Ernest Mandel
Het laatkapitalisme
Hoofdstuk 6


De specifieke kenmerken van de derde technologische revolutie

We zullen nu proberen om twee in de vorige hoofdstukken voorgelegde analyses met elkaar te verbinden: enerzijds de analyse van de veranderingen in de overheersende typen van het productiviteitsverschil en de daaruit voortvloeiende hoofdrichting van de jacht op surpluswinst; anderzijds de analyse van de opeenvolgende hoofdvormen van bewegingsmachines en energiebronnen, die de hele structuur van de productie in afdeling I bepalen.

In het tijdperk van het kapitalisme van de vrije concurrentie schijnt de ongelijke en gecombineerde ontwikkeling van de verschillende gebieden in de belangrijkste kapitalistische naties de hoofdmotor van de uitgebreide reproductie te zijn. De vrijmaking van geldkapitaal, die plaatsvindt wanneer de kapitalistische warencirculatie doordringt in de agrarische economie, en de vrijmaking van producenten die van hun eigen grond gescheiden worden, leidt tot een permanente afvoer van dit kapitaal naar de grote industriegebieden waar de vrijgemaakte proletariërs elkaar in het industriële reserveleger terugvinden.

Twee tussenfasen kunnen hier onderscheiden worden. In de eerste fase geschiedt de productie van bewegingsmachines en van machines die op hun beurt bewegingsmachines voortbrengen — d.w.z. een aanzienlijk deel van de productie van afdeling I, die niet tegen waren van afdeling II worden uitgewisseld, die niet dienen voor de machinale productie van consumptiegoederen maar in afdeling I zelf blijven — voornamelijk op ambachtelijke of manufacturele basis. Ook het belangrijkste deel van de grondstoffenproductie in de landbouw heeft nog een ambachtelijke basis. Alleen de ijzer- en kolenindustrie wordt in die periode door een aanzienlijke mechanisering van bepaalde productieprocedés gekenmerkt. Maar ook in de kolenindustrie domineert de zuivere handarbeid nog zozeer, dat in het algemeen de zuivere loonkosten meer dan 66 %, soms zelfs meer dan 75 % van de kostprijs van het product uitmaken. Dat beantwoordt aan een lagere organische samenstelling van het kapitaal, die in de landbouw — voor de vervaardiging van industriële grondstoffen — vermoedelijk nog lager is geweest.

In de tweede fase van het kapitalisme van de vrije concurrentie penetreert de machinale productie ook in de sfeer van de bewegingsmachines, van de stoommotoren. Zo komt het tot de machinale vervaardiging van machines, die andere machines voortbrengen. Maar de voornamelijk ambachtelijke voortbrenging van grondstoffen blijft ook in die fase regel. Het is kenmerkend dat bijv. de staalproductie pas met de toepassing van de Bessemer- en Siemens-Martin patenten het niveau van een middelgroot bedrijf overschrijdt en tot massaproductie overgaat.[1]

Tijdens die eerste twee tussenfasen in het tijdperk van het kapitalisme van de vrije concurrentie zien we dus alleen in de consumptiegoederenindustrie een overwicht van de machinaal bedreven grootindustrie (met de klemtoon op de textielindustrie). Ook de grootindustriële producenten van transportmiddelen — vooral van spoorwegen — komen pas in de tweede fase van die periode naar voren en zijn een van de factoren die de ontplooiing van de ‘lange golf met expansieve grondtoon’ van 1847 tot 1873 bepaald hebben.

We vinden dus tot onze verrassing in de eerste eeuw na de industriële revolutie in afdeling II in het algemeen een hogere organische samenstelling van het kapitaal dan in afdeling I. Het ontstaan van het industriële kapitalisme, zoals Marx dat in hoofdstuk 13 van Das Kapital I geschetst heeft, kan inderdaad omschreven worden als machinaal-industriële vervaardiging van consumptiegoederen met behulp van ambachtelijk vervaardigde machines.

Als men dit inziet, begrijpt men ook waarom de invoering van de machinale productie in afdeling I zoveel tijd gekost heeft. De nivellering van de winstvoet tussen de met lagere arbeidsproductiviteit werkende afdeling I en de met hogere arbeidsproductiviteit werkende afdeling II dwong tot een voortdurende overdracht van meerwaarde uit afdeling I ten gunste van afdeling II. Ook de ongelijke ruil die de surpluswinsten afwerpt is in dit tijdperk een ruil tussen landbouwproducten en producten van afdeling II; machines en kunstmest werden nauwelijks massaal in de landbouw ingevoerd. De hele interne dynamiek van de kapitalistische productiewijze functioneert in dit tijdperk in West-Europa (en in de VS) om de accumulatie van afdeling II ten koste van de accumulatie in afdeling I te versnellen.

Dit verklaart ook:

1. waarom in die fase de internationale hoofdrichting van de kapitalistische warencirculatie, die binnendringt in de niet-geïndustrialiseerde landen, de vorm krijgt van warenexport, met name export van consumptiegoederen, want in deze hele fase overheerst die sector de kapitalistische economie van de metropolen;

2. waarom het kapitalisme in dit tijdperk inderdaad een kapitalisme van de vrije concurrentie is; de minimumkapitalen, die noodzakelijk zijn om de consumptiegoederensector binnen te kunnen dringen, zijn zodanig dat zij de opkomst van monopolies of oligopolies verhinderen.

Het keerpunt, dat aan het begin van het imperialistische tijdperk ligt, verschijnt nu als het resultaat van twee parallelle en gecombineerde veranderingen in het functioneren van de kapitalistische productiewijze. Enerzijds stapt men in afdeling I van de machinale vervaardiging van stoommachines over op de machinale vervaardiging van elektromotoren. De daarmee gepaard gaande hervorming van het hele productieproces in afdeling I veroorzaakt een aanzienlijke verhoging van de organische samenstelling van het kapitaal in die onderafdeling van afdeling I, waar vast constant kapitaal wordt voortgebracht. Maar ook in de onderafdeling van afdeling I, waar circulerend constant kapitaal geproduceerd wordt — de grondstoffensector — vindt een omwenteling in de productietechniek plaats, die we gekenmerkt hebben met de formule ‘overgang van de ambachtelijke tot de manufacturele of vroegindustriële voortbrengst van grondstoffen’. Beide processen samen vereisen — in verschillende mate — een ingrijpende verhoging van de organische samenstelling van het kapitaal in afdeling 1. Het is duidelijk dat, in vergelijking met afdeling I, de verhoging van de organische samenstelling in afdeling II niet dezelfde omvang kon hebben. In grote trekken blijft de omwenteling van de productietechniek in afdeling II beperkt tot de vervanging van de stoommotor door de elektromotor, wat nauwelijks een fundamentele wijziging in de organische samenstelling van het kapitaal tot gevolg kon hebben.[2]

Aan de andere kant waren er tussen 1847 en 1873 reusachtige kapitalen nodig geweest voor de invoering van de machinaal geproduceerde stoommachines en de steeds algemenere aanleg van spoorwegen.[3] Door deze kapitaaloverdracht verschoof het industriële overwicht van afdeling I naar afdeling II. De organische samenstelling van het kapitaal in afdeling I benaderde geleidelijk die van afdeling II, om daar vervolgens snel bovenuit te stijgen. Nu ging de nivellering van de winstvoet niet meer gepaard met een meerwaardeoverdracht uit afdeling I ten gunste van afdeling II, maar vond een overdracht plaats uit afdeling II ten gunste van afdeling I. Eén van de bijzondere kenmerken van het in afdeling I geproduceerde vaste kapitaal is echter, dat dit hoofdzakelijk op bestelling en niet voor de verkoop op een anonieme markt geproduceerd wordt. De productieplaatsen worden dus aangepast aan de grootste opdrachten. Zodra de belangrijkste industrietakken van de kapitalistische landen met machinaal geproduceerde stoommotoren waren uitgerust — en dit schijnt tegen het begin van de jaren ’70 het geval geweest te zijn — kon de productiecapaciteit van afdeling I niet meer volledig worden benut. Dit is één van de voornaamste oorzaken van de ‘lange golf met stagnerende grondtoon’ van 1873 tot 1893. Dit betekent echter, dat een belangrijk deel van de door afdeling I gerealiseerde meerwaarde (evenals een niet onbelangrijk deel van de in afdeling II voortgebrachte en via de nivellering van de winstvoet door afdeling I toegeëigende meerwaarde) nu niet meer gevaloriseerd kan worden. Zoals in de vijftig jaar daarvoor de grens van de verdere ontplooiing van de kapitalistische productiewijze werd gevormd door overproductie in afdeling II, werd die sinds het laatste kwart van de 19de eeuw gevormd door overkapitalisering in afdeling I. Vandaar de hoofdrichting van de kapitalistische expansie: niet meer export van consumptiegoederen naar prekapitalistische gebieden, maar export van kapitalen (en van met die kapitalen gekochte goederen, hoofdzakelijk spoorrails, locomotieven en haveninstallaties, d.w.z. investeringen in de infrastructuur om de export van de met het kapitaal uit de metropolen geproduceerde grondstoffen eenvoudiger en goedkoper te maken). Samen met de toenemende concentratie van het kapitaal is dit de beslissende oorzaak voor de opkomst van de nieuwe, imperialistische structuur van de kapitalistische wereldeconomie.

Ook de overgang van het kapitalisme van de vrije concurrentie naar het monopoliekapitalisme kan verklaard worden uit deze functieverandering van de kapitalistische productiewijze resp. uit de gewijzigde verhoudingen tussen de grote onafhankelijke variabelen daarvan. De massale penetratie van kapitaal in afdeling I doet daar productieplaatsen ontstaan, die — zoals Marx het uitdrukt — met cyclopische productiemiddelen en dus met cyclopische kapitalen moeten werken. Het minimum aan kapitaal om in die sector te kunnen concurreren stijgt geweldig. De concurrentie leidt tot steeds meer concentratie; nog maar een klein aantal zelfstandige ondernemingen resp. naamloze vennootschappen kan overleven. Doordat de lange stagnatiefase van 1873 tot 1893 samenvalt met de opkomst van de tweede technologische revolutie — vooral van de op de elektromotor gebaseerde techniek — wordt het kapitaal tot trust- en monopolievorming gedwongen. Lenin toonde al aan welk een beslissende rol die beide momenten hebben gespeeld bij de ontwikkeling van het monopoliekapitalisme.[4] En het wekt dan ook geen verbazing, dat het monopoliekapitalisme zich in de ‘nieuwe’ industrietakken van afdeling I (staal-[5] en elektromachine-industrie, petroleum) en in de ‘nieuwe’ industriële naties (de VS, Duitsland) sneller heeft doorgezet dan in de ‘oude’ industrietakken (textiel, steenkool) en de ‘oude’ industriële naties (Engeland, Frankrijk).

Hoe ziet de ontwikkeling van de laatste 50 jaar er nu uit in het licht van dit schema? Op de versnelde accumulatie van het kapitaal, teweeggebracht door de tweede technologische revolutie in de periode 1893-1914, volgde een lange periode van vertraagde accumulatie en relatieve economische stagnatie, van het einde van de Eerste tot het begin van de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste oorzaak van die stagnatie hebben we al in de hoofdstukken 4 en 5 verduidelijkt: de door de uitbreiding van de elektrificatie veroorzaakte verhoging van de organische samenstelling van het kapitaal leidde tot een tendentiële daling van de gemiddelde winstvoet, die slechts geneutraliseerd had kunnen worden door een overeenkomstige verhoging van de meerwaardevoet. Om in de postrevolutionaire fase na de Eerste Wereldoorlog haar klasseheerschappij te redden, moest de kapitalistenklasse echter concessies doen aan de arbeidersklasse, die eerder een stabilisering of zelfs daling van de meerwaardevoet tot gevolg hadden dan een stijging daarvan. Na een korte economische opleving tussen 1924 en 1929 werkte de daling van de winstvoet de grote economische crisis van 1929-1932 en de stagnatie van de valoriserings- en accumulatieactiviteit in de hand. Pas met de overwinning van het hitlerfascisme — in andere landen tijdens de Tweede Wereldoorlog — slaagde het kapitaal erin, de meerwaardevoet zodanig te verhogen, dat de gemiddelde winstvoet tijdelijk weer steeg, ondanks de gestegen organische samenstelling van het kapitaal.

Intussen hadden zich echter ook andere belangrijke veranderingen voorgedaan in de bestaansvoorwaarden van het kapitaal. Ten eerste was Sovjet-Rusland uit de kapitalistische wereldmarkt losgebroken; voor het eerst sinds de invoering van de kapitalistische productiewijze was met andere woorden de kapitalistische wereldmarkt geografisch verkleind in plaats van uitgebreid. Korte tijd zag het er naar uit, alsof de nieuwe stijging van de grondstoffenprijzen en de verscherpte kolonialisering van Engelands ‘derde wereldrijk’ (Afrika)[6] de export van kapitaal verder zouden bevorderen. Maar spoedig na het uitbreken van de grote economische wereldcrisis bleek, dat in de kolonies en halfkolonies op lange termijn een tendentiële daling van de export van privékapitaal plaatsvond, waarvan de voornaamste oorzaak lag in het monopolistische karakter van de imperialistische concerns die de grondstoffenproductie in de kolonies beheersten. Onderaccumulatie in de metropolen en daling van de kapitaalexport naar de kolonies versterkten slechts van beide kanten het ontstaan van surpluskapitalen en de daling van de winstvoet. Zoals men weet leveren overtollige kapitalen slechts de gemiddelde rente en niet de gemiddelde winst op. Daar ze echter zelf geen deel hebben aan de directe valorisering van het kapitaal en daar de rente uit de totale maatschappelijke meerwaarde betaald moet worden, wordt de gemiddelde winstvoet hierdoor juist verlaagd.

Ten tweede dringt dit overtollige kapitaal nu afdeling II binnen. Er ontstaat een nieuwe sector van consumptiegoederen, duurzame consumptiegoederen, als toepassing van de tweede technologische revolutie op het gebied van de consumptiegoederen — automobielproductie en begin van de productie van elektroapparatuur (stofzuigers, radio’s, elektrische naaimachines enz.). Hoewel als massaproductie grotendeels tot de Verenigde Staten beperkt, begint met deze omwenteling toch een aanzienlijke verhoging van de organische samenstelling van het kapitaal in afdeling II, die vooral in de VS de herverdeling van de meerwaarde tussen de afdelingen I en II ten gunste van afdeling I begint te beperken. Daar dit proces in de tijd samenvalt met een fase van sterke daling van de winstvoet in afdeling I met de grote crisis die afdeling I op zijn grondvesten doet wankelen, wordt de druk tot verhoging van de winstvoet in die afdeling gewoon explosief. Deze druk gaat in vier richtingen:
1. in de richting van een directe verhoging van de meerwaardevoet (fascisme, oorlogseconomie);
2. in de richting van een directe valorisering van de surpluskapitalen door bewapening;
3. in de richting van de poging tot hernieuwde prijsdaling van het constante kapitaal — het kapitaal dringt opnieuw massaal binnen in de grondstoffenproductie, zowel de minerale als de agrarische, maar deze keer met een hooggeïndustrialiseerde techniek —, en voorts tot prijsdaling van het vaste constante kapitaal; de druk tot verkorting van de rotatietijd van het kapitaal hoort eveneens hiertoe;
4. in de richting van een radicale vermindering van het aandeel van de loonkosten in de kostprijs der waren, wat gepaard gaat met experimentele pogingen tot halfautomatisering en automatisering. Dit is te verklaren uit de tijdelijke tendens tot stijging van het relatieve loonkostenaandeel, parallel met een radicale daling van de grondstoffenkosten en het vaste waardebestanddeel van het kapitaal.

Zodra het eerste beslissende resultaat bereikt is en de winstvoet opnieuw stijgt, wordt de valorisering van het kapitaal geïntensiveerd met behulp van de supplementair geaccumuleerde kapitalen die in de periode 1929-1939 niet gevaloriseerd waren, en door gebruik te maken van de drie andere tendensen, die zich al aftekenen. Aldus bereiken we de derde ‘lange golf met expanderende grondtoon’, die loopt van 1940/1945 tot 1965.

Deze golf wordt o.a. gekenmerkt door het feit, dat naast de machinaal vervaardigde industriële consumptiegoederen (sinds het begin van de 19de eeuw) en machinaal voortgebrachte machines (sinds het midden van de 19de eeuw) nu machinaal vervaardigde grondstoffen en levensmiddelen treden. Verre van een ‘postindustriële maatschappij[7] te zijn, verschijnt het laatkapitalisme als de eerste volledige door-industrialisering van alle takken van de economie, waartoe men ook de steeds sterker gemechaniseerde circulatiesfeer (met uitzondering van de loutere reparatiediensten) en de gemechaniseerde bovenbouwgebieden zou kunnen rekenen.

Tegelijkertijd dwingt deze ontwikkeling echter tot een algemene nivellering van de gemiddelde arbeidsproductiviteit in de belangrijkste productiesectoren. Deze arbeidsproductiviteit is de laatste 25 jaar in een aantal sectoren van de agrarische, grondstoffen- (bijv. olieraffinaderijen en synthetische industrieën) en consumptiegoederenproductie (bijv. volautomatische voedingsindustrieën) gemiddeld zelfs sterker gestegen dan in de sector die vast kapitaal produceert. In de VS steeg de landbouwproductie per arbeidsuur tussen 1929 en 1946 van 100 tot 377, in de verwerkende industrie slechts tot 229.[8] In de Bondsrepubliek steeg de productiviteit tussen 1958 en 1965 met 7,7 % per jaar in de textielindustrie, met 7 % in de houtverwerkende nijverheid, met 6,9 % in de glasindustrie en met 5,1 % in de voedingsindustrie, tegenover 4,2 % in de metaalnijverheid, 4,6 % in de elektrotechnische industrie, 4 % in de ijzerproductie, 3,8 % in de vliegtuigbouw, 3,2 % in de ijzer- en staalsector en 2,8 % in de machine-industrie. In totaal bedroeg de jaarlijkse gemiddelde groei van de arbeidsproductiviteit in de consumptiegoederenindustrie in die periode 6,1 %, tegenover 4,2 % in de investeringsgoederenindustrie.[9]

Deze nivellering van de gemiddelde arbeidsproductiviteit in de grote afdelingen, dus van de gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal, vloeit volledig voort uit het wezen van de automatisering zelf. Want het principe van volledig geautomatiseerde productieprocessen voor massaproductie is wel op de allereerste plaats van toepassing op de massaproductie van grondstoffen en ‘lichte’ consumptiegoederen zoals transistors of de verwerking van synthetische stoffen.

Zo wordt het kapitaal in het laatkapitalisme geconfronteerd met een situatie, die niet zonder overeenkomst is met die van het midden van de 19de eeuw: een toenemende nivellering van de gemiddelde arbeidsproductiviteit. En daaruit kunnen twee conclusies worden getrokken:

Ten eerste ligt nu de voornaamste bron voor de verwezenlijking van surpluswinst niet meer in regionale of internationale productiviteitsverschillen, maar in productiviteitsverschillen tussen sectoren en zelfs tussen concerns,[10] wat afgeleid kan worden uit de toestand zoals wij die geschetst hebben. We mogen niet vergeten, dat het kapitaal in de voorbije periode in de 19de eeuw, die gekenmerkt werd door het verdwijnende verschil in arbeidsproductiviteit tussen de beide afdelingen, ruime mogelijkheden had om uit te wijken naar de landbouw en vooral naar de kolonies en halfkolonies, mogelijkheden die nu door de al beschreven oorzaken niet meer of slechts beperkt aanwezig zijn.

Ten tweede ontstaat er een permanente druk tot versnelling van de technologische vernieuwing. Het opdrogen van andere bronnen van mogelijke surpluswinst forceert de jacht op ‘technologische rentes’, die alleen door permanente technologische vernieuwingen verwezenlijkt kunnen worden.[11] Technologische rentes zijn surpluswinsten die voortvloeien uit de monopolisering van de technische vooruitgang, d.w.z. kostprijsverlagende uitvindingen en ontdekkingen die om redenen, die eigen zijn aan de monopolistische structuur van het huidige kapitalisme, niet op korte of middellange termijn door concurrerende firma’s toegepast kunnen worden.

In die zin moeten in de laatkapitalistische fase de latente overproductie van consumptiegoederen uit het tijdperk van de vrije concurrentie en het latente kapitaalsurplus uit het tijdperk van het imperialisme plaats maken voor de latente overproductie van productiemiddelen als dominerende vorm waarin de economische tegenspraken van de kapitalistische economie tot uiting komen, vanzelfsprekend gecombineerd met de beide andere vormen.[12]

Hiermee hebben we de fundamentele kenmerken van het laatkapitalisme uit de bewegingswetten van het kapitaal zelf afgeleid. We zullen ook andere factoren in die analyse integreren, maar die zijn duidelijk gefundeerd op de zojuist beschreven verhoudingen.

De directe oorsprong van de derde technologische revolutie hangt samen met de vier genoemde voornaamste belangen van het kapitaal in de jaren ’30 en ’40 van onze eeuw. De technische mogelijkheid van de automatisering vloeit voort uit de bewapeningseconomie resp. uit een technische noodzaak — overeenkomstig het ontwikkelingsniveau dat de bewapeningseconomie bereikt had. Dit heeft betrekking op het algemene principe van automatische, continue productieprocessen, die losgemaakt zijn van de directe ingreep van de mensenhand en die bij de kernenergie een fysiologisch gebod worden.[13] Dit geldt eveneens voor de dwang tot de bouw van automatische rekenmachines, waarvan de constructie rechtstreeks is afgeleid van cybernetische principes; deze machines verzamelen gegevens, trekken daaruit conclusies en kunnen die gebruiken voor het bepalen van acties, bijv. voor de besturing van automatische luchtafweerkanonnen tegen bommenwerpers.[14]

De productieve toepassing van de nieuwe techniek begint op die terreinen van de chemische industrie, waar de prijsdaling van het circulerende constante kapitaal de beslissende drijfveer is.[15] Sinds het begin van de jaren ’50 breidt dit zich uit tot steeds meer terreinen, waar de radicale verlaging van de directe loonkosten — d.w.z. de radicale uitschakeling van de levende arbeid uit het productieproces — een centrale prioriteit van het kapitaal is. In de VS houdt dit programma ongetwijfeld verband met de wens om de soms aanzienlijke loonsverhogingen van de naoorlogse periode weer te neutraliseren.[16] Wat voor de ‘vele kapitalen’ de dwang tot ‘loonbesparing’ is, is voor het ‘kapitaal in het algemeen’ de tendens om door het vrijmaken van niet-actieve arbeidskracht het industriële reserveleger te reconstrueren.

Julius Rezler onderscheidt vier typen automatisering, of nauwkeuriger gezegd vier typen van halfautomatische of automatische productieprocessen die het terrein van de derde technologische revolutie afbakenen:
- automatische, op automatische overbrengingsmechanismen berustende manipulatie van onderdelen van een voortschrijdend productieproces (bijv. in de auto-industrie van Detroit);
- continue processen die berusten op een automatische controle van de lopende productie en de kwaliteit daarvan (bijv. in de chemische industrie, olieraffinaderijen, gas- en energiebedrijven, enz.);
- productieprocessen die gecontroleerd worden door elektronische dataverwerkende apparatuur;
- diverse combinaties van deze drie processen. De combinatie van de zgn. Detroiter halfautomatisering met dataverwerking geeft de numeriek bestuurde machinecomplexen. De combinatie van permanent doorlopende processen met dataverwerking leidt tot de drempel van de volledige automatisering in olieraffinaderijen en energiebedrijven.[17]

De omvang van de derde technologische revolutie kan worden afgemeten aan ‘een door de McGraw Hill Cy. in het midden van de jaren ’60 gehouden enquête (...) waaruit bleek dat 21.000 van de 32.000 Amerikaanse bedrijven in de verwerkende industrie met meer dan 100 werknemers in dienst een of andere variant van automatische controle-, meet- of besturingsapparatuur of dataverwerkende apparaten gebruikten. Bijna 9 van de 10 olie- en metaalverwerkende bedrijven meldden het gebruik van dergelijke instrumenten. Tweederde van de bedrijven in de machine- en de metaalverwerkende industrie gebruikten eveneens controlesystemen. (...) In 1963 bleek uit dit onderzoek, dat bijna $ 7 miljard, d.w.z. 18 % van de bruto-investeringen in de verwerkende industrie (en ruim genomen een derde van de investeringen in bedrijfsoutillage) werd uitgegeven aan de aankoop van apparaten die de ondervraagden identificeerden met automatische of hoogontwikkelde uitrustingen.’[18] Met de in 1954 beginnende toepassing van de computer in de privésector van de Amerikaanse economie[19] wordt tenslotte het terrein van de versnelde technologische vernieuwing, de jacht op technologische surpluswinsten die zijn stempel drukt op het laatkapitalisme, opengelegd voor talrijke, zo niet alle productietakken. Dit jaar markeert daarom, terloops gezegd, het einde van de eigenlijke wederopbouwfase van na de Tweede Wereldoorlog en het begin van de door de derde technologische revolutie beïnvloede hoogconjunctuur. Zowel vanuit de economische geschiedenis als socio-politiek is het van belang om die beide subfasen in de ‘lange golf met expanderende grondtoon’ van 1945-1965 van elkaar te onderscheiden.

Economisch gezien heeft de derde technologische revolutie de tien volgende hoofdkenmerken:
1. Kwalitatief versnelde stijging van de organische samenstelling van het kapitaal, d.w.z. verdringing van levende arbeid door dode.[20] In de volautomatische bedrijven is die verdringing nagenoeg totaal.[21]
2. Verplaatsing van de nog in het productieproces werkzame levende arbeidskracht van de eigenlijke grondstofbewerking naar voorbereidende en toezichthoudende arbeid.[22] Deze vormen van arbeid zijn zonder meer waardescheppende activiteiten, zoals Marx die gedefinieerd heeft, nl. activiteiten die noodzakelijk zijn voor de vormbepaling van de specifiek geproduceerde gebruikswaarde. — Ook de in het voorterrein van het eigenlijke productieproces werkzame wetenschapsmensen, laboranten, plannenmakers en tekenaars verrichten productieve, waarde- en meerwaardescheppende arbeid. Eigenlijk is juist het tijdperk van de derde technologische revolutie, het laatkapitalisme, gekenmerkt door het integratieproces van het maatschappelijke arbeidsvermogen, dat Marx in de oorspronkelijke versie van hoofdstuk 6 van Das Kapital I duidelijk geanalyseerd heeft: ‘Omdat met de ontwikkeling van de reële onderschikking van de arbeid aan het kapitaal of de specifiek kapitalistische productiewijze niet de afzonderlijke arbeider, maar meer en meer een sociaal gecombineerd arbeidsvermogen de werkelijke agent wordt van het gehele arbeidsproces, en de verschillende arbeidsvermogens, die concurreren en de gezamenlijke productieve machines vormen, op zeer uiteenlopende wijze deelnemen aan het directe proces van de waren-, of hier beter: van de productvorming, de één meer met de hand, de ander meer met het hoofd, de één als directeur, ingenieur, technoloog enz., de ander als opzichter, de derde als rechtstreekse handarbeider, of zelfs gewoon als handlanger, daarom vallen steeds meer functies van het arbeidsvermogen onder het directe begrip “productieve arbeid” en de dragers ervan onder het begrip “productieve arbeiders”, rechtstreeks door het kapitaal uitgebuite en aan zijn valoriserings- en productieproces ondergeschikte arbeiders. Als men de totaalarbeider beschouwt, waaruit het atelier bestaat, dan realiseert zijn gecombineerde activiteit zich materieel en rechtstreeks in een totaalproduct, dat tegelijkertijd een totale warenmassa is, waarbij het helemaal geen verschil maakt of die functie van de individuele arbeider, die slechts een lid is van die totaalarbeider, verder van of dichterbij de onmiddellijke handarbeid staat.’[23]
3. Binnen de geautomatiseerde bedrijven een radicale verandering in de verhouding tussen de beide functies van de waar arbeidskracht. Zoals men weet heeft die arbeidskracht zowel een waardescheppende als een waardebehoudende functie. In de geschiedenis van de kapitalistische productiewijze was de waardescheppende functie tot dusver doorslaggevend; in de volautomatische bedrijven wordt nu de waardebehoudende functie doorslaggevend.[24] En dit niet alleen in de banale zin van automatische overdracht van een deel van de waarde van de in beweging gezette machines en verwerkte grondstoffen op de waarde van de afgewerkte producten, maar ook in de specifieke zin van bezuiniging, besparing op de waarde van de arbeidsmiddelen, wat voortvloeit uit de reusachtig gestegen waarde en de grotere kwetsbaarheid van de cybernetisch bestuurde automatische machine-aggregaten.[25]
4. In de volautomatische bedrijven en bedrijfstakken een radicaal andere verhouding tussen de meerwaardeproductie in het bedrijf zelf en de toe-eigening van de in andere bedrijven voortgebrachte meerwaarde. Dat is een onvermijdelijk gevolg van de drie andere kenmerken van de automatisering.
5. Verandering in de verhouding tussen bouwkosten en uitgaven voor de aankoop van nieuwe machines in de structuur van het vaste kapitaal, en dus ook in de industriële investeringen. In de VS zijn de proporties van het basiskapitaal als volgt veranderd:[26]

 19291960
aandeel van de bouwkosten59 %32 %
aandeel van de uitrusting32 %52 %
aandeel van de circulerende middelen9 %16 %


6. De door ononderbroken productie, radicale versnelling van de voorbereidings- en onderhoudswerkzaamheden (en overgang naar permanente reparatie) bereikte verkorting van de productieperiode.[27] Druk tot verkorting van de circulatietijd — d.w.z. verkorting van de rotatietijd van het kapitaal, door planning van de magazijnvoorraden, marktonderzoek enz.[28]
7. Dwang tot versnelde technologische vernieuwing, scherpe toename van de kosten voor ‘onderzoek en ontwikkeling’ enz. Dit vloeit logisch voort uit de drie bovengenoemde punten.
8. Verkorting van de levensduur van het vaste kapitaal, vooral van de machines. Grotere dwang tot bedrijfsinterne productieplanning en economische programmering tussen de verschillende bedrijven. (De punten 7 en 8 worden in de twee volgende hoofdstukken grondiger behandeld.)
9. Als de organische samenstelling van het kapitaal stijgt, stijgt ofwel alleen het aandeel van het circulerende constante kapitaal (de kosten voor grondstoffen, energie, hulpstoffen) in de gemiddelde warenwaarde, ofwel het aandeel van beide delen van het constante kapitaal, zowel het vaste (afschrijving van de machines) als het circulerende. In het al aangehaalde voorbeeld van de petrochemie noemt Levinson de volgende percentages van de kosten voor grondstoffen en energie: ethylbenzol: 87 %; vinylchloride: 78 %; acetyleenethyleen: 59,6 %. Het aandeel van de vaste kapitaalkosten bedraagt resp. 12 %, 21 % en 40 %.[29]
Harry Nick en Fr. Pollock wijzen er terecht op, dat de stijging van het relatieve aandeel van het constante kapitaal in de gemiddelde warenwaarde vanzelfsprekend gepaard moet gaan met een absolute waardedaling van het constante kapitaal dat per waar wordt uitgegeven om automatisering in het kapitalisme concurrerend te maken.[30]
10. Uit de genoemde economische hoofdkenmerken van de derde technologische revolutie vloeit een tendentiële verscherping voort van alle tegenspraken van de kapitalistische productiewijze: een scherpere tegenspraak tussen de toenemende vermaatschappelijking van de arbeid en de particuliere toe-eigening; een scherpere tegenspraak tussen de productie van gebruikswaarden (die in het onmetelijke stijgt) en de realisering van de ruilwaarde (die gebonden blijft aan de beperkte koopkracht van de bevolking); tegenspraak tussen het arbeids- en valoriseringsproces; tegenspraak tussen accumulatie en valorisering van het kapitaal, enz.

De verhouding tussen gedeeltelijke en volledige automatisering — de voor de derde technologische revolutie in het laatkapitalisme doorslaggevende verhouding — moet onderzocht worden in het licht van deze tendentiële verscherping van alle interne tegenspraken van de kapitalistische productiewijze. Bij massale introductie van halfautomatische productieprocedés in bepaalde industrietakken wordt de aan het kapitalisme inherente tendens tot verhoging van zijn organische samenstelling op een hoger niveau gereproduceerd zonder dat hieruit aanzienlijke theoretische problemen voortvloeien. Integendeel: voor zover de halfautomatisering van vooral de lichte industrie een duidelijke waardevermindering van de voor de realisering van het arbeidsloon noodzakelijke consumptiegoederen betekent, kan deze zonder meer leiden tot een eveneens duidelijke stijging van de productie van relatieve meerwaarde. Volgens gegevens die Otto Brenner citeert daalde het aantal benodigde arbeidsuren voor de productie van waren ter waarde van DM 1000 zowel in de West-Duitse voedings- en genotmiddelenindustrie als in de textielindustrie tussen 1950 en 1954 van 77 tot 37, resp. van 210 tot 89.[31] Deze belangrijke stijging van de relatieve meerwaarde ging slechts in beperkte mate gepaard met een verhoging van het reële loon, d.w.z. met een opname van extra goederen in de bepaling van de waarde van de waar arbeidskracht.

Maar als er in bepaalde sectoren een massale introductie van volautomatische productieprocedés plaatsvindt ontstaat een kwalitatief ander beeld. In die sectoren stijgt de productie van absolute of relatieve meerwaarde niet meer, maar slaat de hele fundamentele tendens van het kapitalisme in zijn tegendeel om: in die sectoren wordt nauwelijks nog meerwaarde geproduceerd. De totale winst, die de firma’s in die sectoren zich toe-eigenen, is onttrokken aan de niet- of halfautomatische sectoren, waar op deze manier een enorme druk ontstaat om het toenemende productiviteitsverschil met de geautomatiseerde bedrijven althans gedeeltelijk te overbruggen door rationaliserings- en intensiveringsmaatregelen, omdat ze anders een toenemend deel van de door ‘hun’ arbeiders voortgebrachte meerwaardemassa aan de productievere concurrenten dreigen te verliezen. Vandaar de voor de laatste tien jaar kenmerkende versnelling van de lopende band, het uitpersen van de laatste seconde meerarbeid uit de arbeiders. (In het ‘Motion-Time-Measurement’-waarderingssysteem van de arbeid, in het Duits niet ten onrechte ‘Kleinstzeitverfahren’ genoemd, wordt 1/16 seconde als basiseenheid gebruikt.)

Maar wat herverdeeld kan worden, moet eerst geproduceerd zijn. Zolang de volautomatische bedrijven en sectoren slechts een kleine minderheid vormen,[32] zolang er in de halfautomatische bedrijven en sectoren geen aanzienlijke daling van het aantal arbeidsuren plaatsvindt, zolang het totale arbeidskwantum dat in de industrie verbruikt wordt nog steeds toeneemt, impliceert het laatkapitalisme een scherpere concurrentie tussen de grote concerns onderling en tussen die concerns en de niet-gemonopoliseerde sectoren van de industrie. In grote trekken verschilt dit proces overigens niet kwalitatief van dat van het ‘klassieke’ monopoliekapitalisme.

In dit verband wil ik kort ingaan op een bezwaar dat vele critici van de marxistische economische theorie hebben geuit: de verhoging van de organische samenstelling van het kapitaal zou empirisch niet bewezen en theoretisch niet gestaafd zijn. De prijsdaling van machines en grondstoffen en de besparingen bij het gebruik ervan zouden heel goed een ‘neutrale’ technische vooruitgang kunnen inluiden, waarbij de waarde van het voor de lopende warenoutput verbruikte constante kapitaal slechts in dezelfde mate zou stijgen als de waarde van het variabele kapitaal, en dit ondanks een stijgende arbeidsproductiviteit.[33]

Empirisch is zonder meer aantoonbaar dat de productietakken die vast kapitaal voortbrengen op lange termijn sneller groeien dan industrieën die consumptiegoederen voortbrengen. Daar de productiestijging van grondstoffen en intermediaire goederen zeker niet kleiner is dan de stijging in afdeling II, en die van energie de stijging in afdeling II zelfs overtreft, kan de empirische bevestiging van de duurzame groei van de organische samenstelling van het kapitaal niet moeilijk te leveren zijn. Voor kortere perioden is dit bewijs al geleverd, bijv. in de VS voor de periode 1939-1961. Met het instrumentarium van Leontiefs input-output berekeningen onderzocht Anne P. Carter de structurele verschuivingen die zich tijdens die periode in de Amerikaanse industrie hebben voorgedaan. Haar conclusies zijn ondubbelzinnig: ‘De meeste arbeidscoëfficiënten daalden sterker dan de overeenkomstige kapitaalcoëfficiënten; daarmee steeg de verhouding kapitaal/arbeid in de meeste sectoren.’ En: ‘Van alle tot dusver onderzochte structurele veranderingen is de daling van de directe arbeidscoëfficiënt het duidelijkst. (...) De economie gedraagt zich alsof arbeidsbesparing het doel van de technische vooruitgang is.’ Zonder enige twijfel zal de geautomatiseerde productie deze economische ontwikkelingstendens empirisch bevestigen. Ook voor afzonderlijke industrietakken geldt deze tendens. We hebben er al op gewezen dat in de staalproductie bij de overgang van het Thomas- naar het zuurstofprocedé het aandeel van de arbeidskosten in de totale productiekosten van 25 % tot 17 % daalde, terwijl het aandeel van de vaste kapitaalkosten van 16 % tot 26 % steeg. In de olieraffinaderijen is de verhouding van het vaste kapitaal tot de arbeidskosten in vier opeenvolgende kraakprocedés gestegen van 0,21 in 1913 tot 10 in 1955. Het aantal uren levende arbeid voor de productie van 10.000 ton benzine daalde van 56 in 1913 tot 0,4 in 1955. Bij de overgang van traditionele machinerie naar machinerie met numerieke besturing in de productie van een bepaalde Britse fabriek veranderde de verhouding van de machinekosten tot de jaarlijkse loonsom van 15:91 tot 21:35, bij halvering van de productiekosten. Bij de overgang van universele machinerie naar volautomatische transfermachines in de autofabrieken van Renault werd het arbeidsaandeel in de kosten per eenheid product in verhouding tot het machineaandeel teruggebracht van 640:131 tot 53:200. Bij de kosten van een cilinderblok voor de Engelse Austin auto verschoof de verhouding tussen vaste kosten en arbeidskosten van (£4 8s 9d): (£2 17s 2d) tot (£3 13s 3d): (11s) (in prijzen van 1953). In de West-Duitse kunststofverwerkende industrie stegen de bruto stichtingsinvesteringen per werknemer van DM 2.110 in 1960 tot DM 3.905 in 1966, d.w.z. met 85 %, terwijl de post lonen en salarissen slechts met 68,5 % steeg (en de arbeiderslonen alleen met slechts 65,8 %). In de West-Duitse katoenspinnerijen stegen, voor een modern modelbedrijf met de hoogst ontwikkelde techniek, de investeringen in goederen per werknemer van DM 30.000 in 1950 tot DM 324.000 in 1971, terwijl tegelijkertijd de lonen — bij een daling van het aantal arbeidsplaatsen van 274 tot 62 personen (in drie ploegen) — slechts stegen van DM 282.500 tot DM 785.000 (gebaseerd op de steeds geldende gemiddelde lonen in de textielindustrie). Over de machine-industrie schrijft Gerald W. Smith: ‘Er bestaat onmiskenbaar een duurzame tendens tot automatisering/mechanisering. (...) Arbeid, een inputfactor met relatief constante jaarlijkse kosten, wordt door machines (...) vervangen.’[34] Deze voorbeelden zijn naar believen uit te breiden. Er is nauwelijks één waar te vinden, waarbij de kosten voor levende arbeid op de lange termijn een groeiend deel van de kosten per eenheid product vormen.

In de bovengenoemde voorbeelden is geen rekening gehouden met de grondstofkosten. Theoretisch is het mogelijk, dat een radicale daling van de waarde van de verbruikte grondstoffen de stijging van de vaste kapitaalkosten neutraliseert, waarmee de organische samenstelling gelijk zou blijven. Maar in de praktijk kan dat voor de periode na de grote economische crisis van 1929-1932 en vooral sinds de Tweede Wereldoorlog nauwelijks het geval zijn. Het is waar, dat er een belangrijk zuiniger gebruik van grondstoffen heeft plaatsgevonden en nog steeds plaatsvindt; berekeningen op basis van de West-Duitse industrie tonen een materiaalverbruik per DM 10.000 productie, dat daalde van DM 267 in 1950 tot DM 209 in 1959, weer steeg tot ca. DM 220 aan het begin van de jaren ’60, om aan het eind van de jaren ’60 weer te dalen tot het niveau van 1959.[35] Maar omdat een bezuiniging op het fysieke gebruik van grondstoffen alleen binnen nauwe grenzen mogelijk is, weerspiegelen deze cijfers voor een belangrijk deel de relatieve prijsdaling van de grondstoffen, die op lange termijn niet gehandhaafd kan blijven. Op de lange termijn groeit daarom de post vaste kosten plus kosten voor arbeidsmiddelen sneller dan de loonkosten.

De indruk van een duurzame stabiliteit of zelfs een stijging van het ‘arbeidsaandeel’ in de ‘factorkosten’, die uit vele officiële statistieken blijkt, is daarmee geenszins in tegenspraak. Want de berekeningen van de ‘factorkosten’ omvatten ook de meerwaarde (of grote delen daarvan) en laten de waarde van het arbeidsmateriaal (grondstoffen, hulpstoffen, energie) buiten beschouwing. Ook worden lonen en salarissen meestal samengenomen in de formule ‘arbeidsaandeel’.[36] Totaaleconomisch gezien wijkt de berekening van de ‘factoraandelen’ ook nog in die zin af van Marx’ ‘organische samenstelling van het kapitaal’, dat inkomens uit onproductieve arbeid niet tot het ‘variabele kapitaal’ gerekend kunnen worden.

Verbazend genoeg heeft ook Paul M. Sweezy zich in de rijen van diegenen geplaatst, die iedere tendens tot stijging van de organische samenstelling van het kapitaal in de 20ste eeuw ontkennen, ja zelfs spreken over een dalende tendens van deze organische samenstelling.[37] Na alles wat wij hierover al hebben gezegd kunnen wij daaraan nog slechts toevoegen, dat het loonaandeel in de ‘factorkosten’ lager is naarmate het om een industrieel hoger ontwikkeld land gaat, d.w.z. met een technisch verder ontwikkelde industrie — een extra bevestiging van de tendens tot een stijgende organische samenstelling van het kapitaal (ofschoon het genoemde aandeel van de ‘arbeidskosten’ in de ‘toegevoegde waarde’, inclusief afschrijvingen en winsten, natuurlijk geenszins identiek is met de breuk c/v):

Arbeidskosten als percentage van de toegevoegde waarde [38]  
 brei industriebasischemie en kunst-
mestindustrie
VS (1954)23,68,14
Canada (1954)27,799,73
Australië (1955-1956)38,3723,41
Nieuw-Zeeland (1955-1956)39,8516,03
Denemarken (1954)50,0424,77
Noorwegen (1954)50,4620,28
Columbia (1953)53,0230,50
Mexico (1951)79,6835,09

Shane Mage heeft in zijn polemiek tegen Güsten ook theoretisch proberen aan te tonen dat de verhoging van de organische samenstelling van het kapitaal uit de ontwikkelingswetten van het kapitaal voortvloeit.[39] Een groot deel van zijn bewijsvoering klinkt overtuigend, maar was eenvoudiger geweest als hij de functionele rol van de stijging van de organische samenstelling van het kapitaal in de marxistische analyse niet had uitgeschakeld. Volgens Marx ontstaat technische vooruitgang op grond van de door de concurrentie versterkte druk tot voortdurende besparing op de productiekosten — waarbij het macro-economische resultaat niet anders kan zijn dan het micro-economische. Kostenbesparing zonder verhoging van de organische samenstelling van het kapitaal veronderstelt ofwel het vermogen om steeds complexere machines rendabel door levende arbeid te vervangen, ofwel het vermogen van afdeling I om moderne arbeids- en waardebesparende machines te bouwen, zonder een waardetoename van dit machinecomplex, of een voortdurende, snellere waardedaling van de grondstoffen dan van de door de arbeiders verbruikte consumptiegoederen. Dat zou echter in afdeling I een snellere groei van de arbeidsproductiviteit vereisen dan in de hele economie. Omdat de nieuwe machinecomplexen met de al bestaande machines (met de al bestaande techniek) geproduceerd moeten worden, d.w.z. omdat hun eigen waarde door de bestaande arbeidsproductiviteit bepaald wordt en niet door de verhoging van de arbeidsproductiviteit die hun eigen toepassing met zich meebrengt, en omdat zij ook niet al bij het eerste begin tot een massale automatische productie kunnen leiden, is deze veronderstelling op lange termijn niet realistisch. Vandaar dat een daling van de kostprijs per eenheid product altijd op de allereerste plaats de tendens tot besparing op arbeids- d.w.z. loonkosten zal vertonen (met een parallelle tendens tot besparing op arbeidsmateriaal), zoals ook Anne P. Carter onderstreept. Vandaar dat een kostenbesparing op den duur altijd verbonden zal zijn met een relatieve daling van het loonkostenaandeel in de warenwaarde en dus ook met een relatieve daling van het variabele bestanddeel in het totale kapitaal.

De rationele kern van deze globaal genomen ontoereikende kritiek op de marxistische stelling van de stijging van de organische samenstelling van het kapitaal bestaat erin dat die stijging zich minder automatisch en radicaal doorzet dan vele vulgarisatoren hebben aangenomen.[40] Periodiek kan een uitgebreide reproductie zeer wel tot stand komen zonder radicale wijziging in de organische samenstelling van het kapitaal; en periodiek kan ongetwijfeld een plotselinge verhoging van de arbeidsproductiviteit in afdeling I plaatsvinden, die ver boven het maatschappelijk gemiddelde ligt en in de verwerkende industrie een aanzienlijke kostenbesparing mogelijk maakt zonder toename van het constante waardedeel van haar waren. Maar op den duur kunnen zulke tendensen totaalmaatschappelijk geen stand houden. En juist de vergelijking van gedeeltelijk en volledig geautomatiseerde productie verschaft ons tegenwoordig inzichten in het wezen van die ontwikkeling.

Als het aantal volledig geautomatiseerde bedrijven en sectoren en het aantal halfautomatische firma’s echter zó toeneemt, dat ze van doorslaggevend belang worden voor de structuur van de hele economie, en de ‘klassieke’ industriële ondernemingen nog maar een relatief klein deel van de productie voor hun rekening nemen, dan krijgen de tegenspraken van het laatkapitalisme een explosief karakter: de totale meerwaardemassa, d.w.z. het totale aantal uren meerarbeid, is dan gedoemd om tendentieel te dalen.

Het verband tussen partiële en volledige automatisering, tussen een specifieke sprongsgewijze stijging van de arbeidsproductiviteit in enkele sectoren (daling van de productiekosten) en zich veralgemenende sprongsgewijze stijging van diezelfde arbeidsproductiviteit en de daaruit voortvloeiende kwalitatieve verschillen inzake het realiseringsprobleem (resp. valoriseringsprobleem van het totale kapitaal) hebben Karl-Heinz Roth en Eckhard Kanzow in hun overigens voortreffelijke boek over het hoofd gezien. Zij schrijven: ‘Op basis van hun technologisch bepaalde penetratie in nieuwe industrietakken breiden de gecombineerde kapitalen voortdurend hun mogelijkheden uit om de tendentiële daling van hun winstvoet door in tegengestelde richting werkende maatregelen te compenseren.’ Dit geldt echter klaarblijkelijk slechts voor een minderheid van de kapitalen. Hoe zouden alle kapitalen tezamen bij een uitbreiding van de automatisering — d.w.z. radicale vermindering van de meerwaardemassa met een gelijktijdige scherpe stijging van de organische samenstelling van het kapitaal — hun winstvoet kunnen verhogen? In het cijfervoorbeeld dat ze geven[41] worden vier opeenvolgende stadia — van de productie aan de lopende band tot een vérgaande automatisering met negen in plaats van eenendertig arbeidskrachten[42] — onderzocht met de conclusie, dat de productie verdubbeld wordt en de brutowinst verzesvoudigd: de winstvoet stijgt van 12 tot 55,6 %.

Maar de auteurs ontleden niet de totaaleconomische implicaties van de drie voorwaarden, die aan dit proces voorafgaan, en wat daarvan bij een uitbreiding van de gedeeltelijke automatisering (om niet te zeggen: van de volledige automatisering) over zou blijven: constante verkoopprijs; verdubbeling van het fysieke productievolume; halvering van de loon- en salarissom. Het is duidelijk, dat de combinatie van die drie voorwaarden bij een uitbreiding van de halfautomatisering onhoudbaar wordt. Wie moet die dubbele hoeveelheid gebruiksgoederen kopen, als bij een constante verkoopprijs het nominale inkomen van de bevolking gehalveerd wordt? In het bijzondere geval dat Roth en Kanzow behandelen, moet aangenomen worden: 1. dat de daling van de nominale loonsom in dit bedrijf parallel loopt met een stijging van het totaalmaatschappelijke consumenteninkomen; 2. dat niet-automatisch geproduceerde gebruiksgoederen vervangen zijn door bepaalde automatisch geproduceerde.

Deze hypothesen formuleren is al voldoende om in te zien, dat ze bij een steeds verdere uitbreiding van de halfautomatisering ondermijnd worden. Er ontstaat dan een geweldig afzet- resp. realiseringsprobleem.[43]

Een soortgelijke fout, zij het dan met een omgekeerd (pessimistisch) voorteken, beging Friedrich Pollock. Hij schrijft: ‘Eén van de voornaamste motieven van de automatisering is, zoals wordt toegegeven, de hogere productiviteit, wat echter een netto besparing van lonen en salarissen betekent. Als de vrijgemaakte arbeiders een nieuwe arbeidsplaats zouden kunnen vinden bij de bediening of fabricage van controleapparatuur, zou (als de productenmassa gelijk blijft) een netto besparing op de loonkosten helemaal niet mogelijk zijn. Deze zouden eenvoudig verschoven zijn naar andere activiteiten, die echter evenzeer kostenelementen zijn, zodat men wel van een verandering in de productiemethoden, maar niet van een verhoging van de productiviteit zou kunnen spreken.’[44] Het probleem van die argumentatie zit in de woorden tussen haakjes: ‘als de productenmassa gelijk blijft’. Zoals we gezien hebben, kan automatisering nooit betekenen dat de productenmassa gelijk blijft. Dus is Pollocks argumentatie slechts juist wanneer alle productiesectoren homogeen geautomatiseerd worden (en de consumptiestructuur gelijk blijft). Als de verschillende sectoren evenwel in verschillende mate geautomatiseerd zijn, is het mogelijk dat een hogere productiviteit en een grotere afzet in de geautomatiseerde sectoren gepaard gaat met een wegtrekken van de vrijgemaakte arbeiders naar de sectoren die controleapparatuur vervaardigen. Het hele proces gaat dan ten koste van de niet-geautomatiseerde (of minder geautomatiseerde) sectoren. Dit is volledig in overeenstemming met de werkelijke ontwikkeling van het laatkapitalisme in de laatste twintig jaar.

Als we de laatkapitalistische productiesfeer beschouwen als een tegenstrijdige eenheid van niet-, half- en volautomatische bedrijven (in de industrie en in de landbouw, m.a.w. in alle warenproducerende sectoren samen), dan kunnen we vanuit de aard van het kapitaal zelf concluderen dat er een toenemende weerstand moet ontstaan tegen een automatisering die een bepaalde grens overschrijdt.[45] Het gebruik van goedkopere arbeidskracht in halfgeautomatiseerde industrietakken (zoals de arbeid van vrouwen en leerlingen in de textielindustrie, de voedings- en genotmiddelenindustrie), die de rentabiliteitsgrens voor het invoeren van volautomatische complexen verschuift, permanente verandering en wederzijdse concurrentie in de productie van geautomatiseerde machinecomplexen, hetgeen prijsdaling en dus snellere invoering van die complexen in meer industrietakken verhindert; het onophoudelijke zoeken naar nieuwe producten, nieuwe gebruikswaarden, die eerst in niet- of halfgeautomatiseerde bedrijven worden voortgebracht, enz.: dit zijn allemaal stadia van die weerstand.

Het belangrijkste is echter het feit dat in de eerste fase van de automatisering, die nu op haar einde loopt, de automatische aggregaten niet automatisch gebouwd worden, net zoals in de eerste fase van de machinaal bedreven grootindustrie de grote machines zelf niet machinaal, maar ambachtelijk werden voortgebracht. De industrie van de elektronische productiemiddelen vertoont zelfs een uitgesproken lagere organische samenstelling van het kapitaal. In het midden van de jaren ’60 schommelde het aandeel van loon- en salariskosten in de jaarlijkse bruto-omzet daarvan in de VS en in West-Europa tussen 45 en 50 %.[46] Dit verklaart het feit dat de massale toevloed van kapitaal naar die tak sinds het begin van de jaren ’50 de maatschappelijk gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal niet heeft verhoogd maar verlaagd en dienovereenkomstig de gemiddelde winstvoet niet heeft doen dalen, maar doen stijgen. Automatische productie van automatische machines zou dan een nieuw kwalitatief keerpunt zijn, dat overeenkomsten vertoont met het keerpunt van de machinale vervaardiging van machines in het midden van de 19de eeuw dat Marx heeft beschreven.[47] ‘Een ontwikkeling van de productiekrachten die het absolute aantal arbeiders zou verkleinen, d.w.z. die de hele natie inderdaad in staat zou stellen om haar totaalproductie in een korter tijdsbestek te volbrengen, zou een revolutie teweegbrengen, omdat ze het merendeel van de bevolking buiten zou sluiten. Hier blijkt weer de specifieke grens van de kapitalistische productie en het feit dat deze geenszins een absolute vorm voor de ontwikkeling van de productiekrachten en de voortbrenging van de rijkdom is, maar daar op een bepaald punt juist mee in botsing komt.’[48]

Hier hebben we de absolute interne grens van de kapitalistische productiewijze bereikt. Deze absolute grens ligt noch — zoals Rosa Luxemburg meende — in de kapitalistische doordringing van de hele wereld (d.w.z. de uitschakeling van de niet-kapitalistische productie) noch — zoals Henryk Grossmann dacht — in de tendentiële onmogelijkheid om het totale geaccumuleerde kapitaal zelfs bij een stijgende meerwaardemassa te valoriseren. De grens ligt daar, waar de meerwaardemassa zelf noodzakelijk kleiner moet worden, omdat in de laatste fase van de mechanisering — de automatisering — de levende arbeidskracht uit het productieproces wordt uitgeschakeld. Kapitalisme is onverenigbaar met volautomatische productie in de hele industrie en landbouw, omdat er dan geen meerwaardevoortbrengst (en geen valorisering van het kapitaal) meer plaatsvindt. Daarom is het onmogelijk dat de automatisering zich in het laatkapitalisme tot de hele productie uitbreidt:[49] ‘Zodra de arbeid in zijn onmiddellijke gedaante opgehouden heeft, de grote bron van rijkdom te zijn, houdt de arbeidstijd op en moet hij ophouden de maat van de rijkdom en dus de ruilwaarde (de maat) van de gebruikswaarde (te zijn). De surplusarbeid van de massa is niet langer voorwaarde voor de ontwikkeling van de algemene rijkdom, zoals het niet-arbeiden van weinigen niet langer voorwaarde is voor de ontwikkeling van de algemene macht van het mensenhoofd. Daarmee stort de op ruilwaarde berustende productie ineen en wordt de vorm van het onmiddellijke materiële productieproces zelf ontdaan van behoeftigheid en de tegenstellingen.’[50]

Men zou daartegen kunnen inbrengen: de automatisering schakelt de levende arbeid alleen in de fabriekshal uit, maar vergroot de inzet daarvan op die gebieden waar het voorbereidende werk wordt gedaan (laboratoria, onderzoek, ontwikkeling enz.), die zonder twijfel tot de ‘collectieve totaalarbeider’ in de zin van Marx behoren en dus eveneens kapitaal valoriseren. Maar afgezien van het feit dat een omvorming van het hele productieve proletariaat tot wetenschappelijk opgeleide arbeidskracht explosieve moeilijkheden zou scheppen voor de valorisering van het kapitaal, omdat de inzet van een zo enorme massa arbeidskrachten voor slechts op materiële productie gericht onderzoeks- en ontwikkelingswerk onrealiseerbaar lijkt, en zonder in te gaan op de vraag in hoever een zo verwetenschappelijkte productie alleen al door haar omvang verenigbaar is met de overleving van de warenproductie, moet men de maatschappelijke gevolgen van een dergelijke transformatie in hun volle omvang beseffen. Dat betekent namelijk een radicale opheffing van de scheiding tussen hand- en geestesarbeid. Als het potentieel aan wetenschappelijk vermogen en wetenschappelijke kennis van het proletariaat op een dergelijke omvattende manier wordt aangeboord, dan zou met de hiërarchische structuur van bedrijf en firma ook het bevelhebberschap van het kapitaal over de arbeid van iedere, zelfs tijdelijke stabiliteit worden beroofd, d.w.z. zij zou ineenstorten. De aanzetten tot een dergelijke ontwikkeling zijn zonder twijfel het resultaat van de laatkapitalistische ontwikkeling; wij zullen die in het laatste hoofdstuk van dit boek onderzoeken. Maar in de kapitalistische productiewijze moeten zij op het niveau van embryonale randverschijnselen worden ingevroren. Om redenen van zelfbehoud kan het laatkapitalisme net zo min het hele proletariaat in wetenschappelijke onderzoekers veranderen als het de hele materiële productie kan automatiseren.

Welke diepgaande gevolgen de met de automatisering verbonden tendentiële daling van de hoeveelheid waardescheppende arbeid meebrengt voor het vermogen van het laatkapitalisme, om de daling van de winstvoet door een stijging van de meerwaardevoet en de verscherping van de sociale spanningen door een verhoging van de reële lonen tegen te houden, wordt duidelijk uit het onderzoek van de volgende cijfers.

Laat ons A, B, C en D vier opeenvolgende, cyclische hoogtepuntjaren noemen, met een tussenruimte van bijv. 10 jaar. In het eerste referentiejaar A bedraagt het totale aantal arbeidsuren van de productieve arbeiders in de beide afdelingen samen 10 miljard (bijv. 5 miljoen productieve arbeiders met 2.000 arbeidsuren per jaar of 6 miljoen met 1.666 arbeidsuren per jaar). De meerwaardevoet bedraag 100 %, d.w.z. de meerwaardevoet wordt in 5 miljard uur geproduceerd. Door verhoging van de werkgelegenheid ondanks toenemende automatisering worden in het jaar B geen 10 maar 12 miljard uren productieve arbeid geleverd. Wij nemen aan dat de meerwaardevoet van 100 tot 150 % stijgt (in plaats van de helft van hun arbeidstijd te gebruiken voor de productie van het equivalent van hun reële loon, hebben de productieve arbeiders daarvoor nog slechts 2/5 nodig). De meerwaardemassa stijgt van het product van 5 miljard tot het product van 7,2 miljard arbeidsuren, d.w.z. met 44 %. Daar de productieve arbeiders voortaan hun loonequivalent in 4,8 in plaats van in 5 miljard arbeidsuren produceren, zou een totale stijging van het reële loon van alle arbeiders met 30 % (een bescheiden jaarlijkse groei van het reële loon met 2,6 %) een verhoging van de arbeidsproductiviteit in afdeling II vereisen van 35 %. Dit blijft binnen de perken van het mogelijke en stemt volledig overeen met de ontwikkeling van de laatste 25 jaar.

In het referentiejaar C heeft de automatisering er echter al toe geleid, dat de werkgelegenheidsquote resp. het aantal geleverde arbeidsuren niet meer toeneemt, maar constant blijft op 12 miljard. Om bijv. de stijging van de organische samenstelling van het kapitaal te compenseren (die tussen A en B en tussen B en C met 50 % stijgt), zou een verdere stijging van de meerwaardevoet van 150 tot 233,33 % noodzakelijk zijn; de productieve arbeider mag dus in plaats van 4 van de 10 arbeidsuren nog maar 3 van de 10 gebruiken voor de productie van het equivalent van zijn reële loon. De totale meerwaardemassa is nu gestegen tot 8,4 miljard uur, d.w.z. met een volle 16,6 %. Om de arbeiders echter in de 3,6 miljard arbeidsuren die voor de productie van het equivalent van hun consumptiegoederen nog beschikbaar zijn, een stijging van het reële verbruik (van de massa producten, gebruikswaarden) met 30 % (tegenover het waardeproduct van 4,8 miljard arbeidsuren van tien jaar geleden) te laten voortbrengen, zou de arbeidsproductiviteit in afdeling II met 70 % moeten toenemen, wat neerkomt op een jaarlijkse groei van 5,4 %. Dit ligt net op de grens van het mogelijke.

Laten wij nu overgaan tot het vierde steekjaar D. Om de stijging van de organische samenstelling van het kapitaal te neutraliseren (die sinds het jaar C met bijv. 70 % gestegen is) zou de meerwaardevoet van 233,33 % tot 400 % moeten stijgen; de productieve arbeider zou dus nog maar 1 van de 5 arbeidsuren mogen gebruiken voor de productie van zijn loonequivalent. We nemen aan dat het totale aantal arbeidsuren als gevolg van de automatisering van 12 tot 10 miljard is gedaald. De absolute meerwaardemassa correspondeert dan met 8 miljoen arbeidsuren en is dus gedaald, ondanks de geweldige stijging van de meerwaardevoet van 233,3 % tot 400 %.[51] Om de meerwaardemassa op z’n minst constant te houden zou de meerwaardevoet niet tot 400 maar tot 525 % moeten stijgen, zouden er dus voor de productie van het loonequivalent nog maar 1,6 miljard arbeidsuren ter beschikking staan. Maar ook als de meerwaardevoet ‘slechts’ tot 400 % stijgt, vereist een nieuwe verhoging der reële lonen met 30 % in tien jaar tijd, dat de in twee miljard arbeidsuren geleverde productenmassa van jaar D de in 3,6 miljard arbeidsuren geleverde productenmassa van jaar C met 30 % overtreft, vereist kortom een stijging van de arbeidsproductiviteit in afdeling II met 140 %.

Om dit te bereiken moet de arbeidsproductiviteit jaarlijks met gemiddeld 9,1 % stijgen, en dat lijkt onrealiseerbaar. Maar het ligt nog ver onder het jaarlijkse gemiddelde dat nodig zou zijn om in het steekjaar D, als slechts 1,6 miljard uren arbeid worden verricht, d.w.z. bij een gelijk blijvende meerwaardemassa, een stijging van het reële loon met 30 % te bereiken. In dat geval zou de arbeidsproductiviteit in die tien jaar met zelfs 192,5 % moeten stijgen, wat een absoluut onmogelijke jaarlijkse groei van 11,4 % betekent.

De conclusie is: bij voortschrijdende automatisering, voortschrijdende stijging van de organische samenstelling van het kapitaal en daling van het aantal door productieve arbeiders geleverde arbeidsuren is het op den duur onmogelijk om zowel het reële loon aanzienlijk te verbeteren als de meerwaardemassa constant te houden. Eén van beide grootheden zal afnemen. En aangezien onder normale omstandigheden, d.w.z. afgezien van fascisme en oorlog, een ingrijpende daling van de reële lonen uitgesloten is, ontstaat er een historische valoriseringscrisis van het kapitaal, zullen meerwaardemassa en vervolgens meerwaardevoet onvermijdelijk dalen, volgt er met andere woorden een plotselinge daling van de gemiddelde winstvoet. In ons cijfervoorbeeld [52] zou zelfs de stagnatie van het reële loon in het steekjaar D bij een daling van de meerwaardemassa van 8,4 tot 8 miljard arbeidsuren nog betekenen, dat de arbeidsproductiviteit met 80 % is gestegen (een jaarlijkse groei van 6 %). Een constante meerwaardemassa en een stagnerend reëel loon zouden betekenen, dat de arbeidsproductiviteit met 125 % is gestegen, d.w.z. dat zich een onbereikbare jaarlijkse groei van 8,4 % heeft voorgedaan.[53]

Nog duidelijker dan in hoofdstuk 5 blijken hier dus de uit het wezen van de automatisering voortvloeiende oorzaken van de strijd om de meerwaardevoet, die zich in het laatkapitalisme steeds meer toespitst, blijken ook de groeiende valoriseringsproblemen van het kapitaal, zodra de massa waardescheppende arbeidsuren begint te dalen. Dat deze hypothese allerminst onrealistisch is, moge blijken uit de volgende tabel:

Aantal door productiearbeiders geleverde arbeidsuren in de Amerikaanse verwerkende industrie (in miljarden)

1947: 24,31963: 24,5
1950: 23,71966: 28,2
1954: 24,31970: 27,6
1958: 22,71972: 27,5

In de Bondsrepubliek was de ontwikkeling nog duidelijker en liep deze na 1960 terug:

Aantal geleverde arbeidsuren in de verwerkende industrie (in miljarden)

1950: 8,11966: 11,57
1956: 11,71968: 10,83
1958: 11,21969: 11,48
1960: 12,371970: 11,80
1961: 12,441971: 11,3
1962: 12,111972: 10,8
1964: 11,811973: 10,8 [54]

De cijfers voor 1950, 1956 en 1958 zijn exclusief Saarland en West-Berlijn.

Zoals verwacht leidden de gestegen organische samenstelling van het kapitaal en de stagnerende meerwaardevoet sinds de jaren ’60 tot een daling van de gemiddelde winstvoet. Hier volgen de cijfers van twee Britse auteurs, die uitgaan van de winstvoet zoals de kapitalistische concerns die zelf berekenen en niet zoals die volgens Marx’ meerwaardetheorie berekend zou moeten worden, maar hun cijfers tonen ongetwijfeld ook de tendens van de marxistische winstvoet:

Winstvoet in % van de netto activa van industriële en handels-nv’s in Groot-Brittannië

 bruto winstvoetnetto winst-
voet na belas-
tingen
1950-195416,56,7
1955-195914,77,0
1960-196413,07,0
1965-196911,75,3
196811,65,2
196911,14,7
19709,74,1[55]

Voor de VS bestaan twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken: de een van Edward Nell die concludeert dat de winstvoet is gedaald van 22,9 % in 1965 tot 17,5 % in 1970 (het betreft hier het aandeel van winsten en renten in de netto nieuw geschapen waarde van de niet-financiële nv’s in de VS); en de ander van prof. William D. Nordhaus die — rekening houdend met de door de inflatie opgedreven waardebepaling van de magazijnvoorraden — tot de volgende resultaten komt:[56]

Werkelijke winstvoet van de niet-financiële nv’s in de VS (in %)

 bruto (voor be-
lastingen)
netto (na be-
lastingen)
1948-195016,28,6
1951-195514,36,4
1956-196012,26,2
1961-196514,18,3
1966-197012,97,7
19709,15,3
19719,65,7
19729,95,6
197310,55,4

Wat Frankrijk betreft spreekt het tijdschrift Entreprise van een voortdurende daling van de winstvoet tussen 1950 en 1963, een zekere stabilisering in de periode 1964-1967, een aanzienlijke teruggang in 1967-1968, een scherp stijgende tendens in 1969-1970 en een nieuwe daling sindsdien. In de Franse verwerkende industrie zou de winstvoet in verhouding tot de totale activa in 1970 een derde lager zijn geweest dan aan het begin van de jaren ’60. Als we rekening houden met de door de inflatie opgedreven waardebepaling van de voorraden (d.w.z. als we hun invloed op de winst elimineren), dan blijken de Franse ondernemingen een daling van de zelffinancieringsquote te vertonen van 79,5 % in de periode 1961-1964, 83 % tussen 1965 en 1968, 75,1 % in 1971, 73 % in 1973 en 65 % in 1974 (schatting). Philippe Templé berekent een daling van de netto winstvoet in verhouding tot de totale activa van 5,3 % in 1959-1964, 4,3 % in 1964-1967 en 3,8 % in 1969-1973.[57]

Voor de Bondsrepubliek bestaan eveneens twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken. De Sachverständigenrat berekent een daling van het reële rendement in handel, industrie en financiële instellingen (na aftrek van een fictief ‘ondernemersloon’) met 20 % tussen 1960 en 1968 (een jaar met een sterk stijgende winstvoet, na de recessiejaren 1966 en 1967) en nog eens met 25 % tussen 1968 en 1973. Dr. Helmut Zschocke komt op grond van eigen berekeningen tot het volgende resultaat:[58]


Bruto winstvoet van de industrie in de Bondsrepubliek (industriewinst voor belastingen, in % van het voorgeschoten productieve kapitaal)

1950-195539,0196627,6
1956-196035,3196726,0
1961-196534,1196831,8
196530,7   

Alles bijeen kunnen we het begrip ‘laatkapitalisme’ nauwkeuriger omschrijven als een nieuwe fase van het imperialisme, van het monopoliekapitalistische tijdperk onder voorwaarden van structurele crisis van de kapitalistische productiewijze. Deze structuurcrisis komt niet tot uiting in het feit dat de productiekrachten absoluut ophouden met groeien. In de conclusie uit zijn analyse van het imperialisme verzette Lenin zich ondubbelzinnig tegen een dergelijke interpretatie. Hij schreef zelfs dat in het imperialisme de groei over het geheel genomen sneller wordt: ‘Het zou onjuist zijn te denken, dat deze tendens tot ontbinding de snelle groei van het kapitalisme uitsluit; zeer beslist niet, bepaalde industrietakken, bepaalde lagen van de bourgeoisie, bepaalde landen tonen in het tijdperk van het imperialisme in meerdere of mindere mate nu eens deze, dan weer die tendens. Over het geheel genomen groeit het kapitalisme heel wat sneller dan vroeger; deze groei wordt in het algemeen niet alleen steeds ongelijkmatiger, maar deze ongelijkmatigheid komt ook voornamelijk tot uitdrukking in het verval van de kapitaalkrachtigste landen (Engeland).’[59]

Kenmerkend voor het imperialisme in zijn tweede stadium, het laatkapitalisme, is dus niet de achteruitgang van de productiekrachten, maar een verscherpt parasitisme resp. verspilling die de groei vergezellen resp. overwoekeren. Het inherente onvermogen van het laatkapitalisme om de ongehoorde mogelijkheden van de derde technologische revolutie, de automatisering te veralgemenen, drukt die tendens even duidelijk uit als de tot dusver in het middelpunt van de kritiek op imperialisme resp. laatkapitalisme staande verkwisting van productiekrachten door hun omvorming in destructiekrachten:[60] permanente bewapening, honger in de halfkolonies waar de gemiddelde arbeidsproductiviteit ver beneden het technisch-economisch mogelijke wordt gehouden, vergiftiging van lucht en water, ontwrichting van het ecologische evenwicht, enz.

Absoluut zijn de productiekrachten tijdens het laatkapitalisme sneller gegroeid dan ooit tevoren; deze groei van de laatste 25 jaar kan gemeten worden aan de gegevens over de fysieke productie resp. de fysieke productiecapaciteit, de fysieke arbeidsproductiviteit en aan de gegevens over de groei van het industrieproletariaat.[61] Beide reeksen zijn voor de laatkapitalistische wereldeconomie gedurende deze fase aanzienlijk toegenomen. Maar vergeleken met de mogelijkheden van de derde technologische revolutie, de automatisering, en de uit die technologische omwentelingen voortvloeiende mogelijkheden tot radicale beperking van de meerarbeid voor de massa der producenten in de geïndustrialiseerde landen, is het resultaat pover. Aan die mogelijkheden gemeten, is de verkwisting van potentiële en reële productiekrachten tot in het onmetelijke gestegen. In die zin — maar alleen op basis van een dergelijke definitie — blijft Lenins beschrijving van het imperialisme als een fase van ‘om zich heen grijpende verrotting van de kapitalistische productiewijze’ geldig.

Verkwisting van reële en potentiële productiekrachten heeft niet alleen betrekking op de materiële, maar ook op de menselijke productiekrachten. Het tijdperk van de derde technologische revolutie betekent een tot dusver ongekende versmelting van wetenschap, techniek en productie. De wetenschap zou inderdaad een directe productiekracht kunnen worden. In een zich automatiserende productie is er voor ongeschoolde arbeiders en employés geen arbeidsplaats meer aanwezig. Een massale, of zelfs algemene omvorming van hand- en intellectuele arbeid wordt niet alleen mogelijk, maar sociaaleconomisch eenvoudig noodzakelijk. Nu wordt Marx’ en Engels’ anticipatie van een maatschappij, waarin ‘de vrije ontwikkeling van eenieder voorwaarde voor de vrije ontwikkeling van allen’, de werkelijke rijkdom ‘de ontwikkelde productiekracht van alle individuen’ wordt,[62] bijna letterlijk geconcretiseerd: ‘De vrije ontwikkeling van de individualiteiten (is nu het doel) en dus niet de vermindering van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid om surplusarbeid voort te brengen, maar de directe beperking van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid tot een minimum, in samenhang met de artistieke, wetenschappelijke enz. vorming van de individuen door middel van de voor hen allen vrijgemaakte tijd en geschapen middelen.’[63]

De ergste vorm van de aan het kapitalisme inherente verkwisting is het misbruik van de bestaande en toegepaste materiële en menselijke productiekrachten: zij dienen niet de ontwikkeling van vrije mensen, maar worden steeds meer gebruikt voor de productie van nutteloze en zelfs schadelijke dingen.

In het dubbele karakter van de automatisering weerspiegelt zich de hele historisch tegenstrijdige aard van het kapitalisme in geconcentreerde vorm. Enerzijds betekent automatisering de voltooide ontplooiing van materiële productiekrachten, die de mensheid potentieel kunnen bevrijden van de dwang tot mechanische, repetitieve, afstompende en vervreemdende arbeid. Anderzijds betekent automatisering opnieuw een toenemende bedreiging van werkgelegenheid en inkomen, een nieuwe verscherping van de angst, onzekerheid, weer opkomende massawerkloosheid, periodiek consumptie- en inkomensverlies, dus geestelijke en morele verarming. De kapitalistische automatisering als gelijktijdige geweldige ontplooiing zowel van de productiekracht van de arbeid als van de vervreemdende vernietigingskracht van waar en kapitaal, wordt dus de geobjectiveerde uitdrukking van de aan het kapitalisme inherente tegenstellingen.

Het idee, dat het tijdperk van de structurele crisis van het kapitalisme — het tijdperk dat, historisch gezien, rijp is voor de socialistische wereldrevolutie — gekenmerkt wordt door een absolute achteruitgang of op zijn minst een stagnatie van de productiekrachten, is te herleiden tot een verkeerde, nl. een mechanistische interpretatie van een passage uit het beroemde voorwoord bij Zur Kritik der politischen ökonomie, waar Marx de theorie van het historisch materialisme schetst. Een tijdperk van sociale revoluties wordt daar als volgt gekenmerkt: ‘Op een bepaald niveau van hun ontwikkeling raken de materiële productiekrachten van de maatschappij in conflict met de aanwezige productieverhoudingen of, wat slechts een juridische uitdrukking daarvoor is, met de eigendomsverhoudingen waarbinnen die zich tot dan toe bewogen hadden. Van ontwikkelingsvormen van de productiekrachten slaan die verhoudingen in hinderpalen om. Er treedt dan een periode van maatschappelijke revolutie in. (...) Een maatschappelijke formatie gaat nooit ten onder vóór alle productiekrachten ontwikkeld zijn die ze omvatten kan, en nieuwe, hogere productieverhoudingen treden nooit in de plaats, alvorens de materiële bestaansvoorwaarden daarvoor in de schoot van de oude samenleving zelf zijn uitgebroed.’[64] Het lijkt ons vanzelfsprekend dat de zin ‘vóór alle productiekrachten ontwikkeld zijn, die ze omvatten kan’ inhoudelijk een herhaling van de eerste zin is, d.w.z. uitgaat van de vaststelling dat vanaf een bepaald punt de ontwikkeling van de productiekrachten met de bestaande productieverhoudingen in conflict raakt. Vanuit dit standpunt heeft het kapitalisme alle productiekrachten ontwikkeld, ‘die het omvatten kan’; maar dat betekent helemaal niet, dat voortaan een ontwikkeling van de productiekrachten zonder de ineenstorting van die productiewijze niet meer mogelijk zou zijn — het betekent alleen, dat vanaf dit punt de verdere ontwikkeling van de productiekrachten steeds sterker tegen de bestaande productiewijze rebelleert en toewerkt naar haar val.[65]

Een mechanistische interpretatie van die tekst werd ongetwijfeld bevorderd door de ervaring van de Russische Oktoberrevolutie, vooral door de theoretische veralgemening van die ervaring in N. Boecharins Ökonomik der Transformationsperiode. In dit boek stelde Boecharin inderdaad de regel op, dat de socialistische revolutie gepaard gaat met een achteruitgang van de productiekrachten resp. door zulk een achteruitgang wordt voorbereid.[66] Het resultaat van de Russische verhoudingen van de jaren 1917-1920 — revolutie na een wereldoorlog, gepaard met een langdurige burgeroorlog die de hele economie van het land volledig ontwrichtte en een achteruitgang van de productiekrachten veroorzaakte [67] — is voor de hooggeïndustrialiseerde kapitalistische landen een zeer onwaarschijnlijke variant. Er is geen enkele reden om die variant tot norm te verheffen.[68]

In de eerste jaren na de Russische revolutie stelden de theoretici van de Communistische Internationale terecht een achteruitgang van de productiekrachten vast, die ze ook materieel — aan de productie, de werkgelegenheid enz. — konden meten.[69] Ze concludeerden daaruit, dat het kapitalisme bijzonder veel moeite zou hebben om die maatschappelijke en economische crisis zelfs tijdelijk te boven te komen. De economische crisis van 1929, die na een korte periode van hoogconjunctuur in alle hevigheid begon, bevestigde de juistheid van die prognose. Maar wat de ontwikkeling op lange termijn betreft bleven Lenin en Trotski voorzichtig. Zo verklaarde Trotski op het 3de congres van de Communistische Internationale: ‘Als men toegeeft (we zullen dit een ogenblik doen), dat de arbeidersklasse zich niet tot de revolutionaire strijd zal verheffen en de bourgeoisie de mogelijkheid zal geven om voor een lange reeks van jaren — laat ons zeggen 20 of 30 jaar — het lot van de wereld te beheersen, dan zal er ongetwijfeld een zeker nieuw evenwicht intreden. Europa zal sterk achteruitgaan. Miljoenen Europese arbeiders zullen door werkloosheid en ondervoeding sterven. De Verenigde Staten zullen zich op de wereldmarkt moeten heroriënteren, hun industrie moeten hergroeperen en voor een lange periode moeten beperken. Als langs deze lijdensweg in de loop van 15-20-25 jaar een nieuwe mondiale arbeidsdeling zou zijn ontstaan, zou er misschien een nieuw tijdperk van kapitalistische opgang kunnen beginnen. Maar die hele beschouwing is zeer abstract en eenzijdig. We stellen de zaken hier voor, alsof het proletariaat de strijd zou staken. Maar daarvan kan geen sprake zijn, alleen al niet, omdat de klassentegenstellingen juist de laatste jaren een buitengewone toespitsing hebben gekend.[70]

De eerste alinea van dit citaat heeft, zoals bij Trotski zo dikwijls het geval is, een bijna profetische kracht. Hij werd in 1921 geschreven. Precies 25 jaar later, in 1946, waren er miljoenen arbeiders omgekomen door werkloosheid, ondervoeding, oorlog en fascisme. De Verenigde Staten hadden hun industrie moeten hergroeperen en hadden voor een aanzienlijke periode (1929-1939) hun productie en werkgelegenheid aanzienlijk moeten beperken. Ze hadden hun positie op de wereldmarkt — warenmarkt en kapitaalmarkt wel te verstaan — vernieuwd, er was een nieuwe internationale arbeidsdeling tot stand gekomen, waarop een nieuwe fase van kapitalistische expansie van de materiële productie gevolgd was. — De tweede alinea van hetzelfde citaat moet als tijdgebonden worden beschouwd.[71] Trotski had absoluut gelijk, toen hij in 1921 vaststelde dat de voorspelling van een nieuwe opgang van de productiekrachten abstract en formeel was, want op dat ogenblik was de strijdvaardigheid van de Europese arbeidersklasse nog steeds groeiende. Onder die omstandigheden was een aanzienlijke verhoging van de meerwaardevoet — en een overeenkomstige verhoging van de winstvoet — ondenkbaar. Op de dagorde stonden geen speculaties over de mogelijkheid van een nieuwe etappe van kapitalistische groei, maar het vermogen van de arbeidersklasse om de structurele crisis van het kapitalisme om te zetten in een overwinning van de proletarische revolutie in de belangrijkste landen van het continent. Met hun theorieën over een nieuwe opgang van het kapitalisme wilden de sociaaldemocratische leiders hun weigering rechtvaardigen om leiding te geven aan die revolutionaire strijd.[72] Wat ze oogstten was geen periode van langdurige opgang, maar, na het korte intermezzo van 1924 tot 1929, de grote economische wereldcrisis, massale werkloosheid, fascisme en het afgrijzen van de Tweede Wereldoorlog. Trotski’s analyse en prognose waren juist gebleken.

Wat Trotski in 1921 niet kon bedoelen, was het volgende: dat het op den duur voldoende zou zijn dat de arbeidersklasse zou strijden, om een nieuwe lange periode van opgang van de kapitalistische productiekrachten te verhinderen. Daarvoor moest ze overwinnen. Historisch fatalisme is even kortzichtig bij economische perspectieven als inzake de afloop van grote klassengevechten. In dit verband heeft Trotski zich zeven jaar later, in zijn kritiek op het Kominternprogramma van Boecharin en Stalin, volkomen ondubbelzinnig uitgesproken: ‘Zal de bourgeoisie in staat zijn om zich te verzekeren van een nieuw tijdperk van kapitalistische groei en kapitalistische macht? Een dergelijke mogelijkheid eenvoudigweg te loochenen, te rekenen op de “hopeloze toestand” waarin de burgerij zich bevindt, zou louter revolutionair verbalisme zijn. “Er bestaan geen absoluut hopeloze toestanden” (Lenin). Juist door zijn instabiliteit kan de huidige verstoring van het evenwicht tussen de klassen in Europa niet eeuwig duren. (...) Een toestand, die zo onzeker is, dat het proletariaat de macht niet kan grijpen, terwijl de bourgeoisie zich niet sterk genoeg en zich de toestand niet meester voelt, moet vroeg of laat op een of andere manier beslist warden, ofwel ten gunste van de dictatuur van het proletariaat, ofwel ten gunste van een ernstige en duurzame stabilisering van het kapitalisme, op de rug van de volksmassa’s, op de rug van de koloniale volkeren en (...) misschien op onze eigen rug. “Er bestaan geen absoluut hopeloze toestanden”! De Europese bourgeoisie kan alleen door de nederlagen van de arbeidersklasse en dank zij de fouten van de revolutionaire leiding een duurzame uitweg vinden uit haar diepe tegenstellingen. Maar het tegendeel is eveneens juist. Er zal zich slechts dan geen heropleving van het wereldkapitalisme voordoen (natuurlijk in het perspectief van een nieuw tijdperk van grote beroering), als het proletariaat in staat is om uit het huidige gebrek aan evenwicht de weg naar de revolutie te vinden.’[73] Deze visie is punt voor punt bevestigd. De fase van onzeker evenwicht, ingeluid door de combinatie van de overwinning van de Russische Oktoberrevolutie en de nederlaag van de Duitse revolutie, liep in 1929 ten einde. Door zijn onbekwame leiding was het Europese proletariaat niet in staat om de acute maatschappijcrisis in zijn voordeel op te lossen. Het fascisme en de Tweede Wereldoorlog schiepen de voorwaarden voor een langdurige oplossing van die crisis in het voordeel van het kapitaal. Nog éénmaal, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, had in Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië het blad omgedraaid kunnen worden. Opnieuw bleken de traditionele arbeiderspartijen niet alleen onbekwaam om hun historische taak te vervullen, maar werden ze ook nog de beste helpers van het Europese grootkapitaal bij de stabilisering van de laatkapitalistische economie en van de laatkapitalistische staat.’[74]

Dit is de historische basis van de derde technologische revolutie, van de derde ‘lange golf met expansieve grondtoon’, met andere woorden van het laatkapitalisme. Het is geenszins een ‘zuiver’ product van de economische ontwikkeling of het bewijs van een zgn. vitaliteit of bestaansrecht van de kapitalistische productiewijze. Het is slechts een bewijs voor het feit dat er in de imperialistische landen op basis van de bestaande techniek en productiekrachten ‘absoluut gezien geen toestanden zonder uitweg’ bestaan, dat het langdurige uitblijven van een socialistische revolutie in laatste instantie de kapitalistische productiewijze een nieuwe levenstermijn kan verschaffen, waarvan ze overeenkomstig haar eigen interne logica gebruik zal maken: zodra de winstvoet weer stijgt begint zij de accumulatie van het kapitaal te versnellen, de technologie te revolutioneren, opnieuw rusteloos naar meerwaarde, gemiddelde winst en surpluswinst te zoeken en de productiekrachten verder te ontplooien.

Dat is de zin van de derde technologische revolutie. En ook haar historische grens. Zelf product van de kapitalistische productiewijze, reproduceert ze alle interne tegenspraken van die maatschappelijke en economische formatie. En omdat ze het product is van de kapitalistische productiewijze in het imperialistische, monopoliekapitalistische tijdperk, d.w.z. in het tijdperk van de structurele crisis en het geleidelijke verval van die productiewijze, moet de nieuwe opgang van de productiekrachten aan de klassieke tegenspraken van het kapitalisme nog een reeks specifieke tegenspraken toevoegen, die we in de volgende hoofdstukken zullen onderzoeken en die de mogelijkheid scheppen van bredere en diepere revolutionaire crises dan die, welke de periode 1917-1937 in zich droeg.

In dit verband moeten wij eraan herinneren, dat Marx de historische taak van de kapitalistische productiewijze niet zag in de kwantitatief onbegrensde ontwikkeling van de productiekrachten, maar in bepaalde kwalitatieve resultaten daarvan. ‘De grote historische kant van het kapitaal is het scheppen van deze surplusarbeid, overbodige arbeid vanuit het standpunt van de loutere gebruikswaarde, van het loutere voortbestaan, en zijn historische bestemming is vervuld, vanaf het ogenblik dat enerzijds de behoeften zo ver ontwikkeld zijn, dat de surplusarbeid boven het noodzakelijke uit zelf algemene behoefte (geworden) is, uit de individuele behoeften zelf resulteert, — en anderzijds de algemene arbeidzaamheid door de strenge discipline van het kapitaal, die de opeenvolgende geslachten hebben doorgemaakt, ontwikkeld is tot het algemene bezit van de nieuwe generatie — tenslotte door de ontwikkeling van de productiekrachten van de arbeid, die het kapitaal in zijn onbeperkte verrijkingsdrang en in de voorwaarden, waaronder het die slechts kan verwezenlijken, voortdurend verder drijft, zo ver gekomen is, dat het bezit en het behoud van de algemene rijkdom (...) voor de hele maatschappij slechts een geringe arbeidstijd vergt en de arbeidende samenleving zich op een wetenschappelijke manier verhoudt tot het proces van haar voortschrijdende reproductie; dat dus de arbeid, waarin de mens doet wat hij aan dingen voor zich kan laten doen, opgehouden heeft te bestaan.’[75] Wanneer die kwalitatieve resultaten bereikt en verwezenlijkt zijn, heeft het kapitalisme zijn historische taak vervuld, zijn de verhoudingen rijp voor het socialisme, begint met andere woorden de neergaande periode van de burgerlijke samenleving. Als de productiekrachten zich dan toch nog verder ontplooien, verandert dat niets aan het feit dat de historische zending volbracht is en kan de voortzetting van de kwantitatieve ontplooiing van de productiekrachten het kwalitatieve resultaat zelfs in gevaar brengen. Juist op grond daarvan mag men uit Lenins stelling dat er voor de imperialistische burgerij absoluut gezien geen toestanden zonder uitweg bestaan, niet de conclusie trekken, dat de kapitalistische productiewijze zich, zolang de socialistische revolutie uitblijft, duurzaam in leven kan houden ondanks aanzienlijke perioden van stagnatie en maatschappelijke crises. Want afgezien van het feit dat veralgemeende automatisering, d.w.z. snelle daling van de meerwaardemassa, een absolute grens stelt aan de valorisering van het kapitaal die niet overwonnen kan worden door een verhoging van de meerwaardevoet, is de dynamiek van het verspillings- en vernietigingspotentieel, die in het tijdperk van het laatkapitalisme verbonden is met de verdere ontplooiing van de productiekrachten, zó sterk dat het alternatief voor de aflossing van het kapitalisme door een hogere maatschappijvorm bestaat in de zelfvernietiging van het systeem, resp. van de hele menselijke beschaving. Het alternatief ‘socialisme of barbarij’ behoudt onder dergelijke voorwaarden zijn volle betekenis, ondanks de vlucht die de productiekrachten de laatste twintig jaar genomen hebben.

_______________
[1] David S. Landes, The Unbound Prometheus, Cambridge University Press, 1970, pp. 254-259. Bessemers uitvinding was nauw verbonden met de militaire behoeften die voortvloeiden uit de Krimoorlog (W.H.G. Armytage, A Social History of Engineering, Faber & Faber, Londen 1969, pp. 153-155): ‘De gevolgen daarvan voor de industriële organisatie, vooral in de scheepsbouw, waren ingrijpend. Het tijdperk van metaal en machinerie legde onvermijdelijk de basis voor de groei van grootschalige industriële eenheden. Aandeelhouders van de Great Eastern (...) maakten dezelfde traumatische ervaring door die hun voorgangers hadden beleefd in de spoorwegenmanie van tien jaar tevoren’ (p. 155). De Companies Act van 1862 sloot hierbij aan.
[2] David Landes, 234 e.v., 237, spreekt van een ‘uitputting van de technologische mogelijkheden van de industriële revolutie’, een verdwijnen van de ‘winsten die besloten lagen in het oorspronkelijke complex vernieuwingen dat de industriële revolutie tot stand had gebracht’, met uitzondering van de omwenteling in de staalindustrie.
[3] David Landes, pp. 153 e.v., 541.
[4] Zie W.I. Lenin, Der Imperialismus als höchstes Stadium des Kapitalismus, in: Ausgewählte Werke I, p. 821.
[5] Dit overwicht is zo duidelijk, dat Landes de ontwikkelingsfase van de Europese economie, die begint met de jaren ’70 van de 19de eeuw, ‘het stalen tijdperk’ noemt (p. 249 e.v.).
[6] Zie George Padmore, Africa, Britain ‘s Third Empire.
[7] Dit begrip wordt o.a. gebruikt door Daniel Bell (The Reforming of General Education, Columbia University Press, 1966), Herman Kahn (The year 2.000, New York 1967) en Jean-Jacques Servan-Schreiber (Le défi américain, Parijs 1967). Zie de latere bibliografie en de behandeling van dit begrip in hoofdstuk 12.
[8] US Department of Commerce, Bureau of the Census, Long-term Economic Growth 1860-1965, p. 191.
[9] Kruse, Kunz, Uhlmann, Wirtschaftliche Auswirkungen der Automation, pp. 68-69. - De kunststofverwerkende industrie kende in de periode 1950-1965 een jaarlijkse groei van de arbeidsproductiviteit van meer dan 9 %.
[10] Voorbeelden van dit verschil geeft o.a. de Amerikaanse vakbondsleider Charles Levinson in zijn boek Kapitaal, inflatie en de multinationale ondernemingen, Van Gennep, Amsterdam 1975, p. 28 e.v. De Europese Economische Commissie van de Verenigde Naties noemt een jaarlijkse groei van de West-Europese arbeidsproductiviteit per bedrijfstak die schommelt tussen 1,3 % in de leernijverheid en 9 % in de olie-industrie (Economic Survey of Europe in 1970, Genève 1971). Dat is een verhouding van 1:7.
[11] Dit probleem wordt in de volgende twee hoofdstukken uitvoeriger behandeld.
[12] De latente overproductie van productiemiddelen neemt vooral de vorm aan van latente overcapaciteit in de industrietakken van afdeling I.
[13] Kruse, Kunz, Uhlmann, Wirtschaftliche Auswirkungen der Automation, p. 58.
[14] Friedrich Pollock, Automation, Frankfurt 1964, p. 46 e.v.
[15] Bij de productie van synthetische stoffen als polyethyleen is volledige automatisering zowel een technische als een hygiënische noodzaak.
[16] Zie de vierde reeks van de tabel in hoofdstuk 5 van dit boek.
[17] Julius Rezler, Automation and Industrial Labor, Random House, New York 1969, pp. 7-8.
[18] Joseph N. Froomkin, ‘Automation’, in: International Encyclopedia of Social Sciences, vol. 1, McMillan, uitgave 1968.
[19] Gerhart E. Reuss, Management im Zeitalter des Elektronenrechners, Basel 1965, p. 1.
[20] Kruse, Kunz en Uhlmann definiëren automatisering als: ‘De substitutie van de menselijke arbeidsprestatie(...) door mechanismen’ (p. 14). Pierre Naville heeft voorgesteld, de automatisering te definiëren als die procedés, waarin het aantal machine-uren aanzienlijk hoger is dan het aantal uren van de werknemers die ze bedienen (Pierre Naville, Pierre Rolle, ‘Problémes posés par la mesure des effets de l’automation dans les études de cas en France’, in: Cahiers d’étude des sociétés industrielles et de l’automation, nr. 6, 1964, p. 82). Dezelfde auteurs sommen tien van verschillende zijden voorgestelde criteria op om de graad van automatisering te meten (p. 81-82), waarvan die van James R. Bright (Automation and Management, Harvard University Press, 1958) de meest gebruikte zijn.
[21] Charles Levinson (p. 268 e.v.) noemt het voorbeeld van petrochemische bedrijven in Groot-Brittannië, waar het aandeel van de loon- en salariskosten in de productiekosten voor ethylbenzol, acetyleen en vinylchloride tot 0,02, 0,03 en 0,01 % is gedaald.
[22] Kruse, Kunz, Uhlmann, p. 22.
[23] K. Marx, Das Kapital I, pp. 128-130.
[24] Harry Nick, Technische Revolution und ökonomie der Productionsfonds, p. 13: ‘Er doet zich een kwalitatief nieuwe situatie voor, wanneer de besparing op geobjectiveerde arbeid de voornaamste bron van arbeidsbesparing wordt.’
[25] Fr. Pollock, pp. 256, 284 e.v. Pollock noemt de ‘reusachtige schade’ die kan ontstaan door verkeerde bediening van de controleapparatuur.
[26] Harry Nick, p. 21. Dit houdt o.a. verband met de ruimtelijke degressie van de automatische machines. Cfr. Helmut Ludwig, Die Grössendegression der technischen Productionsmittel, Keulen 1962. In de Bondsrepubliek ontwikkelde het aandeel van de gebouwen in het bruto geïnvesteerde vermogen in de industrie zich van 27 % in 1950 tot 33,3 % in 1960 en 29,9 % in 1968. Voor het netto belegde vermogen waren die percentages resp. 34 %, 32,5 % en 32,2 % (Dr. Helmut Zschocke, Kapitalstruktur und Kapitalverwertung in der BRD-Industrie, IPW-Forschungshefte, 9de jaargang, nr. 2/1974, pp. 48-49).
[27] Reuss, pp. 27-28; Kruse, Kunz, Uhlmann, pp. 28-29. Zie bij dezelfde auteurs p. 49 over de daling van de uitschotquote en de materiaalbesparing: ‘In een koudbandwalserij leidde het gebruik van een analogiecomputer om de dikte te regelen tot een tolerantiedaling van 35 %. In een energiebedrijf kon het primaire energieverbruik in kWh door de automatische regeling van toevoer- en drukverhoudingen met 42 % worden teruggebracht.’
[28] De omvang van de individuele investeringsplannen is zó gegroeid, dat deze alleen al vanuit het kostenstandpunt dwingt tot een optimale benutting van de productiecapaciteit (Reuss, p. 49).
[29] Charles Levinson, pp. 268-269.
[30] Harry Nick, pp. 46-54. Fr. Pollock, p. 166. Als de automatische productie van grondstoffen zich uitbreidt, kan het vaste constante waardebestanddeel relatief het belangrijkste worden (Kruse, Kunz, Uhlmann, p. 113).
[31] In: Automation: Risiko und Chance, Frankfurt 1966, deel 1, p. 23.
[32] Hoewel Pollock (p. 109) vaststelt, dat er in de fabricage van glasproducten, papier, stalen buizen, in de petroleumdestillatie en -raffinaderij, de afvalverwerking, de fabricage van biscuits en consumptie-ijs, sigaretten en granaten al volautomatische procedés bestaan die lopen van de grondstof tot en met het eindproduct, houdt hij staande dat volautomatische bedrijven globaal gezien tot dusver slechts een kleine minderheid vormen. Hij wijst op de technische moeilijkheden die een uitbreiding van de automatisering in de weg staan: noodzaak tot homogene en permanente productie, splitsing van het productieprocedé in gestandaardiseerde individuele handelingen enz. Bij die technische moeilijkheden komen nog de hier kort geschetste economische moeilijkheden.
[33] Zie o.a. J.R. Hicks, The Theory of Wages, Londen 1966, tweede druk, hoofdstuk 6; Joan Robinson, The Accumulation of Capital, Londen 1956; Rolf Güsten, Die langfristige Tendenz der Profitrate bei Karl Marx und Joan Robinson, München 1960 (proefschrift).
[34] Anne P. Carter, Structural Change in the American Economy, Harvard University Press, 1970, pp. 143, 152; Levinson, p. 129; John L. Enos, ‘Invention and Innovation in the Petroleum Refining Industry’, in: Richard R. Nelson (ed.), The Rate and Direction of Inventive Activity, Princeton University Press, 1962, p. 318; Gerald W. Smith, Engineering Economy: Analysis of Capital Expenditures, Iowa State University Press, 1968, p. 427; Pollock, p. 101; Marius Hammer, Vergleichende Morphologie der europdischen Automobilindustrie, Kyklos Verlag, Basel 1959 pp. 69-70; Wirtschaftskonjunktur, 19de jaargang, december 1967, p. 27; Amman, Einhoff, Helmstädter, Isselhorst, ‘Entwicklungsstrategie und Faktorintensität’, in: Zeitschrift für allemeine und textile Markt wissenschaft, jaargang 1972, Universität Munster, nr. 2.
[35] Zschocke, p. 36.
[36] Voor kortere periodes kan een relatief achterblijven van de technische vooruitgang in een bepaalde bedrijfstak natuurlijk gepaard gaan met een stagnatie of zelfs een lichte daling van de organische samenstelling van het kapitaal. Zo noemt Bela Gold (Explorations in Managerial Economics — Productivity, Costs, Technology and Growth, MacMillan, Londen 1971, p. 102) het voorbeeld van de Amerikaanse staalindustrie, waar bij de hoogovens het loonaandeel in de ‘kosten’ (inclusief winsten!) weliswaar daalde van 8,9 % in 1899 tot 5,1 % in 1939, maar waar dit aandeel bij de walserijen steeg van 17,1 % tot 21,4 %. Afgezien van het feit, dat dit samen kan hangen met een daling van de meerwaarde, moeten wij erop wijzen dat de grote technische vernieuwingen van de walserij pas plaatsvonden in de jaren ’50 en ’60 (koudwalserij en automatisering). De vaste investeringen per arbeidsuur, die in 1939 slechts 17 % boven het niveau van de eeuwwisseling lagen, bedroegen in 1958 het drievoudige van 1929 en waren toen tweeënhalf keer zoveel als in 1939.
[37] Paul M. Sweezy, ‘Some Problems in the Theory of Capital Accumulation’, in: Monthly Review, vol. 26, nr. 1, mei 1974, pp. 46-47. Sweezy steunt vooral op de berekeningen van Joseph M. Gillman. Als één van de vele fouten van Gillman noemde Helmut Zschocke kort geleden vooral het feit, dat Gillman geen rekening hield met de omslag van het variabele kapitaal, d.w.z. het is onjuist om de jaarlijkse loonsom gelijk te stellen met het variabele kapitaal, omdat dat zou betekenen dat het variabele kapitaal maar één keer per jaar wordt omgeslagen (p. 75 e.v.).
[38] Bagicha Singh Minhas, An International Comparison of Factor Costs and Factor Use, North Holland Publishing Cy, Amsterdam.
[39] Shane Mage, pp. 151-159.
[40] Vgl. Karl Marx: ‘De reden daarvoor is eenvoudig deze dat met de groeiende productiviteit van de arbeid niet alleen de omvang van de daardoor verbruikte productiemiddelen stijgt, maar tegelijk ook de waarde daarvan daalt vergeleken met hun omvang. Die waarde stijgt dus absoluut, maar niet in verhouding tot hun omvang. Het verschil tussen het constante en het variabele kapitaal groeit daarom veel langzamer dan het verschil tussen de massa van de productiemiddelen waarin het constante, en de massa van de arbeidskracht waarin het variabele kapitaal wordt omgezet. Het eerste verschil groeit met het laatste, maar in geringere mate’ (Das Kapital I, pp. 651-652).
[41] Karl-Heinz Roth, Eckhard Kanzow, Unwissen als Ohnmacht — Zum Wechselverhältnis von Kapital und Wissenschaft, Berlijn 1970, p. 17.
[42] Dat dit cijfervoorbeeld helemaal niet overdreven, maar eerder ‘onderdreven’ is, bewijst de volgende opmerking: ‘Een in een autofabriek gebruikte transfermachine verricht bijvoorbeeld samen met een inductieve hardingsmachine 24 technische basis- en deelprocessen, die vroeger aan 18 afzonderlijke aggregaten door 15 arbeidskrachten werden verricht; de nieuwe installatie wordt door één arbeider bediend’ (Kruse-Kunz-Uhlmann, p.21).
[43] Burgerlijke economen schijnen dit beter te begrijpen. Zie bijv.: Kruse, Kunz, Uhlmann: ‘Op lange termijn leidt de automatisering tot een verhoging van het goederenaanbod. Terwijl rationalisering in het normale geval echter de productie van ofwel meer goederen tegen dezelfde kosten ofwel van dezelfde hoeveelheid tegen geringere kosten betekent, is de automatisering al in dit opzicht een bijzonder geval, dat deze in het algemeen al een aanzienlijke meerproductie mogelijk maakt door slechts de productiesnelheid op te voeren’ (pp. 119-120). Dezelfde auteurs spreken verder van een ‘afzetpolitieke druk’ waaraan de geautomatiseerde ondernemingen zich onderworpen zien (p. 130).
[44] Pollock, p. 202.
[45] Kruse, Kunz en Uhlmann hebben empirisch vastgesteld dat er ‘bij draaimachines een ongeveer op 75 % liggende grenswaarde (bestaat), tot waar een toename van de automatisering een productie oplevert die buiten proportie hoger ligt dan het geïnvesteerde kapitaal. Boven die grenswaarde wordt de toename van de automatiseringsgraad oneconomisch’ (p. 113).
[46] C. Freeman, ‘Research and Development in Electronic Capital Goods’, in: National Institute Economic Review, nr. 34, nov. 1965, p. 51.
[47] Harry Nick stelt hetzelfde vast (p. 52). Hij volgt hier Pollock (p. 95), die evenwel in de automatische montageapparatuur (AUTOFAB) de mogelijkheid ziet om de paradox op te heffen, ‘dat juist de industrie die de apparatuur voor de automatie leverde, zelf voornamelijk op handarbeid aangewezen was.’
[48] K. Marx, Das Kapital III, p. 274.
[49] Dit geldt natuurlijk alleen op internationaal niveau. Theoretisch zou het denkbaar zijn, dat een volledig geautomatiseerde industrie, bijv. die van de VS of de Bondsrepubliek, door ruil met niet-automatisch geproduceerde waren uit andere landen beslag legt op de meerwaarde die noodzakelijk is voor de valorisering van haar kapitaal. In de praktijk echter zou het maatschappelijke en politieke explosiegevaar dat een dergelijk geval inhoudt onmetelijke vormen aannemen.
[50] K. Marx, Grundrisse, p. 593.
[51] Karl Marx (Grundrisse, p. 241 e.v.) had al aangetoond, dat de meerwaarde niet in dezelfde mate kan stijgen als de arbeidsproductiviteit en dat de toename van de surplusarbeid evenredig is met de daling van de noodzakelijke arbeid en niet met de stijging van de arbeidsproductiviteit. Deze daling van de noodzakelijke arbeid kent op haar beurt een grens, ook in de veronderstelling die Marx bij die berekeningen aanneemt, nl. dat de consumptie der arbeiders stagneert. Als de consumptie van de arbeiders een bescheiden stijging kent zijn die grenzen natuurlijk nog nauwer getrokken.
[52] Kanzow en Roth (Unwissen als Ohnmacht, p. 47 e.v.) citeren een formule die hen door Paulsen en Martzke is meegedeeld. Deze formule bewijst dat bij een al hoge arbeidsproductiviteit een verdere stijging van de meerwaarde praktisch moet uitblijven. Daarbij gaan alle vier de auteurs (zoals Marx) er stilzwijgend van uit dat het reële loon stagneert, d.w.z. dat bij een verdubbeling van de arbeidsproductiviteit de productieve arbeider nog slechts het waardeproduct ontvangt van de helft van de arbeidsuren die vroeger met zijn loon overeenstemden. Deze hypothese is onrealistisch voor de eerste helft van de ‘lange golf’ van het laatkapitalisme. Onze hypothese van een bescheiden groei van de reële lonen, die geringer is dan de toename van de arbeidsproductiviteit, komt beter overeen met de werkelijkheid van de periode 1945-1965, d.w.z. met de voor die periode gegeven krachtsverhoudingen tussen de klassen. Daarmee wordt de juistheid van de formule van Paulsen en Martzke echter des te sterker bevestigd.
[53] Hiertegen zou men kunnen inbrengen: als het aantal arbeidsuren, d.w.z. het aantal werknemers daalt, is er om het reële loon per werknemer constant te houden resp. bescheiden te laten stijgen, niet zo’n hoge groeivoet van de arbeidsproductiviteit nodig. Daarop kunnen we antwoorden: 1. dat de daling van het aantal arbeidsuren groter is dan de daling van het aantal werknemers, resp. zelfs verenigbaar is met een constant of zelfs licht stijgend aantal werknemers, omdat de door de automatisering nog opgevoerde arbeidsintensiteit op den duur een beperking van de normale werkdag onvermijdelijk maakt; 2. dat de reële consumptie van de productieve arbeiders beschouwd moet worden als de basis voor het onderhoud van de hete klasse, d.w.z. dat ze ook ouderdomspensioenen voor vroegtijdig gepensioneerde producenten, werklozensteun, betaling van jongeren die na het einde van hun studie of leertijd geen werk hebben omvat en dus bij een daling van het aantal werkuren, die het equivalent van die reële consumptie moeten voortbrengen, inderdaad de bovengenoemde aanzienlijke groeivoeten van de productiviteit vereist om dat equivalent te realiseren.
[54] Statistical Abstract of the United States 1968, pp. 717-719 voor de jaren tot en met 1966. Voor 1970: eigen berekening op grond van de cijfers in de officiële Monthly Labor Review van het Amerikaanse ministerie van arbeid (mei 1971). Sachverständigenrat, Jahresgutachten 1971-1972, Stuttgart 1971, p. 210.
[55] Andrew Glynn, Bob Sutcliffe, British Capitalism, Workers and the Profit Squeeze, Penguin Books, 1972, p. 66. Op deze berekeningen is van verschillende kanten kritiek gekomen, maar zij werden als geheel bevestigd door een onafhankelijk onderzoek van G.J. Burgess en A.J. Webb, ‘The Profits of British Industry’, Lloyd’s Bank Review.
[56] Edward Nell, ‘Profit Erosion in the United States’, inleiding bij de Amerikaanse uitgave van het boek van Glynn en Sutcliffe onder de titel Capitalism in Crisis, New York 1972. William D. Nordhaus, ‘The Falling Share of Profits’, in: A.M. Okun, L. Perry (eds.), Brookings Papers on Economic Activity, nr. 1, The Brookings Institution, Washington D.C. 1974, p. 180.
[57] Entreprise, 13 okt. 1972. Philippe Templé, ‘Répartitions des gains de productivité et hausses des prix de 1959 à 1973’, in: Economie et statistique, nr. 59, sept. 1974.
[58] Sachverständigenrat, Jahresgutachten 1974, p. 71. Dr. Helmut Zschocke, p. 83.
[59] W.I. Lenin, Der Imperialismus als höchstes Stadium des Kapitalismus, p. 871 e.v. (onze cursivering).
[60] Vgl. Karl Marx: ‘In de ontwikkeling van de productiekrachten treedt een stadium in, waarin productiekrachten en verkeersmiddelen in het leven geroepen worden, die onder de bestaande verhoudingen slechts onheil kunnen aanrichten, die geen productiekrachten meer zijn, maar destructiekrachten (machines en geld)’ (Die Deutsche Ideologie, MEW 3, p. 69).
[61] Voor Marx was het begrip ‘productiekracht’ in laatste instantie identiek aan dat van de materiële productiekrachten en de fysieke arbeidsproductiviteit van de menselijke arbeidskracht. Zie bijv. Das Kapital I, pp. 349, 650 enz; Das Kapital III, pp. 259-260 enz. Zie ook Grundrisse, p. 586: ‘De productiekracht van de samenleving is gemeten aan het vaste kapitaal, bestaat daarin in materiële vorm.’ Om de bewering te staven, dat de productiekrachten niet langer groeien, moet men het begrip ‘productiekrachten’ losmaken van zijn materialistische basis en het een idealistische inhoud geven. Dit is wat bijv. de redacteuren van het Franse tijdschrift La Vérité doen (nr. 551, pp. 2-3); zij identificeren het met de ‘ontwikkeling van het maatschappelijke individu’ en merken niet dat ze op die manier het kapitalisme van de 19de eeuw — dat naar hun mening de productiekrachten en dus ook ‘het maatschappelijk individu’ tot ontplooiing heeft gebracht — achteraf vergoelijken op een manier die onverenigbaar is met Marx’ analyse (zie in dit verband K. Marx, Grundrisse, p. 636 en veel andere plaatsen). Die stelling wordt nog grotesker als men ‘de ontwikkeling van het maatschappelijke individu’ vervangt door de marxistisch juiste formulering ‘materiële mogelijkheid tot de ontwikkeling van het maatschappelijk individu’. Want hoe kan men in ernst loochenen dat de automatisering die mogelijkheden veel sterker verhoogt dan de 19de eeuwse machines?
[62] K. Marx, Fr. Engels, Manifest der Kommunistischen Partei, MEW 4, p. 482. K. Marx, Grundrisse, p. 596.
[63] Idem, p. 593.
[64] K. Marx, Zur Kritik der politischen ökonomie, voorwoord, MEW 13, p. 9.
[65] Dit is des te evidenter, omdat Marx hier niet alleen verwijst naar de ondergang van het kapitalisme, maar ook naar de ondergang van alle klassenmaatschappijen. Het zou beslist niet bij hem opgekomen zijn, de periode die aan de overwinning van de burgerlijke revoluties in de moderne geschiedenis voorafgegaan is (bijv. de overwinning van de Nederlandse revolutie in de 16de, de Engelse revolutie in de 17de, de Amerikaanse en de grote Franse Revolutie in de 18de eeuw) te kenmerken als een fase van stagnatie of achteruitgang van de productiekrachten.
[66] N. Bucharin, Ökonomik der Transformationsperiode, Hamburg 1922, p. 67. In zijn latere werk, Theorie des Historischen Materialismus (Hamburg 1922) aarzelt Boecharin in dit verband tussen drie standpunten. Op p. 283 schrijft hij: ‘De revolutie vindt dus plaats wanneer er een absoluut conflict aanwezig is tussen de groeiende productiekrachten, die geen plaats meer vinden binnen het omhulsel van de productieverhoudingen’ (wij cursiveren). Op p. 290 leest men: ‘Die productieverhoudingen zijn zo’n hinderpaal voor de ontwikkeling van de productiekrachten, dat ze onvoorwaardelijk moeten barsten, wil de maatschappij zich verder ontwikkelen. Als dat niet gebeurt, dan remmen en verstikken ze de ontplooiing van de productiekrachten, en de hele maatschappij stagneert of gaat achteruit.’ Maar op p. 298 citeert hij zijn vroegere boek Ökonomik der Transformationsperiode, waarin te lezen staat: ‘De wereldschokkende kracht (van de Wereldoorlog) is een tamelijk nauwkeurige index voor de ontwikkelingsgraad van het kapitalisme en een tragische uitdrukking van de volkomen onverenigbaarheid van een verdere groei van de productiekrachten binnen de limieten van de kapitalistische productieverhoudingen’ (wij cursiveren). Waar het eerste en het tweede citaat elkaar niet noodzakelijk tegenspreken (in het tweede citaat gaat het ongetwijfeld over een heel historisch tijdperk, dat in toenemende mate de ontplooiing van de productiekrachten verhindert, wat niet betekent dat ze onmiddellijk, maar slechts uiteindelijk zullen ophouden te groeien), is de tegenspraak tussen het eerste en het derde citaat evident. Lenins standpunt kwam overeen met de combinatie van het eerste en het tweede, maar niet met het derde citaat van Boecharin.
[67] Voor een realistische analyse van de toenmalige ineenstorting van de productiekrachten in Rusland ten tijde van het oorlogscommunisme en de burgeroorlog zie o.a. Leo N. Kritzman, Die heroische Periode der grossen russischen Revolution, Frankfurt 1971, hoofdstuk 9 tot 12.
[68] De toekomstige typologie van socialistische revoluties in de hooggeïndustrialiseerde landen zal waarschijnlijk eerder steunen op de revolutionaire crises in Spanje (1931-1937), Frankrijk (1936), Italië (1948), België (1960-1961), Frankrijk (mei 1968), Italië (herfst 1969-1970) dan op de catastrofale crises na de Eerste Wereldoorlog.
[69] Zie bijv. Trotski’s beschrijving van de daling van de productiekrachten in Engeland in zijn rapport voor het derde congres van de Communistische Internationale: ‘Engeland is verarmd. De arbeidsproductiviteit is gedaald. In vergelijking met de laatste jaren vóór de Wereldoorlog is de internationale handel in 1920 met minstens een derde en in een aantal belangrijke nijverheidstakken nog meer gedaald.(...) In 1913 bracht de Engelse kolenindustrie 287 miljoen ton kolen voort. In 1920 echter 233 miljoen ton kolen, d.w.z. aanzienlijk minder. Aan gietijzer werd er in 1913 73 miljoen ton geproduceerd, in 1920 iets meer dan 8 miljoen ton, d.w.z. opnieuw aanzienlijk minder’ (Leo Trotski, Die neue Etappe, Verlag der Kommunistischen Internationale, Hamburg 1921, p. 19).
[70] Trotski, p. 32 e.v.
[71] Hetzelfde geldt voor Trotski’s uitspraak in het in 1938 opgestelde overgangsprogramma van de Vierde Internationale: ‘De productiekrachten der mensheid groeien niet meer.’ Trotski voegde daaraan toe: ‘Nieuwe uitvindingen en verbeteringen kunnen het niveau van de materiële rijkdom al niet meer verhogen.’ Het zou niet in zijn hoofd opgekomen zijn, de groei van de productiekrachten ook dan te loochenen als — zoals in de laatste 20 jaar — ‘nieuwe uitvindingen en verbeteringen’ klaarblijkelijk het niveau van de materiële rijkdom verhoogd hebben.
[72] Zie o.a. de opstellen van Rudolf Hilferding en Karl Kautsky in het sociaaldemocratische tijdschrift Die Gesellschaft, eerste jaargang, nr. 1, april 1924.
[73] Trotsky, The Third International after Lenin, New York 1970, pp. 64-65.
[74] In dit verband is het voldoende om generaal De Gaulle te citeren over de rol, die Maurice Thorez en de leiding van de Franse CP na de septemberdagen van 1944 hebben gespeeld (Mémoires de guerre, deel 3, Parijs 1959, p. 118 e.v.).
[75] Karl Marx, Grundrisse, p. 231.