Ernest Mandel

Cuba: het grote economische debat 1963-1964



Geschreven: 1987
Bron: Le grand débat économique, Ernesto Che Guevara: Ecrits d’un révolutionaire. Publ. par Michal Löwy avec des textes de Charles Bettelheim et Ernest Mandel, Montruil, La Brèche - PEC, 1987
Vertaling: Valeer Vantyghem
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, januari 2008


Zie ook:
In heel de wereld zal ‘Che’ Guevara miljoenen militanten tot voorbeeld zijn
en Marxistische economie (cursus)

Het economische debat dat in de periode 1963-1964 op Cuba werd gevoerd beslaat een twintigtal artikels. Een half dozijn ervan werd geschreven door Che Guevara. De bijdrage van Charles Bettelheim en onszelf kwam er op vraag van de Cubaanse kameraden. Ongetwijfeld zou het nuttig zijn om al die artikels te bundelen. Zo kan er een bilan gemaakt worden dat vertrekt zowel vanuit de marxistische theorie als vanuit de economische praktijk op Cuba. Ondertussen moeten we vaststellen dat dit debat, hoewel het in het Westen nog weinig bekend is, een voorname plaats bekleedt binnen de geschiedenis van het marxistische denken, dan vooral de bijdragen van de kameraad Che Guevara. De originele manier waarop de Cubaanse Revolutie is te werk gegaan heeft ook een originele inbreng gehad binnen de hedendaagse marxistische economie. Che Guevara heeft hiertoe bijgedragen, niet enkel op het gebied van de guerrilla maar tevens op het vlak van de economische theorie.

Vier cruciale vraagstukken

Het economische debat dat in 1963-64 op Cuba werd gevoerd behandelde erg belangrijke vraagstukken maar tevens enkele kwesties van minder belang. Twee ervan zijn praktisch van aard; het betreft economische problemen die zich stellen in de politiek gevoerd door de revolutionaire regering: hoe moeten de bedrijven worden ingericht en welk is bij de opbouw van het socialisme het relatieve belang van de materiële stimuli. De andere vraagstukken zijn eerder theoretisch van aard: welk is de exacte rol van de waardewet tijdens de overgang van het kapitalisme naar het socialisme; en welk is tijdens die periode de natuur van de genationaliseerde productiemiddelen (wordt er ja of nee koopwaar geproduceerd? Zijn ze sociaal eigendom of enkel voor een deel gesocialiseerd? Enz.)

De band die er bestaat tussen deze praktische problemen en de theoretische kwesties springen in het oog. De dialectische eenheid tussen theorie en praktijk, die eigen is aan elke authentieke socialistische activiteit, aan elke revolutionaire daad, krijgt een hogere dimensie eenmaal in een periode van overgang van het kapitalisme naar het socialisme, op een ogenblik dat het socialisme wordt opgebouwd. In de praktijk kan de marxistische theorie enkel als een geheel de weg wijzen op een terrein dat nog maagdelijk is en dat nog nooit eerder door een menselijk handelen werd ontgonnen. Doch enkel in de praktijk kan er een definitieve keuze gemaakt worden tussen diverse theoretische stellingen. Op zichzelf en los van de praktijk kunnen ze geen enkele aanspraak maken op het feit dat ze als standpunt verworven zijn.

De eenheid tussen de revolutionaire theorie en de praktijk wordt bijgevolg voortdurend bedreigd door de kans die er bestaat op zowel een pragmatische als een dogmatische aanpak. Een hele reeks socialistische experimenten en ervaringen — praktisch gezien — zullen nodig blijken opdat de theorie definitief de ‘economische wetmatigheden’ die gelden in de opbouw van het socialisme zou kunnen systematiseren. Zoals de zaken er nu voor staan kunnen we die enkel ontwarren aan de hand van wat werd uitgeprobeerd en aan de hand van de vele fouten die werden begaan en dit volgens de methode van de trapsgewijze aproximatie. Bijgevolg moet tijdens de overgangsperiode de theorie hoe dan ook een bepaalde graad van autonomie behouden zonder dewelke het gevaar bestaat dat de praktijk zelf heel weinig toegelicht wordt en heel slecht gestuurd blijft, met alle risico’s van dien op fouten en deviaties. Een van de gevolgen — en niet de minste — van het stalinisme is juist dat deze relatieve autonomie werd vernietigd. Dit gebeurde onder de mom dat men ‘efficiënt’ moest tewerk gaan. De theorie werd gedegradeerd tot vulgair pragmatisme en werd een ware geloofsleer. Per slot van rekening leidde dit tot een enorm verlies aan praktisch rendement.

Niet allen die hebben bijgedragen in het debat van 1963-64 waren zich bewust van de dialectische wisselwerking tussen de revolutionaire theorie en de praktijk. Maar toch mogen we zonder twijfel stellen dat ze spontaan gepoogd hebben om het dwingende karakter te respecteren van de band die er bestaat tussen de relatieve autonomie van de theorie en de onmiddellijke efficiëntie. Dat gaf aan het debat een eerlijke toon van openheid en ernst die alle lof verdient. In sommige bijdragen duikt een gestotter op dat meer weg heeft van een manier van denken die zichzelf nog moet vinden dan van een gerijpt ideeëngoed dat zich ten volle bewust is van de sociale realiteit waaruit het is ontsproten.

Het debat op Cuba en het economisch debat zoals het wordt gevoerd op schaal van heel het ‘socialistische kamp’

Het economische debat van 1963-64 op Cuba sluit bovendien nauw aan bij een veel ruimer debat dat heden ten dage binnen de gehele internationale arbeidersbeweging wordt gevoerd, in het bijzonder in deze landen waar het kapitalisme is opgeheven. Dit debat behelst de vraag welk ‘economisch model’ nu het best kan worden aangewend in de opbouw van het socialisme. Bovendien staan we tegenover twee dwingende taken die niet noodzakelijk elkaar aanvullen: enerzijds de wil om de stilstand en het verval te overstijgen waarin de ‘economische theorie van het socialisme’ in het tijdperk van het stalinisme was vastgelopen en anderzijds de nood om de manier aan te passen waarop de economie wordt beheerd, de methode waarop de planning wordt uitgewerkt, die een rem waren geworden op de aangroei van de productiekrachten.

In vele opzichten lijkt het economische debat op Cuba spontaan zijn wortels te vinden in de realiteit van Cuba zelf doch op andere punten lijkt het voor een deel ‘ingevoerd’. Dit is het geval waar het in mindere mate het resultaat is van een zorgvuldige analyse van de situatie en wat daarbij de taken zijn van de revolutionaire regering. In dit geval is het meer de weerspiegeling van het verlangen om enkel rekening te houden met de uitkomst van de internationale discussie en om dan ook — zonder meer — alles naar Cubaanse bodem te verplaatsen wat door de leiding in de USSR en in sommige Oost-Europese landen als verworven wordt beschouwd. Vooral de discussie omtrent de ‘materiële stimuli’ is hier van belang.

Het is de verdienste van Che Guevara dat hij in zijn bijdrage duidelijk de eigenheid van de Cubaanse Revolutie naar voor heeft geschoven en dat hij niet is vervallen in een laag bij de gronds pragmatisme. Het is een kenmerk van de Cubaanse Revolutie dat er voor de uitbouw van die revolutie de steun werd verworven en behouden van de meerderheid van de bevolking. De leiders hebben zich als voornaamste doel gesteld om aan die actieve steun, in welke omstandigheden dan ook, een duurzaam karakter te geven. De politiek waarbij de bevolking wordt opgeroepen om een reeks taken tot een goed einde te brengen — denken we maar aan de alfabetisering; de politiek om de kaders, tot en met de leden van de partij, te laten verkiezen door de bevolking; de politiek om de bevolking voortdurend op de hoogte te houden van de problemen waarmee de revolutie wordt geconfronteerd, en Fidel Castro en zijn ploeg die enorm tevens gevoelig zijn voor wat leeft onder de bevolking. Dit alles is ongetwijfeld het belangrijkste kenmerk van deze revolutie die was gevolgd op de vernietiging van het vorige regime.

Het is duidelijk dat deze bijzondere kenmerken het gevolg zijn van specifieke omstandigheden waarin de revolutie triomfeerde, van de uitzonderlijke geografische context, en van de eigen sociaal economische omstandigheden. We zullen niet verder ingaan op deze aspecten. Het volstaat dat we onthouden en onderstrepen dat de leiders zich hiervan heel erg bewust zijn.

Toch verschilt de ‘politieke lijn’ die de leiders op Cuba vooropschuiven grondig van de dagelijkse praktijk van de revolutionaire regering. Het beheer van de economie — en in het bijzonder het beheer van de industrie — is streng afgeschermd, iedere directe inmenging vanwege de bevolking is uit den boze. Niet toevallig heeft het economische debat van 1963-64 zich volledig afgespeeld rond dit thema. De verschillende kameraden die hier tussen kwamen hebben indirect het probleem gesteld van de verhouding tussen het beheer van de bedrijven en wat van de bevolking werd verlangd. De kwestie van de materiële en morele stimuli staat hiermee direct in verband.

De financiële autonomie van de bedrijven en het probleem van de materiële stimuli

Op Cuba is de genationaliseerde industrie voor een groot deel georganiseerd per bedrijfstak, volgens het systeem van de trusts (geconsolideerde ondernemingen), goed vergelijkbaar met de manier waarop men in de Sovjet-Unie geruime tijd te werk ging. Deze trusts werden gefinancierd elk met hun eigen budget en de controle gebeurde op het niveau van de ministeries (van industrie en van financiën). De Bank was enkel van belang als tussenpersoon.

In het economische debat van 1963-64 luidde een van de op de praktijk gerichte discussiepunten als volgt: moest men dit systeem verdedigen — zoals werd gedaan door Che Guevara en door hen die in grote lijnen zijn stellingen ondersteunden — , of moest het vervangen worden door een systeem dat zichzelf financierde (wat onvermijdelijk moest leiden tot het principe van de afzonderlijke rendabiliteit). Een stelling die werd verdedigd door Carlos Raphaël Rodriguez en nog vele anderen.

Het standpunt van Che Guevara is op dit vlak tamelijk pragmatisch gebleken. Hij stelde de centrale planning niet als doel op zich, een methode die altijd en overal kon toegepast worden. Hij verdedigde enkel de mening dat zoals de Cubaanse industrie er toen voor stond dit de beste manier was waarop die kon gestuurd worden. De argumenten die hij hierbij aanhaalde waren in essentie de volgende: het aantal ondernemingen was beperkt (het waren er minder dan in de streek van Moskou); en er waren nog minder industriële en financiële functionarissen voor handen; het communicatienet was heel sterk uitgebouwd in vergelijking met andere landen waar de productiekrachten op hetzelfde niveau stonden als op Cuba; er moest spaarzaam omgesprongen worden met grondstoffen; een scherpe controle hierop was noodzakelijk; enz.

De meeste argumenten van algemene aard die tegen hem werden ingebracht hielden geen rekening met de toestand zoals die hierboven werd beschreven. Op het ogenblik dat financiële decentralisatie zou betekenen dat de macht van weinig begaafde, wispelturige, onbekwame en weinig efficiënte bureaucraten groter wordt dan zal de tendens tot bureaucratisering toenemen en samen met de financiële autonomie van de bedrijven zal de economie minder rendabel blijken. Daar sommige argumenten ten voordele van de financiële autonomie van de bedrijven als gegrond konden worden beschouwd zou men kunnen besluiten dat er nog meer decentralisatie nodig zou zijn op het ogenblik dat op Cuba het aantal bedrijven en de complexiteit zou toenemen. Maar hieruit kan niet worden afgeleid dat de decentralisering ‘hic et nunc’ noodzakelijk zou zijn.

Sommigen die de standpunten van Che Guevara verwierpen hebben een verband gelegd tussen de kwestie van een grotere efficiëntie van een gedecentraliseerde werking (en de financiële autonomie die er het gevolg van is) en de kwestie van de materiële stimuli. Bedrijven die rendabel willen zijn moeten bedrijven zijn die al hun verrichtingen onderwerpen aan een heel strikte economische becijfering. Hierbij kan er dus op een veel bredere schaal gebruik gemaakt worden van materiële stimuli. Zo kunnen de arbeiders inzien dat ze er alle belang bij hebben dat de productiviteit toeneemt, dat hun bedrijven meer gaan renderen (bijvoorbeeld door te besparen op grondstoffen), en dat zo de doelstellingen van het plan worden overschreden.

Het antwoord van Che Guevara hierop was in de eerste plaats praktisch van aard. Hij verwierp niet noodzakelijk, binnen het kader van een plan, een strikte economische becijfering, noch de materiële stimuli. Doch hij stelde hierbij twee voorwaarden. In de eerste plaats dienden er materiële stimuli uitgekozen te worden die de interne samenhang van de arbeidersklasse niet ondermijnden, zodat de rivaliteit tussen de arbeiders niet opgedreven werd. Daarom was hij eerder voorstander van collectieve premies (per ploeg, per bedrijf), meer dan een systeem van individuele premies. Ook nog was hij een hevige tegenstander van elke overdreven vorm van veralgemening van materiële beloningen. Deze zouden immers een ontbindend effect hebben op het bewustzijn en het gemoed van de bevolking.

Guevara wenste te vermijden dat heel de maatschappij overspoeld werd door een klimaat van egoïsme en geobsedeerd geraakte door persoonlijke verrijking. Deze zorg deelt hij met Marx en vooral met Lenin die, hoewel hij begreep dat materiële stimuli in de overgangsperiode van het kapitalisme naar het socialisme niet konden uitgeschakeld worden, tegelijkertijd de nadruk legde op de gevaren die deze inhielden voor corruptie en voor het ondergraven van de democratie. Deze gevaren zijn onvermijdelijk het gevolg van de stimuli en hij riep de partij en de bevolking op om met alle kracht hiertegen strijd te leveren.

Wij weten niet hoe op Cuba de kwestie van het beheer van de bedrijven werd opgelost. Maar het lijkt ons dat men hoe dan ook heel ver af staat van een definitief ‘economisch model’. Wij blijven voorstander van een democratisch en gecentraliseerd systeem van zelfbeheer waar het dubbel gevaar van bureaucratisering — dat evenzeer het gevolg kan zijn van een overdreven centralisatie als van een overmatig gebruik van marktmechanismen — ruimschoots kan teniet gedaan worden door het beheer over te dragen in de handen van de arbeiders, op de werkplaats. Dit alles onderworpen aan de strikte discipline van het centrale gezag dat direct van de arbeidersraden afhankelijk is.

Fidel Castro lijkt in de kwestie van het beheer van de ondernemingen nog geen beslissing te hebben genomen. Toch heeft hij zich voldoende duidelijk uitgesproken over het probleem van de band die er bestaat tussen materiële en morele stimuli. Hierbij heeft hij de kant gekozen van Che. In zijn toespraak van 28 september 1966 ter gelegenheid van de tweede verjaardag van de stichting van het ‘Comité ter verdediging van de Revolutie’ heeft hij aangekondigd dat vanaf 1970 de meerderheid van de Cubaanse bevolking niet langer huur zou betalen. Toen heeft hij enkele speldenprikken uitgedeeld aan hen die ‘enkel met geld in hun hoofd zitten’, aan hen die niet begrijpen hoe nodig het is dat de bevolking sterk gehecht blijft aan de revolutie — een doelstelling die voorrang heeft op ‘economische becijfering’ —, aan hen die de noodzaak niet inzien dat eerst en vooral aan de basisbehoeften van de bevolking moet worden voldaan, en aan hen die de waarde van morele prikkels onderschatten, van de morele verworvenheden van de Cubaanse Revolutie.

‘Deze verworvenheden van de revolutie, deze originele opvattingen over de huur, de gezondheidszorg, het onderwijs, over alles wat voor het volk wenselijk is — zonder dat daarmee geld gemoeid is, zonder deze pakken bankbiljetten — scheppen onder het volk een groter moreel bewustzijn, een ander besef dan een streven naar eigendom, een andere houding tegenover materiële goederen, een andere houding tegenover menselijke arbeid.’

We zijn geen dagdromers. We denken niet dat dit alles vanaf heden kan gerealiseerd worden, in een paar jaar tijd. Doch we denken dat dit bewustzijn er nooit zal komen zo we niet voortdurend strijd leveren in die zin, niet voortdurend in deze richting vooruitgang boeken.

Volgens ons sluit dit standpunt van Che en Fidel Castro aan bij de marxistische theorie. Zij die als voorafgaande voorwaarde stellen dat eerst de productiekrachten tot volle ontwikkeling moeten komen vooraleer het socialistische bewustzijn groter kan worden bezondigen zich aan een louter mechanische manier van denken. Net als zij die denken dat met louter subjectieve maatregelen (onderwijs, propaganda, agitatie, enz.) een dergelijk bewustzijn kan worden in het leven geroepen. Er bestaat een aanhoudende wisselwerking tussen het scheppen van een materiële infrastructuur noodzakelijk voor de verbreiding van het socialistische bewustzijn en de aangroei van datzelfde bewustzijn. Het is een utopie om te denken dat die pasklaar zal opduiken dankzij een louter subjectief verlangen, in een materiële substantie die nog niet aan het doel beantwoordt. Maar het is al even utopisch om te denken dat dit sociaal bewustzijn plots het daglicht zal zien, als bij toverslag, enkel en alleen omdat de materiële infrastructuur klaar zou zijn op een ogenblik dat het sociaal klimaat wordt beheerst door de ‘materiële stimuli’ (het verlangen van elk individu om zijn persoonlijk lot te verbeteren).

De natuur van de productiemiddelen en de waardewet tijdens de overgang van het kapitalisme naar het socialisme

Nu begrijpt men welke de relaties waren tussen de praktische problemen en de theoretische vraagstukken zoals die werden gesteld tijdens het debat van 1963-64. Volgens ons is het duidelijk dat in de staatssector de productiemiddelen geen koopwaar zijn. Het begrip koopwaar veronderstelt dat er handel wordt gedreven, dat er van eigenaar wordt gewisseld. Een staatsbedrijf ‘verkoopt’ immers geen machines aan een ander staatsbedrijf, zoals een afdeling van Ford geen koetswerk ‘verkoopt’ aan haar montageafdeling. Dat er een strikte prijsberekening van de onkosten nodig is, zelfs als er geld bij te pas komt, is hier van geen enkel belang. Doch nu raakt men de grond van de marxistische theorie: voor Marx zijn, het handelskarakter van de vruchten van de arbeid en de vorm van de ruilwaarde door de logica van de omloop verworven, enkel historische vormen van voorbijgaande aard — eigen aan een economie gebaseerd op individuele producenten die los staan van elkaar — van de economische rekenplichtigheid gebaseerd op een arbeid, die algemeen geldend is voor elke menselijke samenleving.

Maar de vraag naar een grotere autonomie voor de bedrijven kan heel goed ideologisch worden omgezet in het standpunt dat tijdens de overgangsperiode van het kapitalisme naar het socialisme, de productiemiddelen koopwaar blijven. Evenzo kan de strijd voor de financiële onafhankelijkheid van de bedrijven worden omgezet in het standpunt dat de omloop van de productiemiddelen binnen de staatssector een aaneenschakeling blijft van handelsverrichtingen in de reële betekenis van het woord. In beide gevallen is het verlangen van de leiding van de bedrijven om vrij te kunnen beschikken over deze productiemiddelen, om een deel ervan vrij te kunnen kopen en verkopen, niet vreemd aan dit theoretische debat dat op het eerste zicht op haarklieverij lijkt.

Wat nu de rol van de waardewet betreft tijdens de periode van overgang van het kapitalisme naar het socialisme heeft commandant Mora het volgende standpunt verdedigd: tijdens de fase van de historische groei blijft de waardewet de productie verder in goede banen leiden, hoewel die waardewet niet langer de enige is om dit te doen. De regulerende tussenkomst van die wet zou hand in hand gaan met de regulerende werking van het Plan en door bemiddeling van dit Plan. Echter meer nog, uit dit standpunt heeft hij afgeleid dat de waardewet ‘zijn uitwerking heeft’ in de relaties tussen de staatsbedrijven.

Hierop heeft Ernesto Che Guevara het volgende antwoord gegeven. Tijdens de overgang naar het kapitalisme blijft de koopwarendeling bestaan. De productiekrachten zijn onvoldoende ontwikkeld en kunnen nog niet voldoen aan de behoeften van de producenten. Dat betekent echter nog niet dat de waardewet de productie in banen leidt. Integendeel, de waardewet zelf wordt gereguleerd door het Plan dat de waardeberekening kan en moet gebruiken, maar waarvan de logica functioneel in tegenstelling staat tot de waardewet. Wij menen dat deze visie overeenstemt met de marxistische theorie en in het economische debat van 1963-64 op Cuba hebben wij in onze bijdrage een analoog standpunt verdedigd.

Er bestaat ook hier een duidelijke band tussen het theoretische debat en de meningsverschillen over de economische planning op Cuba. Zij die het verschil niet zien tussen het verder bestaan van de koopwaar en de regulerende rol van de waardewet zijn dan ook verplicht om in het kader van de planeconomie een grote rol toe te kennen aan de marktmechanismen. Niet enkel voor wat betreft de consumptiegoederen — en dit gebeurt heel terecht in onze ogen — maar ook en vooral wat betreft de industriële productiemiddelen. Vandaar de aandrang waarmee ze proberen de waardewet binnen te brengen binnen de relaties tussen de staatsbedrijven. Dit schema brengt vanzelfsprekend de noodzaak met zich mee dat de bedrijven meer autonoom worden op gebied van investeringen. Op zijn beurt wordt hier het bestaan bevestigd van een historische tegenstelling tussen de dwang van een echte planning en de dwang van een handelseconomie (zelfs als ze als socialistisch wordt omschreven).

Zij die het feit verwerpen dat de ‘waardewet’, direct of indirect, tijdens de periode van overgang van het kapitalisme naar het socialisme, de productie in banen blijft leiden, ontkennen geenszins dat de koopwaar in die periode hoe dan ook blijft bestaan. Ze geven grif toe dat op heel wat gebieden diegenen die de plannen opstellen rustig enkele schikkingen tussen vraag en aanbod kunnen overlaten aan de marktmechanismen. Maar ze begrijpen wel welke de echte tegenstelling zijn tussen de markt en het plan en aldus kennen ze een overwegende plaats toe aan het vastleggen van prijzen op talrijke gebieden, prijzen die administratief worden bepaald. Ware het maar om de groei van sommige sociale diensten te verzekeren, ware het maar om sommige doelstellingen van de nationale groei veilig te stellen. Daarom benadrukken ze op dat de waardewet minder belangrijk is dan in de kapitalistische productiewijze en dat sommige sectoren — en in het bijzonder de circulatie van de productiemiddelen binnen de staatssector — hieraan kunnen ontsnappen.

De politieke motieven die aan de basis liggen van de standpunten van Guevara en Fidel Castro omtrent die vraagstukken spreken voor zich: vooral de wil om de demoralisatie van de massa’s te vermijden maar ook om een ontgoocheling te ontwijken in de morele opwaardering die de Revolutie in hun ogen was. Maar wat de beweegredenen ook mogen zijn, de economische discussie van 1963-1964 op Cuba en de nasleep ervan liggen volop in het kader van een lange evolutie waarbinnen de mensheid, dankzij de opbouw van het socialisme op wereldvlak de economische wetten zal ontdekken die ons naar een klassenloze maatschappij zullen sturen.