Herbert Marcuse
De eendimensionale mens
Hoofdstuk 3


III. De overmeestering van het ongelukkig bewustzijn: repressieve ontsublimering

Nu we de politieke integratie der ontwikkelde industriële samenleving hebben besproken — een succes dat mogelijk gemaakt werd door de toenemende technologische productiviteit en de steeds verder doordringende veroveringen op mens en natuur — zullen we onze aandacht richten op een hiermee corresponderende integratie op het terrein der cultuur. In dit hoofdstuk zullen we aan de hand van bepaalde grondbegrippen en hoofdfiguren uit de literatuur en hun lotgevallen aantonen, hoe door de vooruitgang van de technologische rationaliteit de oppositionele en transcenderende elementen uit de ‘hogere cultuur’ langzamerhand verdwijnen. In feite vallen deze ten slachtoffer aan het proces van ontsublimering dat de ontwikkelde lagen van de hedendaagse samenleving beheerst.

De successen en de mislukkingen van deze samenleving beroven haar hogere cultuur van haar kracht. De verering van de autonome persoonlijkheid, van humanisme, van tragische en romantische liefde schijnt het ideaal van een overwonnen ontwikkelingsfase te zijn. Wat er nu gebeurt is niet dat de hogere cultuur afdaalt tot het peil van een massacultuur, maar dat de werkelijkheid deze cultuur weerlegt. De werkelijkheid overtroeft haar cultuur. De hedendaagse mens kan meer dan de helden en halfgoden die de cultuur geschapen heeft; hij heeft vele onoplosbare problemen opgelost. Maar ook heeft hij de hoop verraden en de waarheid vernietigd die in de sublimaties van de hogere cultuur bewaard bleven. Toegegeven, de hogere cultuur was altijd al in tegenspraak met de sociale werkelijkheid en slechts een bevoorrechte minderheid genoot haar zegeningen en vertegenwoordigde haar idealen. Deze twee antagonistische lagen van de samenleving hebben altijd naast elkaar bestaan; de hogere cultuur heeft zich altijd aangepast, terwijl de werkelijkheid slechts zelden door haar idealen en haar waarheid werd beroerd. De huidige fase heeft het nieuwe kenmerk dat het antagonisme van cultuur en sociale werkelijkheid opgeheven wordt door de vernietiging van die oppositionele, strijdige en transcenderende elementen in de hogere cultuur, met behulp waarvan zij een andere dimensie aan de werkelijkheid gaf. Deze liquidatie van de tweedimensionale cultuur grijpt niet plaats door een ontkenning en afwijzing der ‘culturele waarden’, maar door hun volledige inlijving in de gevestigde orde, via een massale reproductie en etalering. In feite doen zij dienst als instrumenten voor sociale samenhang. De verhevenheid van een vrije literatuur en kunst, de idealen van het humanisme, het verdriet en de vreugde van het individu en de ontplooiing van de persoonlijkheid zijn belangrijke punten in de concurrentiestrijd tussen Oost en West. Het zijn klemmende argumenten tegen de huidige vormen van het communisme en dagelijks worden ze aan de man gebracht. Het feit dat ze in tegenspraak zijn met de samenleving die ze aan de man brengt telt niet mee. Evenals de mensen weten of voelen dat advertenties en politieke redevoeringen niet noodzakelijkerwijs waar hoeven te zijn of gelijk hoeven te hebben, maar toch ernaar luisteren, ze lezen en er zich zelfs door laten leiden, evenzo aanvaarden zij de traditionele waarden en nemen zij ze op in hun geestelijke uitrusting. Waar de massacommunicatiemedia kunst, politiek, religie en filosofie heel vanzelfsprekend en vaak onopvallend met hun reclameboodschappen vermengen, herleiden zij deze cultuurgebieden tot hun gemene deler: het aspect van het aangename. De muziek van de ziel is eveneens de muziek van de kassa. De ruilwaarde, niet de waarheidswaarde is belangrijk. Dát is het middelpunt der rationaliteit van de status-quo en alle tegenstrijdige rationaliteit wordt daar naar toe omgebogen.

Zodra de verheven woorden vrijheid en vervulling op het beeldscherm, over de radio en op tonelen worden uitgesproken door leiders en politici die op werftocht zijn, worden het zinloze geluiden die alleen iets betekenen in de context van propaganda, zaken doen, discipline en ontspanning. Deze gelijkschakeling van het ideaal met de werkelijkheid laat duidelijk zien hoezeer het ideaal overtroefd is. Het is uit het gesublimeerde rijk van de ziel, de geest, of de innerlijke mens neergehaald en in operationele termen en problemen vertaald. Dit zijn de progressieve elementen der massacultuur. De ontaarding is een aanwijzing voor het feit, dat de hoogindustriële samenleving geconfronteerd wordt met de mogelijkheid van een materialisatie der idealen. De mogelijkheden van deze samenleving maken het terrein van het gesublimeerde, waar de menselijke bestaanswijze werd afgeschilderd, geïdealiseerd en aangeklaagd, steeds kleiner. De hogere cultuur gaat deel uitmaken van de materiële cultuur. Bij deze omvorming verliest zij het grootste deel van haar waarheid.

De hogere cultuur in het Westen — waarvan de morele, esthetische en intellectuele waarden nog steeds door de industriële samenleving worden beleden — was zowel in functionele als in chronologische zin een pretechnologische cultuur. Haar bestaansrecht ontleende ze aan de beleving van een wereld die er niet meer is en die niet meer opnieuw beleefd kan worden, omdat ze letterlijk van haar kracht is beroofd door de technologische samenleving. Bovendien bleef deze cultuur in hoge mate feodaal, zelfs toen de bourgeoisperiode haar enige van haar meest duurzame formuleringen schonk. Niet alleen omdat ze beperkt bleef tot bevoorrechte minderheden, niet alleen omdat het romantisch element er inherent aan was (dat zal later besproken worden) was ze feodaal, maar eveneens omdat haar authentieke voortbrengselen een bewuste, methodische vervreemding van het gehele klimaat van zakenleven en industrie en van het berekenende en winstgevende tot uitdrukking brachten.

Hoewel deze bourgeoisorde rijk — en zelfs positief — in literatuur en kunst vertegenwoordigd is (zoals bij de Hollandse meesters der zeventiende eeuw, in Goethes Wilhelm Meister, in de Engelse roman der negentiende eeuw, bij Thomas Mann), toch bleef ze een milieu dat werd overschaduwd, doorbroken en afgewezen door een andere dimensie, die radicaal antagonistisch was t.o.v. het zakenmilieu en dit aanklaagde en loochende. En in de literatuur wordt deze tweede dimensie niet door religieuze, spirituele of morele helden vertegenwoordigd (die vaak de gevestigde orde steunen), maar veeleer door ordeverstorende figuren zoals de kunstenaar, de prostituee, de overspelige, de buiten de samenleving staande misdadiger-held, de krijger, de dichter-opstandeling, de duivel, de nar: degenen die niet werken voor de kost, tenminste niet op een ordelijke en normale manier.

Zeker, deze personages zijn niet verdwenen uit de literatuur van de hoogindustriële samenleving, maar ze zijn nu essentieel anders. De vamp, de nationale held, de beatnik, de neurotische huisvrouw, de gangster, de ster en de charismatische grootindustrieel vervullen een functie, die geheel anders is dan en zelfs tegengesteld aan die van hun culturele voorgangers. Zij zijn geen beelden meer uit een andere wijze van leven, maar eerder gedrochten of typen uit hetzelfde leven en dienen meer als bevestiging dan als ontkenning van de gevestigde orde.

Ongetwijfeld was de wereld van hun voorgangers een onderontwikkelde, pretechnologische wereld, een wereld met een schoon geweten ondanks ongelijkheid en ellende, waar arbeid nog een betreurenswaardig noodlot was; maar toch was het ook een wereld waarin de mens en de natuur nog geen dingen en instrumentaliteiten waren. In haar code van vormelijke manieren, in de stijl van haar literatuur en met de woordenschat van haar filosofie gaf deze vroegere cultuur uitdrukking aan het ritme en de inhoud van een universum waarin valleien en wouden, gehuchten en herbergen, edellieden en schurken, salons en hoven deel uitmaakten van de beleefde werkelijkheid. In de poëzie en het proza van deze pretechnologische cultuur klopt de hartslag van mensen die rondtrekken of in rijtuigen rijden, die zich de tijd gunnen en er plezier in hebben om te denken, te beschouwen, om zich in iets in te voelen en om te vertellen.

Dit is een ouderwetse en afgestorven cultuur en zij kan slecht in dromen en kinderlijke regressie heroverd worden. Maar deze cultuur is in sommige van haar wezenlijke elementen eveneens posttechnologisch. Haar meest geavanceerde voorstellingen en opvattingen schijnen hun opgaan in opgedrongen comfort en prikkels te overleven; zij blijven het bewustzijn bespoken met de mogelijkheid van hun hergeboorte in de voltooiing van de technische vooruitgang. Het zijn uitdrukkingen van die vrije en bewuste vervreemding van de gevestigde levenswijzen, waarmee de literatuur en de kunsten zich hiertegen teweer stelden, zelfs waar zij ze opsierden.

In tegenstelling tot het marxistische begrip vervreemding, dat de relatie van de mens tot zichzelf en tot zijn werk in de kapitalistische samenleving aanduidt, is de artistieke vervreemding een bewuste transcendentie van het vervreemde bestaan een vervreemding op ‘hoger niveau’ ofwel door bemiddeling tot stand gekomen. Het conflict met de wereld der vooruitgang, de negatie van de zakenwereld en de antibourgeois-elementen in een bourgeoisliteratuur en kunst zijn noch aan het lage esthetische peil van deze wereld te wijten noch aan een romantische reactie: weemoed en wierook rond een verdwijnende cultuurfase. ‘Romantisch’ is een denigrerende term, waar men gemakkelijk gebruik van maakt om avant-gardestellingen te kleineren; net zoals de term ‘decadent’ veel vaker de echt progressieve trekken van een afstervende beschaving belicht dan de werkelijke factoren van verval. De traditionele beelden van de artistieke vervreemding zijn inderdaad romantisch in zoverre zij esthetisch onverzoenlijk staan ten opzichte van de samenleving in ontwikkeling. Deze onverdraagzaamheid is het bewijs dat ze waar zijn. Wat ze in herinnering brengen en vastleggen in het geheugen behoort tot de toekomst: beelden van een bevrediging die de samenleving welke haar onderdrukt zou ontbinden. De belangrijke surrealistische kunst en literatuur uit de twintiger en dertiger jaren hebben deze beelden in hun opruiende en bevrijdende functie weer gevangen. Een willekeurige greep uit de typisch literaire woordenschat kan misschien de reikwijdte en de verwantschap van deze beelden aanduiden en de dimensie die zij onthullen: ziel, geest en hart; ‘la recherche de l’absolu’, ‘Les Fleurs du Mal’, ‘la femme-enfant’; ‘The Kingdom by the Sea’; ‘Le Bateau ivre’ en ‘The Long-legged Bait’; ‘Ferne’ en ‘Heimat’; maar ook de drankduivel, de duivelse machine en de geldduivel; Don Juan en Romeo; ‘Baumeister Solnesz’ en ‘Wenn wir Toten erwachen’.

De opsomming ervan alleen al maakt duidelijk dat ze tot een verloren dimensie behoren. Ze zijn niet door hun literaire veroudering van hun kracht beroofd. Enkele van deze beelden komen voor in de hedendaagse literatuur en blijven in haar meest geavanceerde scheppingen leven. Maar de subversieve kracht is er aan ontnomen, de vernietigende inhoud — de waarheid. In deze nieuwe vorm voelen zij zich in huis, tuin en keuken op hun gemak. De opstandige en vervreemdende oeuvres van een intellectuele cultuur worden alledaagse goederen en diensten. Duidt de massale reproductie en consumptie ervan slechts op een kwantitatieve verandering, nl. op een groeiende waardering, op meer begrip voor de cultuur, op een democratisering ervan?

De waarheid in literatuur en kunst is altijd onderkend (als ze al onderkend werd) als een waarheid van ‘hogere orde’, die de commerciële orde niet behoorde te storen en dit inderdaad ook niet deed. De verandering in het hedendaagse tijdvak ligt in het verschil tussen de twee sferen en de waarheden daarvan. Het absorptievermogen van de samenleving onttrekt aan de artistieke dimensie haar vijandige inhouden en lijft deze in. Op het gebied der cultuur komt het nieuwe totalitaire stelsel juist tot uiting in een harmoniserende pluraliteit, waarin de meest tegengestelde oeuvres en waarheden vreedzaam naast elkaar kunnen voortleven doordat ze onverschillig staan t.o.v. elkaar. Vóór deze culturele verzoening tot stand kwam, bestonden literatuur en kunst wezenlijk uit een vervreemding, die de tegenspraak in stand hield en bescherming verleende aan het ongelukkig bewustzijn van de verdeelde wereld, de versperde mogelijkheden, de niet-vervulde hoop en de verbroken beloften. Ze waren een redelijke, cognitieve kracht, die in mens en natuur een dimensie onthulde die in de werkelijkheid werd onderdrukt en afgewezen. Hun waarheid lag in de opgeroepen illusie, in het nadrukkelijk scheppen van een wereld waarin de terreur van het leven opgeroepen werd en aan banden gelegd: overmeesterd door de herkenning. Dát is het wonder in het meesterwerk: het is de tragedie die tot het laatst toe wordt volgehouden, en het einde der tragedie — de onmogelijke oplossing ervan. Te leven naar je liefde en haat, te leven zoals je bent betekent een nederlaag, berusting en dood. De misdaden der samenleving, de hel die de mens voor de mens heeft geschapen, worden onoverwinlijke kosmische krachten.

De spanning tussen het feitelijke en het mogelijke wordt omgezet in een oplosbaar conflict waarbij een verzoening plaatsgrijpt dankzij het oeuvre als vorm: schoonheid als ‘promesse de bonheur’. In de vorm van het oeuvre worden de feitelijke omstandigheden in een andere dimensie geplaatst waarin de gegeven werkelijkheid zich toont zoals ze is. Zó onthult ze de waarheid over zichzelf; haar taal is niet langer de taal van bedrog, onwetendheid en onderwerping. Een roman noemt de feiten bij hun naam en hun rijk stort ineen; romans zetten de ervaringen van alledag op hun kop en laten de verminkingen en de vervalsingen ervan zien. Maar kunst heeft dit magische vermogen alleen als vermogen tot negatie. Zij kan haar eigen taal alleen spreken, zolang de beelden die de gevestigde orde ontkennen en weerleggen levend zijn. Flauberts Madame Bovary onderscheidt zich van even trieste liefdesgeschiedenissen uit de hedendaagse literatuur door het feit dat in de nederige woordenschat van haar tegenhangster uit het werkelijke leven de beelden van de heldin nog leefden, of doordat zij verhalen las waarin deze beelden nog leefden. Haar angstgevoelens waren haar noodlottig, omdat er geen psychoanalyticus was. En er was geen psychoanalyticus, omdat hij in haar wereld niet in staat geweest zou zijn haar te genezen. Zij zou hem afgewezen hebben als behorend tot de wereld van Yonville die haar vernietigde. Haar geschiedenis was ‘tragisch’, omdat de samenleving waarin die zich afspeelde onderontwikkeld was, met een seksuele moraal die nog niet vrijgemaakt was en een psychologie die nog geen institutionele vorm had gekregen. De samenleving die nog moest komen heeft haar probleem ‘opgelost’ door het te onderdrukken. Het zou onzin zijn te beweren, dat haar tragedie of die van Romeo en Julia in de moderne democratie is opgelost; maar het zou ook onzin zijn de historische essentie van de tragedie te ontkennen. De technologische werkelijkheid in ontwikkeling ondergraaft niet alleen de traditionele vormen, maar zelfs de basis voor de artistieke vervreemding — d.w.z. zij vertoont de tendens niet alleen bepaalde ‘stijlen’, maar de kern zelf van de kunst machteloos te maken.

Natuurlijk is vervreemding niet het enige kenmerk van kunst. Het formuleren en zeker het analyseren van dit probleem valt buiten het bestek van dit boek; maar ter verduidelijking zijn misschien enige suggesties wel op hun plaats. Gedurende lange perioden der beschaving schijnt de kunst volledig geïntegreerd te zijn in haar samenleving.

Bekende voorbeelden zijn de Egyptische, de Griekse en de gotische kunst; ook Bach en Mozart worden gewoonlijk aangehaald als getuigen voor de ‘positieve’ kant van de kunst. De plaats van het kunstwerk in een pretechnologische en tweedimensionale cultuur verschilt veel met die in een eendimensionale beschaving, maar vervreemding is zowel voor bevestigende als voor ontkennende kunst kenmerkend.

De doorslaggevende factor ligt niet in het psychologische verschil tussen kunst vol vreugde geschapen en kunst uit smart geboren, tussen geestelijke gezondheid en neurose, maar in het verschil tussen de artistieke en de maatschappelijke werkelijkheid. De breuk met deze laatste, de magische of rationele overstijging, is een essentiële eigenschap van de kunst, zelfs van de meest bevestigende; zij is dus zelfs vervreemd van het publiek waartoe ze zich richt. Ook al waren de tempels of kathedralen voor het volk dat er omheen woonde een zeer vertrouwde verschijning, zij bleven in een ontzagwekkende of verheffende tegenstelling staan tot het dagelijkse leven van de horige, de boer en de ambachtsman — en misschien zelfs van hun meester.

In ritualia gevangen of niet, de kunst sluit de rationaliteit van de negatie in. In haar geavanceerde uitingen is zij de Grote Weigering — het protest tegen dat wat bestaat. De wijzen waarop de mens en de dingen op het toneel verschijnen, zingen, klinken en spreken, zijn manieren om hun feitelijk bestaan aan te tasten, af te breken en te herscheppen. Maar deze manieren van negatie zijn schatplichtig aan de vijandige samenleving waar ze mee verbonden zijn. De wereld van de kunst die ze scheppen blijft ondanks al haar waarheid een privilege en een illusie, gescheiden als ze is van de werksfeer waarin de samenleving zichzelf en haar ellende reproduceert.

In deze vorm handhaaft de kunst zich de gehele negentiende en tot in de twintigste eeuw ondanks alle democratisering en popularisatie. De ‘hogere cultuur’ waarin deze vervreemding gevierd wordt heeft haar eigen riten en haar eigen stijl. De salon, het concert, de opera en het toneel zijn bedoeld om een andere dimensie van de werkelijkheid te scheppen en op te roepen. Om ze bij te wonen moet men zich opmaken als voor een feest; ze snijden de alledaagse ervaring de pas af en transcenderen haar.

Tegenwoordig wordt deze essentiële kloof tussen de kunsten en het alledaagse — wijd open gehouden in de artistieke vervreemding — langzamerhand opgevuld door de oprukkende technologische samenleving. En mét de verstikking van de artistieke vervreemding wordt op zijn beurt de Grote Weigering geweigerd; de ‘andere dimensie’ wordt opgezogen in het gewone levenspatroon. De oeuvres van vervreemding worden zelf ingelijfd in deze samenleving en doen de ronde als onderdeel van het apparaat dat het gewone levenspatroon verfraait en psychoanalyseert. Zo worden ze reclameboodschappen — ze verkopen iets, schenken rust of winden de mensen op. De neoconservatieve critici van linkse critici van de massacultuur maken het protest tegen Bach als achtergrondmuziek in de keuken, tegen Plato en Hegel, Shelley en Baudelaire, Marx en Freud in de drugstore belachelijk. Zij wijzen in plaats daarvan met nadruk op het feit dat de klassieken het mausoleum hebben verlaten en weer tot leven zijn gekomen, dat op deze wijze de mensen veel meer ontwikkeld zijn geworden. Dat is waar, maar tot leven komend als klassieken, komen zij als anderen dan zichzelf tot leven; ze zijn beroofd van hun antagonistische kracht, van het afstand nemen waarin juist de dimensie van hun waarheid lag. De inhoud en de functie van deze werken zijn op deze manier fundamenteel veranderd. Als ze al eens in tegenspraak waren met de status-quo, dan is deze tegenspraak nu opgeheven.

Maar een dergelijke gelijkschakeling komt historisch gezien te vroeg; er komt een culturele gelijkheid tot stand terwijl tóch de overheersing blijft bestaan. De samenleving elimineert tegelijk met de prerogatieven en privileges der feodaal-aristocratische cultuur ook haar inhoud. Dat de transcenderende waarheden van de schone kunsten en de esthetica van leven en denken slechts voor een handjevol rijke en ontwikkelde lieden toegankelijk waren, was de schuld van een repressieve samenleving. Maar deze schuld wordt niet uitgewist door pocketboeken, leerplicht, langspeelplaten en het afschaffen van avondkleding in schouwburg en concertzaal[1]. De culturele privileges brachten de onrechtvaardigheid der vrijheid, de tegenspraak tussen ideologie en werkelijkheid en de scheiding tussen intellectuele en materiële productiviteit tot uiting; maar zij zorgden eveneens voor een beschermd rijk waarbinnen de verboden waarheden konden blijven leven met behoud van hun abstracte integriteit — vér van de samenleving die hen onderdrukte.

Nu is deze afstand te niet gedaan — en daarmee de overstijging en de aanklacht. De tekst en de toon liggen nog voor ons, maar de afstand die hen tot ‘Luft von anderen Planeten’[2] maakte is overbrugd. De artistieke vervreemding is even functioneel geworden als de architectuur van de nieuwe schouwburgen en concertzalen waarin zij wordt gebracht. En ook hier zijn het rationele en het kwade onafscheidelijk van elkaar. Ongetwijfeld is de nieuwe architectuur beter, d.w.z. mooier en praktischer dan de wangedrochten van het victoriaanse tijdperk. Maar het is eveneens meer ‘geïntegreerd’ — het culturele centrum wordt een vanzelfsprekend deel van het winkelcentrum, stadscentrum of regeringscentrum. Overheersing heeft een eigen esthetica en democratische overheersing heeft een eigen democratische esthetica. Het is goed dat bijna iedereen de schone kunsten nu bij de hand kan hebben: een draai aan de knop van het toestel, een kleine wandeling naar de drugstore. Door deze verspreiding echter worden ze radertjes in een cultuurmachine die hun inhoud herschept.

Evenals andere wijzen van negatie valt de artistieke vervreemding ten slachtoffer aan de vooruitgang van de technologische rationaliteit. Hoe diep deze verandering gaat en hoe onomkeerbaar ze is wordt duidelijk als we haar zien als een gevolg van de technische vooruitgang.

In het huidige stadium worden de mogelijkheden van mens en natuur opnieuw verwoord in overeenstemming met de nieuwe hulpmiddelen die voor de verwerkelijking van deze mogelijkheden beschikbaar zijn; in het licht hiervan verliezen de pretechnologische beelden hun betovering.

Hun waarheidswaarde hing grotendeels af van een niet begrepen en niet veroverde dimensie in mens en natuur, van de enge grenzen die aan organisatie en manipulatie gesteld waren, van de ‘harde kern’ die weerstand bood aan integratie. In de volledig ontwikkelde industriële samenleving wordt deze harde kern steeds verder afgeslepen door de technologische rationaliteit. Het is zo klaar als een klontje dat de fysieke transformatie van de wereld een mentale omvorming van haar symbolen, beelden en ideeën met zich meebrengt. Het is zo klaar als een klontje, dat wanneer steden, autosnelwegen en natuurmonumenten de plaats innemen van dorpen, valleien en wouden, dat wanneer motorboten over de meren schieten en vliegtuigen door de luchten snellen — dat deze gebieden dan hun karakter van kwalitatief andere werkelijkheid, van terreinen van tegenspraak verliezen. En daar tegenspraak het werk der Logos is — de rationele confrontatie van ‘dat wat niet is’ met ‘dat wat is’ - moet zij een communicatiemiddel vinden. De strijd om dit medium, of liever gezegd de strijd tegen het opslokken ervan door de overheersende tendens naar één dimensie, komt aan het licht in de avant-gardepogingen om een afstand te scheppen waardoor de artistieke waarheid weer verstaanbaar zou worden.

Bertolt Brecht heeft de theoretische grondslagen voor deze pogingen aangegeven. Het totalitaire karakter van de gevestigde samenleving roept voor de toneelschrijver de vraag op, of het nog wel mogelijk is ‘de hedendaagse wereld in de schouwburg tegenwoordig te stellen’ — d.w.z. haar op zo’n manier tegenwoordig te stellen dat de toeschouwer de waarheid die het stuk wil overbrengen, herkent. Brechts antwoord hierop is, dat deze wijze van tegenwoordigstellen van de hedendaagse wereld alleen mogelijk is, als zij tegenwoordig wordt gesteld als subject van verandering[3] — als de negativiteitstoestand die ontkend moet worden. Dit is een leer die geleerd en begrepen moet worden en waarnaar men moet handelen; maar het toneel is en behoort vermaak en plezier te zijn. Vermaak en lering zijn niet elkaars tegengestelden; vermaak kan de meest effectieve manier van leren zijn. Om duidelijk te maken wat de werkelijkheid van de hedendaagse wereld achter de ideologische en materiële voorhang is en hoe zij veranderd kan worden, moet het toneel de identificatie van de toeschouwers met de gebeurtenissen op de planken verbreken. Niet invoelen en gevoel, maar afstand nemen en nadenken zijn nodig. Het vervreemdingseffect (‘Verfremdungseffekt’) moet deze ontkoppeling teweegbrengen, waardoor de wereld herkend kan worden in haar ware gedaante. ‘De dingen van het alledaagse leven worden uit de sfeer van het vanzelfsprekende getrokken ...’[4] ‘Dat wat “natuurlijk” is, moet de trekken van het buitengewone aannemen. Alleen op deze wijze kunnen de wetten van oorzaak en gevolg naar voren treden.’[5]

Het vervreemdingseffect wordt niet aan de literatuur opgedrongen. Het is eerder het eigen antwoord van de literatuur op de dreiging van het totale behaviorisme: de poging om de rationaliteit van het negatieve te redden. Bij deze poging reikt de grote ‘conservatief’ der literatuur de radicale activist de hand. Paul Valéry benadrukt dat de poëtische taal zich eenvoudig niet kan distantiëren van de negatie. De verzen van deze taal ‘ne parlent jamais que de choses absentes’.[6] Zij spreken over datgene wat, hoewel het niet aanwezig is, de gevestigde wereld van woord en daad bespookt in de vorm van haar meest streng verboden mogelijkheid: niet de hemel en niet de hel, niet het goede en niet het kwade, maar eenvoudigweg ‘le bonheur’. Op deze wijze spreekt de poëtische taal over datgene wat van deze wereld is, wat zichtbaar, tastbaar en hoorbaar is in mens en natuur — en over datgene wat niet gezien, niet aangeraakt en niet gehoord wordt. Scheppend en zich bewegend middels een medium dat het afwezige tegenwoordigstelt, is de poëtische taal een taal van het kennen — maar een kennen dat het positieve ondermijnt. In haar cognitieve functie vervult de poëzie de verheven taak van het denken: ‘de inspanning die datgene in ons doet leven wat niet bestaat’[7]. De ‘dingen die afwezig zijn’ bij de naam noemen betekent het verbreken van de betovering van de dingen die er wel zijn; bovendien betekent het de invasie van een andere categorie dingen in de gevestigde orde — ‘le commencement d’un monde’[8].

Voor het uitdrukken van deze andere orde, die transcendentie binnen de éne wereld inhoudt, is de poëtische taal afhankelijk van de transcenderende elementen in de spreektaal.[9] De algehele mobilisatie echter van alle communicatiemedia voor de verdediging van de gevestigde werkelijkheid heeft de uitdrukkingsmiddelen zodanig gecoördineerd, dat het technisch onmogelijk is geworden transcenderende inhouden over te brengen. Het spookbeeld dat sinds Mallarmé het artistieke bewustzijn angst heeft aangejaagd — de onmogelijkheid om een niet-verzakelijkte taal te spreken, om het negatieve over te brengen — is geen spookbeeld meer. Het is een tastbaar feit geworden.

De echte avant-gardewerken van de literatuur brengen deze breuk met de communicatie over. Met Rimbaud, en later met het dadaïsme en surrealisme, wijst de literatuur zelfs de taalstructuur af, die de gehele beschavingsgeschiedenis door de artistieke en de gewone taal heeft verbonden. Het propositionele systeem[10] (waarbij de zin functioneert als eenheid die de betekenis meedeelt) was het medium middels hetwelk de twee dimensies der werkelijkheid elkaar konden ontmoeten, zich verstaanbaar konden maken en begrepen konden worden. Het meest verheven dichtwerk en het eenvoudigste proza hadden dit uitdrukkingsmiddel met elkaar gemeen. Toen ‘verbrak [de moderne poëzie] de structuren van de taal en herleidde het taalgebruik tot de fase der woorden’.[11]

Het woord weigert het verbindende, verstandige bewind van de zin. Het ondermijnt de vooraf vastgestelde betekenisopbouw en door zelf een ‘absoluut object’ te worden verwijst het naar een onverdraagzame, zichzelf afbrekende wereld — een discontinuüm. Deze ondermijning van de taalstructuur sluit een ondermijning van de natuurbeleving in:

‘De natuur wordt dan een discontinuüm van afgezonderde en schrikwekkende objecten, omdat ze slechts potentiële banden hebben; niemand wijst hun een strikt eigen betekenis, een taak of dienst toe; niemand herleidt hen tot het betekenen van een geesteshouding of van een bedoeling, d.w.z. in laatste instantie van een tederheid ... Deze woordobjecten zonder binding, toegerust met al hun explosieve kracht ... deze poëtische woorden sluiten de mens buiten; er bestaat geen poëtisch humanisme in de moderne poëzie: deze gehoornde taal is een taal vol verschrikkingen, d.w.z. hij brengt de mens in contact niet met de andere mensen, maar met de meest onmenselijke beelden uit de natuur; de hemel, de hel, het heilige, de kindertijd, de krankzinnigheid, de zuivere materie, enz.’[12]

De traditionele bouwstoffen van de kunst (beelden, harmonieën, kleuren) duiken alleen als ‘citaten’ weer op: resten van een vroegere betekenis in een afwijzende context. Zo zijn de surrealistische schilderijen ‘de samenvatting van datgene wat de zakelijkheid onder een taboe verhult, omdat het aan haar eigen verzakelijkt zijn herinnert en aan het feit dat ze daarmee niet klaarkomt, dat haar rationaliteit irrationeel blijft. Het surrealisme verzamelt wat de zakelijkheid de mens ontzegt; de vertekeningen maken duidelijk welke gevolgen het taboe voor het begeerde had. Het surrealisme is daardoor de redding voor het verouderde; een album vol idiosyncrasieën waarin de aanspraak op geluk, die de mens in zijn eigen getechnificeerde wereld wordt geweigerd, in rook opgaat.’[13]

Welnu, in het oeuvre van Bertolt Brecht blijft de ‘promesse de bonheur’ bewaard die in damesromans en kitsch (maneschijn en de blauwe zee; een melodie en ‘Oost West thuis best’; trouw en liefde) vervat is, doordat hij er een politiek zuurdesem van maakt. Zijn figuren zingen over verloren paradijzen en onuitwisbare hoop (‘Siehst du den Mond über Soho, Geliebter?’ ‘Jedoch eines Tages, und der Tag war blau’; ‘Zuerst war es immer Sonntag’; ‘Und ein Schiff mit acht Segeln’; ‘Alter Bilbao Mond, Da wo noch Liebe lohnt’) — en het lied gaat over wreedheid en hebzucht, uitbuiting, bedrog en leugens. De slachtoffers van het bedrog zingen hoe ze bedrogen werden; maar ze leren de oorzaken daarvan kennen (of hebben ze leren kennen), en slechts als ze de oorzaken leren kennen (en leren hoe ze die aankunnen) heroveren ze de waarheid van hun droom. Aan de pogingen om de grote weigering weer te vangen in de taal der literatuur valt het lot ten deel, opgezogen te worden door datgene waartegen ze gericht zijn. Als moderne klassieken vervullen de avant-garde en de beatniks beiden een vermaaksfunctie zonder dat zij het goede geweten van de mensen van goede wil verontrusten. Deze absorptie wordt door de technische vooruitgang gerechtvaardigd; de weigering wordt weerlegd door het verlichten van de ellende in de hoogindustriële samenleving. De liquidatie van de hogere cultuur is een bijproduct van de overwinning op de natuur en het steeds verder terugdringen van de schaarste.

De geliefde beelden der transcendentie ontwapenend door ze in de alomtegenwoordige dagelijkse werkelijkheid in te lijven, getuigt deze samenleving ervan hoezeer onoplosbare conflicten hanteerbaar worden — hoezeer tragedie en idylle, archetypische dromen en angsten vatbaar worden gemaakt voor een technische oplossing en ontrafeling. De psychiater ontfermt zich over de Don Juans, Romeo’s, Hamlets en Fausts als hij zich ontfermt over Oedipus — hij geneest hen. De heersers over de wereld verliezen hun metafysische trekken. Hun optreden voor de televisie, op persconferenties, in het parlement en op openbare hearings is nauwelijks geschikt voor een ander drama dan dat van de reclame[14], terwijl de gevolgen van hun daden het bereik van het drama te boven gaan. De recepten voor onmenselijkheid en onrechtvaardigheid worden opgesteld door een rationeel georganiseerde bureaucratie die echter in de buurt van haar vitale centrum onzichtbaar wordt. De ziel bevat maar weinig geheimen en verlangens die niet verstandig kunnen worden besproken, geanalyseerd en gepeild. Het alleen-zijn, waardoor juist het individu zich tegenover en boven zijn samenleving in stand kon houden, is technisch onmogelijk geworden. Logische en taalkundige analyse toont aan, dat de oude metafysische problemen schijnproblemen zijn; de vraag naar de ‘zin’ der dingen kan in andere termen gesteld worden als de vraag naar de betekenis der woorden, en de gevestigde wereld van spreken en handelen kan volmaakt adequate criteria voor het antwoord geven.

Het betreft hier een rationele wereld die alle ontsnappingswegen verspert, alleen al door de belangrijkheid en de mogelijkheden van haar apparaat. De hogere cultuur uit het verleden betekende in haar relatie tot de realiteit van het dagelijkse leven vele dingen: oppositie en opschik, verontwaardiging en berusting. Maar het was eveneens de verschijningsvorm van het rijk der vrijheid: de weigering zich aangepast te gedragen. Een dergelijke weigering kan niet de pas worden afgesneden zonder een compensatie die méér bevrediging schijnt te geven dan de weigering. De overmeestering en versmelting van de tegengestelden, hetgeen zijn ideologische bekroning vindt in het omzetten van de hogere cultuur in een algemene cultuur, grijpt plaats op de materiële grondslag van toegenomen bevrediging. Dit is ook de grondslag voor een allesomvattende ontsublimering.

Artistieke vervreemding is sublimatie. Het roept beelden omtrent situaties in het leven, die niet te verenigen zijn met het gevestigde Realiteitsprincipe, maar die als culturele beelden draaglijk, zelfs opbouwend en bruikbaar worden. Nu wordt dit beeldenspel van haar kracht beroofd. Het inlijven ervan in keuken, kantoor en winkel, en de vrije handel erin ten bate van het zakenleven en het vermaak betekent in zekere zin ontsublimering: de bevrediging via omwegen wordt door de onmiddellijke bevrediging vervangen. Het is evenwel een ontsublimering die door een ‘machtspositie’ aan de kant van de samenleving tot stand wordt gebracht; de samenleving kan zich veroorloven meer dan vroeger toe te staan, omdat haar belangen de meest verborgen drijfveren van haar burgers zijn geworden en omdat het genot dat ze verschaft gunstig is voor de sociale samenhang en tevredenheid. Het Lustprincipe slokt het Realiteitsprincipe op; de seksualiteit wordt bevrijd (of liever geliberaliseerd) in sociaal opbouwende vormen. Dit houdt in dat er repressieve vormen van ontsublimering[15] zijn in vergelijking waarmee de gesublimeerde drijfveren en doelstellingen grotere afwijkingen vertonen, meer vrijheid inhouden en hardnekkiger weigeren de sociale taboes te gehoorzamen. Het blijkt dat op seksueel gebied inderdaad een dergelijke repressieve ontsublimering werkzaam is: en wel, — evenals bij de ontsublimering der hogere cultuur — als bijproduct van het netwerk van sociale controle in de technologische werkelijkheid, waardoor vrijheden uitgebreid worden terwijl de overheersing hand over hand toeneemt. De samenhang tussen ontsublimering en de technologische samenleving kan misschien het beste toegelicht worden door te laten zien hoe anders de huidige samenleving de energie van de instincten benut.

In deze samenleving is niet alle tijd die besteed wordt aan en met mechanische werktuigen werktijd (d.w.z. onaangename, maar noodzakelijke inspanning) en is niet alle energie die door het gebruik van een machine wordt uitgespaard werkkracht. De mechanisatie heeft ook libido, energie van de levensinstincten, ‘uitgespaard’ — d.w.z. ze heeft verschillende wegen die vroeger voor de libido openstonden om zich te verwerkelijken versperd. Dit is de kern van waarheid in het romantische contrast tussen de moderne reiziger en de rondtrekkende dichter of handwerksman, tussen de lopende band en het handwerk, de oude en moderne stad, fabrieksbrood en brood recht uit de oven, de zeilboot en de buitenboordmotor, enz. Het is waar dat deze romantische pretechnische wereld doortrokken was van ellende, zwaar werk en smerigheid en dat dit op zijn beurt als achtergrond voor alle genoegens en vreugde fungeerde. Maar toch was er een ‘landschap’, een medium voor libido-ervaring, dat niet meer bestaat.

Toen dit verdween (wat historisch op zichzelf een noodzakelijke voorwaarde voor vooruitgang was), werd een gehele dimensie van menselijke activiteit en passiviteit gedeërotiseerd. De omgeving waaruit een individu lust kon putten — die hij als genot verschaffend kon accapareren als een soort verlengstuk van lichaamszones — werd rigoureus ingeperkt. Als gevolg hiervan is de ‘wereld’ der libidineuze kathexis op dezelfde wijze ingeperkt. Het resultaat is lokalisatie en contractie van de libido, reductie van de erotische ervaring en bevrediging tot een seksuele.[16] Vergelijk bv. eens een vrijage in een wei en in een auto, in een beschaduwd laantje buiten de stadswallen en op straat in Manhattan. In de eerstgenoemde gevallen heeft de omgeving deel aan de kathexis van de libido, is daar een uitnodiging toe en wordt gemakkelijk geërotiseerd. De libido stijgt boven de onmiddellijk erogene zones uit — een niet-repressief sublimatieproces. In tegenstelling hiermee schijnt een gemechaniseerde omgeving een dergelijke zelfoverstijging van de libido te blokkeren. Gehinderd in het streven om het veld van erotische bevrediging te vergroten, wordt de libido minder ‘polymorf’, minder in staat tot erotiek buiten de gelokaliseerde seksualiteit, en deze laatste wordt verhevigd.

Terwijl de technologische werkelijkheid op deze wijze de erotische energie vermindert en de seksuele energie opvoert, perkt ze het bereik der sublimatie in. Eveneens vermindert zij de behoefte aan sublimatie. In het geestelijk apparaat schijnt de spanning tussen datgene wat begeerd wordt en datgene wat wordt toegestaan aanzienlijk verminderd en het lijkt wel alsof het realiteitsprincipe geen allesomvattende en pijnlijke transformatie van de instinctieve behoeften meer nodig heeft. Het individu moet zich aan een wereld aanpassen die van hem niet de verloochening van zijn meest innerlijke behoeften schijnt te eisen — aan een wereld die niet wezenlijk vijandig is.

zó wordt het organisme geconditioneerd tot een spontaan aanvaarden van wat aangeboden wordt. Voor zover de grotere vrijheid eerder een inperking dan een verruiming en ontplooiing der instinctieve behoeften betekent, beïnvloedt het de status-quo van algemene onderdrukking eerder gunstig dan ongunstig — men zou kunnen spreken over ‘geïnstitutionaliseerde ontsublimering’. Dit schijnt een hoogst belangrijke factor te zijn bij het vormen van de autoritaire persoonlijkheid van onze tijd.

Er is vaak opgemerkt dat de hoogindustriële samenleving met een grotere seksuele vrijheid werkt — ‘werkt’ in deze zin, dat de seksuele vrijheid een marktwaarde krijgt en een factor in de maatschappelijke zeden wordt. Het lichaam mag in de wereld van de alledaagse arbeid vrijelijk zijn seksuele eigenschappen ten toon stellen, zonder dat het ophoudt werkinstrument te zijn. Dit is één van de unieke prestaties van de industriële samenleving — en dit is mogelijk gemaakt doordat het vuile en zware lichamelijke werk verminderd is, doordat goedkope en aantrekkelijke kleding, schoonheidsbehandelingen en lichamelijke hygiëne binnen ieders bereik liggen, doordat de reclame-industrie het nodig heeft, enz. Het ‘sexy’ kantoor- en winkelmeisje en de knappe, mannelijke assistent-bedrijfsleider en verkoper staan in de markt hoog genoteerd en het hebben van de juiste maîtresses — eens het prerogatief van koningen, prinsen en hertogen — maakt het zelfs voor de minder verheven rangen in de zakenwereld eenvoudig om carrière te maken.

Het functionalisme dat op de artistieke toer gaat begunstigt deze ontwikkeling. Door de enorme glazen ramen staan winkels en kantoren open en stellen het personeel ten toon; binnen worden de hoge toonbanken en ondoorzichtige afscheidingen steeds lager. Doordat de massale flatgebouwen en het nieuwe type middenstandswoningen het privé-leven aantasten, wordt de vroegere scheiding tussen het individuele bestaan en het openbare afgebroken en valt er meer licht op de aantrekkelijke eigenschappen van de man of vrouw van een ander.

Deze socialisatie staat niet in tegenstelling tot, maar is een aanvulling op de deërotisatie van de omgeving. Seks is in de werk- en omgangsverhoudingen geïntegreerd en is zodoende meer gericht op (gecontroleerde) bevrediging. De technische vooruitgang en het comfortabeler leven maken het mogelijk, dat er in het geheel van productie en ruil systematisch libidineuze componenten worden opgenomen. Hoezeer het opwekken van de instinct-energie ook onder controle gebeurt (soms zelfs in die mate dat het een wetenschappelijk management van de libido wordt); hoezeer het ook dienst doet als stut voor de status-quo — het blijft bevredigend voor de gemanipuleerde individuen, net zoals het leuk is met een buitenboordmotor te spelen, de gemotoriseerde grasmaaier te besturen en hard te rijden in een auto.

Aan dit mobiliseren en leiden van de libido is het misschien in belangrijke mate te wijten dat men zich vrijwillig onderworpen toont, dat er geen terreur heerst en dat er een vooraf-vastgestelde harmonie bestaat tussen individuele behoeften en sociaal vereiste verlangens, doeleinden en ambities. De technologische en politieke overmeestering van de transcenderende factoren in het menselijk bestaan, die zo karakteristiek is voor de hoogindustriële beschaving, werkt hier dóór in de sfeer van het instinct: bevrediging op een wijze waardoor onderwerping opgeroepen en de redelijkheid van een protest verzwakt wordt.

Het assortiment van sociaal aanvaardbare en gewenste bevrediging wordt aanzienlijk uitgebreid, maar door deze bevrediging wordt het lustprincipe ingeperkt — beroofd van die eisen die niet verenigbaar zijn met de gevestigde samenleving. Lust, op deze wijze aangepast, leidt tot onderwerping.

In tegenstelling tot de genoegens van de aangepaste ontsublimering laat sublimatie het bewustzijn van de ontzeggingen die de repressieve samenleving aan het individu opdringt en zodoende ook de behoefte aan bevrijding intact. Natuurlijk wordt iedere sublimatie door de macht der samenleving opgelegd, maar het ongelukkig bewustzijn van deze macht betekent reeds een doorbreking van de vervreemding. Natuurlijk erkent iedere sublimatie het bestaan van sociale barrières voor de bevrediging van de instincten, maar anderzijds overschrijdt zij deze barrières. Door het onbewuste te censureren en het individu een geweten te geven censureert het superego eveneens de censor, omdat het ontwikkelde geweten niet alleen in het individu maar ook in zijn samenleving het verboden kwaad registreert. Omgekeerd werkt afstomping van het geweten door de bevrediging schenkende vrijheden die een onvrije samenleving verschaft een gelukkig bewustzijn in de hand, waardoor men er gemakkelijk toe komt de euveldaden der samenleving te aanvaarden. Hieraan kan men een afnemende autonomie en een verminderd begrip herkennen. Sublimatie vereist in hoge mate autonomie en begrip; zij vervult een bemiddelende functie tussen het bewustzijn en het onbewuste, tussen de primaire en secundaire processen, tussen het intellect en het instinct, tussen verzaking en opstand. In haar meest zuivere vormen, zoals in het artistieke oeuvre, wordt sublimatie de cognitieve kracht die de overheersing overwint door zich eronder te buigen. Gezien in het licht van de cognitieve functie van deze vorm van sublimatie toont de ontsublimering die in de hoogindustriële samenleving om zich heen grijpt haar waarlijk conformistische gedaante. Deze bevrijding van de seksualiteit (en van de agressiviteit) bevrijdt de instinctieve driften grotendeels van de onvrede en de ontevredenheid, waardoor de repressieve kracht van het nu gangbare soort bevredigingen aan het licht komt. Natuurlijk bestaat er nog een stuk onvrede en staat het gelukkige bewustzijn vrij wankel — een dun vlies over vrees, frustratie en afschuw. Deze onvrede leent zich uitstekend voor politieke mobilisatie; wordt er geen plaats ingeruimd voor een bewuste ontplooiing, dan zal zij het reservoir van instincten kunnen worden voor een nieuwe fascistische wijze van leven en sterven. Maar er zijn vele manieren waarop de onvrede die onder het gelukkige bewustzijn schuilgaat omgezet kan worden in een bron van kracht en samenhang voor de sociale orde. De conflicten van het verontruste individu schijnen veel gemakkelijker opgelost te kunnen worden dan die conflicten die leiden tot wat Freud noemt het ‘onbehagen in de cultuur’, en zij schijnen meer adequaat te kunnen worden omschreven in termen als ‘de neurotische persoonlijkheid van onze tijd’ dan in de termen van de eeuwige strijd tussen Eros en Thanatos.

De wijze waarop gecontroleerde ontsublimering de opstand der instincten tegen het gevestigde Realiteitsprincipe kan verzwakken kan men duidelijker maken met behulp van de tegenstelling tussen de voorstelling der seksualiteit in de klassieke en romantische literatuur en in onze hedendaagse literatuur. Als men uit de werken die tot in hun wezen en innerlijke vorm bepaald worden door de erotische betrokkenheid een aantal essentieel verschillende voorbeelden kiest zoals Racines ‘Phèdre’, Goethes ‘Wahlverwantschaften’, Baudelaires ‘Les Fleurs du Mal’, Tolstojs ‘Anna Karenina’, dan wordt men daarin telkens weer geconfronteerd met een in hoge mate gesublimeerde, ‘bemiddelde’ en reflexieve vorm van seksualiteit; maar in deze vorm is zij absoluut, onwrikbaar en onvoorwaardelijk. Van meet af aan is het rijk van Eros eveneens dat van Thanatos. Vervulling is vernietiging, niet in morele of sociologische, maar in ontologische zin. Dit staat boven goed en kwaad, boven de sociale zedenleer en blijft op zo’n manier buiten de klauwen van het gevestigde realiteitsprincipe dat door deze Eros wordt geweigerd en ondermijnd.

In tegenstelling hiermee stoot men overal op ontsublimeerde seksualiteit bij O’Neills alcoholisten en Faulkners wilden, in de ‘Streetcar named Desire’ en onder de ‘Hot Tin Roof’, in ‘Lolita’, in alle verhalen over orgieën in Hollywood en New York en in de avontuurtjes van middenstandsvrouwen. Dit alles is oneindig veel realistischer, gedurfder en ongeremder. Het is part en deel van de samenleving waarin het zich afspeelt, maar nergens een ontkenning ervan. Alles wat er gebeurt, is wild en obsceen, robuust en pikant genoeg, volstrekt immoreel — maar juist daardoor volmaakt onschadelijk.

Nu de seksualiteit bevrijd is van de gesublimeerde vorm waaraan haar onverzoenlijke dromen juist te herkennen waren — een vorm die uit de stijl, de taal waarin het verhaal verteld wordt bestaat — nu wordt de seksualiteit de rivier waarop de bestsellers van de onderdrukking komen afzakken. Van geen der ‘sexy’ vrouwen in de hedendaagse literatuur kan gezegd worden wat Balzac over de hoer Esther zegt: dat zij een tederheid bezat die slechts in de oneindigheid opbloeit. Deze samenleving maakt alles wat zij beroert tot een potentiële bron van vooruitgang en uitbuiting, van sleur en bevrediging, van vrijheid en onderdrukking. De seksualiteit vormt hierop geen uitzondering.

Het idee van een gecontroleerde ontsublimering zou de mogelijkheid insluiten dat de onderdrukte seksualiteit en agressiviteit tegelijkertijd vrijgemaakt zouden worden; deze mogelijkheid schijnt niet verenigbaar te zijn met Freuds idee omtrent de vaste hoeveelheid instinct-energie die beschikbaar is om over de twee primaire driften verdeeld te worden. Volgens Freud zou een versterking van de seksualiteit (libido) noodzakelijkerwijs een verzwakking van de agressiviteit inhouden en omgekeerd. Als echter de sociaal aanvaardbare en aangemoedigde bevrijding van de libido betrekking zou hebben op partiële en gelokaliseerde seksualiteit, zou dit eigenlijk neerkomen op een concentratie der erotische energie en déze ontsublimering zou zeer wel te verenigen zijn met de groei van niet-gesublimeerde én gesublimeerde vormen van agressiviteit. Deze viert hoogtij in de hedendaagse industriële samenleving.

Is dit zó normaal geworden, dat de individuen in de loop van de normale nationale paraatheid gewend beginnen te raken aan het gevaar, dat zij zelf tot stof verpulverd zullen worden? Of leggen zij zich er enkel bij neer omdat ze er nu toch eenmaal weinig aan kunnen doen? In ieder geval is het risico van een niet noodzakelijke en door de mens zelf veroorzaakte vernietiging een stuk van de gewone geestelijke en materiële bagage van de gemeenschap geworden, zodat dit niet meer dienst kan doen om het gevestigde sociale systeem aan te klagen of te weerleggen. Bovendien kan het als behorend tot de gewone uitrusting de mensen zelfs aan dit systeem binden. De economische en politieke samenhang tussen de absolute vijand en de hoge levensstandaard (en de gewenste werkgelegenheid!) is inzichtelijk genoeg, maar ook redelijk genoeg om aanvaard te worden.

Als we aannemen dat de Vernietigingsdrift (in laatste instantie: de Doodsdrift) een groot deel levert van de energie die de technische verovering op mens en natuur mogelijk maakt, ziet het er naar uit, dat het groeiend vermogen van de samenleving om de technische vooruitgang te manipuleren eveneens het vermogen om dit instinct te manipuleren en te controleren, d.w.z. het ‘op productieve wijze’ te bevredigen, vergroot. Dan zou de sociale samenhang op het diepste instinctieve niveau versterkt worden. De slachtoffers zouden dan het grootste risico en zelfs een feitelijke oorlog niet alleen in machteloosheid aanvaarden, maar zelfs instinctief goedkeuren. Ook hier zouden we gecontroleerde ontsublimering hebben.

Op deze manier wordt geïnstitutionaliseerde ontsublimering een aspect van de ‘verovering op de transcendentie’ zoals die door de eendimensionale samenleving is bereikt. Precies zoals deze samenleving de neiging heeft de oppositie (het kwalitatieve verschil]) op het terrein van de politiek en de hogere cultuur terug te dringen en zelfs te absorberen, evenzo gaat ze te werk in de instinctieve sfeer. Het gevolg is dat de geestelijke organen die de mens in staat stellen om de contradicties en de alternatieven vast te stellen atrofiëren en dat in de enig overblijvende dimensie van de technologische rationaliteit het gelukkig bewustzijn de overhand krijgt.

Hierin komt het geloof tot uiting dat het werkelijke ook het verstandige is en dat, ondanks alles, het gevestigde systeem in alle noden voorziet. In het productieapparaat vindt het volk, van hogerhand geleid, het doelmatige subject van denken en doen, waaraan hun persoonlijk denken en doen overgeleverd kan en moet worden. En in deze overdracht neemt het apparaat ook de rol van morele instantie op zich. Het geweten wordt door de dingwording, door de algemene noodzaak der dingen schoongewassen. Binnen deze algemene noodzaak is er geen plaats voor schuld. Eén man kan het teken geven waarop honderdduizenden mensen worden geliquideerd, kan zich daarna vrijpraten van gewetensbezwaren en nog lang en gelukkig leven. De antifascistische machten die het fascisme op de slagvelden hebben overwonnen, plukken de vruchten van de arbeid der nazigeleerden, -generaals en -ingenieurs; historisch gezien hebben zij het voordeel van het nakomertje. Wat oorspronkelijk de gruwelen der concentratiekampen waren, wordt nu de praktijk bij de opleiding van mensen voor abnormale omstandigheden: een menselijk bestaan onder de grond en een dagelijkse dosis radioactief voedsel. Een christelijk predikant verkondigt, dat het niet met de christelijke beginselen in strijd is je buurman met alle geweld uit je schuilkelder te houden. Een andere christelijke predikant spreekt zijn collega tegen en zegt dat het er wel mee in strijd is. Wie heeft gelijk? Weer etaleert de technologische rationaliteit haar neutraliteit ten opzichte van de politiek en wéér etaleert ze haar onoprechtheid, want in beide gevallen dient ze de politiek der overheersing.

‘De wereld der concentratiekampen ... was geen uitzonderlijk monsterlijke samenleving. Wat we daar zagen was het beeld en in zekere zin de kwintessens van de helse samenleving waarin wij iedere dag weer ondergedompeld worden.’[17]

Het ziet er naar uit dat zelfs de meest afgrijselijke buitensporigheden op z’n manier verdrongen kunnen worden, dat ze in de praktijk geen gevaar meer vormen voor de samenleving. Ofwel, als ze doorbreken veroorzaken ze functionele storingen in het individu (zoals het geval was bij één Hiroshima-piloot), maar verstoren ze het functioneren der samenleving niet. Een psychiatrische inrichting vangt de storing op.

Het gelukkig bewustzijn kent geen grenzen — het ontwerpt spelletjes met dood en verminking waarin pret, teamwork en strategisch belang samengaan en zich vermengen tot een profijtelijke sociale harmonie. De ‘Rand Corporation’, waarin de wetenschap, de research, de krijgsmacht, het geestelijk klimaat en het goede leven verenigd zijn, geeft in RAND-om News (deel 9, nr. 1) onder de titel Better Safe than Sorry een verslag over dergelijke spelletjes waar de schranderheid de vlag is die elke lading dekt. De raketten staan klaar, de H-bom ligt te wachten, de ruimteschepen zijn de lucht in en het probleem is: ‘hoe de natie en de vrije wereld te beschermen’. Bij dit alles lopen de militaire strategen bezorgd rond, want ‘de prijs voor het nemen van risico, voor het experimenteren en voor een foutieve beslissing kan schrikbarend hoog zijn’. Maar dan snelt RAND toe; RAND biedt de helpende hand en ‘er komen leuzen als RAND’s SAFE in het beeld’. Het beeld, waarbinnen ze optreden, wordt vaag gehouden. Het is een beeld waarin ‘de wereld een kaart wordt, projectielen louter symbolen [lang leve de geruststellende kracht der symboliek!] en oorlog alleen maar [alleen maar!] plannen en berekeningen op papier ... In dit beeld heeft RAND de wereld omgevormd tot een interessant technologisch spel en we kunnen herademen: de ‘militaire strategen kunnen zonder gevaar waardevolle “synthetische” ervaring opdoen’.

Spelregels

Om het spel te kunnen begrijpen moet men meespelen, want begrip ligt ‘in de ervaring’.

Omdat SAFE-spelers uit bijna alle afdelingen van zowel RAND als de luchtmacht komen, kunnen we in de Blauwe Groep een natuurkundige, een ingenieur en een econoom aantreffen. De Rode Groep zal een soortgelijke samenstelling vertonen.

De eerste dag wordt besteed aan een gezamenlijke instructie over de bedoeling van het spel en aan het bestuderen van de spelregels. Wanneer tenslotte de groepen in hun eigen groepskamers rond de landkaarten zitten, begint het spel. Iedere groep ontvangt van de Spelleider haar politieke berichtgeving. Deze mededelingen die meestal door een lid der Controle Groep worden opgesteld, behelzen een beoordeling van de situatie waarin de wereld op het moment van het spel zich bevindt, enige informatie over de politiek van de andere groep, de doeleinden die de groep zal moeten nastreven en de begroting waar ze zich aan te houden heeft. (De politiek wordt voor ieder spel veranderd zodat een groot aantal strategische mogelijkheden wordt onderzocht.) In ons hypothetisch spel is het het doel van Blauw gedurende het hele spel een afschrikwekkende macht te handhaven — d.w.z. een krijgsmacht in stand te houden die in staat is Rood af te straffen, zodat Rood niet graag een aanval zal wagen. (Bovendien ontvangt Blauw enige informatie omtrent de tactiek van Rood.)

De tactiek van Rood is erop gericht een militair overwicht op Blauw te bereiken.

De begrotingen van Blauw en Rood zijn te vergelijken met echte defensiebegrotingen ...

Het is een geruststellend idee te weten, dat het spel sinds 1961 bij RAND wordt gespeeld: ‘in de labyrinten van onze kelders — ergens onder de snackbar’ en dat ‘er op de muren van de Rode en Blauwe Kamer lijsten hangen van de verkrijgbare wapens en ijzerwaren die de partijen kopen ... Bij elkaar vermelden deze zo ongeveer zeventig verschillende artikelen’. Er is een ‘Spelleider’ die de spelregels uitlegt, want hoewel ‘de spelregels tezamen met de diagrammen en tekeningen 66 bladzijden beslaan’, rijzen er onvermijdelijk moeilijkheden tijdens het spel. De Spelleider heeft nog een andere belangrijke functie: ‘zonder vooraf de spelers te waarschuwen’ ‘veroorzaakt hij een oorlog om een idee te krijgen van de doelmatigheid der bestaande strijdkrachten’. Maar daarna verschijnt er een mededeling: ‘Koffie, Gebak en Ideeën’. Relaxen! Het ‘spel wordt voortgezet met de volgende perioden — tot 1972, wanneer het beëindigd wordt. Dan begraven de Rode en Blauwe Partij hun projectielen en komen onder het genot van koffie met gebak samen voor de “post mortem” vergadering’. Maar wees niet al te zeer gerust: er bestaat ‘één situatie in de werkelijke wereld die niet doeltreffend naar “SAFE” overgeheveld kan worden’ en dat is: ‘onderhandelingen’. Wij zijn er dankbaar voor: de enige hoop die ons in de situatie in de werkelijke wereld nog rest, ligt buiten het bereik van RAND.

Het is zo klaar als een klontje dat het rijk van het Gelukkig Bewustzijn geen plaats bied aan schuldgevoelens; de berekening zorgt wel voor het geweten. Wanneer het geheel op het spel staat, bestaat er slechts één misdaad: het geheel afwijzen of niet verdedigen. Misdaad, schuld en schuldgevoelens worden een privé-aangelegenheid. Freud liet in de psyche van het individu de misdaden der mensheid zien, in de geschiedenis van het individuele geval de geschiedenis van het geheel. Deze noodlottige schakel wordt met succes verdonkeremaand. Zij die zichzelf met het geheel identificeren, die een plaats als leider en verdediger van het geheel hebben ingenomen, kunnen zich vergissen, maar ze kunnen geen kwaad doen — ze zijn niet schuldig. Ze kunnen weer schuldig worden als deze identificatie wegvalt, als ze verdwenen zijn.


[1] Om misverstand te voorkomen: binnen hun mogelijkheden zijn pocketboeken, leerplicht en langspeelplaten werkelijk een weldaad.
[2] Stefan George, in Arnold Schönbergs Kwartet in Fis Mineur. Zie Th. W. Adorno, Philosophie der neuen Musik (Tübingen 1949) 19 vv.
[3] Bertolt Brecht, Schriften zum Theater (Berlin-Frankfurt 1957) 7, 9.
[4] Ibid. 76.
[5] Ibid. 63.
[6] Paul Valéry, Poésie et Pensée Abstraite, in: Oeuvres I (Paris 1957) 1324.
[7] ‘le travall qui fait vivre en nous ce qui n’existe pas’: Ibid. 1333.
[8] Ibid. 1327 (met betrekking tot de taal der muziek).
[9] Zie hoofdstuk 7.
[10] Zie hoofdstuk 5.
[11] ‘détruisait les rapports du langage et ramenait le discours à des stations des mots’ Roland Barthes, Le Degré zéro de l’écriture (Paris 1963) 72 (cursivering van Marcuse).
[12] ‘La Nature y devlent un discontinu d’objets solitaires et terribles, parce qu’ils n’ont que des liaisons virtuelles; personne ne choisit pour eux un sens privilégié ou un emploi ou un service, personne ne les réduit à la signification d’un comportement mental ou d’une intention, c’est-à-dire finalement d’une tendresse ... Ces mots-objets sans liaison, parés de toute la violence de leur éclatement ... ces mots poétiques excluent les hommes; il n’y a pas d’humanisme poétique de la modernité: ce discours debout est un discours plein de terreur, c’est-à-dire qu’il met l’homme en liaison non pas avec les autres hommes, mais avec les images les plus inhumaines de le Nature; le ciel, l’enfer, le sacré, l’enfance, la folie, la matière pure, etc.’ Ibid. pag. 73 vv.
[13] ‘sind der Inbegriff dessen, was die Sachlichkeit mit einem Tabu zudeckt, weil es sie an Ihr eigenes dinghaftes Wesen gemahnt und daran, dass sie nicht damit fertig wird, dass ihre Rationalität irrational bleibt. Der Surrealismus sammelt ein, was die Sachlichkeit den Menschen versagt; die Entstellungen bezeugen, was das Verbot dem Begehrten antat. Durch sie errettete er das Veraltete, ein Album von Idiosynkrasieen, in denen der Glücksanspruch verraucht, den die Menschen in ihrer eigenen technifizierten Welt verweigert finden.’ Th. W. Adorno, Noten zur Literatur (Berlin 1958) 160.
[14] De legendarische revolutionaire held, die zelfs televisie en pers kan tarten, bestaat nog wel — zijn wereld is die van de ‘onderontwikkelde’ landen.
[15] Zie mijn boek Eros and Civilization (Boston 1954), speciaal hoofdstuk X.
[16] In overeenstemming met de terminologie die in de latere werken van Freud wordt gebruikt: seksualiteit als een ‘gespecialiseerde’ partiële drift; eros als die van het gehele organisme.
[17] E. Ionesco in Nouvelle Revue Française, juli 1956, geciteerd in ‘London Times Literary Supplement’, 4 maart 1960. Herman Kahn doet in een RAND-studie uit 1959 (RM-2206-RC) het voorstel: ‘er zou een studie gemaakt moeten worden over de vraag hoe groepen mensen in leven kunnen blijven onder omstandigheden die overeenkomen met die in overbevolkte schuilkelders (concentratiekampen, volgepropte goederenwagons waar Russen en Duitsers zich van bedienden, troepenschepen, overbezette gevangenissen ... enz.) Men zou enige nuttige grondbeginselen kunnen vinden en deze kunnen aanpassen aan het schuilkelderprogramma.’