Ernest Mandel

De arbeidersbeweging en de crisis



Geschreven: 1982
Bron: Linkse visies op de crisis. Onder redectie van Wilfried Bossier en André Mommen
Vertaling: A. Mommen
Deze versie: Spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, december 2005


Iedere crisis [1] van overproductie betekent altijd een massale aanval van het kapitaal op de loonarbeid. Door zowel de werkloosheid als de angst ervoor aan te wakkeren wil het kapitaal een verlaging (of stagnatie) van het werkelijke loon bereiken, een versnelling van het arbeidsritme opleggen, plus daarbij de verworvenheden op het vlak van de arbeidsvoorwaarden en de sociale zekerheid aantasten en tevens de beschermende maatregelen tegen de ergste vormen van armoede en onrechtvaardigheid, die afgedwongen werden tijdens de periode van voorspoed, inperken. Dat gebeurt bij iedere crisis. En dat is dan ook het geval sinds de crisis van 1974-1975. We beleven nu een offensief van het grootkapitaal tegen de loontrekkers, om de loonmatiging op te leggen. Het te verwachten resultaat van dat offensief hangt af van het samenspel tussen vier factoren:


1. objectieve krachtsverhoudingen tussen de klassen;
2. het niveau van organisatie, strijdbaarheid en klassenbewustzijn van het proletariaat op het moment dat dit offensief losbarst (dat weer zelf functie is van al hetgeen zich de laatste vijftien à twintig jaar in de klassenstrijd en de arbeidersbeweging van ieder kapitalistisch land afzonderlijk en van de hele wereld in zijn geheel heeft afgespeeld);
3. de reacties van de massaorganisaties van de arbeidersbeweging, hier vooral de vakbonden, maar ook de traditionele massapartijen;
4. de krachtsverhoudingen binnen de arbeidersklasse tussen enerzijds het bureaucratisch apparaat en anderzijds de nieuwe arbeidersvoorhoede die door de strijd van de laatste tien jaar naar voren kwam met als bijkomend element en op langere termijn beslissend: de relatieve kracht van een nieuwe revolutionaire leiding in oprichting.

Indien men een eenvoudige balans wil opstellen van hetgeen de laatste jaren in de imperialistische landen is gebeurd, dan moet men besluiten dat het patronale offensief enkele min of meer belangrijke successen heeft geboekt, dit al naargelang de beschouwde landen, maar dat het patronaat nergens haar doel heeft bereikt. De strijdbaarheid van de arbeidersklasse en van haar voorhoede werd niet gebroken. In geen enkel imperialistisch land werd de arbeidersklasse een zware (ofwel beslissende) nederlaag toegediend. De meerwaardevoet werd niet in verhouding met de ernst van de kapitalistische crisis en de historische plannen van het kapitaal hersteld.

Anderzijds zijn de arbeidersklasse en de arbeidersbeweging tot hiertoe grosso modo op hun verdedigende stellingen gebleven. Zij hebben nergens de uiterst ernstige crisis van het kapitalisme kunnen gebruiken om het regime (behalve in Portugal in 1975) fundamenteel in vraag te stellen. Zelfs in Spanje, waar de kracht van de strijdbaarheid en de politisering op een bepaald moment het sterkste waren, hebben de verovering van de democratische vrijheden en de val van de dictatuur, die onder druk van de massa’s werden bewerkstelligd, niet geleid tot een algemeen offensief tegen het kapitalistisch regime zelf.

Zeker, de mogelijkheid van dergelijke revolutionaire crisis blijft bestaan in de vier landen van Zuidwest-Europa. Zulke crisis zou kunnen overslaan naar de meer noordelijke landen. Maar op dit ogenblik heeft zich dat nog niet voorgedaan. De reden is duidelijk. Ondanks het feit dat de objectieve kracht en de organisatiegraad van de arbeidersklasse groter zijn dan ooit, en dat een nieuwe arbeidersvoorhoede die de heerschappij van de oude bureaucratische apparaten betwist, in talloze fabrieken en in de vakbonden van heel kapitalistisch Europa is verschenen in mindere mate in Japan en in Noord-Amerika (maar deze landen gaan met enkele jaren vertraging dezelfde richting uit), blijft de ontredderende en remmende rol van de traditionele bureaucratische apparaten enorm, omdat er binnen de arbeidersbeweging geen voldoende hecht georganiseerde politieke kracht opereert om aan de arbeidersklasse een geloofwaardig alternatief aan te bieden.

De massaorganisaties van de Europese arbeidersbeweging leefden voorheen in de euforie van de voortdurende groei die volledige tewerkstelling en sociale vooruitgang beloofde. De traumatische schok van jarenlange - stijgende! - massale werkloosheid heeft hen tot bezinning genoopt. Maar de bourgeoisie heeft een kolossale mystificatiecampagne op touw gezet om de mening van de arbeiders te beïnvloeden en om uit te leggen dat de crisis er eentje is van schaarste en niet van overproductie. Deze campagne heeft tot doel om zowel de koloniale volkeren als de vakbonden en de arbeidende massa in het Westen een schuldgevoel aan te praten door hen verantwoordelijk te stellen voor de massale werkloosheid. De theoretische en politieke ontreddering van de syndicale leiding en van de massapartijen van de arbeidersklasse in het Westen ten aanzien van het ideologische offensief van de bourgeoisie is totaal. Bijna allen doen de ene op de andere toegeving, ware het niet dat zij over de hele lijn voor de bourgeoisie capituleren.

Niettemin is tijdens de zestiger jaren en het begin van de zeventiger jaren een heel nieuwe generatie van strijdbare vakbondsmilitanten in de ondernemingen naar voren gekomen. Deze militanten waren perfect in staat in een periode van volledige tewerkstelling te reageren tegen elke aantasting van de koopkracht. Dit deden zij zelfs onafhankelijk van de bureaucratische apparaten en, indien het moest, ook tegen hen. Maar deze voorhoede mist nog ervaring wat betreft het uitdenken van tegenzetten tegen fabriekssluitingen en afdankingen in een tijd van massawerkloosheid. Deze voorhoede voelt ten andere aan dat dergelijke versnipperde reacties slechts van een beperkte doeltreffendheid zijn. Een globaal politiek antwoord op de crisis is onontbeerlijk. Maar deze voorhoede was tot nu toe niet in staat, spontaan zulk een globaal antwoord uit te werken. Door de programmatische en theoretische ontreddering waarin de ‘officiële’ linkerzijde verkeert, en ook door de te beperkte omvang van de revolutionaire organisaties - waardoor deze laatste in de ogen van de massa niet de drempel van de onmiddellijke politieke geloofwaardigheid hebben kunnen overschrijden - kon zij dat antwoord niet zelf formuleren.

Deze ontreddering is nog versterkt door de sterk op de voorgrond tredende neoricardiaanse theorieën (de school van Cambridge) in kringen van economen verbonden met de arbeidersbeweging, inclusief hier de communistische partijen (vooral de Engelse en de Italiaanse KP). Voor de neoricardianen is de winstvoet enkel een functie van het loonniveau. De organische samenstelling van het kapitaal wordt buiten beschouwing gelaten. Zij verklaren dus de val van de winstvoet door de stijging van de lonen. Vandaar dat zij samen met het patronaat [2] zouden kunnen concluderen dat ‘buitensporige’ looneisen arbeidsplaatsen kosten en dus verantwoordelijk zijn voor de werkloosheid. Er ontbreekt nog slechts een kleine stap opdat deze economen van de arbeidersbeweging dit besluit zouden trekken. Talloze sociaaldemocratische leiders overschrijden opgewekt deze limiet.

Men ziet het: de ogenschijnlijk zuiver academisch-theoretische strijd verwerft vandaag een onmiddellijke sociale, politieke en praktische functie in het kader van de klassenstrijd. Enkel de marxistische verklaring voor de val van de winstvoet - die een functie is van de groei van de organische samenstelling van het kapitaal en niet van de gestegen lonen - staat toe om de syndicale weerstand en het verzet van de arbeiders tegen het ideologisch offensief van de bourgeoisie theoretisch stevig te funderen. Dit offensief wil aan de vakbonden reële loonsverlagingen opleggen en een ‘inkomenspolitiek’ opdringen die hen zou beroven van de vrijheid om de belangen van hun leden te verdedigen of zelfs om onbeperkt gebruik te maken van het stakingsrecht [3].

Het is reeds lang geleden dat de rechtse sociaaldemocraten hebben gebroken met het marxisme en dat zij binnen de arbeidersklasse de klassieke gemeenplaatsen van de burgerlijke ideologie hebben ingevoerd: “Wij zitten allemaal in hetzelfde bootje. We moeten samen de ondernemingen verdedigen, ofwel de nationale economie, ofwel Europa, ofwel de ‘Vrije Wereld’ (dit al naargelang de omstandigheden)”. In een hele reeks landen van Europa zijn het de sociaaldemocraten die zich tot advocaat en belangrijkste realisatoren gemaakt hebben van de politiek van loonmatiging die door de bourgeoisie geëist wordt: onder andere in Groot-Brittannië, in West-Duitsland, in Portugal en Denemarken. Enkele ‘eurocommunistische’ partijen hebben openlijk deze lijn overgenomen én zelfs de sociaaldemocraten overtroffen door hun ‘dappere’ inzet ten gunste van de matigingspolitiek [4]. Dit is onder andere het geval voor de Italiaanse en de Spaanse KP. De Portugese KP heeft een soepeler opstelling gekozen door de politiek van loonmatiging principieel wel te aanvaarden, maar door zich ten aanzien van concrete maatregelen in verband met loonsverlagingen onder druk van haar arbeidersbasis in de oppositie te laten slepen. Als enige onder de grote arbeiderspartijen in Europa heeft de Franse KP zich vastberaden tegen iedere politiek van loonmatiging gekant en dit in naam van een klassiek keynesiaanse anti-crisispolitiek. De Franse KP werd wat dat betreft door de meest linkse sociaaldemocratische stromingen (linkervleugel van de Labour Party in Engeland, de CERES in Frankrijk, Fraternidade Operaria in Portugal, de renardistische linkse vakbondsvleugel in België, enz.) in deze stellingname bijgetreden. Maar tot op heden hebben geen van deze stromingen gedurende lange tijd weerstand kunnen bieden tegen het feitelijk goedkeuren van loonmatigingsvoorstellen wanneer zij de oppositiebanken omruilden voor de ministeriële kussens. Het is daarom weinig waarschijnlijk dat de Franse KP uiteindelijk anders zal weten te handelen (intussen is deze voorspelling sinds juni 1982 bevestigd).

De argumenten waarmee de rechtse sociaaldemocraten en de rechtse ‘eurocommunisten’ hun keuze ten gunste van een politiek van loonmatiging rechtvaardigen zijn van tweeërlei aard:

- Het eerste argument is wezenlijk politiek. Dit draait steeds en altijd uit op het liedje van het ‘minste kwaad’: “Indien wij de crisis niet beheren, dan zal de crisis door de reactie beheerd worden en zal de matigingspolitiek veel harder uitvallen. Ten andere, indien wij voor het kapitalisme geen uitweg bieden door middel van loonmatiging, dan zal de werkloosheid tot het terugkeren van uiterst rechts in de regering leiden, zo niet zelfs een algehele ramp veroorzaken”. Met andere woorden: “Verdraagt de pijn van het verlies van drie vingers, in plaats van het risico te lopen, een hele hand te verliezen!”. Voor het ombouwen van deze defaitistische argumentatie is geen ernstige bewijsvoering te vinden. Wie heeft bewezen dat de arbeiders niet in staat zouden zijn om zich te verzetten tegen het blokkeren of het verminderen van de reële lonen? Wie heeft bewezen dat de rechtse regeringen er automatisch in zouden slagen om het verzet van de arbeidersbeweging te breken? Is men vergeten welke zware nederlaag de Britse mijnwerkers toebrachten aan het anti-syndicale offensief van de regering Heath? Wie heeft voorts bewezen dat het verschijnen van fascistische benden ook hun onvermijdelijke overwinning betekent? Is men vergeten wat in juli 1936 in de arbeiderscentra in Spanje is gebeurd? Wat zich in de jaren zestig in Italië afspeelde?

- Het tweede argument is meer van strikt economische, zelfs ogenschijnlijk van technische aard. De rechtervleugel van de arbeidersbeweging bevestigt de burgerlijke stelling dat zonder het verminderen van de consumptieuitgaven (dus hoofdzakelijk van de loonmassa) er geen verhoging van de investeringen en dus geen herstel van de volledige tewerkstelling mogelijk is. Om de demagogische formule van Helmut Schmidt te herhalen: “De winsten van vandaag zijn de arbeidsplaatsen van morgen”. Doch het moet duidelijk zijn dat zelfs vanuit een ‘zuiver technisch’ standpunt beschouwd — dat wil zeggen door zich enkel binnen het kader van de kapitalistische productiewijze te plaatsen - deze argumentatie verkeerd wordt. Zij vertrekt van de simplistische en valse [5] veronderstelling dat de hulpbronnen van iedere natie in twee essentiële fondsen verdeeld worden: het consumptie van de huishoudens (hoofdzakelijk van de loontrekkers) en het fonds van productieve investeringen. In werkelijkheid is dit niet zo. Men moet niet twee maar wel drie grote categorieën van uitgaven onderscheiden: het consumptiefonds van de productieve klasse (waarin wij de prestaties van de sociale zekerheid mee opnemen, dat wil zeggen al de inkomens van de leden van het proletariaat die niet in staat zijn omwille van diverse redenen hun arbeidskracht te verkopen -leeftijd, ziekte, invaliditeit, werkloosheid, zwangerschap, vorming of herscholing, enz.); het fonds van productieve investeringen; en het fonds van niet-productieve uitgaven. Dat laatste fonds omvat niet enkel en alleen de uitgaven van het openbaar bestuur, de militaire uitgaven, de kosten om de heersende klasse samen met hun cliënten en dienaren te onderhouden, maar ook de kosten van verkoop en distributie veroorzaakt door de anarchie van het kapitalistisch systeem, de opgepotte spaargelden, de spaargelden gebruikt voor speculatieve doeleinden, enz.

Hieruit blijkt dus dat het perfect mogelijk is dat het eerste fonds door toedoen van matigingsvoorstellen verminderd wordt, zonder dat het tweede fonds aangroeit. In dit geval zal het ‘gedwongen sparen’ door de loontrekkers eenvoudig de niet-productieve uitgaven voeden. Het is zelfs mogelijk dat ondanks het verminderen van het eerste fonds het tweede fonds gelijktijdig vermindert. Dat is wat zich in 1975 precies heeft voorgedaan, en in 1981 zich heeft herhaald in meerdere imperialistische landen. Het gelijkstellen van het verrichten van productieve investeringen met het scheppen van arbeidsplaatsen is een andere illusie. Een steeds groter aantal investeringen zijn rationalisatie investeringen die steeds meer arbeidsplaatsen in de industrie opheffen in plaats van er nieuwe te scheppen.

Naarmate de massale werkloosheid chronisch wordt en verergert, verliezen deze onbehouwen argumenten ten gunste van de loonmatiging hun geloofwaardigheid onder de georganiseerde arbeiders. Hun ergernis en zelfs hun verontwaardiging over de machteloosheid van zowel de ‘linkse’ als de ‘rechtse’ regeringen om de volledige tewerkstelling te verwezenlijken groeit steeds meer. Op dat ogenblik trekken de voorstanders van de klassensamenwerking en van het verdedigen van het verhogen van de kapitalistische profijten zich terug op een nieuwe verdedigingslijn. Het ‘economisch herstel’ zou enkel mogelijk zijn door een krachtige uitbreiding van de uitvoer en een ernstige vermindering van de invoer [6]. Doch het concurrentievermogen van de nationale industrie op de wereldmarkt hangt af van de ‘matiging’ van de loonsverhogingen. Dus is de loonmatiging noodzakelijk om de hervatting van de uitvoer te verzekeren. Ook hier botsen de naakte feiten weer met deze stelling. In bijgevoegde tabel wordt duidelijk aangetoond dat er geen samenhang is tussen de kleinste groeipercentages van de lonen en het succes van de offensieven in de richting van de uitvoer. De afwezigheid van een dergelijke samenhang is bijzonder opvallend indien wij enerzijds Groot-Brittannië en Italië en anderzijds de Verenigde Staten, Japan en West-Duitsland met elkaar vergelijken.

Tabel
Stijgingspercentages van de reële lonen en stijgingspercentages van de uitvoer.

Tabel lonen en uitvoer procenten

Bron:
kolom A: Bank voor Internationale Betalingen, Quaranteseptième rapport annuel, blz. 46;
kolom B en C: Perspectives économiques de l'OCDE, nr. 22, december 1977.

Feit is dat de competitiviteit van de industrie hoofdzakelijk afhangt van de kosten per eenheid product. Deze laatsten worden nu veel meer beïnvloed door de technologische vooruitgang, de schaalvoordelen, de relatieve invloed van de kapitalen, de juist gekozen specialisatie, de duurte van het krediet, de toegang tot goedkopere energiebronnen of grondstoffen en de schuldenlast, dan door de marginale schommelingen van de gestegen loonpercentages. Vergeten wij niet dat in de verwerkende nijverheid de loonkosten nog maar nauwelijks voor 25 a 30% of nog minder in de productiekosten tussenkomen.

Trouwens, het weinig realistisch karakter van het plan om de economische groei door middel van de uitvoer op gang te brengen door dit toe te passen op alle imperialistische landen moet wel opvallen. Terwijl de wereldmarkt slechts langzaam uitbreidt of zelfs samentrekt moet de vooruitgang van de export van het ene land wel de achteruitgang van de andere tot gevolg hebben. Indien de vakbonden en de reformistische arbeiderspartijen zich aansluiten bij het op de uitvoer gerichte offensief van hun patroons, dan doen zij dat niet alleen op kosten van de lonen van de arbeiders van hun eigen land, maar ook ten nadele van de werkgelegenheid van hun klassenbroeders in de andere landen. De steunverlening aan het protectionisme en aan de ‘jacht op de illegale inwijkelingen’ door de Amerikaanse syndicale bureaucratie is slechts een extreem voorbeeld van een meer algemene tendens. Tegenover de fiere leuze “Proletariërs aller landen, verenigt u!” plaatsen deze gevleugelde zangers van het syndicale corporatisme de o zo sympathieke slogan: “Proletariërs aller landen, heft wederzijds uw arbeidsplaatsen op en veroordeelt u wederzijds tot werkloosheid en loonsverlagingen” [7].

Het patronaat van ieder land roept voortdurend de imperatieven van de internationale wedijver ter hulp om haar verzet tegen de enige efficiënte maatregel voor de onmiddellijke opslorping van de werkloosheid te rechtvaardigen: een substantiële vermindering van de wekelijkse arbeidsduur zonder vermindering van het weekloon, zonder verandering in de organisatie van de arbeid en dus met verplichte aanwerving van bijkomende arbeidskrachten. Een groot aantal vakbondsorganisaties in Europa hebben reeds ten gunste van de invoering van de 36-urige (of de 35-urige) werkweek gepleit. Wij moeten een onmiddellijke strijdcampagne eisen op Europese schaal - indien mogelijk met uitbreiding tot in Noord-Amerika en Japan - voor de invoering van de 35-36-urige werkweek. Die campagne kan uitmonden in een algemene staking in Europa ten gunste van dit strijddoel. Maar hoe kan men op een geloofwaardige wijze strijden voor de 35-36 uren op Europese schaal en zich tegelijkertijd aansluiten bij de strijd van ‘zijn’ patronaat om zijn ‘eigen’ uitvoer te stimuleren en zijn ‘eigen’ concurrentievermogen (ten nadele van dat van de buurlanden) te verbeteren [8]? De internationale kapitalistische concurrentie omhelzen of de internationale syndicale en arbeiderssolidariteit in praktijk brengen zijn twee actiedoelen die elkaar wederzijds uitsluiten.

Onder degenen die de loonmatigingspolitiek verwerpen zijn er die in het algemeen kiezen ten gunste van de keynesiaanse relancetechnieken. Het verhogen van de koopkracht van de arbeiders, hier vooral van de armste lagen van de bevolking (die meestal hun bijkomend inkomen onmiddellijk uitgeven), komt neer op het scheppen van een gestegen afzet van consumptiegoederen, waardoor de economische groei weer op dreef zal komen (al was het ook een groei van een ander type dan die van de jaren vijftig en zestig, nu met meer sociale consumptie). Het Gemeenschappelijk Programma (Programme Commun) van de Franse Socialisten en de Franse KP ging in die richting en de Franse KP legde hier bijzonder de nadruk op [9]. Het is ontegenzeggelijk dat een verhoging van het inkomen van de lagere inkomensgroepen een onmiddellijk ‘multiplicator’ effect kan hebben en op korte termijn kan leiden tot een ernstige heropleving in de sector van de consumptiegoederen, zeker indien deze sector een belangrijke niet gebruikte productiecapaciteit herbergt. Maar deze heropleving betekent nog geen automatische heropleving op grote schaal van de productieve investeringen, noch een radicale opslorping van de werkloosheid (zie desbetreffend bv. het mislukken van de New Deal van Roosevelt in de dertiger jaren in de Verenigde Staten). Dit toont aan dat het onmogelijk is om een krachtdadig verzet van de bourgeoisie te beletten, als het reële inkomen van de arbeiders een bepaalde drempel overschrijdt waardoor de verdeling van het nationaal inkomen tussen lonen en globale meerwaarde ernstig verstoord wordt. Deze reacties heten dan: kapitaalvlucht, staken van de investeringen, economische sabotage, financiële complotten (ook van politiek-militair-terroristische aard) tegen de ‘linkse regeringen’ enz.

Binnen het kader van het handhaven van de kapitalistische productiewijze en het inschakelen van het land in de internationale kapitalistische economie, mondt dit samengaan van beide factoren uit op een versnelde en zelfs hollende inflatie, hetgeen het ‘natuurlijk’ mechanisme is van het kapitalistisch stelsel om de arbeiders te ontnemen wat zij eerder veroverd hadden.

Sommigen, zoals de theoreticus van de Britse linkervleugel in de Labour Party, Stuart Holland, erkennen het gedeeltelijk mislukken van de keynesiaanse manipulatietechnieken van de globale vraag, ten minste voor wat betreft het waarborgen van een voldoende niveau van productieve investeringen en van economische groei. Zij wensen dus deze tewerkstellingstechnieken aan te vullen door de uitbreiding van de publieke sector te eisen en door het invoeren van een economische planning die het midden houdt tussen de indicatieve en de imperatieve programmatie, dit door onder andere beroep te doen op ‘programmacontracten’ en ‘vooruitgangscontracten’ die afgesloten moeten worden tussen de openbare en de privé-sector [10]. Deze voorstellen houden geen rekening met de samenhang tussen het volume van de privé-investeringen en de winstvoet aan de ene kant en tussen het volume van de privé-investeringen en de uitbreiding van de afzet aan de andere kant. Zij geven derhalve geen antwoord op de eenvoudige vraag: hoe kunnen zich kapitalistische firma’s op een niet-kapitalistische wijze gedragen, dus ontsnappen aan de tegenstellingen eigen aan de kapitalistische productiewijze? Hieruit volgt dat het beroep doen op neokeynesiaanse relancetechnieken enkel maar tot zeer beperkte effecten in de tijd kan leiden. Na één of twee jaar zullen de inspanningen in belangrijke mate toenemen en dit op alle niveaus van het sociale, economische en politieke leven. De gemengde economie is een mythe. De kapitalistische economie kan men enkel op gang brengen en doen bloeien door de logica van het kapitaal te eerbiedigen, dat wil zeggen het voortbrengen van winst. Aan deze spanningen ontsnapt men door het aanvaarden van deze kapitalistische logica wat dan leidt tot loonmatiging. Men kan ook aan de crisis ontsnappen door het onteigenen van de bourgeoisie en door een andere logica te aanvaarden, namelijk deze van een economie gericht op de bevrediging van de behoeften, hetgeen ook de logica is van de opbouw van het socialisme. Zich vastklampen aan een halfslachtige oplossing is niets anders dan twee volstrekt tegenstrijdige zaken met elkaar pogen te verzoenen, waardoor men in versneld tempo de totale ontreddering van de economie, dit naar het voorbeeld van Chili in 1973, veroorzaakt en dus een catastrofe riskeert.

In de linkervleugel van de sociaaldemocratie en bij de meer gesofistikeerde linkse eurocommunisten poogt men rekening te houden met de negatieve resultaten van de voorbije keynesiaanse experimenten tot herstel van de economie. Men koppelt daarom de relancepolitiek via de consumptie aan een politiek van controle op de investeringen en aan de uitbreiding van de publieke sector, waardoor het herstel van de volledige tewerkstelling verzekerd moet worden [11]. In het licht van deze voorstellen vallen echter nogmaals alle tegenstellingen in het begrip ‘gemengde economie’ sterk op. Op welke wijze kan verzekerd worden dat de investeringen in de publieke sector niet de groei van de privé-sector zullen belemmeren? Wie zal de bazen van de trusts verplichten om zich te onderwerpen aan de beslissingen van linkse regeringen inzake investeringen die niet alleen strijdig zijn met hun belangen maar die zelfs niet eens van aanvullende aard zijn? Hoe hen beletten met behulp van hun buitenlandse klassenbroeders de nationale economie te ‘destabiliseren’, zolang men de imperatieven van de ‘open economie’ aanvaardt? Hoe kan men hoger vermelde afwijzende reacties van de bourgeoisie ondervangen zonder tot het daadwerkelijk nationaliseren van de winstgevende monopolies (de socialisering van de verliezen speelt in de kaart van het grootkapitaal) te besluiten? Hoe kan men voorkomen dat er een bittere concurrentie ontslaat tussen de genationaliseerde en de privé-sector? Hoe beletten dat iedere verhoging van de publieke investeringen niet gepaard gaat met een verlaging van de privé-investeringen, zelfs met een massale kapitaalvlucht, waardoor de verwezenlijking van de groots geplande groeipercentages van gemiddeld 6%, zoals bepleit door de Franse KP, onmogelijk wordt?

Het klassenconflict verplaatst zich onder deze voorwaarden eveneens naar het domein van de financiering. Hoe de bourgeoisie verplichten een behoorlijk bijkomende belasting te betalen om de uitbreiding van de openbare sector te financieren? Indien de bourgeoisie niet wil betalen, zal dan het financieren van de openbare sector door middel van loonmatiging of door een hollende inflatie (wat trouwens op hetzelfde neerkomt) gebeuren? Waar de bijkomende middelen vinden om tegelijk de consumptie van de massa, de sociale diensten en de openbare investeringen te bekostigen, indien de bourgeoisie uit klassenbelang weigert hiervoor te betalen? Loopt dit niet snel uit op een krachtproef? En de krachtproef betekent in economische termen: ofwel onteigenen van het kapitaal, ofwel zich neerleggen bij de wil van het kapitaal. In politieke termen betekent dit: ofwel de verovering van de macht door de arbeidersklasse bewerkstelligen, ofwel de terugkeer van de bourgeoisie aan de macht (zelfs onder de meest reactionaire vorm) aanvaarden. De voorstanders van een ‘linkse’ oplossing hebben trouwens door niet te willen breken met het internationale kapitalisme hun kansen zwaar belast [12]. De enige oplossing die hen rest is daarom een combinatie van een pietluttig en weinig doeltreffend protectionisme - want dit lokt onvermijdelijk tegenmaatregelen in het buitenland uit - in het kader van de internationale markt, met een poging om door middel van vleierijen de ‘nationale’ en de internationale bourgeoisie te paaien. De Franse Socialistische Partij drukt op bijzonder treffende wijze deze tegenstelling uit wanneer zij stelt: “Het machtigste en gezondste middel om de kapitaalvlucht te stuiten is natuurlijk het op de goede weg helpen van de economische ontwikkeling, want de economische voorspoed is het beste onderpand voor de stevigheid van de munt. Welnu, alleen links is vandaag in staat om dat economisch herstel te bewerkstelligen” [13].

Bestaat er een vorm van ‘economische voorspoed’ los van het klassenbelang? Zou de bourgeoisie met ontroering een verhoging van de productie die gepaard gaat met een forse belasting op het kapitaal toejuichen? Zou ze zich laten verleiden door een massieve verhoging van het volume van de verkopen van skischoenen en van 2 CV’s zelfs indien zij enkele van haar beste fabrieken zou genationaliseerd zien en haar globale winst zou gehalveerd worden? Is voor haar het ‘heiligste der heiligen’ de index van de industriële productie, of de index van de reële lonen en van de werkgelegenheid? Is dat niet eerder de omvang en het percentage van de winst? Denken de economen van de Franse Socialistische Partij werkelijk dat zij hun Gemeenschappelijk Programma (Programme Commun) kunnen verwezenlijken door en de omvang én het percentage van de privé-winsten te verhogen? En indien dit niet het geval mocht zijn, zou de bourgeoisie - nationaal en internationaal - de economische toestand ‘ongezond’ beoordelen en zou zij dan niet, los van de index van de productie, kapitaalvlucht op touw zetten? Eens te meer blijkt het begrip ‘gemengde economie’ een gevaarlijke en verwarrende mythe te zijn. Dit begrip dreigt een werkelijke hinderlaag voor de arbeidersklasse en de arbeidersbeweging te worden.

De crisis en het verschijnen van massale werkloosheid zijn organische producten van het kapitalistisch systeem. Deze crisis kan men niet overwinnen binnen het kader van dit kapitalistisch systeem, zonder daarbij een brutale verslechtering van de levens- en arbeidsvoorwaarden van de werkers te veroorzaken. Deze verslechtering afwijzen is enkel mogelijk door het kapitalistisch stelsel omver te werpen en door de opbouw van een kwalitatief verschillend economisch systeem aan te vatten.

Zeker, op straffe van verdeeldheid, ontmoediging en een zekere nederlaag mag de arbeidersbeweging het verzet tegen de crisis niet beperken tot de eenvoudige afkondiging van de noodzaak om een algehele antikapitalistische strijd te voeren. De crisis confronteert de arbeiders met onmiddellijke beangstigende concrete problemen: afdankingen, verlies aan arbeidsplaatsen, bedrijfssluitingen, aanvallen op de lonen en de sociale zekerheid, verhoging van het arbeidsritme, aanvallen op de syndicale rechten en politieke verworvenheden. De defensieve strijd voor onmiddellijke eisen weigeren onder voorwendsel dat ‘er toch geen uitweg is in het kader van het kapitalisme’, is zichzelf en de hele arbeidersklasse tot machteloosheid veroordelen.

De arbeidersklasse zal trouwens niet de leerstellige profeten volgen die dit strijdros willen bestijgen. Zij heeft reeds aangetoond dat zij klaar staat om zich hard te weren om iedere verworvenheid en iedere bedreigde arbeidsplaats te verdedigen. De elementaire plicht van de marxistische revolutionairen bestaat erin om met alle kracht deze strijd te steunen door doelmatige eisen te formuleren en de meest efficiënte organisatievormen voor te stellen. De 35-36 uren, de koppeling van de lonen aan de prijsindex (haar verdediging of haar verovering al naargelang de voorwaarden in elk land afzonderlijk), de verdediging van het stakingsrecht en de vrijheid om over de lonen te onderhandelen, de strijd voor de solidariteit met de hardst getroffen sectoren - gastarbeiders, vrouwen, jongeren, ouderen, werklozen - zijn de belangrijkste imperatieven van deze hoofdzakelijk defensieve strijd.

Ten aanzien van het patronale en reformistische argument dat deze eisen de winstgevendheid van de ondernemingen ondermijnen en de crisis dreigen te verdiepen antwoorden wij dat wij geplaatst tegenover de keuze tussen het verdedigen van het lichamelijke en zedelijke welzijn van onze klasse en het verdedigen van de winsten van het kapitaal, krachtdadig partij kiezen voor de verdediging van onze klasse tegen de verdediging van de winsten. Indien volledige tewerkstelling en een fatsoenlijk levenspeil onverenigbaar met het kapitalisme zijn, dan moeten de patroons maar ophoepelen. De arbeiders zijn best in staat de economie zonder hen te beheren.

Ten aanzien van de reformisten (en de uiterst-linksen) die opwerpen dat men de logica van het kapitalisme niet kan ontkennen fabriek per fabriek, of industriële sector per sector, streek per streek, of zelfs land per land, en dat men zich in afwachting van de algehele strijd tegen het internationale kapitalisme - gelijktijdig in alle landen, dat spreekt vanzelf, om deze strijd eindeloos te kunnen uitstellen! - moet neerleggen bij de logica van het kapitaal, wel tegen deze lieden zeggen wij dat alles een begin moet kennen. Het is zeer wel mogelijk om één patroon of zelfs een hele sector van het patronaat te verslaan indien de arbeidersklasse verenigd en vastberaden optreedt en indien de leiding opgewassen is voor haar taak. Er is geen beter middel om de algemene strijd te ontketenen dan enkele met succes bekroonde partiële confrontaties die de arbeiders in de praktijk laten zien dat het best mogelijk is de arbeidsplaatsen, de lonen en de verworven rechten te verdedigen.

Maar het is van de andere kant ook waar dat ieder succes in de defensieve strijd slechts een broos en voorlopig succes blijft. Het is ook waar dat op de langere termijn de logica van het kapitaal zich zal opdringen zolang wij binnen het kapitalistisch stelsel blijven. Deze logica van het kapitaal werkt vooral tegen de arbeidersklasse in een periode van massale werkloosheid en economische neergang. Daarom moet iedere verdedigende strijd ingeschakeld worden in een algehele antikapitalistische strategie die met alle middelen een mobilisatie van de arbeidersklasse ten gunste van overgangseisen tegen de grondoorzaken van het bedoelde kwaad poogt te bevorderen.

Dergelijke overgangseisen moeten in een fase van economische neergang onder andere omvatten: onteigening van alle ondernemingen die willen sluiten of massaal afdanken, hun beheer moet dan ten laste van de staat komen en zij moeten onder controle van de arbeiders gesteld worden; nationalisatie van het geheel van de kredietinstellingen, de industriële sleutelsectoren en alle ‘nationale’ en ‘multinationale’ monopolies, zonder uitbetalen van vergoedingen of afkoopsommen - hun beheer moet onder arbeiderscontrole komen; veralgemeende arbeiderscontrole over het aanwerven van arbeidskrachten en de organisatie van het werk, hetgeen betekent een vetorecht over elke beslissing tot ontslag; de uitwerking van een plan van economische ontwikkeling en herstel afgestemd op de bevrediging van de belangrijkste behoeften van de massa - dat plan moet uitgewerkt worden door de arbeidersorganisaties die steunen op een net van democratisch verkozen comités, waarvan de leden naargelang de wensen van de kiezers ook terugroepbaar zijn; de ontwikkeling van openbare ondernemingen en het stopzetten van alle subsidies aan privé-ondernemingen (ofwel nationalisatie van alle gesubsidieerde ondernemingen); de vorming van een regering gesteund op de arbeidersorganisaties om deze maatregelen ten uitvoer te brengen. De strijd voor het geheel van deze eisen moet dan leiden tot de vorming van een netwerk van comités in de fabrieken, kantoren en de wijken om de toepassing van het programma te controleren en de sabotage vanwege de bourgeoisie te verijdelen; tot de algehele bewapening van het werkende volk om elk ‘nationaal’ of internationaal militair-fascistisch complot te voorkomen; tot de ontmanteling van het onderdrukkend apparaat van de bourgeoisie; tot het instellen van broederlijke samenwerkingsverhoudingen op voet van gelijkheid met de volkeren van de zogenaamde Derde Wereld en de arbeiders en de arbeidersorganisaties van de hele wereld, vooral die van Europa. Dit overgangsprogramma zou de weg naar de opbouw van een socialistische, democratische, zelfbeherende en planmatige maatschappij effenen, van een samenleving gebaseerd op de macht van de arbeidersraden en dit met behoud van het partijpolitiek pluralisme.

Strijden voor een dergelijk alternatief tegen een kapitalisme dat zich nu in het slop bevindt, betekent tegenover werkloosheid, loonsverlaging en verhoogde onderdrukking de enige reële en efficiënte wisseloplossing stellen die de inspanning van de werkende massa’s ook waard is.

Nawoord

De hier afgedrukte tekst werd vijf jaar geleden opgesteld. Intussen hebben we een jaar linkse regering in Frankrijk achter de rug. We moeten helaas vaststellen, dat alle negatieve voorspellingen die we desbetreffend hebben gedaan volledig door de gebeurtenissen zijn bevestigd. De poging van het Mitterrand-Mauroy bewind om de crisis door een voorzichtige verhoging van massa-inkomen en een begrensd aantal nationalisaties op te lossen, heeft de werkloosheid niet verminderd en de inflatie verhit. Binnen het raam van de kapitalistische wereldmarkt betekent dit: stijgend tekort van de betalingsbalans, herhaalde devaluaties van de munt en tenslotte dwang tot spaar- en bezuinigingspolitiek. Men kan eenvoudig niet de tegenstellingen van het kapitalisme binnen het raam van het kapitalisme oplossen.

De Franse arbeidersklasse heeft het bewind Mitterrand-Mauroy een jaar lang krediet gegeven, om aan te tonen wat het kan. De looptijd van dat krediet gaat nu eindigen. De arbeidersklasse is niet bereid, de gebroken potten te betalen. Zij zal zich in stijgende mate tegen de gevolgen van de ‘gematigde’ austeriteitspolitiek verweren, zoals ze dat trouwens tegen de ‘hardere’ austeriteitspolitiek van Giscard-Barre heeft gedaan. Indien een vleugel van de vakbeweging, alsmede de meerderheid van de twee grote arbeiderspartijen, desondanks de bezuinigingspolitiek als ‘kleiner euvel’ gaat steunen, dan zal de arbeidersklasse verdeeld worden. Het is uitgesloten dat alle sectoren van de klasse zich bij het aanvaarden van de bezuinigingspolitiek zouden neerleggen. Zulk een verdeeldheid zal hoogstwaarschijnlijk alleen door een massale mobilisatie en een zich veralgemenende strijd verhinderd kunnen worden. Dat is het echt alternatief voor het komende jaar of de komende jaren: ofwel gedeeltelijke weerstand, geïsoleerde stakingen en verzetsbeweging; ofwel zich uitbreidende en in een massastaking uitmondende veralgemeende reactie van de werkende klasse.

Dit alternatief leidt tot een ander. Ofwel komt het tot radicalisatie van de arbeidersbeweging in de zin van antikapitalistische initiatieven en oplossingen zoals deze die wij in het oorspronkelijk opstel vermeldden. Wij moeten er hierbij Op wijzen, dat reeds vandaag de linkse regering perfect in staat zou zijn, de absolute meerderheid van de investeringen zelf in handen te nemen en als doelmatig instrument voor het verwezenlijken van de volledige tewerkstelling te gebruiken (indien zij een krachtproef met het ‘nationale’ en het internationale kapitaal niet ten alle prijze wil vermijden). Ofwel komt het tot groeiende verdeeldheid, ontgoocheling en demoralisatie van de werkende klasse. In dat geval zullen de gevolgen nog veel funester zijn dan het op het eerste zicht lijkt. Want dan zal rechts niet alleen bij de volgende verkiezingen (eerst voor het Parlement en dan tijdens de verkiezingen van de president van de republiek) terug aan de macht komen. Dan zullen de extreemrechtse tendensen, die vandaag al een grootscheeps ideologisch tegenoffensief hebben ontketend, zich steunend op irrationalisme, mythen, duidelijke aanvallen op wetenschappelijk denken, op kritische geest, op de stelling van de gelijkheid van rechten van alle mensen, zoniet op de grondbeginselen van de politieke democratie, zich meer en meer uitbreiden. Dan komen de democratische vrijheden en het bestaan zelf van de georganiseerde arbeidersbeweging in gedrang, en met hen de vrede, en het fysiek overleven van de mensheid als dusdanig.

De inzet is dus wel uiterst belangrijk. Hij overtreft nog de inzet waarmee de Europese arbeidersklasse en de mensheid in de jaren dertig was geconfronteerd, tijdens de vorige zware structuurcrisis van het kapitalisme, en waarmee de parallel vandaag duidelijk te trekken is. Dit mag geen reden zijn tot overdreven pessimisme. Wij zijn veel sterker dan in de jaren dertig, en we kunnen het halen. Maar zonder bezinning op een doelmatige strategie zal dat niet gaan.

20 juni 1982

Voetnoten

[1] Dit artikel verscheen reeds eerder in E. Mandel, La crise 1974-1978. Les faits, leur interprétation marxiste, Parijs, Flammarion 1978, als hoofdstuk 25 “Le mouvement ouvrier devant la crise”, blz. 209-224 en werd speciaal voor deze uitgave vertaald (vertaling A. Mommen).

[2] Onder de woordvoerders van het patronaat citeren wij bv. de Duitse professor Wolfran Engels: “...de reële lonen zijn de laatste jaren sterker gestegen dan de productiviteit, en dat heeft de werkloosheid veroorzaakt” (Wirtschaftswoche, 23 december 1977).

[3] John K. Galbraith bepleit sinds jaren een geleide inkomenspolitiek, dat wil zeggen een strenge beperking (zoniet opheffing) van de vrije loononderhandelingen en het stakingsrecht om aldus te ontsnappen aan het dilemma: massale werkloosheid of hollende inflatie. Deze stellingen worden systematisch verdedigd in zijn laatste boek Money (Penguin, 1976, blz. 289-295, 321-326). De meeste van de min of meer gematigde neo-keynesiaanse Amerikanen volgen hem geleidelijk in die richting.

[4] Vergelijk o.a. Enrico Berlinguer, Austerità, occasione per transformare l’Italia, Rome, Editori Riuniti, 1977. In een sensationeel interview toegekend aan het dagblad Republica deed de communistische vakbondsleider Lama ten aanzien van deze stellingen er nog een schepje bovenop.
Zie eveneens het artikel van de belangrijkste econoom van de Spaanse PSOE (Socialistische partij) Miguel Boyer in El Socialista van 6 november 1977, waarin hij bevestigt dat elke poging van de arbeiders om hun deel in het dalend nationaal inkomen te verhogen automatisch leidt tot verhoogde werkloosheid.

[5] Er kan een frappante parallel getrokken worden met het stalinistisch axioma van het verlenen van absolute voorrang aan de zware nijverheid tijdens de fase van de ‘opbouw van het socialisme’, axioma dat theoretisch gevestigd is op dezelfde strakke twee-sectoriële vooronderstelling.

[6] Zie zowel de Franse socialistische partij in: 89 Réponses aux questions économiques, Parijs, Flammarion 1977, blz. 107-8, als de economen van de Franse KP, Boccara, Herzog, Le Pors-Quin, Changer l’économie, Parijs, Editions Sociales, 1977, blz. 90-91, 97, 149-150.

[7] De sociaaldemocratische oud-premier van Nederland Willem Drees sr. bevestigde in een interview toegestaan aan een tijdschrift van de Vrije Universiteit van Amsterdam (mei 1977): “De hoge werkloosheid is het gevolg van het feit dat wij in Nederland door buitenlanders werk doen uitvoeren dat beter door Nederlanders kon verricht worden... Men had deze vreemde arbeiders beter kunnen terugsturen naarmate er Nederlandse arbeidskrachten beschikbaar werden... In elk geval moet men strikt vasthouden aan het uitzetten van buitenlandse arbeiders die geen verblijfsvergunning hebben...”

[8] De PSUC (de Catalaanse afdeling van de Spaanse KP) heeft op haar Vierde Congres (augustus 1977) een tekst over de economische politiek aangenomen waarin de strijd tegen de inflatie en voor “het herstel van het concurrentievermogen en de rendabiliteit van de ondernemingen” centraal staat.

[9] De neo-keynesiaanse oriëntatie van de Franse KP is in duidelijke tegenstelling met de verklaring dat de crisis het gevolg is van de val van de winstvoet, zoals dat onder andere verdedigd wordt door de belangrijkste econoom van de PCF, Paul Boccara, in het collectieve werk La Crise, Parijs, Editions Sociales, 1975, blz. 53.

[10] De uitbreiding van de publieke sector wordt vooral verdedigd door de Franse KP, de linkervleugel van de Britse Labour Party en (in meer gematigde vorm) van de Franse PS. De idee van openbare controle over de investeringen wordt vooral overgenomen door de linkervleugel van de Britse Labour Party en de linksen in de Duitse sociaaldemocratie. Zie voor Groot-Brittannië: Priority Full Employment, nr. 34 (winter 1977-1978), The Spokesman, Bertrand Russell Peace Foundation, met bijdragen van Stuart Holland, John Hughes en Ken Coates. Voor West-Duitsland zie Baisch en anderen: Die Wirtschaftskrise in der BRD. Een groep economen onder leiding van professor J. Huffschmid, die te plaatsen valt tussen de linkervleugel van de sociaaldemocratie en de KP, oriënteert zich bijna uitsluitend op neo-keynesiaanse oplossingen van het aanzwengelen van de consumptie. Tijdens een persconferentie gehouden te Bonn op 1 mei 1977 eisten zij een buitengewone begrotingspost van 20 miljard DM (400 miljard Belgische frank) in plaats van de magere 3 miljard DM die op dat moment door de regering van Helmut Schmidt bestemd werd voor de economische hervatting.

[11] Deze voetnoot is niet aanwezig in het origineel — MIA

[12] Zie Jacques Attali, L’acceptation des règles de l’économie mondiale est irréversible, in La Parole et l’Outil, Parijs, P.U.F., 1975.

[13] 89 Réponses aux questions économiques, a.w., blz. 105.