Ernest Mandel

Liebman en het leninisme


Geschreven: 1975
Bron: Socialist Register, 1975
Vertaling: Valeer Vantyghem
Oorspronkelijke titel: Liebman and Leninism
HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, september 2008

Laatste bewerking: 29 september 2008


Zie ook:
Marcel Liebman is niet meer
Lenin en het probleem van het proletarisch klassenbewustzijn
Wat te doen?
De linkse stroming, een kinderziekte van het communisme
De ‘bedrijfsrisico’s’ van macht

Het Leninisme onder Lenin [1] is een ernstig en nuttig werk geworden. Op basis van gedegen documentatie en van een indrukwekkende hoeveelheid feiten en citaten sloopt en ondergraaft hij een dubbele mythe — de mythe van een Lenin als gewetenloze politicus, belust op macht, de legitieme grondlegger van de dictatuur van Stalin, en de mythe als ware Lenin de ‘geniale leider’ geweest, die nooit fouten heeft gemaakt en nooit van mening is veranderd.

De eerste mythe, die de burgerij en de kleine burgerij (met inbegrip van de sociaaldemocratische ideologen) zo dierbaar is en waarbij wordt verwezen naar de misdaden van Stalin, heeft het bolsjewisme en daarmee elke proletarische revolutie in diskrediet gebracht. De tweede mythe, die de bureaucratie nauw aan het hart ligt, dient om het prestige van Lenin te gebruiken als apologie voor de heersers te Moskou en Peking. Beide mythes geven een vertekend beeld, en om die reden — en niet enkel om die reden — belemmeren zij het klassenbewustzijn van het proletariaat en zetten ze een rem op de strijd voor het socialisme. Waar Liebman deze mythes onderuit heeft gehaald heeft hij de historische waarheid een dienst bewezen, en aldus bijgedragen tot de ontvoogding van de arbeidersklasse.

Op de eerste bladzijden van Staat en Revolutie wijst Lenin erop dat bij ‘de grote revolutionairen pogingen worden gedaan hen in onschadelijke afgodbeeldjes te veranderen, hen als het ware heilig te verklaren en hun naam een zekere wijding te verlenen tot “vertroosting” van de onderdrukte klassen en hen daarmee beet te nemen, terwijl hun revolutionaire leer van haar inhoud en haar revolutionaire scherpte wordt ontdaan en wordt gevulgariseerd’. [2]

Dit is voor een groot deel wat het werk van Lenin is overkomen. Uit het Leninisme onder Lenin nu krijgen we het beeld van een levendige en zeer revolutionaire Lenin, niet koud en niet zonder gevoelens —, een Lenin die soms aarzelt, fouten maakt, zijn weg zoekt, die gebruik maakt van een theorie die geen uitgemaakt antwoord geeft op alle vragen, dus iemand die te midden van onverwachte gebeurtenissen handelt, begeesterd met een ijzeren wil om zijn klasse daadwerkelijk naar de overwinning te leiden. Deze Lenin is complexer en tegenstrijdiger dan de boosaardige duivel die hij voor sommigen is, of de feilloze profeet die anderen van hem hebben gemaakt. Hij staat dichter bij wie hij werkelijk was, en ook, en het dient gezegd, is ook veel meer mens, en dus veel aantrekkelijker dan al die legendarische figuren die ons zo vaak als surrogaat worden opgediend.

Binnen dit bestek kunnen we niet alle punten aanhalen waar Liebman poogt de waarheid te achterhalen. Hij heeft zijn bronnen heel nauwgezet onderzocht en in zijn studie heeft hij gebruik gemaakt van een klaar en welomschreven inzicht in de geschiedenis, rekening houdend met de sociale en economische context, evenals met de politieke en ideologische achtergrond van de betrokken personen. Hierbij hanteert hij, om de geschiedenis te verklaren, dit fijne werktuig dat de theorie van de klassenstrijd is. En doorgaans heeft hij deze taak met succes volbracht.

Maar er is echter meer. Dit was niet de enige opdracht die Liebman zich heeft gesteld bij het schrijven van het Leninisme onder Lenin. Net als ieder marxistische historicus die zichzelf respecteert, poogde hij de echte wisselwerking tussen belangrijke feiten te ontrafelen, evenals de legenden en vervalsingen te ontmaskeren. Hij probeerde eveneens zaken en gebeurtenissen te verklaren zonder dat hierbij geschiedenis en theoretische opvattingen elkaar gingen beïnvloeden. Dit is mee dan nodig voor al wie vanuit marxistisch standpunt het leninisme wil behandelen.

Onbeantwoorde vragen

Is Lenins organisatietheorie verantwoordelijk (of deelt ze de verantwoordelijkheid) voor nieuwe vormen van onteigening van het proletariaat? Wilde Lenin de macht in handen van het proletariaat dan wel van de partij? Was er aan Lenin — doch enkel tijdens de revolutionaire periode — een ‘libertaire’ keerzijde, die botste met een anderdeel van zijn theorie die jakobijns was? Of was hij regelrecht autoritair? Draagt Lenin zoniet de verantwoordelijkheid, dan toch een zekere mate van verantwoordelijkheid voor de bureaucratische degeneratie van partij en staat? Stond deze degeneratie hoe dan niet onvermijdelijk ‘gebeiteld’ in de objectieve elementen die begin de jaren ‘20 eigen waren aan de Russische samenleving? Het proletariaat was toen immers op de teruggang, zowel economisch, in aantal, als sociaal? Kon dit proletariaat dan wel de macht blijven uitoefenen, ook in het geval wanneer in het Westen de revolutie niet snel overwinningen boekte? Had de overwinning van de proletarische revolutie — laten we zeggen in Duitsland — objectief gezien een kans op slagen? Was het voor de Communistische Internationale dan wel mogelijk om binnen het Westerse en Oosterse proletariaat de leidende kracht te worden? Heeft het leninisme uiteindelijk het proletariaat politiek versterkt of verzwakt? Was in het licht van al die factoren, was de socialistische revolutie van oktober 1917, als een proletarische socialistische revolutie, een realistische onderneming? Of werd Lenin plots meegezogen door de ‘trotskistische’ zonde? En zo gedoemd om op een staat en een samenleving uit te komen die haaks stond op wat hij wilde, zoals de mensjewieken, toen voortdurend hebben beweerd, en zoals talrijke neo- mensjewieken (die soms op de meest onverwachte terreinen opduiken) vandaag nog steeds blijven herhalen?

Al deze vragen worden door Liebman naar voor geschoven,expliciet of verscholen in de opeenvolgende hoofdstukken van zijn boek. Het minste wat we kunnen zeggen is, dat we geen duidelijk antwoord krijgen. Meestal geeft Liebman zelfs helemaal geen antwoord. Hierbij is er een opvallende gelijkenis met de magistrale Trotski biografie van Isaac Deutscher. Immers, de auteur beschouwt zichzelf ergens als een leerling en tevens als de erfgenaam van Deutscher. Beide, Deutscher en Liebman zijn excellente historici, beide struikelen ze als ze te maken krijgen met theoretische problemen van doorslaggevende aard. De reden waarom de analyse van Liebman tekort schiet, om niet zeggen mislukt is, berust in de grond op het volgende: hij deinst ervoor terug om in theoretische kwesties tot een eenheid van feiten te komen, die, hoewel in schijn tegenstrijdig, de verschillende aspecten vormen van één geheel. En zo benadrukt Liebman op het einde van zijn boek de uitstekende dialectische kwaliteit van het denken van Lenin. Natuurlijk heeft hij hierin gelijk, doch er dient aan toegevoegd, (en dit enkel om nog meer te bevestigen wat hij stelt) dat deze kwaliteiten niet waren verworven tijdens zijn jeugdjaren, maar progressief tot stand zijn gekomen in een ononderbroken proces.

Toch lijkt Liebman een nogal simplistische opvatting te hebben over wat dialectiek dan wel is. In feite reduceert hij dit tot de eenheid van elkaar tegengestelde conflicten en het overstijgen ervan. Derhalve beoordeelt hij Lenins organisatietheorie als volgt: ‘Wanneer de ‘eerste periode’ van dialectische tegenstelling kan gevonden worden in het grote debat van de aanhangers van structuur waarbij de nadruk werd gelegd op de spontaneïteit, een luxemburgisme op de spits gedreven, gelijk aan het pure geloof in de zelfontvoogding van de massa’s — een standpunt waar Rosa Luxemburg zelf ook nooit heeft achter gestaan —, dan is de ‘tweede periode’ die van het zuivere elitaire concept van de Partij, beter belichaamd door het blanquisme dan door de eerste visie van het leninisme. En moet de ‘derde periode’ dan niet gezocht worden in het Bolsjewistische Partij zoals die zich heeft ontwikkeld tijdens de opgaande fase van de revolutie van 1917, voor en na Oktober? Toen zag er een partij het daglicht die leek als een synthese waarin eigenschappen waren samengevoegd, er was een wisselwerking tussen de oorspronkelijke Bolsjewistische Partij — met haar discipline, haar neiging tot samenhang, een tendens naar centralisme, een zorg voor efficiëntie — en de karakteristieken eigen aan grote volksbewegingen, die alle vormen van organisatie uitdagen, de instructies van bovenaf in vraag stellen, en zelfs de prognoses van de meest revolutionairen onder alle strategen onderuit halen? [3]

Wat is er nu verkeerd aan deze ‘synthese’? Dat ze teveel wil zeggen en te weinig verklaart. Deze ‘karakteristieken’ eigen aan elke grote volksbeweging waren niet enkel kenmerkend voor de Russische Revolutie, maar ook van de Duitse en Spaanse, om er maar enkele te noemen. Waarom waren deze revoluties niet succesvol? Waren deze ‘kenmerken’ eigen aan de Russische revolutie, toch een voorafgaande voorwaarde voor de overwinning van de Russische Revolutie? Opdat deze kenmerken zouden kunnen overgaan tot een ‘hogere fase’ moeten ze echter eerst voorhanden zijn. Had Lenin in het debat van 1903-1904, dan toch gelijk tegen de mensjewieken en Rosa Luxemburg? Zo ja, waarom beschuldigen de mensjewieken hem dan van blanquisme? En als die beschuldiging dan eens juist ware geweest, gezien het ‘extreme sektarisme’ van Lenin tussen 1908-1912 — dat wil zeggen dat hij het verkeerd voor had toen hij die ‘kenmerken’ aan het bolsjewisme opdrong? Maar was het feit dat hij in 1903 fout was geweest, of zelfs in 1904, niet een noodzakelijke voorwaarde geweest om het in 1917 aan het juiste eind te hebben, met andere woorden, een voorwaarde voor de overwinning van de revolutie? Het staat vast dat deze ‘dialectiek’ van Liebman meer verduistert dan opklaart.

In feite, zoals Marx in zijn kritiek op Ricardo opmerkte, en zoals Hegel eerder had benadrukt, wordt het denken pas echt dialectisch, wanneer het ons leert de tussenschakels te ontdekken die de tegenstellingen verbinden, in plaats van die naast elkaar de plaatsen en die te ‘overstijgen’ krachtens het feit dat ze naast elkaar geplaatst zijn. De zwakte in de analyse van Liebman is dat deze tussenliggende verbanden ontbreken. Wanneer hij het leninisme wil uitklaren, evenals de processen waar de Russische revolutie eerst in opging en vervolgens degenereerde. Enkel deze tussenliggende verbanden maken een coherente interpretatie mogelijk want anders krijgen we te maken met een toevallige mozaïek van ‘tegenstrijdige factoren’. Wanneer deze tussenliggende verbanden gevonden zijn, ‘de eenheid van de tegenstellingen’, hun onderlinge conflict en hun hogere fase, houden ze op een onderwerp van waarneming te zijn — ze worden begrijpbaar, omdat ze overeenstemmen met de interne logica van het geheel dat wordt onderzocht.

Waarom is Lenin overgestapt van de ‘democratisch dictatuur van het proletariaat en de boeren’ naar de Aprilstellingen, met andere woorden naar de theorie van de permanente revolutie?

Wat ik tot nu toe gezegd heb zal ik toelichten met vier voorbeelden. Ze houden verband met de vier belangrijkste aspecten van het ‘probleem’ van het leninisme, en met de vier essentiële vragen die Liebman opwerpt.

Liebman merkt terecht op dat in de strategie van Lenin: ‘de tactiek van de sociaaldemocratie , in tegenstelling tot de mensjewieken en Trotski, gericht was op het doorvoeren van een burgerlijke democratische revolutie, tegen de burgerij, door middel van een revolutionair bondgenootschap tussen het proletariaat en de boeren, die moest leiden tot een burgerlijke democratie, dat betekent een burgerlijke staat en een kapitalistisch economisch stelsel. [4] Het is echter verkeerd als we veronderstellen dat het idee van een burgerlijke revolutie tegen de burgerij, vanuit marxistisch standpunt enigszins verrassend kan lijken. Engels had in feite op precies dezelfde manier de overwinning van de Franse Revolutie van 1789 verklaard. De revolutionaire dictatuur van de jakobijnse kleine burgerij tegen de grote burgerij was noodzakelijk geweest om de burgerlijke democratische revolutie tot een goed einde te brengen. Lenin verwijst expliciet naar dit historisch precedent.

Maar wat is de ‘sleutel’, de tussenschakel in dit argument van Lenin? Ten eerste, op het platteland is de kleine burgerij niet in staat een onafhankelijke politieke kracht op de bouwen die als dusdanig met de partij van het proletariaat een bondgenootschap kan aangaan. Het is deze, en deze factor alleen, die, politiek gezien het behoud van de democratie als burgerlijk heeft gedicteerd. Ten tweede, de agrarische revolutie zou leiden tot het ontstaan van een modern kapitalisme, zowel op het platteland als in de stad, net zoals er ruimte was op de wereldmarkt voor een Russische grootschalige kapitalistische industrie in volle expansie die dezelfde weg zou inslaan als in Groot-Brittannië, België, Frankrijk en Duitsland.

Eigenlijk had Lenin, tot op de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, gedacht aan een kapitalisme dat zou gebaseerd zijn op een model dat ergens lag tussen het Pruisische landbouwkapitalisme (met het grootgrondbezit), en het ‘Amerikaanse’ landbouwkapitalisme (met als basis kleine en middelgrote eigenaars). Enkel het tweede model had een interne markt kunnen scheppen die groot genoeg ware geweest om de kapitalistische economie structureel te laten groeien. Wanneer we deze tussenschakels in Lenins analyse voor ogen houden dan lijken de Aprilstellingen niet langer een geniale zet. Ze zijn niet langer het gevolg van de ‘druk’ van de massa’s, of van de gebeurtenissen, maar de vrucht van een gewijzigde analyse. En dit ligt in de lijn van de evolutie van het denken van Lenin in zijn geheel. Daarnaast had Lenin zich verdiept in de studie van het imperialisme. Hij was tot het besluit gekomen dat de wereldeconomie het stadium het monopoliekapitalisme had bereikt. Zo was het kapitalisme in Rusland gedoemd om blijvend onderworpen te zijn aan het financiële kapitaal. Het kon niet geklemd blijven, verminkt en onderontwikkeld, zitten binnen een reactionaire en barbaarse staat. Vervolgens had Lenin de rol bestudeerd in alle moderne revoluties van de boeren. Hij was tot het besluit gekomen dat er nooit echt onafhankelijke boerenpartijen waren geweest. Ze waren altijd het lot beschoren gebleven om onder de leiding te blijven staan van een van de belangrijkste klassen uit de steden. ‘We weten uit eigen ervaring — en revoluties van over de hele wereld in de moderne tijd bevestigen dit, en al sinds honderd vijftig jaar, dat de resultaten altijd dezelfde zijn geweest. Overal hebben de kleinburgerlijke partijen, in het algemeen, gefaald, in al hun pogingen om aan kracht te winnen, en om de politiek en de economie direct naar hun hand te zetten’. [5]

Terloops gezegd zijnde, dat deze ‘dialectische synthese’ noodzakelijk doorheen tussenschakels verloopt (de aard van de staat waartoe het bondgenootschap van arbeiders en boeren leidt, de aard van de partij die de revolutie leidt) werd door Mao Zedong niet begrepen. In zijn artikel over de Nieuwe Democratie, geschreven in januari 1946, deed hij zijn best om een ‘nieuwe democratische staat’ uit te stippelen, die niet burgerlijk noch proletarisch was, die de ‘gezamenlijke dictatuur van verschillende klassen’ omvatte. [6] In de praktijk had deze stelling geen invloed op het verloop van de Chinese revolutie. Toch had dit als gevolg dat de ongelukkig Aidit de burgerlijke republiek van Soekarno, met zijn burgerlijke staat en zijn burgerlijk leger, als de incarnatie zag van de ‘nieuwe democratie’ zoals de ‘gedachte’ van Mao Zedong het voorschreef. Deze rampzalige illusie was niet meer dan een ‘lege doos’, zoals Lenin het ooit formuleerde. Het kostte hem het leven evenals vijfhonderdduizend Indonesische communisten. Het ware beter geweest dat hij toen had begrepen, en dit voor eens en altijd, welke de bocht was die Lenin in 1917 had genomen en welke de diepere theoretische betekenis van deze bocht toen was.

Eenmaal in de analyse beide tussenschakels zijn aangepast wordt het makkelijker om tot een besluit te komen. Om te overwinnen mocht de Russische revolutie niet verder evolueren binnen het kader van een bondgenootschap tussen een arbeiderspartij en een boerenpartij. Het diende een revolutie te worden van het proletariaat dat de macht in handen nam. Bij het veroveren van de macht moest het proletariaat een beroep doen op de arme boeren. De middelgrote boeren moest het uitschakelen. De macht in handen van het proletariaat, dat betekende de dictatuur van het proletariaat en de proletarische sovjetdemocratie, niet langer de burgerlijke democratie. Het volbrengen van de burgerlijke democratische en de socialistische taken bleken in de Russische revolutie onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Onmogelijk kon een geavanceerd, liberaal, democratisch kapitalisme in Rusland gestalte krijgen. Ofwel zou een revolutionaire overwinning van het proletariaat doorheen een revolutie in Rusland de weg inslaan naar het socialisme, hierbij geholpen door een internationale revolutie, ofwel zou de contrarevolutie triomferen. Dit laatste zou onderontwikkeling en achterstand tot gevolg hebben, en er zou geen plaats meer zijn voor een agrarische revolutie. De industrie zou niets anders zijn dan een laagje vernis, kon niets anders zijn dan een samenloop van nationale en internationale krachten.

De overgang door Lenin gemaakt van de eerste naar de tweede ‘strategie’ was dus niet het gevolg van welke ‘synthese’ dan ook tussen ‘tegenstrijdige elementen’. Hij had zijn analyse aangepast. Dit bewijst dat de tussenschakels van doorslaggevende aard geweest waren. En dit is volop bewezen in het licht van de geschiedenis sinds 1914.

De voorhoedepartij en de arbeidersklasse, een andere tussenschakel

Iets soortgelijks vinden we terug wanneer we de ‘evolutie’ proberen te begrijpen in Lenins opvatting over de partij. Liebman volgt hierbij de kritiek van Plechanov, Axelrod, Trotski en Rosa Luxemburg uit 1903-1904. Hij maakt hierbij de fout de centralisatie, zoals die door Lenin naar voor was geschoven, te zien in functie van de ‘clandestiniteit’ en de politierepressie die toen in Rusland heerste. [7]

Wat hij vooral niet ziet is dat de wortels van de organisatietheorie van Lenin niet in Rusland lagen maar in Duitsland, meer bepaald in Oostenrijks Duitsland. Ze gingen terug op het Heinfeld programma van de Oostenrijkse Sociaal Democratische Partij, op Victor Adler en Kautsky hemzelf. Ongetwijfeld heeft een artikel van Kautsky uit Die Neue Zeit kort voor Lenin Wat te doen? had geschreven op de Russische leider een grote invloed gehad.

De centralisatie zoals door Lenin bepleit was in essentie politiek en niet organisatorisch en aldus heeft Liebman de diepe politieke betekenis ervan verkeerd begrepen. De spontane activiteit van de massa’s draait altijd rond acute problemen. In normale tijden hebben deze acute problemen te maken met aspecten van de sociaaleconomische en politieke situatie. Er is geen direct gevaar voor het kapitalistische regime (‘dadelijke behoeften’) als dusdanig. Bovendien moeten deze spontane acties altijd onvermijdelijk gefragmenteerd blijven. Ze worden bepaald door het soort werk, de tak van de industrie, de stad of de wijk. De massa’s worden zich bewust door hun ervaringen in die strijd. Gefragmenteerde actie kan slechts leiden tot gefragmenteerd bewustzijn. Het doel van de politieke centralisatie is dus het scheppen van de mogelijkheid om die verspreide en gefragmenteerde ervaringen van de werkers te laten samenvloeien en te integreren. Zo kan men komen tot een totale ervaring, en zo alleen kunnen de bewuste groepen van de werkende klasse een klassenbewustzijn verwerven in de diepste betekenis van het woord. Het is dus niet de kwestie dat men de spontaneïteit wil verstikken, maar wel dat spontane activiteit één wordt gemaakt binnen een totale revolutionaire strijd.

Waar de directe, elementaire en spontane activiteit van de arbeiders onvermijdelijk gekenmerkt wordt door versnippering (waarvan het ‘economische’ slechts één aspect is) heeft dat als resultaat een versnipperd bewustzijn (‘syndicaal bewustzijn’, zoals Lenin het stelde), maar dit geldt alleen in normale tijden. Een revolutionaire periode wordt juist gekenmerkt door collectieve acties tegen het regime wat nu het onmiddellijke doel wordt van de massa’s. In die omstandigheden kan hun bewustzijn, gevoed door de ervaring van deze stormachtige collectieve acties, snel een klassenbewustzijn worden en een heel hoog gehalte krijgen. Wanneer we deze ‘tussenschakel’ begrijpen, dan beseffen we dat er niet echt een tegenstelling bestaat tussen wat Lenin vooropstelde in Wat te doen? en dat de arbeiders spontaan enkel tot een syndicaal bewustzijn komen, en zijn verbazende uitspraak tijdens de revolutie van 1905 dat de arbeiders spontaan sociaaldemocratisch zijn (dat wil zeggen antikapitalistisch). Dit zijn slechts twee aspecten van hetzelfde geheel. Dit kunnen we pas begrijpen als we rekening houden met deze ‘tussenschakel’.

Het was dus enkel de vorm van de centralisatie van de partij, bepleit door Lenin in 1902, die werd beïnvloed door de ‘clandestiniteit’, door het tsarendom. [8] De inhoud is politiek en nauw verbonden met het probleem van de vorming van het klassenbewustzijn. Eigenlijk is het leninisme in zijn geheel voor een groot deel een poging om een oplossing te vinden voor de ‘paradox van het marxisme’ door Marx en Engels onbeantwoord gelaten: hoe kan, onder voorwaarden die het kapitalisme heeft opgelegd, en onder de ideologische hegemonie van de burgerij, het klassenbewustzijn van het proletariaat vorm krijgen, zich ontwikkelen en voltooid worden, en dit in concrete omstandigheden?

Het concept van een voorhoedepartij stemt dan overeen met een materialistische analyse van de structuur van de arbeidersklasse in de loop die de strijdbewegingen hebben gevolgd. Het moderne proletariaat is noch homogeen in haar oorsprong noch in haar taken, noch in haar bezoldiging (levensstandaard), noch in de mate dat zij wordt gekenmerkt door de burgerlijke ideologie. Deze stratificatie kan niet anders dan een invloed hebben op de snelheid waarop en de vorm waarin het bewustzijn zich ontwikkelt. Evenmin verloopt de arbeidersstrijd, de essentiële bron van het klassenbewustzijn, op een lineaire manier. Het kent ups en downs (ten minste als het gaat om een strijd van een bepaalde omvang). Het cyclische karakter van deze strijd kan empirisch nagegaan worden, maar de marxisten hebben het nog niet voldoende bestudeerd.

Hieruit volgt dus dat de acties van het proletariaat, en vooral de politieke acties, een cyclisch karakter zullen hebben. Dit is zelfs een van de belangrijkste conclusies die kunnen getrokken worden uit het boek van Liebman waar hij het Russische proletariaat beschrijft in de periode tussen de stichting van de Russische Sociaal Democratische Arbeiderspartij en de dood van Lenin.

Bijgevolg zal een partij die gebaseerd is op eenvoudig ‘papieren’ lidmaatschap waar men enkel een bijdrage betaalt, (het enige alternatief voor het leninistische model) een partij van passieve leden blijven. Allen die ervaring hebben gehad met ‘massapartijen’ van dat soort weten dat de leden gemakkelijk worden gemanipuleerd en dat die partijen vlugger gebureaucratiseerd raken. In voorhoedeorganisaties met een actief engagement van de leden en een strenge ideologische selectie, is de kloof tussen de ‘leiders’ en het ‘voetvolk’ veel kleiner . Zo worden de voorwaarden geschapen voor een gelijkheid, die niet enkel formeel is, maar ook bindend voor alle leden van de partij. Een grotere interne democratie wordt dan mogelijk. Het besluit ligt voor de hand dat het leninistische organisatievorm in de grond democratischer is en beter bestand tegen bureaucratische praktijken of demagogie dan sociaaldemocratische of anarchistische — wat natuurlijk niet betekent dat men algeheel immuun is voor dergelijke praktijken. Wordt door de historische ervaring deze onverwachte conclusie niet bevestigd?

De synthese naar boven op is dus wel iets meer ‘geleed’ dan wat Liebman hiervan heeft gemaakt. Juist dit is het proletarisch klassenbewustzijn op het hoogste niveau, dat wil zeggen een marxistische theorie die alle ervaringen van twee eeuwen klassenstrijd integreert. In normale tijden kan dit enkel binnen een minderheidsvoorhoede gedaante krijgen. Anders zou men het dagelijkse leven van de werkende klasse wel op een overdreven manier idealiseren en de werkelijkheid van het kapitalisme onderschatten die hiervan de oorzaak is. De voorhoedepartij wordt essentieel om de brede massa te helpen in haar collectieve strijd voor ontvoogding. Maar die voorhoede kan enkel in een revolutionaire crisis de leiding nemen. Pas nu staat de massa open voor het revolutionaire klassenbewustzijn. Het grootste deel van hen kan dan toetreden tot de voorhoedepartij.

Maar dat gebeurt niet langer automatisch en onder dezelfde omstandigheden als voor de crisis. De kaders van de voorhoedepartij moeten op voorhand onder de arbeiders aanwezig zijn. Enkel dit maakt van de partij de potentiële leiding van de klasse. Het vereist een juiste strategie en tactiek, een politiek die de meerderheid van de arbeiders kan overtuigen. Het vereist een traditie van politieke initiatieven en acties die de massa’s voorbereiden op een revolutionaire aanval en die de voorhoedepartij geloofwaardig maakt als mogelijke leiding van het proletariaat. En nu kunnen we begrijpen waarom de ‘karakteristieken van het bolsjewisme’ in staat waren om in 1917 op te gaan in het spontane revolutionaire enthousiasme van de Russische massa’s. Alle elementen van de analyse die een onderdeel vormen van het leninistische concept van de partij waren reeds in de praktijk gebracht. Zij waren immers de tussenschakels. Zonder deze schakels zou dit concept nooit aan de basis hebben gelegen van een partij die het Russische proletariaat tot overwinning heeft geleid, maar zou een machteloze sekte hebben opgeleverd.

Om het nog duidelijker te stellen zullen we een andere ‘tussenschakel’ ter hand nemen die eveneens aan de basis lag van de theoretische fundering van de partij. De stratificatie van het proletariaat is niet enkel ‘sociologisch’ maar ook intellectueel, moreel en politiek. In de fabrieken en kantoren zijn de arbeiders en bedienden die een voorhoede vormen de vrucht van een ‘proces van natuurlijke selectie’. Zij waren het die de eersten waren om het gevecht aan te gaan en die wisten wanneer een overwinning haalbaar was. Zij waren het best in staat om ‘mensen te leiden’, en de bezielers van stakingen en betogingen. Hun ideologische evolutie weerspiegelt het geheel van contradictorische omstandigheden waarbinnen het klassenbewustzijn van het proletariaat vorm krijgt. Soms moeten ze hun acties beperken tot de onderneming waar ze tewerkgesteld zijn. Op andere momenten wordt hun zicht op de klassenstrijd breder en ruimer (nationaal en internationaal). Politiek gezien wordt hun visie soms duister, op andere tijdstippen heel helder. De opbouw van de voorhoedepartij van de arbeidersklasse betekent in feite dat het programma met de kaders wordt gefusioneerd, met een bepaalde laag van de arbeidersklasse. En het was hier dat Lenin zijn grootste successen heeft geboekt, vooral tussen 1905-1907 en 1912-1914. Het was dankzij deze successen dat de bolsjewistische arbeiders in de fabrieken zo vroeg al in de revolutie van 1917 leiding konden geven. Dit was de reden waarom Lenin zijn Aprilstellingen zo gemakkelijk aanvaard kreeg, ondanks de weerstand van de ‘oude bolsjewieken’: ze waren in feite niets anders dan de duidelijke formulering van wat deze bolsjewistische arbeiders sinds de Februari revolutie hadden verlangd. En het was omdat in 1922-23 deze ‘tussenschakel’ verdwenen was, dat Lenins strijd tegen Stalin en de bureaucratie eindigde op een nederlaag. [9]

Was de wereldrevolutie onmogelijk of had die enkel vertraging opgelopen?

Liebman toont duidelijk aan [10] hoe vreemd het idee van ‘socialisme in één land’ aan Lenin was, en dat is niet de minste verdienste van zijn boek. Hij laat ook zien dat de geboorte van de Communistische Internationale niet het gevolg was van de ‘droom van de wereldrevolutie’, als gekoesterd door enkele romantische Russische leiders, de gevangenen van hun eigen revolutionaire projecten. Integendeel het weerspiegelde de diepe politieke differentiatie sinds 1914 aanwezig binnen de arbeidersbeweging (en embryonaal al was sinds 1905-1906) binnen de arbeidersklasse van over heel de wereld. Maar dan begint Liebman plots aan een analyse die niet meer is dan het naast elkaar plaatsen van tegenstrijdige elementen. Gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan tussen 1917 en 1923. Hij slaagt niet in een echt duidelijke uitleg voor wat er gebeurd is. Sterker nog, hij concludeert dat de ‘russificatie’ van de Communistische Internationale het gevolg was van het ‘isolement van de Russische revolutie. Deze ‘russificatie’ was dan op haar beurt de oorzaak van het mislukken van de wereldrevolutie. Het leninisme had hierbij niets anders kunnen doen dan bij te sturen en het ‘schaakmat te houden’ (door middel van ‘internationale waakzaamheid’) en wachten op een gebeurtenis die deze russificatie echt halt had kunnen toeroepen. Dit betekent dat er een einde had moeten komen aan het isolement van de revolutie in Rusland. De revolutie moest dan een expansie kennen, wat in de grond de echte reden was voor het bestaan van de Communistische Internationale.[11] Hierbij laat hij na een antwoord te geven op deze essentiële vraag: waarom kende de revolutie dan geen expansie?

Op die vraag waren twee verschillende antwoorden mogelijk geweest. Een in 1917, enkel geformuleerd door de sociaaldemocraten, maar vanaf 1920-21 overgenomen door vrijwel alle strekkingen binnen de arbeidersbeweging, afgezien van het leninisme stelde dat de notie van een ‘wereldrevolutie’, voorspeld op het einde van de Eerste Wereldoorlog, objectief niet realistisch was, en daarom een utopie. De meer ernstige en ‘marxistische’ variant van dit antwoord luidde dat de objectieve voorwaarden voor de socialistische revolutie nog niet rijp waren. Het kapitalisme beschikte nog over reserves, middelen en mogelijkheden tot expansie op wereldvlak. Slechts een wereldwijde ineenstorting van het kapitalisme kon de voorwaarden scheppen nodig voor de zegevierende revolutie van het wereldproletariaat. De internationale arbeidersklasse had echter nog lang niet de mate van organisatie, noch de cultuur en de technische ervaring om de leiding van de samenleving over te nemen, enz.

Het andere antwoord, in 1920-21 naar voor geschoven door de leiders van de Communistische Internationale, met Lenin en Trotski voorop, en later verbeterd door Trotski en de Vierde Internationale. Men stelde dat het tijdperk, geopend door de Eerste Wereldoorlog, gekenmerkt door het historisch verval van het kapitalisme, dat zo de internationale socialistische revolutie objectief mogelijk en noodzakelijk was geworden. Doch, na 1914 was deze situatie niet als dusdanig permanent aanwezig op elk continent en in elk land, maar kon het zich voordoen op gezette tijden in een of ander land. Volgens deze opvatting stond de socialistische revolutie ‘op de agenda’ in het Westen (en het Oosten) sinds 1914 in dezelfde zin als de revolutie op de agenda had gestaan in tsaristisch Rusland sinds het einde van de 19de eeuw — dit wil zeggen potentieel en periodiek. Maar het was precies deze perceptie op de schaal van Europa en de wereld van ‘de actualiteit van de revolutie’ (de basis van alle politieke opvattingen van Lenin) waarop de oprichting van de Communistische Internationale steunde en die de theoretische rechtvaardiging ervan vormde. Zonder het uitzicht op een revolutie, en zo men had afgezien van het voortdurend en vastberaden voorbereiden van de massa’s voor wanneer het zover was, dan ware de oprichting van de communistische partijen en de Communistische Internationale een niet te rechtvaardigen avontuur geweest.

‘Wij (de revolutionaire marxisten) worden nu geconfronteerd met de volgende alternatieve keuze’, schreef Lenin in 1915, ‘ofwel zijn we er echt en waarachtig van overtuigd dat de oorlog in Europa een revolutionaire situatie heeft geschapen, en dat alle economische en sociaal politieke omstandigheden van de imperialistische periode leiden tot een proletarische revolutie — in dit geval hebben we de plicht om aan de massa’s de noodzaak van een revolutie uit te leggen, ervoor op te roepen, de nodige organisaties op te bouwen, en om onbevreesd en zo concreet als mogelijk uit te spreken over de verschillende methodes van de gewelddadige strijd en de ‘techniek’. Deze plicht van ons hangt niet af van de vraag of de revolutie sterk genoeg zal zijn, of dat die er zal komen na een eerste of tweede imperialistische oorlog, enz. Anders zijn we er niet van overtuigd dat de toestand revolutionair is en dan is het zinloos om te spreken over een oorlog tegen de oorlog. In dit geval zijn we in feite nationale, liberaal- socialistische politici van het soort van een Südekum, Plechanov en Kautsky’.[12]

Bij een analyse als deze kan men natuurlijk niet passief wachten op de revolutie, maar moeten er partijen worden opgebouwd die voortdurend werken aan de voorbereiding en die daadwerkelijk bijdragen tot de revolutie en zo de kansen op succes verhogen. Het was met dit doel voor ogen dat de Communistische Internationale werd gesticht. Het verschil met het stalinisme dat zich beperkte tot ‘het verdedigen van het Sovjet bastion’ (socialisme in één land) en het leninisme is niet kwantitatief (tussen een kleine en een grote terugtocht), maar kwalitatief. Geduldig en gestaag werken ten gunste van de socialistische revolutie, ongeacht de onmiddellijke resultaten (niet proberen die op een kunstmatige manier ‘uit te lokken’, of die te ‘exporteren’ — dergelijke onzin is nooit bepleit door Lenin en Trotski); iedere reële kans aangrijpen die zich aandient om de komst van de revolutie te bevorderen evenals haar zege, dit was het leninisme op internationaal vlak. Het kon samengaan met diplomatieke activiteiten van de kant van de Sovjetstaat die gebruik maakte van alle mogelijkheden om de ‘vijandelijke krachten te verdelen’. Het kon nooit betekenen dat de Communistische Internationale en de opbouw van revolutionaire partijen in de wereld ondergeschikt werd gemaakt aan de behoeften (echte, of vaker, denkbeeldige) van de diplomatie. Een radicaal onderscheid maken tussen leninisme en stalinisme, er was wel degelijk een ‘breuk’, doet hier niets ter zake.

In werkelijkheid, zowel vandaag, als in 1914, wordt een marxist als Liebman nog steeds geconfronteerd met een beperkt aantal mogelijkheden. Ofwel (1) kan in het Westen het kapitalisme niet omver geworpen worden (of dat is helemaal niet wenselijk), het kapitalisme is nog te sterk, enz. ; of (2) in het Westen kan het kapitalisme enkel geleidelijk verdwijnen door middel van hervormingen; of (3) het kapitalisme kent op gezette tijden revolutionaire crisissen waardoor het in dergelijke staat komt te verkeren dat het omver kan worden geworpen. Als de derde mogelijkheid nog niet is gerealiseerd is dit om subjectieve redenen. En derhalve zijn ‘scheuringen binnen de arbeidersbeweging’ door het leninisme of het ‘sektarisme’ van het leninisme, of ‘het verstikken van de spontaneïteit van de massa’s door het leninisme’ subjectieve oorzaken van de nederlagen in het Westen geleden door het proletariaat. Maar als dit zo is moeten wij ons afvragen hoe het komt dat het Spaanse proletariaat, gloeiend van spontaneïteit, er niet in geslaagd is om in juli-augustus 1936 de macht over te nemen, op het moment dat zowel de echte leninisten als zij die zich als dusdanig hadden vermomd (de communisten) een verwaarloosbare invloed hadden. Of zou het kunnen dat (4) de vertraging in de komst van de proletarische revolutie in het Westen inderdaad te wijten is aan subjectieve oorzaken, in grote mate, door de vertraging opgelopen in het toepassen van het marxisme-leninisme, door de degeneratie van de Communistische Internationale? De geschiedenis heeft nog haar oordeel niet kunnen uitspreken over de capaciteiten van de revolutionaire marxisten om leninistische partijen op te bouwen die los staan van de Sovjetbureaucratie. Ik vind het vreemd dat Liebman erin slaagt om te erkennen dat geen enkele van deze antwoorden zijn voorkeur wegdragen. Ik betwijfel of hij zou kiezen voor de eerste drie. Maar dat hij weigert om te kiezen voor het vierde. Is dit geen rechtvaardiging om te vermijden dat hij zichzelf moet bloot geven?

De arbeidersstaat en de bureaucratische degeneratie

Kan de verdediging en bescherming van de Sovjet-Unie de reden zijn waarom de communistische partijen een andere rol zijn gaan spelen? Heeft Stalin de belangen van de internationale socialistische revolutie als offer gebracht voor wat goed was voor de Sovjet-Unie? Deze stelling kan aantrekkelijk lijken maar doorstaat geen kritisch onderzoek. Hitler aan de macht, de overwinning van Franco, de nederlaag door de arbeidersklasse toen die in 1936 zo dicht bij de overwinning stond — hoe en waarom zou dat alles de belangen van de Sovjet-Unie hebben gediend? Kregen daardoor haar vijanden niet eerder de kans de kans om in Europa alle economische en militaire middelen bijeen te brengen voor de aanval die in 1941 die de Sovjet-Unie aan de rand van de ondergang heeft gebracht?

Deze gang van zaken verklaren door de kwade genius van één man of door de tekortkomingen van het politieke systeem — laat staan aan de hand van de ‘kiemen van het totalitarisme’, naar verluidt reeds aanwezig in de leninistische opvatting van de partij — is even onverenigbaar met het marxisme als zou de ‘personencultus’ aan de basis liggen van dat alles. Waarmee we hier te maken hebben zijn gebeurtenissen die het lot hebben bepaald van hele klassen en hele volkeren. Derhalve moeten we naar een sociale verklaring zoeken voor deze plotse breuk met zulke zware gevolgen.

Doch de structuur die Liebman aan het tweede deel van zijn boek heeft gegeven (de delen III en IV) maakt een dergelijke verklaring moeilijk, zoniet onmogelijk. Hij begint met het analyseren van de staat, gaat dan over naar de partij, en eindigt met een analyse van de Sovjetsamenleving, voor hij de buitenlandse politiek en de Communistische Internationale aan een onderzoek onderwerpt. Het ware wenselijker geweest en meer in overeenstemming met de marxistische methode om eerst te beginnen met de samenleving en dan dit sociaal verschijnsel in het centrum van de verklaring te plaatsen dat bepalend is geweest in de evolutie die door Liebman werd geanalyseerd: de opgang van de bureaucratie in de Sovjet-Unie. Hij vermeldt dit in het voorbijgaan en verwijst naar de hardnekkige, bijna wanhopige strijd die Lenin tijdens de laatste jaren van zijn leven heeft gevoerd. Evenmin verzuimt hij om te wijzen op de definitie van de Sovjetstaat zoals die al in 1921 door Lenin geformuleerd: een arbeidersstaat met bureaucratische afwijkingen. Maar het belangrijkste hierbij is dat hij het debat afsluit met wat het voornaamste onderwerp had moeten zijn van dit deel van het boek, een verklaring vinden voor wat in de USSR aan het veranderen was en nieuwe vorm kreeg op de vooravond van Lenins dood.

Om het sociaal karakter van dit verschijnsel te onderkennen volstaat het om enkel de geschriften van Lenin te lezen, zonder dat er ook maar rekening wordt gehouden met de analyse van Trotski. De bureaucratie was een samenraapsel (de kapitalistische eigendom was afgeschaft) van hen die van het beheer van staat en economie hun beroep hadden gemaakt, met andere woorden, beheerders die los stonden en gescheiden waren van de grote massa van de producenten. De rol van deze laatste (of van hen die niet langer meer een rol hadden) in het nemen van beslissingen was uitgespeeld. Die bureaucratisch vervormde arbeidersstaat was dus een staat waar het beheer over staat en economie geleidelijk uit de handen van het proletariaat was verdwenen en was overgegaan naar de bureaucratie. Dus een bureaucratisch ontaarde arbeidersstaat, een staat waar de arbeidersklasse institutioneel van de leiding was uitgesloten, waar de bureaucratie over een de facto monopolie beschikte doorheen een reeks instellingen en regels. Gezien de sociaaleconomische context van Rusland (de achterstand van het land, het isolement te midden van de kapitalistische wereld, de onderontwikkelde productiekrachten, het tekort aan consumptiegoederen, de lage levensstandaard, enz.), was het onvermijdelijk dat privileges bij het uitoefenen van de macht en privileges op het gebied van consumptie elkaar moesten versterken en bepalen.

Liebman zou deze definitie niet verwerpen, noch de traditionele marxistische formule weerleggen dat de bureaucratie geen nieuwe klasse is (zeker geen nieuwe burgerij) maar een bevoorrechte laag binnen het proletariaat (of, zo men dat verschrikkelijk barbaarse woord wil gebruiken, een ‘kleinburgerlijke’ groep), wat verklaart dat er ondanks wordt vastgehouden aan het collectief bezit van de productiemiddelen en aan de geplande economie. Ondertussen echter de fundamenten wel ondergraven door een tirannie die los staat van elke sociale controle. De geschiedenis van de Sovjet-Unie valt dan ook sinds de dood van Lenin grotendeels te verklaren aan de hand van dit tegenstrijdig karakter van de bureaucratie.

Echter, in het tweede deel van zijn werk brengt Liebman deze factor slechts half ter sprake. [13], om zo te zeggen, in de marge van zijn analyse, in plaats van die in het middelpunt. Hij geeft wel aan wat in de Sovjet-Unie gebeurd is sinds de opkomst van de bureaucratie doch stelt zich tevreden met een vluchtige vermelding [14] van een ‘toenemende fusie’ tussen het apparaat van de partij en de staat. De hele argumentatie heeft hij omgekeerd als zou een stapsgewijze verzwakking van het proletariaat geleid hebben tot een groeiende politieke passiviteit, wat op haar beurt heeft geleid tot de machtsgreep van de bureaucratie.

Nogmaals, de tussenschakel ontbreekt. Toen in 1920-21 de arbeidersklasse was verzwakt, werd de bureaucratische vervorming van de arbeidersstaat onvermijdelijk, zoals vermeld door Lenin. [15] Maar alles wat erop volgde was niet noodzakelijk het gevolg van het eerste. Hoogstens kan men zeggen dat deze situatie zwanger was aan gevaren — zoals Lenin het bijna onmiddellijk had opgemerkt. Het was niet onvermijdelijk dat het slinkend belang van het proletariaat, in aantal en economisch, moest blijven duren. Numeriek waren de loontrekkers tussen 1922-1923 met 50 procent toegenomen, en het had nog sneller kunnen gaan. Het ware niet onvermijdelijk geweest dat deze aangroei gepaard ging met een aanhoudende werkloosheid.

Het had ook gekund dat het politieke leven opnieuw actief werd. Met andere woorden, dat de ‘bureaucratische misvorming’ een ‘bureaucratische degeneratie’ kon worden, het onvermijdelijk gevolg van de objectieve omstandigheden van het Rusland van de jaren 1920-21. Het was het gevolg van de interactie tussen die omstandigheden en de rol die de subjectieve factoren hebben gespeeld, dit wil zeggen, de leiding van de bolsjewistische partij.

Een correcte tussenkomst van de subjectieve factor had de loop van de gebeurtenissen kunnen wijzigen. Het ware mogelijk geweest om gradueel de tred van de industrialisatie te versnellen en daarmee zou vanaf 1923-24 het aantal arbeiders en de tewerkstelling te laten toenemen — zo de voorstellen van de Linkse Oppositie waren opgevolgd. Dit had kunnen gebeuren ten koste van de Nep-mannen en de koelakken, zonder dat de levensstandaard van de arme boeren werd aangetast, maar integendeel, werd verhoogd. Een dergelijk economisch beleid kon heel goed gecombineerd worden met concrete politieke maatregelen die gericht waren op het heropleven van de zelfstandige activiteiten van het proletariaat en een reële inhoud konden geven aan de sovjetdemocratie. Het staatsapparaat kon zeker gescheiden blijven van de partij, en er kon binnen de rangen een frisse wind waaien afkomstig van de arbeidersklasse en de jeugd. En wanneer zich in een of ander land een revolutionaire situatie voordeed had de Communistische Internationale kunnen vasthouden aan haar rol als promotor van de overwinning van de proletarische revolutie. Een dergelijke reeks maatregelen zou de opkomst van Stalin en het stalinisme hebben verijdeld, evenals de degeneratie van de Sovjet-Unie en het aan de macht komen van Hitler — misschien ware de Tweede Wereldoorlog voorkomen geweest. Alles wat gebeurd is was niet het onvermijdelijke gevolg van de zwakte van het sovjetproletariaat, direct na de burgeroorlog.

Tijdens zijn laatste gevecht voelde Lenin dat deze gevaren aan het opduiken waren. Doch hij had geen enkel middel waarmee hij in die strijd kon overwinnen, een leninistische partij die deze taak had aangekund. Zijn organisatietheorie werd weer eens bevestigd, dit keer in negatieve zin. Zonder een revolutionaire voorhoedepartij, kon het revolutionaire proletariaat geen enkele van haar fundamentele taken volbrengen, de taak inbegrepen, te voorkomen dat haar eigen staat bureaucratisch degenereert.

Waarom was in 1923 de bolsjewistische partij niet langer deze revolutionaire partij? De fusie tussen de partij en het staatsapparaat — de partij die de bijzondere belangen van de bureaucratie gaat beschermen in plaats van de belangen van het hele proletariaat — samen met het verdwijnen van een hele laag gepolitiseerde arbeiders, is hiervoor de primaire sociale verklaring. Maar er dient een subjectieve factor, van kapitaal belang, aan toegevoegd. De bolsjewistische kaders waren opgeleid in een periode en binnen een problematiek waar weinig ruimte was voor ‘de beroepsrisico’s van de macht’, om een treffende uitdrukking van Christian Rakovski te gebruiken. Het probleem van de bureaucratisering van de arbeidersstaat was een nieuw probleem, dat voor de eerste keer in de geschiedenis opdook. Wanneer de arbeidersklasse en haar partijen worden geconfronteerd met historisch nieuwe problemen dan treden er in haar schoot onvermijdelijk differentiaties en hergroeperingen op. Het was de tragedie van de bolsjewistische partij dat in het begin van de jaren 20 slechts een minderheid van haar leiders en kaders het acute gevaar hadden opgemerkt. De grootsheid van de bolsjewistische partij bleek — en dat zegt veel over de merkwaardige leerschool van het marxisme die deze partij wel was — toen de meeste van haar leiders zich uiteindelijk toch bewust werden van wat er fout aan het lopen was, maar het was te laat en het gebeurde in verdeelde slagorde.

Liebman stelt volgende vraag: hebben de maatregelen uit 1920-21 — het verbod van de andere sovjetpartijen (vooral de mensjewieken en de anarchisten) en vervolgens het opheffen van het recht op fractievorming binnen de Bolsjewistische Partij zelf — bijgedragen tot dit proces? Heeft dit geleid tot het volledig smoren van de sovjetdemocratie, en wat neerkomt op hetzelfde, tot het monopolie van de macht in handen van de bureaucratie? Als we met ‘bijdrage’ hier bedoelen ‘tot op zekere hoogte vergemakkelijkt’ dan zou vandaag een overtuigd leninist zich verplicht zien om zonder aarzelen te antwoorden met: ja. Trotski heeft heel zeker de historische conclusie uit deze ervaring getrokken. Hij heeft opgeroepen om het recht te herstellen om meerdere en uiteenlopende sovjetpartijen te vormen. Hij heeft verklaard dat het fractieverbod enkel had geleid tot het verstikken van de sovjetdemocratie. Hij heeft echter die voorstellen in de toekomst geprojecteerd, zonder dat hij zich bereid had getoond om die maatregelen expliciet te veroordelen waartoe hij in 1920-21 zelf had bijgedragen. Echter dit nuanceverschil en de manier waarop hij deze mening op het einde van zijn leven naar voor had gebracht was zo zwak dat het besluit eigenlijk op voorhand vaststaat, toch wat het verbod op fracties betreft. [16]

Maar het is één zaak om te zeggen dat Lenin en Trotski zich in 1920-1921 zich hadden vergist. Het is een andere zaak wanneer men beweert dat deze uitzonderlijke maatregelen (die grotendeels onvermijdelijk waren en waarvan de gevolgen toen onvoorspelbaar waren) de oorzaak waren van een hele reeks feiten die zich later voorgedaan. Want, we herhalen het, ondanks 1920-21 ware in 1923 een politiek herstel veel makkelijker geweest daar de objectieve redenen van ‘ebbe en vloed’ opgehouden hadden te bestaan. In 1920-21 was het proletariaat nog in volle desintegratie — numeriek, economisch en sociaal: in 1923 daarentegen was er een energieke ommekeer opgetreden, en die zou zich hebben doorgezet, indien de partij doelbewust in die richting maatregelen had genomen.

Welke was nu uiteindelijk de fout die in 1920-21 door de bolsjewistische leiders was begaan? Liebman nu, daar hij de ‘bureaucratie’ niet als categorie in het middelpunt van zijn analyse heeft geplaatst, belet zichzelf op die vraag een klaar en duidelijk antwoord te geven. Lenin en Trotski hadden in 1920-1921 de fout begaan toen ze hadden ingeschat hoe relatief ernstig de gevaren wel waren voor de Sovjetsamenleving die uitgeput uit de burgeroorlog te voorschijn was gekomen, toen ze dachten dat de onmiddellijke en voornaamste bedreiging kwam van de kleine burgerij en middelgrote burgerij, die dank zij de Nieuwe Economische Politiek haar sociale en economische macht had verstrekt. Vandaar dat Lenin de noodtoestand had uitgeroepen, de discipline had opgedreven en de rangen had gesloten toen op economisch gebied de aftocht werd geblazen.

Het gevaar waarop hij wees, en waarin hij door Trotski werd bijgetreden, was niet enkel denkbeeldig. Doch het directe en acute karakter ervan was overdreven, en vooral de extreme middelen waarmee het diende te worden bestreden waren verkeerd ingeschat. Vandaag weten we hoe het allemaal afgelopen is, beseffen we dat het meest ernstige en onmiddellijke gevaar voor de Sovjetmaatschappij op dat ogenblik de depolitisering en de passiviteit van het proletariaat was. Dit betekende dat zowel het gezag en de macht bureaucratisch zouden degenereren, als het gevaar dat het kapitalisme zou worden hersteld, wat de weg zou geopend hebben, in laatste instantie, voor een administratief repressief gevecht tegen dit beide gevaren — met andere woorden voor deze rampspoed die het Sovjetvolk zou treffen bij de gedwongen collectivisatie van de landbouw door middel van terreur.

Ik ben er vast van overtuigd dat op het einde van 1921 Lenin zijn standpunt reeds gewijzigd had, en zeker in 1922, de dingen anders zag: hij had begrepen dat de bureaucratie Vijand Nummer Een geworden was, die kost wat kost moest teruggedrongen worden, dat een strijd voor de sovjetdemocratie dringend en noodzakelijk was. En als de grote meerderheid van de Sovjetleiders hem hierbij niet zijn gevolgd dan gebeurde dit niet omwille van de misstappen van 1920-21, maar omwille van de sociale en politieke factoren die we eerder hebben vermeld.

Aan het einde van zijn boek doet Liebman een inspanning om een beknopte omschrijving te geven van wat het stalinisme was. Dit is het meest teleurstellende deel van zijn werk. Hierbij worden alle tekortkomingen die ik heb geprobeerd aan te halen, bij wijze van synthese, samengebracht. Van stalinisme wordt hier gezegd dat het leninisme is maar dan besmet door nationalisme, dat het leninisme is plus administratieve tirannie en bureaucratische terreur, leninisme minus dialectiek. [17] Dit is hetzelfde als zeggen dat het socialisme liberalisme is min geloof in particuliere eigendom en dat het communisme hetzelfde is als sociaaldemocratisch reformisme plus revolutionaire overtuiging en slagkracht ...

De chronologische verwantschap van de stromingen in het denken (dat een sterk element bevat van negatie en overstijgen) rechtvaardigt op geen enkele wijze deze onterechte formuleringen. Door de overgang van de USSR naar een bureaucratische dictatuur te herleiden tot een samenraapsel van politieke concepten, ideeën en praktijken, op basis van het feit dat tussen 1920-21 en 1936 deze overgang niet volledig discontinu was, sluit hij de ogen voor sociaal bepaalde aspecten die deze overgang bepaalden (eigenlijk een bloedige politieke contrarevolutie), hij laat na het conflict tussen wat continu en discontinu hierbij te betrekken evenals de transformatie die had plaats gevonden.

Nu, het stalinisme is geen ‘leninisme zonder dialectiek’. Het leninisme is de theorie en de praktijk van de revolutionaire verovering en aanwenden van de macht door het proletariaat in het tijdperk van het imperialisme. Het is voor het eerst gerealiseerd in een achterlijk land, onder zeer ongunstige omstandigheden, geschaad door vele tekortkomingen bij gebrek aan historische precedenten en ervaringen, uit het lood geslagen door een aantal fouten. Het leninisme is niet de vertegenwoordiger, is het nooit geweest in de ogen van de stichters, van wat een ‘model’ zou moeten zijn voor arbeidersmacht, overal en altijd. Als we ons baseren op de ervaringen uit de geschiedenis, kunnen we vandaag definiëren, beter dan de stichters in 1917, wat de institutionele, economische, politiek en culturele voorwaarden zijn voor het proletariaat om de directe macht te behouden, zo breed mogelijk van omvang.

Het stalinisme echter is de ideologie van een bureaucratie waarvan het bestaan vereist dat het proletariaat wordt uitgesloten van de directe uitoefening van de macht. Ongeacht welke de continuïteit van het historisch proces moge geweest zijn, discontinuïteit staat absoluut vast. Het is de essentiële zwakte van Liebmans boek dat hij dit niet duidelijk heeft gezegd.

_______________
[1] Marcel Liebman, ‘Leninisme sous Lénine’, 2 vol., Parijs, Seuil, 1973.
[2] Lenin, Verzamelde Werken, 4de editie, Engelse versie, vol 25, p. 385.Nederlandse vertaling A.J. Gerritsen en J.B. de Klerk. Uitg. Progrès — Moskou 1973.
[3] Liebman, vol. 2, p. 354-355.
[4] Ibid., vol. 1 p. 99.
[5] Lenin, cit. vol. 32 p. 277-278. Het citaat komt uit zijn toespraak op het Al Russisch congres van Transport Arbeiders, 27 maart 1921. Eerdere uitspraken van hetzelfde idee vinden we terug in bijvoorbeeld Ibid., vol. 25, p. 200 (Constitutionele illusies, 8 augustus, 1917) en p. 277 (Boeren en Arbeiders, 17 september 1917).
[6] Mao Zedong: Selected Works, vol. 3, Londen, Laurence and Wishart, 1954, p. 119.
[7] Liebman, vol. 2, p. 26-27, 36, 44.
[8] Om volledig te zijn en eerlijk tegenover Lenin moet toegevoegd (1) dat hij in ‘Wat te doen?’ heeft gezegd dat een clandestiene organisatie helemaal niet haaks staat op de spontaneïteit van de massa’s, doch integendeel, de spontaneïteit stimuleert, het zou dit laatste niet ‘verminderen’ maar ‘verhogen’ en ‘verbeteren’. ( cit. , vol. 5, p. 465-466) en (2) dat in ‘Wat te doen?’ reeds de wind van de ‘libertaire democratie’ merkbaar was waarvan Liebman spreekt wanneer Lenin vooruit kijkt naar het ogenblik waarop de partij uit de clandestiniteit te voorschijn zal komen. Hij schrijft dat dit niet het strikte ‘principe van verkiezingen’ als gevolg zou hebben, maar ook dat ‘iedere daad’ van ieder partijkader zou onderworpen zijn aan de ‘controle’ van heel de partij en heel het proletariaat als dusdanig (ibid. p. 478). Als hier ongetwijfeld in deze polemiek door Lenin extreme formuleringen zijn gebruikt, dan was het om ‘met de stok te zwaaien’ in een bepaalde richting, zoals hij zelf later heeft verklaard. In wezen echter omvatte Lenins organisatietheorie vanaf het begin al deze elementen, zelfs wanneer die zeker verrijkt werden en gerijpt zijn in de twee decennia die ‘Wat te doen?’ scheiden van ‘Gauchisme, kinderziekte ’.
[9] Er kan geconcludeerd worden dat de ‘leninistische’ partij op zich geen voldoende garantie is voor een revolutionaire overwinning, noch voor een hoge activiteitsgraad van het proletariaat, met inbegrip van de voorhoedearbeiders. Daar is geen twijfel mogelijk. Dat een revolutionaire arbeiderspartij geen hoog niveau van efficiëntie kan bereiken in een periode van teruggang en als de massa’s passief blijven is bijna vanzelfsprekend. Maar dit betekent geenszins dat een dergelijke partij geen noodzakelijke voorwaarde is voor de overwinning van het proletariaat in de opgaande fase van de revolutie, dat het de lange effecten van de teruggang en nederlagen niet kan ‘absorberen’ , door de continuïteit te garanderen van de theoretische verworvenheden van de beweging zonder een minimaal aantal kaders die deze verworvenheden belichamen. Zo wordt de daaropvolgende opgang van de revolutie sterk vergemakkelijkt.
[10] Liebman, cit. p. 225-231.
[11] Ibid. vol. 2, p. 309.
[12] Lenin, cit. vol. 21, p. 390 (revolutionaire marxisten op de Internationale Socialistische Conferentie, 5-8 sept. 1915).
[13] zie in het bijzonder, Liebman, cit. vol. 2, p. 170-173, 220-222.
[14] Ibid. , vol. 2, p. 110.
[15] Het is nogal tegenstrijdig te stellen dat aan de ene kant de objectieve zwakte van het proletariaat, veroorzaakt door de burgeroorlog, de essentiële reden was voor de wijziging van koers in de dictatuur van het proletariaat tijdens de burgeroorlog, en aan de andere kant te stellen dat de bolsjewieken schuldig waren aan de veranderingen door hun terreur, ‘militarisering’, enz. , die slechts middelen en maatregelen waren om tijdens de burgeroorlog het tij te keren. Liebman erkent dat op het einde van de burgeroorlog en na al deze beperkingen, er in 1920-1921, een soort van frisse stortbui was losgebarsten van vrije discussie en uitdaging van onder uit, vooral tijdens de ‘vakbondsdiscussie’. De subjectieve middelen voor een zelfstandige activiteit van het proletariaat waren dus niet vernietigd door de bolsjewieken, verre van.
[16] In een artikel geschreven in 1939 gewijd aan de Franse centristische partij PSOP schreef Trotski deze woorden: ‘Wie fracties verbiedt liquideert aldus de democratie in de partij en zet een eerste stap naar het totalitarisme Het is waar dat de bolsjewistische partij op haar tiende partijcongres in maart 1921 fracties heeft verboden, in een tijd van levensgevaar. Maar men kan zich afvragen of dit al dan niet correct was. Het latere verloop van de gebeurtenissen heeft in elk geval bewezen dat dit verbod een van de uitgangspunten was van de degeneratie van de partij. De bureaucratie maakt heden van het concept fractie een boeman, om aldus te verhinderen dat de partij zou nadenken of adem halen. Zo ontstond het totalitaire regime dat het bolsjewisme heeft gedood’ (geschriften van Leon Trotski, 1938-1939, New York, Mirit Publishers, p. 130-131).
[17] Liebman, cit. , vol. 22, p. 355-356.