Karl Marx

De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte



Geschreven: 1852
Bron: Uitgeverij voor literatuur in vreemde talen Moskou (geen jaar vermeld)
Vertaling: onbekend
Deze versie: punctuatie en aanpassen van enkele woorden
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, februari 2006


Geschreven door K. Marx, in de tijd van december 1851 tot maart 1852. Gepubliceerd in het tijdschrift Die Revolution, New York 1852. Een tweede oplage, door Marx geredigeerd en verbeterd, verscheen als brochure in 1869 te Hamburg. Een derde oplage verscheen in 1885 te Hamburg, met een voorwoord van Engels. Gedrukt volgens de tekst van de tweede druk, vergeleken met de tekst van de derde druk van 1885. Vertaling uit het Duits.

Voorwoord van Karl Marx bij de tweede druk

Mijn te vroeg ontslapen vriend Joseph Weydemeyer [1] was van plan vanaf 1 januari 1852 in New York een politiek weekblad uit te geven. Hij verzocht mij daarvoor de geschiedenis van de coup d’état [2] te schrijven. Derhalve stuurde ik hem tot midden februari wekelijks een artikel met het opschrift: De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte. Intussen was het oorspronkelijke plan van Weydemeyer mislukt. Hij gaf daarentegen in het voorjaar van 1852 een maandschrift: Die Revolution uit, welks eerste aflevering uit mijn Achttiende Brumaire bestaat. Een paar honderd exemplaren daarvan vonden toenmaals hun weg naar Duitsland, zonder echter in de eigenlijke boekhandel te komen. Een uiterst radicaal doende Duitse boekhandelaar, wie ik de verkoop aanbood, gaf mij in antwoord daarop zijn zedelijke verontwaardiging te kennen over zulk een “tegen de geest van de tijd indruisend aanbod”.

Men ziet uit deze gegevens dat het onderhavige geschrift rechtstreeks onder de druk van de gebeurtenissen is ontstaan en dat de historische stof daarvan niet verder reikt dan de maand februari (1852). Deze herdruk ervan is ten dele te danken aan de vraag van de boekhandel ten dele aan de aandrang van mijn vrienden in Duitsland.

Van de geschriften, die hetzelfde onderwerp ongeveer gelijktijdig met het mijne behandelden, verdienen er slechts twee de aandacht: Victor Hugo’s: ‘Napoléon le Petit’ [3] en Proudhons ‘Coup d’état’.

Victor Hugo beperkt zich tot bittere en geestige uitvallen tegen de verantwoordelijken uitgever van de staatsgreep. De gebeurtenis zelf komt bij hem als een donderslag uit een heldere hemel. Hij ziet daarin slechts de gewelddaad van een afzonderlijk individu. Hij merkt niet dat hij dit individu groot in plaats van klein maakt, door hem een zodanige persoonlijke macht van het initiatief toe te schrijven, die in de wereldgeschiedenis haar gelijke niet zou hebben. Proudhon tracht zijnerzijds de staatsgreep als het resultaat van een daaraan voorafgegane historische ontwikkeling uit te beelden. Ondertussen wordt evenwel bij hem de historische constructie van de staatsgreep tot een historische apologie van de held van de staatsgreep. Hij vervalt op deze wijze in de fout van onze zogenaamde objectieve geschiedschrijvers. Ik toon daarentegen aan hoe de klassenstrijd in Frankrijk omstandigheden en voorwaarden schiep, die het aan een middelmatig en grotesk personage mogelijk maakten om de heldenrol te spelen.

Een omwerking van het onderhavige geschrift zou het van zijn bijzondere kleur hebben beroofd. Ik heb mij dus uitsluitend beperkt tot het verbeteren van drukfouten en tot het wegschrappen van nu niet meer begrijpelijke toespelingen.

De slotzin van mijn geschrift: “Maar wanneer de keizersmantel eindelijk op de schouders van Louis Bonaparte valt, dan zal het bronzen standbeeld van Napoleon van de top van de zuil van Vendôme omlaag storten”, is reeds tot werkelijkheid geworden.

Kolonel Charras opende de aanval op de Napoleoncultus in zijn werk over de veldtocht van 1815. Sindsdien, en vooral in de laatste jaren, heeft de Franse literatuur met de wapenen van het geschiedenisonderzoek, de kritiek, de satire en de humor een eind gemaakt aan de Napoleonlegende. Buiten Frankrijk werd deze gewelddadige breuk met het traditionele volksgeloof, deze ontzaglijke geestelijke revolutie, weinig opgemerkt en nog minder begrepen.

Tenslotte hoop ik dat mijn geschrift zal bijdragen tot het doen verdwijnen van de thans, vooral in Duitsland, in zwang zijnde schoolfrase over het zogenaamde caesarisme. Bij deze oppervlakkige ‘historische analogie vergeet men de hoofdzaak, dat namelijk in het oude Rome de klassenstrijd zich slechts binnen een bevoorrechte minderheid afspeelde, tussen de vrije rijken en de vrije armen, terwijl de grote productieve massa van de bevolking, de slaven, alleen maar het passieve voetstuk voor die strijders vormde. Men vergeet Sismondi’s belangrijke uitspraak: het Romeinse proletariaat leefde op kosten van de maatschappij, terwijl de moderne maatschappij op kosten van het proletariaat leeft. Bij zulk een volkomen verschil tussen de materiële, economische voorwaarden van de antieke en van de moderne klassenstrijd kunnen ook de politieke voortbrengselen daarvan niets meer met elkaar gemeen hebben, dan de ‘aartsbisschop van Canterbury met de hogepriester Samuel.

Karl Marx, Londen, 23 juni 1869

Voorwoord van F. Engels bij de derde druk

Door F. Engels geschreven voor de derde druk van het geschrift van Marx’ De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte, Hamburg 1885. Volgens de tekst van de derde druk. Vertaling uit het Duits.

Dat er een nieuwe druk van de Achttiende Brumaire nodig geworden is, drieëndertig jaar na de eerste publicatie, bewijst dat dit werkje ook heden nog niets van zijn waarde heeft verloren.

En inderdaad, het was een geniaal werk. Onmiddellijk na de gebeurtenis, die de gehele politieke wereld als een donderslag uit een heldere hemel verraste, die door sommigen met een luid geschreeuw van zedelijke verontwaardiging werd verdoemd, door anderen als reddende uitkomst uit de revolutie en als straf voor haar dwalingen werd geaccepteerd, maar die allen alleen maar verbaasd deed staan en door niemand werd begrepen - onmiddellijk na deze gebeurtenis trad Marx op met een korte, epigrammatische uiteenzetting, die de gehele loop van de Franse geschiedenis sinds de Februari-dagen in zijn innerlijk verband uitbeeldde, het mirakel van de tweede december op het natuurlijke, noodzakelijke resultaat van dit verband terugbracht zonder daarbij zelfs de held van de staatsgreep anders dan met welverdiende verachting te hoeven behandelen. En het beeld was met zulk een meesterhand getekend, dat iedere nieuwe, intussen gevolgde onthulling alleen maar nieuwe bewijzen heeft gebracht, hoe getrouw het de werkelijkheid weerspiegelt. Dit voortreffelijke begrip van de levende geschiedenis van de dag, dit helder doorzien van de gebeurtenissen op het ogenblik, waarop zij plaats hebben, vindt inderdaad zijn weerga niet.

Hiervoor was dan ook Marx’ grondige kennis van de Franse geschiedenis nodig. Frankrijk is het land, waar de historische klassengevechten meer dan elders telkens tot aan de beslissing werden uitgevochten, waar dus ook de wisselende politieke vormen, waarbinnen zij zich bewegen en waarin hun resultaten zijn samengevat, in de scherpste trekken tot uitdrukking zijn gekomen. Frankrijk, het middelpunt van het feodalisme in de middeleeuwen, het modelland van de unitaire standenmonarchie sinds de Renaissance, dit Frankrijk heeft tijdens de Grote Revolutie het feodalisme vernietigd en de zuivere heerschappij van de bourgeoisie gegrondvest in zulk een klassieke vorm als geen ander Europees land dit heeft gedaan. En ook de strijd van het omhoog strevende proletariaat tegen de heersende bourgeoisie treedt hier in een elders onbekende, acute vorm op. Dat was de reden, waarom Marx niet alleen de in het verleden liggende Franse geschiedenis met een bijzondere voorliefde bestudeerde, maar ook de geschiedenis van de dag in alle onderdelen volgde, het materiaal voor toekomstig gebruik bijeenbracht en derhalve nooit door de gebeurtenissen werd verrast.

Hierbij kwam evenwel nog een andere omstandigheid. Het was juist Marx, die de grote bewegingswet van de geschiedenis het eerst had ontdekt, de wet volgens welke iedere historische strijd, of die op politiek, religieus, filosofisch of ander ideologisch gebied plaats heeft, inderdaad slechts de min of meer duidelijke uitdrukking is van de strijd van maatschappelijke klassen en dat het bestaan en daarmee ook de botsingen van deze klassen weer bepaald worden door de graad van ontwikkeling van hun economische toestand, van de wijze van hun productie en van de daardoor bepaalde ruil. Deze wet, die voor de geschiedenis dezelfde betekenis heeft als de wet van de omzetting van de energie voor de natuurkunde - deze wet gaf hem ook hier de sleutel voor het begrijpen van de geschiedenis van de tweede Franse republiek. Aan deze geschiedenis heeft hij hier zijn wet getoetst en zelfs na drieëndertig jaar moeten wij nog zeggen, dat deze toets schitterend is doorstaan.

Friedrich Engels

I

Hegel merkt ergens op dat alle grote wereldhistorische feiten en personen als het ware tweemaal optreden. Hij vergat er aan toe te voegen: de ene keer als tragedie, de andere keer als klucht. Caussidière in de plaats van Danton, Louis Blanc in de plaats van Robespierre, de Montagne van 1848-51 in de plaats van de Montagne van 1793-95, de neef in de plaats van de oom. En dezelfde karikatuur in de omstandigheden, waaronder de tweede editie van de achttiende Brumaire verschijnt!

De mensen maken hun eigen geschiedenis, maar zij maken die niet uit vrije wil, niet onder zelfgekozen, maar onder rechtstreeks aangetroffen, gegeven en overgeleverde omstandigheden. De traditie van alle dode geslachten drukt als een zware last op de hersenen van de levenden. En juist wanneer zij er mee bezig schijnen, zichzelf en de dingen om te wentelen, iets te scheppen, wat nog niet heeft bestaan, juist in zulke tijdperken van revolutionaire crisis, roepen zij angstig de geesten van het verleden tot hun dienst op, ontlenen aan hen namen, strijdparolen, kostuums, om in deze oude eerwaardige vermomming en in deze geleende taal het nieuwe bedrijf van de wereldgeschiedenis op te voeren. Zo vermomde Luther zich als de apostel Paulus, de revolutie van 1789-1814 drapeerde zich afwisselend als Romeinse republiek en als Romeins keizerrijk en de revolutie van 1848 wist niets beters te doen, dan nu eens 1789, dan weer de revolutionaire overlevering van 1793-95 te parodiëren. Zo vertaalt de beginneling, die een nieuwe taal heeft geleerd, die steeds weer terug in zijn moedertaal, maar de geest van de nieuwe taal heeft hij zich pas eigen genaakt, hij kan er pas vrij in produceren, zodra hij zich in die taal beweegt zonder herinnering aan zijn eigen taal en zijn moedertaal in haar vergeet.

Bij het beschouwen van die wereldhistorische dodenbezweringen vertoont zich onmiddellijk een in het oog vallend onderscheid. Camille Desmoulins, Danton, Robespierre, St. Just, Napoleon, de helden als ook de partijen en de massa van de oude Franse Revolutie, volbrachten in het Romeinse kostuum en met Romeinse frases de taak van hun tijd, het vrijmaken en stichten van de moderne burgerlijke maatschappij. Deze sloegen de feodale grondeigendom in stukken en maaiden de feodale hoofden af, die daarop waren gegroeid. De andere schiep binnen Frankrijk de voorwaarden, waaronder pas de vrije concurrentie kon worden ontwikkeld, de geparcelleerde grondeigendom uitgebuit, de ontketende industriële productiekracht van de natie kon worden aangewend en buiten de Franse grenzen vaagde hij overal de feodale instellingen weg, voor zover dit nodig was, om aan de burgerlijke maatschappij in Frankrijk een dienovereenkomstige, met de tijd in overeenstemming zijnde omgeving op het Europese vasteland te verschaffen. Toen de nieuwe maatschappelijke formatie eenmaal gevormd was, verdwenen de voorwereldlijke kolossen en met hen het weer opgestane Romeinendom - de Brutussen, Grachussen, Publicola’s, de tribunen, de senatoren en Caesar zelf. De burgerlijke maatschappij in haar nuchtere werkelijkheid had haar ware vertolkers en woordvoerders verwekt in de Say’s, Cousins, Royer-Collards, Benjamin Constants en Guizots, haar werkelijke legeraanvoerders zaten achter de kantoortafel en de spekkop Lodewijk XVIII was haar politieke chef. Geheel in beslag genomen door het voortbrengen van rijkdom en door de vreedzame concurrentiestrijd begreep zij niet meer dat de spookverschijningen van de Romeinse tijd haar wieg hadden bewaakt. Maar hoe onheldhaftig de burgerlijke maatschappij ook is - er waren toch heldenmoed, opoffering, terreur, burgeroorlogen en veldslagen tussen de volken nodig geweest om haar ter wereld te brengen. En haar gladiatoren vonden in de klassiek strenge tradities van de Romeinse republiek de idealen en de kunstvormen, het zelfbedrog dat zij nodig hadden om de burgerlijk beperkte inhoud van hun strijd voor zichzelf te verbergen en hun hartstocht op de hoogte van de grote historische tragedie te houden. Zo hadden Cromwell en het Engelse volk op een andere trap van ontwikkeling, een eeuw vroeger, aan het oude testament de taal, hartstochten en illusies voor hun burgerlijke revolutie ontleend. Toen het werkelijke doel was bereikt, toen de burgerlijke vervorming van de Engelse maatschappij was volbracht, verdrong Locke Habakuk.

Het opwekken der doden tijdens die revoluties diende er dus toe om de nieuwe gevechten te verheerlijken, niet om de oude te parodiëren; om de gegeven taak in de verbeelding te overdrijven, niet om voor de vervulling er van in de werkelijkheid te vluchten; om de geest van de revolutie terug te vinden, niet om haar spookbeeld weer te laten rondwaren.

In 1848-51 waarde slechts het spookbeeld van de oude revolutie rond, vanaf Marrast, de republikein en gants jaunes, [4] die zich als de oude Bailly vermomde, tot en met de avonturier, die zijn triviaal weerzinwekkende trekken verbergt onder het ijzeren dodenmasker van Napoleon. Een geheel volk, dat zich door een revolutie een versnelde kracht van beweging meent te hebben gegeven, vindt zich plotseling teruggeplaatst in een afgestorven tijdperk en opdat er geen twijfel over deze terugval mogelijk kan zijn, staan de oude feiten weer op, de oude jaartelling, de oude namen, de oude edicten, die sinds lange tijd een voorwerp van antiquarische geleerdheid waren geworden en de oude beulsknechten, die al lang vergaan schenen. De natie voelt zich als die krankzinnige Engelsman in Bedlam, [5] die in de tijd van de oude Farao’s meent te leven en die dagelijks jammert over de zware diensten, die hij als gouddelver in de Ethiopische mijnen moet verrichten, ingemetseld in die onderaardse gevangenis, een zwak brandende lamp op het eigen hoofd, achter hem de slavenopzichter met een lange zweep en aan de uitgangen een gewirwar van barbaarse krijgsknechten, die noch de dwangarbeiders in de mijnen, noch elkaar onderling verstaan, daar zij geen gemeenschappelijke taal spreken. “En dat alles wordt van mij geëist” - zucht de krankzinnige Engelsman - “van mij, de vrijgeboren Brit, om goud voor de oude Farao’s te maken.” “Om de schulden van de familie Bonaparte te betalen” - zucht de Franse natie. Zolang de Engelsman bij zijn verstand was, kon hij de idee-fixe van het goudmaken niet kwijtraken. De Fransen konden, zolang zij revolutie maakten, de herinnering aan Napoleon niet kwijtraken, zoals de verkiezing van 10 december heeft bewezen. Uit de gevaren van de revolutie verlangden zij terug naar de vleespotten van Egypte en de 2e december 1851 was het antwoord. Zij hebben niet alleen de karikatuur van de oude Napoleon, zij hebben de oude Napoleon zelf, als een karikatuur zoals hij zich moet voordoen in het midden van de negentiende eeuw.

De sociale revolutie van de negentiende eeuw kan haar poëzie niet uit het verleden scheppen, doch alleen uit de toekomst. Zij kan niet met zichzelf beginnen, voordat zij zich heeft ontdaan van al het bijgeloof aan het verleden. De vroegere revoluties hadden de wereldhistorische herinneringen nodig, om zich aan hun eigen inhoud te bedwelmen. De revolutie van de negentiende eeuw moet de doden hun doden laten begraven, om tot haar eigen inhoud te geraken. Daar ging de frase verder dan de inhoud, hier gaat de inhoud verder dan de frase.

De Februari-revolutie was een overrompeling, een verrassing van de oude maatschappij en het volk proclameerde deze onvoorziene overrompeling als een wereldhistorische daad, waarmee het nieuwe tijdperk zou zijn geopend. Op 2 december wordt de Februari-revolutie weggemoffeld door de kunstgreep van een valse speler en wat omvergeworpen schijnt, is niet meer de monarchie, het zijn de liberale concessies, die haar door eeuwenlange strijd waren afgedwongen. In plaats dat de maatschappij zelf zich een nieuwe inhoud heeft veroverd, schijnt alleen de staat tot zijn oudste vorm te zijn teruggekeerd, tot de onbeschaamd eenvoudige heerschappij van de sabel en de monnikspij. Zo antwoordt op de coup de main [6] van februari 1848 de coup de tête [7] van december 1851. Zo gewonnen zo geronnen. Onderwijl is de tussentijd niet onbenut voorbijgegaan. De Franse maatschappij heeft in de jaren 1848-51 de studies en ervaringen ingehaald en wel op een verkortende, want revolutionaire methode, die bij een regelmatige, om het zo te zeggen, schoolse ontwikkeling van de Februari-revolutie daaraan vooraf hadden moeten gaan, indien deze meer dan een beroering aan de oppervlakte zou zijn geweest. De maatschappij schijnt nu achter haar uitgangspunt te zijn teruggetreden; in werkelijkheid moet zij zich eerst het revolutionaire uitgangspunt scheppen, de situatie, de omstandigheden, de voorwaarden, waaronder de moderne revolutie alleen een ernstig karakter verkrijgt.

Burgerlijke revoluties, zoals die van de achttiende eeuw, stormen snel van succes tot succes, hun dramatische effecten wedijveren met elkaar, mensen en dingen schijnen in schitterende briljanten gevat, extase is de dagelijkse stemming; maar zij hebben een kort bestaan, spoedig hebben zij hun hoogtepunt bereikt en de maatschappij wordt door een langdurige katterigheid aangegrepen, voordat zij leert om zich de resultaten van haar storm en drangperiode nuchter eigen te maken. Proletarische revoluties daarentegen, zoals die van de negentiende eeuw, kritiseren zichzelf gestadig, onderbreken voortdurend hun eigen loop, komen op het schijnbaar volbrachte terug om er weer opnieuw aan te beginnen, honen met meedogenloze grondigheid de halfheden, de zwakheden en de armzaligheid van hun eerste pogingen, schijnen hun tegenstander alleen neer te werpen, opdat hij nieuwe krachten uit de aarde zal kunnen opzuigen en zich nog reusachtiger tegenover hen zal kunnen verheffen, schrikken steeds opnieuw terug voor de onbepaalde geweldigheid van hun eigen doeleinden, totdat de situatie is geschapen die elk omkeren onmogelijk maakt en de omstandigheden zelf roepen:

Hic Rhodus, his salta! [8]
Hier is de roos, dans hier!

Iedere enigszins behoorlijke waarnemer moest trouwens wel vermoeden, zelfs indien hij de loop van de Franse ontwikkeling niet stap voor stap had gevolgd, dat de revolutie een ongekende blamage stond te wachten. Het was voldoende om het verwaande overwinnings gekef te horen, waarmee de heren democraten elkaar met de zegenrijke uitwerkingen van de tweede zondag van mei 1852 [9] gelukwensten. De tweede zondag van mei 1852 was in hun hoofden een idee-fixe geworden, een dogma, zoals in de hoofden van de chiliasten de dag, waarop Christus weer zou verschijnen en het duizendjarige rijk zou beginnen. De zwakheid had zich als steeds in het wondergeloof gered, zij meende dat de vijand overwonnen was wanneer zij hem in de fantasie wegtoverde en verloor ieder begrip van de tegenwoordige tijd in een dadenloze ophemeling van de toekomst, die haar te wachten stond en van de daden; die zij in petto had, maar alleen nog niet aan de man wilde brengen. Die helden, die hun bewezen ongeschiktheid trachtten te weerleggen door elkaar wederkerig hun medelijden te schenken en zich tot een troep aaneen te sluiten, hadden hun boeltje gepakt, hun lauwerkransen op voorschot opgenomen en waren juist bezig om op de wisselmarkt de republieken in partibus te laten disconteren, voor welke zij reeds in alle stilte van hun bescheiden gemoed het regeringspersoneel uit voorzorg hadden georganiseerd. De 2e december trof hen als een donderslag uit een heldere hemel en de volken, die in tijdperken van kleinmoedige ontstemming hun innerlijke angst gaarne door de luidste schreeuwers laten overstemmen, zullen er zich misschien van hebben overtuigd, dat de tijden voorbij zijn, waarin het gesnater van de ganzen het capitool kon redden.

De Constitutie, de Nationale Vergadering, de dynastieke partijen de blauwe en de rode republikeinen, de helden van Afrika, de donder van de tribune, het weerlichten van de dagbladpers, de gehele literatuur, de politieke namen en de geestelijke vermaardheden, de burgerlijke wet en het strafrecht, het liberté, egalité, fraternité en de tweede zondag van mei 1852 - alles is verdwenen als een fantasmagorie [10] voor de toverformule van een man, dien zelfs zijn vijanden niet voor een duivelskunstenaar uitgeven. Het algemeen kiesrecht schijnt slechts een ogenblik langer in leven te zijn gebleven om eigenhandig voor de ogen van de gehele wereld zijn testament te maken en in naam van het volk zelf te verklaren: alles wat bestaat is waard, dat het te gronde gaat.

Het is niet voldoende om te zeggen, zoals de Fransen het doen, dat hun natie verrast werd. Een natie en een vrouw wordt het onbewaakte uur niet vergeven, waarin de eerste de beste avonturier haar geweld kon aandoen. Het raadsel wordt door dergelijke zinswendingen niet opgelost, maar alleen anders geformuleerd. Er moet nog worden verklaard, hoe een natie van 36 miljoen door drie avonturiers verrast en zonder tegenstand in gevangenschap kan worden weggeleid.

Laat ons in algemene trekken de fasen recapituleren, die de Franse Revolutie van 24 februari 1848 tot december 1851 heeft doorlopen.

Drie hoofdperioden zijn onmiskenbaar: de Februari-periode; 4 mei 1848 tot 28 mei 1849: de periode van de constituering van de Republiek of van de Constituerende Nationale Vergadering; 28 mei 1849 tot 2 december 1851: de periode van de Constitutionele Republiek of van de Legislatieve Nationale Vergadering.

De eerste periode van 24 februari of van de val van Louis Philippe tot 4 mei 1848, het bijeenkomen van de Constituerende Vergadering, de eigenlijke Februari-periode, kan de proloog van de revolutie worden genoemd. Haar karakter kwam officieel hierin tot uitdrukking, dat de door haar geïmproviseerde regering zichzelf als voorlopige verklaarde en evenals de regering, gaf alles wat in deze periode werd opgeworpen, geprobeerd, uitgesproken zich alleen maar voor voorlopig uit. Niemand en niets waagde het recht van bestaan en de werkelijke daad voor zich op te eisen. Alle elementen die de revolutie hadden voorbereid of bepaald, de dynastieke oppositie, de republikeinse bourgeoisie, de democratisch-republikeinse kleinburgerij, de sociaaldemocratische arbeiders, vonden voorlopig hun plaats in de Februari-regering.

Het kon niet anders zijn. De Februari-dagen hadden oorspronkelijk een hervorming van het kiesrecht tot doel, waardoor de kring van de politiek bevoorrechten binnen de bezittende klasse zelf uitgebreid en de uitsluitende heerschappij van de financiersaristocratie omvergeworpen zou moeten worden. Toen het echter tot het werkelijke conflict kwam, toen het volk de barricaden beklom, de Nationale Garde zich passief gedroeg, het leger geen ernstige tegenstand bood en het koningdom wegliep, scheen de republiek vanzelfsprekend te zijn. Iedere partij legde haar op haar eigen wijze uit. Afgedwongen door het proletariaat met de wapens in de hand, drukte dit haar zijn stempel op en proclameerde haar tot sociale republiek. Aldus werd de algemene inhoud van de moderne revolutie aangeduid, die op de merkwaardigste wijze in tegenspraak was met alles, wat met het voorhanden materiaal, met de bereikte trap van ontwikkeling van de massa, onder de gegeven omstandigheden en voorwaarden in de eerste plaats rechtstreeks kon worden verwezenlijkt. Anderzijds werd de aanspraak van alle overige elementen, die aan de Februari-revolutie hadden meegewerkt, erkend in het leeuwenaandeel, dat zij in de regering kregen. In geen periode vinden wij derhalve een bonter mengsel van hoogdravende frases en feitelijke onzekerheid en onbeholpenheid, van een enthousiaster streven naar vernieuwingen en van een grondiger heerschappij van de oude routine, van een meer schijnbare harmonie van de gehele maatschappij en van een diepere vervreemding van haar elementen. Terwijl het Parijse proletariaat nog zwelgde in de aanblik van het grote perspectief dat zich voor hem geopend had en zich aan ernstig gemeende discussies over de sociale problemen overgaf, hadden de oude machten van de maatschappij zich gegroepeerd, verzameld, waren zij tot bezinning gekomen en vonden zij een onverwachte steun bij de massa van de natie, bij de boeren en kleinburgers, die allen tegelijkertijd het politieke toneel bestormden, nadat de barrières van de Juli-monarchie waren gevallen.

De tweede periode van 4 mei 1848 tot eind mei 1849 is de periode van de constituering, de grondvesting van de burgerlijke republiek. Onmiddellijk na de Februari-dagen was niet alleen de dynastieke oppositie verrast door de republikeinen, de republikeinen door de socialisten, maar geheel Frankrijk door Parijs. De Nationale Vergadering, die op 4 mei 1848 bijeenkwam en als gevolg van de verkiezingen van de natie was ontstaan, vertegenwoordigde de natie. Zij was een levend protest tegen de aanspraken van de Februari-dagen en moest de resultaten van de revolutie tot de burgerlijke maatstaf terugbrengen. Tevergeefs trachtte het Parijse proletariaat, dat het karakter van deze Nationale Vergadering onmiddellijk begreep, enige dagen na haar bijeenkomst, op 15 mei, haar bestaan met geweld te loochenen, haar te ontbinden, de organische vorm, waarin de reactionaire geest van de natie het proletariaat bedreigde, weer in zijn afzonderlijke bestanddelen te verstrooien. De 15de mei had, zoals bekend is, geen ander resultaat dan dat Blanqui en zijn kameraden, d.w.z. de werkelijke leiders van de proletarische partij, voor de gehele duur van de cyclus die wij beschouwen, van het publieke toneel werden verwijderd.

Op de burgerlijke monarchie van Louis Philippe kan alleen de burgerlijke republiek volgen, d.w.z. wanneer in naam van de koning een beperkt deel van de bourgeoisie heeft geheerst, dan zal nu in naam van het volk de hele bourgeoisie heersen. De eisen van het Parijse proletariaat zijn utopische praatjes, waaraan een eind moet worden gemaakt. Op deze verklaring van de Constituerende Nationale Vergadering antwoordde het Parijse proletariaat met de Juni-opstand, de meest kolossale gebeurtenis in de geschiedenis van de Europese burgeroorlogen. De burgerlijke republiek overwon. Aan haar kant stonden de financiers-aristocratie, de industriële bourgeoisie, de middenstand, de kleinburgers, het leger, het als Garde Mobile georganiseerde lompenproletariaat, de intellectuele lichten, de priesters en de plattelandsbevolking. Aan de kant van het Parijse proletariaat stond niemand dan het proletariaat zelf. Meer dan 3000 opstandelingen werden na de overwinning neergesabeld, 15.000 zonder veroordeling op transport gesteld. Met deze nederlaag treedt het proletariaat naar de achtergrond van het revolutionaire toneel. Het tracht zich telkens weer naar voren te dringen, zodra de beweging een nieuwe aanloop schijnt te nemen, maar met steeds zwakkere krachtsontwikkeling en steeds geringer resultaat. Zodra een van de boven hem gelegen lagen van de maatschappij in revolutionaire gisting geraakt, gaat het een verbond daarmede aan en deelt zo in alle nederlagen, die de verschillende partijen achtereenvolgens lijden. Maar deze slagen, die naderhand komen, worden steeds zwakker, naar gelang zij zich over de gehele oppervlakte van de maatschappij verdelen. Zijn meer op de voorgrond staande leiders in de Vergadering en in de pers vallen de een na de ander aan de rechtbanken ten offer en steeds dubbelzinniger figuren nemen hun plaats in. Voor een deel werpt het zich op doctrinaire experimenten, ruilbanken en arbeidersassociaties, dus in een beweging, waarin het er van afziet de oude wereld met het totaal van haar eigen machtige middelen om te wentelen en veeleer tracht achter de rug van de maatschappij om, op particuliere wijze, binnen zijn beperkte bestaansvoorwaarden, zijn verlossing te volbrengen en aldus noodzakelijkerwijze schipbreuk lijdt. Het schijnt noch in zichzelf de revolutionaire grootte terug te kunnen vinden, noch uit de nieuw aangegane verbonden nieuwe energie te kunnen putten, totdat alle klassen, waartegen het in juni had gestreden, zelf plat naast hem neerliggen. Maar het delft het onderspit tenminste bekroond met de eer van de grote wereldhistorische strijd. Niet alleen Frankrijk, geheel Europa siddert voor de Juni-aardbeving, terwijl de daarop volgende nederlagen van de hogere klassen zo goedkoop worden gekocht, dat zij de brutale overdrijving van de kant van de overwinnende partij nodig hebben, om ook maar voor gebeurtenissen door te kunnen gaan en des te smadelijker worden, hoe verder de verliezende partij van de proletarische partij is verwijderd.

De nederlaag van de Juni-opstandelingen had nu weliswaar het terrein voorbereid, geëffend, waarop de burgerlijke republiek kon worden gevestigd en opgebouwd; maar zij had tegelijkertijd getoond, dat het in Europa om andere vraagstukken gaat, dan om ‘republiek of monarchie’. Zij had aan het licht gebracht dat de burgerlijke republiek hier het onbeperkte despotisme van één klasse over andere klassen betekent. Zij had bewezen, dat in de oude geciviliseerde landen met een ontwikkelde klassenformatie, met moderne productievoorwaarden en met een geestelijk bewustzijn, waarin alle overgeleverde ideeën door eeuwenlange arbeid zijn opgelost, de republiek in het algemeen slechts de politieke omwentelingsvorm van de burgerlijke maatschappij betekent en niet haar conservatieve levensvorm, zoals bv. in de Verenigde Staten van Noord-Amerika, waar weliswaar reeds klassen bestaan, maar waar zij nog geen vaste vorm hebben aangenomen, doch in gestadige beweging voortdurend hun bestanddelen wisselen en aan elkaar afstaan. Waar de moderne productiemiddelen, in plaats van met een stagnerende overbevolking samen te vallen, veeleer het relatief tekort aan hoofden en handen vervangen en waar tenslotte de koortsachtig jeugdige beweging van de materiële productie, die zich een nieuwe wereld eigen moet maken, noch de tijd noch de gelegenheid liet om de oude geestenwereld af te schaffen.

Alle klassen en partijen hadden zich gedurende de Juni-dagen in de partij van de orde verenigd tegenover de proletarische klasse als de partij van de anarchie, van het socialisme, van het communisme. Zij hadden de maatschappij ‘gered’ van de ‘vijanden van de maatschappij’. Zij hadden de parolen van de oude maatschappij, ‘eigendom, gezin, godsdienst, orde’ als parolen aan hun leger gegeven en de contrarevolutionaire kruistocht toegeroepen: ‘in dit teken zult gij overwinnen!’ Vanaf dit ogenblik, zodra er zich van de talrijke partijen, die zich in dit teken tegen de Juni-opstandelingen hadden verenigd, één partij in haar eigen klassenbelang in het revolutionaire strijdperk tracht te handhaven, moet zij zwichten voor de kreet: ‘eigendom, gezin, godsdienst, orde’. De maatschappij wordt even vaak gered, als de kring van de heersers nauwer wordt, als er een meer exclusief belang tegenover een groter belang wordt gehandhaafd. Iedere eis van de meest eenvoudige burgerlijke financiële hervorming, van het meest gewone liberalisme, van het formeelste republicanisme, van de platste democratie, wordt onmiddellijk als een ‘aanslag’ op de maatschappij bestraft en als ‘socialisme’ gebrandmerkt. En tenslotte worden de hogepriesters van de ‘religie van de orde’ zelf met een trap uit hun Pythiastoelen verjaagd, bij nacht en ontij van hun bedden gelicht, in gevangeniswagens gestopt, in de kerker geworpen of in ballingschap gestuurd, hun tempel wordt met de grond gelijk gemaakt, hun wordt de mond gesnoerd, hun pen gebroken, hun wet verscheurd in naam van de godsdienst, van de eigendom, van het gezin, van de orde. Burgerlijke fanatici van de orde worden op hun balkons door troepen dronken soldaten overhoop geschoten, hun familieheiligdom wordt ontwijd, hun huizen worden voor tijdverdrijf gebombardeerd - in naam van de eigendom, van het gezin, van de godsdienst en van de orde. Het uitschot van de burgerlijke maatschappij vormt tenslotte de heilige falanx van de orde en held Crapulinsky [11] neemt als de ‘redder van de maatschappij’ zijn intrek in de Tuilerieën. [12]

II

Laat ons de draad van de ontwikkeling weer opnemen.

De geschiedenis van de Constituerende Nationale Vergadering sinds de Juni-dagen is de geschiedenis van de heerschappij en van het uiteenvallen van de republikeinse fractie van de bourgeoisie, van die fractie welke bekend staat onder de naam van driekleur-republikeinen, zuivere republikeinen, politieke republikeinen, formalistische republikeinen enz.

Zij had onder de burgerlijke monarchie van Louis Philippe de officiële republikeinse oppositie gevormd en was derhalve een erkend bestanddeel van de toenmalige politieke wereld. Zij had haar vertegenwoordigers in de kamers en een belangrijke invloedssfeer in de pers. Haar Parijse orgaan, de National [13], gold op zijn manier als even respectabel als de Journal des Débats [14]. Deze plaats kwam onder de constitutionele monarchie met haar karakter overeen. Dit was geen fractie van de bourgeoisie, bijeengehouden door grote gemeenschappelijke belangen en afgebakend door bijzondere productieverhoudingen. Het was een coterie van republikeins gezinde bourgeois, schrijvers en advocaten, officieren en ambtenaren, wier invloed op de persoonlijke antipathieën van het land tegen Louis Philippe, op herinneringen aan de oude republiek, op het republikeinse geloof van een aantal dwepers, bovenal echter op het Franse nationalisme berustte, welks haat tegen de verdragen van Wenen en tegen de alliantie met Engeland zij voortdurend wakker hield. Een groot gedeelte van de aanhang, die de National onder Louis Philippe bezat, had zij aan dit verkapte imperialisme te danken, dat uit dien hoofde later, onder de republiek, in de persoon van Louis Bonaparte, als een vernietigende concurrent tegenover haar kon komen te staan. Zij bestreed de financiers-aristocratie, zoals de gehele overige burgerlijke oppositie dat deed. De polemiek tegen de begroting, die in Frankrijk nauw met de bestrijding van de financiers-aristocratie was verbonden, verschafte een te goedkope populariteit en een te rijke stof voor puriteinse leading articles [15] om niet te worden uitgebuit. De industriële bourgeoisie was haar dankbaar voor haar slaafse verdediging van het Franse stelsel van beschermende rechten, dat zij intussen meer uit nationale dan uit politiek-economische overwegingen aanvaardde, de gehele bourgeoisie voor haar hatelijke denunciaties van het communisme en het socialisme. Overigens was de partij van de ‘National’ zuiver republikeins, d.w.z. zij eiste een republikeinse in plaats van een monarchistische vorm van de bourgeois-heerschappij en bovenal haar leeuwendeel aan deze heerschappij. De voorwaarden van deze politieke verandering waren haar volstrekt niet duidelijk. Wat daarentegen glashelder voor haar was en wat op de hervormingsbanketten in de laatste dagen van Louis Philippe openlijk werd verklaard, dat was haar onpopulariteit bij de democratische kleinburgers en vooral bij het revolutionaire proletariaat. Deze zuivere republikeinen stonden, zoals dat bij zuivere republikeinen het geval pleegt te zijn, dan ook reeds op het punt om voorlopig genoegen te nemen met een regentschap van de hertogin van Orleans toen de Februari-revolutie uitbrak en aan hun bekendste vertegenwoordigers een plaats in de Voorlopige Regering toewees. Zij bezaten natuurlijk van meet af aan het vertrouwen van de bourgeoisie en van de meerderheid der Constituerende Nationale Vergadering. De socialistische elementen van de Voorlopige Regering werden terstond uit de Uitvoerende Commissie, die de Nationale Vergadering bij haar bijeenkomst vormde, uitgesloten en de partij van de National gebruikte het uitbreken van de Juni-opstand om ook de Uitvoerende Commissie af te schaffen en zich daarmede van haar naaste rivalen, de kleinburgerlijke of democratische republikeinen (Ledru-Rollin enz.) te ontdoen. Cavaignac, de generaal van de burgerlijk-republikeinse partij, die in die Juni-slag het bevel voerde, nam met een soort dictatoriale macht de plaats van de Uitvoerende Commissie in. Marrast, vroeger hoofdredacteur van de National, werd permanente voorzitter van de Constituerende Nationale Vergadering en de ministeries, evenals alle andere belangrijke posten, vielen aan de zuivere republikeinen ten deel.

De republikeinse bourgeoisfractie, die zich sinds lange tijd als die legitieme erfgenaam van de Juli-monarchie had beschouwd, zag zich op deze wijze in haar ideaal overtroffen, maar zij kwam niet door een liberale opstand van de bourgeoisie tegen de troon aan de macht, zoals zij dit onder Louis Philippe had gedroomd, maar door een met wapengeweld bedwongen opstand van het proletariaat tegen het kapitaal. Wat zij zich als de meest revolutionaire gebeurtenis had voorgesteld, bleek in werkelijkheid de meest contrarevolutionaire gebeurtenis te zijn. De vrucht viel haar in de schoot, maar zij viel van de boom der kennis, niet van de boom des levens.

De uitsluitende heerschappij van de burgerlijke republikeinen duurde slechts van 24 juni tot 10 december 1848. Men kan haar samenvatten in het opstellen van een republikeinse Constitutie en in de staat van beleg in Parijs.

De nieuwe Constitutie was in de grond slechts een ver-republikeinste uitgave van het constitutionele charter van 1830. De beperkte kiescensus van de Juli-monarchie, die zelfs een groot gedeelte van de bourgeoisie van de politieke macht uitsloot, was onverenigbaar met het bestaan van de burgerlijke republiek. De Februari-revolutie had terstond in plaats van deze census het directe, algemene kiesrecht geproclameerd. De burgerlijke republikeinen konden deze gebeurtenis niet ongedaan maken. Zij moesten er genoegen mee nemen, om er de beperkende bepaling van een zesmaandelijks domicilie op de plaats van de verkiezing aan toe te voegen. De oude organisatie van het bestuur, het gemeentewezen, de rechtspraak, het leger enz. bleef onaangetast bestaan, of waar de Constitutie die veranderde, betrof de verandering de inhoudsopgave en niet de inhoud, de naam en niet de zaak.

De onvermijdelijke generale staf van de vrijheden van 1848, de vrijheid van persoon, van drukpers, van het woord, van vereniging en vergadering, van onderwijs en religie enz., kreeg een constitutionele uniform, die haar onkwetsbaar maakte. Ieder van deze vrijheden wordt nl. als het onvoorwaardelijke recht van de Franse burger geproclameerd, maar steeds met de kanttekening dat zij onbeperkt is, voorzover zij niet door de ‘gelijke rechten van anderen en de openbare veiligheid’ wordt beperkt, of door ‘wetten’ die juist deze harmonie van de individuele vrijheden onder elkaar en met de openbare veiligheid moeten tot stand brengen. Bv.: “De burgers hebben het recht zich te associëren, vreedzaam en ongewapend bijeen te komen, te petitioneren en hun meningen in de pers of op welke andere wijze dan ook uit te drukken. Het genot van deze rechten heeft geen andere beperking dan de gelijke rechten van anderen en de openbare veiligheid.” Hoofdstuk II van de Franse Constitutie, par. 8.) - “Het onderwijs is vrij. De vrijheid van onderwijs moet worden genoten onder de voorwaarden die door de wet zijn vastgesteld en onder het oppertoezicht van de staat”. (Ibidem, par. 9.) - “De woning van iedere burger is onschendbaar behalve onder vormen, die door de wet worden voorgeschreven”. (Hoofdstuk II, par. 3.) Enz. enz. - De Constitutie verwijst daarom voortdurend naar toekomstige organische wetten, die die kanttekeningen moeten verwezenlijken en het genot van deze onbeperkte vrijheden zo moeten regelen, dat zij noch met elkaar, noch met de openbare veiligheid in botsing komen. En later werden deze organische wetten door de vrienden van de orde in het leven geroepen en al die vrijheden zo geregeld dat de bourgeoisie bij het gebruikmaken daarvan niet door de gelijke rechten van de andere klassen wordt gehinderd. Waar zij voor ‘de anderen’ deze vrijheden geheel opheft of het genot daarvan toestaat onder voorwaarden, die evenveel politievalstrikken zijn, gebeurde dit steeds alleen maar in het belang van de ‘openbare veiligheid’, d.w.z. van de veiligheid van de bourgeoisie, zoals de Constitutie dit voorschrijft. Beide kanten beroepen zich in het vervolg derhalve volkomen terecht op de Constitutie, zowel de vrienden van de orde, die al deze vrijheden ophieven, als de democraten, die ze allen terugeisten. Iedere paragraaf van de Constitutie bevat nl. zijn eigen antithese, zijn eigen hoger- en lagerhuis en wel in de algemene frase de vrijheid, in de kanttekening de opheffing van de vrijheid. Zolang dus de naam van de vrijheid werd gerespecteerd en alleen de werkelijke uitvoering daarvan werd verhinderd, langs wettige weg natuurlijk, bleef het constitutionele bestaan van de vrijheid ongeschonden, onaangetast, hoezeer haar reële bestaan dan ook om hals mocht zijn gebracht.

Deze op zulk een zinrijke wijze onaantastbaar gemaakte Constitutie was intussen, evenals Achilles, op één punt kwetsbaar, niet aan de hiel, maar aan het hoofd of veeleer aan de twee hoofden, waarin zij uitliep - de Wetgevende Vergadering enerzijds, de president anderzijds. Men zie de Constitutie slechts vluchtig door en men zal zien dat alleen de paragrafen waarin de verhouding van de president tot de Wetgevende Vergadering wordt bepaald, absoluut, positief, zonder tegenspraak en niet te verdraaien zijn. Hier gold het namelijk voor de burgerlijke republikeinen om zichzelf te dekken. De paragrafen 45-70 van de Constitutie zijn zo geformuleerd dat de Nationale Vergadering de president constitutioneel kan afzetten, maar dat de president de Nationale Vergadering alleen maar op inconstitutionele wijze kan opheffen, alleen door de Constitutie zelf op te heffen. Hier provoceert zij dus haar gewelddadige vernietiging. Zij heiligt niet alleen evenals het Charter van 1830 de verdeling van die machten, zij breidt die ook uit tot een onverdraaglijke tegenspraak. Het spel van de constitutionele machten, zoals Guizot het parlementaire gekrakeel tussen de wetgevende en de uitvoerende macht noemde, speelt in de Constitutie van 1848 voortdurend va banque. Aan de ene kant 750 door algemeen kiesrecht gekozen en herkiesbare volksvertegenwoordigers, die een niet te controleren, niet te ontbinden, ondeelbare Nationale Vergadering vormen, een Nationale Vergadering, die wetgevende almacht geniet, in laatste instantie over oorlog, vrede en handelsverdragen beslist, alléén het recht van amnestie bezit en door haar permanentie voortdurend de voorgrond van het toneel inneemt. Aan de andere kant de president, met alle attributen van de koninklijke macht, met de bevoegdheid om zijn ministers onafhankelijk van de Nationale Vergadering te benoemen en af te zetten, met alle middelen van de uitvoerende macht in handen, die alle functionarissen benoemt en daardoor in Frankrijk over het bestaan van minstens 1½ miljoen mensen beslist, want zoveel mensen zijn er met de 500.000 ambtenaren en met de officieren van alle rangen verbonden. Hij heeft de gehele gewapende macht achter zich. Hij geniet het privilegie aan afzonderlijke misdadigers amnestie te verlenen, Nationale Gardes te schorsen, de door de burgers zelf gekozen generale-, kantonnale- en gemeenteraden, met instemming van de staatsraad, af te zetten. Initiatief en leiding bij alle verdragen met het buitenland zijn hem voorbehouden. Terwijl de Vergadering voortdurend op het toneel optreedt en aan de dagelijkse openlijke kritiek is blootgesteld, leidt hij een verborgen leven op de Elysese-velden en wel met artikel 45 van de Constitutie voor ogen en in het hart, dat hem dagelijks toeroept: “Frère, il faut mourir!” [16] Je macht eindigt op de tweede zondag van de mooie maand mei in het vierde jaar na je verkiezing! Dan is de heerlijkheid ten einde, het stuk wordt niet tweemaal opgevoerd en als je schulden hebt, zorg er dan bijtijds voor dat je ze met de door de Constitutie aan je toegekende 600.000 francs afbetaalt, als je tenminste niet verkiest op de tweede maandag van de mooie maand mei naar Clichy [17] te verhuizen! - Terwijl de Constitutie de feitelijke macht op deze wijze aan de president toekent, tracht zij de Nationale Vergadering de morele macht te verzekeren. Afgezien van het feit dat het onmogelijk is door wetsparagrafen een morele macht te scheppen, heft de Constitutie zich hierin zelf weer op, daar zij de president van alle Fransen door het directe kiesrecht laat kiezen. Terwijl de stemmen van Frankrijk zich over de 750 leden van de Nationale Vergadering versnipperen, concentreren zij zich daarentegen hier op één individu. Terwijl iedere afzonderlijke volksvertegenwoordiger alleen maar deze of gene partij, deze of gene stad, dit of dat bruggenhoofd of zij het ook alleen maar de noodzakelijkheid vertegenwoordigt om een willekeurig persoon van de zevenhonderdvijftig te kiezen, waarbij men noch de zaak, noch de persoon zo nauwkeurig bekijkt, is hij de gekozene van de natie en de daad van zijn verkiezing is de grote troef die het soevereine volk elke vier jaar eenmaal uitspeelt. De gekozen Nationale Vergadering staat in een metafysische, de gekozen president echter in een persoonlijke verhouding tot de natie. De Nationale Vergadering vertegenwoordigt wel in haar afzonderlijke vertegenwoordigers de menigvuldige kanten van de nationale geest, maar in de president incarneert deze zich. Tegenover de Vergadering bezit hij een soort van goddelijk recht, hij bestaat bij de gratie van het volk.

Thetis, de godin van de zee, had Achilles voorspeld dat hij in de bloei van zijn jeugd zou sterven. De Constitutie, die evenals Achilles haar kwetsbare plek heeft, had evenals Achilles ook het voorgevoel dat zij een vroege dood moest sterven. Het was voor de constituerende zuivere republikeinen voldoende om uit de wolkenhemel van hun ideale republiek een blik te werpen op de profane wereld, om in te zien hoe de overmoed van de royalisten, de bonapartisten, de democraten, de communisten en hun eigen diskrediet dagelijks stegen; naar gelang dat zij de voleindiging van hun groot wetgevend kunstwerk naderden, zonder dat uit dien hoofde Thetis de zee behoefde te verlaten en hun het geheim mee te delen. Zij trachtten het noodlot op constitutioneel-slimme wijze te verschalken, door middel van Paragraaf III van de Constitutie, volgens welke ieder voorstel tot grondwetsherziening in drie opeenvolgende debatten, waartussen steeds een gehele maand moet liggen, minstens driekwart van de stemmen op zich moet verenigen en bovendien onder de voorwaarde dat niet minder dan 500 leden van de Nationale Vergadering aan de stemming deelnemen. Daarmee deden zij alleen maar een machteloze poging om nog als parlementaire minderheid; in welke hoedanigheid zij zich reeds profetisch in gedachten zagen, een macht uit te oefenen, die op dit ogenblik, waarop zij over de parlementaire meerderheid en over alle middelen van de regeringsmacht beschikten, dagelijks meer aan hun zwakke handen ontgleed.

Tenslotte vertrouwt de Constitutie zichzelf in een melodramatische paragraaf aan “de waakzaamheid en het patriottisme van het gehele Franse volk en van iedere afzonderlijke Fransman” toe, nadat zij van te voren reeds in een andere paragraaf de ‘waakzamen’ en de ‘patriottisch gezinden’ aan de zachte, strafrechtelijke oplettendheid van het door haarzelf uitgevonden hoge gerechtshof, ‘haute cour’, had toevertrouwd.

Dat was de Constitutie van 1848, die op 2 december 1851 niet door een hoofd werd omvergeworpen, maar die omviel bij de aanraking met een hoed alleen; weliswaar was deze hoed een driekante Napoleonsteek.

Terwijl de bourgeois-republikeinen in de Vergadering er mede bezig waren, deze Constitutie uit te piekeren, te bediscussiëren en te voteren, hield Cavaignac buiten de Vergadering de staat van beleg in Parijs in stand. De staat van beleg in Parijs was de vroedvrouw van de Constituante bij haar republikeinse barensweeën. Als de grondwet later door de bajonetten uit de weg wordt geruimd, dan mag men niet vergeten, dat zij eveneens door bajonetten, en wel door tegen het volk gerichtte bajonetten, reeds in het moederlijf beschermd en door bajonetten ter wereld moest worden gebracht. De voorvaderen van de ‘fatsoenlijke republikeinen’ hadden hun symbool, de driekleur, de tocht door Europa laten maken. Zij hunnerzijds deden ook een uitvinding, die vanzelf haar weg over het gehele vasteland vond, maar die met steeds hernieuwde liefde naar Frankrijk terugkeerde, totdat zij nu in de helft van zijn departementen burgerrecht heeft gekregen - de staat van beleg. Een uitmuntende uitvinding, periodiek toegepast bij iedere volgende crisis in de loop van de Franse Revolutie. Maar kazerne en bivak, die men zo de Franse maatschappij periodiek op het hoofd legde, om haar de hersenen samen te persen en haar rustig te houden; sabels en musketten, die men periodiek liet rechtspreken en besturen, voogdij en censuur uitoefenen, politie- en nachtwakersdienst liet verrichten; knevels en soldatenjas, die men periodiek als de hoogste wijsheid van de maatschappij en als rector van de maatschappij uitbazuinde - moesten kazerne en bivak, sabels en musketten, knevels en soldatenjas tenslotte niet op de idee komen, liever eens vooral de maatschappij te redden, door hun eigen regime als het hoogste uit te roepen en de burgerlijke maatschappij geheel van de zorg te bevrijden, zichzelf te regeren? Kazerne en bivak, sabels en musketten, knevels en soldatenjas moesten des te eerder op dit idee komen omdat zij dan ook een betere contante betaling voor hun verhoogde verdienste konden verwachten, terwijl er bij de slechts periodieke staat van beleg en het kortstondig redden van de maatschappij op bevel van deze of gene burgerlijke fractie weinig tastbaars afviel, behalve enige doden en gewonden en enige vriendelijke burger-grimassen. Moesten de militairen niet eindelijk ook eens in hun eigen belang en voor hun eigen belang staat van beleg spelen en tegelijkertijd de burgerlijke beurzen belegeren? Men vergeten trouwens niet, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, dat kolonel Bernard, dezelfde president van de militaire commissies, die onder Cavaignac 15.000 opstandelingen zonder rechterlijke uitspraak aan deportatie hielp, op dit ogenblik weer aan het hoofd van de in Parijs werkzame militaire commissies in actie is.

Wanneer de fatsoenlijke, de zuivere republikeinen met de staat van beleg in Parijs de kweekplaats hadden aangelegd waarin de pretorianen [18] van de 2e december 1851 moesten opgroeien, dan verdienen zij daarentegen het pluimpje, dat zij in plaats van zoals onder Louis Philippe het nationale gevoel te overdrijven, thans nu zij over de nationale macht geboden, voor het buitenland kruipen en in plaats van Italië te bevrijden, het door de Oostenrijkers en Napolitanen weer laten heroveren. De verkiezing van Louis Bonaparte tot president op 10 december 1848 maakte een eind aan de dictatuur van Cavaignac en van de Constituante.

In paragraaf 44 van de Constitutie wordt gezegd: “De president van de Franse republiek mag nooit zijn eigenschap van Frans burger hebben verloren”. De eerste president van de Franse republiek, L. N. Bonaparte, had niet alleen zijn eigenschap van Frans burger verloren, was niet alleen in Engeland special constable [19] geweest, hij was zelfs een genaturaliseerde Zwitser.

Ik heb op een andere plaats de betekenis van de verkiezing van 10 december uiteengezet. Ik kom er hier niet op terug. Hier is het voldoende op te merken, dat zij een reactie was van de boeren, die de kosten van de Februari-revolutie hadden moeten betalen, tegen de overige klassen van de natie, een reactie van het platteland tegen de stad. De verkiezing vond grote weerklank in het leger, waaraan de republikeinen van de National roem noch toelage hadden verschaft, bij de grote bourgeoisie, die Bonaparte als een brug voor de monarchie, bij de proletariërs en de kleinburgers, die hem als een karwats voor Cavaignac begroetten. Ik zal later gelegenheid vinden op de verhouding van de boeren tot de Franse Revolutie nader in te gaan.

Het tijdvak van 20 december 1848 tot de ontbinding van de Constituante in mei 1849 omvat de geschiedenis van de ondergang van de bourgeois-republikeinen. Nu zij een republiek voor de bourgeoisie hebben gesticht, het revolutionaire proletariaat van het terrein hebben verdreven en de democratische kleine burgerij voorlopig tot zwijgen hebben gebracht, worden zij zelf op zij geschoven door de massa van de bourgeoisie, die terecht op deze republiek als op haar eigendom beslag legt. Deze massa van de bourgeoisie was echter royalistisch. Een deel daarvan, de grootgrondbezitters, had onder de Restauratie de heerschappij uitgeoefend en was derhalve legitimistisch. [20] Het andere deel, de geldaristocraten en de grootindustriëlen, had onder de Juli-monarchie de heerschappij uitgeoefend en was derhalve orleanistisch [21] gezind. De grootwaardigheidsbekleders van het leger, de universiteit, de kerk, van de balie van de advocaten, de Academie en de pers waren over beide zijden verdeeld, zij het ook in een verschillende verhouding. Hier in de burgerlijke republiek, die noch de naam Bourbon, noch de naam Orleans, maar de naam kapitaal droeg, hadden zij de staatsvorm gevonden waaronder zij gemeenschappelijk de heerschappij konden uitoefenen. Reeds de Juni-opstand had hen in de ‘partij van de orde’ verenigd. Thans kwam het er in de eerste plaats op aan, om de coterie van de burgerlijke republikeinen uit de weg te ruimen, die de zetels in de Nationale Vergadering nog bezet hield. Zo bruut als deze zuivere republikeinen tegenover het volk het fysieke geweld hadden misbruikt, zo laf, schuchter, moedeloos, gebroken, tot strijden niet in staat, weken zij terug, nu het gold tegenover de uitvoerende macht en de royalisten hun republikeinse gezindheid en hun wetgevend recht te handhaven. Ik behoef hier niet de smadelijke geschiedenis van hun ontbinding te vertellen. Het was een vergaan, geen ondergang. Hun geschiedenis had haar rol voorgoed uitgespeeld en in de volgende periode figureren zij, hetzij binnen of buiten de Vergadering, nog alleen maar als herinneringen, herinneringen die weer levend schijnen te worden zodra er weer sprake is van de naam republiek alleen en zo vaak als het revolutionaire conflict tot het laagste peil dreigt te dalen. In het voorbijgaan merk ik op dat het blad dat aan deze partij zijn naam gaf, de National, zich in de volgende periode tot het socialisme bekeert.

Voordat wij deze periode afsluiten, moeten wij nog een terugblik werpen op de beide machten, waarvan de een de ander op 2 december 1851 vernietigt, terwijl zij van 20 december 1848 tot aan de ontbinding van de Constituante in een huwelijksverhouding hadden geleefd. Wij bedoelen Louis Bonaparte enerzijds en de partij van de gecoaliseerde royalisten, van de orde, van de grote bourgeoisie anderzijds. Bij de aanvaarding van zijn ambt als president vormde Bonaparte terstond een ministerie uit de partij van de orde, aan welks hoofd hij Odilon Barrot plaatste, nota bene de oude leider van de meest liberale fractie van de parlementaire bourgeoisie. De heer Barrot had eindelijk het ministerie gekregen, welks spookbeeld hem sinds 1830 vervolgde, en nog meer, het voorzitterschap in dit ministerie. Maar niet zoals hij dat zich onder Louis Philippe had voorgesteld, als de meest vooruitstrevende chef van de parlementaire oppositie, maar met de taak om een parlement dood te maken en als bondgenoot van al zijn aartsvijanden, de jezuïeten en de legitimisten. Hij voerde eindelijk de bruid naar zijn huis, maar eerst nadat zij geprostitueerd was. Bonaparte zelf eclipseerde schijnbaar volkomen. Deze partij handelde voor hem.

Reeds in de eerste zitting van de ministerraad werd tot de expeditie naar Rome besloten, die men achter de rug van de Nationale Vergadering om besloot uit te voeren en waarvoor men de middelen onder valse voorwendselen aan de Vergadering besloot te ontrukken. Zo begon men met een afzetterij van de Nationale Vergadering en met een geheime samenzwering met de absolute mogendheden in het buitenland tegen de revolutionaire Romeinse republiek. Bonaparte bereidde op dezelfde wijze en met dezelfde manoeuvres zijn coup van de 2e december tegen de royalistische Wetgevende Vergadering en haar constitutionele republiek voor. Vergeten wij niet dat dezelfde partij, die op 20 december 1848 Bonaparte’s ministerie vormde, op 2 december 1851 de meerderheid in de Wetgevende Nationale Vergadering bezat.

De Constituante had in augustus besloten zichzelf pas te ontbinden nadat zij een gehele reeks van organische wetten, die de Constitutie moesten aanvullen, had uitgewerkt en afgekondigd. De partij van de orde liet haar door de vertegenwoordiger Rateau op 6 januari 1849 voorstellen, om de organische wetten te laten schieten en veeleer tot haar eigen ontbinding te besluiten. Niet alleen het ministerie met de heer Odilon Barrot aan het hoofd, maar ook alle royalistische leden van de Nationale Vergadering snauwden haar op dat ogenblik toe dat haar ontbinding voor het herstel van het krediet, voor de consolidatie van de orde, noodzakelijk was, ten einde de onbepaalde voorlopige toestand te beëindigen en een definitieve toestand in het leven te roepen. Dat zij de productiviteit van de nieuwe regering in de weg stond, dat zij haar bestaan slechts uit rancune trachtte te rekken en dat het land genoeg van haar had. Bonaparte noteerde al deze uitvallen tegen de wetgevende macht, leerde ze uit het hoofd en bewees de parlementairen royalisten op 2 december 1851 dat hij van hen had geleerd. Hij herhaalde hun eigen leuzen tegen hen.

Het ministerie Barrot en de partij van de orde gingen verder. Zij riepen in geheel Frankrijk petities aan de Nationale Vergadering in het leven, waarin deze op de allervriendelijkste wijze werd verzocht te verdwijnen. Zo brachten zij tegen de Nationale Vergadering, tegen de constitutioneel georganiseerde uitdrukking van het volk, zijn niet-georganiseerde massa’s in het vuur. Zij leerden Bonaparte om uit de parlementaire vergaderingen een beroep te doen op het volk. Eindelijk, op 29 januari 1849 was de dag gekomen, waarop de Constituante een besluit moest nemen over haar eigen ontbinding. De Nationale Vergadering vond haar zittingsgebouw door militairen bezet. Changarnier, de generaal van de partij van de orde, in wiens handen het opperbevel over de Nationale Garde en over de linietroepen was verenigd, hield een grote wapenschouw van de troepen in Parijs, alsof er een veldslag te wachten stond en de gecoaliseerde royalisten verklaarden de Constituante dreigend dat men geweld zou gebruiken wanneer zij niet gewillig was. Zij was gewillig en door onderhandelingen slaagde zij er slechts in nog een zeer korte levenstermijn te verkrijgen. Wat was 29 januari anders dan de coup d’etat van 2 december 1851 alleen uitgevoerd door de royalisten met Bonaparte tegen de republikeinse Nationale Vergadering? De heren bemerkten niet of wilden niet bemerken dat Bonaparte 29 januari 1849 gebruikte om een deel van de troepen voor de Tuilerieën aan zich voorbij te laten defileren en dat hij juist dit eerste openbare vertoon van de militaire macht tegen de parlementaire macht begerig aangreep om de Caligula aan te duiden. Weliswaar zagen zij alleen hun Changarnier.

Een motief dat de partij van de orde er nog in het bijzonder toe bewoog om de levensduur van de Constituante met geweld te verkorten, waren de organische wetten die de Constitutie moesten aanvullen, zoals de onderwijswet, de wet op de eredienst, enz. Het was voor de gecoaliseerde royalisten van het grootste belang om deze wetten zelf te maken en ze niet door de wantrouwend geworden republikeinen te laten maken. Onder deze organische wetten bevond zich intussen ook een wet op de verantwoordelijkheid van de president van de republiek. In 1851 was de Wetgevende Vergadering juist bezig zulk een wet te maken toen Bonaparte deze coup door de coup van de 2e december voorkwam. Wat zouden de gecoaliseerde royalisten in hun parlementaire wintercampagne van 1851 er niet voor hebben gegeven wanneer zij de wet op de verantwoordelijkheid klaar hadden aangetroffen en wel gemaakt door een wantrouwige, vijandige, republikeinse vergadering.

Nadat de Constituante op 29 januari 1849 zelf haar laatste wapen had gebroken, joegen het ministerie Barrot en de vrienden van de orde haar in de dood, lieten niets ongedaan wat haar kon deemoedigen en persten haar aan zichzelf vertwijfelende zwakheid wetten af, die haar bij het publiek de laatste rest van achting kostten. Bonaparte, in beslag genomen door zijn Napoleon idee-fixe, was brutaal genoeg om deze vernedering van de parlementaire macht in het openbaar te exploiteren. Toen namelijk de Nationale Vergadering op 8 mei 1849 tegen het ministerie een motie van afkeuring aannam, wegens de bezetting van Civitavecchia door Oudinot en beval de expeditie naar Rome tot haar vermeende doel terug te brengen, publiceerde Bonaparte dezelfde avond in de Moniteur een brief aan Oudinot, waarin hij hem met zijn heldendaden geluk wenste en zich in tegenstelling tot de pennenlikkende parlementariërs, reeds voordeed als de grootmoedige beschermheer van het leger. De royalisten glimlachten daarover. Zij hielden hem eenvoudig voor hun dupe. Tenslotte, toen Marrast, de voorzitter van de Constituante, een ogenblik meende dat de veiligheid van de Nationale Vergadering in gevaar was en steunend op de Constituante een kolonel met zijn regiment rekruteerde, weigerde de kolonel, beriep zich op de discipline en verwees Marrast naar Changarnier, die hem honend afwees met de opmerking dat hij niet van baïonettes-intelligentes [22] hield. Toen de gecoaliseerde royalisten in november 1851 de beslissende strijd tegen Bonaparte wilden beginnen, trachtten zij in hun beruchte quaestorenbill het beginsel van de troepenrequisitie rechtstreeks door de president van de Nationale Vergadering er door te krijgen. Een van hun generaals, Le Flô, had het wetsvoorstel ondertekend. Tevergeefs stemde Changarnier voor het voorstel en huldigde Thiers de voorzichtige wijsheid van de vroegere Constituante. De minister van oorlog, St. Arnaud, antwoordde hem, zoals Changarnier Marrast had geantwoord en dat onder het applaus van de Montagne!

De partij van de orde had dus zelf, toen zij nog niet Nationale Vergadering, toen zij alleen nog maar ministerie was, het parlementaire regime gebrandmerkt. En zij heft een geschreeuw aan wanneer de 2e december 1851 het uit Frankrijk verbant!

Wij wensen het een gelukkige reis.

III

Op 28 mei 1849 [23] kwam de wetgevende Nationale Vergadering bijeen. Op 2 december 1851 werd zij uiteengejaagd. Deze periode omvat de levensduur van de constitutionele of parlementaire republiek.

In de eerste Franse Revolutie volgt op de heerschappij van de constitutionelen de heerschappij van de girondijnen en op de heerschappij van de girondijnen de heerschappij van de jakobijnen. Ieder van deze partijen steunt op de meer vooruitstrevende partij. Zodra zij de revolutie ver genoeg heeft gevoerd om haar niet meer te kunnen volgen, nog minder om aan het hoofd er van te kunnen gaan, wordt zij door de stoutmoediger bondgenoot, die achter haar staat, opzij geschoven en naar de guillotine gezonden. De revolutie beweegt zich aldus in opgaande lijn.

Het omgekeerde heeft plaats bij de revolutie van 1848. De proletarische partij verschijnt als een aanhangsel van de kleinburgerlijk-democratische partij. Zij wordt op 16 april, 15 mei en in de Juni-dagen door haar verraden en in de steek gelaten. De democratische partij harerzijds steunt op de schouders van de burgerlijk-republikeinse partij. Nauwelijks menen de burgerlijke republikeinen dat zij stevig staan, of zij schudden de lastige kameraad van zich af en steunen zelf op de schouders van de partij van de orde. De partij van de orde haalt haar schouders op, laat de burgerlijke republikeinen een buiteling maken en werpt zichzelf op de schouders van de gewapende macht. Zij meent nog op haar schouders te zitten als zij op een goede morgen bemerkt dat de schouders zich in bajonetten hebben veranderd. Iedere partij trapt achteruit naar de naar voren dringende partijen en naar voren leunend steunt zij op de achteruitdringende partij. Geen wonder dat zij in deze belachelijke positie het evenwicht verliest en na de onvermijdelijke grimassen te hebben gemaakt, onder zonderlinge bokkensprongen ineenstort. De revolutie beweegt zich aldus in dalende lijn. Zij bevindt zich in deze achterwaartse beweging, voordat de laatste Februari-barricade weggeruimd en de eerste revolutie-overheid ingesteld is.

De periode, die wij behandelen, omvat een allerbontst mengelmoes van schreeuwende tegenstellingen: constitutionelen, die openlijk tegen de Constitutie conspireren, revolutionairen, die zoals zij toegeven constitutioneel zijn, een Nationale Vergadering, die almachtig wil zijn en steeds parlementair blijft. Een Montagne, die in het dulden haar roeping vindt en door de voorspelling van toekomstige overwinningen haar tegenwoordige nederlagen pareert; royalisten, die de patres conscripti [24] van de republiek vormen en door de situatie gedwongen worden om de vijandelijke koningshuizen, die zij aanhangen, buiten het land en de republiek, die zij haten, in Frankrijk te steunen; een uitvoerende macht, die in haar zwakheid zelf haar kracht en in de verachting, die zij inboezemt, haar respectabiliteit vindt; een republiek, die niets anders is dan de gecombineerde eerloosheid van twee monarchieën, van de Restauratie en van de Juli-monarchie, met een imperialistisch etiket - verbindingen, welker eerste clausule scheiding, strijd, welks eerste wet besluiteloosheid is, in naam van de rust woeste agitatie zonder inhoud, in naam van de revolutie het plechtigste prediken van rust, hartstochten zonder waarheid, waarheden zonder hartstocht, helden zonder heldendaden, geschiedenis zonder gebeurtenissen; een ontwikkeling welker enige drijfkracht de kalender schijnt, afmattend door een voortdurende herhaling van dezelfde spanningen en ontspanningen; tegenstellingen die zichzelf periodiek slechts omhoog schijnen te drijven, om zich af te stompen en ineen te storten zonder zich te kunnen oplossen; pretentieus ten toon gespreide inspanningen en burgerlijke schrik voor het gevaar van de ondergang van de wereld, terwijl er tegelijkertijd door de redders van de wereld de meest kleingeestige intriges en hofkomedies worden opgevoerd die in hun laisser aller [25] minder aan het jongste gericht, dan wel aan de tijden van de Fronde herinneren - het officiële collectieve genie van Frankrijk te schande gemaakt door de slimme domheid van één enkel individu. De collectieve wil van de natie, zo vaak hij in het algemeen kiesrecht tot uitdrukking komt, zijn passende uitdrukking zoekend in de oude vijanden van de belangen van de massa’s, totdat hij die eindelijk vindt in de eigenzinnigheid van een vrijbuiter. Wanneer ooit een geschiedenisperiode grauw op grauw is afgebeeld, dan is het deze. Mensen en gebeurtenissen verschijnen als omgekeerde Schlemihlen [26], als schaduwen die hun lichaam hebben verloren. De revolutie paralyseert haar eigen dragers en rust alleen maar haar tegenstanders met hartstochtelijk geweld uit. Wanneer het ‘rode spook’, voortdurend opgeroepen en gebannen door de contrarevolutionairen, eindelijk verschijnt, verschijnt het niet met de anarchistische Frygische muts op het hoofd, maar in de uniform van de orde, in de rode pofbroek.

Wij hebben gezien: het ministerie, dat Bonaparte op 20 december 1848, op de dag van zijn hemelvaart installeerde, was een ministerie van de partij van de orde, van de legitimistische en orleanistische coalitie. Dit ministerie Barrot-Falloux had de republikeinse Constituante, welker levensduur het min of meer met geweld verkortte, een winter overleefd en bevond zich nog aan het bewind. Changarnier, de generaal van de verbonden royalisten, verenigde bij voortduring in zijn persoon het opperbevel over de eerste militaire divisie en over de Parijse Nationale Garde. De algemene verkiezingen hadden tenslotte aan de partij van de orde de grote meerderheid in de Nationale Vergadering verzekerd. Hier ontmoetten de afgevaardigden en pairs van Louis Philippe een heilige schaar van legitimisten, voor wie talrijke stembiljetten van de natie zich in toegangskaarten voor het politieke toneel hadden veranderd. De bonapartistische volksvertegenwoordigers waren te dun gezaaid om een zelfstandige parlementaire partij te kunnen vormen. Zij verschenen slechts als de mauvaise queue [27] van de partij van de orde. Zo was de partij van de orde in het bezit van de regeringsmacht, van het leger en van het wetgevende lichaam, kortom van de gehele macht in de staat, moreel versterkt door de algemene verkiezingen, die haar heerschappij voor de wil van het volk lieten doorgaan en door de gelijktijdige overwinning van de contrarevolutie op het gehele Europese vasteland.

Nooit begon een partij haar veldtocht met groter middelen en onder gunstiger voortekens.

De zuivere republikeinen, die schipbreuk hadden geleden, bleken in de wetgevende Nationale Vergadering te zijn geslonken tot een kliek van ongeveer 50 man met de Afrikaanse generaals Cavaignac, Lamoricière en Bedeau aan het hoofd. De grote oppositiepartij evenwel werd door de Montagne gevormd. Deze parlementaire doopnaam had de sociaaldemocratische partij aangenomen. Zij beschikte over meer dan 200 van de 750 stemmen van de Nationale Vergadering en was derhalve minstens even machtig als elk van de drie fracties van de partij van de orde afzonderlijk genomen. Haar relatieve minderheid scheen door bijzondere omstandigheden tegen de gehele royalistische coalitie op te wegen. De verkiezingen in de departementen toonden niet alleen dat zij een belangrijke aanhang onder de plattelandsbevolking had verkregen. Zij telde in haar gelederen bijna alle afgevaardigden van Parijs, het leger had door de keuze van drie onderofficieren een democratische geloofsbelijdenis afgelegd en de leider van de Montagne, Ledru-Rollin, was in tegenstelling tot alle vertegenwoordigers van de partij van de orde, door vijf departementen, die hun stemmen op hem hadden uitgebracht, in de parlementaire adelstand verheven. De Montagne scheen dus op 28 mei 1849, bij de onvermijdelijke botsingen tussen de royalisten onderling en tussen de gehele partij van de orde met Bonaparte, alle elementen van succes aan haar kant te hebben. Veertien dagen later had zij alles verloren, de eer daarbij inbegrepen.

Voordat wij de parlementaire geschiedenis verder nagaan, zijn er enige opmerkingen nodig om gebruikelijke vergissingen over het gehele karakter van het tijdvak, dat wij beschouwen, te vermijden. Beschouwd uit het democratisch oogpunt gaat het in het tijdvak van de wetgevende Nationale Vergadering om hetzelfde, waar het in het tijdvak van de Constituerende Vergadering om ging, enkel om de strijd tussen de republikeinen en de royalisten. De beweging zelf echter vatten zij in één leuze samen: ‘reactie’, nacht waarin alle katten grauw zijn en die hun toestaat hun nachtwakersgemeenplaatsen af te draaien. En zeker, op het eerste gezicht vertoont de partij van de orde een kluwen van verschillende royalistische fracties, die niet alleen tegen elkaar intrigeren om ieder hun eigen pretendent op de troon te verheffen en de pretendent van de tegenpartij uit te sluiten, maar zich ook allen verenigen in de gemeenschappelijke haat tegen en gemeenschappelijke aanvallen op de ‘republiek’. De Montagne schijnt van haar kant in tegenstelling tot deze royalistische samenzwering, de vertegenwoordigster van de ‘republiek’ te zijn. De partij van de orde schijnt zich voortdurend bezig te houden met een ‘reactie’, die zich niet meer en niet minder dan in Pruisen, tegen pers, vereniging enz. richt en evenals in Pruisen zich voltrekt in de vorm van ruwe politie inmenging van de bureaucratie, de gendarmerie en het parket. De Montagne houdt er zich van haar kant eveneens voortdurend mee bezig deze aanvallen af te slaan en zo de ‘eeuwige rechten van de mens’ te verdedigen, zoals iedere zogenaamde volkspartij dat sinds anderhalve eeuw in meer of mindere mate heeft gedaan. Bij een nadere beschouwing van de situatie en van de partijen verdwijnt evenwel deze oppervlakkige schijn, waarachter de klassenstrijd en de bijzondere fysionomie van deze periode schuilgaan.

Legitimisten en orleanisten vormden, zoals wij zeiden, de twee grote fracties van de partij van de orde. Was datgene, wat deze fracties aan hun pretendenten deed vasthouden en hen onderling van elkaar afhield, niets anders dan de lelie en de driekleur, het huis Bourbon en het huis Orleans, verschillende schakeringen van het royalisme, was het in het algemeen de geloofsbelijdenis van het royalisme? Onder de Bourbons had de grote grondeigendom geregeerd met zijn papen en lakeien, onder de Orleans de geldaristocratie, de grote industrie, de grote handel, d.w.z. het kapitaal met zijn gevolg van advocaten, professoren en mooipraters. Het legitieme koningschap was slechts de politieke uitdrukking voor de aangeërfde heerschappij van de heren van de grond, zoals de Juli-monarchie slechts de politieke uitdrukking was voor de geüsurpeerde heerschappij van de burgerlijke parvenu’s. Datgene, wat deze fracties dus van elkaar scheidde, dat waren geen zogenaamde principes, het waren hun materiële bestaansvoorwaarden, twee verschillende soorten van de eigendom, het was de oude tegenstelling tussen stad en land, de rivaliteit tussen kapitaal en grondeigendom. Dat tegelijkertijd oude herinneringen, persoonlijke vijandschap, vrees en hoop, vooroordelen en illusies, sympathieën en antipathieën, overtuigingen, geloofsartikelen en principes hen aan het een of andere koningshuis bonden, wie loochent dit? Op de verschillende vormen van de eigendom, op de sociale bestaansvoorwaarden verheft zich een hele bovenbouw van verschillende en eigenaardig gevormde gewaarwordingen, illusies, wijzen van denken en levensbeschouwingen. De gehele klasse schept en vormt die uit haar materiële grondslagen en uit de overeenkomstige maatschappelijke verhoudingen. Het afzonderlijke individu, bij wie deze gevoelens en opvattingen door traditie en opvoeding ontstaan, kan zich verbeelden dat zij de eigenlijke motieven en het uitgangspunt van zijn handelen vormen. Wanneer de orleanisten en legitimisten, iedere fractie zichzelf en anderen trachtte wijs te maken, dat de aanhankelijkheid aan hun twee koningshuizen hen scheidde, dan bewezen de feiten later dat veeleer hun verschillend belang de vereniging van de twee koningshuizen verbood. En zoals men in het particuliere leven verschil maakt tussen datgene wat een mens over zichzelf denkt en zegt en datgene wat hij werkelijk is en doet, zo moet men bij de historische strijd nog meer onderscheid maken tussen de frases en de inbeeldingen van de partijen en hun werkelijk organisme en werkelijke belangen, tussen hun voorstelling en hun werkelijkheid. Orleanisten en legitimisten bleken in de republiek naast elkaar te staan met dezelfde aanspraken. Wanneer iedere zijde tegen de andere de restauratie van zijn eigen koningshuis wilde tot stand brengen, dan betekende dit niets anders, dan dat de twee grote belangen, die de bourgeoisie splitsen - grondeigendom en kapitaal - ieder zijn eigen suprematie en de ondergeschiktheid van de ander trachtte te restaureren. Wij spreken over twee belangen van de bourgeoisie, want de grote grondeigendom was ondanks zijn feodale koketterie en zijn rassen-trots door de ontwikkeling van de moderne maatschappij volkomen verburgerlijkt. Zo hebben zich de Tories in Engeland lang verbeeld dat zij dweepten met de monarchie, de kerk en de schoonheden van de oude Engelse staatsregeling, totdat de dag van het gevaar hun de bekentenis ontrukte, dat zij alleen met de grondrente dweepten.

De gecoaliseerde royalisten voerden hun intrige tegen elkaar in de pers, in Ems, in Claremont, buiten het parlement. Achter de coulissen trokken zij hun oude orleanistische en legitimistische livreien weer aan en voerden zij hun oude tornooien weer op. Maar op het openbare toneel, in hun staatshandelingen naar buiten, als grote parlementaire partij, schepen zij hun respectievelijke koningshuizen met buigingen zonder meer af en verdagen zij de restauratie van de monarchie in infinitum. [28] Zij doen hun werkelijke werk als partij van de orde d.w.z. onder een maatschappelijke, niet onder een politieke titel, als vertegenwoordigers van de burgerlijke wereldorde, niet als ridders van dwalende prinsessen, als bourgeoisklasse tegenover andere klassen, niet als royalisten tegenover republikeinen. En als partij van de orde hebben zij een onbeperktere en hardere heerschappij over de andere klassen van de maatschappij uitgeoefend dan voorheen onder de Restauratie of onder de Juli-monarchie ooit heeft bestaan, een heerschappij zoals die in het (algemeen slechts mogelijk was onder de vorm van de parlementaire republiek, want alleen onder deze vorm konden zich de twee grote afdelingen van de Franse bourgeoisie verenigen, dus de heerschappij van hun klasse, in plaats van het regime van een bevoorrechte fractie daarvan op de agenda plaatsen. Wanneer zij nochtans ook als partij van de orde de republiek beledigen en hun afkeer tegen haar uitspreken, dan gebeurde dit niet alleen uit royalistische herinneringen. Het instinct leerde hun, dat de republiek weliswaar hun politieke heerschappij voltooit, maar tegelijkertijd de maatschappelijke grondslag daarvan ondermijnt, doordat zij nu zonder bemiddeling, zonder zich achter de kroon te kunnen verbergen, zonder het nationale belang door hun minder belangrijke onderlinge strijd en hun strijd tegen de monarchie te kunnen afleiden, tegenover de onderdrukte klassen moesten staan en tegen hen moesten vechten. Het was een gevoel van zwakte, dat hen voor de zuivere voorwaarden van hun eigen klassenheerschappij deed terugschrikken en hen deed terug verlangen naar de meer onvolkomen, minder ontwikkelde en juist daarom minder gevaarlijke vormen daarvan. Zo vaak als de gecoaliseerde royalisten daarentegen in conflict met de pretendent komen die tegenover hen staat, met Bonaparte, zo vaak zij menen dat hun parlementaire almacht door de uitvoerende macht wordt bedreigd, zo vaak zij dus de politieke titel van hun heerschappij moeten tonen, treden zij als republikeinen op en niet als royalisten, vanaf de orleanist Thiers, die de Nationale Vergadering waarschuwt dat de republiek hen het minst scheidt, tot en met de legitimist Berryer, die op 2 december 1851, de driekleurige sjerp om het lijf, als tribuun in naam van de republiek een toespraak hield voor het volk dat voor het raadhuis van het tiende arrondissement was bijeengekomen. Weliswaar roept de echo hem spottend terug: Henri V! Henri V!

Tegenover de gecoaliseerde bourgeoisie had zich een coalitie van kleinburgers en arbeiders gevormd, de zogenaamde sociaaldemocratische partij. De kleinburgers hadden gezien dat zij na de Juni-dagen van 1848 slecht beloond waren, dat hun materiële belangen werden bedreigd en dat de democratische garanties die hun het doen gelden van deze belangen moesten verzekeren, door de contrarevolutie twijfelachtig werden gemaakt. Daarom kwamen zij dichter bij de arbeiders. Hun parlementaire vertegenwoordiging anderzijds, de Montagne, die tijdens de dictatuur van de burgerlijke republikeinen op zij was geschoven, had in de laatste helft van het leven der Constituante, door de strijd tegen Bonaparte en de royalistische ministers, haar verloren populariteit heroverd. Zij had met de socialistische leiders een bondgenootschap gesloten. In februari 1849 werden er verzoeningsbanketten gehouden. Er werd een gemeenschappelijk program ontworpen, er werden gemeenschappelijke verkiezingscomités gevormd en gemeenschappelijke kandidaten gesteld. Er werd van de sociale eisen van het proletariaat de revolutionaire spits afgebroken en daaraan een democratische draai gegeven; de democratische aanspraken van de kleine burgerij werden alleen maar van hun politieke vorm ontdaan en kregen een socialistische pointe. [29] Zo ontstond de sociaaldemocratie. De nieuwe Montagne, het resultaat van deze combinatie, omvatte afgezien van enige figuranten uit de arbeidersklasse en enige socialistische sektariërs, dezelfde elementen als de oude Montagne, alleen numeriek sterker. Maar in de loop van de ontwikkeling had zij zich met de klasse die zij vertegenwoordigde veranderd. Het eigenaardige karakter van de sociaaldemocratie ligt daarin besloten dat er democratisch-republikeinse instellingen als middel worden geëist, niet om de twee uitersten, kapitaal en loonarbeid beide op te heffen, maar om hun tegenstelling te verzwakken en in harmonie te doen verkeren. Hoe verschillend de maatregelen, die tot het bereiken van dit doel worden voorgesteld ook mogen zijn, hoezeer het zich met min of meer revolutionaire voorstellingen moge omkleden, de inhoud blijft dezelfde. Deze inhoud is de verandering van de maatschappij langs democratische weg, maar een verandering binnen de grenzen van de kleine burgerij. Men moet zich echter niet op een bekrompen wijze voorstellen, alsof de kleine burgerij principieel een egoïstisch klassenbelang wil doorzetten. Zij gelooft veeleer, dat de bijzondere voorwaarden van haar bevrijding de algemene voorwaarden zijn, waarbinnen de moderne maatschappij alleen kan worden gered, en de klassenstrijd kan worden vermeden. Men moet zich evenmin voorstellen, dat de democratische vertegenwoordigers nu ‘allemaal shopkeepers [30] zijn of met deze dwepen. Zij kunnen wat hun ontwikkeling en hun individuele positie betreft hemelsbreed van hen verschillen. Datgene wat hen tot vertegenwoordigers van de kleinburger maakt, is dat zij in hun denken niet uitkomen boven de beperkingen, waar deze in het leven niet bovenuit kan gaan, dat zij derhalve theoretisch tot dezelfde opgaven en oplossingen worden gedreven waarheen het materiële belang en de maatschappelijke toestand deze praktisch drijven. Dat is in het algemeen de verhouding van de politieke en literaire vertegenwoordigers van een klasse tot de klasse die zij vertegenwoordigen.

Het spreekt na de gegeven uiteenzetting vanzelf, dat wanneer de Montagne voortdurend met de partij van de orde worstelt om de republiek en de zogenaamde rechten van de mens, noch de republiek, noch de rechten van de mens hun laatste doel zijn, evenmin als een leger dat men van zijn wapenen wil beroven en dat zich te weer stelt, in het strijdperk is getreden om in het bezit van zijn eigen wapenen te blijven.

Onmiddellijk nadat de Nationale Vergadering bijeen was gekomen provoceerde de partij van de orde de Montagne. De bourgeoisie voelde nu de noodzakelijkheid om met de democratische kleinburgers af te rekenen, zoals zij een jaar geleden de noodzakelijkheid had begrepen om dit met het revolutionaire proletariaat te doen. Alleen was de situatie van de tegenstander nu anders. De kracht van de proletarische partij was op de straat, die van de kleinburgers in de Nationale Vergadering zelf. Het was dus zaak hen uit de Nationale Vergadering op de straat te lokken en hen zelf hun parlementaire macht te laten breken, voordat tijd en gelegenheid die konden consolideren. De Montagne draafde met losse teugel in de val.

Het bombardement van Rome door de Franse troepen [31] was het lokaas dat haar werd toegeworpen. Het schond artikel V van de Constitutie, dat de Franse Republiek verbiedt om haar strijdkrachten tegen de vrijheid van een ander volk te gebruiken. Bovendien verbood artikel 54 iedere oorlogsverklaring door de uitvoerende macht zonder toestemming van de Nationale Vergadering en had de Constituante door haar besluit van 8 mei haar afkeuring over de expeditie naar Rome uitgesproken. Op deze gronden diende Ledru-Rollin op 11 juni 1849 een aanklacht in tegen Bonaparte en zijn ministers. Geprikkeld door de wespensteken van Thiers liet hij zich zelfs zo ver gaan dat hij dreigde de Constitutie met alle middelen te zullen verdedigen, zelfs met de wapenen in de hand. De Montagne verhief zich als één man en herhaalde deze strijdkreet. Op 12 juni verwierp de Nationale Vergadering de akte van beschuldiging en de Montagne verliet het parlement. De gebeurtenissen van 13 juni zijn bekend: de proclamatie van een deel van de Montagne, waarbij Bonaparte en zijn ministers ‘buiten de grondwet’ werden verklaard. De straatprocessie van de democratische Nationale Gardes, die ongewapend als zij waren, bij de ontmoeting met de troepen van Changarnier uiteenstoven, enz. enz. Een deel van de Montagne vluchtte naar het buitenland, een ander deel werd naar het Hoge Gerechtshof in Bourges verwezen en een parlementair reglement onderwierp de rest aan het schoolmeesterachtige toezicht van de voorzitter van de Nationale Vergadering. Parijs werd weer in staat van beleg verklaard en het democratische gedeelte van zijn Nationale Garde werd ontbonden. Zo was de invloed van de Montagne in het Parlement en de macht van de kleinburgers in Parijs gebroken.

Lyon, waar de 13e juni het signaal was geweest voor een bloedige arbeidersopstand, werd met de vijf omliggende departementen eveneens in staat van beleg verklaard, een toestand, die tot op dit ogenblik voortduurt.

Het gros van de Montagne had zijn voorhoede in de steek gelaten door te weigeren zijn handtekening onder haar proclamatie te plaatsen. De pers was gedeserteerd, slechts twee bladen waagden het de pronunciamiento te publiceren. De kleinburgers verrieden hun vertegenwoordigers, terwijl de Nationale Gardes wegbleven of, waar zij verschenen, het oprichten van barricades verhinderden. De vertegenwoordigers hadden de kleinburgers gedupeerd, want de vermeende bondgenoten in het leger waren nergens te zien. Tenslotte had de democratische partij, in plaats van nieuwe krachten van het proletariaat te krijgen, het met haar eigen zwakte besmet en zoals gewoonlijk bij grote daden van democraten hadden de leiders de voldoening, hun ‘volk’ van desertie en het volk de voldoening zijn leiders van bedrog te kunnen beschuldigen.

Zelden was een actie met groter lawaai aangekondigd dan de aanstaande veldtocht van de Montagne, zelden was een gebeurtenis met meer zekerheid en langer van te voren uitgebazuind, dan de onvermijdelijke overwinning van de democratie. Zeer zeker: de democraten geloven aan de bazuinen, door wier geschal de muren van Jericho instortten. En zo vaak zij tegenover de wallen van het despotisme staan proberen zij het wonder na te doen. Wanneer de Montagne in het parlement wilde overwinnen, dan had zij niet tot de wapenen mogen oproepen. Wanneer zij in het parlement tot de wapenen opriep, dan had zij zich op straat niet parlementair moeten gedragen. Wanneer de vreedzame demonstratie ernstig was gemeend, dan was het dwaas niet vooruit te zien dat zij oorlogszuchtig zou worden ontvangen. Wanneer een werkelijke strijd in de bedoeling lag, dan was het een originele idee om de wapenen neer te leggen, waarmee deze moest worden gevoerd. Maar de revolutionaire bedreigingen van de kleinburgers en van hun democratische vertegenwoordigers zijn alleen maar pogingen om de tegenstander te intimideren. En wanneer zij in een slop zijn geraakt, wanneer zij zich voldoende hebben gecompromitteerd om gedwongen te zijn hun dreigementen ten uitvoer te brengen, dan gebeurt dit op een dubbelzinnige wijze, die niets méér vermijdt dan de middelen om het doel te bereiken en die naar voorwendsels grijpt om te verliezen. De schetterende ouverture, die de strijd aankondigde, loopt uit op een schuchter geknor zodra de strijd moet beginnen, de acteurs houden op zichzelf serieus te nemen en de handeling stort plat in elkaar, als een met lucht gevulde ballon waar men met een naald in prikt.

Geen partij overdrijft voor zichzelf haar middelen meer dan de democratische, geen partij bedriegt zichzelf lichtvaardiger omtrent de situatie. Toen een deel van het leger voor haar had gestemd, was de Montagne tevens overtuigd dat het leger voor haar in opstand zou komen. Naar aanleiding waarvan? Naar aanleiding van iets, dat van het standpunt van de troepen geen andere zin had, dan dat de revolutionairen voor de soldaten van Rome, tegen de Franse soldaten partij kozen. Anderzijds lagen de herinneringen aan juni 1848 nog te vers in het geheugen, dan dat er geen diepe afkeer van het proletariaat tegen de Nationale Garde en geen grondig wantrouwen van de leiders van de geheime verenigingen tegen de democratische chefs moesten bestaan. Om deze verschillen te overbruggen, waren er grote gemeenschappelijke belangen nodig, die op het spel stonden. Het overtreden van een abstracte paragraaf van de Constitutie kon dat belang niet zijn. Was volgens de verzekering van de democraten zelf de Constitutie niet reeds meerdere malen geschonden? Hadden de meest populaire bladen haar niet als een contrarevolutionair maakwerk gebrandmerkt? Maar omdat de democraat de kleine burgerij vertegenwoordigt, dus een overgangsklasse, waarin de belangen van twee klassen tegelijk hun scherpte verliezen, meent hij dat hij in het algemeen boven de klassentegenstellingen verheven is. De democraten geven toe dat er een bevoorrechte klasse tegenover hen staat, maar zij met het gehele overige deel van de natie vormen het volk. Datgene wat zij vertegenwoordigen is het volksrecht; datgene wat hun interesseert is het volksbelang. Zij behoeven derhalve bij een op handen zijnde strijd de belangen en posities van de verschillende klassen niet te onderzoeken. Zij behoeven hun eigen middelen niet al te ernstig te overwegen. Zij behoeven immers alleen maar het signaal te geven en het volk zal met al zijn onuitputtelijke hulpmiddelen de onderdrukkers aanvallen. Blijken nu bij de uitvoering hun belangen onbelangrijk en hun macht onmacht te zijn, dan ligt dat óf aan verderfelijke sofisten die het ondeelbare volk in verschillende vijandige kampen splitsen, óf het leger was te verdierlijkt en te verblind om de zuivere doeleinden van de democratie als het beste voor zichzelf te begrijpen, óf het geheel is mislukt door een detail van de uitvoering, of wel een onvoorzien toeval heeft ditmaal het spel doen mislukken. In ieder geval komt de democraat even vlekkeloos uit de smadelijkste nederlaag te voorschijn als hij er zich onschuldig in heeft begeven, met de nieuwgewonne overtuiging dat hij moet overwinnen, niet dat hij zelf en zijn partij het oude standpunt moeten opgeven, maar omgekeerd, dat de omstandigheden naar hem toe moeten rijpen.

Men moet zich daarom de gedecimeerde, gebroken en door het nieuwe parlementaire reglement gedeemoedigde Montagne niet al te ongelukkig voorstellen. Al had de 13e juni haar leiders ook op zij geschoven, anderzijds maakte hij een plaats vrij voor mindere capaciteiten, die gevleid zijn met deze nieuwe positie. Indien hun machteloosheid in het parlement niet meer in twijfel kon worden getrokken, hadden zij nu ook het recht om hun daad te beperken tot uitbarstingen van zedelijke verontwaardiging en tot daverende declamatie. Indien de partij van de orde beweerde in hen, als de laatste officiële vertegenwoordigers van de revolutie, alle vreselijkheden van de anarchie belichaamd te zien, dan konden zij in werkelijkheid des te platter en bescheidener zijn. Over de 13e juni echter troostten zij zich met de diepzinnige uiting: Maar wanneer men het waagt het algemene kiesrecht aan te vallen, dan, o dan zullen wij tonen wie wij zijn! Nous verrons. [32]

Wat de naar het buitenland gevluchte Montagnards betreft, zij het voldoende hier op te merken dat Ledru-Rollin, omdat het hem gelukt was in nauwelijks twee weken tijd de machtige partij aan wier hoofd hij stond, hopeloos te ruïneren, zich nu geroepen achtte een Franse regering in partibus te vormen; dat naar gelang het peil van de revolutie daalde en de officiële grootheden van het officiële Frankrijk dwergachtiger werden, zijn figuur daar in de verte, verwijderd van het toneel van de actie groter scheen te worden; dat hij als republikeins pretendent voor 1852 kon figureren en dat hij periodieke rondschrijven aan die Walachen en andere volken verzond, waarin de despoten van het vasteland met de daden van hem en zijn bondgenoten worden bedreigd. Had Proudhon geheel ongelijk, toen hij deze heren toeriep: “Vous n’êtes que des blaguers”. [33]

De partij van de orde had op 13 juni niet alleen de Montagne gebroken, zij had doorgezet dat de Constitutie aan de besluiten van de meerderheid van de Nationale Vergadering ondergeschikt werd gemaakt. En zo begreep zij de republiek: dat de bourgeoisie hier in parlementaire vormen heerst, zonder zoals onder de monarchie te worden beperkt door het veto van de uitvoerende macht of door het feit, dat het parlement ontbonden kan worden. Dat was de parlementaire republiek, zoals Thiers haar noemde. Maar terwijl de bourgeoisie op 13 juni haar almacht binnen het parlementsgebouw zeker stelde, sloeg zij toen het parlement zelf niet tegenover de uitvoerende macht en tegenover het volk met een ongeneeslijke zwakte, door het meest populaire gedeelte daarvan uit te stoten? Door talrijke vertegenwoordigers zonder verdere ceremonie aan de opvordering door het openbare ministerie over te leveren, hief zij haar eigen parlementaire onschendbaarheid op. Het deemoedigende reglement waaraan zij de Montagne onderwierp, verheft de president van de republiek in gelijke mate, als het de afzonderlijke vertegenwoordiger van het volk neerdrukt. Door de opstand ter bescherming van de constitutionele grondwet te brandmerken als een anarchistische daad die de omverwerping van de maatschappij tot doel heeft, verbood zij zichzelf een beroep te doen op de opstand, wanneer de uitvoerende macht tegenover haar de Constitutie zou schenden. En de ironie van de geschiedenis wil dat de generaal die in opdracht van Bonaparte Rome had gebombardeerd en op deze wijze de onmiddellijke aanleiding had gegeven tot de constitutionele muiterij van 13 juni, dat Oudinot op 2 december 1851 door de partij van de orde smekend en tevergeefs aan het volk moet worden aangeboden als generaal van de Constitutie tegen Bonaparte. Een andere held van de 13e juni, Vieyra die van de tribune van de Nationale Vergadering lof oogstte voor de bruutheden die hij aan het hoofd van een bende tot de geldaristocratie behorende Nationale Gardes in de democratische krantenlokalen gepleegd had, deze zelfde Vieyra was ingewijd in het complot van Bonaparte en droeg er essentieel toe bij om de Nationale Vergadering in haar doodsuur van iedere bescherming door de Nationale Garde af te snijden.

De 13e juni had nog een andere betekenis. De Montagne had willen afdwingen dat Bonaparte in staat van beschuldiging werd gesteld. Haar nederlaag was dus een rechtstreekse overwinning van Bonaparte, zijn persoonlijke triomf over zijn democratische vijanden. De partij van de orde bevocht de overwinning, Bonaparte behoefde die alleen maar te incasseren. Hij deed dat. Op 14 juni kon men aan de muren van Parijs een proclamatie lezen waarin de president als het ware zonder zijn toedoen, tegenstribbelend, alleen door de macht van de gebeurtenissen gedwongen, uit zijn kloosterachtige afzondering te voorschijn treedt, als de miskende deugd over de laster van zijn tegenstanders klaagt en terwijl hij zijn persoon met de zaak van de orde tracht te identificeren, veeleer de zaak van de orde met zijn persoon identificeert. Bovendien had de Nationale Vergadering de expeditie tegen Rome weliswaar achteraf goedgekeurd, maar Bonaparte had daartoe het initiatief genomen. Nadat hij de hogepriester Samuel weer in het Vaticaan had gebracht, kon hij hopen als koning David de Tuilerieën te betrekken. Hij had de papen voor zich gewonnen.

De muiterij van 13 juni beperkte zich, zoals wij hebben gezien, tot een vreedzame straatprocessie. Men kon daarentegen dus geen oorlogslauweren oogsten. Niettemin verhief de partij van de orde in deze aan helden en gebeurtenissen arme tijd, deze slag zonder bloedvergieten tot een tweede Austerlitz. Tribune en pers prezen het leger als de macht van de orde, tegenover de volksmassa’s als de onmacht van de anarchie, en Changarnier als het ‘bolwerk van de maatschappij’. Een mystificatie, waaraan hij tenslotte zelf geloofde. Intussen werden echter de korpsen die verdacht schenen uit Parijs verplaatst, de regimenten wier verkiezingen het meest democratisch waren uitgevallen, werden uit Frankrijk naar Algiers verbannen, de onrustige elementen onder de troepen werden naar strafafdelingen gezonden en de afsluiting van de pers van de kazerne en van de kazerne van de burgerlijke maatschappij werd tenslotte systematisch doorgezet.

Wij zijn hier bij het beslissende keerpunt in de geschiedenis van de Franse Nationale Garde gekomen. In 1830 had zij de doorslag gegeven bij de omverwerping van de Restauratie. Onder Louis Philippe mislukte iedere muiterij, waarin de Nationale Garde aan de kant van de troepen stond. Toen zij zich in de Februari-dagen van 1848 passief tegenover de opstand toonde en een dubbelzinnige houding tegenover Louis Philippe aannam, hield hij zich voor verloren en was hij verloren. Zo vatte de overtuiging voet dat de revolutie niet zonder en het leger niet tegen de Nationale Garde kon overwinnen. Dat was het bijgeloof van het leger aan de burgerlijke almacht. De Juni-dagen van 1848, toen de gehele Nationale Garde met de linietroepen de opstand neersloeg, hadden het bijgeloof versterkt. Toen Bonaparte aan de regering was gekomen, daalde de positie van de Nationale Garde enigszins door de ongrondwettige vereniging van haar bevel met het bevel van de eerste militaire divisie in de persoon van Changarnier.

Zoals het bevel over de Nationale Garde hier een attribuut van de militaire opperbevelhebber scheen te zijn, zo scheen zij zelf nog slechts een aanhangsel van de linietroepen. Op 13 juni eindelijk werd zij gebroken: niet slechts door haar gedeeltelijke ontbinding, die zich sinds die tijd periodiek in alle delen van Frankrijk herhaalde en slechts brokstukken van haar overliet. De demonstratie van 13 juni was in de eerste plaats een demonstratie van de democratische Nationale Gardes. Zij hadden weliswaar niet hun wapenen, maar dan toch hun uniform tegenover het leger geplaatst, maar juist in deze uniform lag de talisman. Het leger overtuigde er zich van dat deze uniform een doodgewone wollen lap was. De betovering was verbroken. In de Juni-dagen van 1848 waren de bourgeoisie en de kleine burgerij als Nationale Garde met het leger tegen het proletariaat verenigd, op 13 juni 1849 liet de bourgeoisie de kleinburgerlijke Nationale Garde door het leger uit elkaar jagen, op 2 december 1851 was de Nationale Garde van de bourgeoisie zelf verdwenen en Bonaparte constateerde dit feit alleen maar, toen hij achteraf het decreet van haar ontbinding ondertekende. Zo had de bourgeoisie zelf haar laatste wapen tegen het leger gebroken, maar zij moest dat doen vanaf het ogenblik dat de kleinburgerij niet meer als vazal achter, maar als rebel voor haar stond, zoals zij in het algemeen al haar verdedigingsmiddelen tegen het absolutisme met eigen hand moest vernietigen, zodra zij zelf absoluut was geworden.

De partij van de orde vierde intussen de herovering van een macht, die in 1848 slechts verloren scheen, om in 1849, bevrijd van haar beperkingen, weer te worden teruggevonden, door middel van beschimpingen tegen de republiek en de Constitutie, door de vervloeking van alle toekomstige, tegenwoordige en vroegere revoluties, die welke haar eigen leiders hadden gemaakt daarbij inbegrepen, en door middel van wetten, waardoor de pers werd gekneveld, de associatie vernietigd en de staat van beleg tot een organisch instituut gemaakt. De Nationale Vergadering ging daarop van midden augustus tot midden oktober op reces, nadat zij een permanente commissie had benoemd voor de tijd van haar afwezigheid. Gedurende deze vakantie intrigeerden de legitimisten met Ems, de orleanisten met Claremont, Bonaparte door prinselijke reizen en de departementsraden in hun beraadslagingen over de herziening van de grondwet — voorvallen die in de periodieke vakanties man de Nationale Vergadering regelmatig terugkeren en waarop ik eerst wil ingaan, zodra zij tot gebeurtenissen worden. Hier zij nog slechts opgemerkt dat de Nationale Vergadering onpolitiek handelde, toen zij voor langere tijd van het toneel verdween en aan het hoofd van de republiek alleen nog maar één, zij het ook klaaglijke figuur liet zien, die van Louis Bonaparte, terwijl de partij van de orde tot schandaal voor het publiek in haar royalistische bestanddelen uiteenviel en haar met elkaar in strijd zijnde restauratielusten najoeg. Zo vaak als gedurende deze vakanties het verwarrende lawaai van het parlement verstomde en zijn lichaam zich in de natie oploste, kwam er onmiskenbaar aan het licht dat er nog slechts één ding ontbrak om de ware vorm van deze republiek te volmaken: zijn vakanties permanent te maken en haar opschrift: Liberté, égalité, fraternité, te vervangen door de ondubbelzinnige woorden: Infanterie, cavalerie, artillerie!

IV

Midden oktober 1849 kwam de Nationale Vergadering weer bijeen. Op 1 november verraste Bonaparte haar met een boodschap waarin hij het ontslag van het ministerie Barrot-Falloux en de vorming van een nieuw ministerie aankondigde. Niemand heeft ooit zijn lakeien met minder ceremonie uit de dienst gejaagd, als Bonaparte zijn ministers. De trappen, die voor de Nationale Vergadering bestemd waren, kregen voorlopig Barrot en co.

Zoals wij hebben gezien was het ministerie Barrot samengesteld uit legitimisten en orleanisten, het was een ministerie van de partij van de orde. Bonaparte had dit ministerie nodig gehad om de republikeinse Constituante te ontbinden, de expeditie tegen Rome tot stand te brengen en de democratische partij te breken. Achter dit ministerie was hij schijnbaar geëclipseerd, hij had de regeringsmacht in de handen van de partij van de orde afgestaan en het bescheiden karaktermasker voorgedaan dat de verantwoordelijke beheerder van de dagbladpers onder Louis Philippe droeg, het masker van de homme de paille. [34] Nu wierp hij zijn masker af, dat niet meer de lichte voile was, waarachter hij zijn gelaat kon verbergen, maar het ijzeren masker dat hem verhinderde zijn eigen trekken te tonen. Hij had het ministerie Barrot ingesteld om in naam van de partij van de orde de republikeinse Nationale Vergadering uiteen te jagen. Hij ontsloeg het om zijn eigen naam onafhankelijk te verklaren van de Nationale Vergadering van de partij van de orde.

Aan plausibele voorwendsels voor dit ontslag ontbrak het niet. Het ministerie Barrot verwaarloosde zelfs de beleefdheidsvormen die de president van de republiek als een macht naast de Nationale Vergadering zouden hebben doen schijnen. Tijdens de vakantie van de Nationale Vergadering publiceerde Bonaparte een brief aan Edgard Ney, waarin hij het onliberale optreden van de paus scheen af te keuren, evenals hij in tegenstelling tot de Constituante een brief had gepubliceerd waarin hij Oudinot prees voor de aanval op de Romeinse republiek. Toen de Nationale Vergadering nu over de begroting voor de expeditie naar Rome stemde, bracht Victor Hugo uit vermeend liberalisme deze brief ter sprake. De partij van de orde verstikte met verachtelijk ongelovige uitroepen de idee dat Bonaparte’s ideeën ook maar enig politiek gewicht konden hebben. Niet één van de ministers nam de handschoen voor hem op. Bij een andere gelegenheid liet Barrot met zijn bekende holle pathos woorden van verontwaardiging van de redenaarstribune vallen over de ‘schandelijke intriges’, die, naar zijn zeggen, in de onmiddellijke omgeving van de president plaats hadden. Tenslotte weigerde het ministerie, terwijl het voor de hertogin van Orleans een weduwetoelage van de Nationale Vergadering wist te verkrijgen, ieder voorstel tot verhoging van de civiele lijst van de president. En in Bonaparte versmolt de keizerlijke pretendent zo innig met de aan lager wal geraakte gelukzoeker, dat de ene grote idee dat hij geroepen was om het keizerrijk te restaureren, steeds werd aangevuld door de andere idee, dat het Franse volk geroepen was om zijn schulden te betalen.

Het ministerie Barrot-Falloux was het eerste en laatste parlementaire ministerie dat Bonaparte in het leven riep. Het ontslag van dit ministerie vormt daarom een beslissend keerpunt. Hiermee verloor de partij van de orde, om het nooit te heroveren, een onontbeerlijke post voor de handhaving van het parlementaire stelsel, het middel voor het uitoefenen van de uitvoerende macht. Men begrijpt onmiddellijk dat in een land als Frankrijk, waar de uitvoerende macht over een ambtenarenleger van meer dan een half miljoen personen beschikt, dus een geweldige massa van belangen en existenties voortdurend in de meest onvoorwaardelijke afhankelijkheid houdt, waar de staat de burgerlijke maatschappij, vanaf haar meest omvangrijke levensuitingen tot en met haar meest onbelangrijke bewegingen, vanaf haar meest algemene bestaan tot en met het particuliere leven van de individuen, omstrikt, controleert, ringeloort, bewaakt en onder voogdij houdt, waar dit parasietenlichaam door de buitengewoon sterke centralisatie een alomtegenwoordigheid, alwetendheid, een versnelde bewegingsmogelijkheid en veerkracht verkrijgt, die slechts in de hulpeloze onzelfstandigheid, in de ordeloze vormloosheid van het werkelijke maatschappijlichaam iets overeenkomstig vinden; dat in zulk een land de Nationale Vergadering met de beschikking over de ministerzetels iedere werkelijke invloed opgaf, wanneer zij niet tegelijkertijd het staatsbestuur vereenvoudigde, het ambtenarenleger zoveel mogelijk inkromp en tenslotte de burgerlijke maatschappij en de openbare mening hun eigen, van de regeringsmacht onafhankelijke organen liet scheppen. Maar het materiële belang van de Franse bourgeoisie is juist ten nauwste met het instandhouden van die uitgebreide en veelvertakte staatsmachine verstrengeld. Hier brengt zij haar overtollige bevolking onder en vult in de vorm van staatssalarissen aan wat zij niet in de vorm van winst, interest, rente en honorarium kan opstrijken. Anderzijds dwong haar politiek belang haar om de repressie, dus de middelen en het personeel van de staatsmacht, dagelijks uit te breiden, terwijl zij tegelijkertijd aanhoudend oorlog moest voeren tegen de openbare mening, en de zelfstandige bewegingsorganen van de maatschappij wantrouwend moest verminken en verlammen, waar het haar niet gelukte ze geheel te amputeren. Zo was de Franse bourgeoisie door haar klassenpositie gedwongen om enerzijds de levensvoorwaarden van iedere, dus ook van haar eigen parlementaire macht te vernietigen, anderzijds om de haar vijandige uitvoerende macht onweerstaanbaar te maken.

Het nieuwe ministerie werd het ministerie d’Hautpoul genoemd. Niet in die zin dat generaal d’Hautpoul de rang van minister-president had gekregen. Met Barrot schafte Bonaparte veeleer tegelijkertijd deze waardigheid af, die de president van de republiek weliswaar tot de legale onbeduidendheid van een constitutionele koning veroordeelde, maar van een constitutionele koning zonder troon en kroon, zonder scepter en zonder zwaard, zonder onverantwoordelijkheid, zonder het onverjaarbare bezit van de hoogste staatswaardigheid en wat het noodlottigste was, zonder civiele lijst. Het ministerie d’Hautpoul bezat slechts één man van parlementaire naam, de Jood Fould, een van de meest beruchte leden van de geldaristocratie. Hem viel het ministerie van financiën ten deel. Wanneer men de Parijse beursnoteringen naslaat zal men vinden dat vanaf 1 november 1849 de Franse fondsen stijgen en dalen met het stijgen en dalen van de aandelen van Bonaparte. Terwijl Bonaparte zo zijn bondgenoten op de beurs had gevonden, maakte hij zich tegelijkertijd van de politie meester door Carlier tot prefect van politie van Parijs te benoemen.

Intussen konden de gevolgen van de ministerwisseling eerst in de loop van de ontwikkeling aan de dag treden. Voorlopig had Bonaparte alleen maar een stap voorwaarts gedaan, om des te meer in het oog lopend te worden teruggedreven. Zijn barse boodschap werd door de meest serviele verklaring van onderdanigheid aan de Nationale Vergadering gevolgd. Zo vaak de ministers een schuchtere poging waagden om zijn persoonlijke grillen als wetsvoorstellen in te dienen, schenen zij zelf slechts met tegenzin en door hun ambt gedwongen de komische opdrachten te vervullen, van welker vruchteloosheid zij van te voren waren overtuigd. Zo vaak als Bonaparte zijn voornemens achter de rug van zijn ministers verklapte en met zijn ‘idées napoléoniennes’ [35] speelde, verloochende zijn eigen ministers hem vanaf de tribune van de Nationale Vergadering. Het scheen alsof zijn usurpatie-lusten alleen maar ruchtbaar werden, opdat het kwaadaardige gelach van zijn tegenstanders niet zou verstommen. Hij gedroeg zich als een miskend genie dat door de gehele wereld voor een onnozele wordt gehouden. Nooit genoot hij in hoger mate de verachting van alle klassen dan in deze periode. Nooit heerste de bourgeoisie meer absoluut, nooit spreidde zij meer pronkerig de tekenen van de heerschappij ten toon.

Het behoort niet tot mijn taak hier de geschiedenis van haar wetgevende werkzaamheid te schrijven, die men gedurende deze periode in twee wetten kan samenvatten: in de wet die de belasting op de wijn weer invoert, en in de onderwijswet die het ongeloof afschaft. Terwijl men de Fransen het wijndrinken bemoeilijkte, werd hun des te rijkelijker het water van het ware leven geschonken. Terwijl de bourgeoisie in de wet op de wijnbelasting het oude hatelijke Franse belastingstelsel voor onaantastbaar verklaarde, trachtte zij, door de onderwijswet de oude gemoedstoestand van de massa’s zeker te stellen, die dit duldde. Men is verbaasd de orleanisten, de liberale bourgeois, deze oude apostelen van het voltairianisme en van de eclectische filosofie, het bestel over de Franse geest aan hun aartsvijanden, de jezuïeten te zien toevertrouwen. Maar al konden de orleanisten en de legitimisten met betrekking tot de kroonpretendent een verschillende mening zijn toegedaan, zij begrepen dat het voor hun verenigde heerschappij nodig was om de onderdrukkingsmiddelen van twee tijdperken te verenigen, dat de onderdrukkingsmiddelen van de Juli-monarchie aangevuld en versterkt moesten worden door de onderdrukkingsmiddelen van de Restauratie.

De boeren teleurgesteld in al hun verwachtingen, meer dan ooit gedrukt door de lage stand van de graanprijzen enerzijds, door de toenemende druk van de belastingen en de hypotheekschulden anderzijds, begonnen zich in de departementen te roeren. Het antwoord dat zij kregen, was een ophitsingcampagne tegen de onderwijzers die aan de geestelijken werden onderworpen, een ophitsingcampagne tegen de maires, [36] die aan de prefecten en een spionagestelsel, waaraan allen werden onderworpen. In Parijs en in de grote steden draagt de reactie zelf de fysionomie van haar tijdvak en provoceert zij meer dan dat zij een terneerslaande uitwerking heeft. Op het platteland wordt zij grof, gemeen, kleingeestig, vermoeiend, kwellend, in één woord - de gendarme. Men begrijpt hoe drie jaren van het regime van de gendarme, ingezegend door het regime van de paap, onrijpe massa’s moesten demoraliseren.

Hoeveel hartstocht en declamatie de partij van de orde vanaf de tribune van de Nationale Vergadering ook tegen de minderheid mocht gebruiken, haar taal bleef éénlettergrepig, zoals die van de christen, wiens woorden moeten zijn: - ja, ja, neen, neen! Eenlettergrepig vanaf de tribune, evenals in de pers. Zouteloos als een raadsel, waarvan de oplossing van te voren bekend is. Of er sprake was van het recht van petitie of van de wijnbelasting, van de vrijheid van drukpers of van de vrijhandel, van de clubs of van de gemeentewetgeving, van de bescherming van de persoonlijke vrijheid of van de regeling van de staatshuishouding, steeds weer keert hetzelfde wachtwoord terug, het thema blijft altijd hetzelfde, het vonnis is steeds klaar en luidt onveranderlijk: ‘socialisme!’ Voor socialistisch wordt zelfs het burgerlijke liberalisme verklaard, voor socialistisch de burgerlijke verlichting, voor socialistisch de burgerlijke financiële hervorming. Het was socialistisch om een spoorweg te bouwen waar reeds een kanaal voorhanden was en het was socialistisch om zich met een stok te verdedigen, wanneer men met een degen werd aangevallen.

Dat was niet een wijze van spreken, een mode of partijtactiek zonder meer. De bourgeoisie was terecht van mening dat alle wapenen, die zij tegen het feodalisme had gesmeed, hun spits tegen haarzelf keerden, dat alle middelen tot ontwikkeling die zij had voortgebracht, tegen haar eigen beschaving rebelleerden, dat alle goden die zij had geschapen, haar waren afgevallen. Zij begreep dat alle zogenaamde burgerlijke vrijheden en vooruitstrevende organen haar klassenheerschappij tegelijk aan de maatschappelijke grondslag en aan de politieke top aanvielen en bedreigden, dus ‘socialistisch’ waren geworden. In deze bedreiging en in deze aanval vond zij terecht het geheim van het socialisme, welks zin en tendentie zij juister beoordeelt, dan het zogenaamde socialisme zichzelf weet te beoordelen, dat derhalve niet kan begrijpen, hoe de bourgeoisie zich verstokt van het socialisme afsluit, moge het nu sentimenteel over het lijden van de mensheid jammeren, of christelijk het duizendjarig rijk en de algemene broederliefde verkondigen, of humanistisch over geest, ontwikkeling en vrijheid bazelen, of doctrinair een stelsel van verzoening en welvaart voor alle klassen uitbroeden. Wat de bourgeoisie echter niet begreep, dat was de consequentie, dat haar eigen parlementaire regime, dat haar politieke heerschappij in het algemeen nu ook als socialistisch tot algemene veroordeling was gedoemd. Zolang de heerschappij van de bourgeoisklasse zich niet volledig had georganiseerd, niet haar zuivere politieke uitdrukking had verkregen, kon ook de tegenstelling van de andere klassen niet in haar zuivere vorm verschijnen en waar die verscheen niet de gevaarlijke keer nemen, die iedere strijd tegen de staatsmacht in een strijd tegen het kapitaal doet verkeren. Wanneer zij bij iedere levensuiting van de maatschappij de ‘rust’ in gevaar zag gebracht, hoe kon zij dan aan het hoofd van de maatschappij het regime van de onrust, haar eigen regime, het parlementaire regime, willen handhaven, dit regime, dat volgens de woorden van één van haar sprekers in de strijd en door de strijd leeft? Het parlementaire regime leeft van de discussie, hoe kan het de discussie verbieden? Ieder belang, iedere maatschappelijke instelling verkeert hier in algemene denkbeelden, wordt als denkbeeld besproken; hoe zou een of ander belang, ,een instelling zich boven het denken kunnen handhaven en als geloofsartikel kunnen imponeren? De strijd van de redenaars op de tribune doet de strijd van de persscribenten ontstaan, de debatingclub in het parlement wordt noodzakelijkerwijze aangevuld door de debatingclubs in de salons en in de kroegen; de vertegenwoordigers, die voortdurend een beroep doen op de volksmening, geven de volksmening het recht om in petities haar werkelijke mening te zeggen. Het parlementaire regime laat alles aan de beslissing van de meerderheden over, hoe zullen de grote meerderheden buiten het parlement dan niet willen beslissen? Wanneer jullie aan de top van de staat viool speelt, wat kan men dan anders verwachten, dan dat die daar beneden dansen?

Doordat dus de bourgeoisie datgene wat zij vroeger als ‘liberaal’ had verheerlijkt, nu als ‘socialistisch’ verkettert, erkent zij dat haar eigen belang gebiedt haar van het gevaar van het zelf regeren te ontheffen. Dat om het land tot rust te brengen, in de eerste plaats haar burgerlijk parlement tot rust gebracht moet worden; dat om haar maatschappelijke macht ongeschonden te handhaven, haar politieke macht moet worden gebroken; dat de particuliere bourgeois alleen onder de voorwaarde, dat hun klasse naast de andere klassen tot een zelfde politieke onbeduidendheid wordt veroordeeld, voort kunnen gaan de andere klassen uit te buiten en ongestoord van de eigendom, het gezin, de godsdienst en de orde te genieten; dat om haar buidel te redden, haar de kroon van het hoofd moet worden gestoten en het zwaard, dat haar moet beschermen, tegelijk als een zwaard van Damocles boven haar eigen hoofd moet worden opgehangen.

Op het gebied van de algemene burgerlijke belangen toonde de Nationale Vergadering zich zo onproductief, dat bv. de discussies over de spoorlijn Parijs-Avignon, die in de winter van 1850 waren begonnen, op 2 december 1851 nog niet rijp waren om te worden gesloten. Waar zij niet onderdrukte, reactie uitoefende, was zij met ongeneeslijke onvruchtbaarheid geslagen.

Terwijl Bonaparte’s ministerie deels het initiatief nam voor wetten in de geest van de partij van de orde, deels hun hardheid bij de uitvoering en handhaving nog overdreef, trachtte hij zich anderzijds door kinderlijk onnozele voorstellen populariteit te verwerven, het contrast tussen hem en de Nationale Vergadering te constateren en toespelingen te maken op een geheime reserve, die alleen door de omstandigheden voorlopig verhinderd werd zijn verborgen schatten voor het Franse volk te ontsluiten. Zo bv. het voorstel om voor de onderofficieren een toeslag van 4 sous per dag te decreteren, verder het voorstel van een ere-leenbank voor de arbeiders. Geld cadeau en geld te leen krijgen, dat was het vooruitzicht waarmee hij de massa’s hoopte te vangen. Schenken en lenen, daartoe beperkt zich de financiële wetenschap van het lompenproletariaat, van hoog tot laag. Daartoe bepaalden zich de springveren die Bonaparte in beweging wist te brengen. Nooit heeft een pretendent platter op de platheid van de massa’s gespeculeerd.

De Nationale Vergadering stoof herhaaldelijk op bij deze onmiskenbare pogingen om op haar kosten populariteit te verwerven, bij het steeds toenemende gevaar, dat deze avonturier die door zijn schulden opgezweept en door geen verworven reputatie werd tegengehouden, een wanhopige streek zou wagen. De onenigheid tussen de partij van de orde en de president had een dreigend karakter aangenomen toen een onverwachte gebeurtenis hem berouwvol in haar armen terugwierp. Wij bedoelen de aanvullingsverkiezingen van 10 maart 1850. Deze verkiezingen hadden plaats om de zetels van de vertegenwoordigers, die na 13 juni door de gevangenis of ballingschap vacant waren geworden, weer te bezetten. Parijs koos slechts sociaaldemocratische kandidaten. Het bracht zelfs de meeste stemmen uit op een opstandeling van juni 1848, op de Flotte. Op deze wijze nam de met het proletariaat verbonden Parijse kleinburgerij wraak voor haar nederlaag op 13 juni 1849. Zij scheen op het ogenblik van het gevaar slechts uit het strijdperk te zijn verdwenen, om dit bij een gunstiger gelegenheid met massaler strijdkrachten en met een dapperder strijdparool weer binnen te treden. Eén omstandigheid scheen het gevaar van deze verkiezingsoverwinning te verhogen. Het leger stemde in Parijs voor de Juni-opstandeling tegen La Hitte, een minister van Bonaparte en in de departementen voor het grootste gedeelte voor de Montagnards, die ook hier, zij het ook niet zo beslist als in Parijs, het overwicht op hun tegenstanders handhaafden.

Bonaparte zag zich plotseling weer tegenover de revolutie geplaatst. Zoals op 29 januari 1849, zoals op 13 juni 1849, verdween hij ook op 10 maart 1850 achter de partij van de orde. Hij maakte buigingen, hij vroeg kleinmoedig om vergeving, hij bood aan om op bevel van de parlementaire meerderheid ieder willekeurig ministerie te benoemen, hij smeekte zelfs de orleanistische en de legitimistische partijleiders, de Thiers’, de Berryers, de Broglie’s, de Molé’s, kortom de zogenaamde burggraven, [37] om het roer van de staat in eigen persoon in handen te nemen. De partij van de orde wist van dit ogenblik, dat nooit weer terug zou komen, geen gebruik te maken. In plaats van zich stoutmoedig van de aangeboden macht meester te maken, dwong zij Bonaparte niet eens om het op 1 november ontslagen ministerie weer te benoemen; zij nam er genoegen mee hem door haar vergeving te deemoedigen en de heer Baroche aan het ministerie d’Hautpoul toe te voegen. Deze Baroche had als openbaar aanklager de ene maal tegen de revolutionairen van de 15e mei, de andere maal tegen de democraten van de 13e juni voor het Hoge Gerechtshof te Bourges gewoed, beide malen wegens een aanslag op de Nationale Vergadering. Niet één van Bonaparte’s ministers heeft later er meer toe bijgedragen om de Nationale Vergadering te vernederen, en na 2 december 1851 vinden wij hem terug als hooggeplaatste en duur betaalde vice-president van de Senaat. Hij had in de soep van de revolutionairen gespuwd, opdat Bonaparte die zou opeten.

De sociaaldemocratische partij scheen van haar kant slechts naar voorwendsels te haken om haar eigen overwinning weer twijfelachtig te maken en er de scherpte aan te ontnemen. Vidal, een van de nieuw gekozen Parijse vertegenwoordigers was tegelijkertijd in Straatsburg gekozen. Men bewoog hem om voor zijn verkiezing in Parijs te bedanken en die in Straatsburg aan te nemen. Dus in plaats van haar verkiezingsoverwinning een definitief karakter te verlenen en daardoor de partij van de orde te dwingen om haar die onmiddellijk in het parlement te betwisten, in plaats van zo de tegenstander op het ogenblik van het volksenthousiasme en van de gunstige stemming in het leger in de strijd te drijven, vermoeide de democratische partij Parijs in de maanden maart en april met een nieuwe verkiezingsagitatie, liet zij de opgewonden volkshartstochten zich in dit nieuwe voorlopige verkiezingsspel afmatten, liet zij de revolutionaire energie zich aan constitutionele successen verzadigen, in kleine intriges, holle declamaties en schijnbewegingen uitrazen, liet zij de bourgeoisie haar zelfbeheersing terugvinden en haar voorzorgsmaatregelen nemen en liet zij tenslotte de betekenis van de maartverkiezingen in de daarop volgende aprilverkiezing, in de verkiezing van Eugène Sue; een sentimentele verzwakkende commentaar vinden. In één woord, zij maakte van de 10e maart een aprilgrap.

De parlementaire meerderheid begreep de zwakte van haar tegenstander. Haar zeventien burggraven, want Napoleon had de leiding en de verantwoordelijkheid van de aanval aan haar overgelaten, werkten een nieuwe kieswet uit waarvan de indiening aan de heer Faucher die om deze eer had gevraagd, werd toevertrouwd. Op 8 mei diende hij de wet in, waarbij het algemene kiesrecht werd afgeschaft, aan de kiezers de voorwaarde werd gesteld dat zij drie jaar op de plaats van de verkiezing gewoond moesten hebben en tenslotte het bewijs daarvan voor de arbeiders afhankelijk gemaakt werd van het getuigschrift van hun werkgever.

Zo revolutionair als de democraten gedurende de constitutionele verkiezingsstrijd gestemd waren en zo opgewonden als zij te keer waren gegaan, zo constitutioneel predikten zij thans, nu het gold om met de wapenen in de hand de ernst van deze verkiezingsoverwinning te bewijzen - orde, vorstelijke kalmte (calme majestueux), wettelijk optreden, d.w.z. blinde onderwerping aan de wil van de contrarevolutie, die als wet poseerde. Tijdens de debatten deed de Berg de partij van de orde beschaamd staan, door tegenover haar revolutionaire hartstochtelijkheid de hartstochtloze houding gaan te nemen van de rechtschapen burgerman die zich aan de wet houdt, en door haar neer te slaan met het verschrikkelijke verwijt dat zij revolutionair handelde. Zelfs de nieuwgekozen afgevaardigden deden hun best om door een fatsoenlijk en bezonnen optreden te bewijzen, welk een miskenning het was om hen als anarchisten in opspraak te brengen en hun verkiezing als een overwinning van de revolutie uit te leggen. Op 31 mei werd de nieuwe kieswet aangenomen. De Montagne nam er genoegen mee de president een protest in de zak te smokkelen. Op de kieswet volgde een nieuwe perswet, waardoor de revolutionaire dagbladpers geheel en al uit de weg werd geruimd. Zij had haar lot verdiend. De National en La Presse [38], twee burgerlijke organen, bleven na deze zondvloed als uiterste voorposten van de revolutie over.

Wij hebben gezien hoe de democratische leiders in maart en april alles hadden gedaan om het volk van Parijs in een schijngevecht te wikkelen, zoals zij na 8 mei alles deden, om het van de werkelijke strijd af te houden. Wij mogen bovendien niet vergeten, dat het jaar 1850 één van de schitterendste jaren van industriële en commerciële prosperiteit [39] was en dus het Parijse proletariaat in zijn geheel werk had. De kieswet van 31 mei 1850 sloot het evenwel van iedere deelneming aan de politieke macht uit. Zij hield het van het terrein zelf van de strijd verwijderd. Zij wierp de arbeiders terug in de positie van paria’s die zij voor de Februari-revolutie hadden ingenomen. Doordat zij zich bij een dergelijke gebeurtenis door de democraten konden laten leiden en het revolutionaire belang van hun klasse terwille van een ogenblik van welbehagen konden vergeten, zagen zij af van de eer een veroverende macht te zijn, onderwierpen zij zich aan hun lot, bewezen zij dat de nederlaag van juni 1848 hen voor jaren buiten gevecht had gesteld en dat het historische proces zich voorlopig weer over hun hoofden heen moest voltrekken. Wat de kleinburgerlijke democratie aangaat, die op 13 juni had geroepen: “maar als men het algemene kiesrecht zal aantasten, wel dan zullen wij"! - zij troostte er zich nu mee, dat de contrarevolutionaire slag, die haar had getroffen, geen slag en de wet van 31 mei geen wet zou zijn. Op de tweede zondag van de maand mei van 1852 verschijnt iedere Fransman aan de stembus, in de ene hand het stembiljet, in de andere hand het zwaard. Met deze voorspelling bevredigde zij zich. Wat tenslotte het leger betreft, dit werd door zijn superieuren voor de verkiezingen van maart en april 1850 op dezelfde wijze getuchtigd, als voor die van 28 mei 1849. Deze keer zegde het echter vastberaden tot zichzelf: “De revolutie zal ons niet voor een derde keer bedriegen.”

De wet van 31 mei 1850 was de coup d’état van de bourgeoisie. Al haar tot nu toe op de revolutie behaalde veroveringen droegen slechts een provisorisch karakter. Zij werden twijfelachtig zodra de huidige Nationale Vergadering van het toneel verdween. Zij hingen van het toeval van een nieuwe algemene verkiezing af en de geschiedenis van de verkiezingen sinds 1848 bewees onweerlegbaar dat naar gelang zich de werkelijke heerschappij van de bourgeoisie ontwikkelde, haar morele heerschappij over de volksmassa’s verloren ging. Het algemene kiesrecht sprak zich op 10 maart rechtstreeks tegen de heerschappij van de bourgeoisie uit, de bourgeoisie antwoordde daarop door het algemene kiesrecht in de ban te doen. De wet van 31 mei was dus een van de noodzakelijkheden van de klassenstrijd. Anderzijds eiste de Constitutie een minimum van twee miljoen stemmen om de verkiezing van de president van de republiek geldig te doen zijn. Wanneer geen van de kandidaten voor de presidentszetel dit minimum behaalde, moest de Nationale Vergadering uit de drie kandidaten, die de meeste stemmen zouden krijgen, de president kiezen. In de tijd toen de Constituante deze wet aannam waren er tien miljoen kiezers op de kiezerslijsten ingeschreven. In de zin van deze wet was dus een vijfde van het aantal stemgerechtigden voldoende om de presidentsverkiezing geldig te doen zijn. De wet van 31 mei schrapte minstens drie miljoen stemmen van de kiezerslijsten, bracht het aantal van de stemgerechtigden op zeven miljoen terug en behield niettemin het wettelijk minimum van twee miljoen voor de presidentsverkiezing. De wet verhoogde dus het wettelijk minimum van een vijfde op bijna een derde van de geldige stemmen, d.w.z. zij deed alles om de presidentsverkiezing uit de handen van het volk in de handen van de Nationale Vergadering te smokkelen. Zo scheen de partij van de orde door de kieswet van 31 mei haar heerschappij dubbel te hebben bevestigd doordat zij de verkiezing van de Nationale Vergadering en die van de president van de republiek aan het stationaire gedeelte van de maatschappij toevertrouwde.

V

De strijd tussen de Nationale Vergadering en Bonaparte brak terstond opnieuw uit, zodra de revolutionaire crisis voorbij was en het algemene kiesrecht was afgeschaft.

De Constitutie had het salaris van Bonaparte op 600.000 franc vastgesteld. Nauwelijks een half jaar na zijn installatie gelukte het hem deze som op het dubbele te brengen. Odilon Barrot dwong namelijk de constituerende Nationale Vergadering een jaarlijkse toeslag van 600.000 franc af voor zogenaamde representatiegelden. Na de 13e juni had Bonaparte dergelijke verlangens doen horen, zonder toen bij Barrot gehoor te vinden. Nu, na 31 mei, maakte hij terstond van het gunstige ogenblik gebruik en liet zijn ministers een civiele lijst van drie miljoen in de Nationale Vergadering voorstellen. Een lang avontuurlijk vagebondleven had hem uitgerust met de meest ontwikkelde voelhorens voor het aanvoelen van de zwakke momenten waarop hij zijn bourgeois geld kon afpersen. Hij pleegde formeel chantage. De Nationale Vergadering had de volksoevereiniteit met zijn hulp en zijn medeweten verkracht. Hij dreigde haar misdaad aan het volksgerecht te denunciëren wanneer zij haar beurs niet opende en zijn stilzwijgen niet met drie miljoen per jaar kocht. Zij had drie miljoen Fransen van hun stemrecht beroofd. Hij verlangde voor iedereen buiten omloop gestelde Fransman een in omloop zijnde franc, precies drie miljoen franc. Hij, die door zes miljoen gekozen was, eist schadevergoeding voor de stemmen die men hem achteraf ontfutseld had. De commissie van de Nationale Vergadering wees de opdringerige man af. De bonapartistische pers dreigde. Kon de Nationale Vergadering met de president van de republiek breken op het ogenblik waarop zij principieel en definitief met de massa van de natie had gebroken? Zij verwierp weliswaar de jaarlijkse civiele lijst, maar stond een toeslag ineens van 2.160.000 franc toe. Zij maakte zich zo schuldig aan een dubbele zwakte: het geld toe te staan en tevens door haar ergernis te tonen dat zij het slechts met tegenzin toestond. Wij zullen later zien waarvoor Bonaparte het geld nodig had. Na dit ergerlijke naspel, dat de afschaffing van het algemene kiesrecht op de voet volgde en waarin Bonaparte zijn deemoedige houding tijdens de crisis van maart en april door een uitdagende onbeschoftheid tegen het usurpatorische parlement verving, ging de Nationale Vergadering voor drie maanden, van 11 augustus tot 11 november, op reces. Zij liet een permanente commissie van 28 leden in haar plaats achter, waarvan geen bonapartist deel uitmaakte, wel echter enige gematigde republikeinen. De permanente commissie van het jaar 1849 had slechts mannen van de partij van de orde en bonapartisten geteld. Maar toen verklaarde zich de partij van de orde permanent tegen de revolutie. Deze keer verklaarde de parlementaire republiek zich permanent tegen de president. Na de wet van 31 mei stond de partij van de orde nog slechts tegenover deze mededinger.

Toen de Nationale Vergadering in november 1850 weer bijeenkwam, scheen het alsof er in plaats van haar onbeduidende schermutselingen met de president, die tot nu toe hadden plaats gehad, een grote niets ontziende strijd, een strijd op leven en dood tussen de beide machten onvermijdelijk was geworden.

Evenals in het jaar 1849 was de partij van de orde tijdens de parlementaire vakantie van dit jaar in haar afzonderlijke fracties uiteengevallen, waarvan zich ieder met haar eigen restauratie-intriges bezig hield, die door de dood van Louis Philippe nieuw voedsel hadden gekregen. De koning van de legitimisten, Henri V, had zelfs een formeel ministerie benoemd dat in Parijs resideerde en waarin leden van de permanente commissie zitting hadden. Bonaparte had dus het recht om van zijn kant door de Franse departementen te reizen en al naar de stemming van de stad die hij met zijn tegenwoordigheid gelukkig maakte, nu eens meer bedekt, dan weer meer openlijk, zijn eigen restauratieplannen te verklappen en stemmen voor zich te werven. Op deze tochten, die de grote officiële Moniteur [40] en de kleine particuliere moniteurs van Bonaparte natuurlijk als triomftochten moesten verheerlijken, werd hij steeds begeleid door leden van de Vereniging van de 10e december. Deze vereniging dateert van het jaar 1849. Onder het voorwendsel van de oprichting van een weldadigheidsvereniging, werd het Parijse lompenproletariaat in geheime secties georganiseerd. Iedere sectie werd door bonapartistische agenten geleid, aan het hoofd van het geheel stond een bonapartistisch generaal. Naast aan lager wal geraakte roués [41] met bestaansmiddelen van twijfelachtige aard en van twijfelachtige herkomst, naast verlopen en avontuurlijke gedeclasseerde elementen uit de bourgeoisie, vagebonden, ontslagen soldaten, ontslagen tuchthuisboeven, weggelopen galeislaven, oplichters, goochelaars, lazzaroni [42], zakkenrollers, charlatans, spelers, maquereaus, [43] bordeelhouders, sjouwers, literatoren, orgeldraaiers, voddenrapers, scharenslijpers, ketelboeters, bedelaars, kortom heel de ondefinieerbare, onsamenhangende, heen en weer geworpen massa die de Fransen la Bohème noemen. Met dit hem verwante element, vormde Bonaparte de kern van de Vereniging van de 10e december. Een ‘Weldadigheidsvereniging’ - in zover alle leden evenals Bonaparte, de behoefte voelde zichzelf op kosten van de werkende natie wel te doen. Deze Bonaparte, die zich als chef van het lompenproletariaat constitueert, die alleen hier in massale vorm de belangen terugvindt die hij persoonlijk nastreeft, die in dit uitvaagsel, dit afval, dit schuim van alle klassen de enige klasse erkent waarop hij onvoorwaardelijk kan steunen, dat is de werkelijke Bonaparte, de Bonaparte sans phrase. [44] Als oude doortrapte roué vat hij het historische leven van de volken, hun belangrijke staatshandelingen als een komedie in de meest ordinaire zin van het woord op, als een maskerade, waar de grootse kostuums woorden en posturen slechts als bemanteling dienen voor de kleingeestigste laagheden. Zo bij zijn tocht naar Straatsburg, [45] waar een gedresseerde Zwitserse gier de Napoleon-adelaar voorstelde. Voor zijn tocht naar Boulogne steekt hij enige Londense lakeien in Frans uniform. Zij stellen het leger voor. In zijn Vereniging van de 10e december verzamelt hij 10.000 schooiers die het volk moeten voorstellen, zoals Klaus Zettel [46] de leeuw. Op een ogenblik waarop de bourgeoisie zelf geheel en al komedie speelde, maar op de meest ernstige wijze ter wereld, zonder ook maar een van de schoolse regels van de Franse dramatische etiquette te overtreden en zelf half bedrogen, half overtuigd van de plechtigheid van haar eigen belangrijke staatshandelingen, moest de avonturier die de komedie zonder meer als komedie beschouwde, de overwinning behalen. En eerst nadat hij zijn plechtige tegenstander uit de weg heeft geruimd, als hij nu zelf zijn keizerlijke rol ernstig neemt en achter het masker van Napoleon de werkelijke Napoleon meent voor te stellen, wordt hij het offer van zijn eigen wereldbeschouwing, de ernstige hansworst, die niet meer de wereldgeschiedenis als komedie, maar zijn komedie als wereldgeschiedenis opvat. Wat voor de socialistische arbeiders de nationale ateliers, wat voor de burgerlijke republikeinen de Gardes Mobiles waren, dat was voor Bonaparte de Vereniging van de 10e december, de hem kenmerkende partijstrijdkracht. Op zijn reizen moesten de met de trein meegevoerde afdelingen daarvan een publiek voor hem improviseren, het publieke enthousiasme voorstellen, vive l’empereur [47] brullen, de republikeinen beledigen en afranselen, natuurlijk onder bescherming van de politie. Op zijn terugreizen naar Parijs moesten zij de voorhoede vormen, tegendemonstraties voorkomen of die uiteenjagen. De Vereniging van de 10e december was van hem, zij was zijn werk, zijn meest eigen idee. Datgene wat hij zich verder toe-eigent laat de macht van de omstandigheden hem ten deel vallen, wat hij verder doet, doen de omstandigheden voor hem of hij vergenoegt er zich mee om de daden van anderen te kopiëren. Maar hij, met de officiële frases over de orde, de godsdienst, het gezin en de eigendom in het openbaar voor de burgers, en met de geheime vereniging van de Schufterle’s en de Spiegelbergs [48], de vereniging van de wanorde, de prostitutie en de diefstal achter zich, dat is Bonaparte zelf als origineel auteur, en de geschiedenis van de Vereniging van de 10e december is zijn eigen geschiedenis. Het was nu bij uitzondering gebeurd, dat volksvertegenwoordigers die tot de partij van de orde behoorden, onder de stokken van de decembristen geraakten. Nog sterker. De commissaris van politie Yon, die aan de Nationale Vergadering was toegewezen en met de zorg voor haar veiligheid was belast, bracht de permanente commissie op grond van het getuigenis van een zekere Alais ter kennis, dat een sectie van de decembristen besloten had om generaal Changarnier en Dupin, de president van de Nationale Vergadering te vermoorden en dat de personen reeds waren aangewezen, die deze moord moesten begaan. Men begrijpt de schrik van de heer Dupin. Een parlementaire enquête over de Vereniging van de 10e december, d.w.z. de profanering van de geheime wereld van Bonaparte scheen onvermijdelijk. Juist voor het bijeenkomen van de Nationale Vergadering ontbond Bonaparte uit voorzorg zijn Vereniging, natuurlijk alleen op papier, wamt nog aan het einde van 1851 trachtte de prefect van politie Carlier hem in een uitvoerige memorie tevergeefs tot het werkelijke uiteenjagen van de decembristen te bewegen.

De Vereniging van de 10e december moest zo lang het particuliere leger van Bonaparte blijven, totdat het hem gelukt was om het officiële leger in een Vereniging van de 10e december te doen verkeren. Bonaparte deed de eerste poging hiertoe kort na de verdaging van de Nationale Vergadering en wel met het zo juist van haar afgeperste geld. Als fatalist leeft hij in de overtuiging dat er zekere hogere machten bestaan die de mens en vooral de soldaat niet kan weerstaan. Tot deze machten rekent hij in de eerste plaats sigaren en champagne, koud gevogelte en knoflookworst. Derhalve trakteert hij eerst in de appartementen van het Elysée officieren en onderofficieren op sigaren en champagne, koud gevogelte en knoflookworst. Op 3 oktober herhaalt hij deze manoeuvre met de troepenmassa’s bij de revue van St. Maur en op 10 oktober dezelfde manoeuvre op nog grotere schaal bij de legerparade van Satory. De oom herinnerde zich de veldtochten van Alexander in Azië, de neef de veroveringstochten van Bacchus in hetzelfde land. Alexander was weliswaar een halfgod, maar Bacchus een god en bovendien de beschermgod van de Vereniging van de 10e december.

Na de revue van 3 oktober liet de permanente commissie de minister van oorlog, d’Hautpoul, bij zich komen. Hij beloofde dat deze vergrijpen tegen de discipline zich niet zouden herhalen. Men weet hoe Bonaparte op 10 oktober het woord van d’Hautpoul hield. Als opperbevelhebber van het Parijse leger voerde Changarnier het bevel bij beide revues. Hij, tegelijk lid van de permanente commissie, chef van de Nationale Garde, de ‘redder’ van de 29e januari en de 13e juni, het ‘bolwerk van de maatschappij’, de kandidaat van de partij van de orde voor de waardigheid van president, de vermoede Monk van twee monarchieën, had tot nu toe nooit zijn ondergeschiktheid aan de minister van oorlog erkend, de republikeinse constitutie steeds openlijk bespot, Bonaparte met een dubbelzinnige, voorname protectie vervolgd. Nu ijverde hij voor de discipline tegen de minister van oorlog en voor de constitutie tegen Bonaparte. Terwijl een deel van de cavalerie op 10 oktober de roep: “Vive Napoléon! Vivent les saucissons!” [49] liet horen, bewerkstelligde Changarnier dat tenminste de onder het commando van zijn vriend Neumayer voorbij defilerende infanterie een ijskoud stilzwijgen bewaarde. Tot straf onthief de minister van oorlog op aandringen van Bonaparte generaal Neumayer van zijn post te Parijs, onder het voorwendsel hem als generaal en chef van de 14e en 15e militaire divisie te benoemen. Neumayer weigerde overgeplaatst te worden en moest daardoor zijn ontslag nemen. Changarnier van zijn kant publiceerde op 2 november een dagorder waarin hij de troepen verbood, wanneer zij zich onder de wapenen bevonden, zich politieke uitroepen en demonstraties van welke aard ook te veroorloven. De Elysese bladen [50] vielen Changarnier aan, de bladen van de partij van de orde Bonaparte, de permanente commissie hield herhaaldelijk geheime zittingen, waarin herhaaldelijk geëist werd het vaderland in gevaar te verklaren; het leger scheen in twee vijandige kampen verdeeld met twee vijandige generale staven, de ene in het Elysée, waar Bonaparte, de andere in de Tuilerieën, waar Changarnier huisde. Het scheen alsof er nog slechts het bijeenkomen van de Nationale Vergadering nodig was om het signaal voor de strijd te doen weerklinken. Het Franse publiek beoordeelde deze wrijvingen tussen Bonaparte en Changarnier als de Engelse journalist die ze met de volgende woorden kenschetste: “De politieke dienstmeiden van Frankrijk vegen de gloeiende lava van de revolutie met oude bezems weg en schelden elkaar uit, terwijl zij hun werk doen.”

Intussen haastte Bonaparte zich de minister van oorlog d’Hautpoul af te zetten, hem hals over kop naar Algiers te zenden en in zijn plaats generaal Schramm tot minister van oorlog te benoemen. Op 12 november zond hij een boodschap van Amerikaanse wijdlopigheid aan de Nationale Vergadering, overladen met details, geurend naar orde, begerig naar verzoening, constitutioneel geresigneerd, die over iedereen en alles handelde, behalve over de questions brûlantes [51] van het ogenblik. Als in het voorbijgaan liet hij zich de woorden ontvallen dat volgens de uitdrukkelijke bepalingen van de Constitutie de president alléén over het leger beschikt. De boodschap eindigde met de volgende plechtig verzekerende woorden:

Frankrijk verlangt bovenal naar rust. Ik ben alleen gebonden door een eed, ik zal mij binnen de enge grenzen houden die deze mij heeft gesteld... Wat mij betreft, gekozen door het volk en aan hem alleen mijn macht verschuldigd, zal ik mij steeds voegen naar zijn wettig uitgedrukte wil. Besluit gij in deze zitting tot de herziening van de Constitutie, dan zal een Constituerende Vergadering de positie van de uitvoerende macht regelen. Indien niet, dan zal het volk in 1852 plechtig zijn besluit verkondigen. Wat echter ook de oplossingen van de toekomst mogen zijn, laat ons tot overeenstemming komen, opdat nooit hartstocht, verrassing of geweld over het lot van een grote natie zullen beslissen... Wat in de eerste plaats mijn aandacht in beslag neemt, is niet de kwestie, wie in 1852 Frankrijk zal regeren, maar de tijd die ter mijner beschikking staat zodanig te gebruiken dat de tussenperiode zonder agitatie en storing verloopt. Ik heb oprecht mijn hart voor u geopend, u zult mijn oprechtheid met uw vertrouwen, mijn goede streven door uw medewerking beantwoorden en God zal het overige doen.”

De fatsoenlijke, huichelachtig gematigde, deugdzame taal vol gemeenplaatsen van de bourgeoisie openbaart haar diepste betekenis in de mond van de alleenheerser van de Vereniging van de 10e december en van de picknickheld van St. Maur en Satory.

De burggraven van de partij van de orde vergisten zich geen ogenblik met betrekking tot het vertrouwen dat deze ontboezeming verdiende. Wat eden betreft waren zij al lang gevoelloos, zij telden veteranen, virtuozen van de politieke meineed in hun midden; de passage over het leger was hun niet ontgaan. Zij bemerkten met ergernis dat de boodschap in de omslachtige opsomming van de in de laatste tijd uitgevaardigde wetten de belangrijkste wet, de kieswet, met een geaffecteerd stilzwijgen voorbijging en veeleer voor het geval, dat de grondwet niet werd herzien, de presidentsverkiezing voor 1852 aan het volk overliet. De kieswet was de loden kogel aan de voeten van de partij van de orde, die haar belette te lopen en nu zelfs vooruit te stormen! Bovendien had Bonaparte door de officiële ontbinding van de Vereniging van de 10e december en het ontslag van de minister van oorlog d’Hautpoul de zondebokken eigenhandig op het altaar des vaderlands geofferd. Hij had de verwachte botsing van haar scherpte ontdaan. Tenslotte trachtte de partij van de orde zelf angstig ieder beslissend conflict met de uitvoerende macht uit de weg te gaan, te verzwakken en te verdoezelen. Uit vrees de veroveringen op de revolutie te verliezen liet zij haar mededingers de vruchten er van plukken. “Frankrijk verlangt bovenal naar rust.” Dat riep de partij van de orde sinds februari [52] de revolutie toe, dat riep Bonaparte’s boodschap de partij van de orde toe. “Frankrijk verlangt bovenal naar rust.” Bonaparte beging handelingen die de usurpatie ten doel hadden, maar de partij van de orde stond schuldig aan ‘onrust’ wanneer zij naar aanleiding van deze handelingen alarm sloeg en ze zwartgallig uitlegde. De worsten van Satory waren zo stil als een muis, wanneer niemand er over sprak. “Frankrijk verlangt bovenal naar rust.” Dus eiste Bonaparte dat men hem rustig liet begaan en de parlementaire partij was door dubbele vrees verlamd, door de vrees de revolutionaire onrust weer op te roepen, door de vrees zelf voor onruststoker te worden aangezien door haar eigen klasse, door de bourgeoisie. Omdat Frankrijk dus bovenal naar rust verlangde waagde de partij van de orde het niet ‘oorlog’ te antwoorden nadat Bonaparte in zijn boodschap het woord ‘vrede’ uitgesproken had. Het publiek dat zich met de verwachting van grote schandaalscènes bij de opening van de Nationale Vergadering had gevleid kwam bedrogen uit. De afgevaardigden van de oppositie, die van de permanente commissie het overleggen van het protocol over de oktobergebeurtenissen eisten, werden door de meerderheid overstemd. Men ontweek principieel alle debatten die opwinding konden veroorzaken. De werkzaamheden van de Nationale Vergadering in november en december 1850 waren niet van belang.

Eindelijk, tegen het einde van december, begon de guerrillaoorlog over afzonderlijke prerogatieven [53] van het parlement. In kleingeestige chicanes over de prerogatieven van de beide machten liep de beweging dood, sinds de bourgeoisie met de afschaffing van het algemene kiesrecht voorlopig een eind had gemaakt aan de klassenstrijd.

Tegen Mauguin, een van de volksvertegenwoordigers, had men wegens schulden een gerechtelijk vonnis verkregen. Op het verzoek van de president van het gerechtshof verklaarde de minister van justitie Rouher, dat men zonder verdere omslag een bevel tot inhechtenisneming tegen de schuldenaar moest uitvaardigen. Mauguin werd dus in de schuldenaarskerker geworpen. De Nationale Vergadering stoof op toen zij deze aanslag vernam. Zij gelastte niet alleen zijn onmiddellijke invrijheidstelling, maar liet hem ook nog dezelfde avond door haar griffier met geweld uit Clichy weghalen. Om echter haar geloof aan de heiligheid van de particuliere eigendom te bevestigen, en met de bijgedachte om in geval van nood een asiel voor lastig geworden Montagnards te openen, verklaarde zij de gijzeling van volksvertegenwoordigers voor toelaatbaar, wanneer men daartoe van te voren toestemming had verkregen. Zij vergat te decreteren dat ook de president wegens schulden kon worden opgesloten. Zij vernietigde de laatste schijn van onschendbaarheid die de leden van haar eigen lichaam omgaf.

Men herinnert zich dat de politiecommissaris Yon op de getuigenis van een zekere Alais een sectie van de decembristen had gedenuncieerd, wegens het plan Dupin en Changarnier te vermoorden. Onmiddellijk in de eerste zitting deden de quaestoren met betrekking hierop het voorstel een eigen parlementaire politie te vormen, bezoldigd uit het particuliere budget van de Nationale Vergadering en geheel onafhankelijk van de prefect van politie. De minister van binnenlandse zaken, Baroche, protesteerde tegen deze inbreuk op zijn bevoegdheden. Men ging naar aanleiding hiervan een miserabel compromis aan, waarbij de politiecommissaris der Vergadering weliswaar uit haar particulier budget moest worden bezoldigd en door haar quaestoren moest worden benoemd en ontslagen, maar na van te voren hierover met de minister van binnenlandse zaken tot overeenstemming te zijn gekomen. Intussen werd Alais door de regering gerechtelijk vervolgd en hier was het gemakkelijk om zijn getuigenis als een mystificatie voor te stellen en bij monde van de openbare aanklager een belachelijk licht te werpen op Dupin, Changarnier, Yon en de gehele Nationale Vergadering. Daarna, op 29 december schrijft minister Baroche een brief aan Dupin waarin hij het ontslag van Yon eist. Het Bureau van de Nationale Vergadering besluit Yon te handhaven maar de Nationale Vergadering, geschrokken van haar gewelddadigheid in de aangelegenheid Mauguin en gewend, wanneer zij een slag tegen de uitvoerende macht had gewaagd, twee slagen in ruil terug te krijgen sanctioneert dit besluit niet. Zij ontslaat Yon als beloning voor zijn dienstijver en berooft zich van een parlementair prerogatief, dat noodzakelijk is tegen iemand die niet ‘s nachts een besluit neemt om het overdag uit te voeren, maar iets overdag besluit en het ‘s nachts uitvoert.

Wij hebben gezien hoe de Nationale Vergadering in de maanden november en december bij grote treffende aanleidingen de strijd tegen de uitvoerende macht ontweek en brak. Nu zien wij haar gedwongen om de strijd bij de geringste aanleiding op te nemen. In de aangelegenheid Mauguin staat zij in principe de gijzeling van volksvertegenwoordigers toe, maar behoudt zich het recht voor die slechts te laten toepassen op gehate vertegenwoordigers en om dit infame privilege maakt zij ruzie met de minister van justitie. In plaats van het zogenaamde moordplan te gebruiken om een enquête in te stellen naar de Vereniging van de 10e december en Bonaparte voor Frankrijk en Europa definitief in zijn ware gedaante als het hoofd van het Parijse lompenproletariaat te ontmaskeren, laat zij de botsing tot op een punt verzanden waarop het tussen haar en de minister van binnenlandse zaken er nog slechts om gaat tot wiens competentie het benoemen en ontslaan van een politiecommissaris behoort. Zo zien wij hoe de partij van de orde gedurende deze gehele periode tengevolge van haar dubbelzinnige positie gedwongen is om haar strijd tegen de uitvoerende macht op allerlei kleinzielige twisten over kwesties van competentie, chicanes, rechtsverdraaiingen en onenigheden over grensgevallen te doen neerkomen en de meest afgezaagde vormkwesties tot de inhoud van haar werkzaamheden te maken. Zij durft het niet tot een botsing te laten komen op een ogenblik waarop die een principiële betekenis heeft, waarop de uitvoerende macht zich werkelijk heeft blootgegeven en de zaak van de Nationale Vergadering de zaak van de natie zou zijn. Zij zou daardoor aan de natie een marsorder geven en zij vreest niets zozeer dan dat de natie in beweging komt. Zij wijst derhalve bij zulke gelegenheden de voorstellen van de Montagne af en gaat over tot de orde van de dag. Nadat zo het twistpunt in grote stijl is opgegeven wacht de uitvoerende macht rustig het tijdstip af waarop zij het bij kleine onbelangrijke aanleidingen weer kan opnemen, als dit, om het zo te zeggen, nog slechts van parlementair lokaal belang is. Dan breekt de ingehouden woede van de partij van de orde los, dan rukt zij het gordijn van de coulissen, dan denuncieert zij de president, dan verklaart zij de republiek in gevaar, maar dan schijnt haar pathos ook afgezaagd en de aanleiding van de strijd schijnt een huichelachtig voorwendsel of in het geheel de strijd niet waard. De parlementaire storm wordt tot een storm in een glas water, de strijd tot intrige, de botsing tot schandaal. Terwijl de revolutionaire klassen zich vol leedvermaak verlustigen in de vernedering van de Nationale Vergadering, want zij dwepen evenzeer met de parlementaire prerogatieven van de Vergadering als de Vergadering met de openbare vrijheden, begrijpt de bourgeoisie buiten het parlement niet hoe de bourgeoisie binnen het parlement haar tijd met zulke kinderachtige ruzietjes kan verknoeien en hoe zij de rust door zulke miserabele rivaliteiten met de president in gevaar kan brengen. Zij geraakt in de war door een strategie die vrede sluit op een ogenblik waarop de gehele wereld gevechten verwacht, en aanvalt op een ogenblik waarop de gehele wereld meent dat de vrede is gesloten.

Op 20 december interpelleerde Pascal Duprat de minister van binnenlandse zaken over de goudstaven-loterij. Deze loterij was een ‘dochter uit Elysium’, Bonaparte had haar met zijn getrouwen ter wereld gebracht en de prefect van politie Carlier had haar onder zijn officiële protectie gesteld, ofschoon de Franse wet alle loterijen, uitgezonderd die met weldadige doeleinden verbiedt. Zeven miljoen loten, ieder een franc, de winst zogenaamd bestemd voor het verschepen van Parijse vagebonden naar Californië. Aan de ene kant moesten gouden dromen de socialistische dromen van het Parijse proletariaat verdringen en de verleidelijke kans op het grote lot het doctrinaire recht op arbeid. De Parijse arbeiders herkenden natuurlijk in de glans van de Californische goudstaven de onaanzienlijke franc niet terug, die men hun uit de zak klopte. In hoofdzaak ging het echter om een rechtstreeks bedrog. De vagebonden, die Californische goudmijnen wilden ontginnen zonder de moeite te nemen uit Parijs te vertrekken, waren Bonaparte zelf en zijn onder schulden bedolven tafelronde. De drie miljoen die door de Nationale Vergadering waren toegestaan, waren opgefuifd, de kas moest op de een of andere manier weer worden gevuld. Tevergeefs had Bonaparte voor het stichten van zogenaamde cités ouvrières [54] een nationale intekening geopend, aan welks hoofd hij zelf met een belangrijke som figureerde. De hardvochtige bourgeois wachtten wantrouwend de betaling van de som, waarvoor hij had ingeschreven af en omdat hij die natuurlijk niet betaalde, viel de speculatie op de socialistische luchtkastelen geheel in elkaar. De goudstaven trokken beter. Bonaparte en zijn kornuiten vergenoegden er zich niet mee een gedeelte van het overschot van de zeven miljoen boven de als prijzen uit te loten staven goud in de zak te steken, zij fabriceerden valse loten, zij gaven op hetzelfde nummer tien, vijftien tot twintig loten uit, een financiële operatie in de geest van de Vereniging van de 10e december! Hier had de Nationale Vergadering niet de fictieve president van de republiek tegenover zich, maar Bonaparte in vlees en bloed. Hier kon zij hem op heterdaad betrappen in conflict niet met de grondwet, maar met de Code pénal. [55] Wanneer zij met betrekking tot Duprats interpellatie tot de orde van de dag overging, gebeurde dat niet alleen omdat Girardins voorstel om zich ‘satisfait’ [56] te verklaren, de partij van de orde haar eigen systematische corruptie in het geheugen riep. De bourgeois en vooral de tot staatsman opgeblazen bourgeois vult zijn praktische gemeenheid aan door een theoretische overdrevenheid. Als staatsman wordt hij, evenals de staatsmacht die tegenover hem staat, tot een hoger wezen dat alleen op een hogere, gewijde manier kan worden bestreden.

Bonaparte, die juist als bohémien, als prinselijke lompenproletariër, boven de schofterige bourgeois dit voordeel had dat hij de strijd op een gemene manier kon voeren, zag nu, nadat de Vergadering zelf hem met eigen hand over het glibberige pad van de militaire banketten, de revues, de Vereniging van de 10e december en tenslotte over de Code pénal had heengevoerd, het ogenblik gekomen waarop hij uit het schijnbare defensief tot het offensief kon overgaan. De kleine nederlagen, die de minister van justitie, de minister van oorlog, de minister van marine, de minister van financiën intussen leden en waardoor de Nationale Vergadering uiting gaf aan haar brommerige ontevredenheid, geneerden hem weinig. Niet alleen verhinderde hij de ministers af te treden en aldus de onderwerping van de uitvoerende macht aan het parlement te erkennen. Hij kon nu ook datgene ten einde brengen, waarmee hij gedurende de vakantie van de Nationale Vergadering was begonnen, het losscheuren van de militaire macht van het parlement, het afzetten van Changarnier.

Een Elysees blad publiceerde een dagorder, die in de maand mei aan de eerste militaire divisie zou zijn gericht, die dus van Changarnier afkomstig was, waarin de officieren werd aangeraden in geval van oproer aan de verraders in hun eigen rijen geen pardon te verlenen, hen onmiddellijk te fusilleren en aan de Nationale Vergadering de troepen te weigeren wanneer zij die zou rekwireren. Op 3 januari 1851 werd het kabinet over deze dagorder geïnterpelleerd. Het eist ter onderzoeking van deze aangelegenheid eerst drie maanden, dan een week, tenslotte slechts vierentwintig uur bedenktijd. De Vergadering blijft onmiddellijke opheldering eisen. Changarnier staat op en verklaart dat deze dagorder nooit heeft bestaan. Hij voegt er aan toe dat hij zich steeds zal haasten om aan het verlangen van de Nationale Vergadering te voldoen en dat zij in geval van een botsing op hem kan rekenen. Zij ontvangt zijn verklaring met een niet weer te geven applaus en geeft hem een votum van vertrouwen. Zij doet afstand, zij decreteert haar eigen machteloosheid en de almacht van het leger, door zich onder de particuliere protectie van een generaal te stellen. Maar de generaal vergist zich wanneer hij haar tegen Bonaparte een macht ten dienste stelt die hij alleen maar van dezelfde Bonaparte in leen heeft en wanneer hij van zijn kant bescherming verwacht van dit parlement, van zijn protégé, die zelf bescherming nodig heeft. Maar Changarnier gelooft aan die mysterieuze macht waarmee de bourgeoisie hem sinds 29 januari 1849 heeft uitgerust. Hij houdt zichzelf voor de derde macht naast de beide andere staatsmachten. Hij deelt het lot van de overige helden of veeleer heiligen van dit tijdvak, wier grootte nu eenmaal in de hoge mening bestaat, die hun partij in haar eigen belang van hen heeft en die tot alledaagse figuren ineenschrompelen zodra de omstandigheden hen uitnodigen wonderen te verrichten. Het ongeloof is in het algemeen de doodsvijand van deze vermeende helden en echte heiligen. Vandaar hun waardige zedelijke verontwaardiging over de grappenmakers en spotters die zo weinig enthousiasme hebben.

Dezelfde avond werden de ministers op het Elysée ontboden. Bonaparte dringt aan op het ontslag van Changarnier, vijf ministers weigeren dit te ondertekenen, de Moniteur kondigt een ministercrisis aan en de pers van de partij van de orde dreigt met het vormen van een parlementair leger onder commando van Changarnier. De partij van de orde had die constitutionele bevoegdheid tot deze stap. Zij behoefde slechts Changarnier tot president van de Nationale Vergadering te benoemen en een willekeurige hoeveelheid troepen voor haar veiligheid te rekwireren. Zij kon dat met te meer zekerheid doen omdat Changarnier nog werkelijk aan het hoofd van het leger en van de Parijse Nationale Garde stond en er slechts op loerde om tezamen met het leger gerekwireerd te worden. De bonapartistische pers waagde het zelfs niet eens om het recht van de Nationale Vergadering om rechtstreeks troepen te rekwireren in twijfel te trekken, een juridische scrupule, die onder de gegeven omstandigheden geen succes beloofde. Het is waarschijnlijk, dat het leger het bevel van de Nationale Vergadering zou hebben opgevolgd, als men in overweging neemt dat Bonaparte acht dagen geheel Parijs moest afzoeken om eindelijk twee generaals te vinden - Baraguey d’Hilliers en St. Jean d’Angely - die zich bereid verklaarden om het ontslag van Changarnier mede te ondertekenen. Dat de partij van de orde echter in haar eigen rijen en in het parlement het aantal stemmen zou hebben gevonden, dat voor zulk een besluit nodig was, dat is meer dan twijfelachtig, wanneer men bedenkt dat 286 stemmen zich acht dagen later van haar afscheidden en dat de Montagne een dergelijk voorstel nog in december 1851, op het laatste beslissende ogenblik verwierp. Intussen zou het misschien de burggraven nu nog gelukt zijn om de massa van hun partij tot een heroïsme op te zwepen, dat hierin bestond zich achter een woud van bajonetten veilig te voelen en de diensten van een leger te aanvaarden, dat naar hun kamp was overgelopen. In plaats daarvan begaven de heren burggraven zich op de avond van 6 januari naar het Elysée, om door staatkundige zinswendingen en overwegingen Bonaparte van het ontslag van Changarnier te doen afzien. Wie men tracht te overreden, die erkent men als meester van de situatie. Gerustgesteld door deze stap, benoemt Bonaparte op 12 januari een nieuw ministerie, waarin de leiders van ‘het oude, Fould en Baroche, blijven. St. Jean d’Angely wordt minister van oorlog, de Moniteur brengt het besluit van de afzetting van Changarnier, zijn bevelvoering wordt verdeeld tussen Baraguey d’Hilliers, die de eerste militaire divisie en Perrot, die de Nationale Garde krijgt. Het bolwerk van de maatschappij is afgedankt en terwijl er dientengevolge geen steen van het dak valt, stijgen daarentegen de beurskoersen.

Door het leger, dat zich in de persoon van Changarnier ter beschikking stelt, af te stoten en het zo onherroepelijk aan de president over te leveren, verklaart de partij van de orde dat de bourgeoisie haar roeping om te heersen heeft verloren. Er bestond reeds geen parlementair ministerie meer. Toen zij nu bovendien de beschikking over het leger en de Nationale Garde verloor, welk geweldmiddel bleef haar dan over om tegelijkertijd de geüsurpeerde macht van het parlement over het volk en zijn constitutionele macht tegen de president te handhaven? Geen enkel. Zij kon nog slechts een beroep doen op de geweldloze principes, die zij zelf steeds slechts als algemene regels had opgevat, die men aan derden voorschrijft om zichzelf des te vrijer te kunnen bewegen. Met het afzetten van Changarnier en met het feit dat de militaire macht Bonaparte in handen valt, sluit het eerste gedeelte van het tijdvak, dat wij beschouwen, nl. het tijdvak van de strijd tussen de partij van de orde en de Uitvoerende macht. De oorlog tussen beide machten is nu openlijk verklaard, wordt openlijk gevoerd, maar eerst nadat de partij van de orde haar wapenen en soldaten heeft verloren. Zonder ministerie, zonder leger, zonder volk, zonder openbare mening, sinds haar kieswet van 31 mei niet meer de vertegenwoordigster van de soevereine natie, zonder oog, zonder oor, zonder tand, zonder alles, was de Nationale Vergadering langzamerhand tot een oud-Frans parlement geworden, dat het handelen aan de regering moet overlaten en zichzelf met knorrige remonstraties post festum [57] moet vergenoegen.

De partij van de orde ontvangt het nieuwe ministerie met een storm van verontwaardiging. Generaal Bedeau roept de clementie van de permanente commissie gedurende de vakantie in het geheugen en de buitengewone grote toegevendheid, waarmee zij van de publicatie van haar protocollen had afgezien. De minister van binnenlandse zaken staat er thans zelf op dat deze protocollen gepubliceerd worden, die nu natuurlijk zo duf als onfris geworden water zijn geworden, geen nieuwe feiten onthullen en niet de minste uitwerking op het geblaseerde publiek hebben. Op voorstel van Remusat trekt de Nationale Vergadering zich in haar bureau terug en benoemt een ‘Comité voor buitengewone maatregelen’. Parijs komt des te minder uit zijn gewone doen, omdat op dit ogenblik de handel bloeit, de manufacturen werk hebben, de graanprijzen laag, de levensmiddelen overvloedig zijn en de spaarkassen dagelijks nieuwe deposito’s ontvangen. De ‘buitengewone maatregelen’ die het parlement met zoveel lawaai aankondigde, komen op 18 januari neer op een votum van wantrouwen tegen de ministers, zonder dat generaal Changarnier ook maar werd genoemd. De partij van de orde was gedwongen haar votum zo te formuleren om zich van de stemmen der republikeinen te verzekeren, want deze billijken van alle maatregelen van het ministerie juist alleen het ontslag van Changarnier, terwijl de partij van de orde de overige ministeriële daden, die zij zelf gedicteerd had, immers niet kan afkeuren.

Het votum van wantrouwen van 18 januari werd aangenomen met 415 stemmen voor en 268 tegen. Het werd dus slechts door een coalitie van de besliste legitimisten en orleanisten met de zuivere republikeinen en de Montagne doorgezet. Het bewees dus, dat de partij van de orde niet alleen het ministerie, niet alleen het leger, maar in conflicten met Bonaparte ook haar zelfstandige parlementaire meerderheid had verloren, dat een troep vertegenwoordigers uit haar kamp was gedeserteerd - uit een fanatieke neiging tot compromissen, uit vrees voor de strijd, uit vermoeidheid, uit égards met betrekking tot de staatstraktementen van bloedverwanten, uit speculatie op vrij komende ministerposten (Odilon Barrot), uit het platte egoïsme waarmee de gewone bourgeois steeds geneigd is om het algemene belang van zijn klasse op te offeren aan het een of andere particuliere motief. De bonapartistische vertegenwoordigers behoorden van meet af aan alleen in de strijd tegen de revolutie tot de partij van de orde. De chef van de katholieke partij, Montalembert, had reeds toen zijn invloed ten gunste van Bonaparte in de weegschaal geworpen, omdat hij aan de levensvatbaarheid van de parlementaire partij wanhoopte. De leiders van deze partij tenslotte, Thiers en Berryer, de orleanist en de legitimist, waren gedwongen om zich openlijk als republikeinen te proclameren, er voor uit te komen dat hun hart konings-, maar hun hoofd republikeinsgezind was, dat de parlementaire republiek de enige mogelijke vorm voor de heerschappij van de gehele bourgeoisie was. Zij waren aldus gedwongen om de restauratieplannen, die zij onverdroten achter de rug van het parlement verder voortzetten, voor de ogen van de bourgeoisklasse zelf als een even gevaarlijke als onbezonnen intrige te brandmerken.

Het votum van wantrouwen van 18 januari trof de ministers en niet de president. Maar niet het ministerie - de president had Changarnier afgezet. Moest de partij van de orde Bonaparte zelf in staat van beschuldiging stellen? Wegens zijn begeerte naar restauratie? Die vulde slechts haar eigen begeerten naar restauratie aan. Wegens zijn conspiratie bij de militaire revues en in de Vereniging van de 10e december? Zij had deze onderwerpen reeds lang onder de gewone vraagstukken van de dag begraven. Wegens het afzetten van de held van 29 januari en 13 juni, van de man die in mei 1850 had gedreigd in geval van oproer Parijs aan alle vier hoeken in brand te steken? Haar bondgenoten van de Montagne en Cavaignac veroorloofden haar niet eens het gevallen bolwerk van de maatschappij door een officieel rouwbeklag op te beuren. Zij zelf kon de president zijn constitutionele bevoegdheid om een generaal af te zetten niet betwisten. Zij woedde slechts, omdat hij van zijn constitutionele recht een onparlementair gebruik maakte. Had zij van haar parlementaire prerogatieven niet voortdurend op onconstitutionele wijze gebruik gemaakt, met name bij de afschaffing van het algemene kiesrecht? Zij was er dus op aangewezen om zich nauwgezet binnen het parlementaire raam te bewegen. En zij moest wel door die bijzondere ziekte zijn aangetast die sinds 1848 op het gehele continent heeft gewoed, door het parlementaire cretinisme, die degenen die er mee besmet zijn in een ingebeelde wereld vasthoudt en hen van alle gevoel, alle herinnering, al het begrip voor de ruwe buitenwereld berooft, als zij, die alle voorwaarden van de parlementaire macht eigenhandig had vernield en in haar strijd tegen de andere klassen moest vernielen, haar parlementaire overwinningen nog voor overwinningen hield en meende de president te treffen, wanneer zij op zijn ministers sloeg. Zij stelde hem alleen maar in de gelegenheid om de Nationale Vergadering opnieuw in de ogen van de natie te deemoedigen. Op 20 januari vermeldde de Moniteur dat het ontslag van het gehele ministerie was aanvaard. Onder het voorwendsel dat geen parlementaire partij meer de meerderheid had, zoals het votum van 18 januari, deze vrucht van de coalitie tussen de Montagne en de royalisten, had bewezen en om af te wachten totdat er zich opnieuw een meerderheid zou vormen, benoemde Bonaparte een zogenaamd overgangsministerie, waartoe geen enkel lid van het parlement behoorde, uitsluitend bestaande uit volkomen onbekende en onbeduidende individuen, een ministerie van louter beambten en klerken. De partij van de orde kon zich nu afsloven in het spel met deze marionetten, de uitvoerende macht vond het niet meer de moeite waard om op serieuze wijze in de Nationale Vergadering te zijn vertegenwoordigd. Bonaparte concentreerde des te zichtbaarder de gehele uitvoerende macht in zijn persoon, hij had des te meer speelruimte om die macht voor zijn eigen doeleinden uit te buiten, naar gelang zijn ministers meer zuivere figuranten waren.

De met de Montagne gecoaliseerde partij van de orde nam wraak, door de dotatie van 1.800.000 franc aan de president, een voorstel dat het hoofd van de Vereniging van de 10e december zijn ministeriële ambtenaren gedwongen had in te dienen, te verwerpen. Dit keer besliste een meerderheid van slechts 102 stemmen, er waren dus sinds 18 januari opnieuw 27 stemmen afgevallen, de ontbinding van de partij van de orde had voortgang. Opdat men zich geen ogenblik zou kunnen vergissen over de betekenis van haar coalitie met de Montagne, weigerde zij tegelijkertijd om een door 189 leden van de Montagne ondertekend voorstel tot algemene amnestie aan de politieke misdadigers, ook maar in overweging te nemen. Het was voldoende dat de minister van binnenlandse zaken, een zekere Vaïsse, verklaarde dat de rust slechts schijnbaar was, dat er in het geheim een grote agitatie heerste, dat er zich heimelijk alomtegenwoordige verenigingen organiseerden, dat de democratische bladen aanstalten maakten om weer te verschijnen, dat de berichten uit de departementen ongunstig luidden, dat de Geneefse vluchtelingen vanuit Lyon aan een samenzwering in geheel Zuid-Frankrijk leiding gaven, dat Frankrijk aan de rand van een industriële en ‘commerciële crisis stond, dat de fabrikanten van Roubaix de arbeidstijd hadden verminderd, dat de gevangenen van Belle Ile [58] in opstand waren gekomen - het was voldoende dat zelfs een Vaïsse het rode spook ook maar opriep, opdat de partij van de orde zonder discussie een voorstel verwierp dat de Nationale Vergadering een geweldige populariteit had moeten doen verkrijgen en Bonaparte in haar armen had moeten terugwerpen. In plaats van zich door de uitvoerende macht door het vooruitzicht op nieuwe onrusten te laten intimideren, had zij veeleer de klassenstrijd een weinig speelruimte moeten laten, om de uitvoerende macht van zich afhankelijk te houden. Maar zij voelde zich niet opgewassen tegen de taak om met vuur te spelen.

Intussen vegeteerde het zogenaamde overgangsministerie tot midden april. Bonaparte vermoeide de Nationale Vergadering en nam haar voortdurend met nieuwe minister combinaties beet. Nu eens scheen hij een republikeins ministerie te willen vormen met Lamartine en Billault, dan weer een parlementair met de onvermijdelijke Odilon Barrot, wiens naam nooit mag ontbreken wanneer er een de dupe moet zijn, nu eens een legitimistisch ministerie met Vatimesnil en Benoist d’Azy, dan weer een orleanistisch met Maleville. Terwijl hij aldus de verschillende fracties van de partij van de orde tegen elkaar in spanning houdt en hen allen met het vooruitzicht op een republikeins ministerie en de dan onvermijdelijk geworden invoering van het algemene kiesrecht bang maakt, doet hij tegelijkertijd bij de bourgeoisie de overtuiging ontstaan dat zijn eerlijke bemoeiingen om een parlementair ministerie te vormen schipbreuk lijden op de onverzoenlijkheid van de royalistische fracties. De bourgeoisie riep echter des te luider om een ‘sterke regering’, zij vond het des te onvergeeflijker Frankrijk ‘zonder administratie’ te laten, hoe meer er nu een algemene handelscrisis op komst scheen en in de steden aanhang wierf voor het socialisme, zoals de verderfelijke’ lage prijs van het graan dit op het land deed. De handel werd bij de dag flauwer, het aantal werklozen nam zichtbaar toe, ‘in Parijs waren minstens 10.000 arbeiders brodeloos, in Rouaan, Mühlhausen, Lyon, Roubaix, Tourcoing, St. étiênne, Elbeuf enz. stonden talloze fabrieken stil. Onder deze omstandigheden kon Bonaparte het wagen om op 11 april het ministerie van de 18e januari te restaureren, door de heren Rouher, Fould, Baroche enz., te versterken met de heer Léon Faucher, die de Constituerende Vergadering ‘in haar laatste dagen met algemene stemmen, vijf stemmen van ministers uitgezonderd, wegens het verspreiden van valse telegrammen met een votum van wantrouwen had gebrandmerkt. De Nationale Vergadering had dus op 18 januari een overwinning behaald op het ministerie, zij had drie maanden lang met Bonaparte gestreden, opdat Fould en Baroche op 11 april de puritein Faucher als derde in hun ministeriële bond konden opnemen.

In november 1849 had Bonaparte met een niet-parlementair ministerie genoegen genomen, in januari 1851 met een buitenparlementair, op 11 april voelde hij zich sterk genoeg een anti-parlementair ministerie te vormen, dat de votums van wantrouwen van beide Vergaderingen, van de Constituante en de Legislatieve, van de republikeinse en royalistische, harmonisch in zich verenigde. Deze gradatie van ministeries was de thermometer waaraan het parlement het afnemen van zijn eigen levenswarmte kon meten. Deze was einde april zo ver gedaald dat Persigny Changarniér in een persoonlijk onderhoud kon aansporen naar het kamp van de president over te gaan. Hij verzekerde hem dat Bonaparte de invloed van de Nationale Vergadering als volkomen vernietigd beschouwde en dat de proclamatie reeds klaar lag, die na de coup d’état, die hij steeds van plan was te ondernemen, maar die toevallig weer was uitgesteld, gepubliceerd zou worden. Changarnier deelde het doodsbericht aan de leiders van de partij van de orde mee, maar wie gelooft dat een beet van een wandluis dodelijk is? En het parlement, zo geslagen, zo in ontbinding verkerend, zo ten dode opgeschreven als het was, kon het niet van zich verkrijgen om in het duel met de groteske chef van de Vereniging van de 10e december iets anders te zien dan het duel met een wandluis. Maar Bonaparte antwoordde de partij van de orde zoals Agesilaus koning Agis antwoordde: “Ik schijn jou een mier toe, maar eens zal ik een leeuw zijn.”

VI

De coalitie met de Montagne en met de zuivere republikeinen, waartoe de partij van de orde zich veroordeeld zag bij haar vergeefse inspanningen om in het bezit van de militaire macht te blijven en de opperste leiding van de uitvoerende macht te heroveren, bewees onbetwistbaar dat zij de zelfstandige parlementaire meerderheid had verloren. Niets dan de macht van de kalender, de uurwijzer van de klok, gaf op 28 mei het signaal voor haar volledige ontbinding. Met de 28e mei begon het laatste levensjaar van de Nationale Vergadering. Zij moest nu beslissen of de Constitutie onveranderd moest blijven of moest worden herzien. Maar de herziening van de Constitutie, dat betekende niet alleen heerschappij van de bourgeoisie of van de kleinburgerlijke democratie, democratie of proletarische anarchie, parlementaire republiek of Bonaparte, het betekende tevens Orleans of Bourbon! Zo viel midden in het parlement de Erisappel [59] waar de tegenstrijdigheid van de belangen, die de partij van de orde in vijandelijke fracties splitsten, openlijk moest ontbranden. De partij van de orde was een verbinding van heterogene maatschappelijke substanties. De kwestie van de herziening veroorzaakte een politieke temperatuur waarbij het product weer in zijn oorspronkelijke bestanddelen uiteenviel.

Het belang van de bonapartisten bij een herziening was duidelijk. Voor hen ging het in de eerste plaats om de afschaffing van artikel 45, dat Bonaparte’s herkiezing verbood en de prorogatie [60] van zijn macht. Niet minder duidelijk scheen het standpunt van de republikeinen. Zij verwierpen onvoorwaardelijk iedere herziening, zij zagen daarin een algemene samenzwering tegen de republiek. Daar zij over meer dan een kwart van de stemmen in de Nationale Vergadering beschikten en volgens de Constitutie er drievierde van de stemmen nodig waren voor een rechtsgeldig besluit tot herziening en tot de bijeenroeping van een Vergadering tot het herzien van de Constitutie, behoefde zij alleen maar hun stemmen te tellen om zeker te zijn van de overwinning. En zij waren zeker van de overwinning.

Tegenover deze duidelijke standpunten verkeerde de partij van de orde in niet te ontwarren tegenspraken. Wanneer zij de herziening verwierp bracht zij de status quo [61] in gevaar, doordat zij aan Bonaparte nog slechts één uitweg overliet, die van het geweld, doordat zij Frankrijk op de tweede zondag van de maand mei 1852, op het beslissende ogenblik, prijsgaf aan de revolutionaire anarchie, met een president die zijn autoriteit verloor, met een parlement dat die autoriteit al lang niet meer bezat, en met een volk dat van plan was deze weer te veroveren.

Wanneer zij voor de constitutionele herziening stemde, dan wist zij, dat zij tevergeefs stemde en dat zij volgens de Constitutie schipbreuk moest lijden op het veto van de republikeinen. Verklaarde zij, in strijd met de Constitutie, dat de eenvoudige meerderheid van stemmen bindend was, dan kon zij alleen maar hopen de revolutie meester te worden, wanneer zij zich onvoorwaardelijk aan de heerschappij van de uitvoerende macht onderwierp, dan maakte zij Bonaparte tot meester van de Constitutie, van de herziening en van zichzelf. Een slechts gedeeltelijke herziening, die de macht van de president zou verlengen, maakte de weg vrij voor de imperialistische usurpatie. Een algemene herziening, die het bestaan van de republiek verkortte, bracht de dynastieke aanspraken in onvermijdelijk conflict, want de voorwaarden voor de restauratie van de Bourbons en die voor de restauratie van de Orleans waren niet alleen verschillend, zij sloten elkaar wederkerig uit.

De parlementaire republiek was meer dan het neutrale terrein waarop de twee fracties van de Franse bourgeoisie, legitimisten en orleanisten, grootgrondbezit en industrie, met gelijke rechten naast elkaar konden huishouden. Zij was de noodzakelijke voorwaarde voor hun gemeenschappelijke heerschappij, de enige staatsvorm waarin hun algemeen klassenbelang tegelijkertijd de aanspraken van hun afzonderlijke fracties, als ook alle overige klassen van de maatschappij aan zich onderwierp. Als royalisten vielen zij in hun oude tegenstelling terug, in de strijd om de suprematie van de grondeigendom of van het geld en de hoogste uitdrukking van deze tegenstelling, de personificatie daarvan, waren hun koningen zelf, hun dynastieën. Vandaar het verzet van de partij van de orde tegen het terugroepen van de Bourbons.

De orleanist en volksvertegenwoordiger Creton had in 1849, 1850 en 1851 periodiek het voorstel ingediend om het verbanningsdecreet met betrekking tot de koninklijke families op te heffen. Het parlement bood even periodiek het schouwspel van een vergadering van royalisten, die hardnekkig de poorten sluiten, waardoor hun verbannen koningen konden terugkeren. Richard III had Henry VI vermoord met de opmerking dat hij te goed was voor deze wereld en in de hemel behoorde. Zij verklaarden Frankrijk te slecht om zijn koningen weer te bezitten. Gedwongen door de macht der omstandigheden waren zij republikeinen geworden en sanctioneerden zij herhaaldelijk het volksbesluit dat hun koningen uit Frankrijk verbande.

De herziening van de Grondwet en de omstandigheden dwongen die in overweging te nemen - maakte met de republiek tevens de gemeenschappelijke heerschappij van de twee burgerlijke fracties onzeker en riep, met de mogelijkheid van de monarchie, de rivaliteit van de belangen, die zij afwisselend bij voorkeur had vertegenwoordigd, de strijd om de suprematie van de ene fractie over de andere weer in het leven. De diplomaten van de partij van de orde meende de strijd te kunnen beslechten door een samensmelting van de beide dynastieën door een zogenaamde fusie van de royalistische partijen en hun koningshuizen. De werkelijke fusie van de Restauratie met de Juli-monarchie was de parlementaire republiek, waarin de orleanistische en legitimistische kleuren werden uitgewist en de verschillende soorten van bourgeois in de bourgeois zonder meer, in het bourgeoisgeslacht verdwenen. Nu echter moest die orleanist legitimist, de legitimist orleanist worden. De monarchie, waarin hun tegenstelling was gepersonifieerd, moest hun eenheid belichamen, de uitdrukking van hun uitsluitend fractionele belangen moest tot uitdrukking van hun gemeenschappelijk klassenbelang worden, de monarchie moest datgene presteren wat slechts de opheffing van de twee monarchieën, de republiek kon doen en gedaan had. Dit was de steen der wijzen, over welks vervaardiging de doctoren van die partij van de orde zich het hoofd braken. Alsof die legitieme monarchie ooit de monarchie van de industriële bourgeois, of het burgerlijke koningschap ooit het koningschap van de aangeërfde grondaristocratie kon worden.

Alsof grondbezit en industrie zich onder één kroon konden verbroederen, wanneer de kroon slechts op één hoofd kon vallen, op het hoofd van de oudere broeder of van de jongere. Alsof de industrie in het algemeen tot een vergelijk met het grondbezit kon komen, zolang het grondbezit niet het besluit neemt om zelf industrieel te worden. Wanneer Henri V morgen stierf zou de graaf van Parijs daardoor niet de koning van de legitimisten worden, het zij dan, dat hij ophield koning van de orleanisten te zijn. De filosofen van de fusie echter, die steeds gewichtiger deden naar gelang de kwestie van de herziening meer op de voorgrond trad, die zich in de ‘Assemblée nationale’ [62] een officieel dagblad hadden geschapen, die zelfs op dit ogenblik (februari 1852) weer aan het werk zijn, verklaarden de gehele moeilijkheid uit het verzet en de rivaliteit van de beide dynastieën. De pogingen om de familie Orleans met Henri V te verzoenen, die sinds de dood van Louis Philippe begonnen waren, maar die zoals in het algemeen met dynastieke intriges het geval is, zich slechts in de vakantie van de Nationale Vergadering, in de pauzes, achter de coulissen afspeelden, meer sentimentele koketterie met het oude bijgeloof dan een ernstig gemeende zaak, deze pogingen werden nu tot belangrijke staatshandelingen en werden door de partij van de orde op het openbare toneel opgevoerd, in plaats van zoals tot nu toe in het dilettantentheater. De koeriers vlogen van Parijs naar Venetië, van Venetië naar Claremont, van Claremont naar Parijs. De graaf van Chambord geeft een manifest uit waarin hij ‘met de hulp van al zijn familieleden’ niet zijn eigen, maar de ‘nationale’ restauratie aankondigt. De orleanist Salvandy werpt zich aan de voeten van Henri V. De legitimisten-leiders Berryer, Benoist d’Azy, St. Priest trekken naar Claremont om de Orleans te overreden, maar tevergeefs. De fusionisten bemerken te laat dat de belangen van de beide bourgeois fracties elkaar niet minder uitsluiten, noch aan toegevendheid tegenover elkaar winnen wanneer zij zich verscherpen in de vorm van familiebelangen, in de vorm van de belangen van twee koningshuizen. Als Henri V de graaf van Parijs als opvolger zou erkennen - het enige succes dat de fusie in het beste geval kon bereiken - dan verkreeg het huis Orleans geen aanspraak die het de kinderloosheid van Henri V niet reeds zou hebben verzekerd, maar verloor het alle aanspraken die het door de Juli-revolutie had veroverd. Het deed afstand van zijn oorspronkelijke aanspraken, van alle titels, die het in een bijna honderdjarige strijd de oudere tak van de Bourbons had afgedwongen, het ruilde zijn historische voorrechten, de voorrechten van het moderne koningschap tegen de voorrechten van zijn stamboom. De fusie was dus niets anders dan een vrijwillige afstand van het huis Orleans, de legitimistische resignatie van dit huis, de berouwvolle terugkeer uit de protestantse staatskerk in de katholieke. Een terugkeer die het bovendien niet eens op de troon bracht die het verloren had, maar op de trede van de troon waarop het geboren was. De oude orleanistische ministers Guizot, Duchâtel enz., die zich eveneens naar Claremont haastten om de fusie te bepleiten, vertegenwoordigde in werkelijkheid slechts de katterigheid over de Juli-revolutie, de vertwijfeling aan het burgerkoningschap en aan het koningschap van de burgers, het bijgeloof aan de legitimiteit als de laatste amulet tegen de anarchie. In hun verbeelding bemiddelaars tussen Orleans en Bourbon, waren zij in werkelijkheid alleen nog afvallig geworden orleanisten en als zodanig werden zij door de prins van Joinville ontvangen. Het levenskrachtige, oorlogszuchtige gedeelte van de orleanisten daarentegen, Thiers, Baze enz. overtuigden de familie van Louis Philippe er des te gemakkelijker van dat wanneer iedere rechtstreeks monarchistische restauratie de fusie van de beide dynastieën, iedere dergelijke fusie echter de afdanking van het huis Orleans veronderstelde, het daarentegen geheel met de traditie van zijn voorouders overeenkwam om voorlopig de republiek te erkennen en af te wachten, totdat de gebeurtenissen veroorloofden om de presidentszetel in een troon te doen verkeren. Joinville’s kandidatuur werd als gerucht verbreid, de publieke nieuwsgierigheid werd in het onzekere gehouden en enige maanden later, na de verwerping van de herziening, in september openlijk geproclameerd.

De poging tot een royalistische fusie tussen orleanisten en legitimisten had op deze wijze niet alleen schipbreuk geleden, zij had hun parlementaire fusie, hun gemeenschappelijk republikeinse vorm gebroken en de partij van de orde weer in haar oorspronkelijke bestanddelen uiteen doen vallen. Maar hoe meer de vervreemding tussen Claremont en Venetië toe nam, hun overeenstemming mislukte, de Joinville-agitatie om zich heen greep, des te ijveriger, ernstiger werden de onderhandelingen tussen Faucher, de minister van Bonaparte, en de legitimisten.

De ontbinding van de Partij van de orde hield niet op bij haar oorspronkelijke elementen. Ieder van de beide grote fracties viel van haar kant opnieuw uiteen. Het was alsof al de oude nuances die elkaar vroeger binnen ieder van de beide kringen, het zij de legitimistische of de orleanistische, hadden bestreden en verdrukt, weer waren ontdooid, zoals verdroogde infusoria bij de aanraking met water, alsof zij opnieuw genoeg levenskracht hadden gewonnen, om eigen groepen en zelfstandige tegenstellingen te vormen. De legitimisten droomden zich weer terug in de tijd van de twistpunten tussen de Tuilerieën en het paviljoen Marsan [63] tussen Villèle en Polignac. De orleanisten beleefden opnieuw de gouden tijd van de tournooien tussen Guizot, Molé, Broglie, Thiers en Odilon Barrot.

Het gedeelte van de partij van de orde, dat naar een herziening verlangde, maar het over de grenzen van de herziening weer niet eens was, het gedeelte dat bestond uit de legitimisten onder Berryer en Falloux enerzijds, onder La Rochejaquelein anderzijds en uit de orleanisten, die de strijd moede waren onder Molé, Broglie, Montalembert en Odilon Barrot, kwam tot overeenstemming met de bonapartistische vertegenwoordigers over het volgende vage en veelomvattende voorstel: “Met het doel aan de natie de volledige uitoefening van haar soevereiniteit weer terug te geven, dienen de ondergetekende vertegenwoordigers de motie in dat de Grondwet herzien moet worden.” Tegelijkertijd verklaarden zij echter eenstemmig bij monde van hun rapporteur Tocqueville dat de Nationale Vergadering niet het recht had om de afschaffing van de republiek voor te stellen, dat dit uitsluitend het recht was van de Kamer tot herziening van de Constitutie. Trouwens de Constitutie kon alleen langs ‘legale’ weg worden herzien, dus alleen wanneer het door de Constitutie voorgeschreven drie kwart van de stemmen zich voor die herziening uitsprak. Na zes dagen van stormachtige debatten werd de herziening op 19 juli, zoals te verwachten was, verworpen. Er stemden 446 voor, maar 278 tegen. De besliste orleanisten Thiers, Changarnier, enz. stemden tezamen met de republikeinen en de Montagne.

De meerderheid van het parlement verklaarde zich aldus tegen de Constitutie, maar deze Constitutie zelf verklaarde zich voor de minderheid en haar besluit voor bindend. Had de partij van de orde echter niet op 31 mei 1850 en op 13 juni 1849 de Constitutie ondergeschikt gemaakt aan de parlementaire meerderheid? Berustte haar gehele tot nu toe gevoerde politiek niet op het ondergeschikt maken van de paragrafen van de Constitutie aan de besluiten van de parlementaire meerderheid? Had zij het oudtestamentische bijgeloof aan de letter van de wet niet aan de democraten overgelaten en er de democraten niet voor gekastijd? Op dit ogenblik echter betekende herziening van die Constitutie niets anders dan het voortduren van de presidentiële macht zoals het voortduren van de Constitutie niets anders betekende dan de afzetting van Bonaparte. Het parlement had zich voor hem verklaard, maar de Constitutie verklaarde zich tegen het parlement. Hij handelde dus in de zin van het parlement wanneer hij de Constitutie verscheurde en hij handelde in de zin van de Constitutie, wanneer hij het parlement uiteenjoeg.

Het parlement had de Constitutie en daarmee zijn eigen heerschappij ‘buiten de meerderheid’ verklaard, het had door zijn besluit de Constitutie opgeheven en de macht van de president verlengd en tevens verklaard dat de een niet kon sterven, en de ander niet kon leven, zolang het zelf verder bestond. De voeten van hen die het zouden begraven stonden voor de deur. Terwijl het over de herziening debatteerde onthief Bonaparte generaal Baraguey d’Hilliers, die zich besluiteloos had getoond, van het commando van de eerste militaire divisie en benoemde in zijn plaats generaal Magnan, de overwinnaar van Lyon, de held van de decemberdagen, een van zijn creaturen die zich reeds onder Louis Filippe min of meer voor hem had gecompromitteerd bij de gelegenheid van de expeditie van Boulogne.

De partij van de orde bewees door haar besluit over de herziening dat zij niet wist te heersen, noch te dienen, niet te leven noch te sterven, niet de Republiek te verdragen noch haar omver te werpen, niet de Constitutie in stand te houden, noch haar overboord te werpen, niet met de president samen te werken, noch met hem te breken. Van wie verwachtte zij dan de oplossing van alle tegenstellingen? Van de kalender, van de loop der gebeurtenissen. Zij matigde zich geen macht over de gebeurtenissen meer aan. Zij daagde dus de gebeurtenissen uit, haar geweld aan te doen en daardoor ook de macht, aan wie zij in de strijd met het volk het ene attribuut na het andere had afgestaan, totdat zij zelf machteloos tegenover haar stond. Opdat die leider van de uitvoerende macht des te ongestoorder het strijdplan tegen haar kon ontwerpen, zijn aanvalsmiddelen versterken, zijn werktuigen uitkiezen, zijn posities verstevigen, besloot zij precies op dit kritieke ogenblik zich van het toneel terug te trekken en voor drie maanden, van 10 augustus tot 4 november op reces te gaan.

De parlementaire partij was niet alleen in haar twee grote fracties uiteengevallen, ieder van deze fracties was niet alleen zelf uiteengevallen, maar de partij van de orde in het parlement was ook met de partij van de orde buiten het parlement overhoop geraakt. De woordvoerders en de schriftgeleerden van de bourgeoisie, haar tribune en haar pers, kortom de ideologen van de bourgeoisie en de bourgeoisie zelf, de vertegenwoordigers en de vertegenwoordigden stonden als vreemden tegenover elkaar en begrepen elkaar niet meer.

De legitimisten in de provincies met hun beperkte horizon en hun onbeperkt enthousiasme, beschuldigde hun parlementaire leiders, Berryer en Falloux, van desertie naar het bonapartistische kamp en van ontrouw aan Henri V. Hun leliënverstand [64] geloofde aan de zondeval, maar niet aan de diplomatie.

Veel noodlottiger en beslissender was de breuk van de commerciële bourgeoisie met haar politici. Zij verweet hun niet, zoals de legitimisten de hunne, ontrouw aan het principe, maar omgekeerd, hun vasthouden aan overbodig geworden principes.

Ik heb er reeds vroeger op gewezen dat sinds Fould in het ministerie zitting had genomen het gedeelte van de commerciële bourgeoisie, dat het leeuwenaandeel aan Louis Philippe’s macht bezat, de financiers-aristocratie bonapartistisch was geworden. Fould vertegenwoordigde niet alleen Bonaparte’s belang aan de beurs, hij vertegenwoordigde tevens de belangen van de beurs bij Bonaparte. De positie van de financiers-aristocratie wordt het best weergegeven door een citaat uit haar Europees orgaan, de Londense Economist. In haar nummer van 1 februari 1851 laat zij zich uit Parijs schrijven: “Nu hebben wij overal vastgesteld dat Frankrijk bovenal naar rust verlangt. De president verklaart het in zijn boodschap aan de Wetgevende Vergadering, het klinkt als een echo terug van de nationale redenaarstribune; het wordt door de kranten verzekerd, het wordt verkondigd van de kansel; het wordt bewezen door de gevoeligheid van de staatspapieren bij het geringste vooruitzicht op storing en door hun vastheid, zo vaak de uitvoerende macht overwint.”

In het nummer van 29 november 1851 verklaart de Economist uit haar eigen naam: “Op alle beurzen van Europa wordt de president nu erkend als de schildwacht van de orde”. De financiers-aristocratie veroordeelde dus de parlementaire strijd van de partij van de orde tegen de uitvoerende macht als het verstoren van de orde en vierde iedere overwinning van de president over haar zogenaamde vertegenwoordigers als een overwinning van de orde. Men moet hier onder de financiers-aristocratie niet alleen de grote promotors van leningen en de speculanten in staatspapieren verstaan, van wie men dadelijk begrijpt dat hun belang samenvalt met het belang van de staatsmacht. Het gehele moderne geldbedrijf, het gehele bankbedrijf is ten nauwste verstrengeld met het openbare krediet. Een gedeelte van hun bedrijfskapitaal wordt noodzakelijk belegd en rentegevend gemaakt in snel converteerbare staatspapieren. Hun deposito’s, het kapitaal dat hun ter beschikking wordt gesteld en door hen onder kooplieden en industriëlen wordt verdeeld, heeft voor een deel de rente van de bezitters van staatspapieren tot bron. Waar de stabiliteit van de staatsmacht ten allen tijde voor de gehele geldmarkt en voor de priesters van deze geldmarkt Mozes en de Profeten heeft betekend, moet dat ook niet juist heden het geval zijn, nu iedere zondvloed tezamen met de oude staten tevens de oude staatsschulden dreigt weg te spoelen?

Ook de industriële bourgeoisie ergerde zich in haar ordefanatisme over de ruzies van de parlementaire partij van de orde met de uitvoerende macht. Thiers, Anglas, Sainte Beuve enz. kregen na hun votum van 18 januari ter gelegenheid van het afzetten van Changarnier, van hun mandaatgevers juist uit de industriële districten openbare terechtwijzingen, waarin met name hun coalitie met de Montagne als hoogverraad tegenover de orde werd gegeseld. Wanneer wij hebben gezien dat de blufferige plagerijen, de kleingeestige intriges waarin de strijd van de partij van de orde tegen de president tot uiting kwam, geen betere ontvangst verdienden, dan was anderzijds deze burgerlijke partij, die van haar vertegenwoordigers eist dat zij de militaire macht zonder tegenstand uit de handen van hun eigen parlement in die van een avontuurlijke pretendent laten overgaan, niet eens de intriges waard die in haar belang worden verspild. Zij bewees dat de strijd voor de handhaving van haar publiek belang, van haar eigen klassenbelang, van haar politieke macht, haar alleen maar hinderde en ontstemde als een storing van haar particuliere zaken.

De burgerlijke notabelen uit de departementssteden, de magistraten, handelsrechters, enz. ontvingen Bonaparte op zijn rondreizen bijna zonder uitzondering overal op de meest serviele wijze, zelfs wanneer hij, zoals in Dijon, de Nationale Vergadering en speciaal de partij van de orde meedogenloos aanviel.

Toen het met de handel goed ging, zoals nog in het begin van 1851, woedde de commerciële bourgeoisie tegen iedere parlementaire strijd, opdat de handel maar niet van streek zou raken. Toen de handel slecht ging, zoals voortdurend sedert eind februari 1851, klaagde zij de parlementaire strijd aan als de oorzaak van de stilstand en schreeuwde zij dat die strijd moest ophouden opdat de handel weer zou kunnen opleven. De debatten over de herziening vielen juist in deze slechte tijd. Daar het hier ging om het zijn of niet-zijn van de bestaande staatsvorm, voelde de bourgeoisie zich des te meer gerechtigd om het einde van deze folterende provisorische toestand en tegelijkertijd de instandhouding van de status quo van haar vertegenwoordigers te eisen. Dit was geen tegenstrijdigheid. Onder het einde van de voorlopige toestand verstond zij juist het voortduren daarvan, het uitstel tot in het verre verschiet van het ogenblik, waarop het tot een beslissing moest komen. De status quo kon slechts op twee manieren blijven bestaan. Verlenging van de macht van Bonaparte of zijn aftreden in overeenstemming met de Constitutie en de verkiezing van Cavaignac. Een gedeelte van de bourgeoisie wenste de laatste oplossing en wist aan zijn vertegenwoordigers geen betere raad te geven dan te zwijgen en de brandende kwestie onaangeroerd te laten. Zij meenden dat wanneer hun vertegenwoordigers niet spraken, Bonaparte niet zou handelen. Zij wensten een struisvogelparlement dat zijn kop zou verbergen om ongezien te blijven. Een ander gedeelte van de bourgeoisie wilde Bonaparte, omdat hij nu eenmaal op de presidentszetel zat, op de presidentszetel laten blijven zitten, opdat alles zijn oude gangetje bleef gaan. Zij waren er verontwaardigd over dat hun parlement niet openlijk de Constitutie schond en zonder omslag afdankte.

De Generale Raden van de departementen, deze provinciale vertegenwoordigende lichamen van de grote bourgeoisie, die gedurende de vakantie van de Nationale Vergadering sinds 25 augustus zitting hielden, verklaarden zich bijna met algemene stemmen voor de herziening, dus tégen het parlement en vóór Bonaparte.

Nog ondubbelzinniger dan haar onenigheid met haar parlementaire vertegenwoordigers, toonde de bourgeoisie haar woede over haar literaire vertegenwoordigers, over haar eigen pers. De veroordelingen door de bourgeois-jury’s tot niet op te brengen geldboetes en tot schandelijke gevangenisstraffen voor iedere aanval van de burgerlijke journalisten op de usurpatielusten van Bonaparte, voor iedere poging van de pers om de politieke rechten van de bourgeoisie tegen de uitvoerende macht te verdedigen, verbaasde niet alleen Frankrijk, maar heel Europa.

Wanneer de parlementaire partij van de orde, zoals ik heb laten zien, met haar geschreeuw om rust zichzelf tot rust veroordeelde, wanneer zij de politieke heerschappij van de bourgeoisie onverenigbaar met de veiligheid en het voortbestaan van de bourgeoisie verklaarde, doordat zij in de strijd tegen de andere klassen van de maatschappij alle voorwaarden van haar eigen stelsel, van het parlementaire stelsel, eigenhandig vernietigde, riep daarentegen de massa van de bourgeoisie buiten het parlement door haar kruiperigheid tegenover de president, door haar beschimpingen van het parlement, door de brutale mishandeling van haar eigen pers, Bonaparte op, om haar sprekend en schrijvend gedeelte, haar politici en literatoren, haar redenaarstribune en haar pers te onderdrukken, te vernietigen, opdat zij nu vol vertrouwen onder de bescherming van een sterke en onbeperkte regering haar particuliere zaken zou kunnen waarnemen. Zij verklaarde ondubbelzinnig dat zij er naar smachtte om van haar eigen politieke heerschappij af te komen, om van de moeite en gevaren van de heerschappij af te komen.

En deze massa, die reeds in opstand was gekomen tegen de uitsluitend parlementaire en literaire strijd voor de heerschappij van haar eigen klasse en die de leiders van deze strijd had verraden, waagt nu achteraf het proletariaat aan te klagen dat het niet voor haar in opstand was gekomen in een bloedige strijd, in een strijd op leven en dood. Zij, die ieder ogenblik haar algemeen klassenbelang, d.w.z. haar politiek belang opofferde aan het meest bekrompen, vuilste particuliere belang en aan haar vertegenwoordigers de eis van zulk een offer stelde, zij jammert nu dat het proletariaat haar ideële politieke belangen aan zijn materiële belangen heeft opgeofferd. Zij doet zich voor als de edele ziel die door het door socialisten misleide proletariaat miskend en op het beslissende ogenblik in de steek zou zijn gelaten. En zij vindt een algemene weerklank in de burgerlijke wereld. Ik spreek hier natuurlijk niet over de Duitse politicasters en ideologische vlegels. Ik verwijs bv. naar dezelfde Economist, die nog op 29 november 1851, dus vier dagen voor de staatsgreep, Bonaparte voor de ‘schildwacht van de orde’, Thiers en Berryer echter voor ‘anarchisten’ had verklaard en die reeds op 27 december 1851, nadat Bonaparte die anarchisten tot rust gebracht heeft, schreeuwt over het verraad dat ‘onwetende, onopgevoede, stupide proletariërs massa’s’ zouden hebben gepleegd ‘aan de bekwaamheid, de kennis, de discipline, de geestelijke invloed, de intellectuele hulpbronnen en het morele gewicht van de gemiddelde en hogere rangen van de maatschappij’. De stomme, onwetende en gemene massa was niemand anders dan de massa van de bourgeoisie zelf.

Frankrijk had weliswaar in het jaar 1851 een soort kleine handelscrisis doorgemaakt. Het einde van februari toonde een vermindering van de export tegenover 1850, in maart liep de handel terug en werden de fabrieken gesloten, in april scheen de toestand in de industriële departementen even wanhopig als na de Februari-dagen, in mei was er nog geen opleving in zaken, nog op 28 juni toonde de portefeuille van de Bank van Frankrijk door een geweldige toeneming van de deposito’s en een even grote vermindering van de voorschotten op wissels de stilstand van de productie en pas midden oktober kwam er weer een voortschrijdende verbetering in de zaken. De Franse bourgeoisie verklaarde deze stilstand van de handel uit zuiver politieke oorzaken, uit de strijd tussen het parlement en de uitvoerende macht, uit de onzekerheid van een alleen maar voorlopige staatsvorm, uit het schrikwekkende vooruitzicht op de tweede zondag van de maand mei van 1852. Ik zal niet ontkennen dat al deze omstandigheden enige takken van industrie in Parijs en in de departementen neerdrukten. In ieder geval was deze invloed van de politieke verhoudingen echter slechts plaatselijk en onbetekenend. Is er een ander bewijs nodig dan dat die verbetering van de handel juist op het ogenblik intrad waarop de politieke toestand slechter werd, de politieke horizon zich verduisterde en er ieder ogenblik een bliksemstraal uit het Elysée werd verwacht, tegen midden oktober? Die Franse bourgeois, wiens ‘bekwaamheid, kennis, geestelijk inzicht en intellectuele hulpbronnen’ niet verder reiken dan zijn neus lang is, kon overigens tijdens de gehele duur van de industrietentoonstelling in Londen met zijn neus op de oorzaak van zijn handelsmisère stoten. Terwijl in Frankrijk de fabrieken werden gesloten, braken er in Engeland handelsfaillissementen uit. Terwijl de industriële paniek in Frankrijk in april en mei haar hoogtepunt bereikte, bereikte de commerciële paniek in april en mei haar hoogtepunt in Engeland. Evenals de Franse leed de Engelse wolindustrie, evenals de Franse de Engelse zijdeweverij. Wanneer de Engelse katoenfabrieken doorwerkten, gebeurde het niet meer met dezelfde winst als in 1849 en 1850. Het verschil was slechts dat de crisis in Frankrijk een industriële, in Engeland een handelscrisis was, dat terwijl men in Frankrijk de fabrieken stopzette, zij zich in Engeland uitbreidden, maar onder ongunstiger voorwaarden dan in de voorafgaande jaren; dat in Frankrijk de export, in Engeland de import de voornaamste slagen kreeg. De gemeenschappelijke oorzaak, die natuurlijk niet binnen de grenzen van de Franse politieke horizon gezocht moet worden, sprong in het oog. Die jaren 1849 en 1850 waren jaren van de grootste materiële welvaart en van een overproductie, die eerst in 1851 als zodanig aan het licht kwam. Deze werd in het begin van dat jaar door het vooruitzicht op de industrietentoonstelling nog bijzonder in de hand gewerkt. Als bijzondere omstandigheden kwamen daar nog bij: eerst de misoogst van de katoen in 1850 en 1851, dan de zekerheid van een grotere katoenoogst dan verwacht was, eerst het stijgen, dan het plotselinge dalen, kortom de schommelingen van de katoenprijzen. De oogstopbrengst van de ruwe zijde was althans in Frankrijk nog onder het gemiddelde uitgevallen. De wolweverijen tenslotte hadden zich sinds 1848 zo uitgebreid dat de wolproductie ze niet bij kon houden en de prijs van de ruwe wol steeg in ernstige wanverhouding tot de prijs van de wolfabrikaten. Hier hebben wij dus in de grondstoffen van drie industrieën voor de wereldmarkt reeds drievoudig materiaal voor een stagnatie van de handel. Afgezien van deze bijzondere omstandigheden was de schijnbare crisis van het jaar 1851 niets anders dan de stilstand die bij het beschrijven van de industriële kringloop telkens in het overproduceren en overspeculeren intreedt, voordat zij al hun krachtmiddelen bijeengaren om koortsachtig door het laatste cirkeldeel heen te jagen en weer bij hun uitgangspunt de algemene handelscrisis aan te komen. In zulke intervallen van de handelsgeschiedenis breken er in Engeland commerciële bankroeten uit, terwijl in Frankrijk de industrie zelf wordt stopgezet, tot de terugtocht wordt gedwongen ten dele door de juist dan onverdraaglijk wordende concurrentie van de Engelsen op alle markten, ten dele omdat zij als luxe-industrie bij uitstek door iedere stagnatie in zaken wordt aangegrepen. Aldus maakt Frankrijk behalve de algemene crisissen zijn eigen nationale handelscrisissen door, die echter veel meer door de algemene stand van de wereldmarkt, dan door plaatselijke Franse invloeden worden bepaald en veroorzaakt. Het zal niet zonder belang zijn tegenover het vooroordeel van de Franse bourgeois het oordeel van de Engelse bourgeois te plaatsen. Een van de grootste firma’s te Liverpool schrijft in haar jaarlijks handelsverslag voor 1851: “Weinig jaren hebben de verwachtingen die men bij hun begin had gekoesterd erger bedrogen dan het juist afgelopen jaar; in plaats van die grote welvaart die men algemeen verwachtte bleek het een van de meest ontmoedigende jaren te zijn die men sinds die laatste 25 jaar heeft gekend. Dit geldt natuurlijk alleen voor de handels niet voor de industriële klassen. En toch waren er zeker gronden voorhanden om aan het begin van het jaar het tegendeel te verwachten. De voorraden producten waren niet groot, geld was er overvloedig. Voedingsmiddelen waren goedkoop en er was een overvloedige oogst verzekerd; er heerste een onverbroken vrede op het vasteland en er waren geen politieke of financiële storingen in het eigen land: inderdaad, de vleugels van de handel hadden nooit meer vrijheid om zich te ontplooien... Aan welke oorzaak moet dit rampzalig resultaat dan worden toegeschreven? Wij menen aan het te ver uitdijen van de handel zowel bij de import als bij de export. Wanneer onze kooplieden niet zelf engere grenzen stellen aan hun vrijheid van actie, dan kan ons niets anders in het spoor houden dan om de drie jaar een paniek.” [65]

Men stelle zich nu de Franse bourgeois voor, hoe zijn van handel zieke hersenen midden in deze zakenpaniek gefolterd, omgonst, verdoofd worden door geruchten over staatsgrepen en herstel van het algemene kiesrecht, door de strijd tussen het parlement en de uitvoerende macht, door de Fronde-oorlog tussen de orleanisten en legitimisten, door communistische samenzweringen in Zuid-Frankrijk, door vermeende Jacquerieën [66] in de departementen van de Nièvre en de Cher, door de reclame van de verschillende kandidaten voor het presidentschap, door de kwakzalversleuzen van de kranten, door de bedreigingen van de republikeinen, dat zij met de wapenen in de hand de Constitutie en het algemeen kiesrecht willen handhaven, door de evangelies van de uitgeweken helden in partibus, die de ondergang van de wereld op de tweede zondag van de maand mei 1852 aankondigden en men begrijpt dat de bourgeois in deze onuitsprekelijke, luidruchtige confusie van fusie, revisie, prorogatie, constitutie, conspiratie, coalitie, emigratie, usurpatie en revolutie zijn parlementaire republiek woedend toesnauwt: “Liever een einde met verschrikking dan een verschrikking zonder einde!

Bonaparte begreep deze kreet. Zijn begripsvermogen werd verscherpt door de toenemende onstuimigheid van de schuldeisers, die in elke zonsondergang die de vervaldag, de tweede zondag van de maand mei nader bracht, een protest van de beweging der hemellichamen tegen hun aardse wissels zagen. Zij waren tot ware astrologen geworden. De Nationale Vergadering had Bonaparte de hoop op een constitutionele prorogatie van zijn macht afgesneden, de kandidatuur van de prins van Joinville stond langer aarzelen niet toe.

Wanneer ooit een gebeurtenis lang voor haar plaatsgrijpen haar schaduw voor zich uit heeft geworpen, dan was het Bonaparte’s staatsgreep. Reeds op 29 januari 1849, nauwelijks een maand na zijn verkiezing, had hij Changarnier het voorstel daartoe gedaan. Zijn eigen minister-president Odilon Barrot had in de zomer van 1849 bedekt en Thiers in de winter van 1850 openlijk de politiek van de staatsgreep gedenuncieerd. Persigny had in mei 1851 Changarnier nog eens weer voor de staatsgreep trachten te winnen, de Messager de l’Assemblée [67] had deze onderhandelingen gepubliceerd. De bonapartistische kranten dreigden bij iedere parlementaire storm met een staatsgreep en hoe meer de crisis naderde des te luider werd hun toon. Tijdens de orgieën, die Bonaparte iedere nacht met de mannelijke en vrouwelijke swell mob [68] aanrichtte, werd zodra het middernachtelijk uur aanbrak en de rijkelijke plengoffers de tongen losgemaakt en de fantasie verhit hadden, de staatsgreep op de volgende morgen vastgesteld. De zwaarden werden getrokken, de glazen rinkelde, de vertegenwoordigers vlogen uit het raam, de keizersmantel viel Bonaparte om de schouders, totdat de komende ochtend het spook weer verdreef en het verwonderde Parijs van niet zeer zwijgzame Vestaalse maagden en indiscrete paladijnen van het gevaar hoorde waaraan het nog eens weer was ontkomen. In de maanden september en oktober volgde het ene gerucht over een coup d’état op het andere. De schaduw kreeg tegelijkertijd kleur, als een bont daguerreotype. Men bladere de organen van de Europese dagbladpers van september en oktober door en men zal woordelijk toespelingen als de volgende vinden: “Parijs is vol geruchten over een staatsgreep. De hoofdstad moet gedurende de nacht door de troepen worden bezet en de volgende morgen zal decreten brengen die de Nationale Vergadering ontbinden, de staat van beleg in het departement van de Seine afkondigen, het algemene kiesrecht herstellen en een beroep doen op het volk, Bonaparte zou ministers voor het uitvoeren van deze illegale decreten zoeken”. De correspondenties die deze berichten brengen, eindigen steeds met het fatale woord ‘uitgesteld’. De staatsgreep was steeds de idee-fixe van Bonaparte. Met deze idee had hij de Franse grond weer betreden. Hij was er zo van vervuld dat hij haar voortdurend verried en rondvertelde. Hij was zo zwak dat hij haar evenzo voortdurend weer opgaf. De schaduw van de staatsgreep was de Parijzenaars als spook zo familiair geworden dat zij er niet aan wilden geloven toen hij eindelijk in vlees en bloed verscheen. Het waren dus noch de terughoudende gereserveerdheid van de chef van de Vereniging van de 10e december, noch een onverwachte overrompeling van de Nationale Vergadering, die de staatsgreep deden gelukken. Indien hij gelukte, geschiedde dit ondanks zijn indiscretie en met haar voorkennis, een noodzakelijk, onvermijdelijk resultaat van de voorafgegane ontwikkeling.

Op 10 oktober deelde Bonaparte aan zijn ministers het besluit mede, dat hij het algemene kiesrecht wilde herstellen, 16 oktober diende zij hun ontslag in, 26 oktober vernam Parijs de vorming van het ministerie Thorigny. Tegelijkertijd werd de prefect van politie Carlier door Maupas vervangen, die chef van de eerste militaire divisie Magnan trok die meest betrouwbare regimenten in de hoofdstad samen. Op 4 november hervatte de Nationale Vergadering haar zittingen. Zij had niets meer te doen, dan in een korte bondige vorm die cursus te herhalen die zij had doorgemaakt en te bewijzen dat zij eerst werd begraven, nadat zij was gestorven.

De eerste post die zij in de strijd met de uitvoerende macht had ingeboet was het ministerie. Zij moest dit verlies plechtig erkennen door het ministerie Thorigny, niets anders dan een schijnministerie, voor vol aan te zien. De permanente commissie had de heer Giraud, toen hij zich in naam van de nieuwe ministers voorstelde met gelach ontvangen. Zulk een zwak ministerie voor zulke krachtige maatregelen als het herstel van het algemene kiesrecht! Maar het ging er juist om niets in het parlement, alles tegen het parlement door te zetten.

Dadelijk op de eerste dag van haar heropening kreeg de Nationale Vergadering de boodschap van Bonaparte waarin hij het herstel van het algemene kiesrecht en de afschaffing van die wet van 31 mei 1850 eiste. Zijn ministers diende dezelfde dag een decreet in die zin in. De Vergadering verwierp onmiddellijk het voorstel van de ministers tot urgent verklaring en 13 november de wet zelf met 355 tegen 348 stemmen. Zo verscheurde zij nog eens haar mandaat, zij bevestigde nog eens dat zij van de vrij gekozen vertegenwoordiging van het volk, tot het usurpatorische parlement van een klasse was geworden, zij bekende nog eens dat zij zelf de spieren had doorgesneden die het parlementaire hoofd met het lichaam van de natie verbonden.

Wanneer die uitvoerende macht met haar voorstel tot herstel van het algemene kiesrecht van de Nationale Vergadering aan het volk appelleerde, appelleerde de wetgevende macht met haar quaestorenbill van het volk aan het leger. Deze quaestorenbill moest haar recht op rechtstreekse troepenrekwisitie, op het vormen van een parlementair leger vastleggen. Wanneer zij zo het leger tot scheidsrechter tussen zichzelf en het volk, tussen zichzelf en Bonaparte benoemde, wanneer zij het leger als beslissende staatsmacht erkende, moest zij aan de andere kant vaststellen dat zij reeds lang de aanspraak op de heerschappij daarover had opgegeven. Door over het recht op rekwisitie te debatteren in plaats van direct troepen te rekwireren, verried zij de twijfel aan haar eigen macht. Door de quaestorenbill te verwerpen erkende zij openlijk haar machteloosheid. Dit wetsontwerp werd verworpen met een minderheid van 108 stemmen, de Montagne had dus de doorslag gegeven. Zij bevond zich in de positie van de ezel van Buridan, weliswaar niet tussen twee zakken hooi om te beslissen welke van de twee lekkerder was, maar tussen twee pakken slaag, om te beslissen welke van de twee het hardst was. Aan de ene kant de vrees voor Changarnier, aan de andere kant de vrees voor Bonaparte. Men moet toegeven dat de situatie niet heroïsch was.

Op 18 november werd er op de door de partij van de orde ingediende wet over de gemeenteraadsverkiezingen het amendement voorgesteld, dat in plaats van drie jaar een jaar domicilie voor die kiezers voor de gemeenteraad voldoende zou zijn. Het amendement werd verworpen met een minderheid van een stem, maar het bleek duidelijk, dat deze ene stem een vergissing was. De partij van de orde had, doordat zij in vijandige fracties uiteen was gevallen, reeds lang haar zelfstandig-parlementaire meerderheid ingeboet. Zij toonde nu dat er in het geheel geen meerderheid meer in het parlement voorhanden was. De Nationale Vergadering was niet meer in staat besluiten te nemen. De atomen waaruit zij bestond werden door geen enkele cohesiekracht meer bijeen gehouden, zij had haar laatste levensadem uitgeblazen, zij was dood.

De buitenparlementaire massa van de bourgeoisie tenslotte moest haar breuk met de bourgeoisie in het parlement nog eens enige dagen voor de ramp plechtig bevestigen. Thiers, die als parlementaire held bijzonder met de ongeneeslijke ziekte van het parlementaire cretinisme was besmet, had na de dood van het parlement een nieuwe parlementaire intrige met de Staatsraad uitgebroed, een verantwoordelijkheidswet, die de president binnen de grenzen van de Constitutie moest binden. Zoals Bonaparte op 15 september bij het leggen van de eerste steen voor de nieuwe markthallen in Parijs de dames des halles, de visvrouwen, als een tweede Masaniello had betoverd - weliswaar woog een visvrouw aan werkelijk gewicht tegen 17 burggraven op - zoals hij na het indienen van de quaestorenbill de luitenants, die hij in het Elysée onthaalde, in geestdrift had gebracht, zo sleepte hij nu op 25 november de industriële bourgeoisie mee, die in het circus bijeengekomen was, om uit zijn hand de bekronings medailles voor de Londense industrietentoonstelling te ontvangen. Ik citeer het karakteristieke gedeelte van zijn redevoering uit de Journal des Debats: “Tegenover zulke onverwachte successen heb ik het recht te herhalen hoe groot de Franse republiek zou zijn, wanneer het haar ware geoorloofd haar werkelijke belangen te behartigen en haar instellingen te hervormen in plaats van voortdurend gestoord te worden, enerzijds door de demagogen, anderzijds door de monarchistische hallucinaties. (Luid, stormachtig en herhaald applaus uit iedere hoek van het amfitheater). De monarchistische hallucinaties beletten iedere vooruitgang en hinderen alle belangrijke takken van industrie. In plaats van een vooruitgang slechts strijd. Men ziet mannen, die vroeger de vurigste steunpilaren van de koninklijke autoriteit en prerogatieven waren, tot partijgangers van een conventie worden, enkel en alleen om de autoriteit te verzwakken die uit het algemene kiesrecht is ontstaan. (Luid en herhaald applaus.) Wij zien mannen, die het meest onder de revolutie hebben geleden en haar het meest hebben bejammerd, een nieuwe revolutie provoceren en alleen om de wil van de natie in ketenen te slaan... Ik beloof u rust voor de toekomst enz. enz. (Bravo, bravo, stormachtig bravo.)” - Zo applaudisseert de industriële bourgeoisie met haar serviel bravo voor de staatsgreep van 2 december, de vernietiging van het parlement, de ondergang van haar eigen heerschappij, de dictatuur van Bonaparte. Het daverende applaus van 25 november werd beantwoord door het kanongebulder van 4 december en het huis van de heer Sallandrouze, die het hardst bravo had geroepen, had het meest van het bombardement te lijden.

Toen Cromwell het Lager Parlement ontbond, verscheen hij alleen te midden van de vergadering, nam zijn horloge in de hand opdat het geen minuut langer zou bestaan dan de door hem vastgestelde tijd en joeg de parlementsleden stuk voor stuk met vrolijk humoristische beschimpingen weg. Napoleon, kleiner dan zijn voorbeeld, begaf zich op de 18e Brumaire naar het Wetgevend Lichaam en las het althans, zij het ook met benepen stem, zijn doodvonnis voor. De tweede Bonaparte, die zich overigens in het bezit van een heel wat andere uitvoerende macht bevond dan Cromwell of Napoleon, zocht zijn voorbeeld niet in de annalen van de wereldgeschiedenis, maar in de annalen van de Vereniging van de 10e december, in de annalen van de criminele rechtspraak. Hij besteelt de Bank van Frankrijk voor 25 miljoen franc, koopt generaal Magnan met een miljoen, de soldaten stuk voor stuk met 15 franc en met jenever om, komt met zijn medeplichtigen als een dief in de nacht in het geheim bijeen, laat in de huizen van de gevaarlijkste parlementaire leiders inbreken en Cavaignac, Lamoricière, Le Flô, Changarnier, Charras, Thiers, Baze enz. van hun bed lichten, de voornaamste pleinen van Parijs evenals de parlementsgebouwen door troepen bezetten en vroeg in de morgen aan alle muren schreeuwerige plakkaten plakken, waarin de ontbinding van de Nationale Vergadering en van de Staatsraad, het herstel van het algemene kiesrecht en de staat van beleg in het Seinedepartement worden afgekondigd. Op dezelfde wijze liet hij kort daarna een vals document in de Moniteur opnemen, volgens hetwelk invloedrijke parlementaire figuren zich in een staatsraad om hem zouden hebben geschaard.

Het in het raadhuis van het 10e arrondissement bijeengekomen rompparlement, hoofdzakelijk bestaande uit legitimisten en orleanisten, besluit onder de herhaalde uitroep: “Leve de republiek!” Bonaparte af te zetten; het spreekt tevergeefs de voor het gebouw met open mond toekijkende massa toe en wordt tenslotte onder geleide van Afrikaanse scherpschutters eerst naar de kazerne d’Orsay gesleept, daarna in gevangenwagens gepakt en naar de gevangenissen van Mazas, Ham en Vincennes getransporteerd. Zo eindigde de partij van de orde, de Wetgevende Vergadering en de Februari-revolutie. Voordat wij ons naar het slot haasten, in het kort het schema van haar geschiedenis:

I. Eerste periode. Van 24 februari tot 4 mei 1848. Februari-periode. Proloog. Algemene verbroederingszwendel.

II. Tweede periode. Periode van de constituering van de Republiek en van de constituerende Nationale Vergadering.

1) 4 mei tot 25 juni 1848. Strijd van alle klassen tegen het proletariaat. Nederlaag van het proletariaat in de Juni-dagen.

2) 25 juni tot 10 december 1848. Dictatuur van de zuivere bourgeois-republikeinen. Het ontwerpen van de Constitutie. Het afkondigen van de staat van beleg in Parijs. De bourgeois-dictatuur op 10 december opgeheven door de verkiezing van Bonaparte tot president.

3) 20 december 1848 tot 28 mei 1849. Strijd van de Constituante tegen Bonaparte en de met hem verenigde partij van de orde. Ondergang van de Constituante. Val van de republikeinse bourgeoisie.

III. Derde periode. Periode van de constitutionele Republiek en van de Legislatieve Nationale Vergadering.

1) 28 mei 1849 tot 13 juni 1849. Strijd van de kleinburgers tegen de bourgeoisie en tegen Bonaparte. Nederlaag van de kleinburgerlijke democratie.

2) 13 juni 1849 tot 31 mei 1850. Parlementaire dictatuur van de partij van de orde. Voltooit haar heerschappij door afschaffing van het algemene kiesrecht, verliest echter het parlementaire ministerie.

3) 31 mei 1850 tot 2 december 1851. Strijd tussen de parlementaire bourgeoisie en Bonaparte.

a) 31 mei 1850 tot 12 januari 1851. Het parlement verliest het opperbevel over het leger.

b) 12 januari tot 11 april 1851. Het delft het onderspit bij de pogingen om zich weer van de administratieve macht meester te maken. De partij van de orde verliest de zelfstandige parlementaire meerderheid. Haar coalitie met de republikeinen en de Montagne.

c) 11 april 1851 tot 9 oktober 1851. Pogingen tot herziening, fusie en prorogatie. De partij van de orde valt in haar afzonderlijke bestanddelen uiteen. De breuk van het burgerlijke parlement en de burgerlijke pers met de massa van de bourgeoisie consolideert zich.

d) 9 oktober tot 2 december 1851. Openlijke breuk tussen het parlement en de uitvoerende macht. Het parlement voltrekt zijn stervensdaad en gaat ten onder, in de steek gelaten door zijn eigen klasse, door het leger, door alle overige klassen. Ondergang van het parlementaire stelsel en van de heerschappij van de bourgeoisie. Overwinning van Bonaparte. Restauratieparodie van het keizerrijk.

VII

De Sociale Republiek verscheen als een frase, als een profetie op de drempel van de Februari-revolutie. In de Juni-dagen van 1848 werd zij in het bloed van het Parijse proletariaat verstikt, maar zij waart in de volgende akten van het drama als spook om. De democratische republiek kondigt zich aan. Zij gaat op 13 juni 1849 met haar op de vlucht geslagen kleinburgers in rook op, maar bij haar vlucht werpt zij dubbel opschepperige reclames achter zich. De parlementaire republiek maakt zich tezamen met de bourgeoisie van het gehele toneel meester, zij leeft zich uit in de volle breedte van haar bestaan, maar de 2e december 1851 begraaft haar onder de angstkreet van de gecoaliseerde royalisten: “Leve de republiek!”

De Franse bourgeoisie verzette zich tegen de heerschappij van het werkende proletariaat, zij heeft het lompenproletariaat aan de macht gebracht met de chef van de Vereniging van de 10e december aan het hoofd. De bourgeoisie hield Frankrijk in ademloze vrees voor de toekomstige verschrikkingen van de rode anarchie. Bonaparte disconteerde deze toekomst voor haar, toen hij op 4 december de deftige burgers van de Boulevard Montmartre en van de Boulevard des Italiens door het in jenevergeestdrift verkerende leger van de orde voor hun vensters liet neerschieten. De bourgeoisie vergoddelijkte de sabel; de sabel beheerst haar. Zij vernietigde de revolutionaire pers; haar eigen pers is vernietigd. Zij stelde de volksvergaderingen onder politietoezicht; haar salons staan onder toezicht van de politie. Zij ontbond die democratische Nationale Garde; haar eigen Nationale Garde is ontbonden. Zij kondigde de staat van beleg af; de staat van beleg is tegen haar afgekondigd. Zij verdrong de jury’s door militaire commissies; haar jury’s zijn door militaire commissies verdrongen. Zij onderwierp het openbaar onderwijs aan de papen; de papen onderwerpen hen aan hun eigen onderwijs. Zij deporteerde mensen zonder vonnis; zij wordt zonder vonnis gedeporteerd. Zij onderdrukte iedere beweging van de maatschappij door die staatsmacht; iedere beweging van haar maatschappij wordt door de staatsmacht onderdrukt. Uit enthousiasme voor haar geldzak rebelleerde zij tegen haar eigen politici en literatoren; haar politici en literatoren zijn op zij geschoven, maar haar geldzak wordt geplunderd, nadat haar de mond is gesnoerd en haar pen is gebroken. De bourgeoisie riep de revolutie onvermoeid toe, zoals de heilige Arsenius Christus: “Fuge, tace, quiesce! Vlucht, zwijg, rust!” Bonaparte roept de bourgeoisie toe: “Fuge, tace, quiesce! Vlucht, zwijg, rust!”

De Franse bourgeoisie had reeds lang het dilemma van Napoleon opgelost: “Dans cinquante ans l’Europe sera républicaine ou cosaque.” [69] Zij had het opgelost in de ‘république cosaque’ [70]. Geen Circe [71] heeft het kunstwerk van de burgerlijke republiek door boze tovenarij tot een wangedrocht gevormd. Deze republiek heeft niets verloren dan de schijn van respectabiliteit. Het huidige Frankrijk was kant en klaar in de parlementaire republiek vervat. Er was slechts een prik met een bajonet toe nodig om de blaas te doen barsten en het monster in het oog te doen springen.

Waarom kwam het Parijse proletariaat na 2 december niet in opstand?

De val van de bourgeoisie was pas gedecreteerd, het decreet was nog niet uitgevoerd. Iedere ernstige opstand van het proletariaat zou haar dadelijk nieuw leven hebben ingeblazen, zou haar met het leger hebben verzoend en de arbeiders een tweede Juni-nederlaag hebben verzekerd.

Op 4 december werd het proletariaat door bourgeois en épiciers [72] tot de strijd aangezet. Dezelfde avond beloofden verschillende legioenen van de Nationale Garde gewapend en in uniform op het terrein van de strijd te verschijnen. Bourgeois en épiciers waren namelijk te weten gekomen dat Bonaparte in een van zijn decreten van 2 december de geheime stemming afschafte en hun gelastte in de officiële registers achter hun naam hun ja of neen te schrijven. De tegenstand van 4 december maakte Bonaparte bang. In de nacht liet hij op alle hoeken van de straten van Parijs plakkaten slaan die het herstel van de geheime stemming afkondigden. Bourgeois en épiciers meenden hun doel te hebben bereikt. Wie de volgende morgen niet verscheen, dat waren de épiciers en de bourgeois.

Het Parijse proletariaat was door een overrompeling van Bonaparte in de nacht van 1 op 2 december van zijn leiders, de barricadechefs beroofd. Een leger zonder officieren, door de herinneringen aan juni 1848 en 1849 en aan mei 1850 ongenegen onder het vaandel van de Montagnards te strijden, liet aan zijn voorhoeden, de geheime verenigingen, het redden van de eer van de opstand van Parijs over, die de bourgeoisie zo zonder weerstand aan de soldateska prijsgaf dat Bonaparte later de Nationale Garde kon ontwapenen met het smadelijke argument dat hij bang was dat hun wapenen door de anarchisten tegen hen zelf zouden worden misbruikt!

C’est le triomfe complet et définitif du socialisme![73] Aldus kenschetste Guizot 2 december. Maar wanneer de val van de parlementaire republiek in zijn kiem de triomf van de proletarische revolutie bevat, dan was toch zijn naast bijliggend tastbaar resultaat de overwinning van Bonaparte op het parlement, van de uitvoerende macht op de wetgevende macht, van de macht zonder frase op de macht van de frase. In het parlement verhief de natie haar algemene wil tot wet, d.w.z. de wet van de heersende klasse tot haar algemene wil. Tegenover de uitvoerende macht dankt zij iedere eigen wil af en onderwerpt zij zich aan de machtspreuk van het vreemde, van de autoriteit. De uitvoerende macht drukt in tegenstelling tot de wetgevende macht de heteronomie [74] van de natie uit, in tegenstelling tot haar autonomie. Frankrijk schijnt dus slechts aan het despotisme van een klasse te zijn ontkomen om weer terug te vallen onder het despotisme van een individu en wel onder het gezag van een individu zonder gezag. De strijd schijnt aldus te zijn beslecht dat alle klassen even machteloos en even sprakeloos voor de geweerkolf knielen.

Maar de revolutie is grondig. Zij is nog op haar reis door het vagevuur. Zij doet haar werk methodisch. Tot 2 december 1851 had zij de ene helft van haar voorbereiding voltooid, nu voltooit zij de andere helft. Zij voltooide eerst de parlementaire macht, om haar ten val te kunnen brengen. Nu zij dit bereikt heeft, voltooit zij de uitvoerende macht, herleidt zij die tot haar zuiverste uitdrukking, isoleert haar, stelt haar als enig verwijt tegenover zichzelf, om al haar krachten ter vernietiging op haar te concentreren. En wanneer zij deze tweede helft van haar voorbereidend werk heeft volbracht, dan zal Europa opspringen van zijn zetel en jubelen: Braaf gewoeld, oude mol!

Deze uitvoerende macht met haar geweldige bureaucratische en militaire organisatie, met haar in brede lagen opgebouwde en kunstmatige staatsmachinerie, met een leger van ambtenaren van een half miljoen man, naast een leger van nog een half miljoen, dit vreselijke parasietenlichaam, dat zich als een net om het lichaam van de Franse maatschappij spant en alle poriën daarvan verstopt, is ontstaan in de tijd van de absolute monarchie, tijdens het verval van het feodalisme, dat het hielp verhaasten. De feodale privileges van de grondbezitters en de steden werden tot evenveel attributen van de staatsmacht, de feodale waardigheidsbekleders tot betaalde ambtenaren en de bonte staalkaart van de tegenstrijdige middeleeuwse soevereine machten tot het geregelde plan van een staatsmacht wier arbeid als in een fabriek verdeeld en gecentraliseerd is. De eerste Franse Revolutie met haar taak om alle lokale, territoriale, stedelijke en provinciale aparte machten te breken, om de burgerlijke eenheid van de natie te scheppen, moest datgene ontwikkelen wat de absolute monarchie begonnen was: de centralisatie, maar tevens de omvang, de attributen en de helpers van de regeringsmacht. Napoleon voltooide deze staatsmachinerie. De legitieme monarchie en de Juli-monarchie voegden er niets aan toe dan een grotere arbeidsverdeling, die toenam naar gelang de arbeidsverdeling binnen de burgerlijke maatschappij nieuwe belangengroepen schiep, dus nieuw materiaal voor het staatsbestuur. Ieder gemeenschappelijk belang werd onmiddellijk losgemaakt van de maatschappij, als een hoger algemeen belang tegenover haar gesteld, aan de zelfwerkzaamheid van de leden van de maatschappij ontrukt en tot voorwerp van regeringsbemoeiing gemaakt, vanaf de brug, het schoolgebouw en het communale vermogen van de dorpsgemeente, tot en met de spoorwegen, het nationale vermogen en de nationale universiteit van Frankrijk. De parlementaire republiek zag zich tenslotte in haar strijd tegen de revolutie gedwongen om met de onderdrukkingsmaatregelen de middelen en de centralisatie van de regeringsmacht te versterken. Alle omwentelingen volmaakte deze machine in plaats van haar te breken. De partijen die afwisselend om de heerschappij worstelden, beschouwden het in bezit nemen van dit geweldige staatsgebouw als de voornaamste buit van de overwinnaar.

Maar onder de absolute monarchie, tijdens de eerste revolutie, onder Napoleon, was de bureaucratie slechts het middel om de klassenheerschappij van de bourgeoisie voor te bereiden. Onder de Restauratie, onder Louis Bonaparte, onder de parlementaire republiek was zij het instrument van de heersende klasse, hoezeer zij ook naar eigen macht streefde.

Eerst onder de tweede Bonaparte schijnt de staat zich volkomen zelfstandig te hebben gemaakt. De staatsmachine heeft zich tegenover de burgerlijke maatschappij zo stevig vastgezet, dat als haar hoofd de chef van de Vereniging van de 10e december voldoende is, een uit de vreemde gekomen gelukzoeker, op het schild geheven door een dronken soldateska, die hij met jenever en worsten heeft omgekocht, die hij steeds opnieuw worst moet toewerpen. Vandaar de benepen vertwijfeling, het gevoel van de verschrikkelijkste deemoediging, vernedering dat de borst van Frankrijk beklemt en zijn adem doet stokken. Het voelt zich als onteerd.

En toch zweeft de staatsmacht niet in de lucht. Bonaparte vertegenwoordigt een klasse en wel de talrijkste klasse van de Franse maatschappij, de kleine boeren.

Zoals de Bourbons de dynastie van het grootgrondbezit, zoals de Orleans de dynastie van het geld zijn, zo zijn de Bonapartes de dynastie van de boeren, d.w.z. van de Franse volksmassa. Niet de Bonaparte die zich aan het burgerlijke parlement onderwierp, maar de Bonaparte die het burgerlijke parlement uiteenjoeg, is de uitverkorene van de boeren. Drie jaren was het de steden gelukt om de betekenis van de verkiezing van 10 december te vervalsen en de boeren in hun hoop op het herstel van het keizerrijk te bedriegen. De verkiezing van 10 december 1848 ging eerst in vervulling door de coup d’état van 2 december 1851.

De kleine boeren vormen een ontzaglijke massa wier leden in een zelfde toestand leven, maar zonder veelvoudige betrekkingen met elkaar aan te gaan. Hun productiewijze isoleert hen van elkaar, in plaats van hen wederzijds met elkaar in aanraking te brengen. De isolatie wordt in de hand gewerkt door de slechte Franse communicatiemiddelen en de armoede van de boeren. Hun productieveld, hun lapje grond, laat bij zijn bewerking geen verdeling van de arbeid toe, geen toepassing van de wetenschap, dus geen veelvoudigheid van ontwikkeling, geen verscheidenheid van talenten, geen rijkdom aan maatschappelijke betrekkingen. Ieder afzonderlijk boerengezin bevredigt zelf bijna al zijn behoeften, produceert rechtstreeks zelf het grootste gedeelte van zijn verbruik en wint zo zijn levensonderhoud meer in de ruil met de natuur, dan in het verkeer met de maatschappij. Een lapje grond, een boer en een gezin; daarnaast een ander lapje grond, een andere boer en een ander gezin. Een paar dozijn daarvan vormen een dorp en een paar dozijn dorpen vormen een departement. Zo wordt de grote massa van de Franse natie gevormd door een eenvoudige optelling van gelijknamige grootheden, zo ongeveer als een zak met aardappelen een zak aardappelen vormt. In zover miljoenen gezinnen onder economische bestaansvoorwaarden leven, die hun levenswijze, hun belangen en hun ontwikkeling van die van de andere klassen scheiden en hen vijandig tegenover deze klassen plaatsen, vormen zij een klasse. In zover er slechts een lokaal verband tussen de kleine boeren bestaat, de gelijkheid van hun belangen geen gemeenschappelijkheid, geen nationaal verband en geen politieke organisatie onder hen schept, vormen zij geen klasse. Zij zijn daarom niet in staat om hun klassenbelang in hun eigen naam, hetzij door een parlement of door een conventie te doen gelden. Zij kunnen zichzelf niet vertegenwoordigen, zij moeten vertegenwoordigd worden. Hun vertegenwoordiger moet tevens hun heer, een autoriteit boven hen blijken te zijn, een onbeperkte regeringsmacht, die hen tegen de andere klassen beschermt en hun van boven regen en zonneschijn zendt. De politieke invloed van de kleine boeren vindt dus zijn laatste uitdrukking in het feit dat de uitvoerende macht de maatschappij aan zich ondergeschikt maakt.

Door de historische traditie is het wondergeloof van de Franse boeren ontstaan, dat een man genaamd Napoleon hun alle heerlijkheden weer zal terugbrengen, En er werd een persoon gevonden die zich voor deze man uitgeeft, omdat hij de naam Napoleon draagt, als gevolg van de Code Napoleon, die gebiedt: La recherche de la paternité est interdite. [75] Na twintig jaar lang gevagebondeerd te hebben en na een reeks van groteske avonturen gaat de sage in vervulling en de man wordt keizer der Fransen. De idee-fixe van de neef werd tot werkelijkheid, omdat zij samenviel met de idee-fixe van de talrijkste klasse der Fransen.

Maar, zal men mij tegenwerpen, de boerenopstanden in half Frankrijk, de drijfjachten van het leger op de boeren, de massale gevangenneming en verbanning van de boeren?

Sinds Lodewijk XIV heeft Frankrijk geen dergelijke vervolging van de boeren ‘wegens demagogische woelingen’ beleefd.

Maar men begrijpe goed. De dynastie Bonaparte vertegenwoordigt niet de revolutionnairen, maar de conservatieve boer, niet de boer die uit het raam van zijn sociale bestaansvoorwaarden, het lapje grond, naar buiten dringt, maar de boer die deze veeleer bevestigen wil, niet het landvolk dat door eigen energie in aansluiting aan de steden de oude orde omver wil werpen, doch het landvolk dat zich omgekeerd, benauwd opgesloten in deze oude orde, tezamen met zijn lapje grond, door het spook van het keizerrijk gered en bevoordeeld wil zien. Zij vertegenwoordigt niet de verlichting, doch het bijgeloof van de boer, niet zijn oordeel, doch zijn vooroordeel, niet zijn toekomst, doch zijn verleden, niet zijn moderne Cevennes, doch zijn moderne Vendée. [76]

De drie jaren harde heerschappij van de parlementaire republiek hadden een deel van de Franse boeren van de Napoleontische illusie bevrijd en, zij het ook nog slechts oppervlakkig, gerevolutioneerd; maar de bourgeoisie wierp hen met geweld terug zo vaak als zij in beweging kwamen. Onder de parlementaire republiek worstelde het moderne met het traditionele bewustzijn van de Franse boeren. Het proces had plaats in de vorm van een voortdurende strijd tussen de schoolmeesters en de papen. De bourgeois sloeg de schoolmeesters neer. Voor het eerst spanden de boeren zich in om een zelfstandige houding aan te nemen tegenover het optreden van de regering. Dat kwam aan het licht bij het aanhoudende conflict van de maires met de prefecten. De bourgeoisie zette de maires af. Tenslotte kwamen de boeren tijdens de periode van de parlementaire republiek op verschillende plaatsen in opstand tegen hun eigen voortbrengsel, het leger. De bourgeoisie strafte hen door het afkondigen van de staat van beleg en door executies. En dezelfde bourgeoisie schreeuwt nu over de stommiteit van de massa’s, van de vile multitude, [77] die haar aan Bonaparte zou hebben verraden. Zij zelf heeft het imperialisme met geweld in de boerenklasse vastgezet, zij hield vast aan de toestanden die de broedplaatsen van deze boerenreligie vormen. Weliswaar moet de bourgeoisie de domheid van de massa’s vrezen zolang zij conservatief blijven, en het inzicht van de massa’s zodra zij revolutionair worden.

In de opstanden na de coup d’état protesteerde een gedeelte van de Franse boeren met de wapens in de hand tegen hun eigen votum van 10 december 1848. De school die zij sinds 1848 hadden doorlopen, had hen verstandig gemaakt. Maar zij hadden zich aan de historische onderwereld verkocht, de geschiedenis hield hen aan hun woord en nog was de meerderheid zo in de ban dat de boerenbevolking juist in de roodste departementen openlijk voor Bonaparte stemde. Volgens hun opvatting had de Nationale Vergadering hem verhinderd stappen te ondernemen. Hij had nu de ketenen gebroken, waaraan de steden de wil van het platteland hadden vastgeklonken. Hier en daar hadden zij zelfs de groteske voorstelling: naast een Napoleon een conventie.

Nadat de eerste revolutie de halfhorige boeren tot vrije grondbezitters had gemaakt, bevestigde en regelde Napoleon de voorwaarden waaronder zij ongestoord de zo juist in hun bezit gekomen grond van Frankrijk konden bewerken en hun jeugdige eigendomslust konden botvieren. Maar het is juist het lapje grond zelf waaraan de Franse boer nu ten onder gaat, de verdeling van de grond, de eigendomsvorm die Napoleon in Frankrijk consolideerde. Het zijn juist de materiële voorwaarden die de Franse horige boer tot kleine boer en Napoleon tot keizer maakte. Twee generaties waren voldoende om het onvermijdelijke resultaat op te leveren: voortschrijdende verslechtering van de akkerbouw, stijgende schuldenlast van de landbouwer. De ‘Napoleontische’ eigendomsvorm die in het begin van de negentiende eeuw de voorwaarde was voor de bevrijding en de verrijking van het Franse landvolk, heeft zich in de loop van deze eeuw tot de wet van hun slavernij en van hun pauperisme ontwikkeld. En juist deze wet is de eerste van de ‘idées napoléoniennes’ [78], die de tweede Bonaparte moet handhaven. Indien hij met de boeren nog de illusie deelt om niet in de kleine grondeigendom zelf, maar daarbuiten, in de invloed van secundaire omstandigheden, de oorzaak van hun ondergang te zoeken, zullen zijn experimenten als zeepbellen tegen de productieverhoudingen uiteenspatten.

De economische ontwikkeling van de kleine grondeigendom heeft de verhouding van de boeren tot de overige klassen van de maatschappij door en door veranderd. Onder Napoleon vulde de parcellering van de grond op het land de vrije concurrentie en de ontstaande grote industrie in de steden aan. De boerenklasse was het alomtegenwoordige protest tegen de zo juist ten val gebrachte grondaristocratie. De wortels die de kleine grondeigendom in de Franse aarde sloeg, onttrokken iedere voedingsstof aan het feodalisme. Zijn grenspalen vormde het natuurlijke bolwerk van de bourgeoisie tegen iedere onverwachte manoeuvre van haar oude soevereinen. Maar in de loop van de negentiende eeuw namen de stadswoekeraars de plaats van de feodalen in, in plaats van de feodale verplichting op de grond kwam de hypotheek, in plaats van de aristocratische grondeigendom het burgerlijke kapitaal. Het lapje grond van de boer is nog slechts het voorwendsel dat de kapitalist veroorlooft winst, interest en rente van de akker te trekken en dat het aan de landbouwer overlaat te zien, hoe hij er zijn arbeidsloon uit slaat. De op de Franse grond drukkende hypotheekschuld legt de Franse boeren het betalen van een rente op die zo groot is als de jaarlijkse interest van de gehele Britse staatsschuld. In deze slavernij aan het kapitaal, waarheen zijn ontwikkeling onvermijdelijk dringt, heeft de kleine grondeigendom de massa van de Franse natie tot troglodieten [79] gemaakt. Zestien miljoen boeren (vrouwen en kinderen daarbij inbegrepen) wonen in holen, waarvan een groot gedeelte slechts een, een ander gedeelte slechts twee en het meest bevoorrechte slechts drie openingen heeft. De vensters zijn voor een huis datgene wat de vijf zintuigen voor het hoofd zijn. De burgerlijke orde die in het begin van de eeuw de staat als schildwacht bij de nieuw ontstane kleine grondstukken plaatste en ze met lauweren bemestte, is tot een vampier geworden die hun bloed en merg uit hart en hersenen zuigt en ze in de alchimistenketel van het kapitaal werpt. De Code Napoleon is nog slechts de codex van de executie, van de gerechtelijke verkoop en de gedwongen veiling. Bij de vier miljoen (kinderen enz. inbegrepen) officiële paupers, vagebonden, misdadigers en prostituees die Frankrijk telt, komen er nog vijf miljoen, die aan de rand van de ondergang zweven en of op het land zelf wonen, of voortdurend met hun lompen en hun kinderen van het land naar de steden en van de steden naar het land deserteren. Het belang van de boeren bevindt zich dus niet meer zoals onder Napoleon in overeenstemming met - maar in tegenstelling tot de belangen van de bourgeoisie, tot het kapitaal. Zij vinden dus hun natuurlijke bondgenoot en leider bij het stedelijke proletariaat, wiens taak het is om de burgerlijke orde omver te werpen. Maar de sterke en onbeperkte regering - en dat is de tweede ‘idée napoléonienne’, die de tweede Napoleon moet doorvoeren, is geroepen om met geweld deze ‘materiële’ orde te verdedigen. Deze ‘ordre matériel’ dient dan ook in alle proclamaties van Bonaparte als slagwoord tegen de opstandige boeren.

Naast de hypotheek die het kapitaal ze oplegt, drukt de belasting op de kleine grondstukken. De belasting is de levensbron van de bureaucratie, van het leger, van de papen en van het hof, kortom van het gehele apparaat van de uitvoerende macht. Sterke regering en zware belasting zijn identiek. Door zijn aard is de kleine grondeigendom een geschikte grondslag voor een almachtige en talrijke bureaucratie. Het schept een gelijkmatig niveau van de betrekkingen en van de personen over de gehele oppervlakte van het land. Het veroorlooft dus ook de gelijkmatige inwerking van uit een bovenste centrum naar alle punten van deze gelijkmatige massa. Het vernietigt de aristocratische tussenlagen tussen de volksmassa en de staatsmacht. Het verwekt dus van alle kanten het rechtstreekse ingrijpen van deze staatsmacht en de inmenging van haar directe organen. Het brengt tenslotte een werkloze overbevolking voort, die noch op het land, noch in de stad plaats vindt en daarom naar de staatsbaantjes als naar een soort respectabele aalmoes grijpt en het scheppen van staatsbaantjes provoceert. Napoleon gaf door de nieuwe markten, die hij met de bajonet opende, door de plundering van het vasteland, de gedwongen belasting met interest terug. Zij was een prikkel voor de nijverheid van de boer, terwijl zij nu zijn nijverheid van de laatste hulpmiddelen berooft, zijn weerloosheid tegen het pauperisme voltooit. En een enorme bureaucratie, met fraaie galons en goed gevoed, is de ‘idée napoléonienne’, die de tweede Bonaparte het allermeest bekoort. Hoe zou het anders kunnen zijn, waar hij gedwongen is om naast de werkelijke klassen van de maatschappij een kunstmatige kaste te scheppen, voor wie het behoud van zijn regime tot een kwestie van haar dagelijks brood wordt. Derhalve was ook een van zijn eerste financiële operaties het wederom verhogen van de ambtenarensalarissen tot op hun oude peil en het scheppen van nieuwe sinecures.

Een andere ‘idée napoléonienne’ is heerschappij van de papen als regeringsmiddel. Maar wanneer de nieuw ontstane kleine grondeigendom in zijn harmonie met de maatschappij, in zijn afhankelijkheid van de krachten der natuur en zijn onderwerping aan het gezag dat haar van bovenaf beschermde, op natuurlijke wijze godsdienstig was, wordt de door schulden ondermijnde, met de maatschappij en het gezag in strijd geraakte en buiten zijn eigen beperktheid gedreven kleine grondeigendom op natuurlijke wijze ongodsdienstig. De hemel was een zeer mooie toegift bij het zo juist verkregen kleine strookje land, vooral omdat hij het weer maakt; hij wordt tot een hoon, zodra hij wordt opgedrongen als schadeloosstelling voor het kleine stukje grond. De paap blijkt dan nog slechts de gezalfde speurhond van de aardse politie te zijn - een andere ‘idée napoléonienne’. De expeditie tegen Rome zal de volgende maal in Frankrijk zelf plaats vinden, maar in omgekeerde zin van wat de heer Montalembert bedoelt.

Het culminatiepunt van de ‘idée napoléoniennes’ is tenslotte het overwicht van het leger. Het leger was de point d’honneur [80] van de kleine boeren, zij zelf waren tot helden geworden die het nieuwe bezit tegen het buitenland verdedigden, hun eerst juist veroverde nationaliteit verheerlijkend, de wereld plunderend en revolutionerend. De uniform was hun eigen staatskostuum, de oorlog hun poëzie, het in de fantasie verlengde en afgeronde lapje grond het vaderland en het patriottisme de ideale vorm van de eigendomszin. Maar de vijanden waartegen de Franse boer nu zijn eigendom moet verdedigen, zijn niet de Kozakken, het zijn de huissiers [81] en de belasting-executeurs. Hun lapje grond ligt niet meer in het zogenaamde vaderland, maar in het hypotheekboek. Het leger zelf is niet meer de bloem van de boerenjeugd, het is de moerasbloem van het boerenlompen-proletariaat. Het bestaat voor het grootste gedeelte uit remplaçants, uit plaatsvervangers, zoals de tweede Bonaparte zelf slechts de remplaçant, de plaatsvervanger voor Napoleon is. Zijn heldendaden verricht het nu in de gemze en drijfjachten op de boeren, in gendarmedienst, en wanneer de innerlijke tegenstellingen van zijn stelsel de chef van de Vereniging van de 10e december over de Franse grens jagen, zal het na enige bandietenstreken geen lauweren, maar slaag oogsten.

Men ziet: alle ‘idées napoléoniennes’ zijn ideeën van de onontwikkelde kleine grondeigendom in de frisheid van zijn jeugd, zij zijn een absurditeit voor de kleine grondeigendom die zijn tijd overleefd heeft. Zij zijn slechts de hallucinaties van zijn doodsstrijd, woorden die tot frases, geesten die tot spoken zijn geworden. Maar de parodie op het keizerrijk was nodig om de massa van de Franse natie van de druk der traditie te bevrijden en de tegenstelling tussen staatsmacht en maatschappij zuiver uit te werken. Met de voortschrijdende ontreddering van de kleine grondeigendom stort het daarop opgetrokken staatsgebouw ineen. De staatscentralisatie die de moderne maatschappij nodig heeft, verrijst slechts op de puinhopen van de militairbureaucratische regeringsmachinerie, die in tegenstelling tot het feodalisme werd gesmeed. [82]

De toestand van de Franse boeren onthult ons het raadsel van de algemene verkiezingen van 20 en 21 december, die de tweede Bonaparte op de berg Sinaï voerde, niet om wetten te ontvangen, maar om ze uit te vaardigen.

De bourgeoisie had nu klaarblijkelijk geen andere keuze dan Bonaparte te kiezen. Toen de puriteinen op het Concilie van Constance klaagden over het onzedelijke leven van de pausen en jammerden over de noodzakelijkheid van een zedenhervorming, donderde de kardinaal Pierre d’Allly hun toe: “Alleen nog de duivel in eigen persoon kan de katholieke kerk redden, en gij verlangt engelen.” Zo riep de Franse bourgeoisie na de coup d’état: Alleen nog de chef van de Vereniging van de 10e december kan de burgerlijke maatschappij redden! Alleen nog de diefstal de eigendom, de meineed de godsdienst, de bastaardij het gezin, de wanorde de orde!

In zijn hoedanigheid van tot een zelfstandige kracht geworden uitvoerende macht, voelt Bonaparte het als zijn roeping om de ‘burgerlijke orde’ zeker te stellen. Maar de kracht van deze burgerlijke orde is de middenstand. Hij beschouwt zich daarom als de vertegenwoordiger van de middenstand en vaardigt in deze zin decreten uit. Hij is echter slechts iets, doordat hij de politieke macht van deze middenstand gebroken heeft en dagelijks opnieuw breekt. Hij beschouwt zich daarom als tegenstander van de politieke en literaire macht van de middenstand. Maar doordat hij haar materiële macht beschermt, verwekt hij opnieuw haar politieke macht. De oorzaak moet dus in het leven worden gehouden, maar de uitwerking moet, waar zij zich vertoont, uit de weg worden geruimd. Dit kan echter niet geschieden zonder kleine verwisselingen van oorzaak en gevolg, omdat beide bij de wisselwerking hun kentekenen verliezen. Nieuwe decreten die de grenslijn verdoezelen. Bonaparte is er zich tevens van bewust dat hij de vertegenwoordiger van de boeren en het volk in het algemeen tegen de bourgeoisie is, de man die binnen de burgerlijke maatschappij de lagere volkslagen gelukkig wil maken. Nieuwe decreten die de ‘ware socialisten’ van te voren hun regeringswijsheid afhandig maken. Maar Bonaparte beschouwt zich voor alles als chef van de Vereniging van de 10e december, als vertegenwoordiger van het lompenproletariaat, waartoe hij zelf en zijn entourage [83], zijn regering en zijn leger behoren en voor wie het er vooral op aankomt zichzelf weldaden te bewijzen en Californische loten uit de staatskas te trekken. En hij doet zich kennen als chef van de Vereniging van de 10e december met decreten, zonder decreten en ondanks de decreten.

Deze taak vol tegenstrijdigheden van de man verklaart de tegenstrijdigheden van zijn regering, het onklare heen en weer tasten dat nu eens deze dan die klasse, nu eens tracht te winnen dan weer te deemoedigen, en allen op dezelfde wijze tegen zich inneemt, wiens onzekerheid in de praktijk een zeer komisch contrast vormt met de gebiedende, categorische stijl van de regeringsdocumenten, die slaafs gekopieerd wordt van die van de oom.

Industrie en handel, dus de zaken van de middenstand moeten onder de sterke regering als in een broeikas opbloeien. Er wordt een groot aantal spoorwegconcessies verleend. Maar het bonapartistische lompenproletariaat moet zich verrijken. Tripotage [84] met de spoorwegconcessies aan de beurs door van te voren ingewijden. Maar er blijkt geen kapitaal te zijn voor de spoorwegen. Verplichting van de bank om op spoorwegaandelen voorschot te verlenen. Maar de bank moet tevens persoonlijk worden geëxploiteerd en dus gevleid worden. De bank wordt ontheven van haar plicht om haar wekelijks verslag te publiceren. Leeuwenverdrag [85] van de bank met de regering. Het volk moet werk krijgen. Uitvoering van publieke werken. Maar de publieke werken verzwaren de belastingplichten van het volk. Daarom verlaging van de belastingen door een aanval op de renteniers, door convertering van de 5 procent van de staatspapieren in 4% procent. Maar de middenstand moet weer een douceurtje krijgen. Dus verdubbeling van de belasting op de wijn voor het volk dat hem en detail koopt, en halvering van de belasting voor de middenstand die hem en gros drinkt. Ontbinding van de werkelijke arbeidersassociaties, maar toezegging van toekomstige associatiewonderen. De boeren moeten geholpen worden. Hypotheekbanken die hun schuldenlast verzwaren en de concentratie van de eigendom verhaasten. Maar deze banken moeten gebruikt worden om geld te slaan uit de geconfisqueerde landgoederen van het huis van Orleans. Geen kapitalist wil zich laten vinden op deze voorwaarde die niet in het decreet staat, en de hypotheekbank blijft slechts decreet, enz. enz.

Bonaparte zou graag als patriarchale weldoener van alle klassen optreden. Maar hij kan aan niemand iets geven, zonder het de ander te ontnemen. Zoals men in de tijd van de Fronde van de hertog van Guise zei dat hij de meest obligeante [86] man in Frankrijk was, omdat hij al zijn bezittingen in obligaties [87] van zijn partijgangers aan zichzelf had veranderd, zo zou Bonaparte de meest obligeante man van Frankrijk willen zijn en al het eigendom, alle arbeid van Frankrijk tot een persoonlijke obligatie aan zichzelf willen maken. Hij zou geheel Frankrijk willen stelen, om het aan Frankrijk weg te geven of veeleer om Frankrijk met Frans geld terug te kunnen kopen, want als chef van de Vereniging van de 10e december moet hij kopen wat hem moet toebehoren. En tot werktuigen van het omkopen worden alle staatsinstellingen, de Senaat, de Staatsraad, het Wetgevende Lichaam, het Legioen van Eer, de Soldatenmedaille, de washuizen, de publieke werken, de spoorwegen, de état major [88] van de Nationale Garde zonder de gemene soldaten, de geconfisqueerde landgoederen van het huis van Orleans. Tot koopmiddel wordt iedere post in het leger en in de regeringsmachine. Maar het belangrijkste bij dit proces, waarbij van Frankrijk genomen wordt om aan Frankrijk te geven, zijn de procenten, die bij de omzet afvallen voor het hoofd en de leden van de Vereniging van de 10e december. Het geestige woord, waarmee de gravin L., de maîtresse van de heer de Morny, de confiscatie van de landgoederen van Orleans karakteriseerde: “C’est le premier vol [89] de l’aigle” is toepasselijk op iedere vlucht van deze adelaar, die meer een raaf is. Hij zelf en zijn aanhangers roepen elkaar dagelijks toe, zoals de Italiaanse Karthuizer monnik de vrek die pochend de goederen opsomde waarop hij nog jaren kon teren: ‘Tu fai conto sopra i beni, bisogna prima far il conto sopra gli anni’.” [90] Om zich niet te verrekenen in de jaren, tellen zij de minuten. Aan het hof, in de ministeries, aan het hoofd van de administratie en van het leger verdringt zich een hoop kerels, met betrekking tot de beste waarvan men kan zeggen, dat men niet weet waar hij vandaan komt - en lawaaierige, beruchte, roofzuchtige Bohème, die met dezelfde groteske waardigheid gegalonneerde jassen aantrekt als Soulouque’s grootwaardigheidsbekleders. Men kan zich deze hogere laag van de Vereniging van de 10e december duidelijk voorstellen, wanneer men in aanmerking neemt, dat Véron-Crevel [91] haar zedenpreker is en Granier de Cassagnac haar denker. Toen Guizot ten tijde van zijn ministerie deze Granier in een onbeduidend blaadje tegen de dynastieke oppositie gebruikte, placht hij hem te roemen met de woorden: ‘C’est le roi des drôles’, ‘dat is de koning der narren’. Men zou ongelijk hebben bij het hof en de kliek van Louis Bonaparte aan het Regentschap of aan Louis XV te denken. Want “reeds dikwijls heeft Frankrijk een regering van maîtressen gekend, maar nog nooit een regering van hommes entretenus.” [92]

Opgejaagd door de tegenstrijdige eisen van zijn positie, tegelijkertijd als een goochelaar gedwongen door voortdurende verrassingen de ogen van het publiek op zich, als op de plaatsvervanger van Napoleon, gevestigd te houden, dus gedwongen om iedere dag een staatsgreep en miniature [93] door te voeren, brengt Bonaparte de gehele burgerlijke volkshuishouding in verwarring, tast hij alles aan wat de revolutie van 1848 onaantastbaar toescheen, maakte hij dat de ene de revolutie geduldig willen dragen en de andere naar de revolutie verlangen en verwekt hij de anarchie zelf in naam van de orde, terwijl hij tegelijkertijd aan de hele staatsmachine de stralenkrans ontneemt, haar profaneert, haar tezelfdertijd weerzinwekkend en belachelijk maakt. De cultus van de heilige mantel in Trier [94] herhaalt hij te Parijs met de cultus van de Napoleontische keizersmantel. Maar wanneer de keizersmantel eindelijk op de schouders van Louis Bonaparte valt, dan zal het bronzen standbeeld van Napoleon van de top van de zuil van Vendôme omlaag storten.

Voetnoten


[1] Gedurende de Amerikaanse burgeroorlog militaire commandant van het district St. Louis. (Noot van Marx.)
[2] Staatsgreep. Red.
[3] Napoleon de Kleine. Red.
[4] Republikein met gele handschoenen. Red.
[5] Een krankzinnigengesticht in Londen. Red.
[6] Overrompeling. Red.
[7] Ondoordachte handeling. Red.
[8] Deze zin is ontleend aan een fabel van Aesopus, waarin wordt verteld van een pocher die met een beroep op getuigen beweerde dat hij eens, in Rhodus, een prachtige sprong had gedaan. Hij kreeg ten antwoord: “Waartoe getuigen, als het waar is, hier is Rhodus, spring hier!” Met andere woorden: toon met de daad wat je kunt. Red.
[9] Op die dag verstreek de termijn van de volmachten van de president der republiek, waarbij, volgens de grondwet, de president niet op zijn post herkiesbaar was. Red.
[10] Toverbeeld. Red.
[11] Crapulinsky (van het Franse woord crapule - smeerlap, schooier) - een figuur uit het gedicht van Heinrich Heine Twee Ridders, waarmee de dichter met de verlopen Poolse adel de spot drijft. Marx geeft hier aan Louis Bonaparte deze bijnaam. Red.
[12] Tuilerieën — voorheen residentie van de Franse koningen te Parijs. Red.
[13] National - een van 1830 tot 1851 te Parijs verschijnend blad; orgaan van de partij der burgerlijke republikeinen. Red.
[14] Journal des Débats - conservatief dagblad, verscheen te Parijs vanaf 1789. Red.
[15] Hoofdartikelen. Red.
[16] “Broeder, je moet sterven.” Red.
[17] Gevangenis voor schuldenaars in Parijs. Red.
[18] Pretorianen - in het oude Rome een door de keizer of een veldheer onderhouden en geprivilegieerde persoonlijke lijfwacht. Red.
[19] Politieagent in buitengewone dienst. Red.
[20] Legitimisten - de aanhangers van de ‘legitieme’ (‘wettelijke’) dynastie van de Bourbons, die in Frankrijk voor 1789 en tijdens de periode van de Restauratie (1814-1830) aan de macht was. Red.
[21] Orleanisten - de aanhangers van de dynastie van Orleans, die vanaf de Juli-revolutie van 1830 aan de macht kwam en door de revolutie van 1848 werd omvergeworpen. Red.
[22] Intelligente bajonetten. Red.
[23] In de eerste en alle daarop gevolgde uitgaven van De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte stond abusievelijk 29 mei. In werkelijkheid werd de wetgevende Vergadering op 28 mei 1849 geopend. Red.
[24] Senators. Red.
[25] Zorgeloosheid. Red.
[26] Schlemihl - hoofdpersoon in een verhaal van Adalbert von Chamisso. Op jacht naar rijkdom verkocht Peter Schlemihl zijn schaduw en reisde dan de gehele wereld rond om haar terug te vinden. Red.
[27] Hinderlijk staartstuk. Red.
[28] Tot in het oneindige. Red.
[29] Tint. Red.
[30] Winkeliers. Red.
[31] In april 1849 werden er Franse troepen naar Italië gezonden om de Italiaanse revolutie neer te slaan. Zij bombardeerden het revolutionaire Rome, hetgeen een ten hemel schreiende schending van de Franse constitutie was. Red.
[32] We zullen zien. Red.
[33] Gij zijt alleen maar opsnijders. Red.
[34] Stroman. Red.
[35] Napoleontische ideeën. Red.
[36] Burgemeesters. Red.
[37] Burggraven was de spotnaam voor de leden van het bureau van afgevaardigden der partij van de orde in de wetgevende Vergadering; de naam is ontleend aan een gelijknamig toneelstuk van Victor Hugo en duidt op de machteloze heerszucht en het feodale streven van de monarchisten. Red.
[38] La presse — een dagblad dat vanaf 1836 te Parijs verscheen. Red.
[39] Welvaart. Red.
[40] Voluit: Moniteur Universel (Algemene Bode) - het officiële orgaan van de Franse regering. Red.
[41] Liederlijke types. Red.
[42] Leeglopers. Red.
[43] Koppelaars. Red.
[44] Zonder meer. Red.
[45] De eerste mislukte poging van Louis Bonaparte tot een staatsgreep, die hij in 1836 te Straatsburg ondernam. De inval in Boulogne, in 1840, was de tweede mislukte poging van Louis Bonaparte om zich als keizer te laten uitroepen. Red.
[46] Een personage uit de komedie van Shakespeare Een midzomernachtsdroom. Red.
[47] Leve de keizer! Red.
[48] Schufterle en Spiegelberg - figuren uit Schillers drama De Rovers. Red.
[49] “Leve Napoleon! Leve de worstjes!” Red.
[50] De bonapartistische bladen. Red.
[51] Brandende vraagstukken. Red.
[52] 1848. Red.
[53] Voorrechten. Red.
[54] Arbeiderssteden. Red.
[55] Wetboek van strafrecht. Red.
[56] Bevredigt. Red.
[57] Protesten achteraf. Red.
[58] Belle Ile - een eiland aan de Westkust van Frankrijk, waar de na 1848 veroordeelde revolutionairen waren opgesloten. Red.
[59] Twistappel. Red.
[60] Hier verlenging. Red.
[61] Bestaande toestand. Red.
[62] Nationale Vergadering, een dagblad van monarchistische richting dat van 1848 tot 1857 te Parijs verscheen. Red.
[63] Bedoeld is het conflict tussen Lodewijk XVIII en zijn broeder, de Graaf van Artois (de latere koning Karel X) tijdens de Restauratie periode. Lodewijk XVIII had zijn residentie in de Tuilerieën, de Graaf van Artois bewoonde het Marsan-paviljoen van hetzelfde paleis. Red.
[64] Toespeling op de Bourbons, die een witte lelie in hun wapen voerden. Red.
[65] The Economist van 10 januari 1852, p.p. 29/30. Red.
[66] Boerenopstanden. Red.
[67] De Bode der Vergadering - anti-bonapartistisch dagblad dat in 1851 te Parijs verscheen. Red.
[68] Elegante bende. Red.
[69] Over vijftig jaar zal Europa republikeins of Kozaks zijn. Red.
[70] Kozakken republiek. Red.
[71] Circe - Tovenares volgens de Oudgriekse mythologie die mensen in dieren verandert. Red.
[72] Kruideniers. Red.
[73] Dat is de volledige en definitieve triomf van het socialisme. Red.
[74] Heteronomie - afhankelijkheid van vreemde wetten, onderwerping aan een vreemde wil. Red.
[75] Het onderzoek naar het vaderschap is verboden. Red.
[76] In de Cevennes - een bergland in Frankrijk - brak in het begin van de XVIIIe eeuw een grote opstand van protestantse boeren (zogenaamde Camisards) uit, onder de leuzen: ‘Generlei belastingen meer’, ‘Vrijheid van Godsdienst’. De opstandelingen maakten zich van de kastelen der adellijken meester en zetten, in partizanenafdelingen verenigd en door de bergen beschut, de strijd bijna drie jaren voort. De Vendée - een departement in Frankrijk - was ten tijde van de Franse burgerlijke revolutie aan het einde van de XVIIIe eeuw de haard van de contrarevolutie. In haar strijd tegen het revolutionaire Frankrijk maakte de contrarevolutie gebruik van de sterk onder de invloed van de katholieke geestelijkheid staande achterlijke boeren van de Vendée. Red.
[77] Verachtelijke menigte. Red.
[78] Napoleontische ideeën. Red.
[79] Holbewoners. Red.
[80] Erezaak. Red.
[81] Deurwaarders. Red.
[82] In de uitgave van het jaar 1852 eindigt deze alinea met de volgende regels die door Marx in de uitgave van 1869 werden weggelaten: “De verbrijzeling van de staatsmachine zal de centralisatie niet in gevaar brengen. De bureaucratie is slechts de lage en grove vorm van een centralisatie, die nog belast is met het feodalisme, haar tegenstelling. Teleurgesteld door de napoleontische restauratie verliest de Franse boer het geloof aan zijn stukje grond; heel het op deze grondeigendom opgetrokken staatsgebouw stort ineen en de proletarische revolutie verkrijgt het koor, zonder hetwelk haar solozang in alle boerenlanden tot een zwanenzang wordt.” Red.
[83] Omgeving. Red.
[84] Zwendel. Red.
[85] Een verdrag waarbij de éne partij de andere volkomen aan zich onderwerpt. Red.
[86] Welwillend, voorkomend, dienstvaardig. Red.
[87] Obligatie - verplichting en erkentelijkheid. Red.
[88] Staf. Red.
[89] ‘Vol’ betekent vlucht en diefstal. (Noot van Marx.)
[90] Je telt je goederen, je moest eerst je jaren tellen. (Noot van Marx.)
[91] Balzac beeldt in La Cousine Bette in Crevel, die hij naar Dr. Veron, de eigenaar van de ‘Constitutionnel’ ontwierp, het type van de door en door liederlijke Parijse filister uit. (Noot van Marx.)
[92] Woorden van mevrouw Girardin (Noot van Marx); hommes entretenus - souteneurs. Red.
[93] In het klein. Red.
[94] Eén van de ‘heilige’ relieken, (‘het kleed des Heren’) die in het jaar 1844 door de reactionaire katholieke geestelijkheid in de Dom te Trier werden tentoongesteld. Red.