Friedrich Engels


Ontwerp van de communistische geloofsbelijdenis




Eerste publicatie: GrŁndungsdokumentc des Bundes der Kommunisten (juni tot september 1847), Hamburg 1969 (VerŲffentlichungen aus der Hamburger Stassts- und Universitätsbibliothek, Bd. 7)
Originele transcriptie naar HTML: Linkse Socialistische Partij
Deze versie: Marxists Internet Archive, november 2003, verzorgd door Maarten Vanheuverswyn


VRAAG 1: Ben je communist?

ANTWOORD: Ja.

VRAAG 2: Wat is het doel van de communisten?

ANTWOORD: De maatschappij zo in te richten, dat ieder lid ervan al zijn bekwaamheden en krachten in volledige vrijheid kan ontwikkelen en toepassen, zonder daardoor de hoofdvoorwaarden van deze maatschappij aan te tasten.

VRAAG 3: Hoe willen jullie dit doel bereiken?

ANTWOORD: Door het opheffen van de particuliere eigendom, in plaats waarvan de goederengemeenschap treedt.

VRAAG 4: Waarop baseren jullie je goederengemeenschap?

ANTWOORD: In de eerste plaats op de door de ontwikkeling van de industrie, de landbouw, de handel en de kolonisatie voortgebrachte massa van productiekrachten en levensmiddelen en op de in de machines, de chemische en andere hulpmiddelen liggende mogelijkheid om die tot in het oneindige te vermeerderen.

In de tweede plaats daarop, dat in het bewustzijn of gevoel van iedere mens zekere stellingen als onomstotelijke principes bestaan, stellingen die als resultaat van de gehele historische ontwikkeling geen bewijs nodig hebben.

VRAAG 5: Noem eens zulke stellingen.

ANTWOORD: Bijvoorbeeld. Iedere mens streeft ernaar gelukkig te zijn. Het geluk van de enkeling is niet te scheiden van het geluk van allen enz.

VRAAG 6: Op welke wijze willen jullie je goederengemeenschap voorbereiden?

ANTWOORD: Door voorlichting en vereniging van het proletariaat.

VRAAG 7: Wat is het proletariaat?

ANTWOORD: Het proletariaat is die klasse van de maatschappij, die uitsluitend van haar arbeid leeft en niet van de winst van een of ander kapitaal; die klasse, waarvan het wel en wee, waarvan leven en dood daardoor afhankelijk zijn van de goede en slechte tijden in het bedrijfsleven, met één woord, van de schommelingen van de concurrentie.

VRAAG 8: Er zijn dus niet altijd proletariŽrs geweest?

ANTWOORD: Nee. Armen en werkende klassen zijn er altijd geweest; ook waren de werkenden bijna altijd de armen. ProletariŽrs zijn er echter niet altijd geweest, evenmin als de concurrentie altijd vrij is geweest.

VRAAG 9: Hoe is het proletariaat ontstaan?

ANTWOORD: Het proletariaat is voortgekomen uit de invoering van de machines, die sinds het midden van de vorige eeuw werden uitgevonden en waarvan de belangrijkste zijn: de stoommachine, de spinmachine en het mechanische weefgetouw. Deze machines, die zeer duur waren en dus alleen door rijke mensen konden worden aangeschaft, verdrongen de toenmalige arbeiders, daar men door middel van de machines de waren goedkoper en sneller kon leveren dan dit voor de arbeiders die er tot dan waren met hun onvolmaakte spinnewielen en weefgetouwen mogelijk was. De machines brachten daardoor de industrie geheel in handen van de grote kapitalisten en maakten het weinige, dat de arbeiders hun eigendom konden noemen en dat hoofdzakelijk bestond uit hun werktuigen, weefstoelen e.d., volledig waardeloos, zodat de kapitalist alles, de arbeider niets overhield. Daarmee was het fabriekssysteem ingevoerd. Toen de kapitalisten inzagen hoe voordelig dit voor hen was, trachtten ze het tot steeds meer bedrijfstakken uit te breiden. Ze verdeelden de arbeid steeds meer onder de arbeiders, zodat dezen, die vroeger ieder een geheel werkstuk gemaakt hadden, nu ieder slechts een deel daarvan maakten. De aldus vereenvoudigde arbeid leverde de producten sneller en daardoor goedkoper, en pas nu ontdekte men in bijna elke bedrijfstak, dat ook hier machines konden worden toegepast. Zodra nu een bedrijfstak op fabriekmatige wijze werd gedreven, geraakte hij, juist als de spinnerij en de weverij, in handen van de grote kapitalisten, en de laatste rest van zelfstandigheid werd de arbeiders ontnomen. Langzamerhand zijn we zover gekomen, dat bijna alle bedrijfstakken op fabriekmatige wijze worden gedreven. Daardoor is de tot nu toe bestaande middenstand, in het bijzonder de kleine zelfstandige handwerkers, meer en meer geruÔneerd, is de vroegere :toestand van de arbeiders geheel veranderd en zijn twee nieuwe, geleidelijk alle overige klassen opslokkende klassen geschapen, namelijk:
I. De klasse van de grote kapitalisten, die in alle vooraanstaande landen bijna uitsluitend in het bezit zijn van de levensmiddelen en van de middelen (machines, fabrieken, werkplaatsen e.d.) waarmee deze levensmiddelen worden voortgebracht. Dit is de klasse van de bourgeois of de bourgeoisie.
II. De klasse van de geheel bezitlozen, die erop zijn aangewezen aan de eerste klasse, de bourgeois, hun arbeid te verkopen en slechts daarvoor de levensmiddelen van hen te verkrijgen. Omdat bij deze handel in arbeid de partijen niet aan elkaar gelijk maar de bourgeois in het voordeel zijn, moeten de bezitlozen zich voegen naar de door de bourgeois gestelde slechte voorwaarden. Deze van de bourgeois afhankelijke klasse heet de klasse der proletariŽrs of het proletariaat.

VRAAG 10: Waardoor onderscheidt de proletariŽr zich van de slaaf?

ANTWOORD: De slaaf is eens en voor altijd verkocht. De proletariŽr moet zich zelf elke dag en elk uur verkopen. De slaaf is eigendom van één heer en heeft juist daardoor een verzekerd bestaan, hoe ellendig dit ook moge zijn. De proletariŽr is om zo te zeggen slaaf van de gehele bourgeoisklasse, niet van één heer, en heeft daardoor geen verzekerd bestaan, daar niemand zijn arbeid koopt als men deze niet nodig heeft. De slaaf wordt beschouwd als een ding, niet als een lid van de burgerlijke maatschappij. De proletariŽr wordt erkend als een persoon, als een lid van de burgerlijke maatschappij. De slaaf kan dus een beter bestaan hebben dan de proletariŽr, maar deze staat op een hogere trap van ontwikkeling. De slaaf bevrijdt zich doordat hij proletariŽr wordt en van alle eigendomsverhoudingen alleen de verhouding van de slavernij af schaft. De proletariŽr kan zich alleen bevrijden doordat hij de eigendom in het algemeen afschaft.

VRAAG 11: Waardoor onderscheidt de proletariŽr zich van de lijfeigene?

ANTWOORD: De lijfeigene kan een stuk grond, dus een productie-instrument, benutten tegen afgifte van een groter of geringer deel van de opbrengst. De proletariŽr werkt met productie-instrumenten die eigendom van een ander zijn, die hem voor zijn arbeid een door de concurrentie bepaald deel van de producten afstaat. Het aandeel van de arbeider wordt door zijn eigen arbeid bepaald, bij de lijfeigene dus door hem zelf. Bij de proletariŽr wordt het bepaald door de concurrentie, dus in de eerste plaats door de bourgeois. De lijfeigene heeft een verzekerd bestaan, de proletariŽr heeft dit niet. De lijfeigene bevrijdt zich doordat hij zijn feodale beer verjaagt en zelf eigenaar wordt, dus aan de concurrentie gaat deelnemen en zich voorlopig bij 'de bezittende klasse, bij de bevoorrechte klasse aansluit. De proletariŽr bevrijdt zich, doordat hij de eigendom, de concurrentie en alle klassenverschillen opheft.

VRAAG 12: Waardoor onderscheidt de proletariŽr zich van de handwerker?

ANTWOORD: De in onderscheid met de proletariŽr zogenoemde handwerker, zoals hij nog in de vorige eeuw bijna overal bestond en thans nog hier en daar bestaat, is hoogstens een tijdlang proletariŽr. Het is zijn doel zelf kapitaal te verwerven en daarmee andere arbeiders uit te buiten. Dit doel kan hij vaak bereiken waar nog gilden bestaan of waar de bedrijfsvrijheid nog niet geleid heeft tot fabriekmatige uitoefening van het handwerk en tot felle concurrentie. Zodra echter het fabriekswezen in het handwerk is ingevoerd en de concurrentie in volle bloei staat, valt dit perspectief weg en wordt de handwerker meer en meer proletariŽr. De handwerker bevrijdt zich dus, doordat hij of bourgeois wordt of geheel in de middenstand opgaat, of doordat hij door de concurrentie proletariŽr wordt (zoals dit thans meestal gebeurt) en zich dan aansluit bij de beweging van het proletariaat, d.w.z. bij de meer of minder bewuste communistische beweging.

VRAAG 13: Jullie geloven dus niet, dat de goederengemeenschap op ieder tijdstip mogelijk is geweest?

ANTWOORD: Nee. Het communisme is pas ontstaan, nadat de machines en andere uitvindingen het mogelijk maakten alle leden van de maatschappij een alzijdige vorming, een gelukkig bestaan in het vooruitzicht te stellen. Het communisme is de leer van een bevrijding, die niet mogelijk was voor de slaven, de lijfeigenen of de handwerkers, maar pas voor de proletariŽrs, en daarom behoort het noodzakelijkerwijs tot de negentiende eeuw en is het in geen vroegere tijd mogelijk geweest.

VRAAG 14: Laten we op de zesde vraag terugkomen. Als jullie de gemeenschappij willen voorbereiden door voorlichting en vereniging van het proletariaat, verwerpen jullie dus de revolutie?

ANTWOORD: Wij zijn niet alleen overtuigd van de nutteloosheid, maar zelfs van de schadelijkheid van alle samenzweringen. Wij weten eveneens, dat revoluties niet opzettelijk en naar willekeur worden gemaakt, maar dat ze overal en altijd het noodzakelijke gevolg zijn van omstandigheden, die in het geheel niet afhankelijk zijn van de wil en de leiding van afzonderlijke partijen en van gehele klassen. Wij zien echter ook, dat de ontwikkeling van het proletariaat in bijna alle landen ter wereld door de bezittende klassen op gewelddadige wijze wordt onderdrukt en dat daardoor door de tegenstanders van de communisten met geweld op een revolutie wordt aangestuurd. Mocht hierdoor het onderdrukte proletariaat uiteindelijk in een revolutie gejaagd worden, dan zullen wij even zo goed met de daad als nu met het woord de zaak van het proletariaat verdedigen.

VRAAG 15: Willen jullie in plaats van de huidige maatschappelijke ordening met één slag de goederengemeenschap invoeren?

ANTWOORD: Wij denken er niet aan. De ontwikkeling van massa's kan niet bij decreet tot stand gebracht worden. Ze worden:bepaald door de ontwikkeling van de verhoudingen, waarin deze massa's leven, en voltrekt zich daarom geleidelijk.

VRAAG 16: Op welke wijze denken jullie, dat de overgang uit de huidige toestand naar de goederengemeenschap tot stand gebracht kan worden?

ANTWOORD: De eerste grondvoorwaarde voor de invoering van de goederengemeenschap is de politieke bevrijding van proletariaat door een democratische staatsregeling.

VRAAG 17: Wat zal jullie eerste maatregel zijn, zodra jullie de democratie hebben tot stand gebracht?

ANTWOORD: Het verzekeren van het bestaan van het proletariaat

VRAAG 18: Hoe willen jullie dit verwezenlijken?

ANTWOORD: I. Door een zodanige beperking van de particuliere eigendom, dat daardoor de geleidelijke verandering ervan in maatschappelijke eigendom wordt voorbereid, bijv. door progressieve belastingen, beperking van het erfrecht ten gunste van de staat enz.
II. Door tewerkstelling van de arbeiders in nationale werkplaatsen en fabrieken, alsook op de nationale landgoederen.
III. Door opvoeding van alle kinderen op staatskosten.

VRAAG 19: Hoe zullen jullie in de overgangsperiode deze opvoeding organiseren?

ANTWOORD: Alle kinderen zullen van het tijdstip af, waarop ze de eerste moederlijke zorg kunnen missen, in staatsinrichtingen worden opgevoed en onderwezen.

VRAAG 20: Wordt met invoering van de goederengemeenschap niet tegelijkertijd de vrouwengemeenschap geproclameerd?

ANTWOORD: Volstrekt niet. Wij zullen ons in de privť-verhouding tussen man en vrouw en in het algemeen gesproken in het gezin slechts inmengen voorzover door het behoud van de bestaande instelling de nieuwe maatschappelijke orde zou worden gestoord. Overigens weten wij zeer goed dat de gezinsverhoudingen in de loop van de tijd wijzigingen hebben ondergaan in verband met de eigendomsverhoudingen en ontwikkelingsperioden en dat daarom ook de opheffing van de particuliere eigendom de belangrijkste invloed zal uitoefenen.

VRAAG 21: Zullen in het communisme de nationaliteiten voortbestaan?

ANTWOORD: De nationaliteiten van de zich volgens het principe van de gemeenschap verbindende volken zullen door deze vereniging evenzeer genoodzaakt zijn zich te vermengen en zich daardoor op te heffen, als de verschillende stands- en klassenverschillen door de opheffing van hun grondslag, de particuliere eigendom, wegvallen.

VRAAG 22: Verwerpen de communisten de bestaande godsdiensten?

ANTWOORD: Alle tot nu toe bestaande godsdiensten waren de uitdrukking van historische ontwikkelingstrappen van afzonderlijke volken of volksmassa's. Het communisme echter is die historische ontwikkelingstrap, die alle bestaande godsdiensten overbodig maakt en opheft. [1]

 

Londen, 9 juni 1847



VOETNOOT

[1] Tot hier in het handschrift van Engels