José Carlos Mariátegui

De inheemse kwestie


Geschreven: 1929
Bron: De Internationale, nummer 61, zomer 1997, jaargang 41, pp. 22-29
Deze versie: Spelling aangepast
Transcriptie: SAP - http://www.sap-rood.be
HTML: F., voor het Marxists Internet Archive, november 2007


Dit is de vertaling van een artikel dat Mariátegui stuurde naar het oprichtingscongres van de Latijns-Amerikaanse Vakcentrale. Men publiceerde de tekst in juli en augustus 1929 in het blad Amauta

Een beschouwing van het probleem

In de Latijns-Amerikaanse burgerlijke intellectuele bespiegelingen dient het inheemse vraagstuk er ondermeer toe om de werkelijke problemen van het continent te versluieren of te ontwijken. De marxistische kritiek heeft de onvermijdelijke plicht om deze kwestie in werkelijke termen te bepalen en het te ontdoen van alle sofistische en pedante dubbelzinnigheid. Economisch, sociaal en politiek is het inheemse vraagstuk net als de landkwestie fundamenteel het probleem van de liquidatie van het feodalisme.

De inheemse volkeren van Latijns-Amerika bevinden zich in een schaamteloze toestand van achterlijkheid en onwetendheid vanwege de onderdrukking waaronder zij zuchten sedert de Spaanse verovering. De uitbuitende klasse — eerst Spaans, later criollo — [Criollo: in het Spaanse koloniale kastensysteem etnisch Spaans van origine maar geboren in de koloniŽn — (Wikipedia) MIA] heeft vanuit haar belangen ondanks verschillende facades steeds de toestand van de inheemse volkeren verklaard vanuit hun inferioriteit of primitiefheid. Deze klasse heeft daarbij niets anders gedaan dan in deze interne nationale kwestie de redenering van het blanke ras over de behandeling en de onmondigheid van de koloniale volkeren te reproduceren. (...)

De uitbuiting van de inheemse volkeren in Latijns-Amerika wordt ook gerechtvaardigd met het voorwendsel dat dit de culturele en morele verlossing van de onderdrukte volkeren dient.

Ondertussen is gemakkelijk aan te tonen dat de kolonisatie van Latijns-Amerika door het blanke ras alleen maar geleid heeft tot achteruitgang en malaise in het leven van de onderdrukte volkeren. Hun natuurlijke ontwikkeling is onderbroken door de vernederende onderdrukking door de blanken en mestiezen. Volkeren als de Quechua en de Azteken, die een vergaande ontwikkeling van hun sociale organisatie hadden bereikt, vielen onder het koloniale regime terug tot de staat van versnipperde landbouwende stammen. De beschavingselementen die nog in de inheemse gemeenschappen zijn blijven bestaan, zijn vooral overblijfselen van de oude autochtone organisatie. Met de feodale landbouw heeft de blanke beschaving geen centra van stedelijk leven geschapen en zelfs geen industrialisatie en mechanisatie; op de latifundia in de hooglanden vertegenwoordigt de blanke heerschappij, met uitzondering van sommige veehouderijen, geen enkele vooruitgang ten opzichte van de oorspronkelijke cultuur, zelfs niet op technologisch vlak.

Wat wij het inheemse vraagstuk noemen, is de feodale uitbuiting van de inheemse volkeren door de grote landeigenaars. De Indianen zijn voor negentig procent geen proletariër, maar horige. Het kapitalisme als economisch en politiek systeem in Latijns-Amerika is niet in staat om een economie op te zetten die vrij is van feodale belemmeringen. Het vooroordeel van de inferioriteit van de inheemse volkeren staat de maximale uitbuiting van de inheemse werkers toe en degenen die zich deze voordelen toe-eigenen zijn niet bereid van een dergelijke winst af te zien. In de landbouw maken de vestiging van een loonsysteem en de mechanisatie geen eind aan het feodale karakter van de grote landbouw. Die perfectioneren alleen het systeem van uitbuiting van het land en van de boerenmassa’s. Een groot deel van onze bourgeoisie en gamonales (grote landeigenaren) houdt hartstochtelijk vast aan de theorie van de Indiaanse inferioriteit; de inheemse kwestie is in hun ogen een etnisch probleem, dat kan worden opgelost door een kruising van het inheemse ras met superieure buitenlandse rassen. Maar het vasthouden aan een feodale economie staat in onverzoenlijke tegenstelling tot een immigratie die voldoende is om een dergelijke transformatie door vermenging te bewerkstelligen. De lonen die betaald worden op de haciënda’s aan de kust en op de hooglanden (als het loonsysteem op die laatste al wordt toegepast) sluiten de mogelijkheid van het in dienst nemen van Europese immigranten in de landbouw uit. Boeren immigranten zouden nooit willen werken onder de voorwaarden waaronder de Indianen werken; zij zijn alleen aan te trekken als kleine zelfstandige boeren. De Indianen zijn voor het werk op het land van de haciënda’s aan de kust alleen vervangen door de Afrikaanse slaaf of de Chinese koelie. Op het ogenblik is het oostelijk bosgebied dat bekend staat als de Montana het exclusieve gebied voor kolonisatieplannen voor Europese immigranten. De stelling dat de inheemse kwestie een etnisch probleem is, is niet eens een discussie waard, maar het is wel de moeite waard om te bezien in welke mate deze voorgestelde oplossing botst met de belangen en mogelijkheden van de bourgeoisie en gamonalismo [komt van gamonal, of grote landeigenaar, en verwijst naar de exploitatie van de Indiaanse populatie, hoofdzakelijk door landeigenaars van Europese afkomst — MIA], waar men de aanhangers van deze stelling vindt.

Voor het Yankee of Engelse imperialisme zou de economische waarde van ons land veel minder zijn als ze naast haar natuurlijke rijkdommen niet ook kon beschikken over een achtergestelde en armoedige inheemse bevolking die ze tot het uiterste kan uitbuiten met behulp van de nationale bourgeoisie. De geschiedenis van de Peruaanse suikerindustrie, die nu in crisis is, laat zien dat haar winsten vooral gegrondvest waren op goedkope arbeid, dat wil zeggen op de ellende van de braceros. Deze industrie heeft nooit technologisch kunnen concurreren met andere landen op de wereldmarkt. Haar afstand tot de consumentenmarkt zadelde haar export op met hoge vrachtkosten. Maar al deze nadelen werden in hoge mate gecompenseerd door de goedkoopte van haar arbeidskrachten. Het werk van de tot slavernij gebrachte boerenmassa’s, die woonden in weerzinwekkende krotten, die geen enkele rechten of vrijheid kenden en die onderworpen waren aan een slopende werkdag, plaatste de Peruaanse suikerplanters in een positie om te kunnen concurreren met degenen die in andere landen hun land beter in cultuur brachten, of die beschermd werden door protectionistische maatregelen of die geografisch gunstiger lagen. Het buitenlandse kapitalisme gebruikt in haar eigen belang de feodale klasse om deze boerenmassa’s uit te buiten. Maar soms is het voor hun noodzakelijk — gezien de onkunde van deze latifundistas (erfgenamen van middeleeuwse vooroordelen, hooghartigheid en absolutisme) om hun functie als directeuren van kapitalistische ondernemingen uit te oefenen — om zelf de administratie van de latifundia en suikerfabrieken in eigen hand te nemen. Dit is wat er vooral in de suikerindustrie gebeurt, die in de Chicama vallei bijna compleet gemonopoliseerd wordt door een Engelse en een Duitse firma.

De inheemse bevolking speelt deze centrale rol in het probleem van het imperialisme. Maar het heeft nog een rol, waardoor de kwestie van de strijd voor nationale onafhankelijkheid in de Amerikaanse landen met een hoog percentage inheemse bevolking niet helemaal parallel loopt met dezelfde kwestie in Afrika of Azië. De feodale of burgerlijke elementen in onze landen voelen dezelfde minachting voor Indianen, zwarten en mulattos als de blanke imperialisten. Dit racistische sentiment bij de heersende klasse speelt absoluut in de kaart van de imperialistische overheersing. Er bestaat niets gemeenschappelijks tussen de inheemse boer of kapitalist en zijn gekleurde pandelingen. De solidariteit van racisme en vooroordelen gaan hand in hand met de klassensolidariteit en dat maakt de nationale bourgeoisie tot een dociel instrument van het Yankee of Brits imperialisme. En dit bewustzijn vinden we ook in een groot deel van de middenklassen, die de aristocratie en de bourgeoisie imiteren in hun minachting voor de gekleurde plebejer, zelfs als het volkomen duidelijk is dat zij zelf van gemengde nationale afkomst zijn.

De zwarte bevolking, die door de kolonisten naar Latijns Amerika is gebracht om hun macht over de inheemse Amerikaanse bevolking te versterken, heeft passief deze koloniale functie vervuld. Terwijl ze zelf hevig werd uitgebuit, versterkte ze de onderdrukking van de inheemse bevolking door de Spaanse overheersers. In de koloniale steden raakte ze meer gemengd en meer bekend met en stond ze dichterbij deze laatsten en dat maakte haar tot het hulpje van de blanke overheersing, ondanks alle uitbarstingen van hun turbulente en rusteloze geest. De Zwarten of mulattos vormden, in hun rol van ambachtslieden of huisbedienden, een plebejische kaste, waarover de feodale klasse altijd min of meer onvoorwaardelijk beschikte. De fabriek, de werkplaats en de bond bevrijden Zwarten van deze huisgebondenheid. Door het slechten van de raciale barrières tussen de arbeiders verheft het klassenbewustzijn de Zwarten moreel en historisch. De vakbond betekent de definitieve breuk van de slaafse gewoonten die door iemands positie als ambachtsman of huisbediende in stand worden gehouden.

De Indiaan is in geen enkel opzicht inferieur aan de mestizo in zijn bekwaamheid om zich progressieve technieken van de moderne productie eigen te maken. Integendeel, hij is daarin over het algemeen beter. Het idee van zijn raciale inferioriteit is nu dermate gediscrediteerd dat het geen weerlegging verdient. het vooroordeel van de blanke ten opzichte van de Indiaan, dat ook het vooroordeel van de mestizo is geweest, berust op geen enkel feit dat het waard zou zijn om in een wetenschappelijke studie te onderzoeken. De cocaïne manie en het alcoholisme van de inheemse bevolking, die vaak worden overdreven, zijn louter het gevolg, het resultaat van blanke overheersing. Gamonalismo voedt en exploiteert deze ondeugden, die in zekere zin versterkt worden door de strijd tegen de pijn, die bijzonder actief en intens is bij een onderworpen volk. De antieke Indianen dronken alleen chicha, een gefermenteerde korendrank, terwijl ze nu, nadat de blanken de verbouw van suikerriet hebben ingevoerd, alcohol drinken. De productie van alcohol uit suikerriet is een van de incest “zekere” en stabiele zaken van de latifundistas, die ook de productie van cocabladeren in de warme bergvalleien in handen hebben.

Enige tijd geleden heeft de Japanse ervaring het gemak laten zien waarmee andere dan Europese volkeren, rassen en culturen zich westerse wetenschap eigen konden maken en zich aan konden passen aan het gebruik van haar productieve techniek. De Indiaanse boer in de mijnen en fabrieken van de Peruaanse siërra bevestigt deze ervaring. (...)

Vanuit het vooroordeel over de inferioriteit van het inheemse ras, begint men nu naar het andere uiterste door te slaan: naar de schepping van een nieuwe Amerikaanse cultuur, die in essentie het werk zal zijn van autochtone bevolkingsgroepen. Degenen die deze stelling onderschrijven vervallen in het meest ongekunstelde en absurde mysticisme. Het zou belachelijk en gevaarlijk zijn om tegenover het racisme van degenen die de Indianen minderwaardig achten omdat ze geloven in de absolute en permanente superioriteit van het blanke ras, het racisme te stellen van degenen die de Indiaan overschatten met een Messiaans geloof in hun missie als ras in de Amerikaanse renaissance.

De mogelijkheid dat de Indianen zich materieel en intellectueel zullen verheffen hangt af van een verandering in hun sociaal-economische omstandigheden. De mogelijkheid is niet bepaald door ras, maar door economie en politiek. De bevolking is niet uit zichzelf gekomen tot een emancipatorisch ideaal en zal dat ook niet komen. Bovenal zal ze nooit de macht verwerven om dat ideaal op te leggen en te realiseren. Wat haar emancipatie realiseert is de dynamiek van een economie en cultuur die het zaad van het socialisme in zich draagt. Het Indiaanse volk werd niet veroverd door een etnisch of kwalitatief superieur volk, maar werd verslagen door haar technologie, die veel verder ontwikkeld was dan die van de inheemse bevolking. Kruit, ijzer en cavalerie waren geen raciale voordelen, het waren technologische voordelen. De Spanjaarden kwamen in deze verre regionen terecht omdat ze de navigatiemiddelen bezaten die het hun mogelijk maakten om de oceaan over te steken. Navigatie en handel maakten het hun later mogelijk om sommige natuurlijke hulpbronnen van hun kolonies te exploiteren. Het Spaanse feodalisme drong zich op aan de inheemse agrarische verhoudingen, waarbij het deels de oude gemeenschapsvormen respecteerde. Maar juist deze aanpassing riep een statische orde in het leven, een economisch systeem waarvan de stagnerende factoren de beste garantie vormden voor inheemse slavernij. De kapitalistische industrie breekt dit evenwicht, onderbreekt deze stagnatie, roept nieuwe productieve krachten in het leven en nieuwe productieverhoudingen. De arbeidersklasse groeit langzaam ten koste van de ambachtsman en de slavernij. De economische en sociale ontwikkeling van de natie komt in een tijdperk van activiteit en tegenstrijdigheid terecht, dat op ideologisch vlak de socialistische gedachte oproept en ontwikkelt.

De invloed van de raciale factor in dit geheel is overduidelijk onbelangrijk in vergelijking met de economische factor — productie, techniek, wetenschap etc. Zou het zonder de materiele elementen, geschapen door de moderne industrie, of het kapitalisme zo je wilt, mogelijk zijn om zelfs maar te denken aan een plan voor een socialistische staat, die is gebaseerd op de belangen en emancipatie van de inheemse massa’s? Het is ongetwijfeld de dynamiek van deze economie, dit regime, die alle verhoudingen onstabiel maakt en die ideologieën en klassen tegenover elkaar stelt, die een inheemse opstanding mogelijk maakt en dit feit wordt bepaald door het spel van economische, politieke, culturele en ideologische krachten en niet door raciale. De grootste beschuldiging aan het adres van de heersende klasse van de republiek is dat ze wel in staat is geweest om het transformatieproces van de koloniale economie in een kapitalistische economie te formuleren met een meer liberaal, meer burgerlijk, meer kapitalistisch begrip van haar missie, maar dat ze niet in staat is geweest dat proces te versnellen. Het feodalisme verhindert door haar stagnatie en traagheid de emancipatie en het ontwaken van de inheemse volkeren, terwijl het kapitalisme met haar eigen conflicten en vormen van uitbuiting de massa’s voortstuwt op de weg van hun eigen eisen en hun dwingt tot een strijd die hun materieel en mentaal voorbereidt om te heersen over een nieuwe orde.

De inheemse kwestie is niet hetzelfde in alle landen van Latijns-Amerika, bestaat ook niet in dezelfde mate en heeft niet overal dezelfde kenmerken. In sommige Latijns-Amerikaanse landen is het vooral een regionale kwestie en heeft het weinig invloed in het sociale en economische proces. Maar in landen als Peru en Bolivia en in iets mindere mate in Ecuador, waar het grootste deel van de bevolking inheems is, zijn de belangen van de Indianen de overheersende sociale belangen van de bevolking.

In deze landen is de inheemse kwestie nauw verweven met de factor klasse, op een manier waar iedere revolutionaire politiek rekening mee dient te houden. De Quechua of Aymara Indiaan ziet de mestizo, de blanke, als zijn onderdrukker. En onder de mestizo kan alleen klassenbewustzijn een eind maken aan zijn gebruikelijke minachting en afkeer voor de Indiaan. Het is niet ongewoon om vooroordelen over de minderwaardigheid van de Indianen te vinden onder de stedelijke elementen die zichzelf revolutionair vinden en die weigeren om dit vooroordeel simpelweg te erkennen als overblijfsel of intellectuele besmetting van hun omgeving. De taal vormt een barrière tussen de Indiaanse boerenmassa’s en de revolutionaire arbeiderskernen onder de blanke of mestizo bevolking. Maar door de aard van haar eisen zal de socialistische theorie spoedig wortelen onder de inheemse massa’s door middel van Indiaanse propagandisten. Wat er tot nu toe aan ontbroken heeft is de systematische voorbereiding van deze propagandisten. De ontwikkelde Indiaan, die gecorrumpeerd raakt door de stad, wordt over het algemeen een medeplichtige van de uitbuiters van zijn volk. Maar in het stedelijke revolutionaire arbeidersmilieu begint de Indiaan al revolutionaire ideeën in zich op te nemen en toe te passen. Hij begrijpt hun waarde als instrument voor de emancipatie van zijn volk, dat onderdrukt wordt door dezelfde klasse die in de fabriek de arbeider onderdrukt, die hij als zijn klassenbroeder ontdekt.

Het realisme van een socialistische politiek die zeker en precies is in z’n beoordeling en gebruik maakt van de werkelijkheid van deze landen, kan en moet de raciale factor in een revolutionaire factor omvormen. De huidige toestand in deze landen berust op een bondgenootschap tussen de feodale klasse van landeigenaars en de handelsbourgeoisie. Zodra het feodalisme van de latifunda’s verslagen is, beschikt het stedelijke kapitalisme niet meet over de macht om de opkomst van de arbeiders te weerstaan. Het gaat om een middelmatige zwakke bourgeoisie, die in geprivilegieerde omstandigheden ontstaan is, geen praktijk van strijd en organisatie kent en dagelijks terrein verliest aan de zwabberende kaste intellectuelen.

Socialistische critici in Peru zijn begonnen met het leggen van een nieuwe basis onder het inheemse vraagstuk en zij hebben een onverbiddelijke minachting en verachting voor alle burgerlijke en filantropische opvattingen die het beschouwen als een administratief, juridisch, moreel, religieus of onderwijsprobleem. Naar onze mening moeten we uit de economische en politieke basis van dit probleem en van de proletarische strijd om dit probleem op te lossen in Peru en naar analogie in de andere Latijns-Amerikaanse landen met een grote inheemse bevolking, de volgende conclusies trekken.

De sociaal-economische situatie van Peru’s inheemse bevolking

Er is geen recente volkstelling die ons duidelijk kan maken wat op dit moment precies de omvang van de inheemse bevolking is. Algemeen wordt er van uit gegaan dat de inheemse bevolking viervijfde van de totale bevolking van minstens vijf miljoen mensen uitmaakt. Hierbij wordt niet strikt van bevolkingscriteria uitgegaan, maar meer van de sociaal-economische situatie van de massa’s. Er zijn provincies waar de inheemse typologie in feite duidt op een sterke vermenging van bevolkingsgroepen. Maar in deze gebieden is het Europese bloed volkomen door het inheemse geassimileerd en het leven van de cholos, die voortkomt uit deze vermenging, verschilt niet van het leven van de Indianen zelf.

Niet minder dan 90 procent van deze inheemse bevolking werkt in de landbouw. De ontwikkeling van de mijnindustrie heeft sinds kort geleid tot een toename van de werkgelegenheid van de inheemse bevolking in de mijnen. Maar sommige mijnarbeiders blijven boeren. Er zijn Indianen van de “gemeenschappen”, die het grootste deel van het jaar in de mijnen werken, maar die gedurende het landbouwseizoen terugkeren naar hun kleine stukjes land die hier groot genoeg zijn om van te kunnen bestaan.

In de landbouw blijft tot op de dag van vandaag een systeem van feodale of semi-feodale arbeidsverhoudingen bestaan. Op de haciënda’s in de siërra is loonarbeid, zo het al bestaat, nog zo in een beginstadium en nog zo gedeformeerd dat de kenmerken van het feodale regime nauwelijks zijn veranderd. Over het algemeen krijgen de Indianen slechts een heel klein deel van de vrucht van hun arbeid. De grond wordt op bijna al het land van de latifundia’s nog op een primitieve manier bewerkt en hoewel de latifundistas altijd het beste voor zichzelf reserveren, zijn hun opbrengsten in vele gevallen lager dan die van het land van de “gemeenschappen”. De inheemse “gemeenschappen” behouden in sommige gebieden een deel van hun land, maar dat is te weinig voor hun behoeften, waardoor hun leden gedwongen zijn om te werken voor de latifundistas. De eigenaars van de latifundia, eigenaars van enorme stukken land, die meestal niet in cultuur zijn gebracht, hadden er meestal geen belang bij om de “gemeenschappen” hun traditionele eigendom af te pakken, want de gemeenschap die verbonden is met de haciënda maakt dat zij kunnen rekenen op hun eigen vaste arbeidskrachten. Wanneer een haciënda niet beschikt over een dergelijke bevolking gaat de eigenaar, in overleg met de autoriteiten, over tot gedwongen tewerkstelling van de peones (dagarbeiders), die zij nauwelijks betalen. Indianen, mannen, vrouwen en kinderen, worden gedwongen tot gratis herendiensten aan de landeigenaren en hun families en ook aan de autoriteiten.

Mannen, vrouwen en kinderen doen wisselend dienst voor de gamonales en de autoriteiten, niet alleen in de huizen van de haciënda’s, maar ook in de steden waar zij wonen. Deze onbetaalde diensten zijn meerdere keren wettelijk verboden, maar in de praktijk gaat het gewoon door, want geen wet kan ingaan tegen het mechanisme van de feodale orde zolang de structuur daarvan intact blijft.

De wet op de wegendienstplicht heeft recentelijk de feodale fysionomie van de siërra nog versterkt. Deze wet verplicht iedereen om iedere zes maanden zes dagen te werken aan het aanleggen of onderhouden van wegen of om een evenredige belasting te betalen in ieder gebied. De Indianen worden in veel gevallen gedwongen om ver van hun woonplaats vandaan te werken, wat hen dwingt nog meer dagen op te offeren. Ze zijn het slachtoffer van talloze schendingen van de wet door de autoriteiten onder het mom van wegendienst, die voor de inheemse massa’s het karakter heeft van de oude koloniale mitas (groepsarbeid die de Spanjaarden aan de inheemse bevolking oplegde).

In de mijnen overheerst de loonarbeid. In de mijnen Junin en La Libertad, waar de Cerro de Pasco en de Nothern Copper Corporations, de twee grote mijnondernemingen in de koperwinning, hun hoofdkwartier hebben, verdienen de arbeiders respectievelijk 2,5 en 3 soles. Deze lonen zijn ongetwijfeld hoog in verhouding tot de abjecte lonen (20 of 30 cent) die gebruikelijk zijn op de haciënda’s in de siërra. Maar de ondernemingen maken gebruik van de achterlijke positie van de inheemse bevolking in al z’n vormen. De huidige sociale wetgeving werkt bijna niet in de mijnen, waar de wetten op vergoedingen en de acht urendag niet worden toegepast en het recht op vereniging van de arbeiders niet wordt erkend. Iedere arbeider die ervan wordt beschuldigd om te proberen arbeiders te organiseren, al is het maar voor culturele doelen of voor onderlinge hulp, wordt onmiddellijk door het bedrijf ontslagen. Voor het werk in de gangen gebruiken de bedrijven over het algemeen “aannemers”, die het werk tegen de laagste kosten moeten uitvoeren en die dienen als uitbuitingsinstrument van de braceros. Maar de “aannemers” leven gewoonlijk in armoedige omstandigheden, onder het juk van de verplichting om voorschotten terug te betalen, wat hun permanent in de schuld doet staan bij het bedrijf. Als er ongelukken gebeuren op het werk, gebruiken de bedrijven hun advocaten om de rechten van de inheemse bevolking te ondermijnen, waarbij ze gebruik maken van de misère en onwetendheid en de mensen naar willekeur en uiterst minimaal schadeloos stellen. De Morococha ramp, die het leven kostte aan tientallen arbeiders, heeft onlangs geleid tot een aanklacht tegen de onveilige omstandigheden waaronder de mijnwerkers moeten werken. Vanwege de deplorabele staat van sommige gangen en het uitvoeren van werk bijna helemaal onder aan het bassin, stortte de zaak in en werden er vele arbeiders bedolven. Het officiële aantal slachtoffers was 27, maar goed gefundeerde rapporten gaven aan dat het aantal hoger lag. De aanklachten in sommige kranten zorgden ervoor dat het bedrijf was zorgvuldiger dan normaal omging met de wet op de schadeloosstelling van familieleden van de slachtoffers. Het Cerro de Pasco koperbedrijf wilde meer ontevredenheid vermijden en gaf onlangs de mijnwerkers en het kantoorpersoneel 10 procent loonsverhoging zolang de huidige koperprijs niet daalt. De situatie van mijnwerkers in afgelegen provincies als Cotabambas is veel achterlijker en beroerder. De gamonales uit de streek hebben de taak om Indianen tot dwangarbeid op te roepen en de lonen zijn miserabel.

In de siërra is nog nauwelijks industrie. Het gaat vooral om de textielfabrieken van Guzco, waar de productie van excellente kwaliteitswol de belangrijkste factor in hun ontwikkeling is. Het personeel van deze fabrieken is inheems, behalve de administrateurs en de voorlieden. De Indiaan heeft de mechanisatie prima onder de knie. Hij is een bedachtzame en serieuze werker, die de kapitalist deskundig uitbuit. De feodale omgeving in de landbouw wordt overgezet in deze fabrieken met patriarchale verhoudingen, waarbij de protégés en opzichters van de eigenaren gebruikt worden als instrument voor de onderwerping van hun kameraden en dat vormt een rem op de ontwikkeling van klassenbewustzijn.

De laatste jaren heeft de stijging van de prijzen voor Peruaanse wol op buitenlandse markten geleid tot een proces van industrialisatie van de boerderijen en veebedrijven in het zuiden. Verscheidene hacendados hebben moderne technieken geïntroduceerd en hebben buitenlands vee ingevoerd, waardoor het volume en de kwaliteit van de productie omhoog zijn gegaan. Ze hebben het juk afgeschud van tussenhandelaren en hebben gezamenlijk kleine industrieën opgezet op hun boerderijen. Verder zijn er in de siërra geen andere industriële verbeteringen of bedrijven, behalve die welke samenhangen met de productie van suiker, siroop en drank voor regionale consumptie.

Voor het werk op de haciënda’s langs de kust, waar de bevolking te gering is, wordt op grote schaal inheemse arbeid uit de siërra tewerk gesteld. De grote suiker- en katoenplantages krijgen hun braceros voor het landwerk door middel van de “enganchadores” (wervers). Deze braceros verdienen een dagloon dat nog steeds verschrikkelijk laag is, maar wel veel hoger dan die welke normaal in de feodale siërra betaald worden. Maar daar staat tegenover dat zij lijden onder de gevolgen van veel te zware arbeid in een heet klimaat, van te weinig voedsel voor het werk dat zij doen en van malaria die endemisch is in de kustvalleien. De peon uit de sierra kan moeilijk vermijden malaria te krijgen en dat dwingt hem om terug te keren naar zijn eigen streek, dikwijls met tuberculose in een ongeneeslijk stadium. Hoewel de landbouw op deze haciënda’s geïndustrialiseerd is (het land wordt met moderne machines en methoden bewerkt en de plantages en suikerfabrieken zijn goed geoutilleerd), is hun atmosfeer niet die van het kapitalisme en de loonarbeid in de steden. De hacendado behoudt zijn feodale instelling en behandelt zijn arbeiders met feodale praktijken. De rechten die voortkomen uit de arbeidswetgeving worden met erkend. De enige wet die telt op de haciënda is die van de eigenaar. Nog niet het geringste spoor van vereniging van de arbeiders wordt getolereerd. De opzichter laten geen enkel individu toe die de eigenaar op de administrateur om één of andere reden wantrouwen. In de koloniale tijd werden deze haciënda’s bewerkt door zwarte slaven. Toen de slavernij werd afgeschaft werden er Chinese koelies ingevoerd. En de hacendado heeft de gewoonten van de slavenhouder of de feodale heer niet verloren.

In de bossen en in de jungle staat de landbouw nog in de kinderschoenen. Dezelfde “enganche” methode wordt hier gebruikt als in de sierra en ook tot op zekere hoogte de diensten van de ongeciviliseerde stammen die gewend zijn geraakt aan de blanken. Maar het bos heeft wat betreft haar arbeidssysteem nog een veel slechtere traditie. De meest barbaarse en misdadige slavenmethodes worden er gebruikt bij de rubberproductie als de prijs voor dit product hoog is. De misdaden van Putumayo, die sensationeel zijn aangeklaagd in de buitenlandse pers, vormen de donkerste bladzijde uit de geschiedenis van de rubberarbeiders. Er wordt gezegd dat deze misdaden in het buitenland erg zijn overdreven en op fantasie berusten en zelfs dat er oorspronkelijk sprake was van chantage, maar de waarheid is perfect gedocumenteerd in de onderzoeken en getuigenissen van de functionarissen van de Peruaanse gerechtelijke macht, zoals rechter Valcarcel en procureur Paredes, die de bloedige slavenmethodes van de opzichters van de Casa Arana onderzochten. En pas drie jaar geleden werd een voorbeeldige functionaris, Dr. Chuquihuanca Ayulo, groot verdediger van de inheemse bevolking — en zelf van inheemse afkomst — ontheven van zijn positie als procureur-generaal van het departement van Madre de Dios, omdat hij de slavenmethodes van de machtigste bedrijven uit het gebied aanklaagde.

Vatten we de sociaal-economische situatie van de inheemse bevolking in Peru samen, dan kunnen we stellen dat behalve een klein aantal mijnwerkers en een nog nauwelijks ontwikkelde landarbeidersklasse er een min of meer verschraald systeem van horigheid op de latifundia is blijven bestaan en dat in de afgelegen bosgebieden de inheemse bevolking vaak het slachtoffer van slavernij is.

De inheemse strijd tegen gamonalismo

Als er sprake, is van de houding van de Indiaan tegenover zijn uitbuiters, gaat men meestal van de indruk uit dat de Indiaan door zijn vernedering en onderdrukking niet in staat is tot enige strijd of verzet. De lange geschiedenis van inheemse opstanden en muiterijen en de daaropvolgende slachtingen en onderdrukking zijn op zich al voldoende om deze indruk te logenstraffen. In de meeste gevallen kwamen de Indiaanse opstanden voort uit een gewelddadig incident dat hun dwong tot verzet tegen een autoriteit of hacendado, maar in andere gevallen had het verzet niet het karakter van een lokale muiterij. Dan was de rebellie minder het gevolg van incidentele agigatie en was die verspreid over een uitgestrekter gebied. Om die te onderdrukken werd er een aanzienlijke troepenmacht opgetrommeld en is er werkelijk sprake van massamoord geweest. Duizenden opstandige Indianen zaaiden angst en ontsteltenis onder de gamonales van één of meer provincies. Eén van de opstanden die de laatste tijd buitengewone proporties heeft aangenomen, was die onder leiding van legermajoor Teodomiro Gutierrez, een mestizo van vooral Indiaanse afkomst uit de sierra, die zich Rumimaqui noemde en zich uitriep tot de verlosser van zijn volk. Majoor Gutierrez was door de regering Billinghurst naar het departement Puno gestuurd, waar gamonalismo haar afpersingen tot in extremo had doorgevoerd, om onderzoek te verrichten naar aanklachten van de inheemse bevolking en om te rapporteren aan de regering. Gutierrez kwam in nauw contact met de Indianen. Toen de regering Billinghurst omver werd geworpen, had hij het idee dat ieder vooruitzicht op een legale oplossing was verdwenen en begon hij een opstand. Enkele duizenden Indianen volgden hem, maar zoals altijd waren zij zonder wapens weerloos tegenover het leger en werden ze uiteen gejaagd of vonden de dood. Daarna waren er nog de opstanden van La Mar en Huancane en nog enkele kleinere in 1923, die allemaal bloedig werden onderdrukt.

In 1921 kwam er onder auspiciën van de regering een inheems congres bijeen en dat werd bijgewoond door delegaties van verschillende gemeenschappen. Doel van deze bijeenkomst was het formuleren van de eisen en verlangens van de inheemse bevolking. De afgevaardigden uitten in Quechua sterke beschuldigingen aan het adres van de gamonales, de autoriteiten en de priesters. Er werd een comité opgericht ter verdediging van de rechten van de Tahuantinsuyo bevolking. Ieder jaar tot 1924 werd er een congres georganiseerd, waarbij de regering de revolutionairen onder de inheemse afgevaardigden vervolgde, de delegaties intimideerde en de aandacht afleidde van de geest en het doel van de bijeenkomst. Het congres van 1923, dat stellingen aannam die de ganomalismo verontrustten en dat de scheiding van kerk en staat eiste en ook de afschaffing van de wet op de wegendienstplicht, toonde de gevaren van deze conferenties, waar groepen inheemse gemeenschappen van verschillende streken bijeen kwamen en hun activiteiten gingen coördineren. In datzelfde jaar werd de Regionale Inheemse Arbeiders Federatie opgericht, die zich beriep op de principes en methoden van het anarchosyndicalisme voor de organisatie van de Indianen. Hoewel het niet meer was dan een poging, liet het in ieder geval de uitgesproken revolutionaire oriëntatie van de inheemse voorhoede zien. Toen twee Indiaanse leiders van de beweging verbannen werden en anderen werden geïntimideerd, was de Federatie al spoedig gereduceerd tot één persoon. En in 1927 ontbond de regering haar eigen comité voor de rechten van de Tahuantinsuyo bevolking, onder voorwendsel dat de leiders daarvan alleen maar uitbuiters waren van het volk welks verdediging zij zich hadden aangematigd. Dit comité had niet meer betekenis dan dat het mee deed aan de inheemse congressen en bestond uit mensen zonder ideologische en persoonlijke waarde. Ze hadden zelfs tegen de politiek van de regering geprotesteerd die ze te pro-inheems vonden. Maar voor de gamonales was het nog steeds een agitatie-instrument, een bijproduct van de inheemse congressen. De regering zelf combineerde haar politiek van pro-inheemse verklaringen, beloften over de herverdeling van land, etc. met harde actie tegen de agitatie onder de Indianen door revolutionaire groepen of groepen die verdacht werden van revolutionaire beïnvloeding.

Het doorsijpelen van socialistische ideeën en het opstellen van revolutionaire eisen onder de inheemse volkeren is ondanks deze wisselvalligheden doorgegaan. In 1927 werd in Cuzco de Grupo Resurgimiento opgericht, die activiteiten voor de inheemse bevolking wilde ontplooien. Die bestond uit enkele intellectuelen en kunstenaars en uit enkele arbeiders uit Cuzco. Deze groep publiceerde een manifest dat de misdaden van het gamonalismo aanklaagde. Kort na de oprichting werd een van haar belangrijkste leiders, Luis E. Valcarel, in Arequipa gevangen gezet. Zijn gevangenisstraf duurde maar enkele dagen, maar de Grupo werd niettemin definitief door de autoriteiten ontbonden.

Conclusies over het inheemse vraagstuk en de taken die dat stelt

De inheemse kwestie valt samen met het vraagstuk van het landbezit. De onwetendheid, achterlijkheid en ellende van de inheemse bevolking zijn, nogmaals, louter het gevolg van hun onderdrukking. Het feodale latifundium handhaaft de uitbuiting en absolute overheersing over de inheemse massa’s door de klasse van grootgrondbezitters. De strijd van de Indianen is steeds gericht geweest op de verdediging van hun land tegen de onteigening en overname door de gamonales. Er bestaat dus een instinctief en diep inheems verlangen: het bezit van land. Het is onze plicht en onze taak om actief een georganiseerd, systematisch en beslissend karakter te geven aan deze eis.

De “gemeenschappen”, die een verbazingwekkend hoog niveau van verzet en volharding hebben laten zien onder omstandigheden van extreme repressie, vormen een natuurlijke factor voor de socialisatie van het land. De Indiaan heeft een lange traditie van coöperatie. Zelfs wanneer gemeenschappelijk land in individueel bezit wordt opgesplitst (niet alleen in de sierra, maar ook aan de kust, waar een grotere mate van culturele vermenging drukt op de inheemse gebruiken), blijft coöperatie nog steeds bestaan en wordt zware arbeid gemeenschappelijk gedaan. De “gemeenschap” kan met minimale inspanning een coöperatie worden. De overdracht van het land van de latifundia aan de “gemeenschappen” is de noodzakelijke oplossing van de agrarische kwestie in de sierra. Aan de kust, waar grootgrondbezit ook almachtig is maar gemeenschappelijk eigendom niet meer bestaat, moeten we de oplossing onvermijdelijk zoeken in de richting van privatisering van het land. De yanaconas, een groep sterk uitgebuite halfbouwers, moeten gesteund worden in hun strijd tegen de landheer. De natuurlijke eis voor deze yanaconas is het land aan degenen die het verbouwen. Op de haciendas die direct worden uitgebuit door hun eigenaars met de arbeid van peones die deels gerekruteerd worden van de sierra en daarom geen lokale band met het land hebben, moet de strijd een ander patroon volgen. De eisen waarvoor zij moeten vechten zijn het recht op organisatie, stopzetting van de enganche (dwangarbeid), loonsverhogingen, de achturendag en de toepassing van arbeidswetten. Pas als de peon deze eisen gewonnen heeft is hij op weg naar zijn definitieve emancipatie.

Het is erg moeilijk om met vakbonds- of politieke propaganda binnen te komen op de haciënda. Iedere haciënda aan de kust is een leengoed. Geen enkele organisatie die niet de patronage en bescherming van de eigenaars en het management accepteert wordt toegelaten en er bestaan alleen sport- en ontspanningsverenigingen. Maar de toename van het autoverkeer slaat beetje bij beetje een bres in de omheiningen die de haciënda gesloten houden voor propaganda. Vandaar het grote belang van de organisatie en actieve mobilisatie van transportarbeiders in de ontwikkeling van de arbeidersbeweging in Peru. Wanneer de peones op de haciënda’s weten dat zij kunnen rekenen op de broederlijke solidariteit van de bonden en de waarde daarvan begrijpen, zal hun wil om te strijden die nu ontbreekt, maar die zij meer dan eens hebben laten zien — gemakkelijk ontwaken. De kernen van aanhangers van de vakbeweging die langzaam van de grond komen op de haciënda’s, hebben de taak om de massa’s hun rechten uit te leggen, hun belangen te verdedigen, in de praktijk voor die belangen op te komen en van de eerste de beste mogelijkheid gebruik te maken om hun eigen organisaties te vormen voorzover de mogelijkheden dat toelaten.

Voor de verdere ideologische opvoeding van de inheemse massa’s kan de arbeidersvoorhoede beschikken over die militante elementen van het Indiaanse volk die in contact komen met de vakbeweging in de mijnen of de stedelijke centra (vooral deze laatste), die haar principes in zich opnemen en die een rol kunnen en willen spelen in de emancipatie van hun volk. Arbeiders van inheemse afkomst keren daar dikwijls tijdelijk of permanent terug. Hun kennis en taal maakt het hun mogelijk om effectief een rol te spelen als leraren van hun bloeds- en klassebroeders. De Indiaanse boeren zullen alleen mensen uit hun eigen midden echt begrijpen, mensen die hun eigen taal spreken. Zij zullen altijd de blanke en de mestizo wantrouwen en de blanke en mestizo kunnen aan de andere kant alleen met de allergrootste moeite in contact komen met de inheemse milieus om daar propaganda te voeren.

De methoden van zelfstudie, het regelmatig lezen van de kranten en pamfletten van de Latijns-Amerikaanse vakbonds- en revolutionaire beweging en het corresponderen met kameraden in de stedelijke centra, zijn de middelen voor deze mensen om met succes hun opvoedende missie uit te voeren.

De inheemse aanhangers van onze beweging moeten altijd een principiële en leidende rol spelen bij de regionale coördinatie van de inheemse gemeenschappen en bij de verdediging van hen die te lijden hebben van de vervolging van de rechterlijke macht of de politie (de gamonales vervolgen de inheemsen die zich tegen hun verzetten of die ze kwijt willen voor gewone misdaden), bij de verdediging van gemeenschapseigendom en bij de organisatie van kleine bibliotheken en studiecentra. Zij doen dit met het dubbele doel om serieus richting te geven aan de klasse-orientatie en -opvoeding van de inheemse bevolking en aan de andere kant om de invloed van desoriënterende elementen (anarchisten, reformistische demagogen, etc.) tegen te gaan.

In Peru is de organisatie en scholing van het mijnbouwproletariaat, samen met de landarbeiders, een van de zaken waar we onmiddellijk mee te maken hebben. De mijncentra, waarvan de grootste (La Oroya) de belangrijkste bron van winst wordt in Zuid-Amerika, zijn plaatsen waar klassenpropaganda nu met succes gevoerd kan worden. Het gaat niet alleen op zichzelf al om belangrijke proletarische concentraties die onder soortgelijke omstandigheden werken als andere loonarbeiders, maar hier werken ook inheemse dagloners zij aan zij met industriearbeiders uit de steden, die hun klassegeest en -principes naar deze centra meebrengen. De inheemse mensen in de mijnen blijven tot op zekere hoogte ook boeren, zodat de mensen die we hier winnen ook mensen zijn die we uit de boerenklasse winnen.

Het werk zal in alle opzichten moeilijk zijn, maar de vooruitgang ervan zal fundamenteel afhangen van de mensen die het uitvoeren en van hun precieze en concrete beoordeling van de objectieve voorwaarden van het inheemse vraagstuk. Het probleem is niet raciaal, maar sociaal en economisch, maar ras speelt wel een rol en ook in de methoden om met dit probleem om te gaan. Zo kunnen bijvoorbeeld vanwege de mentaliteit en de taal alleen militanten vanuit het inheemse milieu een effectieve en onmiddellijke invloed op hun kameraden krijgen. Misschien zal een inheems revolutionair bewustzijn langzaam ontstaan, maar als de Indianen zich het socialistische ideaal eenmaal hebben eigen gemaakt, zullen zij het dienen met een discipline, vasthoudendheid en kracht waar weinige proletariërs uit andere milieus aan zullen kunnen tippen.

Het realisme van een revolutionaire, zekere en precieze politiek, met de beoordeling en het gebruik van de omstandigheden waarmee men te maken heeft in deze landen waarin de inheemse of Zwarte bevolking een belangrijke omvang en rol heeft, kan en moet de inheemse raciale factor omzetten in een revolutionaire factor. Het is absoluut noodzakelijk om de beweging van het inheemse of zwarte proletariaat, zowel in de landbouw als in de industrie, een duidelijk klassenstrijdkarakter te geven. Een Braziliaanse kameraad heeft geschreven: “We moeten de inheemse en zwarte slavenbevolking de zekerheid geven dat alleen een regering van arbeiders en boeren van alle volkeren die in het land wonen hun werkelijk zal emanciperen, dat alleen een dergelijke regering een einde kan maken aan het regime van de latifundista en de industriële kapitalisten en hun definitief kan bevrijden van de imperialistische onderdrukking”.