Ernest Mandel

Maastricht: Autopsie van een mislukking


Geschreven: 1993
Bron: Rood, nr. 15, 25 augustus 1993, pp. 9-12
Deze versie: Spelling aangepast
Transcriptie: Ernest Mandel - Internet-Archief: www.ernestmandel.org
HTML: F., voor het Marxists Internet Archive, maart 2007



Het project van kapitalistische eenmaking van Europa zat halverwege gekneld tussen een eenvoudige vrijhandelszone en een echte federale Staat. De eenheidsakte en het verdrag van Maastricht vormden een poging om deze toestand te deblokkeren, door de oprichting van een eengemaakte munt die op een gemeenschappelijke centrale bank steunt. De oprichting van een gemeenschappelijke politieke en militaire autoriteit werd naar later verschoven. Guy Quaden van de Nationale Bank van België stelt zich, niet zonder reden, de vraag of het wel realistisch is de munten één te maken zonder dat er een gemeenschappelijke politieke autoriteit is (Le Soir, 17/8/93).

Het Europese Monetaire Stelsel (EMS) en het verdrag van Maastricht sloegen aan diggelen op de rotsen van de economische en sociale realiteit: dat is de werkelijke betekenis van de monetaire windvlaag van 28 en 29 juli en de dagen daarop. Welke zijn die economische en sociale realiteiten? We zetten de voornaamste op een rijtje.

1. Het uitzonderlijke gebrek aan evenwicht tussen de omvang van het vlottende geldkapitaal enerzijds en de wisselreserves van de Europese centrale banken anderzijds. Enkel al op de wisselmarkten evenaart de omvang van de dagelijkse transacties het jaarlijkse volume van de wereldhandel. Wanneer er een neerwaartse speculatie is tegen een munt, kunnen de banken slechts een gegeven koers van een munt verdedigen door deze op te kopen met hun wisselreserves. Op enkele dagen tijd verloor de Franse centrale bank 90 % van haar wisselreserves in een poging de Frank te verdedigen. De Bundesbank leende haar een equivalente som in Duitse Mark. Op 29 juli leende ze meer dan dat ze had opgeslagen aan reserves. De race was verloren.

2. Geen enkele politieke autoriteit, evenmin de meest tirannieke, kan bezitters van grote hoeveelheden goederen of geldsommen verplichten waardeloos geld te aanvaarden in ruil voor dat bezit. De gedwongen koersen (of de wettelijk beperkte schommelingen) van munteenheden die aan waarde inboeten moeten uiteindelijk wijken. Dat is de objectieve oorzaak van speculatie. Want alle Europese munten, elk in verschillende mate, zijn waardeloze munten. De inflatie werd ingetoomd maar niet overwonnen. Voor de EG ligt het huidig gemiddelde op 4 à 5 % per jaar en deze inflatie is momenteel aan het stijgen. Resultaat: een cumulatief substantieverlies van 50% elke 7 jaar. Vandaar de neiging van kapitalisten om te zoeken naar ‘vluchtwaarden’: onroerende goederen, aandelen, goud en andere waardevolle metalen. Obligaties moeten een verzekeringspremie bieden tegen de waardevermindering (een intrestvoet die hoger ligt dan ‘het normale’). Dat is de reden waarom de intrestvoeten zo hoog liggen ondanks de overvloed aan geldkapitaal.

Volgens The Economist van 31/7/93 zouden de reële intrestvoeten (na aftrekking van de inflatievoet) 2,6% bedragen in Duitsland, 4,5% in Nederland, 5,5% in België, 6,7% in Spanje, 7,1 % in Frankrijk en 11,8 % in Denemarken — wat ver boven de historische gemiddelden ligt. Bovendien zijn deze cijfers ongetwijfeld ondergewaardeerd.

3. De economische depressie duurt nu al ongeveer 20 jaar. De normale `industriële cyclus’ valt daaronder. Vandaag kennen alle Europese landen een recessie. Maastricht veronderstelde een geleidelijke harmonisering van de economische en financiële omstandigheden van de lidstaten. Het EMS veronderstelde het vergemeenschappelijken van een fractie van de wisselreserves, vooral ten koste van Duitsland. Wanneer de zaken vlot lopen, zijn deze moeilijke inspanningen ondanks alles draaglijk. Iedereen hoopt er uiteindelijk zijn slaatje uit te slaan. Maar wanneer de zaken slecht gaan overheersen ‘het heilige egoïsme’, het `ieder-voor-zich’: de winsten van de ene zijn haast zeker de verliezen van de andere. Vandaar de moeilijkheid om regels als deze van Maastricht te doen aanvaarden.

4. In tegenstelling tot de schijn is het EMS niet ten onder gegaan door de kracht van de Duitse economie of de arrogantie van de Duitse bankiers. Het heeft meer te maken met de verzwakking van de Duitse economie. Op zes maanden tijd verminderde de Duitse uitvoer met 10%. Op een jaar tijd liep de industriële productie terug met 6 %. Men zou kunnen tegenwerpen dat de Bundesbank, door het verdedigen van de stabiliteit van de Duitse Mark, de Duitse uitvoer benadeelde. Maar de Bundesbank staat voor een verscherpte verscheurende keuze omwille van de ontzaglijke staatsschuld die voortvloeit uit de voortvarende kapitalistische eenmaking van Duitsland. Elke ‘relance’-politiek verscherpt de inflatie. Elk beleid ter verdediging van de stabiliteit van de Mark verscherpt de recessie.

De overigens mislukte poging om de conjunctuur aan te zwengelen door een daling van de intrestvoet veroorzaakt een kettingreactie aan devaloriseringen. Eerst van het Pond Sterling, daarna van de Lire, de Peseta, de Zweedse Kroon en uiteindelijk de Franse Frank (zie The Times, Londen, van 12/8/93).

5. De andere EG-lidstaten staan voor hetzelfde dilemma, verscherpt door een economische zwakheid die uitgesprokener is dan deze van de Bondsrepubliek. Zo komt Duitsland ongetwijfeld minder verzwakt dan zijn partners-concurrenten uit de ineenstorting van Maastricht. Maar niettemin toch verzwakt. Elke verscherping van de financiële instabiliteit in de rest van Europa, elke verscherping van de recessie zal negatieve gevolgen hebben voor de Duitse economie. Vandaar een haast wanhopige poging om op middenlange termijn ‘de meubels te redden’, om iets bescheidener dan Maastricht in de steigers te zetten. Maar alleszins iets dat dezelfde richting uitgaat.

6. Is dat het Europa van de twee snelheden? Momenteel lijkt het eerder op een Europa met drie snelheden. Een DM-zone; een tussenliggende zone (Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië); een zone van de zwakkere munten. Als Nederland, België, Luxemburg en misschien Denemarken zich in de DM-zone integreren, is dat niet ten gevolge van een of ander Duits dictaat. Dan gebeurt dit omdat het overeenstemt met de belangen van hun burgerij. Het volstaat te kijken naar de bestemming van hun uitvoer en naar het aandeel van die uitvoer in hun totale productie om er de reden van te begrijpen.

Maar voor de burgerij van die landen — en ongetwijfeld ook van Oostenrijk, dat bij de EG aanklopt — is niet enkel de geprivilegieerde band met Duitsland van belang. De consolidering van de EG in zijn geheel is voor hun economieën praktisch een kwestie van leven of dood. Hun uitvoer naar andere lidstaten dan deze van de DM-zone is bijna even omvangrijk dan deze naar de DM-zone. De regeringen van die landen zullen op Duitsland sterke druk uitoefenen om tot overeenkomsten te komen, vooral met Frankrijk en Groot-Brittannië. De EG redden, dat is het beoogde doel. België, dat voorzitter werd van de raad van EG-ministers, zal zich hiervoor uit de naad werken. Dehaene laat hierover niet de minste twijfel (Le Soir, 13/8/93).

7. Het verlangen naar zo’n politieke regeling stemt ook overeen met een politieke voorkeur: ontsnappen aan het risico van een Duitse hegemonie op alle domeinen die voortvloeien uit het economisch overwicht van de Bondsrepubliek. Het Frans-Duitse co-leiderschap, dat tot nu toe de EG aanvoerde, geniet voor de Europese burgerijen de voorkeur. Het Franse militaire gewicht (en daama dat van Groot-Brittannië) neutraliseert het risico van een Duitse militaire hegemonie.

8. Zo de EG-wagen een panne kent, betekent dat niet dat de auto niet opnieuw kan starten. Het terug op de baan geraken stemt overeen met te machtige belangen. In de eerste plaats die van de multinationals van Europese oorsprong. Om dat te weten volstaat het vast te stellen dat de intergemeenschappelijke handel 60% bedraagt van de totale handel van de Twaalf vanaf 1990, tegen 49% in 1970. Maar: deze ‘pro-Europese’ krachten zijn niet de enige aanwezigen binnen de twaalf EG-lidstaten. Naast hen bestaan er trusts die zich in de eerste plaats richten op de binnenlandse markt van hun eigen land. Dan zijn er de multinationals van buiten-Europese oorsprong. En de kleine en middelgrote ondernemingen, bedreigd door de omlegging van het verkeer. Er is de openbare en semi-openbare sector, tot nu toe ‘beschermd’ door de lidstaten.

Dan hebben we nog de politieke krachten binnen de burgerij die zich bewust zijn van het gebrek aan legitimiteit van de Europese instellingen in de ogen van de massa’s. Deze instellingen zijn onaangepaste instrumenten om politieke crisissen en sociale explosies het hoofd te bieden.

De ‘Europese opbouw’ kan slechts vooruitgang boeken door te bemiddelen tussen deze minstens 50 à 60 disparate krachten voor het geheel van de EG. Dat is geïnstitutionaliseerde koehandel en chantage. De vooruitgang zal dus zeer traag verlopen. Achteruitgang zal zich vaker voordoen.

9. Er is een bijkomende fundamentele realiteit: de problemen en crisissen van de kapitalistische eenmaking van Europa grijpen plaats binnen een mondiaal raamwerk. Dat is eerst en vooral de handelsoorlog tussen de driehoek USA-Japan-Europa, zonder dat een van de drie de hegemonie heeft die hem in staat stelt dictaten op te leggen. De multinationals van Europese oorsprong en andere politieke en economische krachten in Europa zien in een geconsolideerde EG het middel om beter hun belangen te verdedigen tegenover de Amerikaanse en Japanse concurrenten. Zo Washington en Tokio zeer goed de belangen verdedigen van Boeing, IBM en Exxon, ontbreekt het Parijs, Rome, Den Haag, Madrid en Brussel aan voldoende gewicht om de belangen van FIAT-SEAT, Philips, Solvay of Rhône-Poulenc te verdedigen. Een EG dat met een stem zou spreken, deze van de sterkste handelsmacht ter wereld, zou meer gewicht in de schaal leggen.

De wereldcontext omvat ook deze van de Derde Wereld, tegen dewelke de EG een echte, permanente, protectionistische en verspillende oorlogsmachine vormt.

10. In een periode van verlengde, slechte conjunctuur wordt elke burgerij verleid door de protektionistische terugplooi. Men wil de uitvoer begunstigen en tegelijkertijd de invoer beperken. Op korte termijn kan dit kleine voordelen opleveren voor degenen die als eerste en op de meest intelligente wijze handelen. Op middenlange termijn is iedereen de pineut, zoals uit; men importeert de werkloosheid via het venster.

11. Onafhankelijk van alle preken ten gunste van monetaire stabiliteit, blijft de verleiding om de muntdevaluatie te gebruiken als wapen in de handelsoorlog een reëel feit.

Amerikaanse en Japanse kapitalisten en ideologen verheugden zich over de verzwakking van de EG die voorvloeit uit de ineenstorting van het EMS. Maar de versterking van de Dollar en de Yen die daar ook het gevolg van is, dreigt de Japanse en Amerikaanse uitvoer zwaar te treffen. De verscherping van de recessie in Europa, de verscherpte ellende van de volkeren in de Derde Wereld kent een gelijkaardig gevolg. De ‘Schadenfreude’ zal van korte duur zijn.

12. De betrekkelijke stabiliteit van de wisselkoersen tijdens de jaren ‘ 80 stoelde op de lange economische heropleving na de recessie van 1980-81. Dit speelde de vastgoed- en beursspeculatie in de kaart. Maar ook daar komt bruusk een terugslag in: men herinnert zich de beurscrash van oktober 1987! Zodoende wordt het vlottende geldkapitaal geleidelijk aan overgeheveld naar de wisselmarkten.

De monetaire beslissingen van 31 juli verhogen ongetwijfeld het risico op speculatie. Ook de dreiging van een kettingreactie van devaluaties neemt toe. Deze heren en dames (overigens weinig dames) keren dus terug naar de beurs. In NewYork, Londen, Parijs en Frankfürt overstijgen de aandelenkoersen ruim de maxima van 1987.

Deze cijfers houden geen rekening met de gevolgen van de inflatie. Men moet ze dus verminderen met 35 à 50 om te komen tot de werkelijke opbrengst in aandelenwaarden. Maar gezien het feit dat die toename helemaal niet overeenstemt met de toename van de productie in dezelfde verhoudingen, tekent zich een nieuw ‘oktober 1987’ aan de horizon af.

13. Mitterrand en Baladur wijzen nu op een duister complot van speculanten ‘tegen Frankrijk’, nadat ze aanvankelijk `de Duitsers’ als de anti-Franse aanvallers afschilderden. Net als Johannes Paulus II of ayatollah Khomeini, hadden ze even goed een beschuldigende vinger naar de duivel of de Grote Satan kunnen uitsteken. Toegeven dat de bron van speculatie ligt in de intrinsieke mechanismen van de kapitalistische economie en van de fundamentele ‘waarden’ van de burgerlijke maatschappij, behoort klaarblijkelijk niet tot de tijdsgeest. Maar feiten zijn koppiger dan mythes. Wie zijn dus die fameuze speculanten, naast Georges Soros- wiens exploten de pers sterk in de verf zet? Degene die hun nationaliteit kan achterhalen is beslist een slimmerik. Maar degenen die te New York en Tokio actief zijn, zijn deels Europeanen, inbegrepen Fransen. Wanneer het erop aankomt snel veel geld te verdienen met weinig risico’s, verliezen patriottisme en andere ‘nobele gevoelens’ snel veel gewicht. Maar in ons regime is het makkelijker de identiteit van immigrante arbeid(st)ers na te trekken dan deze van kapitaaluitvoerders. Moet men werkelijk `subversief’ zijn om de volgende vraag te stellen: hoeveel Franse bankiers bevonden er zich onder de speculanten die het op Frankrijk gemunt hadden? Nog een pittig detail. Volgens de correspondent te Washington van The Sunday Times (8/ 8/93) leent de chef van de Federal Reserve Board (de centrale bank van de USA) geld aan privé-bankiers aan een intrestvoet die 3,5 à 4% lager ligt dan degene die men verkrijgt bij het kopen van vrijwel risicoloze staatsobligaties. De winsten van de Amerikaanse banken gaan dus sterk de hoogte in. Waarop die banken dan weer beginnen speculeren op de wisselmarkten.

14. Wij zullen geen traan laten voor Maastricht. De eenheidsakte is een ondemocratische onderneming: sociale achteruitgang, aanslag op de democratische vrijheden, versterkte repressie tegen de zwaksten, uitdieping van de ‘duale maatschappij’... wat uitmondt in een heropleving van racisme en neofascisme en verscherpte agressie tegen de volkeren van de Derde Wereld.

Dat we geen traan laten voor Maastricht betekent niet dat we ons verheugen over wat erna komt. Want Maastricht ging niet ten onder aan de mokerslagen van de volksmassa’s. De ineenstorting van Maastricht gebeurde door de interne tegenstellingen van het kapitalistische stelsel. Het initiatief blijft meer dan ooit in handen van de burgerij. De klasse van loontrekkenden is meer dan ooit blootgesteld aan harde slagen. Voor de werknemers blijft de sociale en economische toestand beheerst door de werkloosheid.

In Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje ligt het aantal werklozen in absolute, zie relatieve cijfers, reeds hoger dan in de jaren ‘30. Werkloosheid en angst voor werkloosheid beheersen het denken van de georganiseerde arbeidersbeweging en de geestesgesteldheid van de werkende massa’s. In dat klimaat aarzelt kanselier Kohl niet om te pleiten voor een verlenging van de werkweek. Net als Willy De Clercq (De Morgen, 19/8/93). Ze doen alsof ze niet weten dat indien de lonen inderdaad een kost zijn voor elk bedrijf afzonderlijk, ze ook de voornaamste koopkracht voor waren vormen voor een flink deel van de ondernemingen die steeds meer goederen en diensten moeten verkopen. Zonder deze totstandkoming van de meerwaarde is er ook geen relance van de accumulatie van kapitaal. Robots zullen zich geen confectiepakken aanschaffen.

Op het randje van het cynische af, verklaren experten in internationale investeringen (waaronder een meneer die de bank Indosuez vertegenwoordigt) dat Duitsland, na de mislukking van Maastricht, nood heeft aan een massale vermindering van de sociale uitgaven (`massive cut in German welfare expenditure’ — International Herald Tribune, 14-15/8/ 93). Kohl gehoorzaamt de bevelen. Vanaf 11 augustus kondigt hij de eerste verlaging van sociale uitgaven aan (sinds 45 jaar), werkloosheidsuitkeringen inbegrepen.

De Italiaanse, Spaanse en Portugese regeringen springen mee in de dans. In Portugal is er zelfs sprake om opnieuw ‘het recht’ in te voeren om kinderen van 14 jaren te laten werken. Enkel het Duitse weekblad Die Zeit trekt aan de alarmbel: wat zal er in zo’n omstandigheden overblijven van de betrekkelijke sociale stabiliteit?

Om dit kapitalistisch offensief het hoofd te bieden moet de arbeidersbeweging zich ontdoen van de mythe van haar zogezegde schuldbetreffende de werkloosheid. Het zijn niet de `hoge lonen’ die verantwoordelijk zijn voor de werkloosheid, wat overigens duidelijk uit de statistieken blijkt. De verantwoordelijkheid ligt bij degenen die over de investeringen, hun omvang en hun oriëntering beslissen. Rationaliseringsinvesteringen vernietigen jobs in plaats van er te scheppen. Maar de arbeidersbeweging moet zich vooral ontdoen van de consensus rond het nationale concurrentievermogen. Dat is immers het altaar waarop ze haar eigen belangen moet offeren. Loontrekkenden en onderdrukten die dit spel meespelen zijn vooraf verloren.

Men kan zich niet verzetten tegen de dreiging van delokalisering van productiecentra, wanneer men zich neerlegt bij het concurrentiegebod. Multinationals zullen altijd een land vinden waar lonen en uitkeringen nog lager liggen om de loontrekkenden een eindeloze regressieve sociale spiraal op te leggen.

Tegen Maastricht en tegen wat erna komt is de nationale terugplooi dodelijk. Het enige doeltreffend antwoord is de eenheid in de actie van loontrekkenden en onderdrukten van alle landen, in plaats van een klassensamenwerking met de nationale, Europese of mondiale burgerij.

We moeten duurzame banden smeden tussen strijdsyndicalisten, te beginnen met degenen die voor dezelfde multinational werken. We moeten onze krachten bundelen voor een radicale vermindering van de werkweek zonder loonverlies; het enige middel om doeltreffend de werkloosheid te bestrijden.

We mogen niet aarzelen de Europese instellingen te confronteren met duidelijke sociale en democratische eisen, gesteund door reële krachten van de georganiseerde arbeidersbeweging op Europese schaal.

Maar de prioriteit moet uitgaan naar de agitatie en de directe actie tegen de werkloosheid, voor de verdediging van de immigranten, tegen het racisme en het neofascisme, voor de solidariteit met de volkeren van de Derde Wereld. Dat is zeker niet eenvoudig. Maar het is de enige weg om de teruggang en de ontreddering te stoppen. We moeten vooral beginnen met het winnen van een aantal partiele gevechten. Men kan slechts de loop der dingen wijzigen door praktische successen. Het welslagen van de conferentie van 12 juni 1993 voor een Ander Europa (zie Rood nr. 13 van 30/ 6/93) — het Europa van de arbeid en van de grenzeloze solidariteit — is een eerste stap in die richting. Andere stappen moeten volgen. Andere stappen zullen volgen