Herbert Marcuse

De eendimensionale mens

Studies over de ideologie van de hoogindustriële samenleving



Geschreven: 1964
Bron:Uitg. Paul Brand, 1968, in samenwerking met de stichting Werkgroep 2000
Eerste versie: One Dimensional Man - Studies in the Ideology of Advanced Industrial Society, Beacon Press Boston 1964
Vertaling: Uitg. Paul Brand
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee voor het Marxists Internet Archive, oktober 2007


Inhoudsopgave


Inleiding

De verlamming van de kritiek: een samenleving zonder oppositie

De eendimensionale samenleving

I. De nieuwe vormen van controle

II. Het afsluiten van de politieke wereld

III. De overmeestering van het ongelukkig bewustzijn: repressieve ontsublimering

IV. Het afsluiten van de wereld van de taal

Het eendimensionale denken

V. Het negatieve denken: de overwonnen logica van het protest

VI. Van negatief naar positief denken: technologische rationaliteit en de logica der overheersing

VII. De zegepraal van het positieve denken: eendimensionale filosofie

De kansen voor de alternatieven

VIII. Het historische engagement van de filosofie

IX. De ramp van de bevrijding

X. Conclusie


Voor Inge


Dankbetuigingen
Mijn vrouw is minstens gedeeltelijk verantwoordelijk voor de opvattingen die in dit boek weergegeven worden. Ik ben haar oneindig dankbaar.
Mijn vriend Barrington Moore jr. heeft mij met zijn kritische opmerkingen zeer veel hulp geboden; hij heeft mij in discussies gedurende lange jaren gedwongen, mijn ideeën te verduidelijken.
Robert S. Cohen, Arno J. Mayer, Hans Meyerhoff en David Ober hebben het manuscript in verschillende stadia gelezen en mij waardevolle suggesties gedaan.
De American Council of Learned Societies, de Louis M. Rabinowitz Foundation, de Rockefeller Foundation en de Social Science Research Council hebben mij beurzen toegekend, waardoor het voltooien van deze studies mij ten zeerste werd vergemakkelijkt.

Inleiding

De verlamming van de kritiek: een samenleving zonder oppositie

Doet de dreiging van een atoomramp waardoor het menselijk ras vernietigd zou kunnen worden niet tevens dienst om juist die krachten te beschermen die dit gevaar doen voortbestaan? Het onderzoek in de hedendaagse industriële samenleving naar de mogelijke oorzaken van zulk een ramp wordt in de schaduw gesteld door de pogingen haar te voorkomen. Deze oorzaken worden nog steeds niet met name genoemd, nog steeds niet aan de kaak gesteld, nog steeds niet aangevallen door het grote publiek, omdat de overduidelijke dreiging van buitenaf de voorrang krijgt — voor het Westen die van het Oosten, voor het Oosten die van het Westen. Even duidelijk is de noodzaak niet onvoorbereid te zijn, in wankel evenwicht te leven, de uitdaging aan te nemen. Wij berusten in het feit, dat in vredestijd vernietigingswapens worden geproduceerd, dat deze rommel vervolmaakt wordt en dat wij opgeleid worden voor een verdediging die zowel de verdedigers als het verdedigde misvormt.

Zodra we trachten een verband te leggen tussen de oorzaken van dit gevaar en de manier waarop de samenleving wordt georganiseerd en zelf haar leden organiseert, staan we onmiddellijk voor het feit, dat een hoogindustriële samenleving rijker, groter en beter wordt zolang zij het gevaar laat voortbestaan. De defensieve structuur maakt het leven voor een groot aantal mensen eenvoudiger en breidt de heerschappij van de mens over de natuur uit. Onder deze omstandigheden is het voor onze massamedia niet moeilijk particuliere belangen aan de man te brengen als waren zij de belangen van alle verstandige mensen. De politieke behoeften van de samenleving worden individuele behoeften en verlangens, de bevrediging ervan bevordert het zakenleven en het algemeen welzijn en het geheel schijnt de redelijkheid zelve te zijn.

En toch is deze samenleving in haar geheel irrationeel. Haar productiviteit heeft een vernietigende uitwerking op de vrije ontwikkeling van de menselijke vermogens en behoeften; haar vrede wordt in stand gehouden door constante oorlogsdreiging; haar groei is afhankelijk van de onderdrukking der werkelijke mogelijkheden de strijd om het bestaan te pacificeren — individueel, nationaal en internationaal. Deze onderdrukking, die zo diepgaand verschilt van die welke de vorige, minder ontwikkelde fasen van onze samenleving kenmerkt, werkt heden ten dage niet vanuit een situatie waarin natuurlijke en technische onvolwassenheid domineren, maar eerder uit een beheersing van natuur en techniek. De mogelijkheden (zowel intellectueel als materieel) van de hedendaagse samenleving zijn oneindig veel groter dan ooit tevoren — hetgeen betekent dat de overheersing van het individu door de samenleving een oneindig veel grotere reikwijdte heeft dan ooit tevoren. Onze samenleving onderscheidt zich hierdoor, dat zij de middelpuntvliedende sociale krachten eerder met technologie dan met terreur in bedwang houdt op grond van enerzijds een overdonderende efficiency, anderzijds een steeds stijgende levensstandaard.

Het blootleggen van de wortels van deze ontwikkelingen en het onderzoek naar hun historische alternatieven maakt deel uit van datgene wat beoogd wordt met een kritische theorie over de hedendaagse samenleving, een theorie welke deze samenleving analyseert in het licht van haar gebruikte en verwaarloosde of misbruikte mogelijkheden om het menselijk bestaan te verbeteren. Maar welke maatstaven moet men bij een dergelijke kritiek aanleggen?

In ieder geval spelen waardeoordelen een rol. De algemeen aanvaarde manier om een samenleving te organiseren wordt vergeleken met andere mogelijke manieren; manieren welke — naar men meent — meer kans bieden de strijd van de mens om zijn bestaan te verlichten; een bepaalde historische praxis wordt gemeten aan haar eigen historische alternatieven. Zo staat van het begin af iedere kritische theorie over de samenleving voor het probleem der historische objectiviteit, een probleem dat ontstaat op de twee punten waar de analyse waardeoordelen inhoudt:
1.
Het oordeel dat het menselijk leven de moeite waard is; of liever gezegd, dat het de moeite waard kan zijn en gemaakt behoort te worden. Dit oordeel ligt ten grondslag aan iedere intellectuele inspanning; het is het a priori van de sociale theorie en door dit oordeel af te wijzen (wat men, logisch gesproken, met alle recht kan doen) wijst men de theorie zelf af.
2.
Het oordeel dat er, in een gegeven samenleving, bepaalde mogelijkheden zijn om het bestaan van de mens te verbeteren en bepaalde wegen en middelen om deze mogelijkheden te verwerkelijken. Een kritische analyse behoort aan te tonen, dat deze oordelen objectief geldend zijn en het bewijs moet berusten op empirische gronden. De bestaande samenleving beschikt over intellectuele en materiële hulpbronnen, waarvan kwaliteit en kwantiteit vast te stellen zijn. Hoe kunnen deze hulpbronnen benut worden voor de optimale ontwikkeling en bevrediging der individuele vermogens en behoeften, met een minimum aan zware arbeid en ellende? De sociale theorie is historische theorie, en geschiedenis is het terrein van het mogelijke in het rijk van de noodzaak. De vraag is dus: welke wijzen van organisatie en exploitatie der beschikbare hulpbronnen bieden, onder de verschillende mogelijke en gerealiseerde manieren, de meeste kans op een optimale ontwikkeling?

Voor een poging om deze vragen te beantwoorden is allereerst een hele reeks abstracties noodzakelijk. Om de mogelijkheden tot een optimale ontwikkeling aan te kunnen wijzen en af te kunnen palen moet de kritische theorie abstraheren van de bestaande organisatie en exploitatie van de hulpbronnen der samenleving en van de resultaten van deze organisatie en exploitatie. Een dergelijk abstraheren waarbij men weigert het gegeven geheel van feiten te zien als de context die uiteindelijk beslist over de waarde hiervan, een dergelijke ‘transcenderende’ analyse der feiten in het licht van hun niet-gerealiseerde en verloochende mogelijkheden, behoort tot de structuur zelf van de sociale theorie. Zij stelt zich op tegenover alle metafysica door het streng historisch karakter van de transcendentie[1]. De ‘mogelijkheden’ moeten binnen het bereik van de betreffende samenleving liggen; zij moeten te omschrijven praktische doeleinden zijn. Op dezelfde wijze moet het abstraheren van de gevestigde instituties een bestaande tendens uitdrukken — d.w.z. er moet bij de betreffende bevolking een werkelijke behoefte aan hun omvorming bestaan. De sociale theorie heeft te maken met de historische alternatieven, welke de gevestigde samenleving besproken in de vorm van subversieve tendensen en krachten. De waarden die met de alternatieven verbonden zijn worden feiten wanneer zij in werkelijkheid zijn omgezet door de historische praxis. De theoretische concepties lopen uit op maatschappelijke verandering. Maar op dit punt plaatst de hoogindustriële samenleving de kritiek voor een situatie, die haar nu net haar basis schijnt te ontnemen. De technische vooruitgang, ontwikkeld tot een volledig systeem van overheersing en coördinatie, schept levensvormen (en machtsvormen) die schijnbaar de aan het systeem tegengestelde krachten verzoenen en ieder protest in naam van de historische verwachtingen m.b.t. het vrij zijn van zware arbeid en overheersing doen verstommen of weerleggen. De hedendaagse samenleving schijnt in staat te zijn sociale omwentelingen in te kapselen — kwalitatieve veranderingen die essentieel andere instituties, een nieuwe weg voor het productieproces en nieuwe bestaanswijzen voor de mens zouden creëren. Dit inkapselen van sociale omwentelingen is misschien wel de merkwaardigste prestatie van de hoogindustriële samenleving; het algemeen aanvaarden van een nationaal doel, het tweepartijenstelsel, de ondergang van het pluralisme, de heimelijke verstandhouding tussen het zakenleven en de vakbonden binnen een Sterke Staat getuigen van een versmelting der tegengestelden, hetgeen zowel het resultaat van als de noodzakelijke voorwaarde tot deze prestatie is.

Een vluchtige vergelijking reeds tussen de beginperiode van de theorie over de industriële samenleving en de huidige stand van zaken kan misschien duidelijk maken op welke wijze de basis van de kritiek veranderd is. Toen in de eerste helft van de negentiende eeuw de kritiek op de industriële samenleving nog in de kinderschoenen stond en de eerste begrippen over de alternatieven ontwikkelde, kreeg zij gestalte in een historische bemiddeling (mediation) tussen theorie en praktijk, waarden en feiten, behoeften en doeleinden. Deze historische bemiddeling greep plaats in het bewustzijn en in de politieke actie van de twee grote klassen die in de samenleving tegenover elkaar stonden: de bourgeoisie en het proletariaat. In de kapitalistische wereld zijn deze twee nog steeds de fundamentele klassen. De kapitalistische ontwikkeling heeft echter de structuur en de functie van deze klassen zódanig veranderd, dat zij kennelijk het proces van historische omvorming niet meer op gang kunnen brengen. In de meest ontwikkelde gebieden van de hedendaagse samenleving worden de vroegere tegenstanders samengebracht door het allesbeheersend belang dat zij hebben bij het in stand houden en verbeteren van de geïnstitutionaliseerde status-quo. En naarmate de technische vooruitgang de groei en samenhang van de communistische samenleving veilig stelt, wijkt zelfs het begrip kwalitatieve verandering voor de realistische ideeën van een niet-explosieve evolutie. Zo wordt bij ontstentenis van aanwijsbare gangmakers voor een sociale verandering de kritiek gedwongen tot een hoog abstractieniveau. Theorie en praktijk, het denken en het handelen bestrijken geen enkel gemeenschappelijk terrein. Zelfs de meest empirisch opgezette analyse van historische alternatieven lijkt een weinig realistische speculatie en zich met hen engageren schijnt een kwestie van persoonlijke (of groeps-)voorkeur. En toch: wordt de theorie weerlegd door het ontbreken van gangmakers? Hoewel de feiten schijnbaar de kritische analyse tegenspreken, blijft zij er toch aan vasthouden, dat de behoefte aan kwalitatieve verandering even groot is als ooit tevoren. Wie heeft er behoefte aan? Het antwoord is nog steeds: de samenleving in haar geheel, voor ieder van haar leden afzonderlijk. Het samengaan van een stijgende productiviteit met een stijgende kans op vernietiging, het balanceren boven de afgrond der complete uitroeiing, de algehele overgave van eigen denken, hopen en vrezen aan de beslissingen van de heersende machten, het laten voortbestaan van bittere armoede naast rijkdom zonder weerga, dit alles vormt ook voor de volstrekt onpartijdige toeschouwer een akte van beschuldiging — ook al is dit slechts een bijproduct van deze samenleving en niet haar ‘raison d’être’: haar overweldigende rationaliteit, die doelmatigheid en groei bevordert, is zelf irrationeel.

Door het feit dat de overgrote meerderheid der bevolking gedwongen wordt deze samenleving te aanvaarden, en haar ook aanvaardt, wordt zij nog niet minder irrationeel en minder laakbaar. Het onderscheid tussen echt en onecht bewustzijn, werkelijk en onmiddellijk belang blijft van waarde. Maar dit onderscheid zelf moet nieuw leven ingeblazen worden. De mensen moeten het tenslotte zelf leren zien en zo zelf hun weg leren kiezen van onecht naar echt bewustzijn, van hun onmiddellijk naar hun werkelijk belang. Dat kunnen zij alleen als zij de behoefte voelen om hun leven te veranderen, het positieve te ontkennen, weerstand te bieden. Juist deze behoefte weet de gevestigde samenleving des te beter te onderdrukken, naarmate zij beter in staat is ‘goederen te leveren’ op grote schaal en de wetenschappelijke overmeestering der natuur te gebruiken voor de wetenschappelijke overmeestering van de mens.

Nu de kritische theorie zich gesteld ziet tegenover het totaalbeeld van de prestaties der hoogindustriële samenleving, blijkt dat zij niet beschikt over een basis van waaruit zij deze samenleving kan transcenderen. Door dit tekort wordt de theoretische structuur zelf uitgehold: de categorieën van een kritische sociale theorie werden immers ontwikkeld in een periode waarin de behoefte aan afwijzing en rebellie was belichaamd in de actie van werkzame sociale krachten. Deze categorieën waren in essentie negatieve en oppositionele begrippen, die de bestaande tegenstellingen in de negentiende-eeuwse Europese samenleving omschreven. In de categorie ‘samenleving’ zelf kwam het scherpe conflict tot uiting tussen de sociale en politieke wereld — de samenleving gezien als vijandig aan de staat. Op dezelfde wijze gaven ‘individu’, ‘klasse’, ‘privé’ en ‘familie’ werelden en krachten aan, die nog niet geïntegreerd waren in de bestaande verhoudingen — spanningsvelden, terreinen van tegenspraak. Naarmate de industriële samenleving deze categorieën in zich opneemt, verliezen zij hun kritische inhoud en vervagen langzamerhand tot beschrijvende, verhullende of operationele termen.

Een poging om de kritische strekking van deze categorieën te heroveren en om te begrijpen hoe deze strekking door de sociale werkelijkheid werd uitgewist, wekt vanaf het begin de indruk dat men zich afkeert van een theorie die gekoppeld is aan een historische praxis en zich wendt tot het abstracte, speculatieve denken: van de kritiek der politieke economie tot de filosofie. Dit ideologisch karakter der kritiek vloeit voort uit het feit dat de analyse noodgedwongen gemaakt wordt vanuit een uitgangspunt, dat ‘buiten’ zowel de positieve als negatieve, de productieve als vernietigende tendensen in de samenleving ligt. De moderne industriële samenleving is de indringende identiteit van deze tegenstellingen: het geheel ligt onder het mes. Tegelijkertijd kan een theorie niet louter speculatief zijn. Zij moet historisch zijn in deze zin, dat zij op de mogelijkheden van de gegeven samenleving gegrond moet zijn. Deze tweeslachtige positie brengt een nog fundamentelere tweeslachtigheid met zich mee. In De eendimensionale mens zal men voortdurend een schommeling waarnemen tussen twee tegengestelde hypothesen: 1. dat een hoogindustriële samenleving in staat is kwalitatieve verandering in de naaste toekomst in te kapselen; 2. dat er krachten en tendensen bestaan die dit vermogen tot inkapselen te boven kunnen gaan en de samenleving kunnen vernietigen. Ik geloof niet dat er een duidelijke keuze gemaakt kan worden. Beide tendensen bestaan naast elkaar — en zelfs in elkaar. De eerste tendens domineert en alle noodzakelijke voorwaarden voor een ommekeer worden gebruikt om hem te verhinderen. Een toevallige gebeurtenis kan misschien de situatie veranderen, maar tenzij de erkenning van wat er gedaan en wat er verhinderd wordt in het bewustzijn en het gedrag van de mens een revolutie teweegbrengt, zal zelfs een ramp de verandering niet bewerkstelligen.

De analyse richt zich op de hoogindustriële samenleving, waarin het technisch apparaat voor de productie en distributie (waarbij een voortschrijdende automatisering plaatsheeft) functioneert, echter niet als de som van louter instrumenten welke los van hun sociale en politieke effecten bekeken kunnen worden, maar als het systeem dat a priori zowel het product van het apparaat als de taken, noodzakelijk voor het onderhoud en de uitbreiding ervan, bepaalt. In deze samenleving heeft het productieapparaat de neiging totalitair te worden; en wel in die mate, dat zij niet alleen de voor de samenleving noodzakelijke beroepen, vaardigheden en mentaliteit bepaalt, maar ook de individuele behoeften en verlangens. Zo wist zij de tegenstelling tussen het privé bestaan en het openbare leven, tussen de individuele en de sociale behoeften uit. Technologie is een goede hulp bij het instellen van nieuwe, meer effectieve en aangename vormen van sociale controle en sociale cohesie. De totalitaire tendens in deze controle lijkt zich tevens op een andere wijze te doen gelden — door zich nl. ook uit te strekken tot de minder ontwikkelde en zelfs tot de pre-industriële streken der wereld en door punten van overeenkomst te creëren in de ontwikkeling van het kapitalisme en het communisme. Met deze totalitaire trekken van deze samenleving voor ogen kan men het traditionele idee van de ‘neutraliteit’ van de technologie niet meer handhaven. We kunnen de technologie niet meer losdenken van de wijze waarop zij wordt gebruikt; de technologische samenleving is een systeem van overheersing dat reeds op de opzet en structuur der technieken zijn invloed uitoefent.

In de wijze waarop een samenleving het leven van haar leden organiseert komt een aanvankelijke keuze tot uiting tussen historische alternatieven die bepaald worden door het overgeërfde niveau van de materiële en intellectuele cultuur. De keuze zelf is het resultaat van het spel der toonaangevende belangen. Zij anticipeert bepaalde manieren om de mens en de natuur om te vormen en te gebruiken en verwerpt andere manieren. Het is een ‘ontwerp’ ter realisering, onder andere ontwerpen.[2] Maar als het ontwerp eenmaal in de fundamentele instituties en verhoudingen doorwerkt, dan heeft het de neiging exclusief te worden en de ontwikkeling van de samenleving in haar geheel te bepalen. Als technologische wereld is de hoogindustriële samenleving een politieke wereld, de laatste fase in de verwerkelijking van een bepaald historisch ontwerp — nl. het beleven, omvormen en organiseren van de natuur als louter materiaal ter overheersing.

Terwijl het ontwerp wordt uitgewerkt, geeft het vorm aan het geheel van woord en daad, van intellectuele en materiële cultuur. In het medium van de technologie smelten de cultuur, de politiek en de economie samen tot een alomtegenwoordig systeem hetwelk alle alternatieven in zich opneemt of van zich afstoot. De productiviteit en het groeipotentieel van dit systeem stabiliseren de samenleving en zorgen ervoor, dat de technische vooruitgang binnen het kader der overheersing plaatsvindt. Technologische rationaliteit is politieke rationaliteit geworden. Bij de bespreking van de algemeen bekende tendensen der hoogindustriële beschaving heb ik zelden nauwkeurige verwijzingen gegeven. Het materiaal is verzameld en beschreven in de uitgebreide sociologische en psychologische literatuur over de technologie en de sociale verandering, de wetenschappelijk verantwoorde bedrijfsvoering, de corporatieve ondernemingen, de veranderingen in het karakter van de industriearbeid en van de arbeidsmarkt enz. Er bestaan vele niet-ideologische analysen van de feiten — zoals Serie en Means: ‘The Modern Corporation and Private Property’, de rapporten van het 76e congres van het Temporary National Economic Committee over ‘Concentration of Economic Power’, de publikaties van het AFL-C10 over ‘Automation and Major Technological Change’, maar ook die van ‘News and Letters’ en ‘Correspondence’ in Detroit. Graag zou ik de nadruk willen leggen op het buitengewone belang van het werk van C. Wright Mills en van de studies waar men vaak met minachting over spreekt vanwege hun simplificaties, overdrijvingen of gemakkelijke journalistieke taal: Vance Packard: ‘The Hidden Persuaders’, ‘The Status Seekers’ en ‘The Waste Makers’, William H. Whyte: ‘The Organization Man’ en Fred J. Cook: ‘The Warfare State’ horen in deze laatste categorie thuis.[i] Zeker, doordat er een theoretische analyse in deze studies ontbreekt, blijven de oorzaken van de beschreven toestanden in het duister verborgen; maar op zichzelf beschouwd spreken de omstandigheden reeds een duidelijke taal. Misschien zou men wel het meest overtuigende bewijsmateriaal kunnen krijgen door gewoon een paar dagen een uur lang naar de televisie te kijken of naar de commerciële radio te luisteren, waarbij men dan de knop niet omdraait als er reclame komt en af en toe van station wisselt.

Mijn analyse is voornamelijk gericht op tendensen in de meest ontwikkelde hedendaagse samenlevingen. In grote gebieden binnen en buiten deze samenlevingen overheersen de beschreven tendensen niet — ik zou zeggen: nog niet. Ik belicht deze tendensen en ik bied een paar hypothesen, meer niet.


[1] De termen ‘transcenderen’ en ‘transcendentie’ worden doorgaans in de empirische, kritische betekenis gebruikt: zij geven tendensen aan, zowel in de theorie als in de praktijk, welke in een gegeven samenleving ‘uitstijgen’ boven de algemeen aanvaarde wijze van spreken en handelen in de richting van haar historische alternatieven (werkelijke mogelijkheden).
[2] De term ‘ontwerp’ legt de nadruk op het aspect van vrijheid en verantwoordelijkheid in historische bepaling: het verbindt autonomie met contingentie. In deze betekenis wordt de term ook gebruikt in het werk van Jean-Paul Sartre. Zie voor een verdere bespreking hoofdstuk 8. (Voor de vertaling van de woorden ‘determine, determination, determinate’ is in het Nederlands gebruik gemaakt van: ‘bepalen, vaststellen, vastleggen’ of ‘gegeven, geleid’ — naargelang de context dit vraagt. Al deze woorden verwijzen naar de ‘gesituationeerde’ vrijheid, een vrijheid die ingeperkt, in haar mogelijkheden vastgelegd is door de bestaande omstandigheden).
[i] Van deze boeken zijn in het Nederlands vertaald: Vance Packard, De verborgen verleiders (Amsterdam 1958); Id., De status zoekers (Amsterdam 1960); Id., De afvalmakers (Amsterdam 1961); W. H. Whyte, De medewerker (Amsterdam 1965).