Ernest Mandel
Uitgelezen moorden
Hoofdstuk 17


17. De Franse “nieuwe polar” en de nouveau roman noir: “Het systeem is de moordenaar”

In de loop van de voorbije tien jaar ontstond een nieuw subgenre van de politieroman. Zoals men kon verwachten werd het in Frankrijk geboren. Het is een product van Mei 68 en post-Mei 68. Men zou het de “revolutionaire polar” of de nouveau roman noir of nog de neopopulistische literatuur kunnen noemen.

Maar het etiket heeft niet zoveel belang, het gaat erom de algemene trend te begrijpen, de aard van het genre die er in bestaat om de ganse maatschappij, de Staat en zijn instellingen, met inbegrip van de politie en de privédetectives, radicaal in vraag te stellen.

Het geweld, dat altijd het voornaamste kenmerk van het genre is geweest, is hier niet langer in de eerste plaats misdadig en individueel noch uitzonderlijk, zoals in de spionageroman. Het is het dagelijkse institutionele geweld — of, als men wil, het staatsterrorisme — dat met kracht aangeklaagd wordt en waartegenover het onbetekenende minigeweld van de marginalen wordt geplaatst.

In die zin gaan de romanschrijvers die tot deze categorie behoren verder dan de auteurs van thrillers, die we in het vorige hoofdstuk bestudeerden, aangezien ze zich meestal bewust zijn van het feit dat de individuele revolte — of de revolte van kleine groepen — tegen het institutionele geweld geen enkele kans maakt. Het romantisch-donquichoteske aspect dat we nog aantreffen bij de grote voorlopers van de roman noir — Hammett, Chandler, Ross MacDonald — en dat terugkeert bij Trevanian, Cook en de anderen, is hier verdwenen.[1] Het nieuwe subgenre is inderdaad typisch Frans en het kon slechts Frans zijn, in functie van de sociale evolutie (en potentiële revolutie) van de laatste twintig jaar, maar het heeft nochtans enkele Angelsaksische antecedenten. Een Amerikaan, Jim Thompson die, na een moment van glorie, gedurende twee decennia bijna geheel vergeten werd, schreef met The Killer Inside Me (1952) het meest hallucinante voorbeeld van het verhaal (van de moordenaar) in de ik-vorm. De moordenaar is hier een psychopathische en sadistische politieman, die enkele van zijn slachtoffers tracht te vernietigen door hen te bedelven onder een stroom banaliteiten. Het vervloekte universum van Jim Thompson lijkt op het Franse neopopulistische universum, maar het heeft niet die uitgesproken politieke dimensie.

Een meer geëngageerde Angelsaksische voorloper is Sam Greenlee (The Spook who sat by the Door, 1969), die we hiervoor reeds analyseerden. Maar deze auteur, die de duidelijke revolutionaire bekommernissen van vele Franse neopopulistische auteurs deelt, heeft niet dezelfde luciditeit. Hij verkeert onder de illusie dat een vastbesloten kleine minderheid, die een stadsguerrilla voert, de overwinning zou kunnen behalen op de Amerikaanse burgerij, haar Staat en haar leger.

Het Franse neopopulisme is het wettelijke literaire kind van Mei 68, maar de band loopt via de zogenaamde “neo polar”-school, die vooral vertegenwoordigd wordt door John Amila, Francis Ryck, Jean-Patrick Manchette en Frédéric Fajardie. De belangrijkste onder hen is ongetwijfeld Jean-Patrick Manchette, die met L’Affaire N’Gustro, geënt op de zaak Ben Barka, een vlijmscherpe parodie schreef op de “neo-polar” met een boodschap. De dubbelzinnigheid van de personages geldt ook voor diegenen die verondersteld worden links te zijn (de respectabele linkerzijde, zoals Sartre ze noemde), met illusies die talloze malen door de geschiedenis tegengesproken worden, met hun onmacht tegenover het geweld van de Staat en van uiterst rechts. Men vergist zich echter als men denkt, dat, zoals sommige critici schreven, Manchette de moordenaars van Ben Barka, hun medeplichtigen en hun tipgevers tracht vrij te pleiten of in een gunstig daglicht wenst te plaatsen. Dat is geheel onjuist. Het zielige en bespottelijke karakter van een aantal onder hen maakt de misdaad nog verachtelijker als men weet van welke trieste instrumenten de raison d’Etat zich moet bedienen.

De gauchistische opvattingen van Jean-Patrick Manchette staan buiten kijf. In Nada (1972) wordt de brutaliteit van de politierepressie op treffende wijze beschreven. Maar de gewild verwrongen en dubbelzinnige kant van zijn werk leidt tot misverstanden, en dit gaat soms zover dat het gewaardeerd wordt door apolitieke lezers en zelfs door rechtse cineasten en critici. Een voorstelling van zaken die elke politieke actie zinloos doet lijken omdat ze inefficiënt en tot mislukken gedoemd is, maakt deze literatuur uiteindelijk minder “desintegrerend” ten opzichte van het systeem dan ze aanvankelijk lijkt.

Vanuit dit oogpunt zet Jean-Patrick Manchette een bepaalde anarchiserende en gauchistische traditie voort. Door het over één kam scheren van de bezitters en de revolutionairen, die allen gekenmerkt worden door hetzelfde zogenaamde gebrek aan luciditeit en genereuze menselijkheid, laat deze traditie uiteindelijk de lezer de oude “wijsheid” slikken van de heersende klassen — die door een deel van de volksmassa gedragen gemeenplaats geworden is — namelijk dat “hoe meer het verandert, hoe meer het hetzelfde blijft” en “er zijn altijd heersers en overheersten geweest”. Besluit in de eerste graad: het dient tot niets zich te revolteren. Besluit in de tweede graad: laat de dingen maar op hun beloop, we kunnen er toch niets aan veranderen; laten we onze eigen boontjes doppen, uiteraard tot groot profijt van de machtigen. Waaruit blijkt dat individuele revolte en sociale revolutie niet automatisch samengaan.

Weliswaar beperkt Jean-Patrick Manchette zijn afkeuring tot de individuele revolte: “Hoewel hun beweegredenen onvergelijkbaar zijn, vormen het gauchistische terrorisme en het staatsterrorisme de twee klemmen van éénzelfde val (...) De desperado is een koopwaar, een ruilwaarde, een gedragsmodel, net zoals de flik of de heilige (...) Het is de val die gespannen wordt voor de gerevolteerden, en ik ben er in getuimeld.” Aangezien hij geen enkel onderscheid maakt tussen “gerevolteerde” en “revolutionair”, en de revolutionair voor hem onbestaande en onmogelijk is (“het marxisme is bedrog”), komt dit uiteindelijk op hetzelfde neer. Hij dankt zijn succes trouwens gedeeltelijk aan het feit dat hij, op zijn manier, de enorme ontgoocheling uitdrukt die na Mei 68 volgde en die later versterkt werd door de kater die optrad na de verkiezing van Mitterand.

Een andere schakel tussen de klassieke roman noir en de nouveau roman noir is Jean Amila (Jean Meckert). Na zijn eerste werken die aanleunen bij Léo Mallet, de vader van de Franse roman noir, brengt hij in Le Pigeon du Faubourg (1981) evenals in enkele andere romans, een soort synthese tot stand tussen de eigenlijke polar en de proletarische roman die tracht om de lezer de realiteit van de, trouwens overwegend ambachtelijke, proletarische conditie duidelijk te maken.

Francis Ryck daarentegen, die geenszins een gauchist is, neemt de meeste post-Mei 68 thema’s op die de neopopulistische literatuur beheersen. Peau de Torpedo (1968) en Drôle de Pistolet (1969) voeren marginalen en gerevolteerden ten tonele, die trachten om een onmenselijke maatschappij die ze noch kunnen begrijpen noch met enige doeltreffendheid bekampen, te pesten.

G.-J. Arnaud, die een plaats apart inneemt in deze overgang, is de meest productieve Franse schrijver (meer dan driehonderd romans!). Hij debuteerde in 1952 met een traditionele polar, Ne tirez pas sur l’inspecteur, en vanaf de zeventiger jaren belandt hij bij de “politieke antikapitalistische polar”: aanklacht tegen het nucleaire establishment in Brûlez-les tous, vervreemding van het individu door het burgerlijke consumptiemodel in Le Coucou (1978), aanklacht tegen de CIA en alle schandalen van het “paranoïde Amerika, dat van Nixon en de Ku Klux Klan, van de John Birch Society en de gehangenen”, in de reeks Le Commander...

Na Frédéric Fajardie (Tueurs de flics, 1979) die insloeg als een bom vanwege zijn gewelddadige woede, en wiens romans de sporen dragen van een bepaalde militaristische fascinatie die zo nauw aan het hart lag van wijlen de Gauche Prolétarienne, bereikt de nouveau roman noir (of neopopulistische roman) zijn volledige politieke luciditeit op het vlak van de sociale kritiek, met auteurs als Jean-Francois Vilar, Didier Daeninckx, Thierry Jonquet, Gérard Delteil en Pierre Marcelle.

Met C’est toujours les autres qui meurent (1982), Passage des Singes (1984), Etat d’urgence (1985), Bastille Tango (1986) voert Jean-Frangois Vilar, ex-militant van de Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR) en verbonden met de surrealistische traditie, personages ten tonele van uiterst links of ex-uiterst links, (journalisten van het Libération-type, Latijns-Amerikaanse bannelingen, Italiaanse Rode Brigadisten) die in botsing komen met de moorddadige almacht van de politie. Zoals bij veel auteurs van romans noirs is het bij Jean-Francois Vilar niet enkel “het systeem” dat doodt maar ook de politie zelf is schuldig aan moord. In C’est toujours les autres qui meurent bijvoorbeeld, ontketent een vaag sociaaldemocratische politiecommissaris een slachtpartij in Beaubourg... op het moment dat een sociaaldemocratische president van de Republiek wordt verkozen.

Etat d’urgence is een opmerkelijk boek, één der beste suspenseromans van de laatste jaren. In Venetië, waarvan de dubbelzinnige sfeer goed wordt opgeroepen, verblijft een cineast, die zijn talent heeft opgeofferd aan het commerciële succes, om een film over het terrorisme te kunnen beëindigen. Hij wordt vergezeld door een Rode Brigadist die geacht wordt hem te inspireren bij het schrijven van het scenario. Carnavalscènes, geanimeerd door het ietwat decadente intellectuele puik uit heel Europa, worden vermengd met een waanzinnige chantagezaak opgezet door de Rode Brigades, die dreigen om de Dogestad te overspoelen met een olievlek. De politie en de brigadisten vechten het uit, waarna de maffia op haar manier het conflict beslecht, onder leiding van een “peetvader” die banden heeft met het milieu van de film, het terrorisme én de politie, en die het zich bovendien permitteert om de cineast te kopen. Dit alles eindigt opnieuw in een algemene slachtpartij, uitgevoerd door de politie.

Jean-Francois Vilar legt de maffiabaas woorden in de mond die treffend een bepaalde post-Mei 68 samenvatten: “Deze terroristengeschiedenis is zeer goed. De bekeerling is het tragische embleem van ons tijdvak. De hoop, de verloochening, de processen...” Wanneer de maffiosi zich aan politieke sociologie wagen en gebeten worden door de psychoanalyse, kan men net zo goed de boeken afsluiten. Of romans noirs schrijven...

Didier Daeninckx trok vooral de aandacht met Meurtres pour mémoire, een roman die de verdienste heeft om de door de politie bedreven moord op honderden Algerijnse arbeiders die op 17 oktober 1961 in Parijs betoogden tegen de oorlog in Algerije, opnieuw in de herinnering te brengen. Daeninckx leunt aan bij de PCF en toch doet de geest van zijn boeken, vooral Meurtres pour mémoire, eerder denken aan uiterst links, indien men zich tenminste de stellingen herinnert die beide partijen toen innamen. Al zijn boeken, die een aanzienlijke bijval genieten in Oost-Europa, dragen de stempel van de bekommernis om de vergeten geschiedenis, wat sommigen “de lijken in de kast” noemen, dat wil zeggen het verlangen om de overwonnenen van de geschiedenis terug tot leven te wekken.

Thierry Jonquet, een militant van de LCR, heeft twee soorten werken geschreven: politieke romans enerzijds en anderzijds romans noirs die zich afspelen in het milieu van marginalen, zelfs in psychiatrische instellingen. De tweede categorie werd meer op prijs gesteld door de critici en een groot publiek. La Bête et la Belle (1985) werd gekozen als nummer 2.000 van de bekende Série noire.

Thierry Jonquet heeft zijn politieke polars gepubliceerd onder de provocerende schuilnaam Ramon Mercader.[2] In Du passé faisons table rase tracht een secretaris-generaal van de PCF, duidelijk geënt op Georges Marchais en voorgesteld als iemand die door de KGB gekozen en gemanipuleerd wordt, door middel van systematische moorden te ontkomen aan de chantagepogingen waarvan hij het slachtoffer dreigt te worden. De wederzijdse manipulaties door de Westerse en stalinistische spionagediensten, de kleurloosheid en het gebrek aan fundamentele politieke overtuiging van alle soorten apparaten, de extreme verdinglijking en instrumentalisering van de mannen en vrouwen in dit milieu, worden op overtuigende wijze beschreven.

In feite verbindt een navelstreng de politieke romans met de romans noirs van Thierry Jonquet. De haast schizofrene breuk van de personages in La Bête et la Belle komt overeen met de minder duidelijke breuk van de agenten in Du passé faisons table race. In het ene geval, een nette en uiterst stipte onderwijzer die ontelbare vuilniszakken in zijn appartement ophoopt. In het andere, beroepsmensen op het gebied van bewaking, verklikking, chantage en moord “omwille van het goede doel” (dat van het “communisme” en dat van de “vrijheid”) die een dagelijks leven leiden als middelmatige kleinburgers die zich overgeven aan de visvangst en aan zielige erotische avonturen.

“Het was gek. Een voorbeeld van de manier waarop mensen elkaar niet begrijpen, van de breuk tussen de openbare en de privé-sfeer, het huiselijke en het publieke”, stelt Thierry Jonquet in een vraaggesprek met de krant Le Monde (21-22 april 1985). En hij vervolgt: “De blik van de polar is tot overdrijven geneigd, zeer geschandaliseerd. Hij lijkt helemaal op de blik van een militant.” Achter zijn poging tot luciditeit liggen ook zijn persoonlijke belevenissen, die hem sterk beroerd hebben. Thierry Jonquet is getekend door zijn beroepservaring. Hij werkte als ergotherapeut in een ouderlingentehuis en in psychiatrische hospitalen. “Het was een mokerslag, het zat me tot hier, dat hospitaal, het is me in de keel blijven steken, ik wou het vertellen, en om dat te kunnen was de polar het beste middel.” Dat verklaart zijn obsessie voor “abnormaal” gedrag temidden van de burgerlijke “normaliteit”.

Jean-Bernard Pouy (Suzanne et les ringards, 1985), minder politiek in zijn romans dan Vilar, Daeninckx of Jonquet, is ook minder verbitterd en heeft een meer tedere stijl, hij is verduldiger voor de mensheid zoals ze is.

Gérard Delteil, een vruchtbare auteur die graag de pastiche beoefent, met inbegrip van Meurtre dans l’Orient-Express, verhaalt in Solidarmoche (1984) een duistere infiltratieaffaire in een steunactie voor de clandestiene vakbonden in Polen door meerdere geheime diensten van het Westen en Oost-Europa. Hij heeft de verdienste dat hij een duidelijke stelling inneemt betreffende de cultus van het geweld: “Ik hou ook niet van de inschikkelijke polars, genre sado-macho, SAS-stijl. Men kan de gruwel en het geweld tonen met de bedoeling ze aan te klagen, om zijn revolte tegen de verschrikkingen uit te drukken, maar men kan ook een ongezond genoegen scheppen in het beschrijven van martelscènes, moordpartijen in concentratiekampen, verkrachtingen. Het ganse probleem zit hem in deze inschikkelijkheid, waarvan ik niet inzie hoe er aan te ontsnappen in boeken die nu net gebaseerd zijn op het principe om de lezer zoveel mogelijk heerlijke huiveringen te verschaffen om de gruwelen die anderen ondergaan.” (Vraaggesprek gepubliceerd in Cahiers pour la littérature populaire, nr. 6, zomer 1986)

Pierre Marcelle (Terrain lourd) beoefent eveneens de pastische in Le Bourdon, een zeer kostelijke adaptatie van Notre-Dame de Paris van Victor Hugo.

René Belletto (L’Enfer, 1985) put zijn kracht uit het Latijns-Amerikaanse verleden van sommige van zijn hoofdfiguren, een verleden dat hij zeer doeltreffend oproept.

Daniel Pennac is eerder een literair zwaargewicht. Maar het thema van Au bonheur des ogres — een demonische sekte die opereert in het zog van de nazistische jodenvervolging — is nogal ongeloofwaardig.

Frédéric Krivine, een jonge belofte van de suspense, heeft zich geopenbaard door zijn opmerkelijke Arrêt obligatoire (1986).

Behalve de afwijzing van een gecorrumpeerde, corrumperende en onmenselijke maatschappij hebben al deze auteurs een tamelijk strenge kijk gemeen op de, allemaal min of meer achterlijke, individuen, die ze heeft voortgebracht. Bij hen zijn er geen helden of heldinnen. We bevinden ons hier aan het andere uiterste van de “positieve held” van wijlen het “socialistisch realisme”, een genre dat ook in de sovjetliteratuur langzaam uitsterft. De personages, met inbegrip van diegenen waarmee de auteur zich lijkt te identificeren, worden gekenmerkt door twijfel, aarzeling, een gevoel van onmacht, wroeging, dubbelzinnigheid, schuldgevoel, een tikje paranoia of zelfs zelfhaat.

In die zin herneemt de nouveau roman noir gedeeltelijk de traditie van het populisme en zelfs van het vroegere naturalisme. Weliswaar dient de ganse zogenaamde politieliteratuur van de afgelopen 25 jaar zich aan als de realistische literatuur bij uitstek van ons tijdsgewricht, weliswaar verschaft ze een spiegel waarin de sociale werkelijkheid beter weerspiegeld wordt dan in de nauwgezette analyse van de zielsroerselen of in de onveranderlijke clichés, zowel van links als van rechts. Toch ontbreekt er een dimensie van de menselijke realiteit.

Inderdaad, in het dagelijkse leven begeleidt het sublieme het lage, moed en lafheid gaan hand in hand, de standvastigheid en de trouw zijn even aanwezig als het verraad en de capitulatie, de sociale onderdrukking roept steeds actieve afwijzing en weerstand op, de ontvoogdingsbeweging is niet verdwenen, hardnekkige en duizenden jaren oude pogingen tot bewuste maatschappelijke verandering gaan verder, spijts de mislukkingen en de nederlagen. Daarvan weerklinkt in de nouveau roman noir geen echo. Daarom is hij uiteindelijk minder realistisch dan men beweert. Maar is dat niet eigen aan de aard zelf van een literatuur die draait rond misdaad en geweld en dus, noodzakelijkerwijze meer naar de grond dan naar de zon gericht is?

De Franse maatschappij zou zichzelf niet zijn indien er naast de “revolutionaire polar” geen traditionele “integristische” burgerlijke of zelfs een openlijk contrarevolutionaire polar bestond. Ook hier zijn enkele nieuwe talenten opgedoken, in de eerste plaats Hugues Pagan, politie-inspecteur en ex-filosoof. Zijn dubbelzinnige personages verschillen weinig van de “gespleten” prototypes van Thierry Jonquet. Wij vermelden met name zijn Last Affair (1985).

In de SAS-reeks van Gérard de Villiers, in de romans van Jean Bruce en bij hun ontelbare navolgers daarentegen, triomfeert een gemakkelijk en kinderachtig maniërisme, bestaande uit een visceraal anticommunisme, een nauwelijks verholen racisme, seksisme, een brutale afwijzing van de dekolonisatie, een onverbloemde rehabilitatie van het hoera-patriotisme en het Franse kolonialisme. Deze literatuur, die overwegend blijk geeft van een drukkende eentonigheid ondanks haar pretentie om te prikkelen en exotisch over te komen, vervult een precieze sociale functie in dienst van de heersende ideologie. Of ze deze functie efficiënt vervult is maar de vraag. Gelukkig kunnen we hieraan met steeds meer reden twijfelen.

Aangezien dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hebben, waren Mexico — en in mindere mate Argentinië — getuige van een stroom “neo polars” of progressieve romans noirs na de prerevolutionaire radicalisatie die deze landen meemaakten op het eind der zestiger en het begin der zeventiger jaren. Het volstaat om vier Argentijnse auteurs te vermelden: Tizziani met Noches sin Lunas ni Sales (1975); Alberto Speratti met El Crimen de la Calle Legalidad (1983); Osvaldo Soriano met een leuke parodie, Triste, solkario final (1973); Juan Carlos Martelli met El Cabeza, dat beschouwd wordt als het meesterwerk van de Argentijnse politieroman (De laatste drie schrijvers zijn ver van de dictatuur uitgeweken).

De Mexicaanse auteurs zijn internationaal beter gekend en meer gewaardeerd. Ze verdienen dit ongetwijfeld. De oudste van de groep is Paco Ignacio Taibo II, die ook een erudiet werk schreef over de oorsprong van de Mexicaanse communistische partij. Hij is een anarchosyndicalist hoewel hij zeer bevriend is met de Cubaanse communistische partij, en hij is de vader van de privé-detective Hector Belascoaran Shayne, die hij “doodt” in No habra final feliz (1981). Of juister gesteld, hij laat hem doden door de politie, zoals dat het geval is in talloze Franse romans noirs. Met dit verschil dat het hier gaat om een niet-officiële politie, die gemanipuleerd wordt door de “officiële” politie en de regering, de beruchte “valken”, de verantwoordelijken voor de slachting onder de studenten in de zomer van 1968 op het Tlatelolco-plein in Mexicostad.

Naast Paco Ignacio Taibo II moeten vermeld worden: Rafael Ramirez Heredia met Trampa de metal; Raul Hernandez Viveros; Rafael Bernal met El complot mongol (1969), door sommigen beschouwd als de beste Mexicaanse polar, een schrijver die echter minder geëngageerd is dan de andere vermelde auteurs. Een bijzondere plaats verdient het opmerkelijke Morir en el golfo (1985) van Hector Aguilar Camin, een boek dat een aanklacht is tegen het samenheulen van de vakbondsbureaucratie (de zogenaamde charros) met het staatsapparaat, de politie incluis.

Zoals dat twintig jaar terug gold voor auteurs als Robbe-Grillet en Nabokov, heeft de recente polar in Latijns-Amerika beroemde schrijvers als Carlos Fuentes, Guillermo Thorndyke, Jorge Ibarguëngoïtia, Mario Vargas Llosa, Cortazar en Gabriël Marquez er toe gebracht om met de politieroman te flirten.

Het besluit dient zich uit zichzelf aan. De geschiedenis van de politieroman is een sociale geschiedenis, want ze blijkt onverbrekelijk verbonden te zijn met de geschiedenis van de burgerlijke maatschappij — en zelfs met die van de warenproductie en wordt door haar gesurdetermineerd. Op de vraag waarom de geschiedenis van de burgerij zich weerspiegelt in die van dit wel zeer bijzondere literaire genre, luidt het antwoord aldus: de geschiedenis van de burgerlijke maatschappij is tevens die van het eigendom; de geschiedenis van het eigendom impliceert die van zijn negatie, dat wil zeggen de geschiedenis van de misdaad. De geschiedenis van de burgerij is eveneens die van de steeds explosievere tegenstelling tussen mechanisch opgelegde vormen van sociaal gedrag en conformisme enerzijds, en de passies, verlangens en behoeften der individuen anderzijds, een tegenstelling die zich ontlaadt in steeds gewelddadiger overtredingen van de normen, misdaad inbegrepen. De burgerlijke maatschappij, geboren uit het geweld, reproduceert dit geweld voortdurend en is er van verzadigd. Ze ontstond uit de misdaad en ze leidt naar de misdaad, die steeds meer op industriële schaal wordt gepleegd. Uiteindelijk kan de opgang van de politieroman misschien verklaard worden door het feit dat de burgerlijke maatschappij, in haar geheel beschouwd, een misdadige maatschappij is.

_______________
[1] Zie in dit verband, en ook in verband met Léo Mallet, de Franse voorloper van de eerste soort roman noir, hoofdstuk 4 van dit boek.
[2] De naam van Trotski’s moordenaar waart bepaald rond in de hedendaagse literatuur. Jorge Semprun, ex-leider van de Spaanse Communistische Partij en een groot romanschrijver, heeft een boek geschreven met als titel La Seconde Mort de Ramon Mercader.
[3] Paco Ignacio Taibo II verschafte ons deze inlichtingen.