheid. Het is noch een kapitalistische, noch een socialistische maatschappij, maar een overgangsmaatschappij van het kapitalisme naar het socialisme, die kenmerken van de socialistische toekomst verbindt met kenmerken van het kapitalistische verleden en de kapitalistische omsingeling. De voornaamste verworvenheid van Trotski’s analyse van de natuur van de Sovjet-Unie ligt ontegensprekelijk in het feit dat hij het probleem in die bewoordingen gesteld heeft. Na gedurende lange tijd het exclusieve erfdeel van de trotskistische beweging geweest te zijn, begint het begrip “overgangsmaatschappij” zich langzaamaan een weg te banen in bredere lagen van de voorhoede [1].

Twee methodologische aangelegenheden dienen nochtans verduidelijkt te worden van zodra men de sovjetmaatschappij vanuit dat standpunt aanpakt.

Marx had het feit benadrukt dat het onmogelijk gebleken was om het fundamentele karakter van de kapitalistische productiewijze of zelfs van de koopwaar zelf en van de productieve arbeid of te leiden, alvorens het kapitalisme tot volle rijpheid gekomen was [2]. Voor de industriële revolutie, in de tijd van de manufactuur en het handels- en bankkapitalisme, was het onmogelijk om de ontwikkelingswetten van het kapitalisme te formuleren. Dit verklaart meteen waarom de fysiocraten rustig konden beweren dat alleen de landbouwarbeid productief was. Hetzelfde geldt voor de overgangsmaatschappij van het kapitalisme naar het socialisme. Zoals het onmogelijk is om de ontwikkelingswetten van het kapitalisme of te leiden uit de Engelse samenleving na 1649 of 1688, zo ook is het onmogelijk om de algemene wetmatigheden van de overgang van het kapitalisme naar het socialisme alleen af te leiden uit het voorbeeld van de sovjetmaatschappij — om van China nog te zwijgen — d.w.z. uit bijzondere gevallen die een duidelijk gebrek aan rijpheid vertonen, die het resultaat zijn van een specifieke combinatie van historische omstandigheden.

Als methode van sociale analyse en dus prognose staat het marxisme natuurlijk oneindig ver boven de empirische of theoretische oorsprongen van de burgerlijke politieke economie. Maar evenmin als om het even welke andere wetenschap kan het zich volledig vrijmaken van de conditionering door de maatschappelijke infrastructuur waarop deze zich ontwikkelt. Men zal slechts een volledig inzicht bereiken in de ontwikkelingswetten die de dynamiek beheersen van de overgang van het kapitalisme naar het socialisme (de maatschappij in het tijdperk van de dictatuur van het proletariaat), en meer bepaald in de wetten die de overgang naar een volledig ontplooide socialistische samenleving regelen, vanaf het ogenblik dat men op zijn minst de aanvang van een dergelijke maatschappij in rijpe omstandigheden beleefd heeft, nl. in de hooggeïndustrialiseerde landen waar het proletariaat numeriek sterk in de meerderheid is, waar het zelf de economie en de staat beheert en definitief beschut is tegen buitenlandse bedreigingen.

Van nu tot dan kunnen we trachten een “voorkennis” van die wetten op te doen, ze steeds nauwkeuriger te benaderen. Maar we zullen er geen definitief bevestigd inzicht in krijgen. Dit betekent dat het laatste woord in die kwestie pas zal gezegd zijn op het ogenblik dat ze in de praktijk niet meer zal bestaan. Deze conclusie zou de auteur van de 11e stelling over Feuerbach wel bevallen hebben.

Maar alhoewel er in de Sovjet-Unie geen productiewijze bestaat die haar eigen historische ontwikkelingswetten reeds volledig ontplooid heeft, bestaat er daar onbetwistbaar een welbepaalde sociaal-economische formatie met een eigen interne logica en een sociaal-economische dynamiek die moeten begrepen en verklaard worden. Het verschil tussen een welbepaalde sociaal-economische formatie en een productiewijze ligt er juist in dat eerstgenoemde, omdat ze het product is van een concreet historisch proces, bijzondere kenmerken van verschillende productiewijzen combineert en slechts vanuit het standpunt van de ongelijke en gecombineerde ontwikkeling kan aangepakt worden. Maar als men niet begrijpt welke productiewijze binnen de sociaal-economische formatie domineert, kan men haar dynamiek ook niet op een correcte wijze interpreteren, laat staan voorspellen.

Het onderscheid tussen deze twee procedures is Bettelheim ontsnapt in een van zijn vele werken over de aard van de Sovjet-Unie. Hij verwijt ons dat we de theorie “buiten de geschiedenis” geplaatst hebben; hij begrijpt niet dat juist hij de geschiedenis buiten de theorie zet [3]. We hebben nooit beweerd dat het marxisme enkel en alleen bij machte was om het “zuivere en abstracte kapitalisme” te analyseren. We hebben eenvoudig gezegd dat de ontleding van het reële kapitalisme, zoals het zich concreet ontwikkeld heeft, slechts wetenschappelijk kan geschieden als men vertrekt van de analyse van het “zuivere kapitalisme”, anders vervalt men in het vulgaire empirisme. Anderzijds hebben we gezegd dat deze analyse natuurlijk niet herleidbaar is tot de abstracte ontleding, want dan vervalt men in het abstracte dogmatisme dat de geschiedenis, d.w.z. de ongelijke en gecombineerde ontwikkeling, uitschakelt.

Een perfecte illustratie van deze methodologische fout wordt geleverd met Bettelheims theorie dat het voortbestaan van de koopwarenproductie in de Sovjet-Unie en in de andere gebureaucratiseerde arbeidersstaten, voortvloeit uit het onvermogen van de staat om zich “alle” producten toe te eigenen. Bettelheim stelt zich zelfs niet de vraag of tijdens de opbouwperiode van het socialisme de toe-eigening door de staat van “alle” producten zou overeenstemmen met een “logica” of met een noodwendigheid van de planificatie, met de noden van de productieverhoudingen ontstaan uit de omverwerping van het kapitalisme, of met de behoeften van de “geassocieerde producenten”. Zijn redenering vertrekt van de specifieke omstandigheden in de Sovjet-Unie, in China, in Cuba, van de omstandigheden van schaarste en “primitieve socialistische accumulatie”. Maar wat heeft hij te zeggen over een overgangsmaatschappij in Frankrijk of in de Verenigde Staten? Wat over de progressieve bevrediging van de normale behoeften? Wat over de ontplooiing van een centrale comptabiliteit dankzij het gebruik van de computer? Is het niet logischer te veronderstellen dat hoe rijker de maatschappij wordt, hoe minder de staat het nodig zal vinden zich elke nagel, elke appel of zelfs elke transistor “toe te eigenen”? Betekent de opbouw van het socialisme niet in eerste instantie het afsterven van de koopwarenproductie? En zal dat proces nu juist niet gekenmerkt worden door een afnemende nood om alle producten van de arbeid centraal toe te eigenen?

Het is volledig juist dat de onvoldoende ontwikkeling van de productiekrachten aan de basis ligt van alle problemen van een overgangsmaatschappij [4]. Deze ontwikkeling is — op wereldvlak — reeds in tegenstrijd gekomen met de kapitalistische productieverhoudingen. Zij is nog niet op het niveau van de werkelijk socialistische productieverhoudingen — tenminste niet in de landen waar het kapitalisme omvergeworpen is. Maar men getuigt van een bijzonder beperkte visie op het geheel van de sociaal-economische en politieke contradicties van een overgangsmaatschappij in een land als de Sovjet-Unie dat oorspronkelijk onderontwikkeld was, als men het probleem herleidt tot een kwestie van “toe-eigening” van de producten. Men verwaarloost op die manier vooral hetgeen het vertrekpunt moet zijn van elke marxistische analyse van een bepaalde sociaal-economische formatie, nl. de productieverhoudingen.

Marktverhoudingen in de Sovjet-Unie?

De heropleving van de discussies over het probleem van de Sovjet-Unie heeft een oud debat dat men als beslecht beschouwde — het debat over het waarom van het voortbestaan van de koopwarencategorieën in de Sovjet-Unie — nieuw leven ingeblazen. Gilles Martinet beschuldigt ons van dogmatisme omdat we beweren dat in de USSR de productiemiddelen

- voor het grootste deel, d.w.z. voor zover ze slechts in de schoot van de geëtatiseerde sector circuleren — geen koopwaren zijn. Zijn conclusie is een subliem staaltje van naïviteit: “Het ongeluk is dat deze productie en circulatie (van koopwaren) bestaat. Eppur si muevo.” [5] Alsof de koopwarenproductie een natuurverschijnsel was dat men “registreert” zoals een zoneclips. Alsof het hier niet over een sociaal verschijnsel ging, dat zo complex is dat alleen een diepgaande analyse van de sociale verhoudingen — de productieverhoudingen — kan verduidelijken.

In de befaamde sectie IV van het eerste hoofdstuk van “Het Kapitaal” (Eerste Boek) dat aan het koopwarenfetisjisme gewijd is, definieert Marx op zeer gevatte en duidelijke wijze de oorsprong van de koopwarenproductie en het karakter van de koopwaar. We beperken ons tot twee citaten.

“Gebruiksvoorwerpen worden toch pas waren omdat zij producten zijn van onafhankelijk van elkaar verrichte individuele soorten arbeid. Aangezien de producenten pas door de ruil van hun arbeidsproducten in maatschappelijk contact treden, treedt ook het specifiek maatschappelijke karakter van hun bijzondere arbeid pas door deze ruil aan het daglicht. Anders gezegd: de individuele arbeid doet zich inderdaad pas gelden als schakel van de maatschappelijke totale arbeid door de verhouding, waarin de arbeidsproducten, en via deze ook de producenten, door de ruil worden geplaatst.”

En als tegengestelde van een door privé-arbeid en privé-bezit beheerste maatschappij, beschrijft Marx enkele bladzijden verder als volgt een maatschappij die gebaseerd is op het sociaal bezit van de productiemiddelen.

“Laten we ons tenslotte, voor de verandering, een vereniging van vrije mensen voorstellen, die met gemeenschappelijke productiemiddelen werken en die hun veelsoortige individuele arbeidskrachten zelfbewust als een enkele maatschappelijke arbeidskracht besteden. Alle kenmerken van de arbeid van Robinson gelden ook hier, maar maatschappelijk en niet individueel. Alle door Robinson voortgebrachte producten waren uitsluitend zijn persoonlijke producten en waren daardoor voor hem directe gebruiksvoorwerpen. Het totale product van de door ons veronderstelde vereniging is een maatschappelijk product. Een deel van dit product doet weer dienst als productiemiddel en blijft dan ook maatschappelijk. Maar een ander deel wordt door de leden van de vereniging als bestaansmiddelen verbruikt; dit deel moet dus onder hen verdeeld worden. De wijze waarop deze verdeling plaatsvindt zal verschillen al naar gelang de bijzondere aard van het maatschappelijk productieorganisme zelf en al naar gelang het daarmee corresponderende stadium van historische ontwikkeling van de producenten. Laten wij, ter vergelijking met de warenproductie, veronderstellen dat voor iedere producent het aandeel in de bestaansmiddelen bepaald wordt door zijn arbeidstijd. De arbeidstijd vervult dan een dubbele taak. Enerzijds regelt de maatschappelijke planmatige verdeling van de arbeidstijd de juiste verhouding tussen de verschillende soorten arbeid en de verschillende behoeften. Anderzijds doet de arbeidstijd tegelijkertijd dienst als maat voor het individuele aandeel in het te verteren deel van het gemeenschappelijk product. De maatschappelijke betrekkingen van de mensen tot hun arbeid en tot de producten van hun arbeid blijven hier zowel in de productie als in de verdeling duidelijk en eenvoudig.” [6].

Merken we terloops op dat Marx een evolutie voorziet in de distributiewijze in het socialisme. De fameuze mechanistische opvatting volgens dewelke er een “wet van overeenstemming” zou bestaan tussen het ontwikkelingsniveau van de productiekrachten enerzijds en productie- en distributiewijze anderzijds, en dit overal en altijd, in elke sociaal-economische formatie en zelfs in een overgangsmaatschappij, is misschien een product van het stalinisme, maar zeker niet van Marx. We komen er verder op terug.

In de twee aangehaalde uittreksels zegt Marx juist dat de koopwarenproductie noch uit de noodzaak om “alles centraal toe te eigenen”, noch uit de noodzaak van een “juiste comptabiliteit” voortvloeit.

Ze is enkel en alleen het resultaat van het privé-karakter van de arbeid. Alleen wanneer de arbeid van de producenten niet als onmiddellijk sociale arbeid erkend wordt, en dan nog enkel in de mate dat de producten van de arbeid op de markt verkocht worden yen in de proportie waarin hun “individuele waarde” gerealiseerd wordt), kan men van koopwarenproductie spreken.

Het volstaat even een uitstap te ondernemen in de Sovjet-Unie of in om ‘t even welke “volksdemocratie” om te zien of de productiemiddelen er inderdaad het product zijn van “privé-arbeid”, die slechts via de markt kan gemeten worden. Daar is natuurlijk geen sprake van. Het is er onmogelijk om met de sleutels reeds in de hand een fabriek te gaan kopen in een leveringsbureau of zelfs maar werktuigenmachines in een magazijn. Eppur si muevo: de productiemiddelen” die in de schoot van de staatssector circuleren” zijn niet het product van “privé-arbeid”, ze veranderen niet van eigenaar, ze worden niet verkocht op de markt en zijn bijgevolg geen koopwaren — wat de “economisten” van die landen er ook moeten over zeggen. Hun taak is immers niet de werkelijkheid wetenschappelijk te ontleden, maar wel particuliere sociale belangen te verdedigen.

In de “Grundrisse...” [7] had Marx trouwens reeds hetzelfde idee ontwikkeld als hij zich bij voorbaat tegen het argument van de comptabiliteit kantte. Een strikte comptabiliteit zal noodzakelijk zijn binnen een communautair georganiseerde productie; deze comptabiliteit zal zelfs strikter zijn dan nu het geval is. Maar ze mag niet verward worden met het koopwaarkarakter van, de productie, dat betekent dat het sociaal karakter van de arbeid slechts achteraf erkend wordt, na de verkoop van de producten, terwijl in een op collectief bezit gebaseerde maatschappij de arbeid van bij zijn uitgave reeds als sociaal erkend wordt.

Wat betekent, de formule “rechtstreeks sociaal karakter” of “niet rechtstreeks sociaal karakter” van de arbeid? Eenvoudig het volgende: in een koopwareneconomie is de activiteit van de ondernemingen bepaald door hun succes op de markt. Als de koopwaren er nu ofwel niet ofwel onder hun waarde verkocht worden, kunnen geen nieuwe investeringen plaatsgrijpen, kan het constant kapitaal niet volledig vernieuwd worden en zullen een aantal arbeiders afgedankt worden: de arbeid die ze geleverd hebben “is door de maatschappij niet als sociale arbeid erkend geworden”. In een geplanifieerde economie handhaven de fabrieken die productiemiddelen voortbrengen hun activiteiten onafhankelijk van hun “financiële resultaten”. De investeringen — tenminste de grote meerderheid ervan — worden door het plan en niet door het marktsucces van de “firma” bepaald. Op het vlak van de maatschappelijke aard van de arbeid staan koopwareneconomie en geplanifieerde economie lijnrecht tegenover elkaar als regime gebaseerd op privé- resp. regime gebaseerd op collectief bezit. In het eerste geval heerst de waardewet: men kan van de privé-arbeid slechts achteraf zeggen of het al dan niet sociale arbeid is. In het tweede geval heerst de bewuste verdeling van de materiele bronnen over de verschillende productieve activiteiten. Alle arbeid die onder dergelijke voorwaarden uitgevoerd wordt heeft een rechtstreeks maatschappelijk karakter, zelfs als hij onder de gemiddelde productiviteit gepresteerd wordt [8].

We leveren nu het bewijs a contrario. Hoe is het gesteld met de consumptiegoederen en met de kleine werktuigen en met de productiemiddelen die aan de kolchozen en aan de ambachtelijke coöperatieven verkocht worden? In dat geval grijpt er eerst en vooral effectief aankoop en verkoop plaats, vermits er een verandering van eigenaar optreedt. Als een staatsmagazijn aan een arbeider een pak verkoopt, wordt dit kledingstuk van collectief privé-bezit; de transactie is niet zuiver handelstechnisch. En achter het juridisch karakter van de transactie schuilt wel degelijk het sociaal-economisch fonds dat Marx ontdekt heeft. De verdeling van de consumptiegoederen onder de individuen wordt niet door het plan geregeld, in tegenstelling tot de verdeling van de productiemiddelen onder de staatsondernemingen. De arbeid die geleverd wordt in de sector van de consumptiegoederen is dus niet automatisch sociale en als dusdanig erkende arbeid. Een deel van die producten kan onverkoopbaar blijken. Men kan hun gebruikswaarde niet realiseren als hun gebruikswaarde niet gerealiseerd wordt [9].

De sovjetarbeider kan een pak dat te duur is voor hem of hem zo voorkomt niet gebruiken. En als het kledingsstuk niet verkocht wordt, is de arbeid die erin steekt je reinste verspilling geweest. Daarentegen is er niets dat de staat ervan weerhoudt machines te gebruiken zelfs als de productiekosten ervan buitensporig geweest zijn. In het eerste geval is de gebruikswaarde verkwist geworden, in het tweede geval gerealiseerd. Dat is een onderscheid dat door geen enkele berg min of meer scholastische argumenten kan weggeredeneerd of praktisch geëlimineerd worden.

Waardewet tegen de logica van het plan

Sinds de publicatie van E. Preobrazjensky’s “Novaia Economika”, hebben de marxisten doorgaans aanvaard dat de ganse overgangsperiode van het kapitalisme naar het socialisme gekenmerkt zou zijn door de strijd tussen twee grondig verschillende ontwikkelingsdynamieken, de ene bepaald door de waardewet, de andere door de logica van het plan. De eerste ontwikkelingsdynamiek tendeert ernaar de economische rijkdommen te verdelen en te herverdelen volgens de dialectiek van de koopwarenproductie, d.i. van de “effectieve vraag”, van het verwezenlijken van superwinsten en van de concurrentie. De tweede streeft er integendeel naar deze rijkdommen onafhankelijk van de markt te verdelen en te herverdelen, volgens een door hen die de economie beheren bewust opgestelde prioriteitenschaal.

Er bestaan oneindig veel combinatiemogelijkheden van de beide principes. In het monopoliekapitalisme worden planificatietechnieken aangewend om de al te catastrofale gevolgen van de marktfluctuaties te matigen”. In een geplanifieerde economie kunnen en moeten de marktmechanismen ten dienste gesteld worden van een snellere bepaling van de behoeften van de consumenten, van een betere aanpassing van de mogelijkheden aan de behoeften. Maar het bestaan van al die mogelijke combinaties neemt niet weg dat het hier gaat om de strijd tussen twee op lange termijn historisch onverzoenbare sociaal-economische ontwikkelingsdynamieken. Het is natuurlijk op het vlak van de grote investeringen dat de beslissende strijd uitgevochten wordt. De logica van de markteconomie zuigt hen in een richting die tegengesteld is aan die van de logica van het plan. De economische beweging zelf neemt twee verschillende vormen aan: cyclische fluctuaties in het eerste geval, ononderbroken groei — alhoewel niet altijd noodzakelijkerwijze aan hetzelfde ritme — in het tweede geval.

Hier zien we hoe gezocht de argumentatie is die alles laat afhangen van de “toe-eigening van het geheel der producten”. Het geplanifieerd karakter van de strategische investeringen is verzekerd van het ogenblik dat de productiemiddelen werkelijk collectief bezit zijn. Het is belangrijk te weten of de “staat” zich 99, 95 of slechts 90 % van de voortgebrachte productiemiddelen toe-eigent als men de soliditeit van het regime wil bepalen, of het belang van de middelpuntvliedende krachten in de economie wil meten, of de crisissen die aan de gezichtseinder opdoemen wil voorspellen, maar dit alles verandert natuurlijk niets aan het geplanifieerd i.p.v. door de marktwetten bepaald karakter van de investeringen.

Zo ook ziet men hoe gezocht het onderscheid is dat zoveel auteurs trachten in te voeren tussen “eigendom als juridische categorie” en “eigendom als economische categorie”. In de gelijkschakeling van “genationaliseerde eigendom” en “eigendom van het volk” verschuilen zich natuurlijk een ganse serie sofismen die Trotski perfect aan het licht gebracht heeft [10]. Maar het is de globale oriëntering van de investeringen die “de genationaliseerde eigendom van de productiemiddelen” in de economische (en niet alleen in de juridische) zin van het woord van het privé-bezit onderscheidt. In het eerste geval worden die investeringen op nationaal vlak beslist; in het tweede geval op het vlak van het bedrijf. Al de rest vloeit daaruit voort.

Sommigen hebben ons ervan beschuldigd de planificatie te “reïfiëren” als we van de “logica van het plan” spreken. [11] Maar het begrip “reïficatie” slaat toch op het toekennen van menselijke eigenschappen aan dingen, en op het versluieren van de betrekkingen tussen de mensen achter de beweging van de dingen. In werkelijkheid echter begrijpen deze critici niet dat de planificatie welbepaalde verhoudingen tussen de mensen veronderstelt, nl. welbepaalde productieverhoudingen.

Maar al te talrijk zijn zij die de productieverhoudingen herleiden tot die eenvoudige betrekkingen tussen “hen die werken en hen die de arbeiders bevelen”, d.w.z. tot de interne verhoudingen binnen het bedrijf. Dit is één aspect van de productieverhoudingen in de prekapitalistische zowel als in de kapitalistische maatschappij en bijgevolg ook in de postkapitalistische overgangsperiode van het kapitalisme naar het socialisme. Maar een ander aspect van de productieverhoudingen ontsnapt hen. In iedere maatschappijvorm die gebaseerd is op een gevorderde arbeidsdeling, waar zich objectief een socialisering van de menselijke arbeid voordoet, waar geen enkele “consumptie-eenheid” kan voortbestaan los van de andere eenheden, kan het sociaal karakter van de arbeid slechts op twee manieren tot uiting komen: ofwel a posteriori, via het marktmechanisme, ofwel a priori, via het plan. Verre van een “ding” of een “verhouding tussen dingen” te zijn, is de planificatie dus een bepaald geheel van menselijke productieverhoudingen die het onmiddellijk sociaal karakter van de door de producenten geleverde arbeid verzekert.

Sweezy heeft een analoge positie ingenomen m.b.t. de historisch onverzoenbare strijd tussen het plan en de markt. Hij heeft er de juiste conclusie uit getrokken dat de overgangsmaatschappij zowel naar het socialisme kan gaan als naar het kapitalisme terugkeren; Trotski was 35 jaar geleden tot juist dezelfde bevindingen gekomen [12]. Maar Sweezy leidt er verkeerdelijk uit of dat alles afhangt van de “voluntaristische” beslissingen in de schoot van de bureaucratie: de “technocratische” vleugel zou de vertegenwoordiger zijn van het herinstellingsproces van het kapitalisme, terwijl de vleugel van de oude autoritaire bureaucraten type Brezjnjev en Kossygin dit proces zouden willen tegenhouden [13]. Hierdoor wordt het (“gedepolitiseerd”) proletariaat volledig buiten de pronostiek gehouden, hetgeen trouwens ook een kenmerk is van Sweezy’s gedachtegang m.b.t. de imperialistische landen (cfr. de conclusie van “Monopoly Capital”). Op die manier onderschat hij de beslissende rol van de productieverhoudingen in elke sociaal-economische formatie, de Sovjet-Unie inbegrepen.

De “overgang van de imperatieve naar de indicatieve planificatie” — om Martinet’s vertolking van de stelling van Bettelheim over te nemen — is echter niets anders dan de ontbinding van de productieverhoudingen die de planificatie schragen. Deze overgang betekent concreet de herinvoering van de afdankingen in de ondernemingen, het heropduiken van massale werkloosheid, de heroriëntering van de economie naar de prioritaire ontwikkeling van de productietakken die de (zowel “interne” als “externe”) “effectieve vraag” kunnen bevredigen, eerder dan naar de takken die een optimale of wenselijke sociale en economische groei op lange termijn kunnen waarborgen. Het is op zijn minst voorbarig en al te pessimistisch te veronderstellen dat al die radicale veranderingen in de Sovjet-Unie mogelijk zouden zijn zonder een krachtige reactie vanwege het proletariaat uit te lokken en zonder juist een bruusk einde te maken aan de “depolitisering” van dat proletariaat. Hetgeen zich in Tsjecho-Slowakije in 1968 heeft voorgedaan, en vooral hetgeen zich in Joegoslavië voordoet sinds de “economische hervorming” toont in ieder geval de gegrondheid van onze “optimistische” veronderstelling aan: het zal onmogelijk zijn de geplanifieerde productieverhoudingen die in de Sovjet-Unie met de Oktoberrevolutie ontstaan zijn te ontbinden zonder voorafgaandelijk de woeste weerstand van het sovjetproletariaat verpletterd te hebben. Evenmin als de afschaffing van het kapitalisme kan zijn herinvoering “gradueel” geschieden; beide geschieden via een radicale, brutale en sprongsgewijze omwenteling in de productieverhoudingen. Om de vergissing aan te tonen van al degenen die het genationaliseerd bezit van de productiemiddelen als iets zuiver “formeels” willen beschouwen, hebben we in een polemiek met de Engelse aanhangers van de theorie van het “staatskapitalisme” gepoogd de logica van de voor het ogenblik in de Sovjet-Unie hangend zijnde economische “hervormingen” aan te tonen “In tegenstelling tot hetgeen oppervlakkige maoïsten en semi-maoïsten in het Westen beweren (...) betekenen de (economische) hervormingen (in de Sovjet-Unie) niet dat het kapitalisme er terug ingevoerd wordt. Ze betekenen niet dat de winst de stuwende kracht van de economische groei wordt, d.w.z. dat hij de investeringen “spontaan” begint te oriënteren van de takken met de laagste winstvoet naar die met een hogere. Er bestaat geen echte concurrentie in de kapitalistische zin van het woord (d.w.z. concurrentie om op een anarchische markt te verkopen). De productiemiddelen zijn geen koopwaren geworden. We kunnen eerder zeggen dat een soort pseudo-markt aangewend wordt om het gebruik van de materiele bronnen te optimaliseren in dezelfde zin als wijlen Oscar Lange het reeds in de loop der dertiger jaren gesuggereerd had.

“Maar betekenen deze hervormingen een harmonieus en rationeel gebruik van de bronnen van de geplanifieerde economie met het oog op een maximale groei van de productie? Helemaal niet. Ze vervangen slechts een serie contradicties door een andere serie. De inkomens van de bureaucraten zijn nu steeds meer gekoppeld aan het “marktsucces” van de fabriek. Maar dit succes is niet enkel afhankelijk — zelfs niet voornamelijk — van de rationele aanwending van de reeds in het bedrijf beschikbare bronnen. Het hangt ook en vooral of van de technologie van de fabriek, d.w.z. van de nieuwe investeringen en van de gegeven verhoudingen tussen de “prijzen” die de fabriek moet betalen voor hetgeen ze “aankoopt”, van de omvang van de arbeidskracht die ze moet gebruiken en van de uitbetaalde loonmassa enerzijds, van de “prijzen” die dezelfde fabriek realiseert als ze een product verkoopt anderzijds. Zolang deze prijzen, de massa en de vorm van de investeringen, de hoeveelheid tewerkgestelde arbeidskrachten en de lonen door net plan vastgesteld worden, zal de bureaucraat zich snel bedrogen voelen door de nieuwe regelingen. Hij zal zeggen: “Ge wilt van mij een optimale prestatie, maar ge bepaalt van in den beginne de productievoorwaarden op een manier dat dit optimum in de praktijk niet te verwezenlijken is.”

De economische hervormingen moeten dus een permanent conflict tussen het plan en de bureaucraten die de productie-eenheden beheren ontketenen. Het oude conflict sloeg voornamelijk op de toewijzing van de bronnen (de bureaucraten hebben systematisch de behoeften aan arbeiders, aan grondstoffen en aan toestellen overschat en hebben de productiecapaciteit van diezelfde fabrieken systematisch onderschat. Het nieuwe conflict zal op de beslissingsmacht slaan. De fabrieksdirecteuren zullen het recht eisen om naar willekeur arbeiders aan te werven en te ontslaan. Ze zullen het recht eisen om over de lonen te “onderhandelen” (regionaal, lokaal en zelfs per nijverheidstak of per onderneming) op basis van de voorwaarden op de (arbeids-)markt. Ze zullen het recht opeisen om het grootste gedeelte van de “winst” van “hun” onderneming te behouden om het opnieuw in dezelfde onderneming te investeren. Ze zullen eisen dat een steeds groter wordend en specifiek gedeelte van de investeringen door hen op een autonome manier gerealiseerd wordt in de schoot van “hun” onderneming. Ze zullen vooral vragen de prijzen van de producten die ze “verkopen” vrij te kunnen bepalen op een manier die hen het geschiktst lijkt (d.i. volgens de marktnormen). En de “planificatoren” zullen zich natuurlijk krachtdadig verzetten tegen al die eisen die in botsing komen met de elementaire principes en noden van de centrale planificatie.

“Laat ons een ogenblik veronderstellen dat de fabrieksdirecteurs hun eisen ingewilligd zien, en dat ze geleidelijk aan deze bijkomende rechten veroveren... Wat zou het uiteindelijk resultaat zijn van dat proces? In dat geval moeten we natuurlijk de haakjes rond de woorden “markt”, “kopen” en “verkopen” laten vallen. Iedere fabriek die over haar eigen investeringen beslist, zich inspant om haar eigen prijzen vast te stellen, haar lonen gaat negotiëren zou een onafhankelijke firma geworden zijn en de markt zou scheidsrechter spelen tussen die firma’s en aanleiding geven tot prijzen die niet meer door het plan maar door het spel van de marktkrachten bepaald worden. In dat geval zou het kapitaal van minder winstgevende naar meer winstgevende takken vloeien. Niet het plan, maar de flux en reflux van de kapitalen zouden de algemene lijnen van de economische groei bepalen. Steeds meer firma’s zouden steeds meer winst kunnen boeken door hun producten te exporteren i.p.v. ze op de interne markt te verkopen, ze zouden rechtstreekse betrekkingen aanknopen met buitenlandse firma’s die ook steeds meer op de Russische markt zouden kopen verkopen en ook kapitalen naar dat land zouden exporteren. De toename van de autonome investeringen van de firma zou onvermijdelijk uitmonden in een overinvestering die een markeconomie slechts door periodieke crisissen en werkloosheid zou kunnen corrigeren...

“In dat geval zou de sovjeteconomie natuurlijk kapitalistisch geworden zijn. Iedereen, zelfs de kortzichtige dogmaticus Mandel, zou dat toegeven. Maar zou het dan een “staatskapitalistische economie” zijn? Het ganse proces is ingezet omdat het inkomen van de fabrieksdirecteurs gekoppeld is geworden aan de “winst” van de onderneming, en omdat die directeurs op die manier een machtige stimulans gekregen hebben om deze “winst” te doen toenemen op basis van hun eigen beslissingen (het vestigen van hun controle over de meeste beslissingen waarvan de winst afhankelijk is). Maar als ze er werkelijk in slagen zover te geraken, zouden ze een nog sterker stimulans hebben om voor de rest van hun dagen aan “hun” fabriek verbonden te blijven en om deze “banden” op hun kinderen en families over te dragen. Men kan zich gemakkelijk inbeelden hoe zeer ze zich in hun belangen zouden geraakt voelen indien men hen, nadat ze erin geslaagd waren een fabriek in een “renderende” firma om te vormen, getransfereerd werden naar een andere fabriek die met verlies werkt (met al het inkomensverlies dat deze toestand voor hen zou meebrengen) Dit ganse proces kan dus alleen aanleiding geven tot het herinvoeren van het privé-bezit. En lang voor het eindpunt van dit proces zou bereikt zijn, zou het versneld geworden zijn door het aangaan van betrekkingen met buitenlandse privé-ondernemingen, door de aankoop van villa’s in vakantieverblijven in den vreemde, door het openen van bankrekeningen in het buitenland en door het gebruik van die bankrekeningen voor het verwezenlijken van “winstgevende investeringen” (d.w.z. de aankoop van buitenlandse acties en obligaties)” [14].

Als men over die projectie in de toekomst nadenkt — alle vertrekpunten van de beschreven conflicten zijn voor het ogenblik in de Sovjetmaatschappij voorhanden — constateert men eens te meer het mystificerend karakter van Bettelheim’s stelling over de “dubbele natuur van het bezit van de onderneming”, en over de “dubbele natuur van de toe-eigening”. Ze verdoezelt de onverzoenbare strijd tussen twee economische dynamieken die in laatste instantie natuurlijk twee diametraal tegengestelde klassenbelangen weerspiegelt. Evenals het kapitalisme en het privé-bezit van de productiemiddelen niet te verzoenen zijn met een economie waarin de strategische ontwikkelingsbeslissingen onafhankelijk zijn van de beslissingen van de firma’s en van de individuele rentabiliteitscriteria, zo ook zijn de socialistische planificatie en het collectief bezit van de productiemiddelen onverzoenbaar met een economie waarin de centrale ontwikkelingsbeslissingen bepaald worden door de markt en de individuele rentabiliteit van de ondernemingen.

Waarom blijven de marktcategorieën gedeeltelijk bestaan?

Men heeft ons de kritiek toegestuurd dat we “heimelijk”, door middel van de “schaarste”, de koopwarencategorieën in de Sovjet-Unie terug ingevoerd hebben, nadat we verkondigd hadden dat ze in tegenspraak waren met de productieverhoudingen die met de Oktoberrevolutie het licht gezien hebben. Laat ons eens van wat dichterbij nagaan waarom de consumptiegoederen in de Sovjet-Unie en in de “volksdemocratieën” koopwaren gebleven zijn.

We hebben reeds gezien dat er voor Marx een wijziging in de distributiewijze optreedt na de vestiging van de nieuwe productiewijze die gebaseerd is op de collectieve toe-eigening van de productiemiddelen. In zijn “Kritiek op het Program van Gotha” onderscheidt Marx twee opeenvolgende distributiewijzen:

(a) — de distributie naar rato van de geleverde arbeid, d.m.v. “Bonnetjes”, in de zgn. socialistische fase;

(b) — de distributie volgens de behoeften in de zgn. communistische fase.

Marx drukt er trouwens op dat de verdeling naar rato van de geleverde arbeid het voortbestaan van het burgerlijk recht inhoudt, met de burgerlijke distributienormen overeenstemt.

Vandaag kunnen we op basis van de ervaring en de theoretische conclusies die eruit te trekken zijn, zeggen dat er voor de “socialistische” fase nog een fase komt, de zgn. “overgangsperiode van kapitalisme naar socialisme”, in de loop waarvan niet alleen de gangbare distributienormen van kracht zullen blijven, maar zelfs de meerderheid van de consumptiegoederen zullen verdeeld worden a.d.h.v. een algemeen equivalent, nl. het geld.

De verklaring hiervoor is reeds meermaals geleverd; we zullen ze nog eens herhalen. Veronderstel dat onmiddellijk na de omverwerping van het kapitalisme het geld volledig afgeschaft wordt, maar dat er een relatieve schaarste aan consumptiegoederen blijft heersen. De toegang van de producenten tot het consumptiefonds geschiedt a.d.h.v. “arbeidsbons”; de niet-actieve leden van de maatschappij (kinderen, bejaarden, zieken, enz.) ontvangen ook dergelijke bons. Welnu, onvermijdelijk zullen ze aan het circuleren gaan. Als ze uitgedrukt worden in fysieke hoeveelheden goederen en diensten (zoals rantsoeneringsbonnetjes) zal het verschil in behoeften van de onderscheiden verbruikers aanleiding geven tot een dergelijke circulatie, waarbij een niet-roker zijn sigarettenbonnetje zal ruilen voor een chocoladebonnetje. Als ze uitgedrukt worden in een gemeenschappelijke mast (bv. 1/10 of 1/100 van een arbeidsuur — bij het huidig gemiddeld niveau van de arbeidsproductiviteit is het inderdaad zulk een fractie en niet een volledig arbeidsuur dat als eenheid zou moeten gekozen worden, want veel consumptiegoederen worden op veel minder dan een uur vervaardigd), zal de neiging om de consumptie in de tijd te differentiëren ook tot zo’n circulatie aanleiding geven. Trouwens, een bon waarop staat: “een tiende van een arbeidsuur” en die vrij uitwisselbaar is tegen een gans gamma goederen en diensten, is reeds een algemeen equivalent.

Het is nu zo dat de noodzaak van een strikte comptabiliteit van de uitgegeven arbeid in deze overgangsmaatschappij noodzakelijk is. Maar het gaat hier over een maatschappij met een bijzonder snel stijgende arbeidsproductiviteit: een “arbeidsuur” van vandaag zal slechts 9/10 voortbrengen van het arbeidsuur van volgend jaar en 11/10 van het arbeidsuur van vorig jaar. In de ene nijverheidstak zal de productiviteit hoger liggen dan in de andere, in de ene onderneming hoger dan in de andere.

In tegenstelling tot hetgeen zich onder het kapitalisme (en in iedere markteconomie) voordoet, worden de arbeiders in een regime gebaseerd op het collectief bezit van de productiemiddelen niet betaald naar rato van de min of meer hoge productiviteit van “hun” onderneming. Maar juist om die reden moet de maatschappij uiterst nauwkeurig haar uitgaven aan arbeid globaliseren en even nauwkeurig de uitgaven per productie-eenheid met de gemiddelden per nationale en internationale nijverheidstak vergelijken. Deze globalisering moet geschieden aan de hand van een of andere gemeenschappelijke maat, bv. het arbeidsuur bij het jaarlijks gemiddelde van de interindustriële productiviteit. Maar het is duidelijk dat dit “arbeidsuur” lang niet gelijk is aan de standaard “arbeidsuur” (10 maal een tiende van een arbeidsuur) die aangewend wordt voor de assignaties voor het consumptiefonds. De eerste sluit de verschillen in productiviteit in; de tweede sluit ze uit. De eerste wordt jaarlijks gewijzigd; de tweede moet betrekkelijk stabiel blijven.

Een derde moeilijkheid rijst bij het opstellen van projecten op lange termijn (ontwikkelingsplannen). Als men vanaf een basisjaar in “arbeidsuren” gaat rekenen, zal men na verloop van tijd natuurlijk met dubbel productieve “uren” rekenen. Maar een in de tijd stabiele standaard is onmisbaar voor de planificatie op lange termijn. Onder zulke omstandigheden is het gebruik van een stabiele geldeenheid vanuit alle standpunten bekeken verkieslijk: om de berekeningen en de economische comptabiliteit te vergemakkelijken, om de vergelijking van de inkomens van de consumenten met de globale productieve inspanning van de maatschappij te kunnen maken, om de spreiding van de consumptie van de producenten over de tijd te vergemakkelijken en, als ze dat verlangen, om alle socio-economische betrekkingen zo doorzichtig mogelijk te maken.

De monetaire gestalte die de verdeling van de consumptiegoederen aanneemt vloeit dus effectief voort uit de relatieve schaarste van die goederen ten tijde van de overgangsmaatschappij tussen het kapitalisme en het socialisme..Deze monetaire vorm neemt een sociale inhoud aan in de mate waarin het privé-bezit van de consumptiegoederen en dus ook het op zijn minst gedeeltelijk niet sociaal (= niet geplanifieerd) karakter van de arbeid die deze goederen voortbrengt, blijven voortbestaan. Deze vorm en inhoud beginnen of te sterven naarmate de fundamentele behoeften bevredigd worden, dat de verdeling “naargelang de behoeften” zich tot een zeker aantal essentiële goederen en diensten kan uitstrekken. Het is een langdurig proces dat zich over de ganse overgangsperiode zal uitstrekken en zelfs tot in het socialisme doorloopt. Bij de productie van productiemiddelen en de economische comptabiliteit gaat het daarentegen om een technische simplificatie, die niet dezelfde sociale inhoud heeft: zolang als het collectief bezit en de sociale planificatie van de grote investeringsbeslissingen werkelijkheid zijn, dekt de monetaire vorm goed marktfenomenen.

Het gaat hier dus over twee verschillende soorten productieverhoudingen, ook al zijn ze in het geval van de Sovjet-Unie zeer intiem onderling vervlochten. De dynamiek van deze vervlechting kan nu gepreciseerd worden. Het voortbestaan van de burgerlijke distributienormen heeft zijn weerslag op de geplanifieerde productieverhoudingen, in de mate dat dit voortbestaan — onder voorwaarden van schaarste! — een sterke stimulans creëert om de inkomens niet alleen meer aan de arbeidsinputs maar ook aan de relatieve productiviteit van de arbeid te koppelen, aangezien deze laatste berekend wordt en dus gekend is. Deze koppeling kan individueel of collectief opduiken van een geprivilegieerde laag bureaucraten die het beheer van de economie en van de staat monopoliseren, de uitschakeling van de massa’s van alle bewuste deelname aan deze leiding verdiepen de tegenstellingen.

Maar zij hebben een historische en een objectieve fundering. Deze contradicties stemmen overeen met een ontwikkelingsniveau van de productiekrachten dat de nieuwe productieverhoudingen nog niet toelaat zich spontaan te consolideren in een klimaat van ontplooide sociale rijkdom en creatief enthousiasme vanwege de producenten. In de twee teksten die we aangehaald hebben let Marx erop telkens de twee voorwaarden, de ene objectief, de andere subjectief, naast elkaar op te noemen, waarbij de subjectieve voorwaarde slechts in laatste instantie uit de objectieve voortvloeit en ze tegelijkertijd tijdelijk kan voorafgaan. Het afsterven van de marktverhoudingen op het gebied van de consumptiegoederen stemt overeen met de mogelijkheid van een geleidelijk afsterven van het gelijktijdig karakter van een precieze berekening van de uitgaven aan arbeid en van de precieze “vergoeding” van iedere producent naar rato van zijn arbeidsinput. Hoe veel de productiekrachten zich ontplooien, hoe meer de “distributie naargelang de behoeften” opeenvolgende sectoren van goederen en diensten gaat omvatten, hoe meer het “privé-bezit” van een serie “consumptiegoederen” moet wijken voor de overvloed, hoe minder de “verhoging van de inkomens” het motief is van de economische activiteit van de individuen — hoe veel ook de nieuwe productieverhoudingen definitief zullen geconsolideerd worden, zonder enige immenging van de “marktverhoudingen”, berekeningen op basis van geld en “tendensen tot private verrijking”.

De rol van de sovjetbureaucratie

Maar we mogen niet vergeten dat de USSR geen klassieke “overgangsmaatschappij” is. Het is een overgangsmaatschappij die bureaucratisch gedegenereerd is, na bureaucratisch gedeformeerd geweest te zijn sinds de burgeroorlog, zoals Lenin het in 1921 gepreciseerd heeft. Het is onmogelijk de sociaal-economische formatie weer te geven zonder de bijzondere rol te vermelden die de bureaucratie sinds tenminste 45 jaar gespeeld heeft.

Als auteurs zoals Bettelheim of Sweezy geconfronteerd worden met hun eigen politiek verleden en net de lastige noodzaak om de rol van Stalin en van het stalinisme te definiëren in de processen die een herstel van het kapitalisme in de Sovjet-Unie zouden kunnen inhouden, lossen zij het probleem gewoonlijk op door hun mond te houden. De maoïsten geven een opsomming van de “bewijzen” van de herinvoering van het kapitalisme, die in Stalins tijd allemaal in dezelfde of zelfs in meerdere mate aanwezig waren dan in de huidige Sovjet-Unie, zonder er de minste theoretische conclusies uit te trekken [15]. Bettelheim probeert het elegant op te lossen: het is een “politiek” proces, dat niets te maken heeft met de min of meer gevoelige impact van de koopwarenproductie: de “nieuwe bourgeoisie” heeft op het XXe Partijcongres van de KPSU de macht gegrepen. [16] Als we vragen in welke wijzigingen in de productieverhoudingen of de productiewijze die herinvoering van het kapitalisme, die contrarevolutie zich gemanifesteerd heeft, antwoordt men ons dat “de politiek op de commandopost moet gesteld worden”. De “overgangsmaatschappij van kapitalisme naar socialisme” (die door de vermelde auteurs in die tijd het “socialisme” werd genoemd!) en het “kapitalisme” zouden dus gedurende tientallen jaren volgens dezelfde economische mechanismen, volgens dezelfde ontwikkelingswetten en met dezelfde fundamentele contradicties functioneren, zonder dat onze metafysicus zich daarover in het minst verbaast...

De bureaucratie is geen nieuwe heersende klasse. Ze speelt geen historisch fundamentele of onmisbare rol in het productieproces. Ze heeft niet de historische opdracht een “versnelde economische groei” te waarborgen; het proletariaat kan deze functie perfect zelf uitoefenen, op voorwaarde dat voldaan wordt aan bepaalde en dikwijls gepreciseerde socio-politieke voorwaarden. Alhoewel de aanhangers van de theorie van het “staatskapitalisme” de bureaucratie “haten” en alleen reeds door erover te spreken het schuim op hun mond krijgen, kennen ze haar in feite een oneindig veel belangrijker en progressiever rol toe dan Trotski en de IVe Internationale dat ooit gedaan hebben. Voor ons is ze slechts een ongeval op de weg van de geschiedenis zoals er zich zo veel voorgedaan hebben tijdens de overgang van het feodalisme naar het kapitalisme (de uitoefening van de politieke macht in Groot-Brittannië door de Whig aristocratie na de “glorious revolution” van 1688, de regering die in het triomferende burgerlijke en imperialistische Duitsland tussen 1870 en 1914 door de kaste van de semi-feodale kaste der Pruisische “Junkers” uitgeoefend werd, om ons tot die twee gevallen te beperken). Voor hen wordt de bureaucratie een noodzakelijk instrument om in Rusland de “primitieve accumulatie” door te voeren.

Omdat de bureaucratie geen nieuwe klasse is maar enkel een parasitaire uitwas van het proletariaat, beschikt ze over geen enkel politiek, sociaal of economisch mechanisme om de verdediging van haar particuliere materiele belangen te doen samenvallen met de ontwikkeling van de productiewijze waaruit ze haar voorrechten trekt. In de kapitalistische, samenleving wordt dit samenvallen gewaarborgd door de concurrentie gebaseerd op het privé-bezit: doordat iedere kapitalist zijn belangen verdedigt, verzekert hij de ontwikkeling van het systeem met het maximum aan “rationaliteit” dat in het kader van de anarchie van de marktwetten denkbaar is. In een “overgangsmaatschappij van het kapitalisme naar het socialisme” die door de geassocieerde producenten beheerd wordt, doet zich een zelfde coïncidentie voor: het belang dat de producenten erbij hebben om tegelijkertijd hun inspanningen in te krimpen en hun consumptie te verhogen schept het mechanisme via hetwelk de geplanifieerde groei, niet automatisch en in optimale verhoudingen, maar dan toch binnen de perken die de voortdurende ontwikkeling van de maatschappelijke rijkdom kunnen waarborgen, doorgevoerd wordt. Van dit alles is er noch in de Sovjet-Unie, noch in om het even welke overgangsmaatschappij waar de bureaucratie het beheer van de economie en van de staat naar zich toegetrokken heeft, iets te merken. De particuliere belangen van de bureaucratie bestaan voornamelijk in het behoud en het uitbreiden van de consumptievoorrechten. Het monopolie van het beheer wordt enkel gezien als een instrument om dit doel te bereiken. De nationalisering van de eigendom wordt enkel met dat doel verdedigd. Als men bij de sovjetbureaucraten de fanatieke wil van de “productie voor de productie” ontdekt zoals de kameraden Kuron en Modzelewski dat doen, dan maakt men abstractie van een fundamenteel kenmerk van het gedrag van de sovjetbureaucraten van 1923 tot vandaag: een ononderbroken oppositie tegen de noden van de economische planificatie, die er altijd toe geleid heeft dat de groei onder een in de concrete ruimtelijke en tijdelijke voorwaarden gemakkelijk realiseerbaar niveau blijft.

In de geschiedenis heeft zich nog nooit een sociale laag voorgedaan die het sociaal meerproduct op een gedesinteresseerde wijze beheerde. Het stalinistisch tijdperk wordt gekenmerkt door de verheffing van de bureaucratie tot het niveau van een sociale laag die het monopolie op het beheer van de economie en van de staat verovert. Daaruit volgt dat de consumptiebelangen van de bureaucratie als een sociale motor van de economische groei werkt. En daar de productieverhoudingen die ontstaan zijn uit de collectieve toe-eigening van de productiemiddelen — de planificatieverhoudingen — een economische groei van een ander type vergen, doet zich een permanent conflict voor tussen de ene en de andere: vele “spanningen”, vele “crisissen”, vele “hervormingen” van de Sovjeteconomie sinds het eerste vijfjarenplan — d.w.z. sinds de privé-sector grotendeels uit de sovjeteconomie geëlimineerd is — zijn tot dat conflict te herleiden. De markt-”vorm” die de comptabiliteit van de ondernemingen en de circulatie van de productiemiddelen aannemen (vorm die tegengesteld is aan zijn inhoud, op dezelfde wijze als bv. de “marktvorm” en de “comptabiliteit” van de circulatie van de koetswerken naar de montage in de Fordfabrieken deze circulatie niet omvormt in ... een circulatie van koopwaren) vergemakkelijkt dit conflict door de werking van een van de hoger genoemde factoren [17]. Aangezien de “waarde” van de machines in roebels gecomptabiliseerd wordt, kennen de bureaucraten duizend verlokkingen om van die “waarde” gebruik te maken, d.i. de staat te bestelen door “primitieve accumulatie” door te voeren op zijn kosten. Dikwijls stellen ze deze “afbuigingen” ten dienste van de “verwezenlijking van het plan” (in de mate dat hun inkomens functie zijn van die IT verwezenlijking”). Daar schuilt de “rationele kern” van Bettelheim’s stelling over de “dubbele aard van net bezit van de productiemiddelen”.

In de mate dat de schaarste blijft bestaan en zich een algemene individuele verrijkingsdrang blijft voordoen — en in afwezigheid van een strenge controle vanwege de massa van de arbeiders op alle beslissingen inzake het beheer — kunnen de bureaucratische beheerders natuurlijk een fractie van de productiemiddelen aan de “geplanifieerde circuits” onttrekken en voor zichzelf “parallelle circuits” (zwarte en “grijze” markt) opbouwen. Maar deze “rationele kern” in Bettelheim’s stelling dient alleen maar om ze nog beter te weerleggen.

Het is duidelijk dat het hier niet om de oorzaak maar wel om een gevolg gaat van het voortbestaan van de marktfenomenen. En het is niet minder duidelijk dat, indien de productiemiddelen die door de “parallelle circuits” komen koopwaren zijn, de productiemiddelen die dat niet doen een ander sociaal karakter hebben, d.w.z. dat net geen koopwaren zijn. Alles herleidt zich op die manier tot onze oorspronkelijke problematiek: wie beslist er over de verdeling van de massa van de productiemiddelen: het plan of de markt, het staatscircuit of het parallel circuit? Voor de Sovjet-Unie van vandaag is het antwoord zonder meer duidelijk.

Twee mystificaties

Pierre Naville, van wie we in het verleden — het eerste boek van “Le Nouveau Leviathan” inbegrepen — meer ernst gewoon waren, heeft gepoogd zijn eigen opvatting over de natuur van de Sovjet-Unie uit te werken in een zeer gestoffeerd werk, waarin het beste steeds naast het slechtste verschijnt en waarin de enorme eruditie slechts geëvenaard wordt door de niet minder indrukwekkende tegenstellingen. Het tweede deel van “Le Salaire Socialiste” verbetert en is dikwijls in tegenspraak met de beweringen uit het eerste deel, zonder dat de auteur evenwel een poging onderneemt om deze contradicties op te lossen [18].

Hij neemt een stelling in ergens halverwege tussen de trotskistische theorie en de theorie van het “staatskapitalisme”, noemt de sovjeteconomie “staatssocialisme” en beweert dat ze deel zou uitmaken van een uniek wereldsysteem beheerst door de waardewet en de accumulatie van het kapitaal. Aldus wordt hij het slachtoffer van twee mystificaties die door de aanhangers van de theorie van het “staatskapitalisme” gedurende bijna een halve eeuw, in navolging van Otto Bauer en de mensjewieken, tot treurens toe herhaald wordt.

We beginnen met het tweede aspect van het probleem. Naville beweert dat het marktkarakter van de ganse productie in de Sovjet-Unie afleidbaar is uit net veralgemeend bestaan van de loonarbeid. Het ganse probleem wordt tot een syllogisme herleid: daar waar er loonarbeid bestaat, moet er uitbuiting in het ruilproces en bijgevolg “kapitaal”, d.i. uitbuiting van de levende door de dode arbeid bestaan. In de Sovjet-Unie is de loonarbeid universeel. Dus moet er uitbuiting zijn [19]. Het enige onderscheid met het kapitalisme dat Naville aanvaardt is dat de meerwaarde er collectief en niet individueel toegeëigend wordt.

Het syllogisme kan gemakkelijk uiteengehaald worden. Naville zelf vermeldt (zoals Trotski voor hem en wij in onze “Traité d’Economie Marxiste”) het feit dat een lid van een arbeiderscoöperatieve perfect in staat is om een goed dat hem toebehoort — in dit geval zijn arbeidskracht — te verkopen aan die coöperatieve. Moet er daarom noodgedwongen van uitbuiting sprake zijn? Helemaal niet. Als het verschil tussen hetgeen zijn arbeidskracht voortbrengt en hetgeen de arbeider opstrijkt eigendom is van de democratisch en op egalitaristische basis door alle arbeiders, d.w.z. ook door hem, beheerd wordt, is net niet zeer duidelijk waar de “uitbuiting” te situeren valt.

Het loon als monetaire vorm waarin de toewijzing van het consumptiefonds plaats vindt, houdt niet automatisch een “uitbuiting” van de arbeidskracht in. De Sovjet-Unie is natuurlijk geen democratisch beheerde coöperatieve; een deel van het maatschappelijk meerproduct eigent de bureaucratie zich toe. Maar dit verandert deze toe-eigening niet automatisch in kapitalistische uitbuiting, die een uitbuiting van een zeer bijzonder type is met bijzondere ontwikkelingswetten.

“Het nastreven van een steeds groter wordende meerwaarde is te wijten aan de noodzaak, even onvermijdelijk in het staatssocialisme als in het kapitalisme, om de tendentiële daling van de winstvoet ten gevolge van een wijziging van de organische samenstelling van het kapitaal ten voordele van het woeste kapitaal tegen te gaan.”, schrijft Naville (blz. 132). Het gaat hier om een mystificerende principeverklaring. De onvermijdelijke noodzaak om een steeds groeiende meerwaarde na te streven spruit voort uit het door Marx dikwijls benadrukte feit dat het kapitaal alleen kan opgevat worden als “verschillende kapitalen”, m.a.w. deze noodzaak vloeit voort uit de concurrentie. Alleen de concurrentie kan dit “nastreven van een steeds groeiende meerwaarde” verklaren.

Het is niet uit belangeloosheid dat de kapitalist een “fanaticus van de accumulatie” is. Hij wordt het door de gesel van de concurrentie en enkel daardoor. Schaf de economische druk af om kapitaal te accumuleren met het oog op een verbetering in de concurrentievoorwaarden teneinde de productiekosten te kunnen drukken door de aankoop van volmaakter vast kapitaal, en het is ook niet meer duidelijk waarom de kapitalist een steeds groter wordende meerwaarde zou nastreven, noch waarom de “organische samenstelling van het kapitaal” voortdurend zou stijgen. Een “kapitalisme zonder concurrentie” zou een stagnerend kapitalisme zijn [20].

Welnu, in de Sovjet-Unie bestaat er geen concurrentie, aangezien de productiemiddelen er in het bezit van de staat zijn. Er bestaat geen enkele “verplichting” om een “groeiende meerwaarde” na te streven. Zelfs Sovjeteconomisten hebben schema’s uitgewerkt waarin ze aantonen — zoals wij het voor hen gedaan hebben — dat een voortdurende groei en dit aan een hoog tempo perfect te combineren is met een gelijkblijvend of zelfs stijgend consumptieniveau. In de 1.000 bladzijden van Naville’s boek is er geen enkele zin die het tegendeel aantoont, d.w.z. die het bewijs brengt van de “verplichting” tot het nastreven van een “steeds groter wordende meerwaarde” in de Sovjet-Unie.

Maar, zeggen de aanhangers van de theorie van het staatskapitalisme, er bestaat toch concurrentie tussen de Sovjet-Unie en de Westerse landen. De noodzaak van een toenemende accumulatie van kapitalen en van een gedrag dat gelijkloopt met dat van de kapitalistische economie zouden uit die vorm van concurrentie voortvloeien. Naville flirt met dat argument zonder het ooit volledig tot het zijne te maken. Het gaat hier nogmaals om een groffe mystificatie.

Iedere andere sociaal-economische formatie moet zich verdedigen tegen de druk van zowel de kapitalistische industrie als het kapitalistisch leger. Dat was waar voor China en Japan van de 16e tot de 19e eeuw; dat was het geval voor het Rusland van Lenin en Trotski; dat is nog van kracht voor het Rusland van Stalin en Brezjnev. Maar deze noodzaak voert niet automatisch tot het invoeren of het herinvoeren van het kapitalisme of van een “uitbuiting van de loonarbeid” zoals in het kapitalisme. De aanpassing is niet de enige vorm van zelfverdediging. Om aan te tonen dat het westerse kapitalisme de Sovjetbureaucraten d.m.v. de concurrentie verplicht om de arbeiders van hun land uit te buiten, zou moeten aangetoond worden dat het hier gaat over concurrentie om de koopwaren op een eenheidsmarkt te verkopen. Want dat is het enige mechanisme waardoor die “ijzeren noodwendigheid” zich kan laten gelden. Dit is duidelijk niet het geval in de Sovjet-Unie. Dit land ruilt immers minder dan een procent van zijn nationaal product met ontwikkelde kapitalistische landen die een hogere arbeidsproductiviteit hebben. Men spant de kar voor het paard als men zegt dat het om dat een procent te “verkopen” is, dat de bureaucraten hun arbeiders “vreselijk uitbuiten”.

De aanwezigheid van het internationaal kapitalisme legt aan een geplanifieerde economie talrijke beperkingen op. Ze verhindert de ontplooiing van een volkomen ontwikkelde socialistische samenleving. Ze maakt het afsterven van de koopwarencategorieën onmogelijk. Ze verplicht een accumulatievoet aan te nemen die van aard is om de economie sneller te doen groeien dan het kapitalisme. Dat alles weerlegt de reactionaire utopie van het “socialisme in één land” en is elementair voor iemand die op de hoogte is van de leer van Trotski en hem in grote trekken overneemt. Maar uit dat alles volgt geenszins dat de “waardewet” de economische ontwikkeling van de Sovjet-Unie zou bepalen, en nog minder dat er een uniek economisch wereldsysteem zou bestaan, zoals Naville op blz. 9 van zijn werk beweert. Men munt niet uit niet door objectieve wetenschappelijkheid als men zich beroept op Trotski en Preobrazjensky zonder het feit te vermelden dat ze alle twee expliciet deze “uniciteit” verwerpen en terecht stellen dat de mogelijkheid zelf van een veralgemeende industrialisering van de Sovjet-Unie juist voortvloeit uit de omstandigheid dat de Sovjet-Unie zich ten dele — niet volledig, maar gedeeltelijk — kan onttrekken aan het spel van de “waardewet” en vooral aan zijn regulatorische functie [21].

Ontwikkelingswetten van de sovjeteconomie

We vatten samen. De sovjetmaatschappij is een specifieke sociaal-economische formatie die algemene kenmerken van de overgangsmaatschappij tussen kapitalisme en socialisme verenigt met bijzondere kenmerken die haar juist als een onrijpe vorm van zulk een maatschappij doen voorkomen: het lage niveau van waarop de productiekrachten zich beginnen ontwikkelen zijn; de kapitalistische omsingeling die duizendenden militaire en economische beperkingen meebrengt, relatief gering gewicht van het proletariaat op het ogenblik dat die maatschappij in het leven geroepen wordt, te laag technisch en cultureel kwalificatiepeil van datzelfde proletariaat, enz... De ontwikkelingswetten van deze sociaal-economische formatie vallen dus gedeeltelijk samen met die van elke “overgangsmaatschappij” en worden anderzijds verbonden met specifieke ontwikkelingswetten die zelf voortspruiten uit de bureaucratische ontaarding en de kapitalistische overblijfselen.

Inzover we vandaag deze wetten kunnen identificeren op basis van de historische ervaring (die nog lang niet haar laatste woord gesproken heeft), kunnen we de analyse die Trotski in “De Verraden Revolutie” van de sovjeteconomie gemaakt heeft, als volgt verder zetten:

1. De tegenstelling tussen de gesocialiseerde en geplanifieerde productiewijze en het voortbestaan van de burgerlijke distributienormen is de hoofdtegenstelling van de sovjeteconomie. Ze stelt de ganse overgangsperiode in het teken van een strijd tussen de logica van het plan en de “waardewet” als voornaamste regelingsprincipe van de economie. De werking van de “waardewet” kan niet bij decreet uitgeschakeld worden, maar kan wel slinken door de ontwikkeling van de productiekrachten, de consolidering van de planificatie, een beginnend afsterven van de koopwarencategorieën en de internationale verbreiding van de revolutie.

2. Onder het regime van bureaucratisch beheer van de economie en de staat wordt die tegenstelling gecombineerd met die tussen de logica van het plan (een evenwichtige en regelmatige.economische groei) en de particuliere consumptieve belangen van de beherende bureaucratie (toe-eigening van materiële voorrechten), als voornaamste sociale kracht voor de verwezenlijking van het plan.

3. De twee tegenstellingen zijn zelf de uiting van een essentiële tegenstelling op het vlak van de productieverhoudingen: tegenstelling tussen de planificatie als bevestiging van het onmiddellijk sociaal karakter van de arbeid enerzijds, die een fundamenteel egalitaristische tendens inhoudt, en anderzijds het behoud van de voorwaarden van hiërarchische onderschikking binnen het productieproces in het bedrijf, die in de richting van een groeiende ongelijkheid stuwen.

4. Deze tegenstelling wordt groter naarmate de organisatie van de economie op basis van de individuele rentabiliteit van de bedrijven, waarmee de inkomens van de bureaucraten en in sommige gevallen zelfs van de arbeiders verbonden zijn, het onmiddellijk sociaal karakter van de arbeid dat uit de planificatie voortvloeit, ondermijnt en ze draagt in zich de kiemen van ontbinding van deze planificatie door het heropduiken van een autonoom beslissingsrecht inzake prijzen, investeringen en de algemene oriëntering van de productie.

5. De groei van de sovjeteconomie verzekert op lange termijn het voortbestaan van de niet-kapitalistische productiewijze slechts in de mate dat ze de kloof tussen de arbeidsproductiviteit in de Sovjet-Unie en in de imperialistische landen door een sneller groeiritme kleiner maakt. Ze kan zich dus niet volkomen losmaken van de druk van de kapitalistische omsingeling (om nog te zwijgen over de militaire druk), maar ze kan de uitwerkingen ervan verzachten en verhinderen dat door de werking van de waardewet, de internationale kapitalistische markt aan de economische ontwikkeling van de Sovjet-Unie een richting opdringt die ondergeschikt is aan de monopolistische belangen die deze markt beheersen.

6. Dit vijfvoudig conflict kan historisch gezien slechts tot twee onderling diametraal tegengestelde resultaten leiden: ofwel een definitieve consolidering van de geplanifieerde productieverhoudingen die een geleidelijk afsterven van de marktverhoudingen en van de materiële stimulans inhouden, ofwel een doorbraak van de “waardewet” die het verdwijnen vereist van de planificatie als regelingsmechanisme van de economische groei, en de herinvoering van net privé-bezit — in de economische en niet onmiddellijk in de juridische zin van het woord.

7. De eerste uitweg vereist een politieke revolutie die de dictatuur van de bureaucratie uitschakelt en een democratisch gecentraliseerd, d.w.z. geplanifieerd beheer van de economie en van de staat invoert, beheer dat uitgaat van de arbeiders, van de “geassocieerde producenten”. Deze uitweg wordt bevorderd door een internationale uitbreiding van de revolutie en door de zich onderwijl voordoende ontwikkeling van de productiekrachten.

8. De tweede uitweg vergt een sociale contrarevolutie die door een fractie van de bureaucratie zou kunnen doorgevoerd worden. Deze contrarevolutie zou slechts kunnen zegevieren nadat ze de weerstand van het sovjetproletariaat gebroken had en zou zich slechts in het internationaal kapitalistisch stelsel kunnen inschakelen tijdens een neergaande fase van de internationale revolutie.

9. In laatste instantie zal deze evolutie niet beslist worden door de strijd tussen economische krachten noch door de mechanistische weerspiegeling van een of ander ontwikkelingsniveau van de productiekrachten. Ze zal beslist worden door de strijd van levende sociale krachten op wereldvlak. In die zin, en in het kader van de ganse voorafgaandelijke context, blijft de “subjectieve factor” inderdaad van beslissend belang voor de toekomst van de Sovjet-Unie [22].


Voetnoten

[1] Bijvoorbeeld: Paul M. Sweezy, Charles Bettelheim, Tsjecho-Slowaakse oppositionele communisten zoals Karel Bartosek (zie “Les Temps Modernes”, december 1969), enz.

[2] K. Marx: “Introduction à la critique de l’économie politique”, in “Contribution à la critique de l’économie politique” (Editions Sociales, Parijs, pp. 149-175).

[3] Charles Bettelheim: “La Transition vers l’Economie socialiste” (Maspero, 1968, p. 157). Binnenkort komen we in meer detail terug op Bettelheim’s ideologische evolutie die een nieuwe wending genomen heeft in zijn recentste werk, “Calcul économique et formes de propriété”.

[4] Maar enkel in laatste instantie. Tussen deze “laatste oorzaak” en het concreet historisch proces bestaat er een gans gamma van mediaties die op het proces kunnen inwerken: de rol van de revolutionaire leiding, het bewustzijnsniveau van het proletariaat, de graad van zelfstandigheid in zijn actie en organisatie. Men vervalt in een vulgair mechanisme als men in al die factoren een automatische weerspiegeling zonder meer ziet van het ontwikkelingspeil van de productiekrachten in elke etappe en in ieder land.

[5] Gilles Martinet: “La conquête des pouvoirs”, Le Seuil, 1968, p. 92.

[6] K. Marx: “Das Kapital”, Hamburg 1921, Eerste Boek, pp. 39 en 45.

[7] K. Marx: “Fondements de la critique de l’économie politique”, Anthropos, pp. 110-111.

[8] Voor dat verschijnsel bestaat er een socio-politieke en een economische rechtvaardiging. Aangezien de productiemiddelen gemeenschapsbezit zijn en door de gemeenschap aan de verschillende productie-eenheden toegewezen worden, en aangezien de arbeidsproductiviteit in veel groter mate afhangt van de verdeling van de productiemiddelen over de onderscheiden productie-eenheden dan van de persoonlijke of collectieve inspanning van een groep arbeiders, zou het vanuit een socio-politiek standpunt bekeken onlogisch en onrechtvaardig zijn dit arbeiderscollectief eerst werkinstrumenten toe te wijzen waarvan het rendement onder het gemiddelde ligt en ze daarna te penaliseren op basis van de gevolgen die deze toestand met zich meebrengt. Economisch gezien zijn, vanaf het ogenblik dat inputs en outputs geglobaliseerd worden, de verliezen veroorzaakt door de aanwending van arbeidsinstrumenten met een rendement dat lager ligt dan het gemiddelde, klaarblijkelijk geringer dan de verliezen die voortvloeien uit het niet aanwenden van deze middelen voor zover alle andere middelen (alle andere meer efficiënte arbeidsinstrumenten) gebruikt worden.

[9] Naville is naast de kwestie waar hij schrijft: “De privé-toe-eigening van het product als consumptie heeft (in de USSR) elk individueel karakter verloren.” (“Le Salaire Socialiste”, p. 70). Het is één zaak te zeggen dat het globale kwantum van de consumptie van de producenten voorafgaandelijk sociaal bepaald wordt — dat zal trouwens ook het geval zijn in de socialistische samenleving zoals ze door Marx beschreven werd. Een andere zaak echter is het feit in vraag te stellen dat de specifieke verdeling van dit globale kwantum over een gedifferentieerde massa goederen en diensten niet langer “individueel” is. Dit is niet het geval in de Sovjet-Unie en het is nochtans daar dat de “privé-toe-eigening van het product” individueel geschiedt. De arbeider is door geen enkele bepaling verplicht zijn loon “volgens het plan” te besteden.

[10] Leon Trotski: “La Révolution trahie”, hoofdstuk 9.

[11] Bijvoorbeeld Chris Harman, “International Socialism” (dec. 1969 — jan. 1970, p. 38).

[12] Leon Trotski: “La Révolution trahie”.

[13] Monthly Review, vol. 20, nr. 10, pp. 15-17.

[14] E. Mandel: “The Inconsistencies of State Capitalism”, een IMG-brochure, Londen 1969, pp. 14-15.

[15] “Léninisme ou social-impérialisme”, Pékin-Information, nr. 17, 27 april 1970.

[16] “Monthly Review”, vol. 20, nr. 10, pp. 5-7. Dit is natuurlijk een comfortabele positie om in een handomdraai abstractie te maken van het feit dat in China — ondanks de “culturele revolutie” — alle fundamentele tegenstellingen die het Rusland van Stalin, Chroestjov en Brezjnjev kenmerkten nog steeds voortleven, niet alleen omdat de ontwikkelingsgraad van de productiekrachten het afsterven van de koopwarencategorieën nog niet toe laat, maar ook omdat er van beheer van de economie door de “geassocieerde producenten” nauwelijks sprake is.

[17] Merkwaardige argumentatie van Naville: hoe kan men ontkennen dat de productiemiddelen koopwaren zijn, als vandaag de dag alle sovjeteconomisten zelf over de universele geldigheid van de waardewet spreken? (“Le Salaire Socialiste”, deel 1, p. 25). Volgens dezelfde logica zou men ook kunnen zeggen: hoe kan men zeggen dat in het westen de arbeid uitgebuit wordt, terwijl vandaag de dag alle westerse economisten het marginalisne verkondigen dat deze uitbuiting juist in vraag wil stellen? Naville schijnt het bestaan te vergeten van een dictatuur van de bureaucratie in de Sovjet-Unie, bureaucratie die een meedogenloze censuur uitoefent op al wat maar kan verschijnen. Wat is er bekend over de opinies van de sovjettheoretici die hun geschriften niet mogen publiceren?

[18] Pierre Naville: “Le Salaire Socialiste” (2 delen, Parijs 1970, op hun beurt deel II en III van een werk dat “Le nouveau Leviathan”

[19] Wij overdrijven niet. Hier volgt wat Naville schrijft (p. 133 van het aangehaalde werk): “Daar waar het loon bestaat, onafgezien van het niveau en de wijze waarop het tot stand komt, bestaat er meerwaarde (m.b.t. dit loon), aangezien het loon een ruil veronderstelt en dat de ruil op dat gebied de fundamentele ongelijkheid inhoudt van de ruil capaciteitproduct, ongelijkheid waarop het bestaan van de meerwaarde gebaseerd is.”

[20] Men zou het volgende kunnen antwoorden: maar zou de organische samenstelling van het kapitaal niet stijgen door de inspanning van de kapitalisten om het loon te drukken door de “levende arbeid” door de “dode arbeid” te vervangen? We antwoorden dat in afwezigheid van de concurrentie er niets zou zijn dat de kapitalisten zou verplichten de lonen te drukken, vooral omdat in een toestand van economische stagnatie de lonen reeds zeer laag zouden zijn ten gevolge van de in zulke omstandigheden onvermijdelijke massale werkloosheid.

[21] Dit is trouwens niet de enige keer dat Naville de objectieve wetenschappelijkheid verwringt. Zo richt hij op de bladzijden 124-125 zijn geschut tegen ons omdat we in een algebraïsch voorbeeld aangetoond hebben dat de maximum accumulatievoet nooit aanleiding geeft tot de grootste vermeerdering van het sociaal product en bijgevolg nooit de optimale accumulatievoet is. Dit in tegenstelling tot Navilles bewering dat in de Sovjet-Unie het nastreven van de “maximum accumulatievoet” een “wet” van het regime zou zijn (p. 132). In plaats van een weerlegging te zoeken van onze argumentatie die gebaseerd is op de weerslag van het consumptiepeil op het rendement van de arbeid (op de “efficiëntie van de investeringen), beschuldigt Naville ons ervan het feit te “verdoezelen” dat de toename van de productiviteit een toename van de meerwaarde zou zijn. Welnu, de bladzijden die volgen op het door Naville aangehaalde uittreksel, zijn gewijd aan het verwerpen van het standpunt dat hij ons in de schoenen schuift. We hebben erop gewezen dat een gesocialiseerde en geplanifieerde economie een toename in de arbeidsproductiviteit eerst als een toename van de globale productie en dan als een toename van de voortgebrachte gebruikswaarden meet beschouwen. (“Traité d’économie marxiste”, II, pp. 306-309.) Wat heeft dat alles met meerwaarde te maken?

[22] Eén van de meest ongewone verwijten tegen Trotski en het Trotskisme wordt geformuleerd door Jorge Semprun in zijn inleiding op “Crisis del Movimiento comunista” van Fernando Claudin (Edicione Ruedo Iberico, Parijs 1970, pp. X-XI). Volgens Semprun zou Trotski’s methode zich beperken tot een “subjectief en voluntaristisch’ idealisme”. Alles zou een kwestie van leiding zijn. Het zou volstaan Stalin en zijn groep te vervangen om dezelfde partijen en dezelfde Internationale de wereldrevolutie te doen zegevieren. Is het onwetendheid, kwade trouw of een combinatie van de twee? Semprun heeft blijkbaar nooit gehoord van de sociale verklaring die Trotski gegeven heeft voor de ontaarding van de Sovjetstaat en van de Communistische Internationale, nl. het aan de macht komen van een bevoorrechte laag in de USSR en de omvorming van de Communistische Internationale in een instrument om de voorrechten van die laag te verdedigen. Hij heeft nooit gehoord van de oproep die Trotski vanaf 1933 gelanceerd heeft er nieuwe partijen en een nieuwe internationale op te richten. Deze “polemiek” is werkelijk verbluffend als men weet dat hij gevoerd wordt door iemand die 25 tot 30 jaar later de noodzaak “ontdekt” heeft om met het stalinisme te breken.