Herbert Marcuse
De eendimensionale mens
Hoofdstuk 2


II. Het afsluiten van de politieke wereld

De volledig gemobiliseerde samenleving, die vorm krijgt in de meest ontwikkelde streken der industriële beschaving, voegt de kenmerken van de verzorgingsstaat (Welfare State) en de oorlogsstaat (Warfare State) samen tot een productief geheel. Vergeleken met haar voorgangers is zij inderdaad een ‘nieuwe samenleving’. Traditionele haarden van onrust worden opgeruimd of geïsoleerd, ordeverstorende elementen tot de orde geroepen. De voornaamste trends zijn bekend: concentratie van de nationale economie op de behoeften der grote concerns, waarbij de regering functioneert als een stimulerende, ondersteunende en soms zelfs controlerende instantie; het verbinden van deze economie met een wereldomspannend systeem van militaire allianties, monetaire overeenkomsten, technische bijstand en ontwikkelingsschema’s; de geleidelijke gelijkschakeling van de hand- en hoofdarbeiders, van de leidinggevende figuren in het zakenleven en in de vakbonden, van vrijetijdsbesteding en ambities in verschillende sociale klassen; het kweken van een vooraf vastgestelde harmonie tussen de wetenschap en het nationale doel; de inbreuk op het particuliere gezinsleven door de alomtegenwoordigheid van de openbare mening en het opengooien van de slaapkamers voor de media van de massacommunicatie.

In de politieke sfeer openbaart deze trend zich door een duidelijke éénwording of convergentie der tegengestelden. Onder bedreiging van een internationaal communisme is in de buitenlandse politiek het vormen van één front tegenover de ander een belangrijker zaak dan de concurrerende groepsbelangen. Dit oefent invloed uit op de binnenlandse politiek, waar in de programma’s van de grote partijen steeds minder verschillen te vinden zijn, zelfs wat betreft de graad van huichelarij en de stank der gemeenplaatsen. De mogelijkheden voor een sociale omwenteling worden in hun kern aangetast, waar deze éénwording der tegengestelden die lagen omvat die de lasten van de vooruitgang van het systeem dragen — d.w.z. juist die klassen die vroeger door hun bestaan de oppositie tegen het systeem als zodanig vorm gaven.

In de VS ziet men de geheime verstandhouding en de alliantie tussen het zakenleven en de georganiseerde arbeiders; in Labor Looks at Labor: A Conversation, in 1963 gepubliceerd door het Center for the Study of Democratic Institutions, wordt ons verteld:

‘Wat er heeft plaatsgegrepen is dit: de vakbond valt in eigen ogen bijna niet meer te onderscheiden van de concerns. Tegenwoordig zien we het verschijnsel dat vakbonden en concerns samen wandelgangpolitiek bedrijven. De vakbond kan er de arbeiders in de raketindustrie niet van overtuigen dat de maatschappij waar ze voor werken een rotbedrijf is, wanneer de vakbond en de maatschappij beide wandelgangpolitiek bedrijven voor grotere raketcontracten en beide andere defensie-industrieën in de streek proberen te krijgen, of wanneer zij gezamenlijk voor het Congres verschijnen en gezamenlijk pleiten voor de bouw van raketten in plaats van bommenwerpers of de fabricatie van bommen in plaats van raketten, naargelang het contract dat ze toevallig hebben lopen.’ De Britse Labour Party, wier leiders concurreren met hun conservatieve tegenhangers in het bevorderen der nationale belangen, heeft de grootste moeite om zelfs maar een bescheiden program van partiële nationalisatie te redden. In West-Duitsland, waar de Communistische Partij bij de wet verboden is, heeft de sociaaldemocratische partij officieel haar marxistische programmapunten afgestoten en bewijst nu op overtuigende wijze haar achtenswaardigheid. Zó ligt de situatie in de belangrijkste industriële landen van het Westen. In het Oosten wijst de geleidelijke vermindering van directe politieke controle erop, dat men steeds meer gaat vertrouwen op de effectiviteit van de technologische controle als een instrument voor overheersing. Wat betreft de sterke communistische partijen in Italië en Frankrijk: ze getuigen van de algemene trend in de omstandigheden door zich te houden aan een minimumprogramma dat de revolutionaire greep naar de macht op de lange baan schuift en zich voegt naar de regels van het parlementaire spel. Hoewel het niet juist is om de Franse en Italiaanse partijen als ‘niet-eigen’ te beschouwen — als zouden ze in stand gehouden worden door een vreemde mogendheid — toch ligt er een niet bedoelde kern van waarheid in die propaganda: zij zijn niet-eigen voor zover zij getuigen zijn van een voorbije (of toekomstige?) geschiedenis in de hedendaagse werkelijkheid. Dat zij erin bewilligen binnen het kader van het gevestigde systeem te werken is niet slechts op tactische gronden gebaseerd en als strategie op korte termijn opgezet, maar vindt eveneens zijn oorzaak in het feit dat hun sociale basis is afgezwakt en hun doeleinden veranderd zijn door de omvorming van het kapitalistische systeem (zoals er een wijziging gekomen is in de doeleinden der Sovjet-Unie, die deze verandering van politiek heeft goedgekeurd). Deze nationale communistische partijen spelen de historische rol van legale oppositiepartijen, ‘veroordeeld’ niet-radicaal te zijn. Ze leggen getuigenis af van de diepte en de reikwijdte der kapitalistische integratie en van een situatie, waarin het kwalitatieve verschil tussen strijdige belangen zich voordoet als kwantitatieve verschillen binnen de bestaande samenleving.

Er schijnt geen diepgaand onderzoek nodig te zijn om de verklaring voor deze ontwikkeling te vinden. Wat betreft het Westen: de vroegere conflicten binnen de samenleving worden gematigd en bijgelegd onder invloed zowel van de technische vooruitgang als van het internationale communisme (welke beide invloeden bovendien in onderling verband staan). De klassenstrijd wordt minder fel en ‘imperialistische contradicties’ worden opgeschort voor de bedreiging van buiten af. Door de mobilisatie tegen deze dreiging toont de kapitalistische samenleving een interne eenheid en samenhang die aan vorige stadia der industriële beschaving onbekend waren. Deze samenhang berust op zeer materiële gronden; mobilisatie tegen de vijand werkt als een machtige stimulans voor productie en werkgelegenheid en maakt zo een hoge levensstandaard mogelijk. Op deze grondslagen wordt een bestuursvorm opgebouwd, waarin depressies in de hand gehouden en conflicten geconsolideerd worden door de aangename resultaten van een groeiende productie en een dreigende atoomoorlog. Is deze consolidatie ‘tijdelijk’ in de zin dat zij niet de wortels aantast der conflicten die Marx vond in het kapitalistische productiesysteem (de tegenstelling tussen particulier eigendom van productiemiddelen en sociale productiviteit), of is zij een omvorming van de antagonistische structuur zelf, waardoor de tegenstellingen draaglijk gemaakt worden en zó hun oplossing vinden? En als het tweede alternatief waar is, hoe verandert dit dan de betrekkingen tussen het kapitalisme en het socialisme waarin de laatste de historische ontkenning van de eerstgenoemde scheen te zijn?

Het inkapselen van de sociale verandering

Marx’ klassieke theorie ziet de overgang van kapitalisme naar socialisme als een politieke revolutie: het proletariaat vernietigt het politieke apparaat van het kapitalisme, maar houdt vast aan het technologisch apparaat en onderwerpt het aan een socialisering. Er is in de revolutie een continuïteit aanwezig: de technologische rationaliteit, bevrijd van irrationele beperkingen en destructieve invloeden, houdt zichzelf staande en perfectioneert zichzelf in de nieuwe samenleving. Het is interessant om een sovjetmarxistische uiteenzetting te lezen omtrent deze continuïteit, die van zo’n buitengewoon belang is voor het begrip socialisme als de onwrikbare ontkenning van het kapitalisme:[1]

‘1. Hoewel de ontwikkeling der technologie onderworpen is aan de economische wetten van elke sociale formatie, gaat zij niet teloor — als andere economische factoren — bij het wegvallen van de wetten der formatie. Wanneer in het revolutieproces de oude productieverhoudingen afgebroken worden, blijft de technologie overeind en zal zich, ondergeschikt aan de economische wetten van de nieuwe economische formatie, blijven ontwikkelen met nog grotere snelheid. 2. In tegenstelling tot de ontwikkeling van de economische basis in antagonistische samenlevingen ontwikkelt de technologie zich niet sprongsgewijs, maar door een geleidelijke aanwas van elementen van een nieuwe kwaliteit, terwijl elementen van de oude kwaliteit verdwijnen. 3. (niet relevant in deze context).’

In het ontwikkelde kapitalisme is de technische rationaliteit, ondanks het irrationeel gebruik ervan, belichaamd in het productieapparaat. Dit is niet alleen van toepassing op gemechaniseerde fabrieken, instrumenten en gemechaniseerde exploitatie van de hulpbronnen, maar heeft ook betrekking op de werkwijze als aanpassing aan en bediening van het machinale proces, zoals die geregeld wordt door ‘de wetenschappelijk verantwoorde bedrijfsvoering’. Noch nationalisatie noch socialisatie brengen op zichzelf verandering aan in het feit dat de technologische rationaliteit een fysieke gestalte heeft aangenomen; integendeel, dit laatste blijft een noodzakelijke voorwaarde voor de socialistische ontwikkeling van alle productiekrachten. Toegegeven, Marx poneerde dat organisatie en leiding van het productieapparaat door de ‘onmiddellijke producenten’ een kwalitatieve omwenteling teweeg zou brengen in de technische continuïteit: nl. productie voor de bevrediging van individuele behoeften zoals die zich vrij ontwikkelen. Naarmate echter het bestaande technische apparaat het publieke en private bestaan op alle terreinen van de samenleving opslokt, — d.w.z. het controlerend en verbindend medium wordt in een politieke wereld die de arbeidersklasse inlijft — in die mate zou de kwalitatieve omwenteling een omwenteling meebrengen in de technologische structuur zelf. En zo’n omwenteling zou vooronderstellen dat de arbeidersklassen tot in de kern van hun bestaan zijn vervreemd van deze wereld, dat zij zich ervan bewust zijn volstrekt niet in deze wereld te kunnen blijven leven, zodat de behoefte aan een kwalitatieve verandering een kwestie van leven of dood is. De ontkenning bestaat dus reeds voordat de omwenteling zelf plaatsgrijpt; het idee dat de bevrijdende historische krachten zich binnen de gevestigde samenleving ontwikkelen is een hoeksteen van Marx’ theorie.[2]

Nu wordt juist dit nieuwe bewustzijn, deze ‘innerlijke ruimte’, deze ruimte voor de transcenderende historische praxis, buitengesloten door een samenleving waarin personen zowel als zaken middel worden in een geheel dat zijn ‘raison d’être’ vindt in de resultaten van zijn overweldigende productiviteit. Haar hoogste belofte is een steeds comfortabeler leven voor een steeds groter aantal mensen die zich — in letterlijke zin — geen voorstelling kunnen maken van een kwalitatief andere wereld van spreken en handelen; immers, het vermogen om de rebellerende verbeelding en pogingen daartoe in te kapselen en te manipuleren is een integrerend deel van de gegeven samenleving. Degenen wier leven een hel is in de welvaartsmaatschappij worden onder de duim gehouden met een onmenselijkheid, die praktijken uit de middeleeuwen en de eerste periode van de moderne tijd doen herleven. Ten aanzien van de andere, minder achtergestelde lieden maakt de samenleving de behoefte aan bevrijding onschadelijk, door die behoeften te bevredigen welke dienstbaarheid aangenaam en misschien zelfs onmerkbaar maken; en zij krijgt dit gedaan in het productieproces zelf. Onder invloed hiervan ondergaan de arbeidersklassen in de ontwikkelde gebieden der industriële beschaving een beslissende omvorming, die het voorwerp van een uitgebreid sociologisch onderzoek is geworden. Ik zal de voornaamste factoren in deze omvorming opnoemen:
1.
Door mechanisatie worden de kwantiteit en de intensiteit der fysieke energie, gebruikt bij de arbeid, voortdurend kleiner. Door deze evolutie krijgt Marx’ begrip arbeider (proletariër) een beduidend andere betekenis. Voor Marx is de proletariër voornamelijk de handarbeider die zijn fysieke energie volledig ópgebruikt in het arbeidsproces, zelfs al werkt hij met machines. De aankoop en het gebruik van deze fysieke energie — onder mensonwaardige omstandigheden — voor het verwerven van meerwaarde door particulieren bracht de afschuwelijke, onmenselijke aspecten der uitbuiting met zich mee; Marx’ begrip stelt de fysieke pijn en ellende der arbeid aan de kaak. Dit is het materiële, tastbare element in de loonslavernij en vervreemding — de fysiologische en biologische dimensie van het klassieke kapitalisme.

‘Gedurende de eeuwen die achter ons liggen was een belangrijke oorzaak van vervreemding het feit dat het menselijk wezen zijn biologische individualiteit in dienst stelde van de technische organisatie: hij bediende de instrumenten; de technische eenheden konden zich alleen dán vormen wanneer ze de mens als bedienaar der instrumenten konden inlijven. Het deformerende van het beroep lag zowel op psychisch als somatisch vlak.’[3]

Hoewel het ontwikkelde kapitalisme de uitbuiting in stand houdt, wijzigt de steeds voortschrijdende arbeidsmechanisatie tegenwoordig de instelling en de status van degene die uitgebuit wordt. Binnen het technologisch geheel blijft gemechaniseerde arbeid, waarin gedurende het grootste deel van de werktijd (zoniet de hele werktijd) automatische en semi-automatische reacties worden gevraagd, als beroep voor het leven een uitputtende, afstompende en onmenselijke slavernij — des te uitputtender vanwege het steeds hogere tempo, de controle over hen die de machines bedienen (eerder dan over het product) en de afzondering der arbeiders van elkaar.[4] Zeker, deze vorm van koeliewerk is kenmerkend voor een onvoltooide, gedeeltelijke automatisering, voor het naast elkaar bestaan van geautomatiseerde, half geautomatiseerde en niet geautomatiseerde afdelingen binnen dezelfde fabriek; maar zelfs onder deze omstandigheden ‘heeft de technologie spanning en/of mentale inspanning in de plaats gesteld van lichamelijke vermoeidheid’.[5] Bij de meer ontwikkelde geautomatiseerde fabrieken wordt de omschakeling van fysieke energie naar technische en mentale bekwaamheden benadrukt:

‘... bekwaamheden van het hoofd veeleer dan van de hand; van de logicus veeleer dan van de handwerksman; van de leiding veeleer dan van de handwerker; van de zenuwen veeleer dan van de spieren; van de monteur veeleer dan van de operator.’[6]

Dit soort dienstbaarheid aan een meester verschilt niet wezenlijk van die van een typist(e), van een kassier in een bank, van een gehaaide handelsvertegenwoordiger(ster) en van een televisieomroeper(ster). Standaardisering en routine maken productieve en niet-productieve baantjes aan elkaar gelijk. De proletariër uit vroeger tijden van het kapitalisme was inderdaad het lastdier dat door de arbeid van zijn lichaam voorzag in de levensbehoeften en de weeldeartikelen, terwijl hijzelf op de vuilnisbelt der armoede leefde. Zo was hij de levende negatie van zijn samenleving.[7] In tegenstelling hiermee is de georganiseerde arbeider in de ontwikkelde gebieden der technologische samenleving een minder opvallende negatie; en zoals alle andere menselijke objecten van de sociale arbeidsverdeling wordt hij langzamerhand ingelijfd in de technologische gemeenschap van gemanipuleerden. Bovendien schijnt op de meest succesvolle terreinen van de automatisering een soort technologische gemeenschap de mensen als nijvere atomen in zich op te nemen. De machine schijnt een bedwelmend ritme in te prenten in degenen die haar bedienen:

‘Algemeen is men het er over eens, dat onderling afhankelijke bewegingen, die door een groep personen worden uitgevoerd en die een ritmisch patroon volgen, bevrediging schenken — geheel los van datgene wat door de bewegingen wordt bewerkstelligd’.[8]

En de sociologische waarnemer gelooft, dat dit een oorzaak is van de geleidelijke ontwikkeling van een ‘algemeen klimaat’ dat ‘zowel voor de productie als voor bepaalde belangrijke soorten van menselijke bevrediging gunstiger’ zal zijn. Hij spreekt over de ‘groei bij elke ploeg van een sterk gevoel van verbondenheid’ en haalt de uitspraak van een arbeider aan: ‘Al met al worden we door de dingen in hun vaart meegesleept’.[9] Deze zin geeft schitterend de wijziging in de mechanische slavernij weer: de machine geeft eerder vaart dan dat zij benauwt en zij geeft vaart aan het menselijke instrument — niet alleen aan zijn lichaam, maar ook aan zijn geest en zelfs aan zijn ziel. Een opmerking van Sartre laat zien hoe diep dit proces gaat:

‘In de eerste tijd van de semi-automatische machines hebben enquêtes aangetoond, dat de gespecialiseerde arbeidsters zich tijdens hun werk lieten gaan in een soort seksuele dagdromen; ze haalden zich de slaapkamer voor de geest, het bed, de nacht, alles wat zich afspeelt in het strikt persoonlijke vlak, binnen de afzondering van het paar dat al het andere heeft buitengesloten. Maar het was de machine in haar, die droomde van liefkozingen... ‘[10] Het machinale proces in de technologische wereld maakt inbreuk op het meest innerlijke eigen, vrije leven en verbindt seksualiteit met arbeid in één onbewust, ritmisch automatisme — een proces dat parallel loopt met de gelijkschakeling der baantjes.


2.
Deze assimilerende tendens is eveneens te bespeuren in de beroepsstratificatie. In de sleutelindustrieën wordt het aantal ‘handarbeiders’ in verhouding tot het aantal ‘hoofdarbeiders’ kleiner; het aantal werknemers buiten de productielijn stijgt.[11] Deze kwantitatieve verandering wijst terug naar een wijziging in de aard van de fundamentele productiemiddelen.[12] Als deel der technologische werkelijkheid in de ontwikkelde fase der mechanisatie is de machine niet: ‘een absolute eenheid, maar slechts een geïndividualiseerde technische werkelijkheid die naar twee kanten openstaat: naar de relatie met de elementen en naar de inter-individuele relaties in het technische geheel.’[13]

Naarmate de machine zelf een systeem van mechanische gereedschappen en relaties wordt en zich op die manier ver uitstrekt over het individuele arbeidsproces heen, geeft zij van haar grotere overheersing blijk door de ‘beroepsautonomie’ van de arbeider te verminderen en door hem te integreren met andere beroepen die in het technische geheel opgenomen zijn en er leiding aan geven. Zeker, vroeger was de ‘beroepsautonomie’ van de arbeider veeleer zijn beroepsslavernij. Maar tegelijkertijd vond in deze speciale wijze van knechting zijn speciale, uit zijn beroep voortvloeiende vermogen tot negatie zijn oorsprong — het vermogen een proces stop te zétten dat dreigde hem als menselijk wezen te vernietigen. Nu verliest de arbeider langzamerhand zijn beroepsautonomie, die hem lid van een klasse maakte die duidelijk onderscheiden was van de andere beroepsgroepen, omdat zij de weerlegging van de gevestigde samenleving belichaamde.

De technologische wijziging die ertoe neigt de machine als individueel productiemiddel, als ‘absolute eenheid’ af te schaffen, schijnt Marx’ idee over de ‘organische samenstelling van het kapitaal’ te ondergraven en daarmee de theorie over het scheppen van meerwaarde. Volgens Marx creëert de machine nooit waarde maar brengt zij alleen maar haar eigen waarde over op het product, terwijl meerwaarde het gevolg blijft van een uitbuiting van levende arbeid. De machine is de belichaming van het menselijk arbeidsvermogen en door haar blijft arbeid die in het verleden werd verricht (dode arbeid) bestaan en bepaalt de levende arbeid. Nu schijnt automatisering de relatie tussen dode en levende arbeid kwalitatief te veranderen; het eindpunt van deze verandering ligt in het tijdstip waarop productiviteit bepaald wordt ‘door de machines, niet door de individuele prestatie’.[14] Bovendien wordt zelfs het meten van de individuele prestatie onmogelijk:

‘Automatisering in de ruimste zin betekent eigenlijk het einde van het meten van de arbeid... Bij automatisering kun je de productie van één enkele man niet meten; je moet nu gewoon het gebruik van het machinepark meten. Als dat gegeneraliseerd wordt tot een soort begrip ... dan is er bv. geen enkele reden meer om een man uur- of stukloon te betalen, d.w.z. er is geen enkele reden meer om het ‘dubbele betaalsysteem’ van salarissen en lonen te handhaven’.[15]

De schrijver van dit rapport, Daniel Bell, gaat verder; hij verbindt deze technologische verandering met het historische systeem der industrialisatie zelf: de betekenis van de industrialisatie kwam niet bij de opkomst der fabrieken aan het licht; zij ‘werd duidelijk uit het meten van de arbeid. Pas wanneer arbeid gemeten kan worden, wanneer je een man aan het karwei kunt koppelen, wanneer je hem in een gareel kunt laten lopen, en zijn prestatie kunt meten in productie-eenheden en je hem stukloon of uurloon kunt uitbetalen, pas dan heb je moderne industrialisatie’.[16]

Wat bij deze technologische wijzigingen op het spel staat is veel meer dan een betaalsysteem, de relatie van de arbeider tot de andere klassen of de organisatie van de arbeid. Wat hier op het spel staat, is de mogelijkheid om juist die instituties waarin industrialisatie zich kon ontwikkelen in overeenstemming te brengen met de technische vooruitgang.


3.
Deze wijzigingen in de aard van het werk en van de productiemiddelen brengen veranderingen aan in de instelling en het bewustzijn van de arbeider; dit komt duidelijk naar voren in de veelbesproken ‘sociale en culturele integratie’ der arbeidersstand in de kapitalistische samenleving. Is dit slechts een verandering van bewustzijn? Het affirmatieve antwoord dat marxisten hier vaak op geven getuigt van een vreemde inconsistentie. Is zo’n fundamentele bewustzijnsverandering te begrijpen, zonder een overeenkomstige verandering in het ‘maatschappelijk bestaan’ aan te nemen? Zo’n interpretatie is strijdig met het feit dat deze verandering verbonden is met de wijziging in het productieproces; en ze blijft hiermee in strijd, zelfs als men een hoge mate van ideologische onafhankelijkheid aanneemt. De gelijkschakeling van behoeften en ambities, van de levensstandaard, van vrijetijdsbesteding, van politiek vloeit voort uit een integratie in de fabriek zelf, in het materiële productieproces. Het is zeer de vraag of men anders dan ironisch kan spreken over een ‘vrijwillige integratie’ (Serge Mallet). In de huidige situatie overheersen de negatieve kenmerken van de automatisering: tempoversnelling, technologische werkeloosheid, versterking van de positie der directie, een groeiende machteloosheid en berusting aan de kant van de arbeiders. De kansen op promotie worden kleiner, daar de directie aan academici de voorkeur geeft.[17] Er zijn echter ook andere trendverschijnselen. Dezelfde technologische organisatie die bij het werk een mechanische gemeenschap schept doet eveneens een grotere onderlinge afhankelijkheid ontstaan die[18] de arbeider integreert in de fabriek. Men bespeurt een ‘gretigheid’ van de kant der arbeiders ‘om aan de oplossing van productievraagstukken bij te dragen’, een ‘verlangen om actief mee te doen en om hun eigen hersens aan het werk te zetten bij technische vraagstukken en productieproblemen, wat duidelijk paste in het beeld der technologie’.[19] In enkele technisch zeer hoog ontwikkelde bedrijven voelen de arbeiders zich zelfs reeds lang nauw verbonden met het bedrijf — een gevolg van ‘medezeggenschap’ in een kapitalistische onderneming dat men herhaaldelijk heeft kunnen vaststellen. Een uitdagende beschrijving, die betrekking heeft op de in hoge mate geamerikaniseerde Caltexraffinaderijen bij Ambès in Frankrijk, kan misschien een karakteristiek van deze trend geven. De arbeiders in de fabriek zijn zich bewust van de banden die hen met het bedrijf verbinden: ‘Professionele, sociale en materiële banden: zoals het vak dat zij in de raffinaderij hebben geleerd, het gewend zijn aan de productieverhoudingen die er heersen, de vele sociale voordelen waar ze in geval van plotselinge dood, ernstige ziekte, arbeidsinvaliditeit en ouderdom op kunnen rekenen alleen al omdat ze bij het bedrijf horen en waardoor de zekerheid omtrent de toekomst eveneens geldt voor de dagen ná de productieve periode van hun leven. Zo brengt het idee van een levende en onverbrekelijke band met de “Caltex” hen ertoe, zich met een onverwachte aandacht en een verrassend inzicht bezig te houden met het financieel beleid van het bedrijf. De afgevaardigden in de “Comités d’entreprise” pluizen de boekhouding der maatschappij na met de angstvallige aandacht die nauwgezette aandeelhouders eraan besteden. De directie van de Caltex mag zich zeker in de handen wrijven wanneer de vakbonden bereid zijn hun looneisen uit te stellen vanwege de noodzaak om nieuwe investeringen te doen. Maar ze begint tekenen van “legitieme” bezorgdheid te vertonen, wanneer de afgevaardigden, die de gefingeerde balansen van het Franse filiaal voor waar aannemen, moeilijkheden gaan maken over “onvoordelige” transacties die deze heeft afgesloten en wanneer zij de brutaliteit hebben om vragen te stellen over de productiekosten en om bezuinigingsmaatregelen voor te stellen!’[20]


4.
Op deze manier wordt door de nieuwe technologische arbeidswereld de negatieve positie van de werkende klasse verzwakt: deze schijnt niet meer de levende contradictie van de bestaande samenleving te zijn. Deze trend wordt versterkt door de gevolgen van de technologische productieorganisatie aan de andere kant van het hek, aan de kant van de leiding en directie. Overheersing is omgezet in bestuur.[21] De kapitalistische bazen en eigenaars verliezen langzamerhand hun identiteit als diegenen die verantwoordelijk zijn voor de gang van zaken; zij nemen de functie van bureaucraten in één grote machinerie op zich. In de uitgebreide hiërarchie van uitvoerende en leidinggevende raden die zich — ver over het bedrijf zelf heen — uitstrekt tot in het wetenschappelijk laboratorium en het instituut voor wetenschappelijk onderzoek, tot in de landsregering en het nationale streven — in deze hiërarchie verdwijnt de tastbare oorsprong der uitbuiting achter het rookgordijn der objectieve rationaliteit. Haat en frustratie worden van hun speciale doelwit beroofd en de technologische voorhang verhult het wederom in leven roepen van ongelijkheid en slavernij.[22] Door middel van de technische vooruitgang wordt de onvrijheid — in de betekenis van onderwerping van de mens aan zijn productieapparaat — in stand gehouden en versterkt in de vorm van vele vrijheden en allerlei gemakken. Het nieuwe is gelegen in de overweldigende rationaliteit in deze irrationele onderneming en in de ingrijpende conditionering die aan de instinctieve lusten en aspiraties der individuen vorm geeft en het verschil tussen het onechte en het echte bewustzijn verdoezelt. Want in feite is noch het gebruik van een netwerk van bestuurlijke in plaats van fysieke controle (honger, persoonlijke afhankelijkheid, geweld), noch de verandering in de aard van het zware werk, noch de gelijkschakeling der beroepsklassen, noch de gelijkstelling als consument, in feite is niets van dit alles een compensatie voor het feit dat er over leven en dood, over persoonlijke en nationale veiligheid beslist wordt op plaatsen waar de individuen geen invloed kunnen uitoefenen. De slaven der ontwikkelde industriële beschaving zijn op een gesublimeerde wijze slaaf, maar het zijn slaven; slavernij wordt immers bepaald ‘niet door de gehoorzaamheid noch door de zwaarte van het werk, maar door het instrument zijn en door de reductie van de mens tot de staat van een ding’.[23]

Dát is dienstbaarheid in zijn meest zuivere vorm: als instrument, als ding bestaan. En deze bestaanswijze verdwijnt niet als het ding bezield is en zijn materiële en intellectuele voedsel kiest, als het zijn ding-zijn niet voelt, als het een aardig, net, beweeglijk ding is. Omgekeerd worden de organisatoren en bestuurders zelf steeds meer afhankelijk van de machinerieën die zij organiseren en besturen, omdat deze verzakelijking krachtens zijn technologische gestalte erop gericht is alles te omvatten. En deze wederzijdse afhankelijkheid is niet meer de dialectische relatie tussen meester en knecht, die verbroken is in de strijd om wederzijdse erkenning, maar veeleer een vicieuze cirkel die zowel meester als knecht insluit. Heersen de technici of ligt hun bewind in de handen van anderen die steunen op de technici als degenen die hun plannen ontwerpen en uitvoeren?

‘... door de druk die de in hoge mate technologische bewapeningswedloop van tegenwoordig uitoefent zijn het initiatief en de macht tot kritieke beslissingen de verantwoordelijke regeringsfunctionarissen uit handen genomen en gelegd in de handen der technici, “planners” en geleerden, die in dienst van grote industriële machten staan en verantwoordelijk zijn voor de belangen van hun werkgevers. Het is hun taak om nieuwe bewapeningssystemen uit te denken en er de militair van te overtuigen dat de toekomst van zijn beroep, evenals dat van het land, afhangt van het kopen van wat ze nu weer bedacht hebben’.[24]

Zoals de producerende bedrijven op het leger steunen voor hun zelfbehoud en groei, zo steunt het leger weer op de ondernemingen ‘niet alleen voor de wapenleveranties, maar ook voor de kennis omtrent de wapenen waarover hij moet kunnen beschikken, de kosten die daaraan verbonden zijn en de leveringstermijn’.[25] Een vicieuze cirkel schijnt inderdaad het juiste beeld te zijn voor een samenleving die zichzelf uitbreidt en voortdrijft in haar eigen vooraf bepaalde baan — gestuwd door de groeiende behoeften die zij schept en (tegelijkertijd) inkapselt.

De vooruitzichten der inkapseling

Bestaat er enige hoop dat deze keten van stijgende productiviteit en onderdrukking doorbroken zal worden? Om hierop te kunnen antwoorden moeten we de huidige ontwikkeling in de toekomst projecteren, waarbij we er van uit gaan dat we te doen hebben met een betrekkelijk normale evolutie, d.w.z. waarbij we de zeer reële kans op een atoomoorlog buiten beschouwing laten. In deze veronderstelling is de vijand ‘permanent’ — d.w.z. het communisme blijft co-existeren met het kapitalisme. Tegelijk blijft dit laatste in staat de levensstandaard te behouden en zelfs te verhogen voor een steeds groter deel van de bevolking — ondanks en dankzij een versnelde productie van vernietigingswapens en methodische verspilling van hulpbronnen en mogelijkheden. Hiertoe heeft het zich immers ook ondanks en dankzij twee wereldoorlogen en de onmetelijke fysieke en intellectuele teruggang die de fascistische systemen hebben veroorzaakt in staat getoond.

De materiële basis voor deze geschiktheid blijft aanwezig in de vorm van:
a. de voortschrijdende arbeidsproductiviteit (technische vooruitgang);
b. het stijgende geboortecijfer bij de aanwezige bevolking;
c. een economie die blijvend aan de defensie gekoppeld is;
d. de economisch-politieke integratie der kapitalistische landen en het opbouwen van hun betrekkingen met de onderontwikkelde gebieden.

Maar het permanente conflict tussen de productiemogelijkheden van de samenleving en het destructieve en oppressieve gebruik ervan zou grotere inspanning vergen om de eisen van het apparaat aan de bevolking op te dringen — om overcapaciteit weg te werken, om de goederen die met winst verkocht moeten worden te doen kopen en het verlangen op te roepen om voor de productie en afzetbevordering ervan te werken. Zo tendeert het systeem zowel naar totaal bestuur als naar totale afhankelijkheid van dit bestuur bij de leidinggevende functionarissen in de openbare en particuliere sector. De vooraf bepaalde overeenstemming tussen de belangen van de grote openbare en particuliere bedrijven en die van hun klanten en personeel wordt zodoende bestendigd. Noch partiële nationalisatie noch een uitbreiding van winstdeling en inspraak van de arbeiders in de bedrijfsleiding zouden op zichzelf dit systeem van overheersing wijzigen — zolang de arbeidersstand zelf een steunpilaar en een bevestigende kracht ervan blijft.

Er zijn centrifugale tendensen, zowel van binnen uit als van buiten af. Eén ervan is inherent aan de technische vooruitgang, nl. de automatisering. Ik heb gesuggereerd, dat de groeiende automatisering meer is dan alleen een kwantitatieve groei der mechanisatie — dat zij een wijziging is in de aard van de fundamentele productiekrachten.[26] Het heeft er alle schijn van, dat een automatisering die tot het uiterste der technische mogelijkheden doorgevoerd wordt niet kan samengaan met een samenleving die gebaseerd is op de particuliere uitbuiting van menselijke werkkracht in het productieproces. Reeds bijna een eeuw voordat de automatisering werkelijkheid werd zag Marx haar explosieve toekomst onder ogen:

‘Naarmate de grote industrie zich ontwikkelt, hangt het scheppen van werkelijke rijkdom minder af van de werktijd en de hoeveelheid verrichte arbeid dan van het vermogen der instrumentaliteiten (“Agentien”), die gedurende de werktijd in beweging worden gebracht. Deze instrumentaliteiten en hun machtige doelmatigheid staan in geen enkele verhouding tot de onmiddellijke werktijd die voor hun productie nodig is; hun doelmatigheid hangt veel meer af van het bereikte niveau in wetenschap en technologische vooruitgang, m.a.w. van de toepassing van deze wetenschap op de productie ... Dan verschijnt de arbeid van de mens niet langer als ingesloten in het productieproces — de mens verhoudt zichzelf tot het productieproces veeleer als bewaker en regulator (“Wächter und Regulator”) ... Hij staat buiten het productieproces in plaats van de voornaamste agens in het productieproces te zijn ... Bij deze omvorming steunt de productie en de rijkdom niet meer voornamelijk op de onmiddellijke arbeid door de mens zelf verricht, maar op de toe-eigening van zijn eigen algemene productiviteit (“Productivkraft”), d.w.z. zijn kennis van en zijn heerschappij over de natuur door zijn maatschappelijk bestaan — in één woord: de ontplooiing van het maatschappelijk individu (“des gesellschaftlichen Individuums”). De diefstal van andermans werktijd, waarop tegenwoordig de [sociale] rijkdom nog rust, lijkt dan een armzalige basis, vergeleken met de nieuwe basis die door de grote industrie zelf is geschapen. Zodra de arbeid van de mens, in haar onmiddellijke vorm, niet meer de voornaamste bron van rijkdom is, zal en kan de werktijd geen maatstaf voor rijkdom en zal en kan de ruilwaarde geen maatstaf voor de gebruikswaarde meer zijn. De meerarbeid van de massa [der bevolking] is dan niet meer de voorwaarde voor de ontplooiing van sociale rijkdom (“des allgemeinen Reichtums”) en de leegloperij van weinigen niet meer de voorwaarde voor de ontplooiing van de algemene intellectuele vermogens van de mens. De productiemethode die op de ruilwaarde steunt stort aldus ineen ...’[27]

Automatisering schijnt inderdaad de grote katalysator van de hoogindustriële samenleving te zijn. Het is in de materiële grondslag van de kwalitatieve verandering een katalysator die al dan niet tot een explosie kan leiden, het technische instrument om kwantiteit te doen omslaan in kwaliteit. Want in het sociale proces der automatisering komt de omvorming, of liever gezegd de wezensverandering van de werkkracht tot uitdrukking, waarbij deze laatste, los van het individu, een onafhankelijk producerend object en aldus zelf een subject wordt.

Zodra automatisering het proces der materiële productie zou worden, zou dit de gehele samenleving totaal vernieuwen. De verzakelijking van de menselijke werkkracht, tot de uiterste volmaaktheid doorgevoerd, zou de verzakelijkte vorm te niet doen, doordat de ketenen zouden worden geslaakt die het individu aan de machinerieën binden — het mechanisme waarmee zijn eigen werk hem tot een slaaf maakt. Volledige automatisering in het rijk van de noodzaak zou het terrein der vrije tijd ontsluiten als de dimensie waarin het privé-leven en het maatschappelijk bestaan van de mens zich zouden vormen. Dit zou de historische transcendentie naar een nieuwe beschaving betekenen.

In de huidige fase van het hoogontwikkelde kapitalisme stellen de georganiseerde arbeiders zich terecht te weer tegen automatisering zonder aanvullende werkgelegenheid. Zij eisen het gebruik op grote schaal van menselijke werkkracht in de materiële productie en protesteren zó tegen technische vooruitgang. Door dit te doen stellen zij zich echter eveneens op tegen een meer efficiënte kapitaalsbesteding; zij belemmeren verhoogde inspanningen om de arbeidsproductiviteit te vergroten. M.a.w. een blijvende stop op de automatisering zal de nationale en internationale concurrentiepositie van het kapitaal ongunstig kunnen beïnvloeden, een langdurige depressie kunnen veroorzaken en dientengevolge het conflict tussen de klassenbelangen nieuw leven in kunnen blazen.

Deze mogelijkheid wordt steeds reëler naarmate de strijd tussen het kapitalisme en het communisme zich verplaatst van het militaire naar het sociale en economische terrein. Door de macht van het alomvattende bestuur kan de automatisering in het Sovjetsysteem sneller voortgang vinden, als eenmaal een zeker technisch peil is bereikt. Deze bedreiging van haar internationale concurrentiepositie zou de westerse wereld ertoe kunnen dwingen spoed te zetten achter de rationalisatie van haar productieproces. Zo’n rationalisatie stuit op hevige weerstand van de kant van de vakbonden, maar deze weerstand gaat niet vergezeld van politieke radicalisatie. In de VS tenminste gaat de leiding der vakbonden in haar doelstellingen en hulpmiddelen niet buiten het kader dat het nationale belang en het groepsbelang gemeen hebben, waarbij dit laatste zich aan het eerste onderwerpt of eraan onderworpen is. Deze centrifugale krachten zijn nog steeds binnen dit kader op te vangen.

Ook hier betekent de vermindering van de menselijke werkkracht in het productieproces een vermindering van de politieke macht der oppositie. Gezien de toenemende nadruk op het element van de hoofdarbeiders in dit proces zou politieke radicalisatie gepaard moeten gaan aan de opkomst van een onafhankelijke politieke bewustwording en daadkracht bij de hoofdarbeidersgroepen — een nogal onwaarschijnlijke ontwikkeling in de hoogindustriële samenleving. De intensieve actie om de steeds belangrijker wordende groep van hoofdarbeiders in industriële vakbonden te organiseren[28] zou — als er al enig succes op volgt — een groei van het vakbondsbewustzijn in deze groep ten gevolge kunnen hebben, maar nauwelijks een politieke radicalisatie ervan.

‘Politiek gezien zal het feit dat meer hoofdarbeiders lid zijn van de vakbonden de liberale en socialistische woordvoerders een kans geven meer waarheidsgetrouw “de belangen der arbeiders” te identificeren met die van de gemeenschap in haar geheel. De massale basis der georganiseerde arbeiders als pressiegroep zal verder worden uitgebreid en woordvoerders der vakbonden zullen onvermijdelijk betrokken worden bij meer verstrekkende afspraken over de nationale politieke economie’.[29]

Of de inkapseling van de centrifugale tendensen in de toekomst vlot zal verlopen hangt onder deze omstandigheden in eerste instantie af van het vermogen der gevestigde belangengroepen om zichzelf en hun economie aan te passen aan de eisen van de verzorgingsstaat. Tot deze eisen behoren: een in hoge mate toegenomen overheidsbesteding en bemoeiing, het ontwerpen van richtlijnen op nationaal en internationaal niveau, een meer uitgebreid program voor ontwikkelingshulp, alles omvattende sociale verzekeringen en overheidswerken op grote schaal, misschien zelfs gedeeltelijke nationalisatie.[30] Ik denk dat de heersende belangengroepen geleidelijk en met vele aarzelingen deze eisen zullen onderkennen en hun prerogatieven aan een meer doelmatige macht zullen afstaan.

Als wij nu kijken naar de toekomst der inkapseling van de sociale omwenteling in dat andere systeem van industriële beschaving, de Sovjetsamenleving,[31] zien wij ons van meet af aan geconfronteerd met het feit dat in twee opzichten een vergelijking onmogelijk is: a. Chronologisch: de Sovjetsamenleving bevindt zich in een vroeger stadium der industrialisatie, met grote sectoren nog in de pretechnologische fase. b. Structureel: haar economische en politieke instituties vertonen wezenlijke verschillen (volledige nationalisatie en dictatuur).

Het onderlinge verband tussen deze twee aspecten maakt de moeilijkheden bij de analyse nog groter. De historische achterstand stelt de Sovjetindustrialisatie niet alleen in staat, maar dwingt haar ertoe, te werk te gaan zónder geplande verspilling en veroudering, zónder de beperkingen die door de winstbelangen der particulieren aan de productiviteit worden opgedrongen, en mét een planning waarbij nog onbevredigde levensbehoeften pas bevredigd worden na en misschien zelfs wel tegelijkertijd met de militaire en politieke behoeften die de voorrang krijgen. Is deze grotere rationaliteit der industrialisatie slechts het kenmerk en voordeel van een historische achterstand, die waarschijnlijk wel weer verdwijnt als het hogere niveau bereikt is? Maakt dezelfde historische achterstand het aan de andere kant noodzakelijk, dat — vanwege de beperkingen die de co-existentie en de wedijver met het ontwikkelde kapitalisme met zich meebrengt — alle hulpmiddelen volledig door een dictatoriaal bewind worden ontwikkeld en beheerst? En zou de Sovjetsamenleving, nadat zij het doel: ‘inhalen en passeren’ heeft bereikt, in staat zijn de teugels der totalitaire controle zódanig te laten vieren, dat er een kwalitatieve verandering plaats kan grijpen?

Het argument der historische achterstand — volgens welke redenering bevrijding, in de gegeven situatie van materiële en intellectuele onvolwassenheid, noodzakelijkerwijs met geweld en door een krachtige leiding doorgevoerd moet worden — is niet slechts de kern van het sovjetmarxisme, maar staat eveneens centraal in de betogen der theoretici der ‘opvoedkundige dictatuur’ vanaf Plato tot en met Rousseau. Men kan het gemakkelijk belachelijk maken maar moeilijk weerleggen, omdat het de verdienste heeft zonder veel schijnheiligheid de omstandigheden (materieel en intellectueel) te onderkennen die ertoe meewerken dat echte en intelligente zelfbeschikking wordt belemmerd. Bovendien ontmaskert het argument die repressieve vrijheidsideologie volgens welke, menselijke vrijheid kan opbloeien in een leven van zware arbeid, armoede en domheid. Inderdaad, de samenleving moet eerst de materiële voorwaarden, noodzakelijk voor de vrijheid, vervullen voor al haar leden, voordat zij een vrije samenleving kan zijn; zij moet eerst de rijkdom scheppen voordat ze die kan verdelen naar de zich vrij ontplooiende individuele behoeften; zij moet eerst haar slaven in staat stellen te leren kennen, zien en denken vóór deze kunnen weten wat er gaande is en wat zijzelf kunnen doen om dit te veranderen. En naarmate de slaven meer geconditioneerd zijn om als slaven te leven en met die rol tevreden te zijn, in die mate schijnt het noodzakelijk dat hun bevrijding van buiten en boven af komt. Zij moeten worden ‘gedwongen vrij te zijn’, ‘de dingen te zien zoals ze zijn en soms zoals ze er uit zouden moeten zien’, ze moeten gewezen worden op ‘de goede weg’ waarnaar ze op zoek zijn.[32]

Maar deze redenering — hoeveel waars er ook in zit — kan toch geen antwoord geven op de traditionele vraag: wie voedt de opvoeders op en waarin ligt de garantie dat zij ‘het goede’ in bezit hebben? Deze vraag blijft zinvol, ook als men beweert dat zij eveneens gesteld kan worden omtrent bepaalde democratische regeringsvormen, waarbij de fatale beslissingen inzake wat goed is voor de natie worden genomen door gekozen vertegenwoordigers (of liever goedgekeurd door gekozen vertegenwoordigers) — gekozen onder alle beperkende omstandigheden die een effectieve en vrijwillig aanvaarde indoctrinatie met zich meebrengt. En toch is het enige excuus (en hoe zwak is dat!) voor een ‘opvoedkundige dictatuur’ dit, dat het afschuwelijke gevaar dat eraan verbonden is niet afschuwelijker kan zijn dan het risico dat de grote liberale samenlevingen (evengoed als de autoritaire) nu nemen, en dat ook de kosten niet veel hoger kunnen liggen.

In tegenspraak met de naakte feiten en de ideologie legt de dialectische logica er echter de nadruk op, dat de slaven vrij tegenover hun bevrijding moeten staan vóórdat ze vrij kunnen worden, en dat het doel reeds in de middelen om het te bereiken moet doorwerken. Marx’ bewering dat de bevrijding van de arbeidersstand het werk van de arbeidersstand zelf moet zijn, geeft dit a priori te kennen. Het socialisme moet bij het eerste bedrijf van de revolutie werkelijkheid worden, omdat het reeds aanwezig moet zijn in het bewustzijn en het handelen van degenen op wie de revolutie steunt.

Weliswaar is gedurende een ‘eerste fase’ in de socialistische opbouw de nieuwe samenleving ‘nog getekend door de geboortevlekken der oude samenleving uit wier schoot zij voortkomt’[33], maar de kwalitatieve verandering van de oude naar de nieuwe samenleving had plaats toen deze fase werd ingeluid. Volgens Marx wordt de ‘tweede fase’ letterlijk geconstitueerd in de eerste fase. De kwalitatief nieuwe levenswijze die door de nieuwe productiemethode wordt opgeroepen komt naar voren in de socialistische revolutie, die het einde is en aan het einde staat van het kapitalistisch systeem. De socialistische opbouw begint met de eerste fase der revolutie.

Volgens dezelfde redenering wordt de overgang van ‘loon naar werk’ naar ‘loon naar behoefte’ bepaald door de eerste fase — niet alleen door het leggen van de technologische en materiële basis, maar eveneens door de wijze waarop deze wordt gelegd (en dat geeft de doorslag!). Wanneer de controle over het productieproces in de handen der ‘onmiddellijke producenten’ wordt gelegd zet — zo meent men — de ontwikkeling in, die de scheidslijn vormt tussen de geschiedenis van de vrije mens en de prehistorie van de mens. Hier begint de samenleving waarin wat voorheen objecten van productiviteit waren voor het eerst menselijke individuen worden, die plannen maken omtrent en gebruik maken van hun arbeidsmiddelen om in hun eigen menselijke behoeften te voorzien en hun eigen talenten te ontplooien. Voor de eerste keer in de geschiedenis zouden mensen vrij en collectief handelen onder en tegen de dwang van de nooddruft die hun vrijheid en menselijkheid inperkt. Daarom zou iedere onderdrukking opgelegd door wat noodzakelijk is een werkelijk zelfopgelegde noodzaak zijn. De feitelijke ontwikkeling in de hedendaagse communistische samenleving verschuift (of is door de internationale toestand gedwongen te verschuiven) de kwalitatieve verandering in tegenstelling tot deze opvatting naar de tweede fase; en de overgang van het kapitalisme naar het socialisme verschijnt ondanks de revolutie toch nog als een kwantitatieve verandering. De knechting van de mens door zijn arbeidsmiddelen blijft bestaan in een zeer gerationaliseerde, uiterst efficiënte en veelbelovende vorm.

De situatie van een vijandige co-existentie mag dan de terroristische trekken der stalinistische industrialisatie verklaren, zij zette eveneens die krachten in beweging die de tendens vertonen om de technische vooruitgang als een middel tot overheersing te bestendigen; de middelen beslissen over het doel. Gesteld wederom dat de ontwikkeling in de techniek niet zal worden afgebroken door een atoomoorlog of een andere ramp, dan zal de technologische vooruitgang leiden tot een voortdurende stijging van de levensstandaard en een toenemende verslapping van het controlesysteem. De genationaliseerde economie zou de productiviteit van arbeidsvermogen en kapitaal kunnen benutten zonder structurele weerstand[34], terwijl zij de werktijden aanzienlijk zou kunnen bekorten en het dagelijks leven veraangenamen. En dit alles zou zij kunnen bereiken zonder de greep van het totale bestuur over het volk te laten verslappen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat technische vooruitgang plus nationalisatie een ‘automatische’ bevrijding en vrijlating van de krachten der negatie zouden betekenen. Integendeel, de tegenstelling tussen de groeiende productiekrachten en de knechtende organisatie ervan — zelfs door Stalin openlijk als een kenmerk der sovjet-socialistische ontwikkeling erkend[35] — wordt waarschijnlijk eerder verzwakt dan verscherpt. Hoe beter de overheersers in staat zijn consumptiegoederen af te leveren, des te sterker zullen de onderworpenen gebonden worden aan de verschillende heersende bureaucratieën.

Maar terwijl deze toekomst der inkapseling van de kwalitatieve verandering in het sovjetsysteem parallel schijnt te lopen aan die in de ontwikkelde kapitalistische samenleving, brengt de socialistische productiebasis een doorslaggevend verschil aan het licht. In het sovjetsysteem houdt de organisatie van het productieproces zeer zeker de controle over de productiemiddelen uit de handen van de ‘onmiddellijke producenten’ (de arbeiders) en hierdoor worden, tot in de basis van het systeem, klassenverschillen opgeroepen. Deze scheiding kwam tot stand door een politieke beslissing en machtsvorming na het korte ‘heldentijdperk’ der bolsjewistische revolutie en is sindsdien bestendigd. Maar toch is zij niet de motor van het productieproces zelf; ze is niet inherent aan dit proces zoals de scheiding van kapitaal en arbeid die voortvloeit uit het particuliere bezit der productiemiddelen dit is. Dientengevolge zijn de heersende lagen op zichzelf af te zonderen van het productieproces — d.w.z. zij kunnen vervangen worden zonder dat de fundamentele instituties der samenleving worden vernietigd.

Dit is de halve waarheid die schuilgaat in de sovjetmarxistische stelling dat de huidige tegenstellingen tussen de ‘achtergebleven productiebetrekkingen en de aard der productiekrachten’ zonder moeilijkheden opgelost kunnen worden en dat de ‘overeenstemming’ tussen deze twee factoren door een ‘geleidelijke verandering’ tot stand kan komen.[36] De andere helft van de waarheid is, dat de kwantitatieve verandering nog steeds gewijzigd zou moeten worden in een kwalitatieve verandering, in het verdwijnen van de Staat, de Partij, het Plan, enz. als onafhankelijke machten die aan de individuen opgedrongen worden. In zoverre deze verandering de materiële basis van de samenleving (het genationaliseerde productieproces) intact zou laten, zou zij beperkt blijven tot een politieke revolutie. Als zij zou kunnen leiden tot zelfbeschikking juist wat betreft de basis van het menselijk bestaan, nl. in de dimensie van de noodzakelijke arbeid, zou zij de meest radicale en de meest volledige revolutie in de geschiedenis zijn. Verdeling der levensbehoeften ongeacht verrichte arbeid, werkverkorting tot een minimum, algemene alzijdige opvoeding gericht op verwisselbaarheid der functies — dit zijn de eerste voorwaarden voor, maar niet de inhoud van de zelfbeschikking. Terwijl het scheppen van deze eerste voorwaarden nog het werk mag zijn van een zich opleggend bestuur, zou het doorwerken ervan het einde van dit bestuur betekenen. Zeker, een volwassen en vrije industriële samenleving zou afhankelijk blijven van een arbeidsverdeling welke ongelijkheid van functies met zich meebrengt. Een dergelijke ongelijkheid wordt noodzakelijk gemaakt door werkelijke sociale behoeften, door technische eisen en door fysieke en mentale verschillen tussen de individuen. De leidinggevende en toezichthoudende functies zouden echter niet langer het privilege inhouden, te heersen over de levens van anderen om een of ander particulier belang veilig te stellen. De overgang naar een dergelijke situatie is veeleer een revolutionair dan een evolutionair proces, zelfs op de grondslag van een geheel genationaliseerde en geplande economie.

Mag men aannemen dat het communistisch systeem in zijn gevestigde vorm de voorwaarden die zo’n overgang mogelijk maken zal scheppen (of liever gedwongen zal worden deze te scheppen door de internationale strijd)? Er bestaan krachtige argumenten die tegen deze veronderstelling pleiten. Eén hiervan wijst op de sterke weerstand die de verschanste bureaucratie zou bieden — een weerstand die haar bestaansreden vindt in precies dezelfde omstandigheid welke de drijfkracht vormt om de eerste voorwaarden voor een bevrijding te scheppen, nl. de concurrentie op leven en dood met de kapitalistische wereld.

Men kan het idee van een aangeboren ‘machtsdrift’ in de menselijke natuur verwaarlozen. Dit is een uiterst dubieus psychologisch begrip en volledig onbruikbaar bij de analyse van een maatschappelijke ontwikkeling. De vraag is niet of de communistische bureaucratieën hun bevoorrechte posities zouden ‘opgeven’ als eenmaal het niveau van een mogelijke kwalitatieve verandering is bereikt, maar of ze in staat zullen zijn het bereiken van dit niveau te voorkómen. Om dat succes te behalen moeten zij de materiële en intellectuele vooruitgang stopzetten op een tijdstip waarop overheersing nog rationeel en nuttig is, waarop de onderworpenen nog gebonden kunnen worden aan de baantjes en het staatsbelang of aan andere gevestigde instituties. Wederom schijnt hier de doorslaggevende factor te zijn: de wereldsituatie met de co-existentie die reeds lang een factor vormt in de interne situatie der twee tegenover elkaar opgestelde samenlevingen. De behoefte aan een onbeperkt gebruik van de technische vooruitgang en de noodzaak om het voortbestaan te verzekeren d.m.v. een hogere levensstandaard blijkt misschien sterker dan de weerstand der gevestigde bureaucratieën.

Ik zou hier graag enkele opmerkingen aan toe willen voegen omtrent de vaak verkondigde mening, dat de nieuwe ontwikkeling in de achtergebleven landen niet slechts de vooruitzichten van de hoogindustriële landen zou wijzigen, maar zelfs een ‘derde macht’ zou doen ontstaan, die misschien zou kunnen uitgroeien tot een relatief onafhankelijke macht. In de terminologie van de voorgaande uiteenzetting: bestaat er enig bewijs, dat de vroegere koloniale of halfkoloniale gebieden een manier van industrialisatie zouden kunnen vinden die essentieel verschilt van het kapitalisme en het huidige communisme? Zijn er in de inheemse cultuur en traditie van deze gebieden aanwijzingen voor zo’n alternatief? Ik zal mijn opmerkingen beperken tot modellen van achtergebleven gebieden waar het proces der industrialisatie reeds op gang is — d.w.z. tot landen waar industrialisatie naast een onaangetaste pre- en anti-industriële cultuur voorkomt (India, Egypte).

Deze landen storten zich in het avontuur van de industrialisatie met een bevolking die niet vertrouwd is gemaakt met de waarden der zichzelf opdrijvende productiviteit, doelmatigheid en technologische rationaliteit. Anders geformuleerd, met een bevolking waarvan de overgrote meerderheid nog niet omgevormd is tot een arbeidersstand, gescheiden van de productiemiddelen. Zijn deze omstandigheden gunstig voor een nieuw samengaan van industrialisatie en bevrijding — voor een essentieel andere wijze van industrialisatie, die het productieapparaat zou opbouwen niet alleen in overeenstemming met de levensbehoeften der onderworpenen, maar eveneens met het doel de strijd om het bestaan te pacificeren?

De industrialisatie in deze achtergebleven gebieden grijpt niet plaats in een vacuüm. Zij geschiedt in een historische situatie waarin het sociale kapitaal, dát nodig is voor de allereerste accumulatie, grotendeels van buiten af verkregen moet worden, van het kapitalistische of communistische blok — of van beide. Bovendien veronderstelt men in het algemeen, dat het om onafhankelijk te blijven noodzakelijk zou zijn, dat er snel geïndustrialiseerd wordt en dat er snel een productiepeil bereikt wordt dat een althans betrekkelijke autonomie in de concurrentie met de twee reuzen zou garanderen.

Onder deze omstandigheden moeten bij de omvorming van onderontwikkelde samenlevingen tot industriële de pretechnologische vormen zo snel mogelijk afgedankt worden. Dit geldt juist voor die landen waar zelfs de meest belangrijke levensbehoeften van de bevolking nog lang niet bevredigd worden, waar de afschuwelijk lage levensstandaard allereerst schreeuwt om massale hoeveelheden, om gemechaniseerde en gestandaardiseerde massaproductie en distributie. En in deze zelfde landen biedt het dode gewicht der pretechnologische en zelfs pre-‘bourgeois’ gewoonten en toestanden krachtig weerstand aan zo’n van bovenaf opgelegde ontwikkeling. Het machinale proces (sociaal gezien) eist gehoorzaamheid aan een systeem van anonieme machten — algehele secularisatie en vernietiging van waarden en instituties welker ontheiliging nog nauwelijks is ingezet. Mag men redelijkerwijs aannemen dat, onder de druk van de twee grote systemen van totaal technologisch bestuur, het opheffen van deze weerstand zal plaatsvinden in een liberale en democratische vorm? Dat de onderontwikkelde landen de sprong in de historie kunnen maken van een pretechnologische naar een post-technologische samenleving, waarin het overwonnen technologische apparaat de grondslag voor een echte democratie zal kunnen vormen? Integendeel, het ziet er meer naar uit, dat de van hogerhand opgelegde ontwikkeling in deze landen een periode van totaal bestuur zal veroorzaken, dat gewelddadiger en dwingender zal zijn dan dat welke de ontwikkelde samenlevingen hebben meegemaakt, die immers konden voortbouwen op de resultaten van de liberale periode. Kort gezegd: de achtergebleven gebieden zullen waarschijnlijk ten prooi vallen aan een van de diverse vormen van neokolonialisme, of aan een min of meer terroristisch systeem van allereerste accumulatie. Er schijnt echter nog een alternatief mogelijk te zijn.[37] Als industrialisatie en het invoeren van de technologie in de achtergebleven landen sterke weerstanden oproepen bij de inheemse en traditionele werk en leefwijzen — een weerstand die zelfs niet bij het zeer concrete vooruitzicht van een beter en gemakkelijker leven wordt opgegeven —, zou dan deze pretechnologische traditie zelf misschien een uitgangspunt voor vooruitgang en industrialisatie kunnen opleveren?

Voor een dergelijke inheemse vooruitgang zou een gepland beleid nodig zijn dat, in plaats van de technologie op te dringen aan de traditionele werk- en leefwijzen, deze met behoud van hun eigen grondslagen zou uitbreiden en verbeteren. Hierbij zouden dan die materiële en godsdienstige krachten uitgeschakeld moeten worden die tot onderdrukking en uitbuiting leiden en die de traditionele leef- en werkwijzen ongeschikt maken om de ontwikkeling van een menselijk bestaan te verzekeren. Sociale revolutie, landbouwhervorming en vermindering der overbevolking zouden noodzakelijke voorwaarden zijn; maar niet een industrialisatie volgens het patroon der ontwikkelde samenleving. Inderdaad schijnt er een inheemse vooruitgang mogelijk in gebieden waar de natuurlijke hulpbronnen, indien ze niet meer in beslag genomen worden door onderdrukkende machten, nog toereikend zijn niet alleen voor het levensonderhoud maar zelfs voor een menswaardig bestaan. En waar ze dit niet zijn, zouden ze daar niet toereikend gemaakt kunnen worden door de geleidelijke en incidentele hulp van de technologie binnen het kader der traditionele vormen?

Als dit het geval is, dan zou er een toestand ontstaan die de oude en ontwikkelde industriële samenlevingen niet kennen (en nooit gekend hebben) de ‘onmiddellijke producenten’ zelf nl. zouden de kans krijgen door hun werk en vrije tijd hun eigen vooruitgang te realiseren en de snelheid en richting ervan te bepalen. De zelfbeschikking zou opgebouwd worden vanuit de basis en werken uit noodzaak zou zichzelf transcenderen in werken tot eigen voldoening.

Maar zelfs bij deze abstracte veronderstellingen mogen de harde grenzen der zelfbeschikking niet vergeten worden. Men kan zich de eerste revolutie, die door afschaffing van mentale en materiële uitbuiting de noodzakelijke voorwaarden moet scheppen voor de nieuwe ontwikkeling, moeilijk voorstellen als een spontaan gebeuren. Bovendien vooronderstelt een inheemse vooruitgang een wijziging in het beleid van de twee grote industriële machtsblokken die de wereld zijn huidige vorm geven: een opgeven van het neokolonialisme in al zijn vormen. Op het ogenblik is er voor zulk een verandering geen enkele aanwijzing.

De verzorgingsstaat en de oorlogsstaat

Samenvattend kunnen we zeggen: de perspectieven van de inkapseling der verandering, die het politieke systeem van technologische rationaliteit biedt, hangen af van de perspectieven der verzorgingsstaat. Een dergelijke staat schijnt de standaard voor een van hogerhand geregeld leven te kunnen verhogen, een vermogen dat inherent is aan alle hoogindustriële samenlevingen waar het gestroomlijnde technische apparaat — opgezet ais een afzonderlijke macht over en boven de individuen — om goed te functioneren een geïntensiveerde ontwikkeling en uitbreiding van de productiviteit vereist. Onder dergelijke omstandigheden betekent het verminderen van vrijheid en oppositie geen morele of intellectuele ontaarding of corruptie. Het is veeleer een objectief maatschappelijk proces in zover de productie en distributie van een toenemende hoeveelheid goederen en diensten plooibaarheid tot een rationele technologische mentaliteit maken.

De verzorgingsstaat is echter, hoe rationeel ook, een staat van onvrijheid, omdat haar totalitair bestuur een systematische inperking inhoudt van: a. de eigen tijd[38] die ‘technisch gezien’ beschikbaar is; b. de kwantiteit en de kwaliteit van goederen en diensten die ‘technisch gezien’ beschikbaar zijn voor de individuele levensbehoeften; c. de intelligentie (bewust en onbewust) die in staat zou zijn de mogelijkheden van de zelfbeschikking te overzien en te verwerkelijken.

In het latere stadium van de industriële samenleving is (gezien vanuit de samenleving in haar geheel, zoniet vanuit het individu) de behoefte aan parasiterende en vervreemde functies eerder groter geworden dan afgenomen. Reclame, public relations, indoctrinatie, geplande korte duur-goederen zijn geen onproductieve overheadkosten meer, maar eerder elementen van de normale productiekosten. Om effectief te zijn moet een dergelijke productie van sociaal noodzakelijke verspilling voortdurend gerationaliseerd worden — er moet een niets ontziend gebruik gemaakt worden van ontwikkelde technieken en wetenschap. Als gevolg hiervan is een stijgende levensstandaard het bijna onvermijdelijke nevenproduct der politiek gemanipuleerde industriële samenleving, wanneer eenmaal een bepaald stadium van achterstand is overwonnen. De stijgende productiviteit van de arbeid schept een toenemende overproductie die, of ze nu particulier of centraal aangewend en verdeeld wordt, een toenemende consumptie mogelijk maakt — ondanks de toenemende verscheidenheid der productie. Zolang dit bestel blijft bestaan, zal het de gebruikswaarde der vrijheid verminderen; er bestaat geen enkele reden om op zelfbeschikking te staan als het van hogerhand geregelde leven een aangenaam en zelfs een ‘goed’ leven is. Dit is de rationele en materiële basis voor de versmelting der tegengestelden, voor eendimensionaal politiek gedrag. Om deze reden wordt voor de transcenderende politieke krachten binnen de samenleving de weg versperd en heeft het er de schijn van dat kwalitatieve verandering slechts mogelijk is als een omwenteling van buiten af.

Het is weinig overtuigend de verzorgingsstaat te verwerpen uit hoofde van abstracte ideeën over vrijheid. Het verlies van de economische en politieke vrijheden, die de eigenlijke verworvenheden der voorgaande twee eeuwen uitmaakten, kan misschien een lichte schade lijken in een staat die het van hogerhand geregelde leven veilig en behaaglijk kan maken.[39] Als de individuen tevreden, ja zelfs gelukkig zijn met de goederen en diensten die het bestuur hun aanbiedt, waarom zouden ze er dan op staan, dat andere instituties zorgen voor een andere productie van andere goederen en diensten? En als de individuen zó geconditioneerd zijn dat in deze bevredigende goederen ook gedachten, gevoelens en aspiraties begrepen zijn, waarom zouden ze dan zelf willen denken, voelen en dromen? Zeker, de aangeboden materiële en geestelijke artikelen mogen dan van een slechte kwaliteit zijn, waardeloos, onzinnig — maar bevrediging der behoeften is nog altijd een sterker argument dan geest en kennis.

De kritiek op de verzorgingsstaat geformuleerd door het liberalisme en conservatisme (met of zonder het voorvoegsel ‘neo’) geldt alleen in die situatie die de verzorgingsstaat nu juist achter zich heeft gelaten — nl. een lagere graad van sociale rijkdom en technologie. De sinistere aspecten van deze kritiek komen aan het licht in het verzet tegen een allesomvattende sociale wetgeving en tegen toereikende overheidsuitgaven voor andere diensten dan de militaire defensie.

Op deze wijze veroordeelt men de mogelijkheden tot onderdrukking in de verzorgingsstaat alleen maar om zo de oppressieve mogelijkheden in de samenleving die voorafgaat aan de verzorgingsstaat te beschermen. In de meest ontwikkelde fase van het kapitalisme is deze samenleving een systeem van bedwongen pluralisme, waarin de concurrerende instituties samenwerken om de macht van het geheel over het individu te versterken. Toch is voor het bestuurde individu pluralistisch bestuur altijd nog veel beter dan totalitair bestuur. De éne instelling beschermt hem misschien tegen de andere; de éne organisatie verlicht misschien de druk die de andere uitoefent; men kan de kansen op ontsnapping en verhaal berekenen. Een wettelijk bewind, hoe beperkt ook, is nog steeds oneindig veel veiliger dan een bewind boven of zonder de wet.

Gezien de nu heersende tendensen echter moet men de vraag stellen, of deze vorm van pluralisme niet de vernietiging van het pluralisme bespoedigt. De hoogindustriële samenleving is inderdaad een systeem dat het evenwicht van elkaar tegenstrevende krachten zoekt. Maar deze krachten heffen elkaar op in een hogere eenwording — in het gemeenschappelijk belang om nl. de veroverde positie te verdedigen en uit te breiden, de historische alternatieven te bestrijden en kwalitatieve verandering in te kapselen. Bij de krachten die in evenwicht zijn behoren niet die welke tegen het geheel gericht zijn.[40] Eerstgenoemde krachten hebben de neiging het geheel immuun te maken tegen negatie zowel van binnen uit als van buiten af; het buitenlandse beleid van inkapseling doet zich voor als een uitbreiding van het binnenlands beleid van inkapseling. De werkelijkheid van het pluralisme wordt ideologisch en bedrieglijk. Zij schijnt de manipulatie en coördinatie eerder uit te breiden dan te verminderen, de noodlottige integratie eerder een handje te helpen dan tegen te werken. Vrije instituties proberen de autoritaire de loef af te steken als het erom gaat de vijand tot een dodelijke kracht binnen het systeem te maken. En deze dodelijke kracht bevordert de groei en het initiatief, niet via de omvang en de economische invloed van de defensie-’sector’, maar via het feit dat de samenleving in haar geheel een defensieve samenleving wordt. Want de vijand is een permanent gegeven. Hij duikt niet op in een noodtoestand, maar is in de normale gang van zaken aanwezig. Hij is in vredestijd evenzeer een bedreiging als in oorlogstijd (en misschien zelfs meer dan in oorlogstijd); zó wordt hij in het systeem ingebouwd: een kracht die het geheel samenhoudt.

De dreiging van buiten af is niet noodzakelijk voor de groeiende productiviteit of voor de hoge levensstandaard, maar wél voor het gebruik daarvan om de sociale verandering in te kapselen en de slavernij voort te zetten. De vijand is voor iedereen de maatstaf van al zijn doen en laten. En de vijand is niet identiek met het feitelijke communisme of het feitelijke kapitalisme — hij is in beide gevallen in feite het spookbeeld van de bevrijding. Nogmaals: de krankzinnigheid van het geheel excuseert de krankzinnigheid der delen en maakt van de misdaden tegen de mensheid een redelijke onderneming. Wanneer het volk, op de juiste wijze door openbare en particuliere autoriteiten daartoe aangespoord, zich voorbereidt op een leven van algehele mobilisatie, handelt het verstandig — niet alleen vanwege de vijand, maar ook vanwege de investering en werkgelegenheid in industrie en vermaak. Zelfs de krankzinnigste berekeningen zijn redelijk: het uitroeien van vijf miljoen mensen is te verkiezen boven het uitroeien van tien miljoen, twintig miljoen enz. Het heeft geen enkele zin als argument aan te voeren, dat een beschaving die haar verdediging met zo’n berekening rechtvaardigt haar eigen eind aankondigt.

Onder deze omstandigheden krijgen zelfs de bestaande vrijheden en ontsnappingsmogelijkheden een plaats binnen het georganiseerde geheel. Is in deze fase van de geleide economie de concurrentie een verlichtende of een verzwarende factor in de race om grotere en snellere omzetten en verouderingen? Zitten de politieke partijen elkaar in de haren omwille van de pacificatie of omwille van een krachtiger en duurdere wapenindustrie? Heeft de productie van ‘weelde’ een gunstige of ongunstige invloed op eventuele bevrediging van nu nog onbevredigde levensbehoeften? Als de eerste alternatieven de waarheid inhouden, zou de huidige vorm van pluralisme het potentieel voor inkapseling van de kwalitatieve verandering vergroten, en zo de ‘ramp’ der zelfbeschikking eerder voorkómen dan over ons afroepen. Het zou er naar uitzien, dat democratie het meest efficiënte systeem van overheersing zou zijn.

Het beeld van de verzorgingsstaat zoals dat in de voorgaande paragrafen is geschetst is dat van een historisch wangedrocht, staande tussen georganiseerd kapitalisme en socialisme in, tussen slavernij en vrijheid, tussen een totalitair stelsel en voorspoed. De mogelijkheid ervan wordt genoegzaam aangeduid door de heersende tendensen in de technische vooruitgang en wordt genoegzaam bedreigd door explosieve krachten. De belangrijkste hiervan is natuurlijk het gevaar dat voorbereiding op een algehele atoomoorlog kan overgaan in de uitvoering: de atoombom als het afschrikwekkend middel tegen een atoomoorlog dient ook om anderen ervan te weerhouden de behoefte aan dit afschrikwekkend middel weg te nemen. Er zijn ook andere factoren in het spel die kunnen voorkomen, dat een totalitair stelsel met voorspoed, manipulatie met democratie, heteronomie met autonomie op aangename wijze worden verenigd — kortom, dat de vooraf vastgestelde overeenstemming tussen georganiseerd en spontaan gedrag, tussen geconditioneerd en vrij denken, tussen doelmatigheid en overtuiging wordt bestendigd.

Zelfs als het kapitalisme tot in de hoogste graad georganiseerd is, kan het geen afstand doen van de sociale behoefte aan particuliere verwerving en verdeling van winst als de regulator van de economie. D.w.z. het blijft de verwezenlijking van het algemeen belang verbinden aan die van de particuliere gevestigde belangen. Daardoor blijft het geconfronteerd met het conflict tussen het groeiende potentieel tot pacificatie van de strijd om het bestaan en de behoefte om deze strijd te verhevigen, tussen de progressieve ‘afschaffing van de arbeid’ en de behoefte om de arbeid te behouden als bron van winst. Het conflict houdt het mensonwaardig bestaan in stand van hen die de menselijke basis vormen van de sociale piramide — de buitenstaanders en de armen, de werklozen en de arbeidsongeschikten de vervolgde gekleurde rassen, zij die ingesloten zijn in gevangenissen en gestichten.

In de hedendaagse communistische samenleving zijn het de vijand van buiten af, de achterstand en het erfdeel van de terreur die de onderdrukking, verbonden aan het ‘inhalen en passeren’ der prestaties van het kapitalisme, bestendigen. Het kapitalisme en het communisme blijven zonder militair geweld, op wereldschaal en met behulp van wereldinstituties, elkaars rivaal; en de voorrang die het communisme geeft aan de middelen boven het doel en die slechts opgeheven kan worden als de pacificatie wordt bereikt, wordt daardoor benadrukt. Deze pacificatie zou betekenen dat er een werkelijke wereldeconomie zou ontstaan — het verdwijnen van de nationale staat, het nationaal belang, het nationale zakenleven tezamen met hun internationale betrekkingen. En dit is nu juist de mogelijkheid waartegen de huidige wereld gemobiliseerd is:

‘Men leeft zo onwetend en zo weinig bewust, dat het nationalisme overal blijft bloeien. De “vaderlanden” kunnen noch door hun bewapening noch door hun industrie van de twintigste eeuw hun veiligheid en hun bestaan verzekeren tenzij in organisaties van wereldbetekenis in militair en economisch opzicht. Maar de collectieve geloofsovertuigingen nemen de reële veranderingen niet op, in het Westen evenmin als in het Oosten. De Grote Machten bouwen hun wereldrijken op, of herstellen er de structuur van zonder veranderingen in het economische en politieke bestel te aanvaarden die de éne of de andere coalitie effectief of zinvol zouden maken.’
en:
‘Als slachtoffers van hun natie en als slachtoffers van hun klasse worden de lijdende massa’s overal betrokken in de wrede conflicten terwijl hun enige vijanden de meesters zijn die de mystificaties van de industrie en van de macht met kennis van zaken hanteren.

De geheime verstandhouding van de moderne industrie en de territoriaal gebonden machten is een kwaad dat dieper wortelt dan in de kapitalistische en communistische instituties en structuren en dat door geen enkele, overigens noodzakelijke dialectiek noodzakelijkerwijs wordt uitgeroeid’.[41]

De noodlottige wederzijdse afhankelijkheid van de twee enige ‘soevereine’ sociale systemen in de huidige wereld is een sprekend bewijs voor het feit dat het conflict tussen vooruitgang en politiek, tussen de mens en zijn meesters volledig is geworden. Wanneer het kapitalisme de uitdaging van het communisme het hoofd biedt, ziet het zijn eigen mogelijkheden onder ogen: een opzienbarende ontplooiing van alle productiekrachten, na het uitschakelen van het particuliere winststreven dat zo’n ontplooiing tegenhoudt. Wanneer het communisme de uitdaging van het kapitalisme het hoofd biedt, ziet het zijn eigen mogelijkheden onder ogen: opzienbarende vrijheden, comfort en verlichting van de gewone lasten. In beide systemen zijn deze mogelijkheden bijna onherkenbaar verwrongen en in beide gevallen blijkt in laatste instantie de oorzaak dezelfde: de strijd tegen een levensvorm die de grondslagen van de overheersing aan zou tasten.


[1] A. Zworikine, The History of Technology as a Science and as a Branch of Learning; a Soviet view: Technology and Culture (Detroit, winter 1961)2.
[2] Zie onder: Het inkapselen van de sociale verandering.
[3] ‘Pendant les siècles passés, une cause importante d’allénation résidait dans le fait que l’étre humain prêtait son individualité biologique à l’organisation technique: il était porteur d’outils; les ensembles techniques ne pouvaient se constituer qu’en incorporant l’homme comme porteur d’outils. Le caractère déformant de la profession était à la foie psychique et somatique.’ Gilbert Simondon, Du Mode d’existence des objets techniques (Paris 1958) 103, voetnoot.
[4] Zie Charles Denby, Workers Battle Automation (News and Letters, Detroit 1960).
[5] Charles R. Walker, Toward the Automatic Factory (New Haven 1957) XIX.
[6] Ibid., 195.
[7] Wij moeten met nadruk wijzen op de onderlinge samenhang tussen Marx’ begrippen ‘uitbuiting’ en ‘verpaupering’ ondanks latere nieuwe definities, waarin verpaupering ofwel een cultureel aspect krijgt ofwel zó betrekkelijk wordt dat het ook van toepassing is op het eigen huis plus auto, televisie enz. ‘Verpaupering’ sluit in een absolute behoefte en noodzaak om tegen ondraaglijke levensomstandigheden in opstand te komen, en een dergelijke absolute behoefte staat aan het begin van iedere revolutie tegen de fundamentele sociale instituties.
[8] Charles R. Walker, a.w. 104.
[9] Ibidem 104 vv.
[10] ‘Aux premiers temps des machines semi-automatiques, des enquêtes ont montré que les ouvrières spécialisées se laissaient aller, en travaillant, à une rêverie d’ordre sexuel, elles se rappelaient la chambre, le lit, la nuit, tout ce que ne concerne que la personne dans la solitude du couple fermé sur soi. Mais c’est la machine en elle qui rêvait de caresses ...’ Jean-Paul Sartre, Critique de la raison dialectique 1 (Paris 1960) 290.
[11] Automation and Major Technological Change: Impact on Union Size, Structure, and Function (Industrial Union Dept. AFL-CIO, Washington, 1958) 5 vv. Solomon Barkin, The Decline of the Labor Movement (Santa Barbara, Center for the Study of Democratic Institutions, 1961) 10 vv.
[12] Zie hierboven.
[13] ‘une unité absolue, mais seulement une réalité technique individualisée, ouverte selon deux voies: celle de la relation aux éléments, et celle des relations interindividuelles dans l’ensemble technique.’ Gilbert Simondon, a.w. 146.
[14] Serge Mallet, in: Arguments, nrs. 12-13 (Paris 1958) 18.
[15] Automation and Major Technological Change 8.
[16] Ibidem.
[17] Charles R. Walker, a.w. 97 vv. Zie ook Ely Chinoy, Automobile Workers and the American Dream (Garden City 1955) passim.
[18] Floyd C. Mann en L. Richard Hoffman, Automation and the Worker. A Study of Social Change in Power Plants (New York 1960) 189.
[19] Charles R. Walker, a.w. 213 vv.
[20] ‘Liens professionnels, liens socieuz, hens matériels: le métier appris dans la raffinerie, l’habitude des rapports de production qui s’y sont établis, les multiples avantages sociaux qui, en cas de mort subite, de maladie grave, d’incapacité de travail, de vieillesse enfin, lui sont aseurés par sa seule appartenance à la firme, prolongeant au-delà de la période productive de leur vie la sureté des lendemains. Ainsi, la notion de ce contrat vivant et indestructible avec la ‘Caltex’ les amène à se préoccuper, avec une attention et une lucidité inattendue, de le gestion financière de l’entreprise. Les délégués aux Comités d’entreprise épluchent la comptabilité de la société avec le soin jaloux qu’y accorderaient des actionnaires consciencieux. La direction de la Caltex peut certes se frotter les mains lorsque les syndicats acceptent de surseoir à leurs revendications de salaires en présence des besoins d’investissements nouveaux. Mais elle commence à manifester les plus ‘legitimes’ inquiétudes lorsque, prenant au mot les bilans truqués de la filiale française, ils s’inquiètent des marchés ‘désavantageux’ passés par celles-ci et poussent l’audace jusqu’à contester les prix de revient et suggérer des propositions économiques!’ Serge Mallet, Le Salaire de la technique, in: La Nef, nr. 25 (Paris 1959) 40.
Wat betreft de integratietrend in de Verenigde Staten volgt hier een bijzonder verrassende uitspraak van een vakbondsleider van de United Automobile Workers: ‘Vele malen ... houden we een bijeenkomst in een vakbondsgebouw en spreken we over de klachten die arbeiders ter tafel hebben gebracht en over de maatregelen die we daaromtrent zullen treffen. Tegen de tijd dat ik een afspraak had met de bedrijfsleiding voor de volgende dag, was de moeilijkheid reeds opgelost; en niemand kende de vakbond de eer toe het opgelost te hebben. Men steekt elkaar de loef af in loyaliteit ... Alle zaken waar we voor gevochten hebben, worden nu door het bedrijf aan de arbeiders toegekend. We moeten andere dingen vinden, die de arbeider wil hebben en die de werkgever hem niet wil toekennen ... We zoeken ernaar. We zoeken ernaar.’ Labor Looks at Labor. A Conversation (Santa Barbara, Center for the Study of Democratic Institutions, 1963) 16 vv.
[21] Is het nog steeds noodzakelijk de ideologie van de ‘revolutie der managers’ aan de kaak te stellen? De kapitalistische productie gaat te werk met behulp van het investeren van privékapitaal, zodat de particulier meerwaarde kan onttrekken en zich toe-eigenen; en kapitaal is een sociaal middel waardoor de mens de mens kan overheersen. De essentiële kenmerken van dit proces worden in geen enkel opzicht veranderd door spreiding van aandelenbezit, door scheiding van eigendom en leiding, enz.
[22] Zie onder: De nieuwe vormen van controle.
[23] ‘pas par l’obéissance, ni par la rudesse des labeurs, mais par le statu d’instrument et la réduction de l’homme à l’état de chose.’ François Perroux, La Coexistence pacifique III (Paris 1958) 600.
[24] Stewart Meacham, Labor and the Cold War (Philadelphia, American Friends Service Committee, 1959) 9.
[25] Ibidem.
[26] Zie hierboven.
[27] Karl Marx, Grundrisse der Kritik der politischen Oekonomie (Berlin 1953) 592 vv. Zie ook 596. (De hier geboden vertaling van dit citaat is gebaseerd op de vertaling van Marcuse.)[Zie voor een groter fragment van deze belangrijke tekst Machinerie en levende arbeid — MIA]
[28] Automation and Major Technological Change, a.w. 11 vv.
[29] C. Wright Mills, White Collar (New York 1956) 319 vv.
[30] In de minder ontwikkelde kapitalistische landen, waar nog steeds sterke afdelingen van de strijdbare arbeidersbeweging bestaan (Italië, Frankrijk), strijden deze met al hun krachten tegen de versnelde technologische en politieke rationalisatie in autoritaire vorm. Deze laatste vindt waarschijnlijk steun in de eisen der internationale strijd, die eveneens een verwantschap met en een overname van de overheersende tendensen in de meest ontwikkelde industriële gebieden bevordert.
[31] Zie voor het volgende H. Marcuse, Soviet Marxism (New York 1958).
[32] Rousseau, Le Contrat Social I, hfds. VII; II, hfds. VI. Zie bladz. 60.
[33] K. Marx, Kritik des Gothaer Programma (Berlin 1955) 23.
[34] Zie over het verschil tussen ingebouwde en bestuurbare weerstand H. Marcuse, Soviet Marxism (New York 1958) 109 vv.
[35] Economic Problems of Socialism in the USSR. (1952), in: Leo Grullow (red.), Current Sovjet Policies (New York 1953) 5, 11, 14.
[36] Ibidem 14 vv.
[37] Zie voor het volgende de uitstekende boeken van René Dumont, in het bijzonder Terres vivantes (Paris 1961).
[38] ‘Eigen tijd’, geen ‘vrije tijd’. Deze laatste is ruimschoots gerealiseerd in de hoogindustriële samenleving, maar zij is onvrij in de mate waarin het zakenleven en de politiek haar in hun greep hebben.
[39] Zie bij pluralisme bij: De nieuwe vormen van controle.
[40] Zie voor een kritische en realistische beoordeling van Galbraiths ideologisch begrip ‘countervailing powers’ Earl Latham, The Body Politic of the Corporation, in: E. S. Mason, The Corporation in Modern Society (Cambridge 1959) 223, 235 vv.
[41] ‘L’ignorance et l’inconscience sont telles que les nationalismes demeurent florissante. Ni l’armement ni l’industrie du XXe siècle ne permettent aux patries d’assurer leur sécurité et leur vie sinon en ensembles organisés de poids mondial, dans l’ordre militaire et économique. Mais à l’Ouest non plus qu’à l’Est, les croyances collectives n’assimilent les changements réels. Les Grands forment leurs empires, ou en réparent les architectures sans accepter les changements de régime économique et politique qui donneraient efficacité et sens à l’une et à l’autre coalitions.’
en:
‘Dupes de la nation et dupes de la classe, les masses souffrantes sont partout engagées dans les duretés de conflit où leurs seuls ennemis sont des maîtres qui emploient sciemment les mystifications de l’Industrie et du pouvoir.
La collusion de l’industrie moderne et du pouvolr territorialisé est un vice dont le réalité est plus profonde que les inatitutions et les structures capitalistes et communistes et qu’aucune dialectique nécessaire ne doit nécessairement extirper.’ François Perroux, op. cit. III, 631-632, 633.