Karl Marx
Het Kapitaal
Hoofdstuk 14


Afdeling V. De productie van absolute en relatieve meerwaarde

Absolute en relatieve meerwaarde

In het vijfde hoofdstuk werd het arbeidsproces aanvankelijk abstract beschouwd, onafhankelijk van zijn historische vormen, als een proces tussen mens en natuur. Wij schreven daar: ‘Beschouwt men het gehele proces vanuit het resultaat, het product, dan verschijnen beide, arbeidsmiddel en arbeidsvoorwerp, als productiemiddelen en de arbeid zelf als productieve arbeid.’ En in noot 172 werd daaraan toegevoegd: ‘Deze omschrijving van productieve arbeid, zoals vanuit het standpunt van het eenvoudige arbeidsproces voortvloeit, is geenszins voldoende voor het kapitalistische productieproces.’ Wij zullen dit hier nu verder uitwerken.

Voor zover het arbeidsproces zuiver individueel is, verenigt dezelfde arbeider alle functies in zich, welke later worden gescheiden. Bij de individuele toe-eigening van natuurlijke objecten voor zijn levensdoel controleert hij zichzelf. Later wordt hij gecontroleerd. De afzonderlijke mens kan de natuur niet beïnvloeden zonder gebruik van zijn eigen spieren en zonder controle van zijn eigen hersenen. Evenals in het systeem van de natuur hoofd en hand bij elkaar horen, verenigt het arbeidsproces hoofdarbeid en handarbeid. Later worden hoofdarbeid en handarbeid gescheiden en worden zij elkaar bestrijdende tegenstanders. In het algemeen kan men zeggen dat het product verandert van een direct product van de individuele producent in een maatschappelijk product, het gemeenschappelijk product van een totaalarbeider dat wil zeggen van een gecombineerd arbeidspersoneel, waarvan de verschillende leden in verschillende mate bij de bewerking van het arbeidsvoorwerp betrokken zijn. Naarmate het coöperatieve karakter van het arbeidsproces zelf sterker wordt, wordt derhalve ook het concept van de productieve arbeid en van de dragers van die arbeid, de productieve arbeiders, ruimer. Om productief werkzaam te zijn is het nu niet meer nodig zelf de hand aan het werk te slaan, maar is het voldoende orgaan te zijn van de totaalarbeider, één van de vele functies van de totaalarbeider uit te oefenen. Voor de totaalarbeider, beschouwd als één geheel, blijft de hierboven gegeven, oorspronkelijke omschrijving van de productieve arbeid, afgeleid uit de aard van de materiële productie zelf, steeds gelden. Maar die omschrijving geldt niet meer voor ieder afzonderlijk lid van de totaalarbeider.

Aan de andere kant wordt echter de conceptie van de productieve arbeid minder ruim. De kapitalistische productie is niet slechts productie van waren, maar in wezen productie van meerwaarde. De arbeider produceert niet voor zichzelf, maar voor het kapitaal. Daarom is het niet langer voldoende dat hij louter produceert: hij moet meerwaarde produceren. Alleen die arbeider is productief, die meerwaarde produceert voor de kapitalist of de meerwaardevorming van het kapitaal dient. Zo het geoorloofd is een voorbeeld te kiezen buiten de sfeer van de materiële productie, zou men kunnen zeggen dat een schoolmeester een productieve arbeider is wanneer hij niet slechts de geesten van de kinderen bewerkt, maar zichzelf ook afslooft om de ondernemer rijker te maken. Dat die ondernemer zijn kapitaal heeft geïnvesteerd in een ‘onderwijsfabriek’ in plaats van in een worstfabriek, verandert niets aan de verhoudingen. De conceptie van de productieve arbeider sluit dus geenszins alleen maar een verhouding in tussen activiteit en nuttig effect, tussen arbeider en arbeidsproduct, maar ook een bepaalde maatschappelijk, historisch gegroeide productieverhouding, die de arbeider bestempelt tot een direct middel tot meerwaardevorming van het kapitaal. Het is dus geen geluk om een productieve arbeider te zijn, maar een ongeluk. In Boek IV van dit werk, waar de geschiedenis van de theorie wordt behandeld, zullen we zien dat de klassieke economie van oudsher de productie van meerwaarde beschouwde als het beslissende kenmerk van de productieve arbeider. De definitie van de productieve arbeider verandert daarom met de opvatting over de aard van de meerwaarde. Zo zeggen de fysiocraten dat alleen landarbeid productief is, omdat alleen landarbeid meerwaarde zou leveren. Voor de fysiocraten bestaat de meerwaarde immers uitsluitend in de vorm van grondrente.

De verlenging van de arbeidsdag voorbij het punt, waarop de arbeider slechts een equivalent van de waarde van zijn arbeidskracht heeft voortgebracht en de toe-eigening van deze meerarbeid door het kapitaal — dát is de productie van absolute meerwaarde. Zij vormt de algemene basis van het kapitalistische systeem en het uitgangspunt van de productie van relatieve meerwaarde. Bij deze productie van relatieve meerwaarde wordt verondersteld dat de arbeidsdag in twee stukken is verdeeld: noodzakelijke arbeid en meerarbeid. Ten einde de meerarbeid te vergroten wordt de noodzakelijke arbeid verminderd door methoden, waardoor het equivalent van het arbeidsloon in minder tijd wordt geproduceerd. Bij de productie van absolute meerwaarde gaat het alleen maar om de lengte van de arbeidsdag; de productie van relatieve meerwaarde revolutioneert geheel en al de technische arbeidsprocessen en de wijze, waarop de maatschappij in groepen is verdeeld.

De productie van relatieve meerwaarde vooronderstelt dus een specifiek kapitalistische productiewijze, die met haar methoden, middelen en voorwaarden zelf pas op basis van de formele onderwerping van de arbeid aan het kapitaal natuurlijk ontstaat en wordt ontwikkeld. In plaats van de formele onderwerping komt nu de reële onderwerping van de arbeid aan het kapitaal.

Wij hoeven hier slechts te wijzen op de tussenvormen, waarin noch de meerarbeid door directe dwang de producent wordt afgeperst, noch de formele onderwerping van de producent aan het kapitaal heeft plaatsgevonden. Het kapitaal heeft zich hier nog niet rechtstreeks meester gemaakt van het arbeidsproces. Naast de zelfstandige producenten, die op traditionele, oeroude wijze hun ambacht of landbouw bedrijven, zien we de woekeraar of koopman, het woekerkapitaal of handelskapitaal, dat hen als parasieten uitzuigt. Wanneer deze vorm van uitbuiting in een maatschappij overheerst, is de kapitalistische productiewijze niet mogelijk; maar aan de andere kant kan die uitbuitingsvorm de overgangsvorm zijn naar de kapitalistische productiewijze, zoals in de late middeleeuwen het geval was. En ten slotte, zoals het voorbeeld van de moderne huisindustrie ons laat zien, worden bepaalde tussenvormen tegen de achtergrond van de grootindustrie hier en daar gereproduceerd, zij het ook met een totaal gewijzigd aanzien.

Wanneer voor de productie van absolute meerwaarde de louter formele onderwerping van de arbeid aan het kapitaal voldoende is — bijvoorbeeld de ambachtsman, die vroeger voor zichzelf of als gezel voor de gildemeester werkte en nu als loonarbeider onder de directe heerschappij van de kapitalist komt te staan — bleek anderzijds dat de methoden voor productie van relatieve meerwaarde tevens de methoden zijn voor productie van absolute meerwaarde. Ja, de mateloze verlenging van de arbeidsdag bleek het meest typerende voortbrengsel van de grootindustrie te zijn. In het algemeen is de specifiek kapitalistische productiewijze niet langer enkel middel tot productie van relatieve meerwaarde zodra zij zich meester heeft gemaakt van een gehele productietak en dit geldt in nog sterkere mate zodra zij alle belangrijke productietakken heeft veroverd. Deze productiewijze wordt thans de algemene, maatschappelijk overheersende vorm van het productieproces. Als bijzondere methode voor de productie van relatieve meerwaarde is zij nog maar in twee gevallen effectief: in de eerste plaats voor zover zij zich meester maakt van industrieën, die voordien slechts formeel aan het kapitaal waren onderworpen, dus in haar propaganda; in de tweede plaats voor zover zij de reeds veroverde industrieën voortdurend revolutioneert door wijzigingen in de productiemethoden.

Van een bepaald gezichtspunt uit bezien schijnt het onderscheid tussen absolute en relatieve meerwaarde geheel denkbeeldig te zijn. De relatieve meerwaarde is absoluut, want zij vooronderstelt een absolute verlenging van de arbeidsdag voorbij de arbeidstijd, die nodig is voor het bestaan van de arbeider zelf. De absolute meerwaarde is relatief, want zij vooronderstelt een ontwikkeling in de arbeidsproductiviteit, die het mogelijk maakt de noodzakelijke arbeidstijd te beperken tot een deel van de arbeidsdag. Letten we echter op de beweging van de meerwaarde, dan verdwijnt deze schijn van eenvormigheid. Zodra de kapitalistische productiewijze eenmaal is ingeburgerd en de algemene productiewijze is geworden, wordt het onderscheid tussen absolute en relatieve meerwaarde duidelijk wanneer het er om gaat de meerwaardevoet te verhogen. Uitgaande van de veronderstelling dat de arbeidskracht tegen haar waarde wordt betaald, staan wij voor het volgende alternatief: gegeven de productiviteit van de arbeid en de normale graad van intensiteit van de arbeid, kan de meerwaardevoet slechts worden verhoogd door absolute verlenging van de arbeidsdag; aan de andere kant kan bij een gegeven grens van de arbeidsdag de meerwaardevoet slechts worden vergroot door een relatieve verandering in de lengte van de twee bestanddelen van de arbeidsdag, de noodzakelijke en de meerarbeid, hetgeen — wanneer het loon niet mag dalen beneden de waarde van de arbeidskracht — een verandering impliceert in de productiviteit of in de intensiteit van de arbeid.

Wanneer de arbeider al zijn tijd nodig heeft om de bestaansmiddelen te produceren die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van zichzelf en van zijn gezin, dan heeft hij geen tijd over om gratis voor derden te werken. Zonder een bepaalde graad van arbeidsproductiviteit geen beschikbare tijd voor de arbeider, zonder een dergelijke overschietende tijd geen meerarbeid en dus geen kapitalisten, maar ook geen slavenhouders, geen feodale heren, kortom geen bezittersklasse.[1]

Op deze wijze kan men spreken over een natuurlijke basis van de meerwaarde, maar alleen in de zeer algemene betekenis dat geen absolute, natuurlijke belemmering de één ervan weerhoudt om de voor zijn bestaan noodzakelijke arbeid van zijn eigen schouders op die van een ander te schuiven, zoals bijvoorbeeld evenmin een absolute, natuurlijke belemmering bestaat die de één ervan weerhoudt het vlees van de andere als voedsel te gebruiken.[1a] Men moet zich beslist geen mystieke voorstellingen maken over deze spontaan ontstane arbeidsproductiviteit, al gebeurt dat hier en daar wel eens. Niet zodra heeft de mens zich ontworsteld aan zijn eerste, dierlijke toestand, is zijn arbeid dus reeds in zekere zin maatschappelijke arbeid geworden, of er treden verhoudingen op waarin de meerarbeid van de één de bestaansvoorwaarde van de ander wordt. In het begin van de beschaving is de verworven arbeidsproductiviteit gering, maar dit geldt ook voor de behoeften, die zich proportioneel met de middelen voor hun bevrediging ontwikkelen. Bovendien was in die eerste dagen het aantal personen, dat van andermans arbeid leefde, vergeleken met het aantal personen, dat zelf in de eigen behoeften voorzag, uiterst klein. Met de ontwikkeling van de maatschappelijke arbeidsproductiviteit neemt het aantal van de eersten zowel absoluut als relatief toe.[2] De kapitaalverhouding ontstaat overigens op een economische basis, die het resultaat is van een langdurig ontwikkelingsproces. De bestaande arbeidsproductiviteit, waarvan de kapitaalverhouding als basis uitgaat, is niet een gave van de natuur, maar het resultaat van een ontwikkelingsproces dat duizenden eeuwen omvat.

Afgezien van de minder of meer ontwikkelde gedaante van de maatschappelijke productie, blijft de productiviteit van de arbeid gebonden aan natuurlijke voorwaarden. Deze voorwaarden zijn alle terug te voeren tot de aard van de mens zelf (ras, enzovoort) en tot de hem omringende natuur. De natuurlijke omstandigheden van de laatste soort vallen economisch in twee grote categorieën uiteen: natuurlijke rijkdom aan bestaansmiddelen, dus vruchtbaarheid van de grond, visrijk water, enzovoort, en natuurlijke rijkdom aan arbeidsmiddelen, zoals watervallen, bevaarbare rivieren, hout, ertsen, kolen, enzovoort. In het begin van de beschaving geeft de eerste categorie, in een hoger ontwikkelingsstadium de tweede categorie van natuurlijke rijkdom de doorslag. Men vergelijke bijvoorbeeld Engeland met Indië of, in de Oudheid, Athene en Korinthe met de oeverstaten van de Zwarte Zee.

Hoe geringer het aantal absoluut te bevredigen natuurlijke behoeften is, hoe groter de natuurlijke vruchtbaarheid van de grond en hoe gunstiger de omstandigheden van het klimaat, des te geringer is de arbeidstijd die nodig is voor de instandhouding en reproductie van de producent. Des te groter kan dan ook het overschot van zijn arbeid voor anderen boven de arbeid voor zichzelf zijn. Diodorus schreef reeds over de oude Egyptenaren: ‘Het is bepaald ongelofelijk met hoe weinig kosten en moeite de opvoeding van hun kinderen gepaard gaat. Zij koken voor hen het eerste het beste voedsel; ook geven zij hun het onderste deel van de papierstengel, voor zover deze in het vuur kan worden geroosterd, en de wortels en stengels van moerasgewassen, deels rauw, deels gekookt en geroosterd, te eten. De meeste kinderen gaan ongeschoeid en ongekleed, daar het klimaat zacht is. Het kind kost daarom zijn ouders tot het volwassen is in het totaal niet meer dan 20 drachmen. Hierdoor is het voornamelijk te verklaren, dat in Egypte de bevolking zo groot is en waarom zovele grote werken kunnen worden ondernomen.’[3] De grote bouwwerken van het oude Egypte zijn echter minder te danken aan de omvang van de bevolking dan aan het grote deel van de bevolking, dat hiervoor beschikbaar was. Zoals de individuele arbeider meer meerarbeid kan leveren naarmate zijn noodzakelijke arbeidstijd korter is, evenzo is, naarmate het voor de productie van noodzakelijke bestaansmiddelen vereiste deel van de arbeidersbevolking geringer is, het voor andere arbeid beschikbare deel des te groter.

Uitgaande van het bestaan van de kapitalistische productie zal, onder overigens ongewijzigde omstandigheden en bij een gegeven lengte van de arbeidsdag, de hoeveelheid meerarbeid variëren met de natuurlijke voorwaarden van de arbeid, in het bijzonder met de vruchtbaarheid van de bodem. Omgekeerd volgt daaruit beslist niet dat de vruchtbaarste grond het meest geschikt is voor de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze. Deze productiewijze veronderstelt de beheersing van de natuur door de mens. Een te overdadige natuur ‘houdt de mens aan de hand zoals een kind aan de leiband loopt’. Een dergelijke natuur maakt de ontwikkeling van de mens niet tot een absolute noodzaak.[4] Niet het tropische klimaat met zijn alles bedekkende vegetatie, maar de gematigde luchtstreek is het moederland van het kapitaal. Niet de absolute vruchtbaarheid van de grond, maar de verscheidenheid, de veelsoortigheid van de natuurlijke producten van de grond vormt de natuurlijke basis van de maatschappelijke arbeidsverdeling en spoort de mens door wijzigingen in de natuurlijke omstandigheden van zijn omgeving aan tot variatie in zijn eigen behoeften, kundigheden, arbeidsmiddelen en werkmethoden. De noodzaak van de maatschappelijke beheersing van een natuurkracht, de noodzaak om die kracht op economische wijze te gebruiken en door ingrijpen van de mens bruikbaar te maken voor toepassing op grote schaal of om haar te temmen, is in de geschiedenis van de industrie een factor van doorslaggevende betekenis. Voorbeelden hiervan zijn de waterwerken in Egypte[5], Lombardije, Holland, enzovoort. Of in Indië, Perzië, enzovoort, waar de bevloeiing door middel van kunstmatige kanalen de grond niet alleen voorzag van het onontbeerlijke water, maar ook van het bezinksel van het water uit de bergen, dat rijk was aan minerale meststoffen. Het geheim van de industriële bloei in Spanje en Sicilië onder Arabische heerschappij ligt in de irrigatie.[6]

De gunstige natuurlijke omstandigheden leveren altijd slechts de mogelijkheid en nimmer de werkelijkheid van meerarbeid, dus van meerwaarde of van meerproduct. De verschillende natuurlijke arbeidsvoorwaarden hebben tot gevolg dat dezelfde hoeveelheid arbeid in verschillende landen verschillende hoeveelheden menselijke behoeften bevredigt,[7] dat dus onder overigens gelijke omstandigheden de noodzakelijke arbeidstijd verschilt. Voor de meerarbeid zijn zij slechts natuurlijke grenzen, namelijk door de bepaling van het punt, waarop de arbeid voor anderen kan beginnen. Naarmate de industrie wordt ontwikkeld, worden deze natuurlijke grenzen ruimer. In de West-Europese maatschappij, waar de arbeider toestemming krijgt voor zijn eigen bestaan te werken op voorwaarde dat hij meerarbeid levert, verbeeldt men zich gauw, dat het een aangeboren eigenschap van menselijke arbeid is een meerproduct te leveren.[8] Neem bijvoorbeeld een bewoner van de oostelijke eilanden van de Aziatische archipel, waar de sago in het wild in de bossen groeit. ‘Wanneer de bewoners door het boren van een gat in de boom zich ervan hebben overtuigd dat de merg rijp is, wordt de boom omgehakt en in stukken verdeeld, de merg er uit gehaald en met water gemengd en gezeefd, waardoor een volledig bruikbaar sagomeel wordt verkregen. Gewoonlijk brengt een boom 300 pond op, maar hij kan ook 500 tot 600 pond opbrengen. Men gaat daar dus het bos in en snijdt zich het brood, zoals men bij ons brandhout hakt.’[9] Stel dat een dergelijke Oost-Aziatische broodsnijder 12 arbeidsuren per week nodig heeft om al zijn behoeften te bevredigen. Wat hij rechtstreeks te danken heeft aan de gunst der natuur is veel vrije tijd. Voordat hij deze vrije tijd voor zichzelf productief maakt, moet aan een hele reeks historische voorwaarden zijn voldaan; voordat hij die tijd besteedt aan meerarbeid voor derden, is dwang van buiten af nodig. Indien de kapitalistische productie zou worden ingevoerd, zou de brave man misschien 6 dagen per week moeten werken om zichzelf het product van één arbeidsdag toe te eigenen. De gunst der natuur verklaart niet waarom hij nu 6 dagen per week werkt of 5 dagen meerarbeid levert; zij verklaart slechts waarom zijn noodzakelijke arbeidstijd beperkt is tot één dag per week. In geen geval vloeit zijn meerproduct echter voort uit een aangeboren, geheime eigenschap van de menselijke arbeid.

Evenals de historisch bepaalde maatschappelijke productiviteit van de arbeid schijnt ook de door de natuur bepaalde productiviteit van de arbeid productiviteit te zijn van het kapitaal, waardoor die arbeid wordt ingelijfd.

Ricardo bekommert zich nergens om de oorsprong van de meerwaarde. Hij behandelt de meerwaarde als iets dat inherent is aan de kapitalistische productiewijze, welke in zijn ogen de natuurlijke vorm is van de maatschappelijke productie. Wanneer hij het heeft over de productiviteit van de arbeid, dan zoekt hij daarin niet de oorzaak van het bestaan van de meerwaarde, maar slechts de oorzaak van de grootte van de meerwaarde. Daarentegen heeft de Ricardiaanse school op luide toon de productiviteit van de arbeid uitgeroepen tot ontstaansgrond van de winst (lees: meerwaarde). In ieder geval een vooruitgang vergeleken met de mercantilisten, die het overschot van de prijs der producten boven de productiekosten afleidden uit de ruil, uit de verkoop van de producten boven hun waarde. Desondanks heeft ook de Ricardiaanse school slechts het probleem vermeden en het niet opgelost. Inderdaad bezaten deze burgerlijke economen het juiste instinct dat het zeer gevaarlijk zou zijn dit brandende probleem van de oorsprong van de meerwaarde diepgaand te onderzoeken. Maar wat moeten we ervan denken wanneer een halve eeuw na Ricardo de heer John Stuart Mill plechtig zijn superioriteit ten aanzien van de mercantilisten tentoonspreidt door de laffe uitvluchten van de eerste vulgarisatoren van Ricardo gebrekkig te herhalen?

Mill schrijft: ‘De oorzaak van de winst is dat de arbeider meer produceert dan voor zijn onderhoud noodzakelijk is.’ Tot zover het oude liedje, maar Mill wil er iets oorspronkelijks aan toevoegen. ‘Om de vorm van de uitspraak te veranderen: de oorzaak, waardoor het kapitaal winst afwerpt, is dat voeding, kleding, grondstoffen en arbeidsmiddelen langere tijd meegaan dan voor hun productie nodig is.’ Mill verwart hier de duur van de arbeidstijd met de duurzaamheid van de producten. Volgens deze opvatting zou een bakker, wiens producten maar één dag meegaan, nooit dezelfde winst uit zijn loonarbeiders kunnen halen als een machinefabrikant, wiens producten 20 jaar en langer meegaan. Natuurlijk, wanneer vogelnesten niet langer mee zouden gaan dan de tijd, die voor hun bouw noodzakelijk is, zouden de vogels zich zonder nesten moeten behelpen.

Na deze grondwaarheid eenmaal te hebben vastgesteld, geeft Mill uiting aan zijn superioriteit ten opzichte van de mercantilisten: ‘We zien dus dat de winst niet ontstaat door de toevallige gebeurtenis van de ruil, maar door de productiviteit van de arbeid; de totale winst van een land wordt altijd bepaald door de productiviteit van de arbeid, onverschillig of al dan geen ruil plaatsvindt. Zou er geen arbeidsverdeling bestaan, dan zou er koop noch verkoop zijn, maar wel altijd winst.’ Hier zijn dus ruil, koop en verkoop — de algemene voorwaarden van de kapitalistische productie — louter toevallige gebeurtenissen en is er nog altijd winst zonder koop of verkoop van arbeidskracht!

En hij gaat verder: ‘Wanneer de arbeiders van een land gezamenlijk 20 % boven hun loonsom produceren, dan bedraagt de winst 20 %, ongeacht de hoogte van de prijzen van de waren.’ Dit is, enerzijds, een goed geslaagde tautologie, want wanneer de arbeiders een meerwaarde van 20 % produceren voor hun kapitalisten, zal de winst zich verhouden tot het totale loon der arbeiders als 20:100. Anderzijds is het echter volkomen onjuist dat de winst ‘20 % zal bedragen’. De winsten moeten altijd kleiner zijn, omdat zij worden berekend op basis van het totale voorgeschoten kapitaal. Stel dat de kapitalist £500 heeft voorgeschoten, waarvan £400 aan productiemiddelen en £100 aan arbeidsloon. Is de meerwaardevoet, zoals hier wordt aangenomen, 20 %, dan is de winstvoet 20:500, dat wil zeggen 4 % en niet 20 %.

Hierna volgt een schitterend staaltje van de wijze, waarop Mill de verschillende historische vormen der maatschappelijke productie behandelt: ‘Ik ga overal uit van de huidige stand van zaken, die op enkele uitzonderingen na overal wordt aangetroffen, dat wil zeggen dat de kapitalist alle uitgaven voorschiet, de betaling van de arbeiders inbegrepen.’ Welk een wonderlijk gezichtsbedrog om overal een toestand te zien die tot nu toe slechts bij uitzondering op de aardbol wordt aangetroffen! Maar we gaan verder. Mill is wel zo goed toe te geven ‘dat het niet absoluut noodzakelijk is dat dit zo is’. Integendeel. ‘De arbeider zou met de betaling, zelfs voor het totaal van het loonbedrag, kunnen wachten tot het werk volledig voltooid was, indien hij beschikte over de middelen, die nodig zijn om in die tussentijd in zijn onderhoud te voorzien. Maar in dat geval zou hij in zekere zin een kapitalist zijn, die kapitaal in de zaak belegt en een deel van de fondsen levert, die voor het voortzetten van de zaak nodig zijn.’ Mill had even goed kunnen zeggen dat de arbeider, die niet alleen de bestaansmiddelen maar ook de arbeidsmiddelen voorschiet, in werkelijkheid zijn eigen loonarbeider is. Of dat de Amerikaanse boer, die alleen voor zichzelf in plaats voor anderen herendiensten verricht, zijn eigen slaaf is.

Nadat Mill ons op deze wijze duidelijk heeft bewezen dat de kapitalistische productie, zelfs als ze niet bestond, toch zou bestaan, is hij nu consequent genoeg om te bewijzen, dat zij zelfs dan niet bestaat wanneer ze bestaat: ‘En zelfs in het vorige geval (wanneer de kapitalist de loonarbeider het totaal van zijn bestaansmiddelen voorschiet -M.) kan de arbeider op dezelfde wijze worden beschouwd (namelijk als een kapitalist -M.). Want wanneer hij zijn arbeid beneden de marktprijs (! -M.) afstaat kan men dit beschouwen alsof hij het verschil (? -M.) aan zijn ondernemer voorschiet, enzovoort.’[9a] In werkelijkheid schiet de arbeider gedurende een week, enzovoort, de kapitalist zijn arbeid gratis voor om aan het einde van de week, enzovoort, de marktprijs te ontvangen; dit maakt de arbeider volgens Mill tot een kapitalist! Op het vlakke terrein zien ook hoopjes aarde er uit als heuvels; men bepale zelf de vlakheid van onze huidige bourgeoisie naar het kaliber van haar ‘grote geesten’.

_______________
[1] ‘Het bestaan van de patroons-kapitalisten als een afzonderlijke klasse is afhankelijk van de productiviteit van de arbeid.’ Ramsay, t.a.p., p. 206. ‘Wanneer de arbeid van een ieder slechts voldoende was om zijn eigen voedsel te produceren, zou er geen eigendom kunnen zijn.’ Ravenstone, t.a.p., p. 14.
[1a] Volgens een onlangs gemaakte berekening leven alleen in de reeds ontdekte gebieden van de wereld ten minste nog vier miljoen kannibalen.
[2] ‘Onder de wilde Indianen van Amerika behoort vrijwel alles aan de arbeider; 99 delen van de 100 worden op rekening van de arbeid geschreven, in Engeland misschien nog geen 2/3.’ The Advantages of the East Indian Trade etc., pp. 72, 73.
[3] Diodorus, t.a.p., deel I, hoofdstuk 80.
[4] ‘De eerste (de natuurlijke rijkdom) maakt, doordat het de gulste en de voordeligste is, het volk zorgeloos en trots en geeft aanleiding tot buitensporigheden, terwijl de tweede noopt tot waakzaamheid en de letteren, kunst en staatkunde bevordert.’ England’s Treasure by Foreign Trade, or the Balance of our Foreign Trade is the Rule of our Treasure, written by Thomas Mun of London, merchant, and now published for the common good by his son John Mun, London, 1669, pp. 181-182. ‘Evenmin kan ik mij een grotere ramp voor een volk voorstellen dan in een gebied terecht te komen, waar de bestaansmiddelen en het voedsel spontaan uit de natuur voortkomen en waar men zich dank zij het klimaat weinig of geen zorgen hoeft te maken over kleding of onderdak... Een uiterste aan de andere zijde is ook mogelijk. Een bodem, die zelfs met arbeid niet in staat is producten voort te brengen, is even slecht als een bodem die overvloedig producten levert zonder enige arbeid.’ An Inquiry info the Present High Price of Provisions, London, 1767, p. 10.
[5] De Egyptische astrologie ontstond door de noodzaak de periodieke bewegingen van het Nijlwater te berekenen en hierdoor werd de heerschappij der priesters als leiders van de landbouw gevestigd. ‘De zonnestilstand is het tijdstip van het jaar, waarop het water van de Nijl begint te stijgen en dit tijdstip moest dus door de Egyptenaren met de grootste aandacht worden waargenomen... Voor de regeling van de landbouwwerkzaamheden was dit tropische jaar belangrijk. Zij moesten dus in de hemel zoeken naar een teken, dat de komst van de zonnestand aankondigde.’ Cuvier, Discours sur les révolutions du globe, éd. Hoefer, Paris, 1863, p. 141.
[6] Een van de materiële grondslagen van de macht van de staat over de onsamenhangende, kleine productieorganismen in Indië was de regeling van de watervoorziening. De mohammedaanse heersers over Indië hebben dit beter begrepen dan hun Engelse opvolgers. Ik herinner slechts aan de hongersnood van 1866, welke in het district Orissa, in het Bengaalse presidentschap, aan meer dan een miljoen hindoes het leven kostte.
[7] ‘Er bestaan geen twee landen, die een gelijk aantal bestaansmiddelen in gelijke kwantiteit en met dezelfde hoeveelheid arbeid voortbrengen. De menselijke behoeften nemen toe of af met de gestrengheid of gematigdheid van het klimaat, waarin zij leven; derhalve kan het deel der werkzaamheden, dat de bewoners van verschillende landen noodzakelijkerwijs moet verrichten, niet hetzelfde zijn en het is niet mogelijk de omvang van het verschil anders te bepalen dan door de mate van hitte of koude. Hieruit kunnen we de algemene conclusie trekken dat de hoeveelheid arbeid, nodig voor een bepaald aantal mensen, het grootste is in een koud klimaat en het kleinste is in een warm klimaat; want in het eerste hebben de mensen niet alleen meer kleding nodig, maar eist de grond ook meer bewerking dan in het laatste.’ An Essay on the Governing Causes of the Natural Rate of Interest, London, 1750, p. 59. J. Massey is de schrijver van dit baanbrekende, anonieme geschrift. Hume ontleende aan dit werk zijn rentetheorie.
[8] ‘Iedere arbeid dient een overschot te leveren.’ Dit schrijft Proudhon, die schijnt te menen dat dit behoort tot de rechten en plichten van de burger.
[9] F. Shouw, Die Erde, die Pflanze und der Mensch, Leipzig, 1854, tweede druk, p. 148.
[9a] John Stuart Mill, Principles of Political Economy,London, 1868, pp. 252-253 vv. [Bovenstaande citaten zijn vertaald uit de Franse uitgave van Het Kapitaal -F.E.]