Ernest Mandel


Methodologische problemen bij het bepalen van de klassennatuur van de burgerlijke staat


Geschreven: 1980
Eerste publicatie: Methodisches zur Bestimmung der Klassennatur des Bürgerlichen Staates in Marxismus und Anthropologie. Festschrift für Leo Kofler, Bochum, Germinal Verlag.
Deze versie: Methodologische problemen bij het bepalen van de klassennatuur van de burgerlijke staat, uit tijdschrift Toestanden, socialistisch theoretisch tijdschrift, jaargang 1, augustus 1981, nr. 3. (Vertaald door Monique Laenen).
Transcriptie: Adrien Verlee, april 2004
Omzetting naar HTML: Maarten Vanheuverswyn, voor het Marxists Internet Archive, april 2004



In het historisch materialisme wordt zodoende het principe van de dialectische relatie tussen het bijzondere en het algemene, die het wezen van de verschijnselen onthult, tot theoretisch principe van de dialectische geschiedbeschouwing verheven.

L. Kofler, Geschichte und Dialektik

De discussie over de bepaling en verklaring van de klassennatuur van de burgerlijke staat heeft zich de laatste jaren beduidend uitgebreid. Hoewel zij nog hoofdzakelijk in de DBR, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië gevoerd wordt, is het door de problematiek van de “Stamocap-theorie” debatten en door de debatten over de klassennatuur van de “nationaal democratische staat” (in enkele vroegere kolonies in Afrika en Azië) toch een discussie die werkelijk over heel de wereld gevoerd wordt. Wij willen het hier niet zozeer hebben over de specifieke inhoud van de belangrijkste werken die tot hiertoe over dit onderwerp verschenen zijn. Het is eerder onze bedoeling enkele algemene problemen te berde te brengen in verband met de toepassing van de methode van het historisch materialisme op het probleem van de klassennatuur van de burgerlijke staat, problemen die rechtstreeks of onrechtstreeks een belangrijke rol in deze discussie spelen.

1

De beslissende categorie van de materialistische dialectiek is die van de door innerlijke tegenstellingen tot verandering drijvende en gedreven totaliteit. De vormen van de beweging zelf zijn verschillend (bv. slechts kwantitatieve veranderingen mogen niet met kwalitatieve veranderingen gelijkgeschakeld worden). Maar de beweeglijkheid van de structuur is net zo beslissend als het karakter van de structuur. Voor het historisch materialisme bestaan geen eeuwige, onveranderlijke vormen in gelijk welke maatschappelijke verschijnselen.

De categorie van de totaliteit die vol tegenstellingen en dus veranderlijk is, kent aan het onderzoek naar de oorsprong, naar de bewegingswetten en naar de voorwaarden van hun verdwijnen een geprivilegieerde plaats toe in het marxistische onderzoek, zowel wat de verschijnselen van de maatschappelijke onderbouw betreft, als die van de maatschappelijke bovenbouw. Voor het historisch materialisme wordt het “zijn” van elk maatschappelijk verschijnsel alleen als en door zijn “worden” begrepen en erkend.

In deze zin kan vooropgesteld worden, dat elke poging om het klassenkarakter van de burgerlijke staat te definiëren door abstractie te maken van de historische oorsprong van die staat, d.w.z. door uitsluiting van de genetische methode, in tegenspraak moet komen met het historisch materialisme. Elke poging het karakter en het wezen van de burgerlijke staat rechtstreeks uit de categorieën van Marx’ “Kapitaal” af te leiden — zij het uit het “kapitaal in het algemeen”, zij het uit de ruil- en handelsverhoudingen aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij, zij het uit de valorisatievoorwaarden van het kapitaal — ziet over het hoofd dat de burgerij de staat, d.w.z. de van de maatschappij losgemaakte en tot autonome instelling verheven staatsmachine, niet zelf gemaakt heeft.

Ze heeft er zich tevreden mee gesteld de staat, zoals hij al bestond voor zij aan de macht kwam (nl. de halffeodale absolutistische staat), over te nemen en hem naar haar klassenbelangen om te vormen. De bepaling van het klassenkarakter van de burgerlijke staat moet dus het beantwoorden van de volgende vragen als uitgangspunt nemen:

Waarom heeft de moderne burgerij de absolutistische staatsmachine niet omvergeworpen en alleen maar veranderd?

Hoe is deze verandering doorgevoerd?

Tot welke doeleinden benut zij de overgenomen en aangepaste staatsmachine en moet zij ze benutten?

Hoe slaagt zij erin de staatsmachine, ondanks de haar kenmerkende autonomie, tot haar klassendoeleinden te benutten?

Het verwijt dat zo een methodische benadering van het probleem door een ambivalent eclecticisme gekenmerkt wordt, kan men dadelijk verwerpen, omdat de werkzaamheid van de staat niet tot “louter economische voorwaarden” terug te voeren is. Als product van maatschappelijke arbeidsdeling worden staatsfuncties als zodanig verzelfstandigd, d.w.z. worden zij tot functie van bijzondere, van de maatschappij losgemaakte organen, alleen als de splitsing van de maatschappij in klassen reeds gebeurd is, d.w.z. als instrumenten van bestaande klassenheerschappij. Technische dwang of verdinglijkt bewustzijn alleen kunnen niet verklaren waarom de meerderheid van de leden van de maatschappij gedwongen wordt de uitoefening van bepaalde functies aan een minderheid over te laten. Achter de technische dwang en het verdinglijkte bewustzijn zitten relaties tussen mensen, klassenrelaties en klassenstrijd. Om het even welke staat, de burgerlijke incluis, uit puur economische betrekkingen afleiden, betekent of zich op een verdinglijkte reflex van de klassenverhoudingen vastpinnen of de klassenstrijd op een mechanische manier tot “pure economie” reduceren.

Omgekeerd kan het ontstaan en de ontwikkeling van de burgerlijke staat niet eenvoudig teruggevoerd worden tot de algemene noodzaak niet-economische dwang tegen de klassenvijand van de burgerij te gebruiken. De specifieke wortels van deze dwang moeten met de bijzondere vormen van de kapitalistische productiewijze in verbinding gebracht worden, als een noodzakelijk complement van de heerschappij van het kapitaal en niet van om het even welke heersende klasse. Als men het wezen van de burgerlijke staat losmaakt van de bestaansvoorwaarden van de staat, dan gaat het bijzondere, dat deze staat van alle andere klassenstaten onderscheidt, in het algemene verloren, in plaats van erin opgenomen te worden. Alleen een articulatie van de bijzondere functievoorwaarden van de burgerlijke staat met het bijzondere van de kapitalistische productiewijze en die van de burgerlijke ideologie — die gezamenlijk door de structuur van de burgerlijke maatschappij bepaald zijn en elkaar onderling bepalen — maakt het mogelijk de problemen i.v.m. de klassennatuur van de burgerlijke staat uitputtend te stellen en dienovereenkomstig op te lossen.

Daaruit volgt dat elke huidige burgerlijke staat tezelfdertijd algemene kenmerken van dit staatsbeeld vertoont en bijzondere kenmerken, die eng samenhangen met het tijdstip (de ontwikkelingsfase van het kapitalisme, van de burgerlijke klasse en van het proletariaat) waarop en de voorwaarden van klassenstrijd (waaronder krachtsverhoudingen tussen burgerij, adel en plebejisch-voor-proletarische, plebejisch-half-proletarische of uitgesproken proletarische producenten) waaronder de burgerij om de rechtstreekse verovering van de politieke macht streed. Niet alleen de concrete staatsinrichting, meer bepaald de staatsvorm (bv. een constitutionele monarchie in Groot-Brittannië en Zweden, in tegenstelling tot een republiek in USA en in Frankrijk), maar ook de bijzondere politieke traditie van elke burgerlijke natie en de in haar heersende politieke denkpatronen en ideologieën (die ook bij het ontstaan en de ontwikkeling van de moderne arbeidersbeweging een zeer belangrijke rol spelen) hangen daarmee eng samen.

2

Het is daarbij belangrijk een streng onderscheid te maken tussen dat wat eigen is aan de burgerlijke maatschappij en die bijzonderheden van de burgerlijke staat die alleen beantwoorden aan specifieke conjuncturen van de krachtsverhoudingen tussen de klassen.

Verscheidene auteurs beweren ten onrechte dat de reproductie van de kapitalistische verhoudingen min of meer automatisch zou gegarandeerd zijn, doordat zij elementair ook het bewustzijn van de producenten (in het proletariaat) beïnvloeden. Daar de loonarbeiders hun uitbuiting als het resultaat van een ruil ervaren, zullen zij de ruilbetrekkingen, d.w.z. warenproductie, d.w.z. de kapitalistische productiewijze, d.w.z. de accumulatie van kapitaal, niet in vraag stellen. Daaruit volgt dat de burgerlijke staat, in tegenstelling met andere klassenstaten, zich ermee kan tevreden stellen formele rechtsgelijkheid — de politiek-wettelijke betrekkingen tussen de mensen losmaken van de eigenlijke maatschappelijke productie — te verzekeren.

Hier is een drievoudige begripsverwarring aanwezig. Ten eerste betekent het feit, dat bepaalde vormen van verdinglijkt denken aan een bepaalde productiewijze beantwoorden, nog helemaal niet dat deze denkvormen volstaan om de reproductie van bepaalde maatschappelijke betrekkingen te verzekeren.

Anderzijds is helemaal niet bewezen dat een denken dat in ruilverhoudingen gevangen zit, een voor de reproductie van kapitalistische productieverhoudingen absoluut ongevaarlijk denken is. Ook politiek ongeschoolde proletariërs kunnen opstanden ontketenen, die zeer gevaarlijk zijn voor het voortbestaan van het privé-eigendom en van de burgerlijke orde. Deze opstanden hebben zeker weinig kans op een gunstig resultaat, maar ze kunnen een bepaalde kapitalistenklasse zo een ernstige schade toe brengen, dat deze de handhaving van een duur en parasiterend staatsapparaat, dat het gevaar voor zo een opstanden voorziet, noodzakelijk acht (tweede keizerrijk!).

En ten derde houdt deze gedachtegang ook een “zuiver-economische” fout in. Het voortbestaan van warenproductie en privé-eigendom van de productiemiddelen verzekert niet automatisch op elk tijdstip en in alle omstandigheden een vlotte kapitaalsvalorisatie. Daarvoor is bovendien o.a. nog een bijzondere verdeling van de door arbeidskracht geleverde nieuwe waarde tussen arbeidsloon en meerwaarde noodzakelijk, die een “normale” valorisatie van het kapitaal toelaat. Hier speelt dus naast de kwaliteit de kwantiteit een beslissende rol. Er is in de kapitalistische productiewijze wel een langdurige tendens om te beletten (hoofdzakelijk door de aangroei van het industrieel reserveleger, dat losgemaakt wordt door de terugval van de kapitaalaccumulatie) dat de arbeidslonen boven een niveau zouden stijgen dat de kapitaalsvalorisatie in gevaar zou brengen. Maar deze tendens op lange termijn heeft geen continu en ononderbroken resultaat. Ondanks haar “gebondenheid aan ruilverhoudingen” kan de loonarbeid dus onder bepaalde voorwaarden lonen eisen, en bekomen, die de valorisatie van kapitaal verslechten, en kortstondig bedreigen.

Meer nog: juist omdat de loonarbeider (met verkeerd bewustzijn) zijn uitbuiting elementair “alleen” als resultaat van een ruil ervaart, wordt hij gedreven tot strijd om loonbehoud en loonsverhoging. Datzelfde verdinglijkte bewustzijn kan hem zelfs tot de conclusie brengen, dat zo een loonstrijd alleen door collectieve aaneensluiting en solidaire organisatie succesvol kan gevoerd worden. Beide tegenstrijdige aspecten van het “verdinglijkte bewustzijn” (de berusting en de rebellie) zijn dus eigen aan het systeem, maar zij hebben zeer verschillende gevolgen voor potentiële bedreigingen van het systeem. Want uit de tendens tot “louter-syndicale” organisatie ontstaat een elementair proletarisch klassenbewustzijn, dat tenminste periodisch en potentieel antikapitalistische gevechten te duchten geeft. En daarmee komt men door een minder mechanische analyse van de samenhang tussen veralgemeende warenproductie, verdinglijkt bewustzijn en de noodzakelijkheid van een staatsmachine voor de burgerij, tot een ander resultaat dan vele deelnemers aan de discussie.

Juist omdat de loonarbeider een vrije arbeider is (ook deze verhouding moet dialectisch en vol tegenstellingen begrepen worden en niet eenvoudig gereduceerd worden tot zijn scheiding van de productiemiddelen), dit in tegenstelling tot slaven of leenplichtige boeren, juist omdat de kapitalistische productiewijze niet alleen maar veralgemening van warenproductie en ruilbetrekkingen tussen mensen inhoudt (en dienovereenkomstig onvermijdelijke verdinglijking van elementaire denkvormen), maar ook — en dit in tegenstelling tot de privé-arbeid van de producenten in de eenvoudige warenproductie — objectieve socialisering en coöperatie van de arbeid in het industrieel grootbedrijf, juist daarom is voor het kapitaal niet-economische macht onvermijdelijk. Zij moet namelijk de reproductie van de maatschappelijke betrekkingen van de burgerlijke maatschappij garanderen. Het economisch mechanisme alleen volstaat hiervoor niet.

De vrije loonarbeider bezit de mogelijkheid tenminste tijdelijk de verkoop van zijn arbeidskracht te weigeren onder voor de kapitaalsvalorisatie gunstige voorwaarden. Hij kan dit des te meer als hij over een collectieve weerstandskas en een collectieve solidariteitsorganisatie beschikt (en die heeft het kapitalisme overal als reactie tegen zich uitgelokt, net zoals het verdinglijkte bewustzijn!). Verzekerde reproductie van de maatschappelijke betrekkingen binnen de burgerlijke maatschappij eist dus dwang en geweld van de kant van het kapitaal, om de collectieve weigering van de verkoop van de waar arbeidskracht (d.w.z. de vrije en onbeperkte arbeidscoalitie, het vrije en onbeperkte stakingsrecht) te verbieden, te verhinderen, te bemoeilijken, te beperken of ten minste minder succesrijk te maken. Dat loopt als een rode draad door heel de geschiedenis van de burgerlijke maatschappij.

Niet alleen omdat “vrije loonarbeid” in werkelijkheid (inhoudelijk) dwangarbeid betekent, d.w.z. niet alleen in de economische of in de individuele sfeer maar ook op het gebied van “recht” en “wet”, zijn “vrijheid” en “dwang” elkaars noodzakelijk complement in de burgerlijke maatschappij. Zonder dwang voor het proletariaat geen vrijheid voor de ondernemer. Dit had de jonge Marx al gezien, toen hij schreef: “De zekerheid is het hoogste sociaal begrip van de burgerlijke maatschappij, het begrip politie, waarbij heel de maatschappij slechts bestaat om elk van zijn leden het behoud van zijn persoon, zijn rechten en zijn eigendom te garanderen. Hegel noemt in deze zin de burgerlijke maatschappij “den Not- und Verstandesstaat”. Inderdaad zonder politie geen privé-eigendom en geen verzekerde kapitaalvalorisatie. Zonder burgerlijk staatsgeweld geen verzekerd kapitalisme.

Daaruit volgt dat er geen burgerlijke staat is geweest, is of zal zijn, die gebaseerd is op het waarborgen van “rechtsgelijkheid” of op het verzekeren van “de toepassing van formele principes”. De burgerlijke staat is en blijft zoals elke staat een instrument ter handhaving van een bepaalde klassenheerschappij, niet alleen in onrechtstreekse maar ook in rechtstreekse betekenis van het woord. Zonder permanent repressieapparaat — in crisistijden reduceert de “harde kern” van de staat zich in laatste instantie tot dit apparaat, tot “een groep gewapende mannen”, om met Friedrich Engels’ woorden te spreken — is de burgerlijke staat ondenkbaar, wordt de reproductie van de kapitalistische productieverhoudingen tenminste onzeker, en periodisch in vraag gesteld.

Paradoxaal genoeg kan men de theorie van vele, vooral Duitse, deelnemers aan de discussie omdraaien, en argumenteren: juist omdat de kapitalistische uitbuitingsvoorwaarden schijnbaar alleen op ruilhandelingen berust en, omdat zij niet op rechtstreekse, persoonlijke meester en knechtbetrekkingen gebaseerd zijn, bestaat voor de burgerlijke maatschappij het immanente gevaar dat de loonarbeider zijn “vrijheid misbruikt” om de bestaande maatschappelijke ordening in gevaar te brengen, zoniet helemaal omver te werpen. Daar de burgerlijke staat bovendien uit burgerlijke revoluties geboren werd, en revoluties, zoals bekend, gevaarlijke leerscholen zijn voor de mogelijkheid radicale veranderingen in de maatschappij door te voeren, heeft de burgerij dadelijk na de verovering van de politieke macht begrepen, dat het een permanent niet-economisch dwangapparaat nodig had om weerspannige proletariërs te verplichten tot de verkoop van de waar arbeidskracht aan kapitaalsvalorisatie bevorderende en niet aan remmende prijzen.

Om diezelfde reden klopt het eenvoudig niet dat met de formele rechtsgelijkheid van alle individuen in de burgerlijke maatschappij de één of andere tendens tot formeel-politieke rechtsgelijkheid van alle “burgers” van de burgerlijke staat immanent zou verbonden zijn. Omgekeerd: om de tegenstrijdige gevolgen voor de markt van de formele rechtsgelijkheid van kapitaal en loonarbeider, nodig voor het voortbestaan van de kapitalistische productiewijze en de kapitaalvalorisatie, te neutraliseren, is in de burgerlijke staat de tendens tot die politieke rechtsberoving of rechtsbespreking van het proletariaat mee ingebouwd. Dat de burgerlijke staat of heel de burgerlijke ideologie, spontaan en automatisch tot gelijk kiesrecht voor alle mensen neigt, is een bewering die door de geschiedenis van de burgerlijke maatschappij tegengesproken wordt. Dit gedetailleerd weerlegd te hebben, is één van de hoofdverdiensten van Leo Kofler.

In de geschiedenis van de burgerlijke staat is de periode van algemeen, gelijk en geheim kiesrecht, met de politieke organisatievrijheid voor de arbeidersklasse, een uitzondering. Ook in West-Europa heeft zij zich pas sinds de Eerste Wereldoorlog, d.w.z. eerst sinds het begin van de terugvalperiode van het kapitalisme en na de overwinning van de Russische Oktoberrevolutie, veralgemeend. In de rest van de kapitalistische wereld is zij tot vandaag eerder uitzondering dan regel.

Nog betekenisvoller is het feit dat deze ook alleen maar formeel politieke rechts- en organisatiegelijkheid voor het proletariaat bijna overal in West-Europa door andere maatschappelijke klassen van de burgerij afgedwongen werd en dat de burgerij dit zeker niet vrijwillig aan de “citoyens” geschonken heeft. Onder welke voorwaarden en met welke beperkingen het deze politieke nederlaag in een tijdelijke politieke overwinning veranderen kon, is een vraag die aan het belang van deze historische feitelijke toestand niets verandert. Alleen al daarom niet, omdat in de bijna zestig jaar dat deze vermeende “burgerlijke” verworvenheid een feit is, ze al vaak door de burgerij weer opgeheven werd (Mussolini, Salazar, Hitler, Franco, Pétain, om alleen maar de belangrijkste West-Europese voorbeelden te noemen) en er opnieuw in de West-Europese politiek een duidelijke tendens tot het in vraagstellen ervan te merken is.

De burgerlijke staat als heerschappij-instrument van de burgerlijke klasse is dus door klassenbelangen naar de vorm bepaald. Hij kan alleen zo een vorm aannemen als met zijn natuur overeenkomt. Zolang de burgerij haar economische en maatschappelijke macht — d.w.z. het beschikkingsrecht over de productiemiddelen en het maatschappelijk meerproduct — niet verloren heeft, betekent een fundamentele vorm- en functieverandering van de staat voor mogelijk te verklaren zoveel als aannemen dat de heersende klasse haar maatschappelijk meerproduct niet voor haar zelfbehoud maar voor haar zelfvernietiging zou gebruiken. Er bestaat geen enkel historisch voorbeeld van zo een zelfvernietigend proces van heersende maatschappelijke klassen, noch in de geschiedenis van voor-kapitalistische klassenmaatschappijen, noch in de geschiedenis van de burgerlijke maatschappij.

Zo vervult de burgerlijke staat bij voorkeur de centrale opgave, de maatschappelijke voorwaarden (het maatschappelijke kader) van de bestaande klassenheerschappij te voldoen, te verzekeren en te reproduceren, dus die voorwaarden die Friedrich Engels in de “Anti-Dühring” met de formule “uitwendige productievoorwaarden” omschrijft. De staat is “een organisatie van elkaar opvolgende uitbuitende klassen tot handhaving van haar uitwendige productievoorwaarden, dus voornamelijk tot gewelddadige verknechting van de uitgebuite klasse in de door de bestaande productiewijze gegeven voorwaarden van onderdrukking (slavernij, lijfeigenschap of horigheid, loonarbeid)” (Anti-Dühring). De specifieke vorm, waarin hij die opgave vervult, bepaalt de bijzonderheid van de kapitalistische productiewijze en de eigen aard van de haar samenstellende maatschappelijke klassen. Zij bepaalt ook de gegeven, historisch gegroeide en, de voor elke concrete burgerlijke maatschappijvorm, in elke gegeven fase van haar ontwikkeling, specifieke krachtsverhoudingen tussen de klassen. Om deze opgave te vervullen, moet zowel een repressief als een ideologisch integratief instrument ingezet worden.

De formele rechtsgelijkheid van individuen in de burgerlijke maatschappij, de afwezigheid van rechtstreekse persoonlijke meester- en knechtbetrekkingen, geeft alleszins de mogelijkheid tot veel sterkere legitimering van de burgerlijke staat als (valse) vertegenwoordiger van de hele maatschappij in de ogen van de onderdrukte klassen, dan dit in voor-kapitalistische staten het geval was. Algemeen gelijk kiesrecht voor alle staatsburgers, politieke organisatievrijheid voor de arbeidersbeweging en integratie van de topfiguren van haar massaorganisaties in de burgerlijke staat, zijn daarvoor noodzakelijke, maar onvoldoende voorwaarden.

Een bepaalde langdurige daling van de massa-activiteit in de klassenstrijd, evenals een bepaald laag niveau (of een bepaalde daling) van het gemiddelde klassenbewustzijn van het proletariaat, om historisch verklaarbare redenen, zijn daarvoor tezelfdertijd noodzakelijk. Of dit gecompliceerde samenspel van objectieve en subjectieve factoren het de burgerij werkelijk mogelijk maakt haar klassenheerschappij in de ogen van de uitgebuitenen met succes als “resultaat van de volkssoevereiniteit” en van de door kiesresultaten uitgedrukte “volkswil” te camoufleren, dat kan alleen een concrete, empirische maatschappij-politieke analyse van elke specifieke staat in elke specifieke periode uitwijzen.

Er bestaan alleszins geen overtuigende bewijzen dat de concrete staatsvormen — bv. in Groot-Brittannië ten tijde van de prins-regent en van Koningin Victoria, in Frankrijk ten tijde van Louis Philippe of ten tijde van het tweede keizerrijk, in Duitsland ten tijde van het rijk van Wilhelm I en Wilhelm II, in België ten tijde van Leopold I en Leopold II, om van Mussolini’s Italië of Franco’s Spanje nog maar te zwijgen — voor de arbeidersklasse van deze landen als de legitieme vertegenwoordiging van de gehele maatschappij golden. Ook voor de Noord-Amerikaanse staat in de periode Coolidge-Hoover kan men hier terecht aan twijfelen.

3

De burgerlijke staat moet echter niet alleen de uitwendige, maar maatschappelijke voorwaarden van de kapitalistische productiewijze verzekeren. Hij moet ook algemene voorwaarden voor de eigenlijke productie tot stand brengen, die de “fungerende kapitalisten” zowel wegens ontbrekende rendabiliteit alsook tengevolge van de heersende concurrentie tussen de privé-kapitalen, niet zelf kunnen produceren.

De kapitalistische productiewijze stelt maatschappelijke productie en maatschappelijke ruil voorop. Maar “het kapitaal kan ... vanuit zich, in zijn acties, de maatschappelijkheid van zijn bestaan helemaal niet produceren” zoals Altvater het treffend uitdrukt. De verhouding tussen staat en burgerlijke maatschappij is dus niet tot de verhouding tussen politiek en economie te reduceren; de burgerlijke staat is ook een rechtstreeks economisch werkende instelling van de kapitalistische productiewijze.

Dit komt het duidelijkst in het geldprobleem tot uiting. Juist zoals veralgemeende warenproductie het verzelfstandigd bestaan van de ruilwaarde in een algemeen equivalent, in geld, vooropstelt, op dezelfde wijze eist een normale reproductie van het maatschappelijk totaal-kapitaal zijn voortdurende splitsing in en voortdurende reconstructie van productief waren- en geldkapitaal. En dit zou zonder een door de staat verzekerd en gedekt valuta- en kredietsysteem niet, of toch niet volledig functioneren.

Op het gebied van het geld- en kredietwezen kan men eveneens onmiddellijk vaststellen, dat er zonder een burgerlijke staat geen volledig functionerende kapitalistische productiewijze zou zijn.

Maar geld- en kredietwezen wijzen ook dadelijk op andere “rechtstreeks economische” functies van de burgerlijke staat. De concurrentie vertoont zich in de geschiedenis van het kapitalisme op twee manieren: als concurrentie tussen afzonderlijke kapitalen en als concurrentie tussen in territoriale staten samengevatte delen van het wereldkapitaal. Voor deze tweede vorm van concurrentie vervult de burgerlijke staat een rol van zelfverdediging voor “nationale” kapitalen tegen hun “buitenlandse” concurrenten, en dit op het gebied van valuta-, tol-, handelspolitiek, koloniale politiek enz. Deze rol van de staat is eveneens, tenminste in het begin, “zuiver economisch” en zonder hem zou het concrete kapitalistische systeem in bepaalde perioden weerom niet, of niet volledig functioneren.

In zijn “Grundrisse” stelt Marx vast dat de ideale voorwaarden voor de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze die voorwaarden zijn, waarin de privé-kapitalen een maximum van die “algemene productievoorwaarden” zelf kunnen voortbrengen. Nochtans kan ook van een derde categorie van deze “algemene productievoorwaarden”, namelijk die, die op infrastructuur- en opleidingsuitgaven betrekking hebben, empirisch vastgesteld worden, dat de belangrijkste tendens hieromtrent, sinds de veralgemening van de moderne grootindustrie, in omgekeerde richting verloopt. Deze functies werden in groeiende mate — en later bijna uitsluitend — door de burgerlijke staat vervuld, omdat hier een te sterke spanning aanwezig is tussen de belangen van de privé-kapitalisten, die zulke zaken met winstdoeleinden zouden organiseren, en de gezamenlijke belangen van de burgerlijke klasse respectievelijk de objectieve eisen van de kapitaalvalorisatie in het algemeen. Een eengemaakt belastingswezen verbindt het geld- en kredietsysteem met de infrastructurele opgaven die moeten vervuld worden. Als schakel tussen de “externe” (maatschappelijke) en de “economische” (algemene) productievoorwaarden dienen die staatsfuncties, die onder het begrip “administratie” ondergebracht worden. Daartoe behoort niet alleen de administratie die de rechtsordening en de bescherming van het eigendom verzekert, maar ook het politieapparaat en het militair apparaat, dat de burgerij tegen de “binnenlandse” en tegen de “buitenlandse” vijand beschermt, en ook het hele deel van de administratie dat zich met andere openbare diensten, zoals de eigenlijke infrastructuur, bezighoudt (bv. een openbaar gezondheidswezen, dat bij de armoede van het vroege proletariaat onontbeerlijk was om ook de burgerlijke klasse voor het gevaar van epidemies in de kapitalistische grootsteden te beschermen).

Bij de ontwikkeling van de burgerlijke maatschappij stijgt de som van deze, door de staat te verzorgen, “algemene productievoorwaarden” bijna ononderbroken. Maar dit schijnbaar eenvoudig proces moet tot verschillende constitutieve momenten teruggebracht worden.

Op enkele gebieden bestaat hier inderdaad zoiets als een technische dwang, d.w.z. drijft de logica van de techniek tot steeds sterkere centralisatie en wordt de burgerij gedwongen de objectieve socialisatie van de arbeid op deze gebieden door werkelijke nationalisatie van deze functies te erkennen. Dit geldt bv. voor de spoorwegbouw en het spoorwegbeheer, later voor de regeling van het luchtvaartverkeer. Privé-organisatie op dit gebied ligt zo sterk onder de drempel van de “partiele rationaliteit” dat het bedreigend is voor het totale systeem en dat de burgerlijke maatschappij het zich, ondanks de door haar verabsoluteerde privé-belangen, niet meer veroorloven kan.

Met het zich doorzetten van de bewegingswetten op lange termijn van het kapitaal, o.a. de tot nieuwe kwaliteit aangroeiende concentratie en centralisatie van het kapitaal enerzijds en de op lange termijn groeiende moeilijkheden van de kapitaalvalorisatie anderzijds, groeit het aantal productieve gebieden, waar de verliesrisico’s voor de reuze-kapitalen die daar moeten geïnvesteerd worden te groot zijn, opdat er nog privé-kapitaal naartoe zou vloeien.

In de samenhangende complexiteit van de maatschappelijke arbeidsdeling kunnen echter juist deze gebieden een belangrijke of beslissende rol spelen om de concurrentiebekwaamheid van een bepaalde kapitalistenklasse op de wereldmarkt te verzekeren of te bedreigen. De nationalisatie van deze activiteiten, hun groeiende onderschikking aan de “algemene productievoorwaarden”, beantwoordt daarom niet aan een technische dwang maar aan de eisen van de kapitaalvalorisatie onder bepaalde historische voorwaarden. De nationalisatie van de energie- en staalproductie in Groot-Brittannië, van de grondstoffenindustrie in Frankrijk en algemeen “de nationalisatie van de verliezen”, van onrendabele, maar voor de materiele reproductie van het kapitaal noodzakelijke industrietakken, evenals de nationalisatie van de reusachtig gestegen kosten voor onderzoek en ontwikkeling, behoren tot deze categorie.

Tenslotte is er ook nog een tendentiële uitbreiding van de “algemene productievoorwaarden” op gebieden waar technische dwang, noch onmiddellijke valorisatievoorwaarden de beslissende rol spelen. Daar stoten we op de tendens van het laatkapitalisme, om alle reproductievoorwaarden van de waar arbeidskracht onder zijn controle te brengen, d.w.z. mensen en menselijke behoeften rechtstreeks aan zijn valorisatiedoeleinden ondergeschikt te maken. Nationalisatie van het gezondheids- en onderwijswezen of van ruimtelijke ordening is uiteindelijk van de dwang tot het disciplineren van mensen afhankelijk en niet van technische dwang (die meestal ook zuiver economisch krachteloos en in groeiende mate irrationeel is). Op veel van zulke gebieden zou de parasiterende centralisatie, die hier duidelijk naar voor treedt, direct na de ineenstorting van de politieke macht van het kapitaal systematisch en planmatig kunnen afgebouwd worden en vervangen door een in elkaar grijpend systeem van zelfbeheer.

In de ontwikkeling van de burgerlijke staat ontstaat zo een specifieke, tegenstrijdige relatie tot de geschiedenis van de staat in het algemeen, die congruent is met een analoge verhouding van de kapitalistische industrie (de kapitalistische productiekrachten) tot de algemene ontwikkeling van de productiekrachten.

Enerzijds leidt de burgerlijke staat, ondanks de historische tendens van de burgerij om de absolutistische staat te verzwakken, vooral in de fase van het imperialisme, van het “klassieke” monopoliekapitalisme en van het laatkapitalisme, tot een voordien in de klassenmaatschappij nauwelijks gekende hypertrofie van de staatsfuncties. Het aantal functies dat zich volgens de arbeidsdeling van de oorspronkelijke basisfuncties van de productie en accumulatie aftekenen en verzelfstandigen, groeit ononderbroken en in versneld tempo. Ongetwijfeld moet daarbij ook de numerieke groei in de staatsapparaten, de groei van de materiele rijkdom en de stijgende complexiteit en specialisering van de administratieve activiteiten zelf in aanmerking genomen worden, hoewel men hen, omwille van de vroeger aangegeven redenen, niet de beslissende rol in dit proces kan toekennen, die de burgerlijke ideologie hier vooropstelt.

Maar gelijktijdig groeit ook het gemiddelde beschavingspeil van een groot deel van de maatschappijleden, de leden van de arbeidersklasse incluis, hoewel steeds minder dan dit objectief mogelijk is of aan de eisen van het maatschappelijk individu beantwoordt. Zodoende groeit de objectieve mogelijkheid de verdere hypertrofie van de staat radicaal te stoppen en af te bouwen, zodra de maatschappelijke belangen van de geassocieerde producenten en niet de belangen van de kapitaalvalorisatie de ontwikkelingstendensen van de staat bepalen. Juist omdat het proletariaat, dat meer en meer met de technische intelligentsia versmolten geraakt, in de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze zelf deze groeiende bekwaamheid tot zelfbeheer krijgt, kan de proletarische staat, na de val van het kapitalisme, een op alle maatschappelijke gebieden tot veralgemeend zelfbeheer neigende staat zijn, d.w.z. een van het begin af tot afsterven neigende staat, zoals Lenin dit in zijn “Staat en revolutie” zo mooi en zo radicaal formuleerde.

4

De specificiteit van de burgerlijke staat wordt niet alleen door zijn bijzondere betrekkingen tot de arbeidersklasse bepaald, maar ook door zijn ontstaan uit de klassenstrijdverhouding van de burgerij tot de half-feodale adel. Deze klassenstrijdsituatie is eng verbonden met een wezenlijk onderscheid tussen de burgerlijke en de voor-burgerlijke klassenmaatschappij, respectievelijk klassenheerschappij, tussen de kapitalistenklasse en de voor-kapitalistische heersende klassen, waarmee in de analyse van de bepaling van de klassennatuur van de burgerlijke staat moet rekening gehouden worden. Voor-burgerlijke heersende klassen eigenen zich het maatschappelijk meerproduct hoofdzakelijk tot onproductieve consumptiedoeleinden toe. De vorm van deze toe-eigening kan volgens de heersende productiewijze verschillend zijn — het doel is over het algemeen hetzelfde. Hoewel ook accumulatiedoeleinden natuurlijk niet volledig uit de geschiedenis van voorkapitalistische productiewijzen en heersende klassen weggedacht worden, toch spelen zij in vergelijking met de kapitalistische productiewijze een kleinere, ondergeschikte rol.

De kapitalistenklasse is van haar kant door veralgemeende warenproductie, door privé-eigendom van de productiemiddelen en door de daaruit voort vloeiende concurrentie, gedwongen tot tendentiële maximalisatie van de kapitaalaccumulatie. De ongebreidelde verrijkingsdrift (productie van ruilwaarde als doel op zichzelf) wordt mogelijk door de veralgemeende geldvorm van het maatschappelijk meerproduct. Daardoor ontstaat echter een alleen de kapitalistische productiewijze kenmerkende (hoewel ook tendentieel aanwezig in alle maatschappijen die gedeeltelijk op geld- en warenproductie gebaseerd zijn) tegenstrijdigheid tussen verschillende aanwendingsmogelijkheden van het maatschappelijk merkproduct. De immanente tendens van het kapitaal tot maximalisering van de kapitaalaccumulatie, d.w.z. maximalisering zowel van de meerwaardeschepping als van de meerwaarderealisatie en van de productieve aanwending van de gerealiseerde meerwaarde met kapitalisatie als doel, botst met de tendens tot uitbreiding van de meerwaardeverspilling door de onproductieve consumptie van de heersende klasse en van haar bedienden (“derde personen”) enerzijds, en met de uitbreiding van de onproductieve aanwending door de staat anderzijds.

Hoe zeer het kapitaal tracht de onproductieve individuele meerwaardeverspilling tenminste in de periode van opkomend kapitalisme in “normale”, maar ook in “volgens hun stand passende” banen te houden, is bekend en moet hier niet verder uiteengezet worden. Belangrijk is te beseffen dat het kapitaal het onproductief uitgeven van de maatschappelijke meerwaarde historisch eerst als verspilling van deze meerwaarde beschouwt, als het gebeurt door een haar vreemde en vijandige macht: de halffeodale absolute monarchie als verdeler van het maatschappelijk meerproduct ten gunste van de parasiterende hofadel en van de hogere clerus, die nog bovendien belastingsvrijheid genoten.

De strijd van de opkomende burgerij voor maximalisering van de kapitaalaccumulatie, meer nog, eenvoudig voor vrije ontwikkeling van deze accumulatie, is dus een strijd tegen de onbeperkte belastingssoevereiniteit van de voorburgerlijke staat. De strijd van de opkomende burgerij voor de verovering van de politieke macht is fundamenteel haar strijd om zelf erover te kunnen beslissen welk deel van de meerwaarde als belastingen van de onmiddellijke kapitaalaccumulatie van de “fungerende kapitalisten” wegvloeit, d.w.z. objectief gesocialiseerd wordt. Er bestaat geen twijfel over en het kan ook niet als “zuivere empirie” afgedaan worden, dat alle succesrijke burgerlijke revoluties tussen de 16e en 19e eeuw uit belastingsproblemen ontvlamd zijn, dat alle moderne parlementen ontstaan zijn uit de strijd van de burgerij om de controle over de staatsuitgaven. De specifieke organisatievorm van de politieke macht van de burgerij, met haar complex instrument van informele politieke structuren (partijen, clubs, drukkingsgroepen en lobby’s), beroepsbonden als belangenvertegenwoordigers in economische problemen (in het begin: hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend belastingsproblemen), verkiezingen en gekozen parlementen, evenals een permanent administratief apparaat en een passende staatsideologie, o.a. de leer van de “gescheiden machten”, is voor het grootste deel tot dit conflict en deze tegenstellingen terug te voeren.

Dat het hier om een werkelijke tegenstelling gaat, moet hier niet in details uitgelegd worden. Het is duidelijk dat als de burgerij na haar overwinning op het absolutisme, de staatsmachine niet afbreekt maar omvormt omdat ze ze verder nodig heeft, ze ook aan deze staat betalen moet, van het ogenblik af dat er geen belangrijke vorm van maatschappelijk meerproduct meer is tenzij de door het kapitaal toegeëigende meerwaarde. Zolang er nog geen actief georganiseerd proletariaat is, beperkt het “politieke leven” in de burgerlijke maatschappij zich hoofdzakelijk tot de vraag, welk deel van deze meerwaarde aan de rechtstreekse accumulatie van het kapitaal onttrokken moet worden door belastingen aan de staat (rechtstreekse socialisatie), op kosten van welke fracties van de bezittende klasse dit moet gebeuren, tot welke concrete doeleinden en met welk geldelijk voordeel voor welke fracties van diezelfde klasse.

Men kan het probleem ook vanuit algemeen gezichtspunt bekijken, de vraag naar de rechtstreekse materiële bestaansbasis van het staatsapparaat wordt dan opgeworpen. Het is waarschijnlijk niet netjes de problemen in dit kader te stellen en zich niet tot de abstracte filosofische analyse te beperken bij de bepaling van de klassennatuur van de burgerlijke staat. Wij menen echter dat, inzoverre men de problemen niet tot die van individuele corruptie van staatslieden en hogere ambtenaren vervlakt, het beslist geen “vulgair marxisme” is, het macro-economische (of macro-sociologische) probleem op te werpen: wat is dan de materiële basis (in de burgerlijke maatschappij de financiële basis) van de staat?

In die zin blijft de marxistische basisformule dat de maatschappelijke klasse die het maatschappelijk meerproduct controleert, daardoor en daarom ook de staat controleert, ook bij de materialistische bepaling van de klassennatuur van de burgerlijke staat de uiteindelijke conclusie.

De klassieke voor-kapitalistische staat bezit een autonome materiële basis. Het Romeinse keizerrijk van de slavenhouder, in zijn glansperiode, onderhoudt het leger (en de slavenmarkt) door veroveringen in het buitenland. Het hof in de oude Aziatische productiewijze leeft van de plundering van de eigen producenten en van plunderingen in het buitenland, en niet van giften van de mandarijnen, priesters of generaals. De feodale koning is aanvankelijk de grootste leenheer en hij is alszodanig zeer onafhankelijk van materiële giften uit het aan de andere leenheren behorende maatschappelijk meerproduct. Alleen met de zich veralgemenende geldeconomie, die nauw met de overwinning van het kapitaal, respectievelijk met zijn doordringen in de productiesfeer, verbonden is, komt er een staatsvorm op, die naast het belasten van de bevolking (in laatste instantie betekent dit: socialisatie van een deel van het maatschappelijk meerproduct) over geen autonome bronnen van rijkdom beschikt.

De absolute monarchie was zich daarvan zeer bewust en voerde eeuwenlang (ideologisch met de hulp van haar staatsrechters) een taaie strijd om hun belastingssoevereiniteit te verzekeren.

Deze strijd, waarin ze soms met delen van de opkomende burgerij verbonden was, heeft ze tenslotte verloren. Haar onbeperkte belastingssoevereiniteit werd gebroken. Ook de meest “autonome” en meest “tirannieke” burgerlijke staat als het Hitleriaanse Derde Rijk, slaagde er op den duur niet in van de burgerij onaanvaardbare belastingen af te dwingen. Want het is duidelijk dat in de burgerlijke maatschappij de individuele kapitalist elke belasting als een “onteigening” van een deel van zijn meerwaarde, van zijn winst, van zijn inkomen ervaart. Hoezeer hij deze belastingen ook onder bepaalde omstandigheden als onvermijdelijk of zelfs voor de “gemeenschap” noodzakelijk beschouwt, toch is deze “onteigening” altijd een last voor hem, een hinderpaal voor de drift tot maximale kapitaalaccumulatie.

Omdat de burgerlijke klasse echter tegelijkertijd niet zonder kapitaal verder kan, reproduceert zich binnen de burgerlijke klasse alszodanig en in het bewustzijn van elke kapitalist afzonderlijk een echt “rollenconflict” tussen de “burger” van de kapitalistische maatschappij en de personificatie van de kapitaalaccumulatie: twee zielen vechten voortdurend in zijn Faustiaanse borst. In verschillende historische periodes en verschillende kapitalistische staten leidde dit tot zeer grote verschillen in de praktische houding van individuele kapitalisten, nl. van de extreem normale belastingsdiscipline tot de extreem maximale belastingontduiking. Deze houdingen kunnen gedeeltelijk conjunctureel, gedeeltelijk historisch verklaard worden.

Het conflict is hier een conflict tussen burgerlijke privé-belangen en burgerlijke gemeenschappelijke belangen en niet een conflict tussen privé-belangen van gelijkwelke “citoyens”, en gelijkwelke “gemeenschappelijke belangen”, los van de klassenkloof. Ook in het bewustzijn van tijdgenoten, ondanks hun verkeerd gefetisjeerd bewustzijn, verscheen dit conflict meestal in deze bijzondere vorm.

De arbeiders wisten zeer goed dat zij in de periode van het op eigendom berustende kiesrecht geen politieke gelijkheid bezaten. Het is een anachronistische fout, laatkapitalistische ideologieën in het vroegkapitalisme of in het triomferende kapitalisme te projecteren zonder met de specifieke staatsvormen en politieke structuren van deze periodes rekening te houden. Voor de zelfbewuste burgers van de periode van de 16e tot het einde van de 19e eeuw, zelfs begin van de 20e eeuw, was het niet meer dan vanzelfsprekend dat alleen de bezittende burger de volledige politieke rechten bezat. Alleen de belastingbetaler moest het volle recht hebben mee te beslissen over de staatsuitgaven. Anders zou de onbeperkte belasting, d.w.z. socialisatie van de meerwaarde, elke grens ontnomen worden. Dit kan men niet alleen bij vele burgerlijke ideologen, maar ook bij talloze burgerlijke politici uit het verleden lezen.

Juist daarom bleef deze tegenstelling tussen de privé-belangen en de gemeenschappelijke belangen van de burgerlijke klasse, berustend op de tegenstelling tussen de aanwending van de meerwaarde enerzijds voor onmiddellijke accumulatie en anderzijds voor taken die in het beste geval die accumulatie onrechtstreeks ten goede kunnen komen, in dubbele betekenis begrensd.

Eens waren alle (of de grote meerderheid) van de meerwaarde eigenaars volkomen bereid iets op te offeren om het meeste te behouden, d.w.z. er bestond een algemeen bewustzijn gezamenlijk de klassen- en staatsbelangen te verdedigen. De strijd om de verovering van de politieke macht door de burgerij is het historisch proces, waarin zich dit gemeenschappelijk burgerlijk klassenbewustzijn vormt en articuleert. Aan de andere kant had de hele burgerij (met de mogelijke uitzondering van de “lompenburgerij” om een begrip van Andre Gunder Frank te gebruiken -, die rechtstreeks van de plundering van de staatskas leeft) een gemeenschappelijk belang bij alleen weinig te offeren, d.w.z. belang bij een “arme staat”. Dit niet alleen omdat de hele burgerlijke klasse in maximale accumulatie geïnteresseerd was, maar ook omdat de permanente armoede van de staat de solide materiële basis van de permanente heerschappij van het kapitaal over het staatsapparaat betekent. De “gouden ketenen” van het nationaal en internationaal krediet kluisteren de burgerlijke staat, ongeacht zijn hypertrofie en zijn verzelfstandiging, onverbreekbaar aan de heerschappij van het kapitaal. Juist omdat deze afhankelijkheid onafhankelijk is van de absolute omvang van de staatsbegroting — de financiële crisis van de staat kan bij een begroting die 40 % van het volksinkomen opzuigt, groter zijn dan bij een begroting die slechts 4 % van dit inkomen socialiseert — is zij een permanente structurele afhankelijkheid, zonder welke de klassennatuur van de burgerlijke staat nooit volledig begrepen kan worden.

5

Doordat de specificiteit van de burgerlijke staat teruggebracht werd op de klassenstrijd tussen burgerij, proletariaat en voorkapitalistische klassen, berustte zij tezelfdertijd op eigenheden van de burgerlijke klasse zelf. Het conflict tussen de persoonlijke en de gemeenschappelijke belangen van de burgers, een conflict dat om het probleem van rechtstreekse privé-uitgave of vermaatschappelijkte uitgave van de meerwaarde draait, is eng verbonden met de door de bijzondere organisatievorm van de burgerlijke staat opgeworpen problematiek van de functionele arbeidsverdeling binnen het machtsgebied van de burgerlijke maatschappij.

Juist zoals in voorkapitalistische productiewijze de staat over een kwalitatief bredere zelfstandige materiele basis beschikt dan de burgerlijke staat, is er in de voor-kapitalistische staat een veel nauwere personele unie tussen de top van de heersende klasse en de top van het staatsapparaat dan in de burgerlijke maatschappij. In het Romeinse rijk (al in de decadente republiek van Julius Caesar) was de heerser de grootste slavenbezitter. In de feodale staat was de koning meestal ook de belangrijkste feodale grondbezitter. In de absolute monarchie waren alle belangrijke ambten van de heer, de centrale administratie en de diplomatie, in handen van de belangrijkste families van de hofadel (en dikwijls van de hofclerus). In de burgerlijke maatschappij echter, tenminste in de periode van de opkomende en daarna van de triomferende burgerij, is dit niet mogelijk omdat het grootste deel van de kapitalisten, bezig met hun privé-zaken, eenvoudig de tijd niet hebben om zich in staatszaken te specialiseren. Inzoverre deze staatszaken niet aan de vertegenwoordigers van de decadente of verburgerlijkte adel (d.w.z. een renteniersklasse) werden overgelaten, werden zij meer en meer door een zijtak van de burgerlijke klasse overgenomen, nl. door beroepspolitici en de opkomende bureaucratie. Hoewel deze laatste zich parallel met de absolute monarchie ontwikkelde, kon zij onder het half-feodale bewind nooit een bepaalde drempel van leidende functies overschrijden, tenzij via de omweg van opname in de adel (noblesse de robe).

Deze bureaucratie identificeert zich in grote mate met de staat “op zich”, en deze identificering strookt het best met de ideologie (d.w.z. het verkeerde bewustzijn) van de staat als vertegenwoordiger van de gezamenlijke belangen van de maatschappij (in tegenstelling tot het burgerlijke bewustzijn van de staat als vertegenwoordiger van de bezittende burgers). De relatieve geloofwaardigheid van deze ideologie hangt van haar kant dan weer af van de graad van de werkelijke, relatieve zelfstandigheid van het burgerlijke staatsapparaat met betrekking tot de “fungerende kapitalisten”.

Deze zelfstandigheid is vanzelfsprekend slechts relatief, maar zij is niet alleen schijn, inzoverre zij op de zo-even omschreven functionele arbeidsdeling gebaseerd is, en inzoverre het niet noodzakelijkerwijze om een functionele arbeidsdeling binnen de kapitalistische klasse gaat, d.w.z. inzoverre hoge ambtenaren ook uit de kleinburgerij kunnen stammen.

Deze arbeidsdeling is ook structureel in het wezen zelf van het kapitalisme, d.w.z. van het privé-eigendom van de concurrentie, verankerd. Privé-eigendom en concurrentiedwang geven een objectief onvermijdelijk conflict binnen de burgerij zelf tussen privé-belangen en klassenbelangen. Een “fungerend kapitalist” die zijn privé-belangen systematisch aan de gezamenlijke belangen van de burgerlijke klasse opoffert, zou net zo een slechte kapitalist zijn, d.w.z. een verliezer in de concurrentiestrijd, als een “fungerende burgerlijke politicus”, die systematisch de gemeenschappelijke belangen van het kapitaal aan zijn privé-zaken zou opofferen, een corrupte, d.w.z. slechte en vanuit klassestandpunt bekeken onbekwame politicus zou zijn.

De burgerlijke klasse kan de rechtstreekse uitoefening van de politieke macht, onder “normale” voorwaarden van kapitaalsaccumulatie en -valorisatie, alleen aan zo een beroepspolitici of kopstukken van de staatsbureaucratie delegeren, die een minimum aan waarborg bieden, dat zij hun privé-zaken aan de gemeenschappelijke belangen van de klasse zullen ondergeschikt maken — en dat kan normaal gesproken de “fungerende kapitalist” niet. Als dit ook niet van de kant van de beroepspolitici gebeurt, dan wacht hun het lot van een Nixon of een Tanaka.

Maar deze in privé-eigendom en concurrentie gevormde relatieve autonomie van de burgerlijke staat t.o.v. de “fungerende kapitalist”, mag niet overdreven worden. En vooral: om kortsluitingen te vermijden en om te verhinderen dat de abstracte formules van Poulantzas over de “structurele afhankelijkheid van de staat t.o.v. de burgerij” in lege tautologie of uitgesproken petitio principii zouden verzinken, moeten de volgende momenten in de analyse mee ingebouwd worden.

Het is een mechanistische fout de burgerlijke klasse tot de “fungerende kapitalist"” te reduceren. Alle kapitaalbezitters behoren tot deze klasse, ook renteniers, ook mensen die van de intrest van hun kapitaal zouden kunnen leven en deze intrest ook opstrijken, onafgezien of ze daarnaast nog een beroep uitoefenen of niet. De hoge inkomsten van de topfiguren van het staatsapparaat en van de regeringsleden, evenals de mogelijkheden waarover ze beschikken om toegang te krijgen tot vertrouwelijke informatie voor succesvolle en verzekerde speculatie, verzekert dus op bijna automatische manier de integratie van toppolitici en topambtenaren in de burgerlijke klasse, ongeacht hun afkomst, omdat het hun accumulatie van geldkapitaal toelaat en dit in de grote meerderheid van de gevallen ook gebeurt. Als kapitaalbezitters zijn zij dan in het behoud van de fundamenten van de burgerlijke orde geïnteresseerd.

Er zijn in kapitalistische landen niet veel toppolitici en topambtenaren die aan het einde van een succesvolle loopbaan, naast het bezit van een “eigen huis”, geen eigenaar van immobilien, eigenaar van staatspapieren en (of) van actiepakketten zijn geworden, wat hen dan ook “zuiver economisch” tot volwaardige leden van de burgerlijke klasse maakt. Wie uit angst om in “vulgair marxisme” te vervallen of zich in “beschrijvende woordenkramerij” te verliezen, dit moment uit de analyse van het structurele karakter van de burgerlijke maatschappij, dat de staat en de bourgeoisie onafscheidelijk met elkaar verbindt, uitschakelt, verliest een wezenlijke factor van deze maatschappij uit het oog, nl. het kapitaal zelf.

Want universele verrijkingsdrift en universele geldeconomie zijn geen “externe” nevenverschijnselen, die ergens op de kapitalistische productiewijze geënt zouden zijn, het zijn structurele karakteristieke trekken van deze maatschappij, van wier invloeden geen groepen van mensen zich duurzaam bevrijden kunnen, dus ook niet beroepspolitici of bureaucraten. Niet individuele corruptie, maar de onvermijdelijke gevolgen van de tendens die eigen is aan het kapitalisme, nl. elke belangrijke geldsom in een bron van meerwaarde om te zetten, d.w.z. te kapitaliseren, liggen aan de basis van deze analyse. Alleen een staat, waarin de toppolitici en topambtenaren in het totaal geen hoger inkomen zouden hebben dan het gemiddelde loon van een arbeider, zou van deze rechtstreekse, structurele binding bevrijd zijn. Het is geen toeval dat Marx en Lenin deze eis als elementaire voorwaarde voor een werkelijke arbeidersmacht stelden, en dat dit in een burgerlijke staat nooit verwezenlijkt werd of zou kunnen worden.

Tot de bijzondere aard van de burgerlijke staat behoort verder zijn hiërarchische opbouw, die als in een licht vervormde spiegel de klassenstructuur van de burgerlijke maatschappij reflecteert. Hoge ambtenaren worden net zo min door de kleine ambtenaren (of door het volk) gekozen, als ondernemers of fabrieksdirecteurs door de loonarbeiders gekozen worden, of officieren door hun manschappen. Tussen deze hiërarchische structuur enerzijds en de grote inkomensverschillen anderzijds, ligt weer een structureel verband, dat op karakteristieken van de burgerlijke maatschappij wijst. Concurrentie, privé-verrijkingsdrift en de beoordeling van persoonlijk “succes” volgens de financiële “opbrengst”, kunnen niet op alle maatschappelijke gebieden de overhand hebben en dan plots op onverklaarbare wijze op het gebied van staatszaken niet meer meespelen. Weerom kan de negatieve proef de analyse afronden: er is nog nooit een burgerlijke staat geweest, en er kan er ook nooit één zijn, die op alle belangrijke gebieden (politie, leger, centrale administratie) het hiërarchisch principe door het principe van de democratische verkiezing vervangen heeft. Alleen een arbeidersstaat kan een zo radicale revolutie in de opbouw van de staat realiseren.

Een verder kenmerk van de burgerlijke staat is het selectieproces, dat tot de keuze van de topposities in politiek en administratie leidt. Dit selectieproces — dat minder op het rechtstreeks kopen van een ambt, op nepotisme, op vererven van prebendes, of op beloning van diensten aan het staatshoofd berust, dan in voorkapitalistische staten het geval was — steunt in grote mate op prestatiedwang en concurrentie.

Deze kunnen vanzelfsprekend niet gescheiden worden van de concurrentie en de prestatiedwang die in de materiële productie heersen en die wortelen in de kapitalistische productiewijze. Belangrijk echter is te onderstrepen, dat in dit selectieproces die gedragswijzen en denkvormen moeten winnen, die succesvolle burgerlijke politici en hoge ambtenaren objectief tot instrumenten van de klassenheerschappij van de burgerij maken, onafgezien van hun persoonlijke motivering of de manier waarop ze tegen zichzelf aankijken.

Het functionele karakter van de bureaucratie speelt hier een beslissende rol. Het is niet onmogelijk zich cipiers voor te stellen die de een of andere keer een gevangene helpen vluchten. Maar het is onmogelijk zich voor te stellen dat cipiers die dat systematisch doen, naar de top van de rechtsadministratie zouden doorstoten. Men kan een pacifistische luitenant hebben, er kunnen er zelfs een paar honderd zijn, maar een generale staf die louter uit overtuigde pacifisten bestaat is ons tot hiertoe niet bekend.

Alleen wie de specifieke functies die de burgerlijke maatschappij van de verschillende delen van het staatsapparaat eist, met een minimum aan efficiëntie uitoefent, kan topposities bereiken. Alleen wie zich aan het geldende (d.w.z. burgerlijke) recht, aan de geldende spelregels en heersende ideologie, die de bestaande maatschappij tezelfdertijd uitdrukt en verzekert, op lange termijn aanpast, kan in deze maatschappelijke orde met succes in het staatsapparaat carrière maken.

Het zwakste punt van alle reformistische en neoreformistische meningen over de “democratische staat” (die van de zogenaamde eurocommunisten incluis) bestaat uit het onbegrip van dit bijzondere karakter van het burgerlijke staatsapparaat, dat onverbrekelijk met die burgerlijke maatschappij verbonden is. Als extreme hypothese kan men niet uitsluiten, dat een “normaal” parlement met absolute meerderheid ergens eens met een stemming de hele privé-eigendom van de productiemiddelen zou kunnen afschaffen.

Wat men echter wel moet uitsluiten, dat is de hypothese dat de Pinochets van dit bepaalde land dit niet als een “schending van de grondwet”, als een “bespotting van de elementaire mensenrechten” en als een “terroristische aanslag op de christelijke beschaving” zouden beschouwen. Prompt zouden zij daarop reageren als Pinochet, inclusief met massamoord op politieke tegenstanders, massafolteringen en concentratiekampen. En hierbij zouden zij er zich natuurlijk voor hoeden de nadruk te leggen op de opheffing van alle democratische vrijheden. Als het om het geheel gaat, beperken de “eeuwige waarden” van de burgerlijke maatschappij zich tot het eigendom, legitimeert de dwang tot de verdediging van dit bezit elke breuk met de zelfs alleen maar formele volkssoevereiniteit, elk gebruik van geweld en elke oorlogsverklaring tegen het eigen volk (dat hebben in de loop van de geschiedenis de Thiers, de Franco’s en de Pinochets ook puur formeel tot uitdrukking gebracht). In die zin is het een zuivere utopie, niet alleen het burgerlijke staatsapparaat tot opheffing van de kapitalistische productiewijze te willen benutten, maar ook aan te nemen, dat dit apparaat op de een of andere manier “geneutraliseerd” zou kunnen worden en niet door een wezenlijk ander apparaat vervangen moet worden, vooraleer de economische en politieke macht van het kapitaal kan opgeheven worden.

En tenslotte mag men het beheer van de lopende staatszaken niet met de uitoefening van politieke macht op het hoogste niveau verwarren. Het feit dat in een concern talloze deelfuncties aan gespecialiseerde managers gedelegeerd worden, bewijst niet dat de beheerraad en de grootaandeelhouders de beschikkingsmacht over de productiemiddelen en arbeidskrachten zouden verloren hebben. Net zo min bewijst het feit dat de hoge burgerij de uitoefening van de dagelijkse regeringszaken meer en meer aan burgerlijke beroepspolitici of hoge ambtenaren overlaat, dat het grootkapitaal ook de belangrijke strategisch-politieke beslissingen aan hen overlaat.

Als men enkele van deze belangrijkste beslissingen van de 20e eeuw onderzoekt — zoals bv. de beslissing Hitler tot Rijkskanselier te laten benoemen; het “ja” op de volksfrontregering in Frankrijk, bijna gelijktijdig met het “ja” op de Mola-Francoputsch tegen de volksfrontregering in Spanje; het “groen licht” voor de ontketening van de Tweede Wereldoorlog in Duitsland en Groot-Brittannië; de beslissing Amerika op deelname aan de wereldoorlog te oriënteren; de beslissing eerst tot het aangaan van en later tot het verbreken van de militaire alliantie van de USA en Groot-Brittannië met de Sovjet-Unie; de beslissing tot reconstructie van de Duitse en Japanse economische macht na de Tweede Wereldoorlog door de Westerse overwinnende mogendheden — dan zal men gemakkelijk ontdekken dat deze beslissingen niet in parlementen, noch in ministeriële bureaus, noch door technocraten, noch door ministers getroffen werden, maar rechtstreeks door de topfiguren van de kapitaalbezitters zelf. Als het fundamenteel bestaan van de burgerlijke maatschappij in gevaar lijkt, dan regeren plotseling meestal de beslissende kapitaalbezitters in de letterlijke betekenis van het woord. Dan verdwijnt de schijn van een zogenaamde werkelijke onafhankelijkheid van de burgerlijke staat t. o. v. het kapitaal volledig.

De uitspraak van Engels, volgens welke de burgerlijke staat de “ideale totaal-kapitalist” is, omdat de reële totaal-kapitalist alleen de som van de speciale belangen van de “vele kapitalen” mee insluiten kan en deze nooit met de totaal-belangen van de klasse samenvallen, moet dialectisch verstaan en geïnterpreteerd worden. Het gaat nogmaals om de aanwending van de dialectiek van het algemene en het bijzondere.