Ernest Mandel

Van een toenemende instabiliteit naar een revolutionaire opgang

De twee versnellingen van Europa


Geschreven: 1977
Deze versie: Rood, 28 januari 1977, 9de jaargang, nr. 4, p. 10
Transcriptie: Fréderic
HTML: Fréderic, voor het Marxists Internet Archive, juli 2005


Twee weken geleden heeft Ernest Mandel in ROOD een overzicht gegeven van de internationale economische toestand in de kapitalistische landen. Hij verwacht dat de crisis op wereldschaal zal aanhouden, dat de kleine groep rijkere kapitalistische economieën (USA, Japan, West-Duitsland) niet bij machte zal zijn om zijn armere broeders werkelijk ter hulp te komen. Deze week gaat hij nader in op de gevolgen van die toestand voor Europa, en meer bepaald in het licht van de verschillende radicalisatie van de Europese arbeidersbeweging in het noorden en in het zuiden van ons continent.

De politieke, sociale en economische gebeurtenissen van het jaar 1976 hebben bevestigd dat het kapitalistisch Europa op dit ogenblik in twee delen is uiteengevallen.

In het noorden, rond het imperialistische «bolwerk» West-Duitsland, heeft het kapitalisme een onloochenbare stabiliteit behouden. Er is geen sprake van een grote stakingsbeweging, noch van een evolutie bij het kiezerskorps in de zin van een meerderheid ten gunste van de arbeiderspartijen.

In Zuid-Europa, d.w.z. essentieel in Frankrijk, Italië, Spanje en Portugal, is er een toenemende instabiliteit. Ondanks een massale werkloosheid gaat de arbeidersstrijd in stijgende lijn. Dit gaat samen met een duidelijke radicalisering en politisering van het kiezerskorps. De arbeiderspartijen hebben reeds (zoals in Portugal en zonder twijfel ook in Frankrijk) de absolute meerderheid van de stemmen, of staan op het punt die te krijgen.

Groot-Brittanië, Denemarken en België nemen in feite een tussenliggende positie in tussen die twee delen van Europa. Zij kunnen zowel overhellen in de richting van een grotere stabiliteit of van een instabiliteit van het burgerlijke regime, al naargelang de uitkomst van de klassenstrijd die aan de gang is, en vooral in verband met de wijziging van de krachtsverhoudingen binnen de georganiseerde arbeidersbeweging zelf.

De internationale financiële toestand laat niet toe op korte termijn met de mogelijkheid te spelen van een nieuw Marshall-plan, waardoor de bourgeoisie in Zuid-Europa een hulp van 20 à 30 miljard dollar zou krijgen (dat is het bedrag dat op dit ogenblik nodig zou zijn), om op die manier een relatieve economische stabiliteit te verwerven.

Het perspectief voor die vier landen is dus dat van een economische stagnatie, die gepaard gaat met een zeer grote strijdbaarheid van de arbeidersklasse, en met een steeds diepere politieke crisis van de burgerlijke orde. Dit is een uiterst explosieve combinatie. Ze zal waarschijnlijk leiden tot een min of meer gelijklopende revolutionaire opgang in die vier Zuid-Europese landen.

Geen nieuwe wittebroodsweken voor het reformisme

Het is juist dat het perspectief op een verkiezingsoverwinning van de «linkerzijde», waardoor de politieke bekommernis van de arbeiders in Frankrijk, Spanje en Italië beheerst wordt, zoals dat meer dan een jaar het geval is geweest in Portugal, een nieuwe geloofwaardigheid heeft gegeven aan reformistische politieke projecten: belangrijke veranderingen doorvoeren zonder dat de basis zelf van het kapitalistische regime wordt vernietigd.

Maar de internationale en nationale economische context waarin die projecten zullen moeten worden toegepast maakt dat de grond onder de voeten van de reformisten wegzakt. Zoals het met de kapitalistische economie vandaag gesteld is, zal het niet mogelijk zijn merkbare verbeteringen aan te brengen in de levens- en arbeidsvoorwaarden van de massa’s, zonder het bestaan zelf van het kapitalistisch regime op de helling te zetten.

Daarom kan enige wijziging in de krachtsverhoudingen tussen de klassen in het voordeel van het proletariaat vandaag niet uitlopen op nieuwe «wittebroodsweken» voor het reformisme. Ze zal integendeel leiden tot een verscherping van de klassestrijd, zowel op het economische als op het politieke vlak.

De nationale en internationale bourgeoisie zal daar het hare toe bijdragen. Zij is vandaag niet in staat een militaire interventie op grote schaal te ontketenen tegen de dreiging van een socialistische revolutie in Spanje, Frankrijk of Italië. Zelfs de binnenlandse toestand in de Duitse Bondsrepubliek — die het minst bemoedigend is in heel Europa, laat niet toe dat daar onmiddellijk een nieuw Condor-legioen wordt opgericht.

Het antwoord van de burgerij tegen de revolutionaire opgang zal dus de vorm aannemen van een kapitaalvlucht, van chantage met het stopzetten van de internationale kredietverlening, van een begin van een economische blokkade. Maar het proletariaat in Zuid-Europa beschikt over heel wat sterkere troeven om hieraan weerstand te bieden dan dat van Chili. En het proletariaat van Noord-Europa is veel meer gepolitiseerd dan dat van de Verenigde Staten, zodat het weinig waarschijnlijk is dat het die blokkade zo maar zou laten gebeuren.

De confrontatie tussen Kapitaal en Arbeid die in 1977 en de volgende jaren in Zuid-Europa zal beginnen, zal zich dus snel uitbreiden tot heel het kapitalistisch Europa, en wellicht over heel Europa. Van die confrontatie zal ongetwijfeld het lot van heel de mensheid afhangen voor tientallen jaren: overwinning van de proletarische revolutie of overwinning voor de bloedige reactie: socialisme of barbarij.