Ernest Mandel

De kapitalistische economie vandaag: een marxistische visie


Geschreven: 1978
Bron: Deze tekst is de weergave van de voordracht van E. Mandel, gegeven te Leuven, op 2 maart 1977, als inleiding op, en samenvatting van zijn boek ‘Het Laatkapitalisme’
Deze versie: POLEK-uitgave, Leuven, april 1978
Transcriptie: Ernest Mandel Internet Archief: www.ernestmandel.org
HTML: Fréderic, voor het Marxists Internet Archive, augustus 2005


Voorwoord

De werkgroep Politieke Economie (POLEK) is reeds twee jaar actief aan de faculteit Economie van de K.U.Leuven. Hij ontstond in de nasleep van de studentenactie tegen de maatregelen Decroo-Humblet en de programmawet van einde ‘75. Om deze wetsvoorstellen ten volle te kunnen begrijpen moesten we ze in hun economische context plaatsen. Maar daartoe ontbrak ons het nodige inzicht in de huidige economische situatie, zelfs bij de economiestudenten.

POLEK wilde daarin verandering brengen. De bedoeling was, en is, dat de gedoceerde cursussen in feite vanuit één standpunt redeneren, nl. dat van het ondernemerdom, en ervoor te ijveren dat binnen de faculteit ook andere stromingen aan bod zouden komen, zoals de klassieke en de marxistische.

Is dat dan zo belangrijk?

Wij vinden van wel. De neoklassieken, keynesianen en monetaristen benaderen de economie op een zeer eigen wijze. Met de positief-wetenschappelijke methoden en met allerlei niet uitgesproken veronderstellingen in het achterhoofd, stellen ze abstracte mathematische modellen op om de economische markt te beschrijven. Ze stellen hun theorieën voor als objectieve, waardenvrije wetenschap, die universeel geldig zou zijn. Anders gezegd : ze houden geen rekening met de evoluerende maatschappijvormen waarbinnen het economisch gebeuren zich afspeelt. De indruk wordt daarmee gewekt als zou de huidige maatschappij altijd zo geweest zijn, en dat het wel altijd zo zal blijven. Vanuit zo’n opstelling slaagt men er gewoonlijk niet in een coherente verklaring te presenteren van bv. de huidige crisis.

Nochtans zijn er wel theorieën ontwikkeld die een samenhangend en historisch beeld ophangen van de huidige crisis. Daarin wordt de economie gezien als een maatschappelijk verschijnsel dat evolueert doordat de krachtsverhoudingen tussen de aanwezige tegengestelde belangengroepen voortdurend wisselt.

Wij vinden het absurd dat je vier jaar kan studeren, en dan nog achterblijft met het vervelende gevoel dat je geen fundamenteel inzicht hebt in wat er aan het gebeuren is. En dat terwijl er andere theorieën voorhanden zijn, die iets tot dat inzicht kunnen bijdragen.

Die sociale realiteit met zijn machtsverhoudingen en belangenconflicten — die theoretisch zo mooi weggecijferd wordt — zal daar wel voor iets tussen zitten. Als een goed deel van de proffen behoort tot de braintrust van de CVP, en een ander deel in de grootste Belgische banken aan de kost komt, en sommigen dat nog cumuleren, dan is de ‘neutraliteit’ van hun theorieën een vrij loos begrip, en dan is het te verstaan dat andere benaderingen halsstarrig gemeden worden — onder het voorwendsel dat ze niet ‘wetenschappelijk’ zijn.

POLEK ijverde voor de opname van een vak ‘Politieke economie’ in het licentieprogramma. Dit is steeds afgewimpeld. Maar we zijn ondertussen niet gaan stilzitten. Met onze bescheiden middelen organiseerden we reeds drie lessenreeksen ‘initiatie in Marxistische Economie’. Aparte werkgroepen handelden over een kritische vergelijking van de hoofdstromen in het economisch denken, en over de EG-problematiek.

Van bij de aanvang probeerden we ook in de mate van het mogelijke tegemoet te komen aan aanvragen van allerlei kanten om uiteenzettingen te geven of discussies in te leiden of soms zelfs kleinere cycli op te zetten. Meestal ging het uiteraard over werkloosheid, inflatie, crisis enz. Een bewijs dat er overal behoefte bestaat aan economische analyse. Zo kwamen we ondermeer in contact met een werklozencomité, de Syndicale Jeugd, wereldwinkels, jeugdbewegingen, andere faculteiten en scholen. In de toekomst proberen we onze aandacht meer en meer op dit soort werking te richten. Tussendoor organiseerden we regelmatig gastcolleges door buitenlandse professoren, en richtten we debatten in, over de inflatie, over de textielsector, en deze conferentie over het laatkapitalisme door prof. E.Mandel.

Op 2 maart ‘77 schetste hij voor een bomvolle zaal — meer dan 400 aanwezigen — een beeld van de voorbije 30 jaar. Hij slaagde erin de groeiperiode die we gekend hebben én de crisis nu op een coherente wijze te verklaren. Iets waar onze KUL-proffen alleen maar kunnen van dromen. Wij vonden het nuttig deze voordracht uit te schrijven en te publiceren. Men kan ze in dit boekje integraal vinden, voorafgegaan door de inleiding, die op de avond zelf gegeven werd door T. Vandevelde.

POLEK

Leuven, 3 april 1978.

Inleiding

Vanavond werd E. Mandel uitgenodigd door POLEK, om te komen spreken over het thema: de kapitalistische economie vandaag: een marxistische visie. En dit n.a.v. het verschijnen van de Nederlandse vertaling van zijn in 1972 in het Duits geschreven werk ‘Das Spätkapitalismus’ (vertaald bij Van Gennep).

Eerst wil ik echter kort een situering geven van de plaats die Ernest Mandel inneemt tussen de economische denkers.

E. Mandel inleiden is zowel moeilijk als gemakkelijk tegelijk: moeilijk omdat Mandel zo veelzijdig is in zijn activiteiten; gemakkelijk omdat de meesten onder u hem wel kennen, hetzij wegens zijn politieke activiteiten in de Ral, hetzij via een van zijn inleidingen in de marxistische economie, hetzij via zijn oudere publicaties (o.a. in ‘Rood’), zijn deelname aan TV-debatten, zijn talrijke debatten en conferenties in België en in het buitenland (tenminste... als hij er nog binnen mag).

Ik wil het hier houden bij een korte opsomming van de publicaties van Mandel.

- Op het vlak van de marxistische economie is hij vooral bekend geworden met zijn 4-delige ‘Traité de l’économie marxiste’, verschenen in de reeks 10/18 in ‘64. In de periode van de koude oorlog, van de verstarring in de dogma’s van de marxistische theorie, en ook in de periode van de na-oorlogse expansie van de kapitalistische economie, was het werk van Mandel zowat de zwaluw die de lente aankondigde.

- In 1967 verscheen ‘La formation de la pensée économique de K. Marx’ in de collectie Maspero. Daar kan men zowat de Marx-lectuur van Mandel terugvinden. En daaruit blijkt dat Mandel vooral belang is blijven hechten aan de jonge Marx, alsook aan de ‘Grundrisse’ .

Ook al gaat het hier om de vorming van het economisch denken van Marx, het centrale concept is zeker dat van de vervreemding. Dat komt dan ook terug in de titel van het bundel van de ‘essays’, dat in ‘72 bij Van Gennep verschenen is: ‘Vervreemding en revolutionaire perspectieven’. Daar komt o.a. de belangrijke vertaling in voor van de inleiding tot antologie van teksten over het thema ‘arbeiderscontrole, -raden en zelfbeheer’ .

- In 1968 publiceerde hij zijn werk over de EG en de rivaliteit Europa-Amerika, waar ook weer economie en politiek samengaan. De stelling die Mandel in dit boek verdedigt (en die later ook in ‘Het laatkapitalisme’ terug te vinden is), heeft nogal wat weerklank gevonden in de marxistische theorie (wat niet van alle stellingen uit Uw (= Mandel) boeken kan gezegd worden, hé!). O.a. Nicos Poulantzas heeft dat boekje nogal kritisch belicht in ‘Les classes sociales dans le capitalisme d’aujourd’hui’, dat nu trouwens vertaald is bij Sun.

De discussie even oppervlakkig geschetst: mensen als Jalée, Palloix e.a., hebben lang de stelling verdedigd dat de USA uitgegroeid is tot een echt super-imperialisme, dat alle andere imperialistische landen (Europa, Japan) zou gedegradeerd hebben tot de rol van tweederangs-mogendheden. Nog andere marxisten menen een tendens naar een zgn. ultra-imperialisme te bespeuren. Dat zou hierin bestaan dat de multinationale ondernemingen de nationale staten niet langer nodig hebben. Dat het kapitaal niet langer een nationaliteit heeft, maar zou streven naar een soort supranationale staatsmacht. Daartegenover stelt Mandel een model van voortgezette inter-imperialistische concurrentie, met een klein aantal imperialistische grootmachten, zijnde USA, Europa en Japan. Deze analyse stoelt hij dan op de leninistische wet van ongelijkmatige ontwikkeling van het imperialisme.

- In 1972 verscheen in Duitse uitgave ‘Der Spätkapitalismus’. Dit werk vormt volop de synthese van het denken van Mandel, en misschien wel een synthese van het marxistische denken dat zich op het einde van de ‘60-er jaren nogal stormachtig ontwikkeld heeft.

Om dat bibliografisch overzicht af te ronden, signaleren we dat Mandel gedurende de voorbije 25 jaren ontelbare artikels heeft geschreven over de meest verscheiden problemen waarmee de arbeidersbeweging en de marxistische theorie af te rekenen hadden.

- De vroegste van die artikels zijn onlangs gebundeld bij de uitgeverij ‘Galilei’ in Frankrijk, onder de titel ‘La longe marche de la révolution’.

- Verder is het misschien nog belangrijk te wijzen op de halfjaarlijkse conjunctuur-analyses die in ‘Inprecor’ verschijnen. Daarvan is een synthese te vinden in het laatste nummer van ‘Critique de l’économie politique’ (dit laatste artikel is trouwens door één van de Polek-groepen besproken).

- Tenslotte zijn er nog een aantal her-en-der verspreide (soms moeilijk te vinden) teksten over de Sovjet-Unie en de overgangsmaatschappij tussen kapitalisme en socialisme. Een aantal van die teksten zijn vertaald in de ‘Internationale’, en in dit verband kijken we uit naar het boek dat Mandel beloofd heeft aan deze problemen te wijden.

- Sinds ‘72 zijn een aantal nieuwe problemen opgedoken, zoals de petroleumcrisis. Daarover heeft Mandel een aantal nieuwe stellingen ontwikkeld, die afwijken van zijn analyses in ‘Het laatkapitalisme’.

Voor de rest kan Mandel er prat op gaan dat een goed deel van zijn voorspellingen in ‘Het laatkapitalisme’ uitgekomen zijn op een wijze die bijna niet te geloven is. Zo bv. dat het kapitalisme sinds ‘65-’68 in een stagnerende fase van een lange golfbeweging is terecht gekomen. Dit werd in ‘72 door de meeste economen als een ‘fantaisistische stelling’ beschouwd en men beschuldigde Mandel zelfs van ‘cultuurpessimisme’ en zo. Dit is de laatste jaren wel fel veranderd en zijn stellingen worden nu wel serieus bezien. In ‘72 geloofde omzeggens iedereen in de almacht van het staatsinterventionisme om de economie te reguleren, en men achtte crisissen onmogelijk (hoogstens kon de groei wat vertragen). Nu echter moet iedereen toegeven dat het oude spook van de kapitalistische crisis terug opgedoken is.

Toon Vandevelde

medewerker van POLEK

assistent aan het departement Economie.


1. De lange golf: twee merkwaardige keerpunten

De theorie van het laatkapitalisme moet een antwoord geven op twee vragen van economische geschiedenis en theorie:

- Hoe kan men de lange expansieve periode van de kapitalistische economie, begonnen sinds de tweede wereldoorlog in de USA, sinds 1948 in West-Europa en in Japan, verklaren?

- Hoe kan men verklaren dat die lange expansie volgens immanente ontwikkelingstendensen naar haar eigen negatie dreef en dat deze periode van expansie op lange termijn zou eindigen in een periode, zoniet van stagnatie, dan toch van zeer vertraagde groei?

Die twee vragen oplossen, veronderstelt dat er een probleem is, dat die evolutie niet vanzelfsprekend is. Als we de twee keerpunten van de economische ontwikkeling na de tweede wereldoorlog bekijken, dan kunnen we dat gemakkelijk begrijpen.

Op het einde van de tweede wereldoorlog was er bijna een totale consensus — zowel onder academische als onder marxistische economen — betreffende de verwachting dat we bij de reconversie van de oorlogseconomie zware verschijnselen van overproductie zouden kennen. Die oorlogseconomie, die zowel in de USA als in Europa op volle toeren liep, had nl. de productiecapaciteit geweldig verhoogd, terwijl deze verhoogde productiecapaciteit in contrast stond met een ontredderde wereldeconomie. Men nam in het algemeen aan dat die reconversie zoniet door een nieuwe crisis van het type van 1929-’30, dan toch door zware schokken zou begeleid worden. Zoals de generaals altijd de vorige oorlog voorbereidden, bereidden de economen de vorige oorlogseinden voor, t.t.z. ze bereidden zich voor op een klimaat van het begin van de jaren ‘20.

Deze algemeen verwachte situatie is er echter niet gekomen. We kunnen vandaag zeggen: iedereen heeft zich vergist, we hebben niet een herhaling gehad van de ontwikkeling van de jaren ‘20, wel iets totaal anders, nl. een lange economische expansie. Dat was een totale verrassing, zowel voor marxistische als voor academische economen.

En kijken we naar het tweede keerpunt: in het midden van de jaren ‘60 dachten zowel de academische als vele marxistische economen dat men nu eindelijk het wondermiddel had ontdekt, zoniet om terzelfdertijd een gedurige groei van het nationaal inkomen, volledige tewerkstelling, stabiliteit van het geld en stabiliteit van de buitenlandse financiële verhoudingen te verwezenlijken (het beroemde magische vierkant), dan toch om een permanente stijging van het BNP en een permanente, quasi-volledige tewerkstelling te verzekeren.

Hierover was er consensus en het is interessant hierover geschriften van Russische marxisten (die zich in de jaren ‘40-’50 vergaloppeerd hadden met de theorieën van absolute verarming van de arbeidersklasse), van Oost-Duitse, Franse of Italiaanse marxisten (min of meer verbonden met de communistische partijen), te bekijken. Alle aanvaardden ze stilzwijgend dezelfde veronderstelling als de academische, burgerlijke economen, nl. dat we een betrekkelijk gestadige groei van de materiële productie zouden kennen.

En hier gaat het dus om: een homogene, coherente theorie van het laatkapitalisme moet die twee keerpunten en die twee opeenvolgende lange golven kunnen verklaren. Die twee moeten niet los, maar in verband met elkaar verklaard worden. Zoiets uitleggen door toevallige omstandigheden, zoals de petroleumschaarste na ‘72, is niet ernstig. Lange golven in de economische geschiedenis — een tendens die zich over 20 jaar voortzet — uit een of andere accidentele factor verklaren, kan men noch logisch noch historisch verwerken. Er moet dus inwendige coherentie zijn tussen de verklaring van de langdurige expansie én de ommekeer naar een veel tragere, lagere groeivoet, en zelfs naar een stagnatie.

Nu, dat leidt ons tot een problematiek die in Leuven, dankzij prof. Dupriez, niet onbekend is [1], nl. de theorie van de lange golven. Met Dupriez’ visie van deze theorie ga ik niet akkoord, maar hij heeft in elk geval die verdienste dat hij, tesamen met weinig andere economen — zowel marxisten als niet-marxisten — een historische visie op de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze heeft behouden, ook onder omstandigheden waarbij die visie schijnbaar in tegenstelling was met wat er aan de oppervlakte van het dagelijks economisch leven gebeurde.

Pogingen...

Er is een paradoxale kant aan de theorie van de lange golven in de kapitalistische economie. Slechts weinigen weten dat die theorie van zuiver marxistische oorsprong is. De eersten die — einde 19e, begin 20e eeuw — over lange golven spraken, waren drie marxisten, de Rus Parvus, de Duitser Kautsky en een taalgenoot van ons, de Nederlander Van Gelderen [2]. Al die pogingen in de goede richting hebben vanzelfsprekend zeer veel zwakke kanten; er ontbreekt vooral inwendige coherentie (Kondratieff betekent een kwalitatieve stap vooruit op dat gebied). Ze hebben echter één gemeenschappelijk kenmerk dat belangrijk is voor datgene wat we vanavond gaan behandelen: ze proberen nl. de normale conjunktuur-cyclus te integreren in de lange golven.

In deze theorieën wordt niet beweerd dat de economie gedurende 25 of 30 jaar een eenzijdige ontwikkeling kent. Er wordt enkel geprobeerd één fundamenteel verschijnsel te verklaren : dat in een lange golf met expansieve tonaliteit de perioden van hoogconjunctuur langer duren, sterker zijn, en de perioden van recessie en degressie van kortere duur en niet zo diep zijn. En dat omgekeerd, gedurende de lange golf met stagnerende tonaliteit, de perioden van hoogconjunctuur van korte duur en minder koortsachtig zijn, terwijl de perioden van overproductie en degressie langer duren en dieper gaan. Dat is de juiste methode, ook om te begrijpen wat er nu gebeurt.

Ik wil hier nog even herhalen dat het niet juist is te zeggen dat we vanaf ‘70 of ‘71 in een permanente stagnatie zitten. Dat kan men niet bewijzen, noch met de statistiek van de industriële productie, noch met die van de nationale productie, zelfs niet met die van de tewerkstelling of van de prijzen. De golfbeweging, de normale conjunctuurcyclus, gaat verder. In de belangrijkste imperialistische landen (USA, Japan, West-Duitsland) beleven we nu een heropleving, dat is absoluut niet te loochenen. De productie is daar in ‘76 gestegen met een gemiddelde van 5 à 10 % en in sommige landen zelfs met meer dan 10 %. Dat is dus geen stagnatie, maar een heropleving. Maar we kunnen, als we de lange golf-theorie aanvaarden, al een voorspelling maken, nl. dat die heropleving van aarzelende aard zal zijn, dat ze niet kan vergeleken worden met de perioden van hoogconjunctuur die we in 1950-’60 beleefd hebben, dat ze tamelijk kort zal zijn en dat ze hoogstwaarschijnlijk in ‘78-’79 naar een nieuwe recessie zal leiden. Of het aantal landen in heropleving zal uitbreiden; of België — dat in werkelijkheid niet uit de recessie is geraakt tengevolge van het bijzonder gewicht van de staalnijverheid in onze economie — hier een uitzondering vormt; of de Belgische cyclus in de rest van dit jaar of begin volgend jaar opnieuw zal gesynchroniseerd worden met de internationale cyclus, zijn bijkomstige problemen die ik nu niet wil behandelen.

Nu hebben we als marxisten — als we dat probleem vanuit marxistische hoek bekijken — één buitengewoon grote moeilijkheid: voor marxisten is er een tendentiële wet — een wet die dus op lange termijn werkt — van ‘de daling van de gemiddelde winstvoet’. Dat is nogmaals geen mechanische wet, dat is niet iets dat zich van jaar tot jaar uitbreidt, zo van “elk jaar daalt de winstvoet-met 0,5 % tot hij onverbiddelijk naar 0 komt en dan stort het kapitalistisch stelsel ineen”. Daar gaat het niet om. Het is een op- en afgaande beweging. Deze ‘slingerbeweging’ binnen de normale conjunctuurcyclus is zeer goed gekend. Ze is door Marx in ‘Das Kapital’ in detail ontleed. Over het bestaan van deze ‘slingerbeweging’ is er geen dispuut, ook de verstandigste van de academische theoretici aanvaarden dat. Er zijn ontelbare empirische en statistische bewijzen van die golfbeweging van de winstvoet binnen de conjunctuur.

De moeilijkheid ontstaat echter wanneer je in de geschiedenis van het kapitalisme — dus sinds de kapitalistische wereldmarkt ontstond, t.t.z. sinds 1825 —, in de loop van die 20 opeenvolgende conjunctuurcycli, plots punten van radicale ommekeer opmerkt. Ik zal er drie noemen die politiek, economisch en maatschappelijk een zeer grote rol hebben gespeeld in de geschiedenis van de 19e en 20e eeuw. We kenden zo’n ommekeer in 1848 wanneer een lange expansieve golf — de expansieve golf van het liberaal kapitalisme — ontstond. Deze duurde ongeveer van 1848 tot 1873. Er was een tweede ommekeer rond 1893 — begin van de lange expansie van het imperialisme, van het monopoliekapitalisme — tot 1913. En het derde keerpunt begon in de USA rond 1940, en in de rest van de kapitalistische wereld rond 1948.[3]

Hoe kunnen we nu die keerpunten verklaren, zonder de algemene ontwikkelingswetten van de kapitalistische productiewijze te negeren? Met andere woorden, hoe kunnen we een coherente theorie van de lange golven in de conjunctuur en van de normale korte conjunctuurcyclus formuleren? Dat was het centrale probleem dat zich stelde bij het ontwikkelen van een theorie van het laatkapitalisme. En ik geloof, als ik me onbescheiden mag uitdrukken, dat ik daartoe een belangrijke bijdrage heb geleverd.

Schommelende winstvoet

Als we de analyse van ‘Das Kapital’ bekijken, en vooral het derde deel ervan, waar Marx het heeft over de tendentiele wet van de dalende winstvoet, dan kunnen we reeds a priori een zeer belangrijke methodische veronderstelling maken, nl. dat elke monocausale verklaring van die grote keerpunten uit den boze is. Als je de hoofdstukken van het derde deel van ‘Das Kapital’ leest, waarin Marx de tegengestelde krachten aan de daling van de gemiddelde winstvoet behandelt, dan zul je zien dat hij die krachten niet tot één enkele herleidt, maar dat hij er een hele reeks van opstelt. Als we dat historisch bekijken, krijgen we inderdaad combinaties van verschillende factoren — nooit dezelfde en zeker niet één enkele — die die keerpunten verklaren. Trotski heeft in grote lijnen in zijn referaat voor het derde congres van de Communistische Internationale, waar hij zich met hetzelfde probleem heeft beziggehouden, ook op de noodzakelijkheid van zo’n gecombineerde verklaring gewezen. Hij zei dat de krachten die naar zulk een plotse, langdurige groei van de kapitalistische economie drijven, geen krachten zijn die men uit de normale reproductie kan verklaren, maar in zekere zin exogene factoren zijn (we zullen zien dat in laatste instantie niets totaal exogeen is aan het kapitalisme), nl. in die zin dat ze geen resultaten van het normale reproductieproces, van de normale cyclus zijn.

Nu, aan de basis van de daling van de gemiddelde winstvoet op lange termijn ligt, zoals je weet, wat Marx heeft genoemd ‘de wet van de groeiende organische samenstelling van het kapitaal’. Dat stuit vandaag nog op veel tegenspraak in de academische theorie, zelfs in de neoricardiaanse, die het minst ver van de marxistische afstaat, en nu in Cambridge triomfeert. In het algemeen aanvaardt men in academische middens de stelling van wat men noemt ‘de gelijkblijvende of bijna-gelijkblijvende verhouding van winst en loon in het nationaal inkomen’, alsook de stelling van een, op lange termijn, neutrale technische vooruitgang, t.t.z. een technische vooruitgang die niet meer arbeidsplaatsen opheft dan hij er nieuwe creëert.

Het eigenaardige van de zaak is dat, als je monografische detailstudies per bedrijfstak wilt maken, je geen enkel voorbeeld van die zgn. tendens kunt aanhalen. Dit heb ik al dikwijls aan mijn collega’s gezegd, ik heb al dikwijls gevraagd mij één enkele bedrijfstak te noemen waarin vandaag de proportie van de loonkosten in de totale kosten hoger zou zijn dan 50, 100 of 150 jaar geleden. Ze kunnen er geen vinden. En dit is vanzelfsprekend: de technische vooruitgang is arbeidsbesparend op lange termijn. Alle monografieën van specifieke bedrijfstakken bewijzen dat.

Aan de basis van de schijnbare tegenstelling tussen macro-economische berekeningen en deze monografieën ligt het feit dat men in de econometrie onder de begrippen arbeid en arbeidsinkomen niet precies hetzelfde verstaat als in de marxistische theorie. In dit verband slaat de marxistische theorie van de stijgende organische samenstelling van het kapitaal op een verhouding tussen de lonen van de in de materiële productie tewerkgestelde arbeiders, en de totale uitgaven voor constant kapitaal, t.t.z. voor grondstoffen, energie, machines en gebouwen. In de econometrie echter voegt men bij die loonsom de lonen van wat marxisten ‘niet-productieve loonarbeiders’ noemen, toe. Daarmee worden vooral bedoeld de arbeiders van de staatssector en de arbeiders van de distributie die niet aan de materiële productie deelnemen. Deze bepaling van niet-productieve arbeid hebben de marxisten niet a posteriori opgesteld om de feiten te verdoezelen. Marx werkte ze 120 of 150 jaar geleden reeds in detail uit. Variabel kapitaal is per definitie alleen de reproductiekosten van de productieve arbeidskracht. In de totale som van lonen en wedden zit dus een groot stuk van wat marxisten ‘meerwaarde’ noemen, nl. ‘t grootste deel van wat door de staat wordt uitgegeven, en tevens een gedeelte van wat marxisten ‘het maatschappelijk kapitaal’ noemen. Want een gedeelte van die uitgaven zijn volgens de marxisten helemaal geen nieuw geschapen inkomens, maar uitgaven van kapitaal en moeten bijgevolg van het nationaal inkomen afgetrokken worden.

Goed, dat is een methodenstrijd, maar je kan natuurlijk niet verlangen — en dat is waar voor elke wetenschappelijke hypothese — dat je eerst de grondhypothese van een bepaald stelsel negeert en dan gaat kijken of de hypothese vaststelbaar is of niet. Om te weten of ze bewijsbaar is op basis van empirische feiten moet je dus uitgaan van de coherentie van de grondstellingen van de hypothese. En als je dat doet, zal je bv. in dit concreet geval duidelijk de bewijzen kunnen vinden.

Laten we als voorbeelden de verwerkende nijverheid, het mijnwezen en het transportbedrijf — die samen geen klein stuk van de economische activiteit in een kapitalistisch land uitmaken — bekijken. Het blijkt dat de loonkost een geringer gedeelte van de totale productiekosten vormt dan 50, 100 of 150 jaar geleden het geval was, en dat die groeiende organische samenstelling van het kapitaal inderdaad empirisch bewijsbaar is, nogmaals onder voorwaarde dat we de marxistische categorieën definiëren zoals Marx zelf dat gedaan heeft. Als we gedeeltelijk deze definities, en gedeeltelijk andere definities gebruiken, komen we in een hybried systeem terecht, en wordt heel de analyse op losse schroeven gezet.

Marx zei niet dat de wet van de groeiende organische samenstelling van het kapitaal — of, om het simpeler uit te leggen: de arbeidsbesparende aard van de technische vooruitgang, tenminste in de materiele productie — noodzakelijkerwijze een permanente daling van de winstvoet tot gevolg heeft. De tendens tot daling van de winstvoet kan enkel gezien worden als we de invloed van de tegenwerkende krachten onderzoeken, Marx somde vier dergelijke tegenwerkende krachten op, die we alle vier zullen terugvinden in de verklaring van de expansie van ‘40 tot ‘68. Ook in de verklaring van de ommekeer van de conjunctuur op lange termijn sinds het einde van de jaren ‘60, zullen we ze voor een belangrijk gedeelte terugvinden, nl. in die zin dat ze niet meer, of tenminste in mindere mate, werken.

Die vier tegenwerkende krachten zijn:

l. De stijging van de meerwaardevoet, van de uitbuitingsgraad van de arbeidskracht. Deze heeft niets te maken met een daling van de reële lonen, maar met de manier waarop de nieuwe waarde, gecreëerd door de arbeidskracht, verdeeld wordt tussen arbeid en kapitaal. Als de arbeidsdag 8 uur bedraagt, en de arbeider de tegenwaarde van zijn loon — t.t.z. de tegenwaarde van het pakket consumptiegoederen dat hij verbruikt per dag — in 3 uur i.p.v. in 4 uur kan produceren, terwijl de duur van de arbeidsdag 8 uur blijft, dan is de meerwaardevoet gestegen van 4/4 — 100 % dus — naar 5/3, of 166 %. Maar wanneer de arbeidsproductiviteit terzelfdertijd met meer dan 25 % gestegen is, — wat absoluut niet onmogelijk is aangezien we hier met een conjunctuurcyclus, dus met een ontwikkeling over 7 à 10 jaar, te maken hebben — dan zullen die drie arbeidsuren meer verbruiksgoederen en diensten vertegenwoordigen dan vroeger. Het reële loon kan dus stijgen terwijl terzelfdertijd ook de meerwaardevoet stijgt. Dit is één van de voordelen van de marxistische analyse, die ons toelaat ontwikkelingen van de jongste 25 jaar — en vele andere perioden van hoogconjunctuur in het verleden van de kapitalistische productiewijze — te verklaren, en dit op een zeer elegante en coherente wijze.

2. Het goedkoper worden van de elementen van het constant kapitaal, zowel van machines als van grondstoffen.

3. De snellere rotatie van het kapitaal.

4. De spreiding van het kapitaal, zowel sectorieel als geografisch, naar dié activiteiten waar de gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal geringer is dan in de meest-geïndustrialiseerde, technisch meest gevorderde landen en sectoren.

Deze vier tegenwerkende krachten ga ik hier niet in detail uiteenzetten. Het is allemaal tamelijk simpel en tamelijk doorzichtig. Degene die er meer wil over weten, kan best de betreffende hoofdstukken van het derde deel van ‘Das Kapital’ lezen. Deze zijn niet te moeilijk, het gaat om redeneringen die praktisch altijd neerkomen op een regel van drie. Maar wat we nu wel moeten doen, is historisch bekijken hoe we die tegenwerkende krachten kunnen terugvinden in de geschiedenis van 1940 tot het einde van de jaren ‘60.

2. De expansieve fase van de lange golf

Nu kom ik tot een van mijn belangrijkste stellingen die ik uitgewerkt heb in mijn boek ‘Het laatkapitalisme’ : nl. het feit dat in de periode na de tweede wereldoorlog, deze vier tegenwerkende krachten tegelijkertijd hebben gespeeld. Dat bewijst meteen de bijzonder sterke en langdurige expansie gedurende die periode. De vier krachten werken overigens niet altijd in dezelfde richting: dat was niet het geval in 1848-1873, en ook niet in 1893-1913. Maar voor de na-oorlogse periode was dat wel het geval, en daar kunnen we een zeer grote massa van empirische feiten voor aanhalen. Laat ons nu de ene factor na de andere beschouwen.

1. Verhoging van de meerwaardevoet

De evolutie van de meerwaardevoet is een bijzonder belangrijk element, want het belet — en dat is zeer noodzakelijk vanuit marxistisch standpunt — dat we de economische ontwikkeling losmaken van deze op politiek en maatschappelijk vlak. Het verplicht ons die economische ontwikkeling te plaatsen in het kader van de politieke geschiedenis, of om het globaler te zeggen: in het kader van de klassenstrijd en van zijn periodische resultaten.

Eén van de grote methodische fouten van vele marxistische vrienden is dat ze wel altijd spreken over klassenstrijd, die ze echter alleen maar zien als een praktisch horizontale lijn. Ze zien niet in dat er in die klassenstrijd ook golfbewegingen zijn, dat er keerpunten zijn, soms van catastrofale aard en soms van triomfale aard, voor de burgerij of voor de arbeidersklasse.

Eén van die catastrofale keerpunten deed zich voor in de jaren ‘30 en ‘40. De overwinning van het fascisme, de tweede wereldoorlog, en daarna de koude oorlog, hebben voor de internationale arbeidersklasse, eerst in Europa en Japan en daarna in de USA, een zware politieke nederlaag betekend. Het was geen marginale, geen kleine nederlaag. Het ging niet om verschuivingen van een paar zetels bij de parlementsverkiezingen. Het was een zware historische nederlaag, die de krachtsverhoudingen op de arbeidsmarkt tussen kapitaal en arbeid radicaal ten gunste van het kapitaal veranderd heeft. Ik heb de serie cijfers betreffende de USA, Duitsland, Italië en Japan aangehaald in mijn boek. Ik gaf aan waar die nederlaag plaatsgevonden heeft, en men kan onmiddellijk vaststellen dat het zeer belangrijke keerpunten zijn.

Ik geef hier slechts één voorbeeld van de vele die ik in mijn boek heb behandeld. Laat ons drie jaren van de Duitse economie bekijken : 1928, het laatste jaar van welvaart vóór de grote crisis; 1938, het laatste jaar vóór de uitbarsting van de tweede wereldoorlog ; en 1950-’51, één van de eerste normale jaren van de ‘sociale markteconomie’ van Adenauer en Ehrhard. Het is frappant — het toeval is de marxisten soms gunstig gezind — dat de loonsom in de nijverheid en in de ambachtssector die met loonarbeid werkt, in elk van die drie jaren juist dezelfde is (in Reichsmark in ‘28 en ‘38 en in D-Mark in ‘51). En, wat vooral opvallend is, is dat de naamloze vennootschappen én in ‘38 én in ‘51, met dezelfde loonsom als in ‘28, drie keren meer winst (d.i. 300 % meer!) maakten dan in ‘28. Dat is wat marxisten noemen : een radicale verhoging van de meerwaardevoet. Het raadsel is niet moeilijk op te lossen als we nagaan wat de historische functie van het fascisme was. Dit is nog altijd een twistpunt binnen de internationale marxistische discussie. Vele marxisten, ook van uiterst links, verdedigen absoluut foutieve theorieën die juist dié cijfers, die ik hier aanhaal, niet kunnen interpreteren. De historische functie van het fascisme bestond er niet in het communisme, de uiterst linksen te verslaan of de revolutionairen te doden. Haar hoofdfunctie was de georganiseerde arbeidersbeweging — zelfs de meest gematigde, de meest reformistische, de normale vakbonden — kapot te slaan. Enkel wanneer de arbeidersklasse geatomiseerd wordt, wanneer verhinderd wordt dat ze haar arbeidskracht collectief kan verkopen, kan dat economisch mirakel bereikt worden dat Hitler heeft bereikt. Door werklozen terug in te schakelen in de oorlogseconomie — het ging om zes miljoen arbeidskrachten — bereikte hij volledige tewerkstelling, wat normaal de krachtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid radicaal ten gunste van de arbeid had moeten veranderen. En tegelijkertijd slaagde hij erin de lonen te blokkeren op het niveau van de grote crisis, op hetzelfde niveau als toen Duitsland 6 000 000 werklozen telde. Dat economisch mirakel heeft niemand hem ooit nagedaan. Dat eerste Duits economisch mirakel kan alleen maar verklaard worden door de historische functie van het fascisme, die erin bestond de arbeidersbeweging, de vakbeweging, de collectieve weerstand te vernietigen en de vroegkapitalistische verhoudingen te herstellen, waarbij de arbeiders de door het kapitaal gedicteerde lonen moesten aanvaarden.

Daar we een kleine heropleving van fasciserende demagogie kennen, wil ik toch wel aan het volgende herinneren. Nadat de volledige tewerkstelling hersteld was, en de zuiver economische mechanismen ten gunste van een zekere loonstijging begonnen te werken, waren meerdere patroons bereid, zelfs zonder vakbondsdruk, hogere lonen te betalen, omdat ze een tekort aan arbeidskracht hadden. Ze begonnen elkaars arbeiders weg te huren. De fascistische staat kwam dan tussenbeide om dat te verbieden. Hitler vaardigde namelijk een wet uit, die de arbeider verbood zijn werkplaats te verlaten en hem als een lijfeigene bond aan zijn fabriek, tenzij de regering een uitzondering toeliet, wat gebeurde op basis van criteria die te maken hadden met de oorlogseconomie.

Die verhouding hebben we mutatis mutandis in Italië en in Japan teruggevonden. In Japan met dezelfde hevigheid, in Italië minder hevig. Van Italië kunnen we hetzelfde zeggen als wat de goeie ouwe Victor Adler over de Oostenrijks-Hongaarse monarchie heeft gezegd, nl. dat het Italiaans fascisme een despotie was, mild gemaakt door het Italiaans volkskarakter. Een prachtig volkskarakter overigens. Dus dat Italiaans fascisme heeft minder met de valbijl, maar meer met traanolie gewerkt, wat echter ook niet aangenaam was. En omwille van de militanten en de arbeiders die daaraan ten onder zijn gegaan, mogen we daar zeker geen grapjes over maken, maar in vergelijking met Duitsland was het Italiaans fascisme wel milder.

Het Amerikaans geval was een ander. Maar het was interessant te zien hoe het in dezelfde lijn ging. In Amerika is er geen fascisme geweest. Degenen die nu achteraf over het McCarthy-systeem spreken als over een fascistisch systeem, gebruiken dit begrip op een verkeerde wijze. De ganse georganiseerde arbeidersbeweging is er nooit verdwenen, nooit kapotgeslagen, niet geatomiseerd. Ongetwijfeld betekenden de Taft-Hartley — Wet en de koude oorlog [4] gedurende de jaren eind ‘40 — begin ‘50 een zware politieke nederlaag voor de Amerikaanse arbeiders. Het resultaat is in de statistieken af te lezen (ik geef die cijfers ook in ‘Het Laatkapitalisme’) . De verhouding tussen winsten en lonen verschoof op een belangrijke wijze ten gunste van het kapitaal, echter niet zo sterk als in Duitsland of Japan, maar sterker dan in Italië en Frankrijk.

De stijging van de meerwaardevoet is dus een factor geweest die op lange termijn een stijgende winstvoet heeft mogelijk gemaakt. Eens dat we dat zeggen, zijn we als een marxistische kat op onze pootjes gevallen. Want stijgende winstvoet betekent stijgende accumulatie van het kapitaal. En stijgende accumulatie van het kapitaal wil zeggen meer groei, snellere expansie. Dat ligt in de logica van het systeem.

2. Prijsdaling van elementen uit het constant kapitaal

Het gaat hier dus vooral om de relatieve daling van de prijzen van grondstoffen en van sommige machines. Dat is een gemeenplaats. Europa heeft zijn expansie gekend dankzij goedkope olie, o.a. te danken aan.de activiteiten van Enrico Mattei [5] die daarvoor kopke-af werd gemaakt. We kennen al die verhalen. Vele zaken daarvan zijn overdreven, maar er is geen twijfel aan dat de verschuiving van de ruilvoet tussen grondstofprijzen en prijzen van afgewerkte producten in de jaren ‘50 en ‘60 een zeer sterke stimulans is geweest voor de economische expansie, vooral van West-Europa en van Japan, maar ook van de USA. Dit is dus een klassieker voor de verhoging van de winstvoet.

3. Versnelde rotatie van het kapitaal

Hier spelen twee factoren, die zeer belangrijk waren in de jaren ‘40, ‘50 en ‘60, een rol. Aan de ene kant was er de versnelling van alle transport-, communicatie-, krediet- en handelsmechanismen, wat dus een vluggere rotatie van de stocks, een vluggere omzet, een vluggere verkoop van de waren toeliet. Dit is ook een gemeenplaats.

Denk aan waren die per vliegtuig getransporteerd worden, denk aan de containers in het zeebedrijf, denk aan de vrachtwagens, aan de geweldige vooruitgang van de telecommunicatiestelsels (telex, satellieten, ...), en al die andere zaken.

De tweede factor — iets minder bekend, maar ik citeer er toch tamelijk veel gegevens over — is de versnelde vernieuwing van het vast kapitaal, van de machines dus, wat in werkelijkheid niets anders is dan de versnelling van het ritme van de technologische vernieuwing. De jaren ‘50-’60 waren de jaren van de beruchte derde technologische omwenteling, die zich uitte in de veranderingen in de productietechniek in de meeste sectoren. Het ging niet om marginale, kwantitatieve of graduele veranderingen, maar om radicale veranderingen, die elkaar in een steeds sneller ritme opvolgden.

Het belangrijke vanuit marxistisch oogpunt — want dat mag niet uitsluitend en zelfs niet eens hoofdzakelijk vanuit het standpunt van de gebruikswaarde, van de fysische hoedanigheden van die machines gezien worden, maar vanuit het standpunt van de waardeproductie — is dat dié firma’s, die als eerste nieuwe procédés invoeren, een geweldige technologische rente hebben verworven. Ik heb de stelling voorop gezet — en ik geloof dat die te bewijzen is, vooral voor de USA, Japan en West-Duitsland, bij ons vanzelfsprekend minder — dat de technologische renten van de grote NV’s een belangrijkere rol hebben gespeeld in die twintig jaren van hoogconjunctuur dan de surpluswinsten uit de derde wereld en andere factoren die bij de klassieke marxistische verklaringen van surpluswinsten aangehaald worden. Deze technologische renten zijn bijzonder goed terug te vinden in bedrijfstakken zoals de electronica (IBM had gedurende 25 jaar permanent een winstvoet ver boven de gemiddelde winstvoet van de andere NV’s en van de USA in het algemeen), de automobielnijverheid, de scheikundige nijverheid (daarover bestaan veel empirische gegevens) en vooral in de petrochemische nijverheid. Ik spreek hier nog altijd over de USA, Japan en West-Duitsland. Gedeeltelijk zijn deze technologische renten terug te vinden ook in de machinebouwnijverheid en de staalnijverheid (vooral in Japan). Overal waar met een schok radicale technologische vernieuwingen plaatsvonden, zijn die technologische renten, die monopolistische surpluswinsten, terug te vinden. En nogmaals, deze zijn steeds een belangrijke bron van bijkomstige accumulatie van kapitaal en dus van bijkomstige economische groei, dus — wat we wilden aantonen -van een fase waarin o.a. deze tendens tot versnelde groei meer doorweegt dan de stagnerende krachten.

4. Uitbreiding naar landen en sectoren met een lagere gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal

Dat houdt in:

a) de industrialisatie van de derde wereld, in al zijn beperkingen. Zo beperkt is dat nu ook weer niet, maar dat is een ander onderwerp. Meer algemeen moet men zeggen : de internationale kapitaalsbewegingen — zelfs tussen imperialistische landen onderling — van meer naar minder gekapitaliseerde landen. Zo kenden we de industrialisatie van Italië, Frankrijk, Spanje, en van andere landen zoals Brazilië, Mexico, Zuid-Korea, Iran, Koeweit, Saoedi-Arabie en nog vele andere, want de lijst van zogenaamde derde wereld-landen is niet zo klein. De landen van de vierde wereld, de werkelijk arme landen, zijn hier niet van tel, daar ze die industrialisatie niet hebben meegemaakt.

b) de uitbreiding naar sommige sectoren. En het is hier dat ons enkele verrassingen wachten. Bij het uitwerken van sectoriele monografieën, zal vastgesteld worden dat de electronische rekenmachinesector, die een geweldige expansie kende, een sector is die véél meer levende arbeid gebruikt, véél meer loonkosten heeft, dan de gewone metaalverwerkende sector. De gemiddelde arbeidskosten in de elektronische rekenmachinebouw (35 % van de totale kosten) liggen ver boven die van de metaalverwerkende nijverheid. Dit is dan een schoon voorbeeld van een tegenwerkende uitbreiding van het kapitaal. Het kapitaal gaat massaal naar dié sector, waar de gemiddelde organische samenstelling geringer is dan het gemiddelde van de totale industrie. Daardoor wordt dit laatste gemiddelde zelf verlaagd, waardoor de val van de winstvoet tegengehouden wordt.

Ziedaar dus wat die lange expansie kan verklaren.

3. De stagnerende fase van de lange golf

Wat we nu moeten onderzoeken is het tweede schuitje van de analyse, nl. hoe het komt dat dat allemaal omgeslagen is, hoe het komt dat al die krachten vanaf het einde van de jaren ‘60 (of het nu ‘67 of ‘68 was, doet er niet toe) begonnen op te houden met werken. Op een paar uitzonderingen na is iedereen het erover eens dat die periode een ommekeer betekende. Trouwens, de gemiddelde groeivoet van de OESO-landen is nu reeds — van ‘67 tot ‘77 — op de helft van de gemiddelde groeivoet van ‘46-’67 gekomen, wat dus geen kleine, marginale verandering is. Er is dus reeds een empirisch bewijs van een dalende werking. En wanneer we dat zullen extrapoleren naar eind ‘70, begin ‘80 — voorzover we ons aan voorspellingen kunnen wagen — is er geen enkele aanwijzing dat een gemiddelde van 5 à 5,5 % zal kunnen bereikt worden. Daar is, met de gegevens waarover we nu beschikken, binnen afzienbare tijd weinig mogelijkheid toe. Het lijkt dan ook volledig onwaarschijnlijk.

Om die keerpunten te verklaren, gaan we elk van de vier genoemde factoren nog eens apart bekijken.

1. Verhoging van de meerwaardevoet

In werkelijkheid bevat deze analyse twee deelaspecten.

Een eerste betreft de vraag hoe die hoge meerwaardevoet zich zo lang in stand heeft kunnen houden, ondanks een groei van de productie die groter was dan de doorsneegroei, en dus ondanks de tendens, zoniet van volledige tewerkstelling, dan toch naar een zeer hoge graad van tewerkstelling.

Een tweede aspect betreft de vraag waarom die meerwaar-devoet op een bepaald ogenblik is beginnen dalen.

Voor het antwoord op de eerste vraag moeten we verwijzen naar een geweldige uitbreiding van wat Marx het ‘industrieel reserveleger’ noemde. Dit bestaat uit supplementaire arbeidskrachten, nl. miljoenen en miljoenen huisvrouwen, miljoenen gastarbeiders en vluchtelingen die tewerkgesteld worden. Als we voor de drie grote geografische blokken van de imperialistische landen (Noord-Amerika, West-Europa en Japan) de totale som maken, dan komen we tot ongelooflijke cijfers, in de geschiedenis van het kapitalisme nooit eerder gekend, zelfs niet in de hoogtijperiode van de overzeese emigratie op het einde van de 19e eeuw. Waarschijnlijk gaat het dan om een groei van het industrieel reserveleger met 25 à 20 miljoen individuen.

Denk alleen maar aan de geweldige bevolkingsverschuiving in Duitsland : West-Duitsland heeft na de tweede wereldoorlog meer dan 10 miljoen mensen moeten opnemen, waarvan een niet onbelangrijk gedeelte volwassenen waren, die dus moesten tewerkgesteld worden. Denken we bijvoorbeeld aan de grote aantallen gastarbeiders die naar Duitsland zijn gekomen in de jaren ‘60, en als we de vrouwen in loonarbeid erbij rekenen, dan komen we — alleen al voor West-Duitsland — tot een cijfer van 8 à 9 miljoen potentiële bijkomstige loonarbeiders. Daar hebben landverhuizingen op reusachtige schaal plaatsgevonden, niet alleen, zoals iedereen wel weet, uit Joegoslavië, Spanje, Turkije, Griekenland en Noord-Afrika, maar op het hoogtepunt van de ‘boom’ (en dat is men nu al vergeten) werd zelfs begonnen met het aanwerven van duizenden mijnwerkers uit Vietnam (de Vietnamoorlog was toen nog niet gedaan). Nu hoeft dat niet meer, want daar is geen tekort meer aan arbeid, en hier is er nu een tekort aan werkplaatsen, dus... tot Vietnam zal het niet meer gaan, maar zo ver ging het bijna.

Ook de USA heeft sinds het begin van de tweede wereldoorlog een reusachtige immigratie uit Porto-Rico, Mexico en Centraal-Amerika gekend, en er werden miljoenen huisvrouwen in het productieproces opgenomen. In Japan is iets gelijkaardigs gebeurd door een landvlucht op grote schaal. Voor en tijdens de tweede wereldoorlog was Japan een zeer agrarisch land, en in de periode van economische expansie trokken massa’s mensen — ik ken het cijfer niet van buiten, maar ik geloof dat het er meer dan 10 miljoen waren — van het platteland naar de stad.

Men kon dus door een gedurige reconstructie van het ‘industrieel reserveleger’ die hoge meerwaardevoet behouden.

Vanaf een bepaald ogenblik echter — en hier komt dan het antwoord op de tweede vraag — houdt dat op, nl. vanaf het moment dat alle bronnen voor het ‘industrieel reserveleger’ opgedroogd geraken. Dan begint ook, althans volgens een tamelijk mechanistische interpretatie van de marxistische verklaring van de klasseverhoudingen, het aandeel van de lonen in het nationaal inkomen relatief te stijgen, en dus de gemiddelde winstvoet te dalen. Dat zijn dan die twee beroemde curven (het industrieel reserveleger dat kleiner wordt, en het aandeel van de lonen in het nationaal inkomen dat stijgt) die mekaar op een bepaald punt snijden. In Duitsland gebeurde dit op het einde van de jaren ‘50, begin ‘60.

Vanaf het begin van de jaren ‘60 begon de winstvoet in alle imperialistische landen te dalen, in het ene wel vlugger dan in het andere. In de USA kwam er door de oorlog in Vietnam wel een kleine knik in de curve, maar over de hele curve bezien, was er een duidelijke ommekeer zodra het gewicht van de werkloosheid geringer werd, en aldus niet meer op de lonen drukte.

2. Daling van de grondstofprijzen

In het begin van de jaren ‘70 zien we hierin een historisch keerpunt. We kunnen dit met politieke argumenten verklaren, en ik heb dat ook dikwijls gedaan, maar we kunnen het ook — ik doe het bijna een beetje provocerend — zuiver economisch, uit de immanente ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze verklaren.

De verklaring is dan zeer simpel: wanneer, op lange termijn, de relatieve prijzen van de grondstoffen, vergeleken met die van de afgewerkte producten, steeds geringer worden, dan ontstaat een tendens tot verschil van winstvoet tussen de grondstoffensector en de sector van de afgewerkte producten, en dit ten gunste van de tweede. Daardoor zal kapitaal uit de grondstoffensector afvloeien naar de sector van de afgewerkte producten, met als gevolg — daarover zijn liberale en marxistische economen het eens — een evenwichtsstoomis, nl. een relatief tekort aan grondstoffen.

De autoproductie kan niet 20 jaar lang met 10 % per jaar verhoogd worden, en de petroleumproductie met 5 %, zonder ergens te stuiten op een betrekkelijk tekort aan petroleum. Dat heeft niets te maken met gebrek aan natuurlijke bronnen, dat betekent enkel dat er minder geïnvesteerd is in de petroleumproductie.

En ik geloof dat de bewijzen — vooral wat de ‘Seven Sisters’, de zeven grote petroleummaatschappijen van het internationaal petroleumkartel, betreft — tamelijk duidelijk zijn. In de USA spreken de economen — en niet alleen de radicale, maar zelfs de liberale — van een echte samenzwering van die petroleummaatschappijen om op stelselmatige wijze én de petroleumproductie én de bouw van nieuwe raffinaderijen te beperken omdat ze een prijsstijging wensten te provoceren. En daar zijn ze in gelukt.

Er zijn wel politieke zaken aan te pas gekomen, maar ik geloof niet dat die de hoofdverklaring vormen. Want wat er met die politieke factoren gebeurt, zien we als de wet van vraag en aanbod opnieuw begint te werken. De prijs van een zo breed verbruikt product als petroleum kan niet op korte termijn met 300, 400, 500 % verhoogd worden, zonder dat dit de afzet gaat beperken. Dan zal het kartel niet langer standhouden, en daar zien we nu de eerste tekenen van. Maar die prijzen — dat is een voorspelling die ik wel ga maken — gaan nooit terugvallen naar de betrekkelijke verhouding van de jaren ‘40 en ‘50. Ze kunnen betrekkelijk terugvallen, maar ze zullen gedurende 10 à 15 jaar nooit terugvallen naar die vroegere prijs. Hetzelfde geldt voor vele andere, zoniet voor alle grondstoffen.

We zien hier dus een immanente logica die op een bepaald ogenblik de grondstofprijzen verhoogt, en dus beperkend, beknottend werkt op de winstvoet van de verwerkende nijverheid in de imperialistische landen.

3. Versnelde rotatie van het kapitaal

Hier komen we bij een zeer interessant verschijnsel, dat we tot nu toe nog niet hebben behandeld, nl. de dubbele en tegenstrijdige functie van de INFLATIE en van alle vraagstimulerende mechanismen in het laatkapitalisme.

Het is een feit dat al wat we tot nu toe hebben gezegd betrekking heeft op één van de twee fundamentele aspecten van een kapitalistische economie, nl. op de winstvoet. We weten dat de conjunctuurschommelingen, zowel in de korte cyclus als op lange termijn, in laatste instantie bepaald worden door de schommelingen van de winstvoet.

Maar we weten ook dat er geen monocausale verklaring voor de crisis is, evenmin als er een bestaat voor de lange golven, en dat, om een hoogconjunctuur te hebben, steeds twee zaken, die niet automatisch samenvallen, aanwezig moeten zijn, nl. een stijgende winstvoet én een zich uitbreidende markt [6] . Zonder dit laatste kan er geen hoogconjunctuur komen.

Daarvan hebben we overigens een werkelijk doorslaand bewijs gekregen in de USA de jongste twee jaren. Men heeft daar geweldig veel nieuwe koopkracht in omloop gebracht, wat een reusachtig deficit van de staatsuitgaven tot gevolg had [7]. Desondanks was er weinig sprake van hoogconjunctuur, en nog minder van een opgang van de productieve investeringen.

Zelfs wanneer de winst en ook de winstverwachtingen stijgen, dan nog zullen de kapitalisten hun bijkomstige winst niet productief investeren, als ze al met een overcapaciteit van 25 à 20 % zitten. Als een belangrijk gedeelte van de machines niet op volle toeren draait omdat de waren niet verkocht geraken, worden geen nieuwe machines gekocht, zolang er geen aanduiding of waarborg van een bijkomende afzetmarkt bestaat. In zekere zin is dit de tragedie van het kapitalisme, nl. dat een hoogconjunctuur die twee factoren tegelijkertijd vereist.

Wat dit betreft zijn zowel de liberale als de reformistische theorieën van de economische heropleving verkeerd. Ik kan niet weerstaan aan de verleiding om het marionettentoneel, de dialoog tussen doven, die zich al zo dikwijls afspeelde op het ogenblik van een crisis, ten berde te brengen.

De liberale econoom zegt aan de vakbondsman : “Nu moet ge de lonen blokkeren, want er is crisis en alleen als de winsten stijgen, zal de accumulatie van het kapitaal stijgen, en kunnen nieuwe werkplaatsen geschapen worden.” Hij is onsympathiek, maar hij heeft gedeeltelijk gelijk.

Maar de syndicalist antwoordt natuurlijk : “Maar gij zijt krankzinnig : de crisis manifesteert zich in een berg onverkoopbare goederen en gij wilt de koopkracht van de bevolking nog verminderen! Gaat ge meer goederen verkopen door de koopkracht nog te verminderen?” En hij heeft ook gelijk, maar ook maar gedeeltelijk. Dus hebben ze alletwee totaal ongelijk. Om een hoogconjunctuur te hebben moeten zich de twee factoren tegelijk manifesteren. Er moet terzelfdertijd een uitbreiding van de koopkracht en dus van de afzetmarkt, én een stijging van de winst zijn.

Dat is normaal niet gemakkelijk te bereiken in het kapitalisme. Daarom ook heeft dit stelsel om de zeven jaren zijn overproductiecrisis, waar niks kan aan gedaan worden. Ondanks alle mogelijke beloften kan niet vermeden worden dat hetzelfde fenomeen zich altijd weer opnieuw herhaalt. En toch zijn er steeds weer naïevelingen die geloven dat het deze keer niet zo zal zijn, en telkens weer valt het deksel op hun neus.

We moeten dit goed begrijpen. In die expansieve periode van twintig jaar was er OOK een expansie van de markt, meer bepaald, om het in neokeynesiaanse termen te zeggen, een expansie van de markt van de laatste verbruiker. Als dit laatste er niet geweest was, kon de expansie slechts van korte duur zijn. Iedereen maakt die berekeningen, we leven in het tijdperk van de computer en het marktonderzoek. Al de statistieken zijn gekend. Niemand, geen enkele schoenfabrikant, zal veel machines kopen, alleen maar omdat ze goedkoper zijn geworden. Als hij niet weet dat de schoenen ook zullen gevraagd worden door de klanten, zal hij dit niet doen.

Op de vraag welke de hoofdfactor was — ik zeg niet de enige factor, dat zou te simplifiërend zijn — die gedurende die 20 jaren van hoogconjunctuur de expansie van de markt voor de laatste verbruiker mogelijk maakte, antwoord ik: de inflatie. Beter gezegd: de schuldinflatie en nog beter gezegd: de inflatie van de privéschuld méér dan de inflatie van de staatsschuld.

De staatsschuld is daar natuurlijk ook gedeeltelijk verantwoordelijk voor. Het is vanzelfsprekend dat de centrale banken, de ministers van financiën, de eerste minister én de politiekers daar allemaal bij betrokken zijn. Als zij dat niet laten gebeuren, kan het spel niet draaien. Enfin, fundamenteel is het economisch mechanisme zélf de schuld geweest van de groeiende inflatie van kredietgeld, van skripturaal geld. Hoe dat echter samenhangt met het internationaal muntstelsel, met de dollarinflatie en met de ineenstorting van het stelsel van Bretton-Woods ga ik hier niet in detail behandelen.

Om aan te tonen dat inflatie de hoofdfactor was, kunnen we kijken naar de verhouding tussen de totale privéschuld van huisgezinnen en ondernemingen, en het BNP of nationaal inkomen. In de USA is deze op het einde van de tweede wereldoorlog 75 %, in het begin van de jaren ‘70 is dit 150 %. Dit is nogmaals geen kleine verschuiving. De schuld groeit voortdurend vlugger dan het inkomen. De schuldenlast van elk huisgezin, van elk bedrijf groeit vlugger dan het inkomen, met de nodige gevolgen natuurlijk. In West-Europa gebeurde dat matiger dan in de USA. Japan nam hier een tussenpositie in, maar de situatie stond er dichter bij die van de USA dan bij die van West-Europa.

En het is die groeiende inflatie van kredietgeld die in laatste instantie de oorzaak is van al die technische verbeteringen die de versnelling van de rotatie van het kapitaal mogelijk maakten. Het is die kredietinflatie die het mogelijk maakte de producten vlugger en vlugger aan meer en meer mensen te verkopen. Voor diegenen wiens inkomen niet hoog genoeg was, betekende dit ‘op poef’ kopen, wat dan ook meer en meer gebeurt.

Als we naar de diepere bron van die hoogconjunctuur zoeken, kunnen we in zekere zin — het is wel een beetje demagogisch — stellen dat die hoogconjunctuur er in zeer sterke mate een was van ‘door hypotheek gedragen bouwnijverheid’ en van de op afbetaling gekochte auto’s, want de activiteit van deze sectoren heeft een buitengewoon belangrijke rol gespeeld. De bouwnijverheid, de automobielnijverheid en de sector van de electrische huishoud- en andere apparaten zijn de drie sectoren waar het kopen en verkopen op krediet op een kwalitatieve wijze werd uitgebreid, zowel in Amerika zelf als, na de tweede wereldoorlog, in West-Europa en in Japan.

4. Uitbreiding naar landen en sectoren met een lagere organische samenstelling van het kapitaal

Zowel de inflatie als de uitbreiding van het krediet begonnen op het einde van de jaren ‘60 duidelijk als remmen te werken, daar waar ze vroeger als motoren functioneerden. Nu ziet ongeveer iedereen wel in dat de inflatie, vanaf een bepaald ogenblik, een rem op de expansie begint te worden.

Dit inzien was voor een marxist in de jaren ‘60 niet zo moeilijk. Rekening houdend met de fundamentele aggregaten van onze marxistische analyse van het kapitalisme — nl. winst, meerwaarde, looninkomen, variabel en constant kapitaal — is het gemakkelijk te zien dat de werking van de inflatie vanaf een bepaald ogenblik investeringsremmend wordt. Het inflatiepercentage moet daarom helemaal niet met grote sprongen verhogen; een inflatie van 8, 9 à 10 % die lang blijft aanslepen, volstaat om investeringsremmend te gaan werken. De reden is nl. dat, als de winstvoet daalt en de rentevoet stijgt, het simpelweg niet meer rendeert om nog op krediet te investeren.

De idee — die er een is van kleine burgers, niet van grote burgers — dat schulden rijk kunnen maken, is niet onjuist. Als het geld zijn waarde verliest met 10 % en je een hypotheek van 8 % neemt, dan wordt je inderdaad per jaar met 2 % rijker, en je bezit bovendien nog een woning. Deze redenering is echter alleen juist vanuit het standpunt van de kleine burger, die er geen rekening mee houdt waar het geld vandaan komt, of wat het op macro-economisch vlak betekent voor het nationaal inkomen .

Voor een kapitalistische onderneming is deze redenering niet juist. Daar wordt de rekening gemaakt door de hoogte van de winstvoet en die van de rentevoet te vergelijken. Bij een geldwaardeverlies van 10 % moet de rentevoet boven de 10 % liggen om geen negatieve rente te krijgen. Bij een rentevoet die naar 11, 12, 13 % gaat en een winstvoet die terzelfdertijd begint te dalen van 15 naar 12, 11, 10 %, begint na verloop van tijd, nl. als die twee lijnen elkaar snijden, de inflatie een investeringsremmende werking te krijgen.

En dit is reeds zo. ‘t Is duidelijk dat de inflatie vandaag in de meeste kapitalistische landen op halflange termijn — niet dagelijks, en niet in elke fase van de cyclus — maar op halflange en lange termijn investeringsremmend werkt.

4. Enkele conclusies

Ziedaar dus een tamelijk coherente analyse — met dezelfde begrippen en binnen hetzelfde systeem gebouwd — én van de lange golf met expansieve tonaliteit én van de lange golf met stagnerende of afgeremde tonaliteit.

Ik wil de politieke en maatschappelijke conclusies daaruit niet in detail behandelen. Wel wil ik wijzen op één centrale conclusie die terzelfdertijd in zekere zin een milde kritiek aan mijn collega’s inhoudt.

De derde technologische revolutie werkt door, d.w.z. dat we in een periode met hoge jaarlijkse groei van de arbeidsproductiviteit blijven leven. Of om het plastischer uit te drukken: de halfautomatisatie en driekwartautomatisatie breidt zich verder uit. De technologische renten verdwijnen want de nieuwe procédés zijn algemeen verspreid geraakt. Daardoor gaan we een en ander beleven, ik kondig u goed nieuws aan. Juist de prijzen van technisch sterk ontwikkelde producten gaan in de komende maanden en jaren ineenstorten. Dit zal bv. zo zijn wat de kleuren-TV, de zwart-wit-TV, de computer betreft. Het is reeds zo voor de kwartsuurwerken. De technologische renten zullen er verdwijnen, daar de techniek niet langer gemonopoliseerd is, maar algemeen gebruikt wordt. Dit is het hoofdkenmerk van de tweede fase van de lange golf, waar we nu volop in zitten.

De sociale gevolgen daarvan kennen we allemaal. Zowel de kapitalisten, als de arbeiders en de vakbewegingen zijn er zich van bewust dat we, als de jaarlijkse groei van de arbeidsproductiviteit 5 % bedraagt, en de groei van het BNP slechts 2,5 %, niet alleen permanente structurele werkloosheid zullen hebben, maar zelfs het risico van groeiende werkloosheid lopen. In ‘76 steeg bv. de industriële productie in Italië met 12 % en toch daalde de tewerkstelling. Op dit ogenblik zijn er in alle landen van de OESO, ondanks de stijging van de productie met 5 à 10 %, in totaal 15 miljoen werklozen, terwijl er op het hoogtepunt van de recessie slechts 17 miljoen waren. De werkloosheid is praktisch niet verminderd en in sommige landen, zoals in ons land, is het absolute cijfer zelfs gestegen. België is wel een speciaal geval door de bijzondere cyclus van de staalnijverheid.

Een stijgende werkloosheid is dus een reëel gevaar, maar de vakbonden hebben daar te laat op gereageerd, ondanks onze vele waarschuwingen. Want om zo’n zaken te voorspellen moet je geen buitengewoon dikke kop hebben. Het gaat om een tendens die vanaf het begin van de jaren ‘70 overduidelijk was. De vakbonden waren gewaarschuwd, maar ze hebben te laat geluisterd. Dus eisen we 35 urenweek (liever dan 36 uren omdat ik altijd van ronde cijfers hou; 35 = 5 x 7; Hoe je 36 door 5 gaat delen, is moeilijker, dan begin je met minuten te tellen). De veralgemening van de 35 urenweek (als 5 x 7 uren) op internationaal vlak is de onmiddellijke levensnoodzakelijke eis van de arbeidersbeweging om massale werkloosheid te verhinderen.

Nu zien we een triomftocht van de monetaristische school en een eenparig instemmend wereldconcert, inclusief de nobelprijs aan prof. Friedman. Als we dit in de context van de werkelijke economische ontwikkeling, in de context van de werkelijke klassenstrijd plaatsen, dan is het moeilijk te geloven — laat ik me in mijn kritiek aan mijn collega’s zo voorzichtig mogelijk uitdrukken — dat het zuiver toeval is dat, op hetzelfde ogenblik dat het internationaal kapitaal een internationaal offensief inzet tegen de reële lonen, tegen de volledige tewerkstelling, en vóór de verhoging van de winstvoet, plots overal ter wereld, in alle universiteiten het roer wordt omgeworpen en alle keynesiaanse en neokeynesiaanse waarheden afgezworen worden. Men zweert niet meer bij de volledige tewerkstelling, maar geeft absolute prioriteit aan de bestrijding van de inflatie. Laat ze maar beginnen, want het inflatieritme bedraagt nog altijd het dubbele (zoniet meer) van dat van het einde van de jaren ‘60, begin ‘70. Van het einde van de inflatie hebben we nog steeds niets beleefd; van de 15 miljoen werklozen beleven we wél iets.

Zoiets doet je toch een klein beetje twijfelen aan de onpartijdigheid van de economische theorie — ik zeg niet aan de objectiviteit, want ik geloof niet in een samenzwering, ik geloof niet dat daar in een kelder bij kaarslicht een paar kapitalisten met dikke sigaren zitten, die alle decanen van de economische faculteiten bijeengeroepen hebben om hen te zeggen: “En nu ga je morgen een algemene aanval beginnen tegen de volledige tewerkstelling”. Dat loopt zo niet. Het kapitalisme is een structuur. Met welke techniek, door welke bemiddeling bepaalde ideeën heersen in de hoofden van de mensen, inclusief van de mensen die het goed menen, dat is de te beantwoorden vraag. Dat de meeste economen het goed menen, wil ik absoluut niet betwijfelen. Dat ze objectief zijn, dat ze werken met gegevens die reëel zijn en dat zij binnen het raam van hun begrippenstelsel tot zo’n conclusies moeten komen — juist zoals ik binnen mijn stelsel tot de tegenovergestelde conclusies kom — wil ik eveneens niet betwisten.

Ik wil alleen maar zeggen: de neutraliteit in de klassenstrijd, de onpartijdigheid van die begrippenstelsels, van die economische dogma’s, is toch een klein beetje in vraag te stellen door dat eigenaardig internationaal toeval, dat zich sinds het begin van de jaren ‘70 universeel manifesteert.


Voetnoten

[1] Misschien is de UCL (met prof. Dupriez) de enige Belgische universiteit waar over deze theorie wordt gesproken.

[2] Deze laatste heeft waarschijnlijk de belangrijkste bijdrage tot die theorie geleverd vóór de beroemde Kondratieff.

[3] De precieze jaartallen doen er niet toe. Het gaat om de periodes.

[4] De Taft-Hartley — wet legt de vakbondsactiviteit aan banden, voornamelijk door stakingen zeer strikt te reglementeren. Ook opeising van stakers is erin voorzien. Men herinnert zich dat Carter in maart ‘78 die bepaling nog eens uit de schuif haalde tegen de stakende mijnwerkers — zonder succes overigens.

[5] Mattei: leider van een Italiaans staatsbedrijf dat voor levering van olie contracten afsloot met Noord-Afrikaanse landen en met de USSR, hetgeen de monopoliepositie van de Amerikaanse multinationals doorbrak.

[6] Dit is een twistpunt onder marxisten, maar ik sta volledig achter deze stelling, en kan bewijzen dat dit ook de stelling van Marx geweest is.

[7] Het ging, voor de twee jaren samen, om een reusachtig cijfer van 130 miljard dollar, d.i. 4000 tot 5000 miljard BF.