Ernest Mandel
Trotski: zijn bijdrage tot het marxisme


5. De arbeidersraden

In de tegenstrijdige loop der geschiedenis worden vergissingen vaak een bron van kennis. Wanneer het revolutionaire denken in een doodlopende straat is terechtgekomen, kan het plots een nieuwe weg ontdekken. Grosso modo is dit wat Trotski overkwam in verband met het probleem van de organisatie van de arbeidersklasse.

Op zichzelf is er niets positiefs in Trotski’s koppige oppositie tegen Lenins organisatorische concept uit de jaren 1902-3; en de recente, laattijdige pogingen zijn houding te rehabiliteren hebben een a-historisch en steriel karakter. Maar zelfs, de gevolgen die Trotski’s “nonbolsjewisme” tussen 1903 en 1917 op lange termijn heeft gehad lijken thans nog tragischer dan in die tijd. Zij hebben het tussen 1923 en 1928 ongetwijfeld moeilijker gemaakt de bolsjewiekse kaders te winnen voor de centrale punten van zijn strijd tegen de bureaucratie. En indien de meerderheid van dit kader zich aan de zijde van de linkse oppositie had geschaard, zou dat de loop van de wereldgeschiedenis sterk hebben gewijzigd.

Zoals men weet koesterde Trotski een ongezond wantrouwen jegens een sterke partijorganisatie, gescheiden van de massa der arbeidersklasse maar er toch eng mee verenigd. Een dergelijke organisatie is noodzakelijk om programmatische en politieke, geenszins om “administratieve” of “bureaucratische” redenen. Niettemin maakte Trotski’s wantrouwen hem veel gevoeliger voor andere vormen van organisatie der arbeidersklasse dan de traditionele vormen van partij en vakvereniging, die beide normaliter slechts een minderheid van de loontrekkenden omvatten (alleen in enkele kleinere landen zoals België, Oostenrijk en de Scandinavische landen was de grote meerderheid van de loontrekkenden aangesloten bij een vakvereniging tijdens lange periodes van de kapitalistische geschiedenis. En zo begreep Trotski onmiddellijk het historische keerpunt, dat de verschijning van de Petersburgse sovjet in oktober 1905 zou vertegenwoordigen.

Terwijl Lenin aarzelde over het belang van de sovjet en zijn luitenants in het algemeen een wantrouwige houding aannamen, verwelkomde Trotski deze nieuwe vorm van organisatie als de “golf van de toekomst”. Reeds in Resultaten en perspectieven voorspelde hij vol vertrouwen dat het hele uitgestrekte rijk zou bedekt worden met sovjets gedurende de volgende revolutie. Hij ging zelfs zo ver de rechtstreekse democratie van deze sovjet tegenover de onrechtstreekse, representatieve democratie van de traditionele partijen te stellen. De geschiedenis heeft bewezen dat hij op dit punt gelijk had.

Zij heeft zelfs meer bewezen: de sovjets, de arbeidersraden, de basiscomités en andere organen van rechtstreekse democratie zijn gedurende de ganse twintigste eeuw naar voren getreden als de klassieke vorm van zelforganisatie van de arbeidersklasse in vrijwel elk geval waar een werkelijk proletarische revolutie begon — d.w.z. een volkse revolutie waarin de loontrekkenden de meerderheid of een belangrijke minderheid uitmaakten van de feitelijke deelnemers aan het revolutionaire proces. De twee meest recente voorbeelden zijn de Portugese revolutie van 1973-1975 en de Iraanse revolutie van 1979.

De objectieve oorzaken van dit verschijnsel werden niet ten volle begrepen door degenen die deelnemen aan de revolutie van 1905, ook niet door Trotski. Marx en Engels hadden belangrijke theoretische aanwijzingen gegeven met de beroemde Toespraak aan de Liga der Duitse communisten in 1850 en in het bijzonder met hun observaties over de Parijse commune.[1] Het was echter pas na de Russische revolutie van 1917 en de Duitse revolutie van 1918 dat een volledig ontwikkelde theorie van de arbeidersraden zou tot stand komen. Afgezien van Lenin en Trotski zouden verschillende communistische theoretici zoals Gramsci, Boecharin, Korsch (en, op veel tegenstrijdiger en dubbelzinniger wijze, Max Adler en Pannekoek, de eerste aan de rechterzijde, de andere aan de ultralinkse zijde van het marxistisch denken) een bijdrage leveren tot de analyse. Het is echter nogmaals Trotski die de eer toekomt deze denkrichting te hebben ingezet. Hij ijkte ook het sleutelconcept van zelforganisatie, dat deze gedachtegang zo bewonderenswaardig samenvat en onmiddellijk aangeeft dat we te maken hebben met een universeel verschijnsel, dat geenszins uitsluitend Russisch is.

Een van de wortels van het probleem ligt in de hierboven besproken tendens naar een nieuwe arbeidsverdeling — en bureaucratisering — binnen de massaorganisaties van de arbeidersklasse. Ofschoon het de brede massa der arbeiders meer dan een decennium kostte om de ervaring te vergaren die noodzakelijk is om enkele van de fundamentele vraagstukken die in dit verband rijzen te begrijpen, zou het een grove onderschatting van de intelligentie en de praktische zin van de meer ontwikkelde lagen van de arbeidersklasse zijn te geloven dat niemand onder hen besefte dat ze een tijger bij de staart hadden. Een aantal anarchisten bracht dit vraagstuk in een zeer vroege fase te berde; zij leverden bepaalde bijdragen die, hier minder dan in andere aangelegenheden, geenszins “kleinburgerlijk” of “reactionair” zijn. Reeds in 1898 wierp Kautsky in zijn boek De oorsprong van het christendom zelf de mogelijkheid op van een conservatieve bureaucratisering van de massabeweging der arbeiders, gelijkend op die welke de katholieke kerk doormaakte toen het christendom een staatsgodsdienst werd.

Dit groeiende, zij het tot beperkte voorhoedekringen begrensde bewustzijn bracht echter geen snel antwoord op de vraag hoe men het gevaar kon overwinnen. De anarchistische oplossing — kleinere groepen, grotere nadruk op individuele emancipatie en actie, zelfbeheer in proudhonistische zin, met het gevaar dat wareneconomie en de heerschappij van de markt bewaard of opnieuw ingevoerd zullen worden — was weinig overtuigend en nog minder praktisch. De geschiedenis heeft zich immers ontwikkeld in de richting van steeds groter wordende massaorganisaties. En in het enige land waar de anarchisten de ideologische hegemonie in de arbeidersbeweging behielden — Spanje, of liever de Catalaanse, Aragonese en Levantijnse sectoren van de Spaanse arbeidersbeweging — heeft de C.N.T.-F.A.I. ook te kampen gehad met alle problemen in verband met de massaorganisaties van arbeiders, met inbegrip van de tragische praktijk van klassensamenwerking en regeringsdeelname met de burgerij.

Het antwoord van de pseudo-leninisten — alle gevaren kunnen vermeden worden dank zij de invloed van de “zuivere” revolutionaire partij — is evenmin erg geloofwaardig. Het berust op het theorema van de onfeilbaarheid van de partij, of erger nog van de partijleiding, wat een artikel des geloofs en geen wetenschappelijke stelling is.

Bovendien verwerpt deze stelling de mogelijkheid van de bureaucratisering van de revolutionaire partij zelf. Een goed programma vormt geen waarborg voor een goede politiek in alle omstandigheden, vooral wanneer een partij geconfronteerd wordt met de onvermijdelijke wisselvalligheden van het werkelijke leven. Politieke debatten en strijd zijn onvermijdelijk binnen een revolutionaire partij, maar bieden geen waarborg voor juiste antwoorden. Alleen de praktische ervaring kan tenslotte aanwijzen wie gelijk en wie ongelijk had. De betrekkingen met de arbeidersklasse en met haar strijd zijn echter op zichzelf een machtig proefterrein voor de revolutionaire theorie in nieuwe en controversiële situaties. Deze betrekkingen moeten noodzakelijkerwijze veel verder reiken dan de grenzen van de partijleden en aanzienlijke sectoren van het proletariaat omvatten — of tenminste de militante en meest bewuste delen ervan. Hoe zullen deze banden tot stand worden gebracht in betrekkelijk “normale” tijden? Hoe zullen zij zich ontwikkelen bij stormachtige gebeurtenissen, gedurende echte revolutionaire crisissen?

Op dit punt van de analyse wordt het zoeken naar waarborgen tegen bureaucratisering en opportunistische afwijking van de massaorganisaties van de arbeidersklasse gesneden door een studie van de objectieve tendensen in het gedrag van de arbeidersklasse. Sinds de dag van haar ontstaan is de arbeidersbeweging steeds, boven de onmiddellijke doeleinden van een bepaalde organisatievorm heen, begeleid geweest door een instinctieve neiging van de klasse tot het overwinnen van ondergeschiktheid en vervreemding, d.w.z. het noodlot dat iemands bestaan gedicteerd en gedomineerd wordt door krachten buiten hem om. Deze ondergeschiktheid is een sleutelaspect in het bestaan van de loontrekkenden: in het arbeidsproces op het niveau van de fabriek; in zijn inschakeling in de kapitalistische productiewijze als geheel; in zijn verhouding tot de burgerlijke maatschappij als een verbruiker, een burger, een kiezer, een soldaat. Orders gehoorzamen, instructies volgen is zijn dagelijks lot; zijn eigen lot bepalen, zijn eeuwenoude droom.

Waar deze droom slechts op een wazige en marginale wijze tot uiting kan komen in normale tijden — d.w.z. met een normaal functionerende kapitalistische economie en een standvastige burgerlijke staat — ontvangt hij een machtige stimulans van elke hogere vorm van mobilisatie en strijd van de arbeidersklasse. Talloze waarnemers hebben het gevoel van vreugde, geluk en plots ontdekte vrijheid vastgesteld dat massastakingen begeleidt, tenminste die stakingen die gekenmerkt worden door een minimum aan massaparticipatie en spontaneïteit. Het is niet toevallig dat de Franse algemene stakingen en fabrieksbezettingen van juni 36 en mei 68, waartussen een tijdspanne van 32 jaar ligt, zowel door deelnemers als door critici werd beschreven als “la fête": het festival of de vreugdevolle viering. Het is inderdaad alleen door een dergelijke massale strijd en zelforganisatie dat de arbeidersklasse het gevoel krijgt een geweldige, grenzeloze kracht te bezitten — en dat gevoel inderdaad overeenstemt met de objectieve werkelijkheid. De werkelijkheid bevestigt dan immers wat het oude arbeiderslied voorspelde: alle raderen staan stil indien jouw machtige arm dat wil. Het is ook alleen in dergelijke omstandigheden dat de arbeidersklasse begrijpt dat zij het vermogen bezit de maatschappij te veranderen: dat zij een ander soort economie, een ander soort staat, een andere arbeidsorganisatie, een andere cultuur kan opbouwen, verschillend van die welke door het kapitalisme werden opgelegd. Deze massale strijd moet echter leiden tot een andere, hogere vorm van organisatie dan de vakbond: een vorm die de totaliteit van de strijdende arbeiders omvat, of zij nu permanent georganiseerd zijn of niet. Zij moet leiden tot een organisatie die gericht is op het behalen van de overwinning in de strijd, wat ook de betrekkelijke financiële kracht van de vakbonden bij de aanvang is; die de weerstand van de arbeiders kan structureren en de solidariteit van steeds grotere bevolkingslagen daarmee kan verbinden: de vrouwen en gezinnen van de stakers, plaatselijke buurtschappen, andere groepen arbeiders, kleine boeren, winkeliers die voedsel en krediet aanbieden, organen van zelfverdediging, enz.

Een democratisch verkozen comité, dat verantwoording verschuldigd is aan de algemene vergadering der stakers en alle stakende fabrieken verenigt, is het klassieke prototype van deze vorm van zelforganisatie.[2] En wanneer zulk een raad van afgevaardigden van stakingscomités een groot gedeelte van de bevolking van een grotere stad omvat, begint haar structuur verder te reiken dan de begrensde noden van een “zuiver economische” strijd. Hij organiseert de geldmiddelen, de zelfverdediging, de voedselvoorziening, de informatie, de solidariteit, de public relations (persbulletins enz.) en het vervoer. Hij kan zover gaan dat hijzelf de productie in bezette fabrieken organiseert onder het toezicht van de arbeiders. Wat is dit anders dan een nieuw openbaar bestuur in embryonale vorm, d.w.z. een toekomstige arbeidersstaat gebaseerd op arbeidersraden, arbeiders- (of socialistische) democratie als een vorm die hoger is dan de hoogst ontwikkelde vormen van de burgerlijke democratie? Het eerste stakingscomité dat op nationaal vlak daadwerkelijk deze weg opging en een soort van voorregering werd met bepaalde regeringsfuncties was het centrale stakingscomité dat door de Finse arbeiders werd opgericht tijdens de algemene staking van oktober 1905.

Vanzelfsprekend is het verschijnen van deze nieuwe vorm nauw verbonden met objectieve desintegratie van de burgerlijke staatsmacht en met de groeiende aanvaarding door de bevolking van de wettigheid van de nieuwe machtsorganen als het werkelijke gezag. M.a.w., het is verbonden met de dynamiek van een werkelijk revolutionaire crisis.

Trotski heeft deze dynamische combinatie van revolutie en zelforganisatie vroeger en beter begrepen dan wie ook in de internationale arbeidersbeweging. Vandaar zijn dramatische tussenkomst op de slotzitting van de Petersburgse Sovjet in 1905, toen hij de Kozakken die gekomen waren om de sovjet te ontbinden beval te wachten tot de zitting officieel was gesloten. (De Kozakken gehoorzaamden werkelijk aan zijn bevel en toonden daardoor op hun eigen wijze dan dat zij instinctief voelden dat een nieuwe macht was geboren).[3] Dit inzicht wierp ook rijkelijk vruchten of tijdens de onmiddellijke voorbereiding van de oktoberopstand: op dit tijdstip verklaarde het ene regiment na het andere van het garnizoen van Petrograd openlijk zijn steun aan het revolutionaire militaire comité, dat zij erkenden als een hogere autoriteit, wier orders die van de algemene legerleiding te boven gingen. Tengevolge van dat politiek succes kostte de eigenlijke opstand slechts vijftien doden en zestig gewonden, aangezien vrijwel niemand overbleef die de wettigheid en het gezag van de voorlopige regering erkende.

Zeker, er zijn talrijke overgangsvormen tussen een democratisch stakingscomité en een volledig ontwikkelde arbeidersraad; een voorbeeld is de beweging van de shop stewards en de arbeiders in Groot-Brittannië onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog. Trotski heeft nooit een dogmatische houding aangenomen betreffende de specifieke en niet steeds zuivere vorm waarin een situatie van dubbele macht zou kunnen ontstaan in een revolutionaire crisis. Zij zou kunnen ontstaan uit fabriekscomités, zoals het geval was in Duitsland in 1923; of zij zou kunnen groeien uit eenheidsfrontcomités, zoals Trotski hoopte dat zou gebeuren in Duitsland in 1930-33, Frankrijk in 1934-36 en zoals het geval was in Spanje in 1936.[4] In zoverre dat dergelijke eenheidsfrontcomités vaak mechanisch zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van elke grotere arbeidersorganisatie, op een basis die besloten is aan de top, in zoverre zij niet verkozen zijn en de ongeorganiseerde stakers niet vertegenwoordigd zijn, vormen dergelijke comités duidelijk lagere vormen van zelforganisatie dan echte arbeidersraden. Maar in zoverre zij zich uitbreiden tot elke fabriek, buurtschap en dorp en er daarom toe neigen een enorm aantal mensen te organiseren en mobiliseren, zijn zij duidelijk meer dan “organisatorische kartels” (of, slechter nog, “bureaucratische kartels”). Zij zijn een stap in de richting van de echte sovjets. Of zij werkelijk sovjets worden, zal dan afhangen van een waaier van voorwaarden, niet op de laatste plaats de krachtsverhouding tussen verschillende stromingen binnen de arbeidersbeweging zelf — hoofdzakelijk tussen de voorhoede en de bureaucratische apparaten.

Als de hoogste vorm van eenheid en zelforganisatie van de arbeidersklasse verwijzen arbeidersraden ook duidelijk naar de omvang van de massamobilisatie, de soepelheid van de organisatorische vormen en de kwalitatieve verandering in de activiteit die de massa’s kunnen ontwikkelen. Zoals Marx onderstreepte in zijn commentaren op de Parijse Commune is dit inderdaad een hogere vorm van democratie: zij begint de scheidingsmuur of te breken tussen de passieve kiezers en degenen die actief bij de regeringszaken zijn betrokken, zij begint de scheiding tussen de wetgevende en de uitvoerende functies op te heffen. Al die elementen van onrechtstreekse representatieve democratie, die kenmerkend zijn voor de burgerlijke democratie en die ertoe neigen ook de bureaucratische massaorganisaties binnen te dringen en de rechten en de zelfactiviteit van de massa’s te beperken, beginnen hier te wijken voor een groeiend aantal elementen van rechtstreekse democratie, die kenmerkend zijn voor de proletarische democratie. Volgens Marx’ definitie is socialisme een systeem van geassocieerde producenten. En de normale vorm waarin dergelijke producenten hun zaken beheren is er een waarin de arbeidsverdeling — zoals ze in de traditionele burgerlijke of, meer algemeen, klassenmaatschappij heerste tussen enerzijds degenen die beheren en anderzijds degenen die in het beste geval enige zeggenschap (of een stem uit te brengen hebben) over de beheerders, zonder rechtstreeks deel te hebben aan de regeringszaken — radicaal verminderd wordt en begint te verdwijnen.

Vanzelfsprekend is het voor de arbeidersklasse, die onder het kapitalisme per definitie uitgebuit, onderdrukt en vervreemd is, niet gemakkelijk om spontaan een sprong te maken naar de hoogste vorm van zelforganisatie, zelfs in omstandigheden van massastaking. Weliswaar zal een aantal voorbereidende ervaringen de reusachtige toename in bewustzijn, die vereist is voor het ontstaan van de arbeidersraden, gemakkelijker maken. Het valt echter te betwijfelen of dit proces een wezenlijk spontaan karakter heeft. De feitelijke verschijning van de arbeidersraden op nationale schaal vereist waarschijnlijk een zeer subtiele, complexe interactie van verschillende factoren: toenemende ervaring op gebied van massastrijd in sleutelsectoren van de arbeidersklasse; een proces van differentiatie binnen de klasse, dat een brede voorhoede schept van ontwikkelde arbeiders, die bepaalde gevolgtrekkingen uit deze ervaringen hebben getrokken; een groeiend en gezond wantrouwen vanwege dergelijke arbeiders jegens de reformistisch-parlementaire strategieën en de politiek van de arbeidersbureaucratieën in het algemeen; en de versterking van de revolutionaire partij en haar invloed onder de brede voorhoede van de arbeiders.

Ofschoon de eerste sovjets bij hun ontstaan onafhankelijk waren van het bolsjewisme, was dit dan ook niet langer het geval toen ze zich vormden in 1917. Trotski zelf zou geleidelijk zijn standpunten uit de periode 1905-1914 wijzigen; meer en meer zou hij de verhouding tussen de zelforganisatie van de arbeidersklasse (arbeidersraden) en de afzonderlijke organisatie van de revolutionaire voorhoede gaan zien als een dialectische eenheid van tegengestelde polen en niet als een verhouding van wederzijdse uitsluiting. De voorhoedepartij kan de klasse niet vervangen bij de verovering en de uitoefening van de macht. Niettemin zullen organen van zelforganisatie van de arbeidersklasse, die de talloze verschillende niveaus van bewustzijn en activiteit omvatten, zonder de voorhoede de macht veroveren noch haar op langere termijn uitoefenen. Via organen van zelforganisatie kan de voorhoedepartij de politieke hegemonie verkrijgen binnen de klasse als geheel en strijden — niet met administratieve, maar met politieke middelen — om die hegemonie te consolideren en te handhaven. Dit kan en moet gepaard gaan met respect voor en verdediging van de democratische structuur van de arbeidersraden, die de noodzakelijke voorwaarde is opdat zij organen van macht kunnen blijven en een maximale eenheid in de actie van de klasse in haar geheel kunnen behouden.

Men heeft aangevoerd dat Trotski’s concept van zelforganisatie van de arbeidersklasse, dat een op actieve wijze door de grote meerderheid van het proletariaat gesteunde massaopstand impliceert, in strijd was met zijn activiteit als organisator van een “geheime samenzwering” op de vooravond van de oktoberrevolutie.[5] Deze opwerping laat echter het onmiskenbare feit buiten beschouwing dat een grotere meerderheid van de Russische arbeidersklasse — ja zelfs van de stedelijke bevolking — zich in vrije, open verkiezingen onmiskenbaar had uitgesproken voor een verovering van de macht door de sovjets. Deze meerderheid was zelfs versterkt door de verkiezingen van de grondwetgevende vergadering, waarbij twee derden van de stedelijke bevolking de sovjetmacht ondersteunden. Het is echter ook een feit dat de vernietiging van de overblijfselen van de burgerlijke staatsmacht naast politieke ook zuiver technische problemen opwierp: zij vereiste naast mobilisatie en activiteit van de massa ook gespecialiseerde organen als de Rode Wachten (die de zenuwcentra van de macht hebben bezet, het Winterpaleis hebben bestormd enz.) Beide waren wezenlijke elementen van de opstand, die precies om deze reden niet kan worden gedegradeerd tot een “geheimzinnige samenzwering”, die de openlijke activiteiten van de sovjets gebruikte als een handige “cover”. Trotski toonde zich een meester in het tot stand te brengen van deze integratie; precies zoals hij deed op gebied van de socio-politieke en militaire problemen van de burgeroorlog, heeft hij een schema van veralgemeende theorie nagelaten dat tot op de dag van heden enig blijft in de marxistische literatuur.

Onder de zware druk van massale hongersnood en een gevaarlijke ontbinding van de kracht van de arbeidersklasse — ook in fysieke, numerieke zin — zag de bolsjewistische regering er zich in de periode 1920-21 toe gedwongen de sovjetdemocratie streng te beperken door sovjetoppositie partijen en -formaties te verbieden en het recht op fractievorming binnen de bolsjewistische partij zelf uit te schakelen. Trotski zelf steunde deze maatregelen van ganser harte. Of zij onvermijdelijk waren om de dictatuur van het proletariaat te redden, zou alleen een gedetailleerde kritisch-historische studie kunnen aantonen.

Trotski heeft deze maatregelen echter niet alleen vanuit pragmatisch oogpunt verdedigd. Hij trachtte ze theoretisch te rechtvaardigen en ging zelfs zo ver boudweg te verklaren dat de revolutionaire partij onder bepaalde omstandigheden de arbeidersklasse dient te vervangen bij de uitoefening van de politieke macht. Daarmee maakte hij een theoretische ommezwaai door alles te ontkennen wat hij bijna twee decennia had verdedigd betreffende de zelforganisatie van de massa en door precies die substitutionistische afwijking uit te drukken die hij — ten onrechte — aan Lenin had toegeschreven tijdens de debatten van de jaren 1903-4. Terugblikkend kunnen wij thans met overtuiging zeggen dat deze formuleringen theoretisch verkeerd waren. Verschillende passages uit Terrorisme en Communisme en uit de toespraken van Trotski op het IXe en Xe congres van de KPSU dienen beschouwd te worden als niet te rechtvaardigen verontschuldigingen voor gangbare praktische maatregelen, niet als verrijkingen van de marxistische theorie.[6] In De verraden revolutie vat Trotski het historische proces, dat ingezet werd in 1900-21, samen met de volgende messcherpe zinnen, die ook van toepassing zijn op sommige van zijn eigen geschriften: “De opheffing van de sovjetpartijen leidde tot de opheffing van de fracties. De opheffing van de fracties leidde tot de consolidatie van de bureaucratie”. Reeds in 1934 had hij categoriek verklaard: “Bij ons zijn de sovjets gebureaucratiseerd tengevolge van het politieke monopolie van een enkele partij, die zelf een bureaucratie was geworden.”[7] Dit dilemma werpt essentieel de vraag op of er in de postkapitalistische maatschappijen een “derde weg” is tussen enerzijds een op een meerpartijen-systeem en bewust, geïnstitutionaliseerd stimuleren van de politieke activiteit der arbeidersklasse gegrondveste heerschappij van de arbeidersraden en anderzijds de administratieve (hetzij terroristische, hetzij “goedaardige”) heerschappij van de bureaucratie. Rosa Luxemburg had deze mogelijkheid reeds in 1918 op categorieke wijze ontkend.[8] En in onze ogen heeft de geschiedenis aangetoond dat zij tenminste op dit punt van haar kritiek op de bolsjewieken gelijk had (geenszins op alle andere punten). Trotski’s formule uit 1936 lijkt erop te wijzen dat hij tot een gelijkaardige gevolgtrekking was gekomen. Men heeft ook gesuggereerd dat Trotski’s theorie van de permanente revolutie, die culmineerde in het concept dat de betrekkelijk zwakke en cultureel achtergebleven arbeidersklasse de macht diende te grijpen in Rusland, hem kwetsbaar maakte voor precies dat soort “jakobijnse” afwijkingen waarvan hij Lenin verdacht in zijn jeugd. Trotski zou de politieke rijpheid van het Russische proletariaat hebben overschat, evenals zijn vermogen lange tijd een hoog peil van politieke mobilisatie te handhaven, zelfs onder buitengewoon ongunstige omstandigheden. Toen de gebeurtenissen aantoonden dat dit onrealistisch was, zou hij wel verplicht geweest zijn van koers te veranderen en substitutionistisch te gaan denken.

Welnu, dit argument is duidelijk anachronistisch. Indien het overeenstemde met de werkelijkheid zou Trotski in 1906 of in 1917 de gedachte verdedigd hebben dat het Russische proletariaat in staat was vele jaren lang alleen de macht uit te oefenen in Rusland, zonder een uitbreiding van de revolutie naar andere landen. Maar zoals men weet ging zijn redenering in precies de tegengestelde richting; indien hij zich al vergiste was het in die zin dat zowel hij als de bolsjewieken een te lage dunk hadden van de politieke luciditeit van het Russische proletariaat en van zijn vermogen tot het handhaven van een hoog peil van mobilisatie tijdens een lange burgeroorlog.

Maar onlangs heeft men opnieuw kritiek uitgebracht op het concept van de zelforganisatie van de arbeidersklasse, ja zelfs tegen het concept van de uitoefening van de staatsmacht door democratisch verkozen arbeidersraden.

Deze kritiek is ongetwijfeld meer geraffineerd dan de grove, vulgaire argumenten van sociaaldemocratische (gewoonlijk te identificeren met liberaalburgerlijke) en stalinistische origine. Laten wij het meest typische voorbeeld nemen, de kritiek die vervat is in het boek van Rudolf Bahro.[9] Bahro’s argument berust wezenlijk op twee noties. Aangezien de kracht der arbeidersraden wezenlijk geconcentreerd is in de arbeidsverdeling die voortgebracht werd door de burgerlijke maatschappij; het zijn instellingen die ontspruiten uit het kapitalisme en zijn als zodanig niet in staat een werkelijk socialistische, klassenloze maatschappij te leiden. In het bijzonder worden de arbeidersraden verondersteld niet in staat te zijn een particularistisch (gefragmenteerd) bewustzijn te overstijgen en een bijdrage te leveren tot het verschijnen van dat algemene bewustzijn, dat slechts het product kan zijn van algemene — in tegenstelling tot specifieke — arbeid.

Wat hier werkelijk wordt uitgedrukt is twijfel aan, indien al niet verwerping van de fundamentele hypothese van het wetenschappelijk socialisme: namelijk, dat een klassenloze maatschappij alleen kan ontstaan door de versmelting van het programma van het revolutionaire marxisme met de sociale (met inbegrip van de materiële) belangen van een sociale klasse (een sociale kracht) die voldoende macht en capaciteiten bezit om zulk een onderneming objectief mogelijk te maken. Indien men gelooft dat de arbeidersklasse niet in staat is zich te bevrijden van de intellectuele, morele, psychologische en culturele kluisters van het kapitalisme, zelfs in de gunstige omstandigheden van een revolutionaire crisis en een revolutionaire overwinning, dan wordt het socialisme een zuivere utopie. Want aangezien er geen andere sociale kracht bestaat die zelfs maar een fractie bezit van het objectieve en subjectieve potentieel van het proletariaat voor de socialistische wederopbouw, moet men terugkeren naar het niveau van de individuele hergroepering om een passend revolutionair subject te vinden — zonder het minste bewijs dat zulk een individuele hergroepering ooit meer zal omvatten dan een minieme minderheid van de maatschappij.

Het specifieke verband tussen de macht van de massa, de massa-activiteit en de geweldige, sprongsgewijze vooruitgang in het individueel bewustzijn, die mogelijk gemaakt werden door arbeidersraden, een revolutionaire partij en een meerpartijensysteem: dit alles is aanleiding tot een vage hoop op vooruitgang van het “algemeen bewustzijn”. Aangezien de vraag wie de beslissingen zal nemen die de “algemene” in tegenstelling tot de “particuliere” belangen uitdrukken opengelaten wordt, is het intussen tenminste mogelijk, indien al niet onvermijdelijk, dat de macht in handen zal blijven van een gebureaucratiseerde staat, al wordt die dan eerder door een verlichte elite dan door middelmatige partijfunctionarissen geleid. Bahro heeft het alternatief niet begrepen tussen een staatsapparaat dat onafhankelijk is van de massa der burgers, en de raden, die de enige historisch gegroeide vorm van zelfregering en controle door de massa’s zelf vertegenwoordigen. Een “liga van communisten”, die slechts een minderheid omvat, is beslist geen vervanging voor massacontrole, zelfs indien zij het hoogste niveau van “algemeen bewustzijn” belichaamt.

_______________
[1] Het is interessant te noteren dat in landen waar de arbeidersklasse geen of weinig revolutionaire traditie bezat, gelijkaardige ontwikkelingen verschenen in de grote stakingsbewegingen. Zie Philip S. Foner, The Great Labor Uprising of 1877, New York 1977, waarin de staking van 1877 te St. Louis beschreven wordt als de eerste “werkelijk algemene staking in de geschiedenis”; deze beweging zou op 25 juli leiden tot een situatie waarin het uitvoerende comité der stakers werkelijk de stad regeerde. Tijdgenoten spraken van de commune van St. Louis, latere geschiedkundigen van de St. -Louis-sovjet (Op. cit., pp. 178-80). Over de “gecoördineerde” of centrale stakingscomités (en, in tenminste 54 steden, de “actieraden”) die gevormd werden gedurende de Britse algemene staking van 1926 verwijzen wij naar Christopher Farman, May 1926 : The General Strike, London 1974, pp. 193-208
[2] Zie Trotsky, 1905, Harmondsworth 1973, pp. 125-9
[3] Roy Medvedev, The October Revolution, New York 1979.
[4] Met verbazingwekkende vooruitziendheid voorspelde Trotski in de late zomer van 1934 de oprichting van een militie van Catalaanse arbeiders. Hij ging verder : “Elk regiment kiest zijn comité en elk comité zendt een afgevaardigde naar het centrale comité van alle militie-eenheden in Catalonië. Het centrale comité — d.w.z. de centrale sovjet — zal dan optreden als de politieke staat, maar op de allereerste plaats als een controleorgaan en dan als de centrale autoriteit voor de reserves en de uitrusting van de strijdkrachten”. (“Le Conflit Catalan et les Taches du Proletariat”, in Trotsky, oeuvres, Vol. 4, Paris 1979, p. 185.) Het was precies in die vorm dat de dubbele macht verschenen is gedurende de zegevierende opstand der arbeiders tegen de fascistische coup van juli 1936. Zelfs het “centrale comité van militie-eenheden” zou er zijn!
[5] Over de interrelatie tussen sovjets, vakbonden en de revolutionaire partij in Trotski’s denken verwijzen wij naar Livio Maitan. “Gli Strumenti della Classe Operaia in Trockij”, in Storia del Marxismo Contemporaneo, Milan 1974, pp. 826-42, en Maitan, Trockij oggi, Turin 1959.
[6] Zie Trotski’s toespraak op het l0e congres van de RCP: “De arbeidersoppositie heeft gevaarlijke slogans voortgebracht die de principes van de democratie tot een fetisj maken. Zij lijkt de stemrechten van de arbeiders boven de partij te hebben geplaatst, alsof de partij niet het recht had haar (sic) dictatuur te verdedigen, zelfs indien die dictatuur voor een tijd in botsing zou komen met de voorbijgaande mode van de arbeidersdemocratie.” (Geciteerd in Isaac Deutscher. The Prophet Armed, (vervolg p. 65) (vervolg) Oxford 1963, p. 508.) Om Trotski recht te laten wedervaren moeten wij erop wijzen dat hij zichzelf reeds in 1925, indien niet reeds in de Nieuwe Koers van 1923, verbeterde en duidelijk het historische dilemma verwoordde: “Wij moeten het socialisme niet opbouwen via de bureaucratische weg, we moeten geen socialistische maatschappij scheppen voor administratieve orders; slechts door het grootste initiatief, de individuele activiteit, volharding en veerkracht van de opinie en de wil van een massa van vele miljoenen — alleen in deze omstandigheden — is het mogelijk het socialisme op te bouwen. De opbouw van een socialistische maatschappij is alleen mogelijk met de groei van een echte revolutionaire democratie.” (Izvestia, 2 juni 1925). Men dient ook op te merken dat Trotski in 1933 een radicale verbetering aanbracht in de positie die hij voor en tijdens het tiende partijcongres had ingenomen betreffende de vakbondskwesties. Hij schreef: “De betrekkelijke onafhankelijkheid van de vakbonden is een noodzakelijk en belangrijk correctief in het sovjetstaatsysteem, dat onder druk staat van de boerenstand en de bureaucratie. Tot de tijd komt dat de klassen opgeruimd zijn moeten de arbeiders zichzelf, zelfs in een arbeidersstaat, met de hulp van hun professionele organisaties verdedigen. Met andere woorden: de vakbonden blijven net zo lang vakbonden als de staat blijft, d.w.z. een apparaat waardoor dwang wordt uitgeoefend.” (Trotsky Archives, No. T. — 3542, genoteerd in Richard B. Day, Leon Trotsky and the Politics of Economic Isolation, Cambridge 1973, pp. 186-7).
[7] “If America Should Go Communist”, in Writings of Leon Trotsky 1934-1935, New York 1971, p. 79.
[8] “Maar indien men het politieke leven in het land als geheel onderdrukt, moet het leven in de sovjets ook meer en meer verlamd worden. Zonder algemene verkiezingen, zonder onbeperkte vrijheid van pers en vergadering, zonder een vrije meningsstrijd, sterft het leven uit in alle openbare instellingen, wordt het een loutere karikatuur van het leven, waarin de bureaucratie overblijft als het enige actieve element.” (Rosa Luxemburg, The Russian Revolution, Ann Arbor, 1961, p. 71.)
[9] Rudolf Bahro, The Alternative in Eastern Europe, NLB London 1978.