Ernest Mandel

De opheffing van de schuld van de Derde Wereld

Tien vragen en antwoorden


Geschreven: 1995
Bron: onbekend
Deze versie: Verscheen in “De Internationale”, najaar 1995, nummer 55, jaargang 39
Transcriptie: Fréderic
HTML: Fréderic, voor het Marxists Internet Archive, maart 2005


Eerste vraag: Waar komt de reusachtige schuldenberg van de zogenaamde Derde Wereld vandaan?

Die landen hebben al lang te weinig inkomsten. Het is niet omdat zij plots meer internationale kredieten zijn beginnen vragen dat ze zich sinds 1975 in de schulden hebben gestoken. Niet de vraag naar internationale kredieten is veranderd, wel het aanbod.

Als gevolg van de recessie van 1974-75 en van de langdurige depressie waarin de internationale kapitalistische economie is vastgelopen (de groeivoet is meer dan half zo klein dan in de periode 1948-73), is de vraag naar krediet vanwege de firma’s in de imperialistische landen relatief verminderd. De grote banken van de imperialistische landen beschikten over een overvloed aan deposito’s, van geldkapitaal. Om winst te kunnen maken, moesten ze die deposito’s omzetten in kredietverlening. Zij gingen dus op zoek naar bijkomende klanten. Ze zijn de wereld rondgetrokken en letterlijk met bijkomende kredieten naar de Derde Wereld (en in mindere mate naar de niet-kapitalistische landen) beginnen smijten. Met de helpende hand van de concurrentie is het aanbod vanaf 1975 elk jaar gestegen.

Tweede vraag: Is de schuldenberg een apart verschijnsel in de ontwikkeling van de internationale economie?

Neen. De ontwikkeling van de internationale kapitalistische economie wordt sinds lang gekenmerkt door een veralgemeende explosie van de schuld. Zoals ik eertijds schreef dreef de expansie van het wereldkapitalisme na de Tweede Wereldoorlog op een oceaan van schulden. De kredietinflatie van het “bankgeld” (het scripturaal geld) was de hefboom om tijdelijk de voornaamste tegenspraken eigen aan het kapitalistische systeem te verzachten.

Doordat de bedrijven schulden maakten, kon de tegenspraak tussen hun dalende winstvoet en hun gestegen behoefte aan kapitaalsaccumulatie, voortkomende uit de derde industriële revolutie, afgezwakt worden. Dankzij de schulden van de gezinnen (hypothecair krediet en verkoop op krediet van auto’s en elektrische huishoudapparaten) kon de tegenspraak tussen de enorme groei van de productiecapaciteit van de industrie en de zeer bescheiden groei, gevolgd door stagnatie zelfs daling van de koopkracht van de werkende bevolking, worden afgezwakt. Dankzij de groei van de openbare schuld kon de tegenspraak worden verminderd tussen de enorme groei van de openbare uitgaven en de weigering van de burgerij om een verhoudingsgewijze groei van de belastingen op het kapitaal toe te laten.

Ik spreek uiteraard over afzwakking van deze tegenspraken, niet over opheffing ervan of zelfs maar duurzame afzwakking. De verklaring waarom we sinds het begin van de jaren zeventig overgestapt zijn van een lange expansieve naar een lange depressieve golf, heeft precies te maken met het feit dat de overmatige groei van de schulden perverse gevolgen voor de economische groei begon te hebben.

Het blijft niettemin waar dat de internationale kapitalistische economie zich gezwind verder in de schulden steekt. Na de beurscrash van oktober 1987 kwam er een nieuwe explosie van het krediet. Dit om de nieuwe, onvermijdelijke recessie waarvan deze crash de voorbode was, uit te stellen.

Op dit ogenblik lopen alleen al de schulden aangegaan in dollars (zonder rekening te houden met de schulden die moeten worden afgelost in Franse, West-Duitse, Japanse, Britse munt en in ECU of andere munten) reeds op tot het fenomenale bedrag van tienduizend miljard dollar.

10.000.000.000.000 dollar (bijna 400.000.000.000.000 BF): een getal dat je nauwelijks kan uitspreken!

De schuld van de Derde Wereld bedraagt duizend driehonderd miljard dollar, dus 15 procent van de totale schuld, zelfs als je er de Chinese schuld bijrekent. Dit betekent 15 procent van de schuld voor meer dan de helft van de wereldbevolking... Men moet dus toegeven dat de enorme poespas van de media over het gevaar van de Derde-Wereldschuld voor de wereldeconomie sterk overdreven, demagogisch of zelfs racistisch klinkt: diezelfde media zijn namelijk zeer discreet over de schuld als algemeen verschijnsel.

Derde vraag: Hebben de druk van het Internationaal Muntfonds ten voordele van het terugbetalen van de schuld door de Derde Wereld en de ongerustheid in kringen van het imperialistische grootkapitaal niet te maken met een echte bedreiging voor dit grootkapitaal?

Er is vanzelfsprekend een reëel verschil tussen de gestegen schuld van de bedrijven in de imperialistische staten, de gestegen schuld van die imperialistische staten en de gestegen schuld van de Derdewereldlanden (en die van enkele niet-kapitalistische landen zoals Polen, Joegoslavië en Hongarije). De eerste zijn namelijk meer solvabel dan laatstgenoemde. De verhouding tussen de schulden en de lopende inkomsten is veel nadeliger voor de Derdewereldlanden dan voor de imperialistische bedrijven (en gedeeltelijk ook voor de gezinnen in de imperialistische landen met hun toegenomen schulden). De Derdewereldlanden moeten de intrest en het geleende kapitaal in buitenlandse munt terugbetalen. Hun eigen munt, aangetast door de inflatie, is in het algemeen niet convertibel in munten van de imperialistische landen, op de eerste plaats de dollar. De banken berekenen dus de terugbetalingcapaciteiten van de Derdewereldlanden op basis van de verhouding tussen de schuld en de inkomsten afkomstig van hun uitvoer. Die verhouding is sinds het begin van de jaren tachtig verslechterd, vooral na de recessie van 1980-1982 en de ineenstorting van de grondstoffenprijzen.

Vandaar de vrees van het internationale kapitaal voor een mogelijke insolvabiliteit van die landen, hun onbekwaamheid de intresten te betalen. Vandaar de vrees voor een bankcrash, vooral in de Verenigde Staten.

De Derdewereldlanden staan in aanzienlijke mate in het krijt bij de grote Amerikaanse banken. Hun schuld overtreft dikwijls het eigen kapitaal. Twee van de belangrijkste Amerikaanse banken, de Citybank en de Chase Manhattan, bezitten schuldbrieven die dubbel zo groot zijn als hun eigen middelen. Als ze niet worden terugbetaald, kunnen ze failliet gaan. Zo’n bankcrash waarin enkele belangrijke Amerikaanse banken betrokken zijn, kan doorheen een kettingreactie een ineenstorting van de hele kapitalistische wereldeconomie uitlokken, te vergelijken met wat er in 1931 gebeurde na de Amerikaanse bankcrash uitgelokt door het failliet van enkele Midden-Europese banken.

Vierde vraag: Wat zijn de gevolgen van de terugbetaling van de schuld in de landen van de Derde Wereld?

Klaar en duidelijk een sociale achteruitgang. Om aan de schuldaflossingen te kunnen voldoen (die bovendien gestegen zijn door de verhoging van de rentevoet sinds het begin van de jaren tachtig) moeten deze landen hun binnenlands verbruik drastisch inperken en hun export uitbreiden. het gaat dus om een brutale soberheidpolitiek, die des te rampzaliger is omdat het levenspeil er al veel lager was dan in de imperialistische landen. En een vermindering van de koopkracht met 10 procent is een zaak, een vermindering met 40 tot 50 procent een andere...

De daling van de koopkracht van de volksmassa’s in de meeste Derdewereldlanden is inderdaad van deze orde van grootte, slechts enkele Zuidoost-Aziatische landen uitgezonderd. Deze percentages gelden voor bijna alle Latijns-Amerikaanse landen en voor de meeste landen van Zwart-Afrika. De teruggang is zelfs brutaal in de Arabische landen (uitgezonderd in Saoedi-Arabië, Koeweit, Bahrein en de Golfemiraten).

Dit betekent dat het doorsnee levenspeil van deze landen dertig, veertig of vijftig jaar in de tijd wordt teruggeworpen. In landen als Haïti, El Salvador en verscheidene landen van Zwart-Afrika schat men dat de helft van de bevolking leeft op 1700 calorieën per dag, het rantsoen van de nazi-concentratiekampen. In Ghana volstaat het dagloon (21 Bfr.) nauwelijks om een doos melk te kopen. We hebben dus te maken met een absolute verarming.

Deze verarming zet zich door doorheen twee hoofdmechanismen. Op de eerste plaats door de inflatie die in talrijke landen een galopperende inflatie is geworden. De werkende massa’s lijden daaronder omdat hun magere lonen uitbetaald worden in de nationale munt die voortdurend gedevalueerd wordt tegenover de dollar. De burgerij kan zich tegen de inflatie beschermen door een steeds meer doorgedreven “dollarisering” van hun land. Zij plaatst haar kapitalen en inkomsten in dollars, transfereert ze naar het buitenland, betaalt haar productiekosten in nepmunt en krijgt buitenlandse deviezen voor de uitgevoerde waren.

Het tweede mechanisme is dat van de brutale afschaffing van de subsidiëring van de prijzen van voedselwaren en levensnoodzakelijke diensten (geneeskunde, onderwijs, openbaar vervoer, enz.) op direct aandringen van het IMF. Ook dit betekent een radicale verslechtering van het doorsnee levenspeil. Volgens UNICEF werden in de loop van de laatste jaren de uitgaven per inwoner voor gezondheid en voor onderwijs respectievelijk met 5 en met 25% teruggeschroefd in de 37 armste landen.

Vijfde vraag: Welke gevolgen heeft de politiek van het terugbetalen van de schuld op de kapitalistische economie in haar geheel?

De gevolgen zijn in hun geheel pervers. Eerst en vooral betekent de terugbetaling van de schuld een enorme overdracht van rijkdom van de Derde Wereld naar de imperialistische landen. Men schat dat vanuit Latijns-Amerika alleen al in 1986 17 miljard en in 1987 meer dan 20 miljard dollar naar de metropolen is overgeheveld. In de periode 1982-88 werd 179 miljard dollar vanuit Latijns-Amerika getransfereerd, en vanuit de hele Derde Wereld meer dan 250 miljard. De absurditeit en de immoraliteit van deze overdrachten behoeft geen commentaar.

Vervolgens houdt deze politiek in dat de halfindustriële landen (voor alles Brazilië, Zuid-Korea, Taiwan, Hongkong, Singapore en Mexico) een kolossale inspanning moeten leveren voor de export van industriële goederen naar de imperialistische metropolen. Deze export is mogelijk dankzij de lage lonen en heeft als gevolg dat heel wat banen in de industrie van de imperialistische landen verloren gaan en ook daar de lonen onder druk staan.

Maar vermits de Derdewereldlanden tegelijkertijd verplicht zijn om hun import op drastische wijze te beperken en vermits de koopkracht zowel in de Derde Wereld als in de metropolen daalt, hebben we te maken met een onophoudelijke relatieve inkrimping van de wereldhandel.

Deze inkrimping is een van de oorzaken die de internationale kapitalistische economie in een toestand van langdurige depressie houden.

Zesde vraag: Wat is de betekenis van het plan Baker en het plan Brady?

Terwijl het IMF en de internationale bankwereld met ophouden bij de Derdewereldlanden brutaal aan te dringen op het aflossen van de schuld, komen er vanwege verscheidene imperialistische regeringen initiatieven in tegengestelde zin. Zo is er het plan Baker van de USA ten gunste van een gedeeltelijke vermindering van de schuld. Spectaculairder is Mitterrands initiatief dat een definitieve streep trok door de schulden van de armste Afrikaanse Staten tegenover Frankrijk. En er is het nieuwe plan Brady.

Deze initiatieven weerspiegelen op de eerste plaats, althans gedeeltelijk, reële tegenspraken in de schoot van de imperialistische burgerij. De sectoren van het financierskapitaal en de sterkste multinationals hechten zeer veel belang aan de export naar de Derde Wereld, die voor Europa zowat 20 tot 25% van de globale export uitmaakt. De zuivere banksectoren en de speculatieve sectoren wier gewicht sinds de jaren ‘80 sterk is toegenomen, geven prioriteit aan monetaire berekeningen en voordelen op korte termijn. De Europese en Japanse multinationals (die minder hebben geleend aan de Derde Wereld en dus minder risico’s lopen dan hun Noord-Amerikaanse partners) kunnen zich een vrijgeviger houding aanmeten dan de Amerikaanse banken.

Maar al de regeringen van het grootkapitaal begrijpen zeer goed welke perverse gevolgen de politiek van de terugbetaling van de schuld heeft, zowel op economisch als op sociaal vlak. Zij zijn bang voor de sociale terugval in de Derdewereldlanden die een sociale uitbarsting kan uitlokken en dus de eigendommen van het imperialisme in gevaar brengt. Er zijn al hongeroproeren geweest in Algiers, Carácas, Rosario, Lagos en elders. Men kan zich verwachten aan nieuwe hongeropstanden. De internationale burgerij heeft er dus belang bij zich minder “hard” op te stellen dan het IMF, en althans een paar gebaren te stellen.

Die gebaren zijn bovendien erg goedkoop en kunnen zelfs nog bijkomende winst opleveren voor het internationale kapitaal. Iedereen die een beetje op de hoogte is, weet dat de Derde Wereld die schuld nooit zal kunnen terugbetalen. Waar kunnen die staten duizend driehonderd miljard dollar vinden om hun schuld af te lossen, zelfs binnen een termijn van tien tot twintig jaar?

En wat waar is voor de Derde Wereld in het algemeen, is uiteraard waar voor de armste landen. Die armste landen (wier schuld door Mitterand werd geschrapt) nemen minder dan 0,2% van de totate schuld voor hun rekening. Gulheid is makkelijk wanneer men een schuld schrapt die toch betwist wordt, en die gevaarlijke kettingreacties kan teweegbrengen, die het kredietsysteem, het bankwezen en het internationaal monetair systeem bedreigt. Bovendien komt het plan Baker in de praktijk neer op het redden van de privé-banken door de openbare instellingen, dus door de belastingbetaler.

In werkelijkheid is de internationale burgerij niet zo gebrand op het recupereren van de geleende kapitalen. Ze heeft geen gebrek aan liquiditeiten. Ze zit eerder opgeschept met een teveel aan geldkapitaal waarvoor niet voldoende winstgevende investeringsterreinen openliggen. Wat ze wel wenst, is een ononderbroken terugbetaling van de intrest op de schuld. De toegevingen die ze doet inzake de terugbetaling van het kapitaal beklemtonen de druk op het verder betalen van de intrest, opdat die afbetaling tenminste niet teveel zou onderbroken worden. En dat is alvast weer mooi op zak gestoken. Tenslotte bevatten deze toegevingen een aspect dat voor het imperialisme van het grootste belang is: de poging om een deel van de schulden om te zetten in reëel bezit, bezit dat totnogtoe aan de Derde Wereld toebehoorde. Wanneer het imperialistische kapitaal in ruil voor het schrappen van 50% van de schuld, zo’n 20 tot 30% van die waarde kan omzetten in bedrijven of in een luchtvaartmaatschappij zoals Aerolinas Argentinas, dan wisselt het in feite waardeloos papier voor reëel bezit. Goede zaken dus. Bovendien gaat deze omzetting van de buitenlandse schuld gepaard met een echte explosie van de binnenlandse schuld (in nationale munten). Deze binnenlandse schuld bedraagt in Mexico reeds 25% van het BNP.

Zevende vraag: komt een internationale campagne tegen de schuld van de Derde Wereld niet in botsing met het feit dat de arbeiders en arbeidsters in de imperialistische landen onrechtstreeks meeprofiteren van de terugbetaling van de schuld? Hebben de arbeiders in de geïndustrialiseerde wereld wel materieel baat bij een gemeenschappelijke campagne van de arbeidersbeweging van het Westen en van Japan en de arbeiders- en boerenbeweging van de Derde Wereld?

De stelling volgens dewelke het verlies van de imperialistische landen de lonen of de tewerkstelling in de imperialistische landen zou aantasten, gaat ervan uit dat de oorzaken van de soberheid en de depressie sinds 1974-75 te wijten zijn aan het gebrek aan kapitalen in het Westen. Zoals we daarjuist stelden, is het omgekeerde het geval. De oorzaak van de depressie is juist te wijten aan het teveel aan beschikbare kapitalen.

In de loop van de huidige expansieve fase van de industriële cyclus sinds 1983 zijn de winsten van de banken, van de multinationals, van de grote ondernemingen, geweldig gestegen. Maar de werkloosheid is amper verminderd.

In feite zou men eerder in omgekeerde zin kunnen argumenteren. het objectief gevolg van de terugbetaling van de schuld is werkloosheid en jobverlies voor de werkers in de imperialistische landen. Die politiek dwingt de halfgeïndustrialiseerde landen immers om offensief te exporteren, dus aan export gebaseerd op lage lonen te doen.

De vakbonden en de massa’s van de imperialistische landen worden dus geconfronteerd met de keuze tussen twee strategieën: enerzijds een nationalistische strategie van solidariteit met het eigen patronaat, dus van klassensamenwerking. Die kan de vorm aannemen van een achterlijk protectionisme of van een neoliberale “opening”. Maar in beide gevallen houdt zij de aanvaarding in van de soberheid in naam van “de concurrentiekracht van onze industrie”. Zij sleurt de internationale arbeidersklasse mee in de helse cirkel van daling van de koopkracht.

De tweede strategie is er één van internationalistische klassensolidariteit. Zij mikt op gemeenschappelijke actie van de vakbonden en de massa’s van de imperialistische landen en de Derdewereldlanden tegen de multinationals, tegen het patronaat en tegen de regeringen die in al die landen een soberheidpolitiek voeren. Die strategie verzet zich tegen de logica van de concurrentie en van de winst, waartegenover zij de logica van de onverzoenlijke verdediging van de belangen van de werkende klasse stelt. Zij is er dus op gericht van het kapitaal een gelijkschakeling van de lonen, van de arbeidsvoorwaarden (inclusief de arbeidstijd) en van de sociale uitkeringen af te dwingen, een gelijkschakeling naar omhoog en niet naar omlaag. In die optiek is de strijd in de Derde Wereld tegen de miserie en tegen de lage lonen in het belang van de arbeiders en arbeidsters van de imperialistische landen.

Achtste vraag: Komt zo’n politiek van de vakbonden en van de arbeiders in de metropolen gericht op loonsverhoging in de Derde Wereld niet objectief neer op het blokkeren van de industrialisering, dus op een verscherping van de onderontwikkeling?

Absoluut niet. De politiek van internationale klassensolidariteit die wij voorstaan komt –noch objectief, noch logisch- neer op onderontwikkeling. het betekent eerder dat men een “ontwikkelingsmodel” vooropstelt dat stoelt op de ontwikkeling van de binnenlandse vraag, dus gericht op de uitschakeling van de ergste vormen van miserie en sociale ongelijkheid, in plaats van een “ontwikkelingsmodel” dat stoelt op export ten allen prijzen. Op middellange en lange termijn is “ons ontwikkelingsmodel” realistischet en praktischet dan het huidige model.

Ten eerste omdat belangrijke sectoren van het patronaat in de metropolen reageren tegen de “export van lage lonen” door de geforceerde ontwikkeling van halfgeautomatiseerde technologieën. Tegenover deze technologieën verliezen zelfs de laagste lonen aan competitiviteit. Vervolgens omdat protectionisme en handelsoorlogen de kop opsteken in de imperialistische landen en dus bijkomende barrières opwerpen tegen de import afkomstig van de industriesectoren van de Derde Wereld.

Negende vraag: Kan de opheffing van de schuld op zich de miserie van de volkeren in de Derde Wereld en de onderontwikkeling uitschakelen?

Neen. De schuld opheffen is noodzakelijk maar onvoldoende. Om de miserie in de Derde Wereld op te heffen, moet er een radicale herverdeling van de beschikbare hulpbronnen op planetair vlak ten gunste van de volkeren van de Derde Wereld plaatsvinden. Er is bovendien een sociale revolutie in die landen noodzakelijk.

Het gaat om rechtvaardigheid in een dubbele betekenis. De massa’s van de Derde Wereld worden minstens reeds vier eeuwen lang overuitgebuit door de meesters van het internationale kapitalisme. Zij worden gedurende een periode die nauwelijks korter is, overuitgebuit door hun eigen bezittende klassen.

Deze herverdeling is mogelijk zonder een daling van het levenspeil van de werkers in de imperialistische metropolen, namelijk doorheen de radicale afschaffing van de onproductieve uitgaven en door de mobilisatie van de ongebruikte of ondergebruikte hulpbronnen in de metropolen (denk maar aan de werkloosheid). Alleen al de militaire en ruimtevaartuitgaven vormen een ongekende reserve.

Wanneer ze gepaard gaat met technologische vernieuwingen ten bate van het milieu, deze herverdeling kan gebeuren zonder bijkomende bedreiging voor het milieu.

Bovendien moet het schandaal van de massale export van wapens uit de imperialistische landen naar de Derde Wereld worden aangeklaagd. Dit is een bijkomende bron die de schuld in stand houdt, en het levert enorm veel winst op voor de imperialistische trusts.

Tiende vraag: Stelt de strijd voor de opheffing van de schuld van de Derde Wereld geen rijk blok tegenover een arm blok; worden de arme landen geen “vierde wereld” op wereldvlak?

Globaal genomen niet. De landen van de Derde Wereld, net als die van de imperialistische wereld, zijn verdeeld in elkaar vijandige maatschappelijke klassen. De heersende klassen van de Derde Wereld worden niet armer door de gedeeltelijke terugbetaling van de schuld. Integendeel, ze hebben zich kunnen verrijken doorheen allerlei operaties, dit ten koste van de loontrekkenden en van de arme boeren in hun land. Zij hebben het IMF gebruikt om hun soberheidpolitiek aan te scherpen en hun repressiepolitiek goed te praten, iets wat ze toch van plan waren, schuld of geen schuld, om hun winsten te vergroten en hun eigendom te verdedigen.

Een goed gedeelte van de buitenlandse kredieten werd nooit productief in de Derdewereldlanden geïnvesteerd. Zij vloeiden weer terug naar de bankdeposito’s die de rijken van de Derde Wereld in de imperialistische wereld hebben aangelegd, dit om te speculeren. Zo schat men dat in Argentinië meer dan de helft van de kredieten op die manier uit het land werden gehouden.

De “dollarisering” van de economie van de Derdewereldlanden, evenals de galopperende inflatie, gedeeltelijk te wijten aan de politiek van terugbetaling van de schuld, hebben in het merendeel van de landen een kolossale herverdeling van de inkomsten ten gunste van de rijken mogelijk gemaakt. Zo hebben enkele potentaten van de Derde Wereld fortuinen aangelegd die een vergelijking doorstaan met de fortuinen van de internationale kapitalistische economie.

Er steekt natuurlijk een sterke dosis onwelvoeglijke hypocrisie in de westerse media wanneer zij deze potentaten aan de kaak stellen; ze zwijgen immers over de rol van het imperialisme, een imperialisme dat reeds lang goede maatjes is met de geprivilegieerden uit de Derde Wereld.