Ernest Mandel

XVI. Het dialectisch materialisme


1. De universele beweging

Als wij de inhoud van de vorige vijftien hoofdstukken in één formule willen samenvatten, dan zou het slechts deze kunnen zijn: alles verandert, alles verkeert in een voortdurende beweging.

Van de primitieve klassenloze maatschappij gaat de mensheid over naar een maatschappij die verdeeld is in klassen; en die leidt op haar beurt tot de socialistische klassenloze maatschappij van morgen. De productiewijzen volgen elkaar op. Zelfs voordat ze verdwijnen zijn ze onderhevig aan voortdurende wijzigingen. De heersende klasse van vandaag is sterk verschillend van de klasse van slaveneigenaars die het Romeinse Rijk heeft beheerst. De proletariër van vandaag is heel wat anders dan de middeleeuwse lijfeigene. Tussen een kleine kapitalistische fabrikant van het begin van de 19e eeuw, en een Rockefeller of het hoofd van de trust Rhône-Poulenc van vandaag, ligt er een hele wereld. Alles verandert, alles is voortdurend in beweging.

Die universele beweging kunnen we terugvinden op alle niveau’s van de werkelijkheid, en niet alleen in dat van de mensenmaatschappijen. De individu’s veranderen, onderworpen aan een onverbiddelijk lot. Ze worden geboren, groeien op, rijpen, worden volwassen, takelen af en sterven. Zoals dit noodlot de individu’s treft, treft het ook de levende soorten. De menselijke soort heeft niet altijd geleefd. Soorten die ooit onze planeet hebben bevolkt, zoals de reusachtige reptielen uit het tertiaire tijdvak, bestaan niet meer. Andere plant- en diersoorten verdwijnen onder onze ogen, gedeeltelijk als gevolg van de anarchistische verstoringen die de kapitalistische productiewijze heeft aangericht in de ecologie.

Onze planeet op haar beurt heeft niet het eeuwige leven. Het verlies van energie veroordeelt de aarde tot een onverbiddelijke dood. Ze heeft evenmin altijd bestaan. Ze is ontstaan in een interplanetaire constellatie, die zelf slechts één van de ontelbare constellaties is van het heelal.

De beweging, de universele evolutie, beheerst elk bestaan. Dat bestaan is materieel. Aan de basis van de materie liggen de atomen, die zelf zijn samengesteld uit nog kleinere deeltjes. Uit atomencombinaties ontstaan moleculen, die dan weer de basiselementen van de aardkorst en van de atmosfeer vormen. Zuurstof en waterstof, in een welbepaalde combinatie (H2O), vormen water. Andere atomencombinaties leiden tot de vorming van aminozuren.

De evolutie van de anorganische materie heeft in bepaalde omstandigheden geleid tot de geboorte van de organische materie. Uit de aminozuren ontstaan proteïnen, die in cellen werken. Die ontketenen de evolutie van levende soorten, dierlijk en plantaardig. In de loop van die evolutie ontstaan hogere levende wezens, zoogdieren, waarvan de aapachtigen deel uitmaken, waaruit dan weer de menselijke soort zal spruiten.

2. De dialectiek, logica van de beweging

Omdat elk bestaan gekarakteriseerd schijnt te worden door een universele beweging, moeten er gemeenschappelijke trekken te vinden zijn tussen de beweging van de materie (natuur), van de menselijke maatschappij en van onze kennis (de wetenschap, de menselijke geest). De materialistische dialectiek van Marx en Engels zegt in staat te zijn die gemeenschappelijke trekken van de universele beweging bloot te leggen.

De dialectiek, of logica van de beweging, manifesteert zich dus op drie vlakken:

1. de dialectiek van de natuur, een volledig objectieve dialectiek, d.w.z. onafhankelijk van het bestaan van projecten, bedoelingen of motieven van de mens, en die niet rechtstreeks inwerkt op de geschiedenis van de mens. Dit sluit niet uit dat, met de ontwikkeling van de productiekrachten, de mensheid de natuurkrachten kan aanwenden om zijn milieu te veranderen.

2. de dialectiek van de geschiedenis, aanvankelijk grotendeels objectief, maar waarin de opkomst van het project van het proletariaat, de maatschappij opnieuw op te bouwen volgens een vooraf opgesteld programma, een revolutionaire wending betekent, zelfs als de uitwerking en verwezenlijking van dat project gebonden is aan materiële voorwaarden die objectief zijn, vooraf bestonden en onafhankelijk zijn van de wil van de mensen.

3. de dialectiek van de kennis (van de menselijke gedachte), die dé object-subject dialectiek bij uitstek is, gevolg van een constante wisselwerking tussen voorwerpen (objecten) die moeten gekend worden en de actie van de personen (onderwerpen, subjecten) die trachten die objecten te leren kennen, en die bepaald worden door hun maatschappelijke toestand, de middelen tot onderzoek waarover zij beschikken — zowel werkinstrumenten als concepten — de omvorming van die middelen door de heersende maatschappelijke activiteit, enz.

In de mate dat de ontdekking van de dialectiek zelf een fase is in de ontwikkeling van de menselijke kennis en van de geest (de dialectiek werd eerst ontdekt door Griekse filosofen zoals Herakleitos, later overgenomen door Spinoza en vervolmaakt door Hegel), zou men in de verleiding kunnen komen elke dialectiek te herleiden tot een object-subject relatie. Dit is een vergissing.

Het is duidelijk dat alles wat wij weten, ook over de dialectiek in de natuur, wij dat weten door bemiddeling van onze hersens, van onze ideeën, van onze maatschappelijke praxis, die bepaald worden door onze materiële levensomstandigheden. Maar dit evidente feit belet niet dat wij kunnen weten — en nagaan, en bevestigen door talrijke proefnemingen — dat het leven ouder is dan de menselijke gedachte; dat de aarde ouder is dan het leven; dat het heelal ouder is dan de aarde; dat heel die beweging onafhankelijk is van de actie en van het bestaan van de mens, of van zijn geest, dat de menselijke geest zelf het product is van die beweging: de gedachte is de materie die zich bewust wordt van zichzelf. Dat is de precieze betekenis van het begrip: ‘dialectisch materialisme’.

Beter: in zoverre onze kennis toeneemt en een meer en meer wetenschappelijk karakter aanneemt; in zoverre die kennis de werkelijkheid benadert (een volledige identiteit van kennis en werkelijkheid is onmogelijk, onder andere door het feit dat die werkelijkheid voortdurend verandert), zal de beweging van die kennis steeds meer de objectieve beweging van de materie volgen. De dialectiek van onze wetenschappelijke gedachte, de materialistische dialectiek, kan de werkelijkheid vatten juist omdat zijn eigen beweging meer en meer overeenkomt met de beweging van de materie, ondermeer door de maatschappelijke praktijk die de uitdrukking is van een toenemende beheersing van de materiële krachten, omdat de wetten van de kennis, en van een geestelijk begrijpen van de werkelijkheid die zij inhouden, meer en meer overeenstemmen met de wetten die de universele beweging van de objectieve werkelijkheid beheersen.

Er is evenwel een belangrijk onderscheid tussen de ontwikkeling van de exacte wetenschappen en van de sociale wetenschappen, van onze kennis over alles wat het maatschappelijke leven als studie-object heeft, met inbegrip van onze kennis van de oorsprong en de dialectiek van de ontwikkeling van alle wetenschappen, ook van de natuurwetenschappen.

De ontwikkeling van de natuurwetenschappen is ook historisch en maatschappelijk bepaald. De mensen, zelfs de grootste genieën, kunnen in elk tijdvak slechts een bepaald aantal problemen stellen en oplossen. Zij zijn afhankelijk van de ideeën en van de opvoeding die ze hebben ontvangen. In die context ontstaan nieuwe problematieken, die verband houden met de materiële veranderingen, onder meer van de arbeid, van de werkinstrumenten, van de instrumenten voor wetenschappelijk onderzoek enz. Maar het gaat hier om een onrechtstreekse determinering, die niet onmiddellijk tot stand komt via materiële klasse-belangen. Men kan nooit wetenschappelijke theorieën, die steunen op experimentele bewijzen, aanvechten op grond van de dialectiek in het algemeen, of op grond van de sociale oorsprong of de politieke stellingname van de geleerde die ze heeft geformuleerd. Men kan die slechts aanvechten op grond van andere wetenschappelijke theorieën, gestaafd door proefnemingen, die een complexe realiteit beter weergeven.

In de sociale wetenschappen ligt dat anders. Deze wetenschappen hebben een veel rechtstreekser band met de organisatie en de structuur van de klassenmaatschappij. Het gewicht van de ‘overgeleverde ideeën’ is hier veel sterker, te meer daar die ideeën slechts de uitdrukking op het ideologische vlak zijn van belangen, van het behoud of van de omverwerping van die maatschappij, belangen die in laatste instantie terug te voeren zijn tot tegengestelde klasse-belangen. Het is natuurlijk niet de bedoeling de filosofen, de historici, de economisten, de sociologen, de antropologen af te schilderen als bewuste ‘agenten’ van een bepaalde sociale klasse, die deel zouden uitmaken van een ‘samenzwering’ om de gevestigde orde te verdedigen, of om ‘subversie te organiseren’. Maar toch is het vanzelfsprekend dat de ontwikkeling van de sociale wetenschappen veel onmiddellijker en rechtstreekser maatschappelijk bepaald is dan die van de natuurwetenschappen. Ook het object van de sociale wetenschappen wordt onmiddellijk bepaald door de structuur en de geschiedenis van de maatschappij waarop de onderzochte feiten betrekking hebben, wat niet het geval is voor het object van de natuurwetenschappen.

3. Dialectiek en formele logica

De dialectiek, of logica van de beweging, onderscheidt zich van de formele of statische logica. De formele logica steunt op drie fundamentele wetten:

1. De wet van de identiteit: A is gelijk aan A; een zaak blijft steeds gelijk aan zichzelf.

2. De wet van de tegenstelling: A is verschillend van niet-A; A kan nooit gelijk zijn aan niet-A.

3. Wet van de uitgesloten derde: ofwel A, ofwel niet-A; iets kan niet noch A noch niet-A zijn.

En nog nadenken leidt tot de conclusie dat de formele logica wordt gekenmerkt door het tussen haakjes zetten van de beweging, van de verandering. Alle wetten die wij hierboven hebben opgesomd zijn juist, op voorwaarde dat men geen rekening houdt met de beweging. A blijft gelijk aan zichzelf, op voorwaarde dat A niet verandert. A is verschillend van niet-A, op voorwaarde dat A zich niet in zijn tegendeel omvormt. Er is ofwel A, ofwel niet-A, in zoverre dat er geen beweging is waardoor A met niet-A wordt gecombineerd, enz. Voor de omvorming van de rups in vlinder, van de jongere in volwassene, is de ‘wet van de identiteit’ kennelijk onvoldoende.

Abstractie maken van de beweging, van de omvorming, van de veranderingen, kan nuttig zijn vanuit twee standpunten. Ten eerste om de verschijnselen op een geïsoleerde en continue wijze te bestuderen, wat ongetwijfeld leidt tot een uitdieping van onze kennis van die verschijnselen. Ten tweede is er een praktische reden, wanneer de veranderingen oneindig klein zijn, en dus inderdaad te verwaarlozen.

Als ik een kilo voorverpakte suiker koop, is de gelijkheid die wordt uitgedrukt door de weegschaal, 1 kilo suiker = 1 kilo, voldoende voor mij, gezien het praktische doel van de aankoop. Om suiker in mijn koffie te doen, en om mijn huishoudbudget in evenwicht te houden, komt het er voor mij weinig op aan dat het werkelijke gewicht van het pak bv. 999 gram is. Vanuit een praktisch standpunt kunnen dergelijke kleine verschillen terecht worden verwaarloosd.

Daarom blijft de formele logica gebruikt, zowel in theorie als in praktijk. Daarom wijst de materialistische dialectiek de formele logica niet af maar neemt ze op, beschouwt ze als een geldig analyse- en kennisinstrument. Maar geldig slechts op voorwaarde dat men er de grenzen van inziet: in zoverre men begrijpt dat ze niet van toepassing is op de verschijnselen van de beweging, op het proces van de verandering. Van zodra men te maken heeft met dergelijke verschijnselen, dringt een beroep op de dialectische categorieën, op de logica van de beweging zich op, categorieën die verschillend zijn van die van de formele logica.

4. De beweging, functie van de tegenstelling

De beweging is, door haar natuur zelf, een overgang, een voorbijgaan. Gezien vanuit een statische gezichtshoek kan een voorwerp zich niet op hetzelfde ogenblik op twee verschillende plaatsen bevinden (zelfs niet op een oneindig klein ogenblik). Vanuit een dynamische gezichtshoek is de beweging van het voorwerp juist zijn overgang van het ene punt naar het andere.

De dialectiek, of logica van de beweging, bestudeert dus vooral de wetten van de beweging, de vormen die die beweging aanneemt. Wij zullen die wetten behandelen vanuit twee aspecten: de beweging als functie van de tegenstelling, en de beweging als functie van het geheel.

Elke beweging heeft steeds een reden. De oorzakelijkheid is een van de fundamentele categorieën van de dialectiek, zoals ze een fundamentele categorie is van elke wetenschap. Wie de oorzakelijkheid negeert, ontkent in feite de mogelijkheid, kennis te verwerven.

De oorzaak achter elke beweging, van elke verandering, zijn de interne tegenstellingen van het veranderende voorwerp. Elk voorwerp, elk verschijnsel, verandert, beweegt, wordt omgevormd, in laatste instantie als gevolg van zijn eigen interne tegenstellingen, en van de tegenstellingen die ontstaan door zijn verhouding tot andere verschijnselen (d.w.z. interne tegenstellingen van het ‘systeem’ van voorwerpen en verschijnselen waarvan het deel uitmaakt). In die zin heeft men vaak, en terecht, de dialectiek de wetenschap van de tegenstellingen genoemd.

De analyse van elk voorwerp, van elk verschijnsel, of van elk geheel van voorwerpen of verschijnselen moet er dus op gericht zijn te bepalen uit welke contradictorische elementen het is opgebouwd, en welke beweging, welke dynamiek door die tegenstellingen ontstaat.

Zo hebben we doorheen heel onze uiteenzetting aangegeven hoezeer de klassenstrijd, gevolg van het bestaan binnen de maatschappij van tegengestelde maatschappelijke klassen, heel de beweging van de geschiedenis van de klassenmaatschappijen beheerst. We kunnen het ook breder zien, en zowel de primitieve klassenloze maatschappij de klassenmaatschappij en de toekomstige socialistische maatschappij in de redenering betrekken. Dan kunnen we stellen dat heel de evolutie van de mensheid wordt beheerst door het peil dat de ontwikkeling van de productiekrachten op een bepaald ogenblik heeft bereikt (de graad van overwicht van de mens op de natuur) en door de productieverhoudingen (maatschappelijke organisatie) die in laatste instantie zijn ontstaan uit het vroegere ontwikkelingspeil van diezelfde productiekrachten. Om het eenvoudiger te zeggen, en door heel sterk te schematiseren, kunnen we de volgende wetten van de beweging aangeven, waaruit we dan de fundamentele categorieën afleiden van de dialectische logica, of van de logica van de beweging:

a. De eenheid, de interpenetratie en de strijd van de tegengestelden

Wie zegt beweging, zegt tegenstelling. Wie zegt tegenstelling zegt samengaan van elementen die aan elkaar tegengesteld zijn, tegelijk een samenbestaan van en een strijd tussen die elementen. Als er een volledige gelijkheid is, een volledige afwezigheid van elementen die tegengesteld zijn aan elkaar, dan is er geen tegenstelling geen beweging, geen leven, geen bestaan. Het bestaan wordt gevormd door de eenheid, de interpenetratie en de strijd, tussen tegengestelde elementen, d.w.z. door de beweging.

Het bestaan van tegengestelde elementen omvat hun samenbestaan in een gestructureerd geheel, in een totaliteit waar elk van die elementen zijn plaats heeft, en de strijd van die elementen om dat geheel te doorbreken. Het kapitalisme is niet mogelijk zonder het gelijktijdige bestaan van kapitaal en loonarbeid, van bourgeoisie en proletariaat. De ene kan niet bestaan zonder de andere. Maar dit betekent niet dat de ene niet voortdurend probeert de andere te verdringen, dat het proletariaat niet probeert kapitaal en loonarbeid uit te schakelen, dus het kapitalisme voorbij te streven.

b. Kwantitatieve en kwalitatieve veranderingen

De beweging kan de vorm aannemen van veranderingen waardoor de structuur (of de kwaliteit) van verschijnselen ongewijzigd blijft. In dat geval spreken we van kwantitatieve, dikwijls niet merkbare, verandering. Vanaf een bepaalde ‘drempel’ wordt die kwantitatieve verandering kwalitatief. De verandering gebeurt niet meer geleidelijk, er is sprake van een ‘sprong’. Er ontstaat een nieuwe ‘kwaliteit’. Een dorpje kan geleidelijk een groot dorp worden, of een kleine stad. Maar tussen dorp en stad is er niet alleen een verschil in kwantiteit (aantal inwoners, grootte van de bebouwde oppervlakte, enz.). Er is ook een kwalitatief verschil. De beroepsactiviteit van het grootste deel van de inwoners is veranderd. De meerderheid bestaat niet meer uit boeren, maar uit arbeiders of bedienden. Er is een nieuw maatschappelijk milieu ontstaan, waardoor maatschappelijke problemen worden gesteld die niet bestonden in het dorp (bv. het openbaar vervoer). Nieuwe maatschappelijke klassen duiken op, en nieuwe tegenstellingen tussen die klassen.

c. Ontkenning en voorbijstreven

Elke beweging heeft de neiging de ontkenning van sommige van haar verschijnselen te produceren, om voorwerpen in hun tegendeel om te vormen. Het leven leidt tot de dood. De warmte kan slechts worden gevoeld in functie van de kou. De klassenloze maatschappij leidt tot de klassenmaatschappij, die op haar beurt tot een nieuwe maatschappij zonder klassen leidt. Maar we moeten een onderscheid maken tussen de ‘zuivere ontkenning’ en de ‘ontkenning van de ontkenning’, d.w.z. het voorbijstreven van de tegenstelling naar een hoger vlak, wat tegelijk een ontkenning inhoudt, een bewaren en een verheffen tot een hoger niveau. De primitieve klassenloze maatschappij had een grote interne samenhang, juist in functie van haar armoede, van haar bijna volledige ondergeschiktheid aan de krachten van de natuur. De in klassen verdeelde maatschappij is een etappe van grotere overheersing van de natuurkrachten door de mens, maar daarvoor heeft de mens de prijs betaald van een tegenstelling, van een diepe verscheurdheid in de maatschappelijke organisatie. In de toekomstige socialistische maatschappij zal die ontkenning voorbijgestreefd zijn. Een nog grotere heerschappij van de mens over de natuur zal ditmaal gepaard gaan met een eveneens superieure vorm van maatschappelijke samenhang en samenwerking, dank zij het bestaan van een maatschappij zonder klassen.

5. Enkele bijkomende problemen in verband met de dialektiek van de kennis

a. Inhoud en vorm

Elke beweging neemt uiteraard opeenvolgende vormen aan, die kunnen verschillen naargelang een groot aantal omstandigheden.

De beweging kan zich niet automatisch ontdoen van die of die vorm die ze in het verleden heeft aangenomen. Die vorm biedt weerstand, en die weerstand moet gebroken worden. De vorm moet beantwoorden aan de inhoud, en beantwoordt er ook aan, maar slechts tot op zekere hoogte. Zijn meer vastgelegde aard verzet zich tegen elke absolute en permanente overeenkomst met een beweging, die juist het tegenovergestelde is van alles wat vastgelegd is.

b. Oorzaak en gevolg

Elke beweging ziet eruit als een keten van oorzaken en gevolgen. Op het eerste gezicht worden ze alle vermengd door een onontwarbare wisselwerking. De oorzaak van de loonarbeid ligt in de privé-toeëigening van de productiemiddelen, die het monopolie worden van één maatschappelijke klasse. Maar dat monopolie wordt juist in stand gehouden door de loonarbeid. De lonen laten de arbeiders niet toe productiemiddelen te verwerven. De loonarbeid maakt een meerwaarde vrij, die de kapitalisten zich toeëigenen, en die wordt omgevormd tot burgerlijke eigendom van bijkomende productiemiddelen. Enzovoort...

Om de weg terug te vinden in deze doolhof, en niet te vervallen in een vaag en steriel eclectisme, moeten we de genetische methode toepassen, d.w.z. zoeken naar de historische oorsprong van de beweging die ons bezighoudt. Dan zullen we vinden dat kapitaal en meerwaarde ouder zijn dan de loonarbeid; dat ze zijn ontstaan buiten de sfeer van de productie; dat er een primitieve accumulatie van het kapitaal is geweest, waardoor de schijnbaar gesloten kringloop van oorzaak en gevolg, loonarbeid-kapitaal-loonarbeid doorbroken wordt.

c. Het algemene en het bijzondere

Elke beweging, elk verschijnsel heeft zijn eigen kenmerken. Maar terzelfdertijd kan elke beweging, elk verschijnsel, ondanks die specifieke eigenheden, alleen begrepen en verklaard worden in het kader van bredere en meer algemene gehelen. Het Britse kapitalisme van de 19e eeuw is niet gelijk aan het Britse kapitalisme van de tweede helft van de 20e eeuw, en ook niet aan het Amerikaanse kapitalisme van vandaag. Elk van die types is een bijzondere maatschappelijke formatie, met een eigen inschakeling in een wereldeconomie die in een eeuw tijd sterk veranderd is. Maar toch kunnen noch het Britse kapitalisme van de Victoriaanse periode, noch het Britse laatkapitalisme van vandaag, noch het huidige Amerikaanse kapitalisme begrepen worden buiten de algemene ontwikkelingswetten die gelden voor het kapitalisme in het algemeen. De dialectiek van het algemene en het bijzondere vergenoegt zich niet met een ‘combinatie’ van één analyse van het ‘algemene’ en van het ‘bijzondere’. Zij dient zich ook in te spannen het bijzondere te verklaren in functie van de algemene wetten, en die algemene wetten te wijzigen in functie van de werking van een aantal bijzondere factoren.

d. Het relatieve en het absolute

De beweging, de universele verandering begrijpen, dat wil zeggen begrijpen dat er oneindig veel overgangstoestanden zijn, of begrijpen, zoals Hegel het zei : «de beweging is de eenheid tussen continuïteit en discontinuïteit”. Daarom is een van de fundamentele trekken van de dialectiek het begrip van de relativiteit van de dingen, de weigering absolute hindernissen op te richten tussen categorieën, het zoeken naar mediaties tussen tegengestelde elementen.

De universele evolutie houdt in dat er tweeslachtige verschijnselen bestaan, toestanden van «overgang tussen leven en dood», tussen plantaardige en dierlijke soorten, tussen vogels en zoogdieren, tussen de aap en de mens, waardoor het onderscheid tussen al die categorieën betrekkelijk wordt.

Dit alles neemt niet weg dat de dialectiek vaak op subjectivistische wijze is gebruikt, als «kunst der verwarring», of als «kunst om paradoxen te verdedigen». Het verschil tussen de wetenschappelijke dialectiek, instrument om de werkelijkheid te laten kennen, en de subjectivistische dialectiek of sofistiek bestaat er juist in dat de betrekkelijkheid van verschijnselen en categorieën bij de sofisten op haar beurt iets absoluuts wordt. Zij vergeten (of doen alsof) dat de relativiteit van de categorieën slechts een gedeeltelijke relativiteit is en geen absolute, en dat die relativiteit dus op haar beurt moet gerelativeerd worden.

Het «absolute” verschil tussen leven en dood wordt aangetast door het bestaan van overgangstoestanden, leert ons de wetenschappelijke dialectiek. Alles is relatief, dus ook het verschil tussen leven en dood is totaal relatief, of onbestaande, zo gaat de sofist verder. Nee, antwoordt de dialecticus : in het verschil tussen leven en dood is er iets absoluuts, niet enkel iets relatiefs. Uit het onloochenbare feit dat er talrijke tussenliggende etappes zijn moet men niet de absurde conclusie trekken, te ontkennen dat de dood de ontkenning van het leven blijft.

6. De beweging, functie van de totaliteit — het abstracte en het concrete

We hebben gezien dat elke beweging steeds in functie staat van de interne tegenstellingen van het verschijnsel of van het geheel van verschijnselen dat wordt bestudeerd. Elk verschijnsel — of het nu gaat om een levende cel, een natuurlijk milieu waar verschillende soorten samenleven, of een menselijke maatschappij, een planetenstelsel, een atoom — bevat echter oneindig veel aspecten, composanten, samenstellende delen. Die elementen hangen niet aan elkaar vast op een toevallige en voortdurend veranderende wijze. Zij vormen gestructureerde gehelen, een totaliteit die opgebouwd is volgens welbepaalde wetten.

Zo zijn, binnen de burgerlijke maatschappij, de wederzijdse en strijdende betrekkingen tussen Kapitaal en Arbeid geenszins toevallig. Ze worden bepaald door de economische dwang voor de loonarbeider zijn arbeidskracht te verkopen aan de kapitalist, die de productiemiddelen bezit, en ook de middelen waardoor de arbeider in leven kan blijven, onder de vorm van koopwaren. Wederzijdse betrekkingen die kwalitatief anders zijn hebben tot andere maatschappijen geleid die ook op uitbuiting zijn gebaseerd; maar daar ging het niet om kapitalistische maatschappijen.

De materialistische dialectiek moet dus elk verschijnsel, elk voorwerp van analyse en kennis benaderen, niet enkel om er de interne tegenstellingen van te doorgronden, waardoor zijn evolutie wordt bepaald (zijn ‘ontwikkelingswetten’). Hij moet een inspanning doen het verschijnsel op globale wijze te benaderen, het te vatten onder elk van zijn aspecten, het te beschouwen in zijn geheel, elke eenzijdige benadering te vermijden waardoor één bepaald aspect van het geheel op willekeurige wijze wordt geïsoleerd, een ander aspect op niet minder willekeurige wijze wordt verwaarloosd. Want door die laatste handelwijze zou de dialectiek onmogelijk de tegenstellingen in hun geheel kunnen begrijpen, en dus ook niet de beweging in zijn totaliteit kunnen vatten.

Dit vermogen van de dialectiek in zijn analyse de ‘universalistische’ methode te betrekken (Allseitigkeit, zegt Lenin, in het Duits en in het Russisch), is één van zijn voornaamste verdiensten. ‘Logica van de beweging’, ‘logica van de tegenstelling’ en ‘logica van de totaliteit’ zijn trouwens zo goed als synoniem. Door de ogen te sluiten voor sommige contradictorische elementen van de werkelijkheid die schijnbaar ‘de analyse te complex maken’, gaan niet-dialectische denkers van het geheel naar het deel, en intussen werpen zij zowel de tegenstelling als de totaliteit overboord.

Natuurlijk, een zekere vereenvoudiging, een zeker ‘herleiden’ van het ‘geheel’ tot zijn doorslaggevende samenstellende delen, is onvermijdelijk als eerste benadering van elke wetenschappelijke analyse. Die is, in het begin, noodgedwongen abstract. Zonder die abstractie wordt de analyse van een verschijnsel in zijn beweging en met zijn tegenstellingen onmogelijk. Elke ‘verklaring’ die blijft vasthangen aan de uiterlijke verschijnselen is meer beschrijving dan een werkelijk wetenschappelijke verklaring van de essentie van een verschijnsel. Bijvoorbeeld de prijzen zijn een uiterlijk verschijnsel, de essentie is de waarde, de maatschappelijke arbeid.

Maar we mogen niet vergeten dat dit onvermijdelijke abstractieproces de werkelijkheid verarmt. Hoe dichter we bij de werkelijkheid komen hoe dichter we een totaliteit benaderen die rijk is aan oneindig veel aspecten, die de wetenschappelijke analyse, de kennis, moeten verklaren in hun onderlinge betrekkingen, en in hun tegengestelde verhoudingen. « De waarheid is altijd concreet » (Lenin). « De waarheid dat is de totaliteit » (Hegel). De totaliteit, dat is het geheel van de essentie van de uiterlijkheden en van de mediaties die verklaren waarom de essentie zich in die uiterlijkheden openbaart, en niet in andere.

7. Theorie en praktijk

De dialectiek is een theorie, een instrument, van de kennis. Historisch gezien kan men de materialistische dialectiek definiëren als de kennistheorie van het proletariaat (wat niets afdoet aan zijn objectief wetenschappelijk karakter, dat een constante toetsing vereist, strikt objectief en zonder vooringenomenheid, ook op het wetenschappelijke terrein). Elke kennisleer wordt onderworpen aan een onverbiddelijke toets: die van de praktijk.

In laatste instantie is de kennis zelf geen verschijnsel dat los staat van het leven en van de belangen van de mensen. Zij is een wapen voor het in stand houden van de soort, een wapen dat het de mens mogelijk maakt de natuurkrachten te beheersen, (en later) een wapen dat hem de oorsprong van het ‘sociale vraagstuk’ laat inzien, en de middelen om dat vraagstuk op te lossen. De kennis is dus geboren uit de maatschappelijke praktijk van de mens; haar functie is het vervolmaken van die praktijk.

De doeltreffendheid van de kennis wordt in laatste instantie gemeten aan zijn praktische gevolgen. De toetsing in de praktijk blijft het beste wapen tegen sofisten en sceptici.

Dit betekent niet dat de theorie zich oplost in een vaag kortzichtig pragmatisme. Heel dikwijls wordt de praktische bruikbaarheid, het ‘ware’ of ‘onware’ karakter van een wetenschappelijke veronderstelling niet onmiddellijk duidelijk. Er is tijd nodig, afstand nemen, nieuwe experimenten, een opeenvolgende reeks ‘praktische proeven’, voor het wetenschappelijke karakter van een theorie zich inderdaad in de praktijk opdringt. Heel wat mensen zijn de gevangenen van de uiterlijkheden, van een partieel en uitzonderlijk gezicht op de werkelijkheid, van een tijdelijk beeld van een historisch proces (en dat wordt op zijn beurt in laatste instantie bepaald door de ideologie van niet-revolutionaire klassen of sociale lagen). Hierdoor kunnen die mensen aan het twijfelen slaan, ondanks de beste socialistische bedoelingen en overtuigingen, over bijvoorbeeld het burgerlijke karakter van de parlementaire democratie, of over de noodzaak van de dictatuur van het proletariaat, of over de noodzaak van de overwinning van de wereldrevolutie voor de opbouw van een werkelijk socialistische maatschappij in de USSR of in om het even welk land.

Maar per slot van rekening zullen de feiten bevestigen welke theorie werkelijk wetenschappelijk is geweest, d.w.z. in staat is geweest het reële van al zijn tegenstellingen te vatten, zijn hele beweging te begrijpen, en welke veronderstellingen verkeerd zijn geweest, d.w.z. in staat om slechts een deel van de werkelijkheid te verklaren, door de delen te scheiden van het gestructureerde geheel, en daardoor niet in staat de beweging op lange termijn te vatten in zijn fundamentele dialectiek. De overwinning van de socialistische wereldrevolutie, de opkomst van een klassenloze maatschappij zal in de praktijk de geldigheid bevestigen van de revolutionair-marxistische theorie.


Literatuur

Anderson, Perry, Over het Westers marxisme. Amsterdam, Van Gennep, 1979.

Axelos, Kostas, Marx, penseur de la technique. Paris. Ed. de Minuit. 1961.

Dietzen, Jozef, L ‘essence du travail intellectuel. Paris, Francois Maspéro, 1973.

Engels, Friedrich, De heer Eugen Dührings omwenteling in de wetenschap. Moskou, Uitgeverij voor literatuur in vreemde talen, s.d.

Engels, Friedrich, Dialectique de la nature. Paris, Ed. Sociales, 1952.

Engels, Friedrich, Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie. Amsterdam, Pegasus, 1973.

Fromm, Erich, Marx, Freud en de vrijheid. Utrecht, Bijleveld, 1970.

Goldman, Lucien, Sciences humaines et philosophie. Paris, P.U.F., 1952.

Gramsci, Antonio, Marxisme als filosofie van de praxis. Amsterdam, Van Gennep, 1971.

Harmsen, Ger, Marx contra de Marxistische ideologie. Nijmegen. Sun reprint 9. 1968.

Havemann, Robert, Dialektiek zonder dogma. Utrecht, Aula, 1966.

Jakubowski, Franz, Basis en bovenbouw. Nijmegen, Sunschrift 72, 1974.

Korsch, Karl. Marxisme en filosofie. Baarn, Wereldvenster, 1977.

Kosik, Karel, La dialectique du concret. Paris, Francois Maspéro, 1970.

Lefebvre, Henri, Le matérialisme dialectique. Paris P.U.F., 1971.

Lefebvre, Henri, Logique formelle, logique dialectique. Paris. Ed. Anthropos, 1969.

Lenin, V., Cahiers politiques. Paris, Ed. Sociales, 1973.

Lukacs, Georg, Histoire et conscience de classe. Paris, Ed. de Minuit, 1960.

Marx, Karl, Parijse manuscripten. Den Haag, Boucher, 1969.

Marx, Karl & Engels, Friedrich, De Duitse ideologie. Nijmegen, Sunschrift 42, 1974.

Novack, George, An introduction to the logic of marxism. New-York. Merit Publishers, 1969.

Novack, George, The origins of materialism. New-York, Merit Publishers, 1965.

Plechanov, G., Questions fondamentales du marxisme. Paris, Ed. Sociales.

Reich, Wilhelm, Dialekties materialisme en psychoanalyse. Amsterdam, SUA.

Vincent, Jean-Marie, La théorie critique de l'école de Francfort. Paris Ed. Galilée, 1976.

Sur la méthode. In : Critique de l'économie politique, n° 9. Paris, Francois Maspéro, 1972.